DE TOEPASSING VAN DE LANDARBEIDERSWET. In de Zuidhoek van Lisse

Jan Hageman vertel in dit artikel over de connectie van de landarbeiderswet en de woningbouw in de bocht van de Julianastraat. Vorig jaar vierde dat stukje Lisse haar 100 jarig bestaan. Dat levert natuurlijk ook weer een mooi verhaal op.

Jan Hageman

Nieuwsblad 24 nummer 1 2025

Vooraf
“Kijk”, met haar ene hand steunend op de rollator wijst ze met haar andere hand naar de overkant, “daar heb ik mijn hele jeugd gewoond”. Verbaasd kijk ik haar aan. Meer dan 40 jaar heb ik nu in deze straat gewoond, maar ik heb nooit geweten dat haar familie hier vandaan kwam. Voor mij komen allemaal andere namen van oude straatbewoners uit mijn jeugd in herinnering. Eenmaal binnen aan de koffie begint ze enthousiast te vertellen over haar vader, Leen Kapiteijn. Hoe hij zich had opgewerkt van eenvoudige landarbeider tot bedrijfsleider van Bloembollenbedrijf Fred de Meulder. “Hij was apetrots op zijn huis dat hij als landarbeider zelf had kunnen laten bouwen”. Ze neemt nog een slok koffie. “En dat was allemaal mogelijk door de Landarbeiderswet.” Het is begin jaren 90 en voor het eerst hoor ik iemand vertellen over het begrip de Landarbeiderswet. Natuurlijk was ik de term wel eens tegengekomen, maar ik had er nooit bij stilgestaan. Ze vertelt dat dit een wet was die landarbeiders in de gelegenheid stelde geld te kunnen lenen om een stukje grond te kopen waarop men een huis kon laten bouwen en daarnaast nog een moestuintje kon onderhouden. Als ze weer vertrokken is, zoek ik de doos op met de stukken over het huis die mijn vader heeft achtergelaten en die zijn vader (mijn opa) ook aan hem heeft overgedragen. Al snel stuit ik op een brief van de gemeente Lisse, gedateerd 2 februari 1925, met als onderwerp ‘Grondverkoop en voorschot Landarbeiderswet’. Ook ons huis is dus gebouwd in het kader van de Landarbeiderswet. De brief vermeldt de goedkeuring en besluit van de raad om ‘voor de stichting van een woning ingevolge de Landarbeiderswet tegen den prijs van f. 1.- per m2 ongeveer 500 m2 grond te verkoopen van het perceel gelegen langs de Julianastraat’.

Op de bijbehorende blauwdruktekening staat nog iets opvallends. ‘Plan tot het bouwen van twee arbeiderswoningen op een terrein van de z.g. Zuidhoek te Lisse’. De Zuidhoek, ik had er nog nooit van gehoord. Het is begin jaren 90 en internet staat nog in de kinderschoenen. Zoeken naar de sporen van de Landarbeiderswet wordt een tijdrovende klus. Zo’n 30 jaar later is dat anders. Maar laten we bij het begin beginnen….

Armoede in de 19de eeuw
De 19de eeuw staat bekend als de eeuw van de armoede. Arbeiders maakten lange dagen voor weinig loon. Daarbij liet de industriële revolutie ook zijn sporen na. Fabrieken en werkplaatsen trokken de arbeiders van het platteland naar de steden. Er was meer aanbod van arbeidskrachten dan werk. Gevolg achterblijvende lonen en vooral slechte huisvesting. Op het platteland was het niet anders. In de zomer was er werk genoeg, maar ’s winters viel de natuur en ook het werk stil. Landarbeiders zaten vaak zonder werk in de wintermaanden. Met de huisvesting (én de voeding) van de arbeiders was het zo droevig gesteld, dat zelfs koning Willem
III er zich mee ging bemoeien. Al in 1853 vroeg hij aan het Koninklijk Instituut van Ingenieurs wat de eisen moesten zijn waaraan een goede arbeiderswoning zou moeten voldoen. Een jaar later bracht het Instituut rapport uit waarin een verband werd gelegd tussen gezondheid en volkshuisvesting en werden er aanbevelingen gedaan die de basis voor de latere Woningwet zouden worden.

Vooral in de steden kreeg  de roep voor betere huisvesting in de tweede helft van de eeuw meer gehoor. In diverse steden ontstonden ‘Vereenigingen tot het verschaffen van geschikte woningen aan de arbeidende klasse’. De voorlopers van de woningcorporaties. Wat een geschikte woning was, daarover werd zeer verschillend gedacht. Er waren geen normen voor oppervlakte en voorzieningen. De eerste Woningwet dateert van 1901. Voor het eerst was overheidsbemoeienis bij volkshuisvesting in een wet vastgelegd. Vanaf nu mochten woningbouwverenigingen rekenen op financiële steun van de overheid en werden gemeenten verplicht verordeningen en voorschriften op te stellen waaraan woningen moeten voldoen. De naleving van de Woningwet lag bij het Staatstoezicht op Volksgezondheid en werd gedelegeerd aan de gemeenten. Een Ministerie voor Volkshuisvesting bestond nog niet.

De eerste woningbouwverenigingen in Lisse
In navolging van de ontwikkelingen in de steden wordt in Lisse de Christelijke Coöperatieve Bouwvereniging ‘Vaderlijk Erfdeel’ opgericht (rond 1905). In december 1906 wordt de naam veranderd in ‘Helpt elkander’. Deze vereniging laat door aannemer J. Witzenburg 19 woningen bouwen op het terrein van M. van der Veld. De oplevering is eind 1910. De nieuwe straat krijgt ook gelijk zijn naam, de Van der Veldstraat. In 1907 wordt Woningbouwvereniging Volksbelang opgericht. Een vereniging op katholieke grondslag die echter op aandringen van het gemeentebestuur wordt omgezet naar een neutrale vereniging. Volksbelang wil gebruik maken van de faciliteiten van de Woningwet uit 1901. Daar heeft het gemeentebestuur eigenlijk geen oren naar. Woningbouw is iets voor particulieren. De strijd duurt 7 jaar. In 1915 kunnen eindelijk de eerste stukken grond (o.a. het gedeelte Julianastraat vanaf Koningstraat naar Wilhelminastraat) worden aangekocht. Er zullen 59 woningen worden gebouwd.

Begin bocht bij Julianastraat-Nassaustraat 1930

Het worden er uiteindelijk maar 25, omdat de eerste wereldoorlog materiaalschaarste veroorzaakt. Het stuk Julianastraat vanaf de Kanaalstraat heet dan nog Meeren Duinstraat en is in 1904 door aannemer Gebrs. Moolenaar aan de westzijde bebouwd met kleine arbeiderswoningen. De straat is smal en in eigendom van Moolenaar. Aan de oostzijde kijkt men over de weilanden uit naar de ringvaart van de Haarlemmermeer. Het perceel tussen de grond van Volksbelang en dat van Gebrs. Moolenaar blijkt volgens oude papieren al de naam Zuidhoek te dragen. Tegelijk met de grond voor Volksbelang koopt de gemeente, op dringend advies van de inspecteur van Volksgezondheid, dit perceel ter grootte van 16.490 m2 van eigenaar de Gereformeerde Kerk van Lisse. De gedachte hierachter was dat dan ooit een verbinding kon worden gemaakt tussen de nieuwe Julianastraat en de Meer- en Duinstraat. Het perceel is tot rond de eeuwwisseling in gebruik als weiland. Op een kadastrale hulpkaart uit 1905 staat als bestemming bouwland.

Het is dan dus omgezet voor de tuinbouw. Als de grond eenmaal in handen is van de gemeente, wordt het hele perceel verdeeld in kleine perceeltjes die verhuurd worden als volkstuintjes. Blijkbaar was er vraag naar volkstuintjes.

Eind bocht bij Julianastraat-Koningstraat kantoor Volksbelang 1930

Niet zo vreemd als je bedenkt dat het overgrote deel van de werkende bevolking in Lisse in die tijd werkzaam is in de landbouw. De vraag naar landarbeiders is –vooral in het hoogseizoen- wel groot, maar het aanbod is ook hoog. Grote gezinnen zijn gewoon in die tijd. En iedere meewerkende hand, die geld verdient, verlicht de zorgen om het levensonderhoud. En een extra aanvulling vanuit de eigen volkstuin helpt daar natuurlijk bij. In de bloembollensector worden de meeste werkzaamheden nog met de hand uitgevoerd. De echte mechanisatie moet nog op gang komen. Maar ’s winters is het rustig en worden veel landarbeiders naar huis gestuurd. En zo ontstaat de situatie dat landarbeiders door hun los werknemersbestaan nooit de gelegenheid krijgen om zelf een woning te kopen of zelfs maar te laten bouwen. De landarbeider  zit hierdoor gevangen in een laagwaardig sociaaleconomische situatie, waar hij nooit zelfstandig bovenuit zal komen. Een breed landelijk probleem dat langzaamaan ook de nodige  aandacht krijgt van de beleidsbepalers in Den Haag. Het besef begint door te dringen dat ‘verstrekking van grond aan landarbeiders een publiek belang is’.

De Landarbeiderswet 1918
Op 20 april 1918 wordt na een lange aanloop de Landarbeiderswet officieel van kracht. ‘Een wet tot verkrijging door landarbeiders van land met woning in eigendom of van los land in pacht’,aldus de bij de wet behorende toelichting.

De gegadigden hebben dus twee mogelijkheden:
a. het verwerven van een stukje grond voor eigen (groente-)teelt en tot het bouwen van een eigen woning
b. het pachten van een stukje grond voor eigen (groente-)teelt

Voor beide mogelijkheden kunnen kredieten worden aangevraagd bij het Rijk. De wetgever spreekt daarbij de voorkeur uit dat kandidaten, die uitsluitend gebruik willen maken van de pachtmogelijkheden, zich verenigen in een vereniging of stichting.

Natuurlijk worden er voorwaarden gesteld aan de deelnemers:

a. de landarbeider moet naast het bezitten van het Nederlanderschap ook Rijksingezetene zijn
b. gedurende twee jaar al in de betreffende gemeente wonen

Voor het verwerven van grond met oprichting van een woning  gelden daarnaast de volgende extra voorwaarden:
c. de aanvrager mag niet ouder dan 50 jaar zijn (i.v.m. de aflossingstermijn van 30 jaar)
d. de totale kosten van de grond en de woning mag niet meer dan Fl. 4.000,- bedragen
e. de aanvrager moet tenminste 10% van de totale investering uit eigen middelen kunnen betalen
d. de eerste drie jaar wordt alleen rente betaald (4%) en daarna volgen 30 annuïteiten met een rente van 5,8%

De totstandkoming van deze wet ging niet zonder slag of stoot. Voorstanders brachten in dat landarbeiders hiermee een sterkere economische positie konden verwerven. De staatscommissie, belast met het opstellen van de wet, onderstreepte dit en stelde ook dat arbeiders hiermee in staat worden gesteld hun inkomsten
uit loondienst aan te vullen. Tegenstanders waren er natuurlijk ook. Argumenten als: lasten worden te zwaar bij neergaande conjunctuur, er komt schade aan de grond door ondeskundig gebruik en roofbouw, arbeiders gaan dan ook op zondag werken en arbeiders maken dan te lange dagen kwamen allemaal naar voren. Over dit laatste argument maakte een kamerlid (in het dagelijks leven zelf boer) nog de volgende opmerking: de arbeider werkt op z’n eigen stukje grond en komt bij ons uitrusten… Het mocht allemaal niet baten. De wet werd met grote meerderheid aangenomen en luidde een nieuw tijdperk in van het particulier woningbezit.
Toepassing Landarbeiderswet in Lisse Deze hele ontwikkeling van een bezit voor landarbeiders is in Lisse niet onopgemerkt gebleven. Op 3 augustus 1923 komt de gemeenteraad bijeen. Het voorstel van de Grondcommissie (=een raadscommissie) ‘om den Zuidhoek beschikbaar te stellen voor het verkrijgen van plaatsjes ingevolge de Landarbeiderswet’ staat dan hoog op de agenda. Het blijkt een breed gedragen voorstel en wordt snel aangenomen. Hier zien we voor het eerst het gebruik van de naam Zuidhoek in officiële stukken. De naam staat er zonder enige toelichting over de locatie. Het zal in die tijd dus voor iedereen duidelijk geweest zijn welk perceel hiermee bedoeld wordt. Het perceel van 6.008 m2 wordt verdeeld in perceeltjes van circa 500 m2. De eerste reacties zijn positief. B&W constateren dan ook dat er ook in deze gemeente verschillende arbeiders zijn, die het bezit van een plaatsje, als bedoeld in de Landarbeiderswet, op prijs stellen. Hierdoor wordt toch liefde voor eigen haard gekweekt en worden spaarzaamheid en vlijt aangemoedigd. Besloten werd dat de deelnemers Fl. 500,- contant moesten betalen bij de overdracht van de grond. Daarmee werd voldaan aan de plicht minimaal 10% van het maximale investeringsbedrag zelf bij te dragen. Op het hele perceel werden uiteindelijk 22 locaties voor een huis met (moes-)tuin gerealiseerd. De stukken grond op de noord- en zuidoosthoeken waren veel groter dan de geplande 500 m2 en werden respectievelijk aan een beerboer en een transport- en loonbedrijf verkocht. Van de 22 locaties werden er uiteindelijk 16 verkocht in het kader van de Landarbeiderswet. De hoge eigen bijdrage zal ongetwijfeld mee hebben gespeeld in de toch wat beperkte deelname. Het zelf in te leggen bedrag was ongeveer gelijk aan circa veertien weeklonen en moest dus opgespaard worden. Op zichzelf was dat al een geweldige opgave voor landarbeiders. De levensstandaard lag al laag en enige luxe kon men zich niet veroorloven. Aan geld sparen kwam men dan vaak helemaal niet toe. Het hele plan kon dan ook wel op sympathie van de lokale landarbeiders rekenen, maar als het er op aan kwam werd de drempel toch vaak te hoog bevonden.

Iets over de deelnemers
Een vrijstaand huis (laten) bouwen voor fl. 3.500,- was eigenlijk niet te doen. Voorafgaand aan de vaststelling van het maximale investeringsbedrag van fl. 4.000,- was al een lange discussie gevoerd. In het eerste wetsontwerp was dit bedrag veel lager, maar nog voordat de wet bekrachtigd werd vonden al de eerste aanpassingen plaats. De Tweede Kamer vond in z’n algemeenheid dat ‘iedere grens iets willekeurigs heeft’. In het besluit  werd dan ook vastgelegd dat in voorkomende gevallen middels een Koninklijk Besluit kon worden afgeweken van dit bedrag. In Lisse hield men vast aan de fl. 4.000,- In de praktijk bleek het dan ook handiger geen vrijstaande (arbeiders-)woning te bouwen, maar ‘twee-onder- één-kap’. Daarvoor moesten deelnemers dus paren vormen. Naast twee deelnemende broers vinden we ook twee neven die gezamenlijk huizen lieten bouwen. Ongetwijfeld was de bekendmaking van de start van dit project een veelbesproken onderwerp in de schaftruimten van menig bloembollenbedrijf. We vinden dan ook collega’s bij zowel H. de Graaff en Zn. en N.V. Leo van Grieken op de deelnemerslijst. Opvallend was de aanmelding van twee landarbeiders, waarvan één kandidaat-deelnemer de 40-jarige leeftijd reeds was gepasseerd. Hoewel de leeftijdsgrens om nog deel te mogen nemen wettelijk was vastgesteld op 50 jaar, vond er n.a.v. deze aanvraag toch een uitgebreide discussie plaats in de raadsvergadering van juni 1924. Het gemeentebestuur stelde dat al zou men bij deze startleeftijd de annuïteitstermijn bij leven kunnen afmaken, ‘dan is daarin toch zeker een belangrijk deel begrepen, dat hun werkkracht niet meer zoo groot is, waardoor zij minder loon verdienen en meer bezwaar bij de aflossing zullen ondervinden.’ Het gemeentebestuur stelde dan ook voor in dit geval de deelnemer de helft (fl. 2.000,-) zelf in te laten brengen. Uiteindelijk kwam men overeen ieder geval apart te beoordelen en voor deze kandidaat-deelnemer de eigen inbreng op fl. 1.500,- vast te stellen. Van deze twee deelnemers zijn geen percelen in eigendom teruggevonden, zodat we mogen aannemen dat deze eigen bijdrage een te groot obstakel voor deelname was. Zeker was dat het allemaal landarbeiders waren. De grote tuin werd in veel gevallen als moestuin ingezet. ‘Om in aanvullende levensbehoefte te voorzien’, zoals de wetgever ook voor ogen had. Maar een aantal (6) eigenaren zagen in de grote tuin de mogelijkheid van springplank naar een eigen bloembollenbedrijfje. Dat was niet vreemd voor die tijd, want in de streek waren misschien wel honderd kleine bloembollenbedrijfjes van dezelfde omvang en met een gelijkwaardige thuisbasis gehuisvest.

Het einde van de Landarbeiderswet
Bij de uitvoering van de Landarbeiderswet bleken veel gemeenten een afwachtende houding aan te nemen. In de plattelandsgemeenten waren veelal de confessionelen aan de macht en die waren in die tijd principieel tegen overheidsbemoeienis bij woningbouw. Maar veel hing ook af van de ondernemingszin en durf van de landarbeiders zelf. De mensen, die het waagden om met geleend geld zelf een huisje te bouwen, namen een groot financieel risico in een tijd dat een lang en gezond leven beslist niet vanzelfsprekend was. Een helder overzicht van het aantal gerealiseerde ‘plaatsjes’ is nooit opgemaakt. Wel verscheen in 1964 van het Ministerie van Landbouw en Visserij een overzicht op provinciaal niveau. Groningen en Drenthe voerden de boventoon met rond de duizend plaatsjes per provincie. Dit had ongetwijfeld ook te maken met de slechte woonomstandigheden in de veengebieden aan het begin van die eeuw. Daar viel een hoop te verbeteren. Eind 1925 waren in Zuid Holland 103 plaatsjes uitgegeven.

Drukte tijdens de opening van het tankstation bij garage Broekhuizen 1968

Uiteindelijk bleef voor Zuid Holland in 1964 de teller steken op 373 plaatsjes. Aan uitgifte van percelen volgens de Landarbeiderswet lagen, vanwege de kredietverstrekking, altijd raadsbesluiten ten grondslag en die werden dienovereenkomstig daarna in de krant vermeld. Hierdoor is het aantal uitgegeven plaatsjes in Lisse redelijk betrouwbaar vast te stellen en mogen we er van uitgaan dat het bij de eerder aangegeven 16 plaatsjes is gebleven. In 1964 vindt een evaluatie van de wet plaats. In de toelichting schrijft de minister dat na de Tweede Wereldoorlog de economische positie van de landarbeider sterk is verbeterd en dat de noodzaak om te voorzien in eigen teelt sterk is afgenomen. Ook was het maximaal te investeren bedrag (fl. 4.000,-) zeker na de oorlog, door de gestegen bouwkosten, een belangrijke hindernis geworden. Kortom, de grondslag voor de wet was verdwenen met als gevolg dat de wet feitelijk niet meer werkte. In mei 1965 is de wet daarom officieel ingetrokken.

100 jaar later
‘Kijk, ons huis had ook een erker opzij.’ Met een trots gezicht vouwt ze een kleine blauwdruktekening van de erker open. ‘Die is later aangebouwd en mijn vader had er een bord op laten plaatsen met de naam van z’n jongste dochter, ik dus, Jeanne. Hij had ook een eigen stoel in de erker. Dan kon hij makkelijk over de straat kijken’, vertelt mevrouw Kapiteijn bij een later bezoek.

Hier gaan ze al 100 jaar door de bocht van de “Zuidhoek” 1975

Inmiddels zijn we een eeuw verder nadat de eerste woning in de nieuwe straat verscheen. De erker is al enkele decennia verdwenen om plaats te maken voor de toegang naar een autospuiterij die verscheen op de plaats van de ruime moestuin. En dat lot hadden meerdere moestuinen in de loop van de 100-jarige geschiedenis ondergaan. De grote tuinen waren goed toegankelijk en wekten interesse bij opkomende bedrijven. Zo verschenen er in de jaren 60 een garagebedrijf, een autospuiterij en een handelsbedrijf in dumpartikelen. Later voegde zich daar nog een loonploegersbedrijf aan toe. Bij het garagebedrijf verscheen in 1968 zelfs een klein benzinestation (Gulf) voor de deur. ‘Een gezellige drukte’, vonden de oudere bewoners van de straat. Die mening veranderde in de jaren erna. De toeleveranciers kwamen met steeds grotere vrachtwagens en inmiddels verschenen ook de eerste auto’s van de bewoners. Daar bleek door de bedrijvigheid weinig plek voor. Begin jaren 80 verdwenen zowel het garagebedrijf als de autospuiterij en keerde de rust voor een groot gedeelte weer terug. De kleine bloembollenbedrijfjes hadden de schaalvergroting met bijbehorende automatisering van de concurrenten al jaren eerder niet overleefd. Van de plaatsjes, zoals ooit bedoeld in de Landarbeiderswet, is niet veel meer te herkennen. De oorspronkelijk kleine huizen zijn veelal uitgebouwd op een deel van de bijbehorende grond. Enkele huizen zijn geheel vervangen door nieuwbouw en op een paar percelen was het zelfs mogelijk om naast het oude huis ook nieuwbouw te plegen. Straten blijven nooit zoals ze ooit waren. Iedere tijd heeft z’n eigen wensen. Ook de huizen in dit stukje Julianastraat zijn veranderd: verbouwd, uitgebouwd, aangepast aan de huidige wooneisen. Er zijn warmtepompen geplaatst, zonnepanelen geïnstalleerd om zuinig met energie om te gaan. Honderd jaar geleden werd daar nog geen rekening mee gehouden. Verandering hoort bij het bestaan. Dat geldt voor huizen, hun bewoners en de straat.

Het stukje Julianastraat ‘in de bocht’ bestaat nu 100 jaar. Dit eeuwfeest is door de bewoners in de zomer van 2024 uitgebreid gevierd. Over de geschiedenis, de eerste bewoners en de verdere ontwikkeling van de straat is een boekje samengesteld. Het boekje is nog beperkt verkrijgbaar (€15,-). Interesse? Stuur een mailtje naar dezuidhoek100jaar@gmail.com.