DE BELGISCHE VLUCHTELINGEN; De rommeling. (102)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Aan dit onderwerp heeft dagbladcorres­pondent A. Raaphorst Hzn. vele bladzijden gewijd, waarvan er hier maar enkele kunnen volgen.

“Tijdens het bombardement en de inname van Antwerpen van 28 september tot 9 oktober 1914 stroomden de Belgische vluchtelingen ons land binnen. In het steuncomité dat al gauw in Lisse was opgericht zaten de volgende personen: “D. Blok, arts, voorzitter, F.K. Dankelman, Hoofd RK School, secr., J. Tuijmelaar, notaris, penningmeester, Mej. W. van Ruiten-Reckers, M. van Vrijberghe de Coningh, J.W. Lefeber, J.M. Veldhuyzen van Zan­ten, K. Volkersz, H. Pitloo, G. Tromp en A. Raaphorst Hzn.” zelf. Dan was er nog een R K Huisvestingscomité: “Jhr. Von Bönninghausen tot Herinckhave, burge­meester, voorzitter, Eerw. Nolet, kapelaan, Dr. F.G.M. Haase, H. van Beek, J. Pijnacker en S. van der Vlugt.” Pastoor Klekamp meende, dat hiervoor alleen katho­lieken in aanmerking kwamen, omdat de Belgen ook katholiek waren.

Zeer tot on­genoegen van Raaphorst; de protestanten wilden ook hun gastvrijheid betonen! “Nadat eerst de steden van deze Belgische gasten waren voorzien, kwamen de dorpen aan de beurt, tenminste de dorpen die aan de comité’s in het zuiden des lands de wensch te kennen hadden gegeven om ook een zeker aantal te kunnen en te willen herbergen. Zo kreeg Lisse op zaterdag 10 october ’s avonds te half elf eene extra trein met 468 Belgische vluchtelingen te gast, zoodat onze gemeente, met het aan­tal wat reeds bij familie was ingekwartierd een kleine 500 vluchtelingen te eten had. Het waren mannen, vrouwen en kinderen, zoowel als jonglieden en jongedochters”. “De stoet had een betreurenswaardige aan­blik, want behalve wat zij aan het lijf had­den, waren ze van alles beroofd.

Alles had­den zij achter moeten laten. Er waren wel verschillende personen die hun honden had­den meegebracht. Eene vrouw was er die zelfs twee stuks papegaaien had medege­bracht en nog een vrouw met eene pape­gaai. Voorts was er een gezin die haar poesje had meegebracht, die echter niet meer naar België is teruggekeerd, maar bij menschen hier ter plaatse is gebleven. Een jon­gen had in een kistje zijn drie konijntjes op de vlucht meegebracht en nog een gezin de kooi met kanarie, enz. Zelf zag ik op de Zondagmorgen na de aankomst der vluchtelingen een jongen van een jaar of twaalf, die met zijn moeder en grootmoe­der de nacht doorgebracht hadden bij de stationschef; zijn vader was per automo­biel in zieke toestand van de trein naar een der scholen vervoerd, naar de kerk gaan, met een klein smoushondje in zijn armen, hoogstwaarschijnlijk zijn hondje, dat hij ook tot elke prijs had willen meenemen.”

“Er was echter, zooals met alles, kaf in het koren. Er waren er namelijk onder, die zich geen denkbeeld konden vormen van de belanglooze hulpvaardigheid, die men hier zo goed als overal aan hen betoonde en zich dan ook op verschillende manieren ondankbaar aanstelden. Een dezer manieren was, dat een troepje van die menschen, op de eerste Zondag de beste, in een der café’s alhier, te keer gingen, of men dui­zenden had te verteeren en zij hier nu ei­genlijk waren voor hun plezier in plaats van uit nood. Het gevolg hiervan was, dat op maandagavond 12 october 42 dezer vluchtelingen werden doorgezonden naar Hillegom, welke gemeente behalve dit getal geen enkele vluchteling binnen hare grenzen had. Bij deze 42 waren de grootste druktemakers, zoodat wij die met eere kwijt wa­ren! Bovendien werd door de Burgemeester bepaald, dat tijdens de aanwezigheid der Belgische vluchtelingen alle café’s ’s avonds te 9 uur gesloten moesten worden.”

Na enige tijd was de toestand in België weer zo gestabiliseerd dat de vluchtelingen naar hun haardsteden konden terugkeren. Niemand hoefde zijn Belgische gasten weg te sturen als men dat niet wenste, “maar de vergoeding van het Rijk zou in het ver­volg niet meer verstrekt worden. Het gevolg hiervan was, dat verschillende particulie­ren de in hunne huizen vertoevende vluch­telingen aanzegden, dat zij moesten ver­trekken, omdat hun onderhoud in deze dure tijden boven hunne krachten zou gaan. Dientengevolge vertrokken er op za­terdag 9 januari 1915 met een extra trein 94 vluchtelingen naar Gouda, waar ver­schillende gebouwen voor hen in gereed­heid waren gebracht.” Na enige tijd was de toestand in België weer zo gestabiliseerd dat de vluchtelingen naar hun haardsteden konden terugkeren. Niemand hoefde zijn Belgische gasten weg te sturen als men dat niet wenste, “maar de vergoeding van het Rijk zou in het ver­volg niet meer verstrekt worden. Het gevolg hiervan was, dat verschillende particulie­ren de in hunne huizen vertoevende vluch­telingen aanzegden, dat zij moesten ver­trekken, omdat hun onderhoud in deze dure tijden boven hunne krachten zou gaan. Dientengevolge vertrokken er op za­terdag 9 januari 1915 met een extra trein 94 vluchtelingen naar Gouda, waar ver­schillende gebouwen voor hen in gereed­heid waren gebracht.” “Wat wij hierbij nog willen opmerken is dit, dat de meeste Belgen onder stromen van tranen afscheid namen van de plaats waar zij bijna drie maanden waren ver­zorgd en gevoed geworden. Zij gingen na­tuurlijk, omdat zij moesten, maar niet één had uit eigen beweging gegaan, omdat zij hier op rust waren en nu weer verder moesten.” “Arme, arme menseden! Het nageslacht dat dit zal lezen zal zelfs in de verste verte niet kunnen beseffen wat het is, om ver van zijn geboortegrond, waar woeste wilde hor­den, die de naam van menschen niet meer waardig zijn, alles verbrand en geplunderd hebben in een vreemd land, onder vreemde menschen als ballingen moeten leven en dan hier en dan daar gestuurd te worden.” “Op Woensdag 13 januari zijn de laatste Belgische vluchtelingen die door het steuncomité werden gevoed, naar elders vertrokken.”