DE WATERWOLF KIJK OP DE WERELD VAN EEN LAAT-MIDDELEEUWSE LISSE

De geschiedenis over de Haarlemmermeer vanaf de middeleeuwen tot de drooglegging wordt beschreven.

door Arie de Koning

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 4, december 2019

Wat voor (wereld)beeld hadden de laat middeleeuwse inwoners van Lisse en later zijn kinderen van het steeds veranderende landschap om hen heen. Die veranderingen waren zeer ingrijpend aangezien het merengebied, waar Lisse deel van uitmaakte, zich met een razend tempo uitbreidde ten koste van in cultuur gebracht land. Complete dorpen werden door het water verzwolgen en aan alle kanten vrat de waterwolf grote stukken oeverland weg. Dat overkwam Crijn Pietersz van Nieuwerkerck aan den Drecht, een dorp in het noorden van de Oude Haarlemmermeer. ’s Avonds laat plaatste hij een fuik aan het einde (het schor) van zijn tuin en toen hij deze ’s morgens weer wilde ophalen was zijn complete achtertuin van 10 vadem, ca 20 meter, door de storm van die nacht weggeslagen, zijn fuik incluis.

Meer steeds meer meer!

Jan Adriaanszoon Leeghwater (*1575 De Rijp -†1650 Amsterdam ) was een Nederlandse molenmaker en waterbouwkundige. Hij bedacht de achtkantige houten molen en de bovenkruiende oliemolen. Daarmee was het mogelijk de molen altijd recht in de wind te zetten, te kruien. Hij was betrokken bij veel droogmakerijen in binnenland en tot ver buiten de landsgrenzen. Al in 1641 publiceerde Leeghwater zijn Haarlemmermeer-boek. Hij was hiermee een van de eersten die pleitten voor drooglegging van het gevaarlijk groeiende Haarlemmermeer, ook wel de Waterwolf genoemd. Pas in 1852 werd dit gerealiseerd. Een van de drie grote gemalen die hierbij werden gebruikt, werd naar hem genoemd. Dit gemaal “De Leeghwater”, aan de zuidkant van de Haarlemmermeer, bij De Kaag is nog steeds in gebruik.

Ter illustratie: Het Oude Haarlemmermeer, het Leidse Meer, het Spieringmeer en de Oude Meer tesamen waren in 1531 groot 5 600 ha. Zestig jaar later, in 1591, bedroeg de watermassa tesamen 10 570 ha. Het schijnt dat er niemand ongerust is geworden dat het Meer in 60 jaren bijna twee keer zo groot is geworden en dat is opmerkelijk. Het was immers zo klaar als een klontje dat het water niet uit zichzelf zou stoppen met het veroveren van land. Men sprak toen van “So claer als de zon in de middach,” want witte suikerklontjes bestonden toen nog niet. In 1745 is het Meer zelfs 16 600 ha groot geworden terwijl er toen toch op alle aangevallen punten voldoende zware oeververdedigingen waren geplaatst. Dat dacht men.
In een boek van A.A. Beekman, “de strijd om het bestaan” lezen we op bladzijde 241; “kon men in 1531 nog er tusschen” (tussen het Leidse en Oude Haarlemmermeer) door van Hillegom naar Amsterdam en van Haarlem naar Aalsmeer komen, reeds in 1591 waren zij tot één groot Meer aangegroeid en was het dorp de Vijfhuijsen, gelegen in het noordelijke deel tusschen Spiering en Lutke meren, erdoor verzwolgen”. ”Enkel de kerk is gespaard gebleven.” “In 1647 had het zich vergroot tot 14 450 ha en verdwenen er nog twee dorpen; Nieuwerkerck aan den Drecht en Rietwijck of Rijk, beiden in het noorden gelegen.” ”Ook e Ambachten Polanen en Raasdorp in het uiterste noorden zijn dan nagenoeg verdwenen”, evenzo de buurtschappen Boesingeliede en Ransdorp verdwenen.

Maatregelen
De bodem van de Meren bestond uit veen met daaronder een vette kleilaag. Het losgewoelde veenstof werd, voor zover zij niet als teelaarde gebruikt werd door de boeren, door de uitwatering bij Spaarndam gestadig naar zee afgevoerd. De rivier het Spaarne welke door Haarlem stroomde raakte op den duur verstopt en er moest flink worden gebaggerd om de lucratieve scheepvaart in het Spaarne te laten voort
zeilen. De grootste klappen vielen aan de oostzijde van het Meer. De polder van Aalsmeer verdween nagenoeg in zijn geheel. Kostbare werken als oeververdediging werden door Rijnland uitgevoerd maar deze verloren de strijd met het water. De Staten van Holland besloten in 1767 om Rijnland te helpen en trokken een som uit van 1.800.000 guldens voor het plaatsen van oeverversterkingen. Zelfs Utrecht droeg hier aan bij. In Aalsmeer was de vreugde hierover zo groot, dat er een jaarlijkse “Dank en Bededag” werd uitgeschreven. Tot 1795 werd deze dag gehouden, ook in Lisse. Het onderhoud van de bijgeplaatste werken bedroeg van 1771 tot 1845 alleen al 1.700.000 guldens. Maar zoals goede kooplieden dit plachten te doen, brachten bij de drooglegging van de Meer de gebruikte paalwerken, puinstortingen etc bij verkoop nog 107.745 guldens op. In een lijvig boekwerk “de Batavia Illustrata”, uitgegeven in 1685, vinden we een verhandeling van ene Symon van Leeuwen. Hij stierf in 1682, dus het boek werd na zijn dood uitgegeven. Symon eschrijft de situatie rond 1500. “Voor hondert ende tagtig jaer, waren de Leijtse en Haarlemmer meeren noch maer met eene gemeene Wetering, ter loosinge van het Rhijnlantse water, gescheiden en liepen noch eenige kleijne weteringen dwars door ’t landt, dat meest poel ende moeras was, naar ’t huijs ter Hart (Huis Zwanenburg te Halfweg), so dat Ransdorp (’t welck nu eene maal in den meer verdronken en weggespoeld is) hem strekte tot aan ’t Eylandeken, dat men nu de Vennip nomt, en tussen de uyterlanden van den Ruijghenhoeck maar een kleijne doortogt was, daar een veer en overtogt lag, om van het vaste land van Hillegom, door Aalsmeer, Rijk ende Slooten tot in Amstelland te konnen rijden en aan den Rhijnsaterwoudse sijde tot Woerden en Uytregt
te komen. Daar van niet lang geleden een oude kaart, door bevel van Hoogheemraden van Rhijnlandt in ’t jaer 1508 doen maken, gesien heb, daarbij vertoont wierd, dat een man met een kodde (soort polsstok, ook wel verrejager genoemd red.) droogvoets van Rhijnsaterwoude tot aan het vaste landt van Hillegom konde over komen.” De situatie werd met name voor de gebieden in het oostelijke en noordelijke deel van de Meer steeds nijpender. Aalsmeer, Rijnsa terwoude en Leimuiden werden ernstig bedreigd en omdat het in die plaatsen meest uitgeveend land was, dus erg diep lag, zou zich een enorme ramp voltrekken als zich hier een doorbraak zou voordoen.

Lisse en haar buren aan het Meer

In 1531 laat onderstaand kaartje bij De Vennep al een behoorlijk bredere verbinding tussen de beide meren zien. In de 60 jaar er na gaat het wel heel erg snel.

Het lijkt me goed om eens een geografische blik op de omgeving van Lisse te werpen en met name op dorpen die aan het Meer lagen en waar zich hoogst waarschijnlijk regelmatig mensen uit Lisse lieten zien voor zaken of familiebezoeken. Naaste buur van Lisse in het noorden was het Ambacht Vennep. Weggedrukt tussen het Meer en Hillegom kreeg het eeuwenlang de sloperspraktijken van het Meer over zich heen en kromp ieder jaar wel een beetje. Hoe zit dat met de Vennep?

Vennep
Het bestaat al eeuwenlang. Reeds in de 10e eeuw wordt melding gemaakt van Vennep in een goederenlijst van de Sint Maartenskerk te Utrecht. Hierbij schenkt de Duitse keizer Otto het land en de visrechten van Vennep aan deze kerk. “In Uennapan totum sancti Martini” en “In Getzeuuald in flumine Fennepa omnis piscatio sancti Martini”. In een charter van 7 november 1327 schenkt Dirck van Kuik, Burggraaf van Leiden, aan Hendrik van Heemskerck twintig morgen land, ”die gheleghen sien in myn Ambocht, ende hiet die Venp, daar an die ene zide leghet Airnds van Waterland, ende an die ander zide leghet Jacob Airnds, streckende ’t een ende ander an die Mere ende ’t ander an die Hout”. Het hier geschonken land is een strook land in de richting Oost-West, daar de grens van het ambacht Vennep Noord-Zuid liep. Dus liep de oostelijke grens van het Haarlemmer Hout ook ongeveer NoordZuid en was er dus met zekerheid reeds in het begin van de veertiende eeuw een strook weiland beoosten de Hout.

Het Meer waarover hier gesproken wordt is het Leidse Meer en zijn oever liep toen reeds bij het ambacht Vennep ongeveer in Noord-Zuidelijke richting. Op 6 juni 1552 werden het Ambacht en de Heerlijkheid Vennep door Margaretha van Roon, weduwe van Zegelijn van Alveringe, Heer van Hofwijk, verkocht aan de stad Leiden en in de beleningsbrief vinden we dezelfde grens als boven beschreven. Uit opmeting door de landmeter Van Merwen in opdracht van de stad Leiden, blijkt ook het eiland Vennep tot dit ambacht te behoren. Hieruit volgt dat reeds in 1327 dit eiland van het vaste land los is geraakt, anders was de omschrijving wel veranderd.

Uit het bovenstaande wordt duidelijk dat de landtong tussen het Oud Haarlemmermeer en het Leidse
Meer aan de westkant moet hebben vast gezeten aan het ambacht Hillegom dat benoorden Vennep lag. Merkwaardig lijkt dat in 1544 Vennep tot Sassenheim werd gerekend. De reden daarvan was dat zij beiden dezelfde ambachtsheer, de Burggraaf van Leiden, hadden. Anders is dit niet te verklaren, want
zij grensden niet eens aan elkaar.

Burggravenveen
In een charter van 30 maart 1339 wordt door graaf Willem IV onder andere “het dorp ende Ambocht van Hillighem mit Vennpe, datter toe hoert,” geschonken aan Arnout, zoon van Witte van Haemstede. Nu wordt het moeilijk, want dit Vennpe is niet het ambacht Vennep, want dat was in leen bij de Leidse burggraven wat blijkt uit een oorkonde van 2 april 1339, waarbij Phillips van Wassenaar, beleend werd met het Burggraafschap van Leiden en met alles wat er toe behoort. Het genoemde Vennpe blijkt Burgravenveen te zijn, aan de oostelijke kant van het Meer. Dat blijkt uit hetzelfde Groot Charterboek
waar gesproken wordt over “dat tiendekijn tot Burchgravenveen of up die Vennp.” Burggravenveen blijkt dus soms Vennp genoemd te worden. Dat het aan een Vrouwe van Voorne behoorde welke tevens Burggravin van Zeeland was volgt uit een charter van 1540 in het Archief van het Hoogheemraadschap van Rijnland, waar gesproken wordt van “Groot en Cleyn Burchgravenveen, alias der vrouw Ambocht van Voorn.”

Wordt vervolgd

Bronnen – ook voor de volgende delen Haerlemmermeer

Boeck van Jan Adriaensz, Leeghwater 1643 Omvang Haarlemmermeer en de meren waaruit ontstaan, J.C. Ramaer 1892
Gemeente Archief Lisse, Resolutieboeken van Schout ende Burgemeesteren.
Archief Hoogheemraadschap van Rijnland
A.A. Beekman: De strijd om het bestaan
A. Ramaer: Haarlemmermeer