De oude Rooms-Katholieke begraafplaats aan de Achterweg

In 1828 kwam er een begraafplaats tussen de schuilkerk en de Achterweg, nabij het Mallegat. In het reglement opgesteld door de gemeentebestuur staat dat er 80 graven moeten kunnen komen op een opgehoogd terrein, omgeven door een muur. Er mogen maximaal 4 kisten boven elkaar. Reeds in 1866 wordt de begraafplaats opgeheven, omdat de zoon van boer Wubbe zijn  grond weer terug wilde hebben.

Door R.J. Pex De R.K.

NIEUWSBLAD Jaargang 9 nummer 2, april 2010

Parochie H. Willibrordus, waar onder meer de Lissese Parochie St. Agatha deel van uit maakt, beschikt sedert het begin van de vorige eeuw over een bijzondere kerk: de H. Agathakerk. Een indrukwekkend monument dat ooit de ‘Kathedraal van de Bollenstreek’ genoemd werd. Vóór 1842 was dat echter wel anders. Toen kerkten de Lissese Rooms-Katholieken nog in een schuilkerk. Deze was gelegen bij het zogenaamde Mallegat, bij de huidige buurtschap De Engel (vanouds een gemeenschap met een sterke Rooms-Katholieke achtergrond). Aan de westzijde van de Achterweg bevonden zich enige opstallen, de schuilkerk zelf en de woning van de pastoor. (Zie afb.). Begraven werd in en later bij de oude dorpskerk aan ’t Vierkant. In 1828 hebben de Lissese Katholieken echter een eigen begraafplaats gekregen. Deze kwam tussen de schuilkerk en de Achterweg te liggen.

Reglement voor de nieuwe begraafplaats aan de Achterweg, 1828

In hetzelfde jaar hebben burgemeester en wethouders (‘assessoren’ zoals ze toen nog genoemd werden) van Lisse een ‘reglement’ uitgevaardigd ‘waar na de nieuwe begraafplaats der Roomsch Catholieke Gemeente te Lisse zal behooren ingerigt te worden’. Daar dit reglement nog niet eerder ter sprake kwam in eerdere publicaties over de geschiedenis van de Agathaparochie wil ik hier toch enige woorden aan wijden. Allereerst zal de nieuw aan te leggen begraafplaats gelegen moeten zijn op een min of meer verheven terrein. Hij dient te worden omgeven door een muur, waarin luchtgaten zijn aangebracht. Het terrein moet van zodanige omvang zijn dat het ruimte biedt aan tachtig graven. In elk familiegraf mogen niet meer dan vier kisten onder elkaar begraven worden. De graven worden na tien jaar geruimd. Artikel 7 houdt verband met personen die aan besmettelijke ziekten waren overleden, zoals vaker gebeurde in de negentiende eeuw (cholera bijvoorbeeld). Deze zullen eerst blootgesteld moeten worden aan ‘minerale zuure berookingen’. Het spreekt vanzelf dat van al die begrafenissen een register bijgehouden dient te worden. De administratie zal het tijdstip van begrafenis bepalen en maakt een tarieflijst op ‘waarbij de kosten van begraven van groote en kleine lijken zal worden bepaald’.
‘Aldus gedaan en opgemaakt om te worden gesteld in handen van de Administratie der begraafplaats der R. Catholieke gemeente te Lisse den 30en oktober 1828’.

Hoe het verder ging met de begraafplaats aan de Achterweg

Erg lang heeft het kerkhof uit 1828 niet dienst gedaan. Reeds in 1866 blijkt er al niet meer op begraven te worden. Hermanus Wubbe, boer op de nabijgelegen boerderij Klopjeshoven, wiens vader een stuk grond geschonken had ten behoeve van de begraafplaats, eiste nu de grond weer terug. Pastoor Heuvels stelde voor hem in zijn vermeende rechten te laten, welke mening werd gevolgd door het bisdom, die er echter bij aantekende ‘gezegde erfgenaam’ een aalmoes of liefdesgift aan de kerk te laten doen bij wijze van schadevergoeding.

De huidige begraafpraktijk

Tegenwoordig telt de begraafplaats achter de Agathakerk zo’n 800 graven (in plaats van 80, dus precies 10%, in 1828). Verder is in verband met milieuvoorschriften tegenwoordig het aantal kisten dat onder elkaar mag worden begraven teruggebracht naar twee (in plaats van vier in 1828). Op grond van de Wet op de Lijkbezorging mag tegenwoordig na tien jaar een graf worden geruimd, voor zover het de Algemene Graven betreft. In de praktijk gebeurt dat om de vijftien jaar ongeveer. Familiegraven oftewel zogenaamde Huurgraven worden uitgegeven voor twintig jaar. Deze kunnen met tien jaar worden verlengd. Wanneer dat niet gebeurt worden de graven geruimd. In 1828 was de praktijk duidelijk anders. Toen werd in het geheel geen onderscheid gemaakt tussen Algemene Graven en Familiegraven en werden de graven hoe dan ook na tien jaar geruimd. Wat was het zo toch heerlijk eenvoudig!

Bronnen:

Gemeentearchief Lisse, inv.nr. 756 (Keuren, ordonnantiën en verordeningen van de gemeente, 1814-1936).
Met dank aan de heer J.P.S. Lieverse

De oude schuilkerk aan het Mallegat bij de buurtschap De Engel, tweede helft achttiende eeuw. Geheel rechts de eigenlijke schuil- of schuurkerk. Links daarvan de woning van de pastoor. In 1828 zou achter het hekje geheel links in de bosjes de nieuwe begraafplaats komen. Daar was ook de Achterweg. Uit: A.M. Hulkenberg, ’t Roemwaard Lisse (tweede druk, Lisse 1998), p. 13.