DS. HENRICUS VELSE; De rommeling. (139)
Door Alfons Hulkenberg
Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn
Ds. H. Velse werd op 6 september 1683 te Woerden geboren. Als jong kandidaat, 23 jaar oud, werd hij beroepen naar Lisse, waar hij tot november 1709 werkzaam is geweest. Toen vertrok hij naar Deventer en niet zeer lang daarna naar Delft. Van 1715 tot 1744 heeft hij gestaan in ‘s-Gravenhage. Onder zijn portret in de consistoriekamer der Grote of Sint Jacobskerk aldaar staan de woorden:
Te Lis heb ik met vreugd Gods akker milt bezaeit,
Daerna in Deventer een rijken oogst gemaeit;
Dus deed ik ook te Delf, en acht en twintig jaeren
Zag ’s Gravenhaeg’ de vrucht in zijne schuer vergaeren.
Ds. Henricus was een broer van Ds. Wilhelmus Velse te Delft en de vader van Ds. Gerardus Velse te Geervliet en dr. Cornelis, hoogleraar in de anatomie en chirurgie. Voorwaar een geleerde familie. Dat gold zeker ook voor Ds. Henricus zelf. Er verschenen verscheidene boeken van zijn hand, zooals “Grondvesting des christendoms onder de heidenen op de kusten van Choomandel en Malabar”, “Onderscheyd tusschen die God dient en niet dient”, Kleine Concordantie of Register des O. en N. Testaments” en “Leven van den Grave van Rochester”. Aldus vermeldt Dr. E.J.W. Posthumus Meyjes in “Kerkelijk ‘s-Gravenhage in vroeger eeuw”, 1918. Zoals gezegd, heeft Ds. Velse maar ruim twee jaar in Lisse gestaan, maar ook hier moeten dat bijzonder vruchtbare jaren zijn geweest. Bij zijn beroep naar Lisse waren er al dadelijk moeilijkheden geweest, aangezien de kerkeraad Gerardus Vonck had laten vertrekken, zonder de vereiste “acte van satisfactie van non praejudicie” van de zijde van Jonker Adriaen de Wael van Vronesteyn. Deze was Heer van Lisse en moest volgens het toen algemeen geldend recht in demissie en beroep gekend worden. Jonker Adriaen maakte er echter geen punt van en Ds. Velse kon zonder meer zijn functie aanvaarden. De moeilijkheden kwamen ook niet zo zeer van zijn kant, maar van die van de schout/secretaris, Jacob van Dorp, overigens zelf lidmaat van de Gereformeerde Kerk. Men moet niet uit het oog verliezen, dat zo’n man vroeger geen salaris kreeg, integendeel, hij moest voor de uitoefening van zijn ambt een pachtsom betalen! Hij miste nu heel wat inkomsten en nog een lekker etentje bovendien. Alles kwam goed. De “ouderlingen en diakonen in de Gereformeerde Gemeente” zouden alles wat benoemingen en losmakingen betreft laten schrijven door de Secretaris van Lisse. Bovendien zouden ze alles doen wat mogelijk was om te bewerkstelligen, dat de schout weer mocht deelnemen aan de “maaltijd in de Classe, die gewoonlijk geschiet op de losmakinge van deselve Classe”. Schout Van Dorp kon tevreden lachen; de opzet was gelukt! Bij een latere benoeming in 1724 waren er natuurlijk weer moeilijkheden. Ds. H. Velse bericht nog, dat het benoemingsrecht van ouds “aan de Heerlykheyd van Lisse behoord heeft”. Hij raadde de kerkeraad dan ook aan, zich met de Heer van Lisse te verdragen. Zo moeilijk was dat nu ook niet. Deze was wel “Roomsgezind”, maar een demissie werd altijd toegestaan en uit een lijst van te beroepen personen werd altijd de bovenste gekozen. Dat dit toch tot hevige conflicten kon leiden, leest men in “Het Huis Dever te Lisse” (1966). Uit zijn “In memoriam” in 1744 blijkt, dat Ds. Velse zich met name toelegde op de verklaring der catechismus tot onderwijzing der gemeente.
“Het gouden kleinoot, dat, met eedele gesteentens
omzet, aan Heydelberg zijn naam verschuldigt blyft,
en nog de band is der hervormde ChristGemeentens
en blijven zal zo lang als waarheidhovendryft,
was hem een borstcieraat, vol gloedt van Bybelstralen,
waarvan de schitterkragt met aangedrevenstem
door yders oog tot op den grond van ’t hart moest dalen”.
Hoe wist hij voorts in zijn prediking
“van ’t echte Bybelmerch de rechte smaak te proeven,
de gouden schakelen van Oudt en Nieuw Verbondt
als één te smeeden, en op yders hart te schroeven,
niet slechts Belydenis te leggen in den mond.
De kragt der zuivere Genade-leer,
een klaar gezigt van Heil- en Hemelweg te geeven,
was al zijn hartelust.”
Ten slotte merkt de dichter op, dat “het Jufferdom”, dat zijn onderricht volgde hem “tot gedenkzuil” zou zijn “in yder huisgezin”. Die Lisser “juffers” zijn nu echt allemaal wel gestorven. Daarom wordt zijn naam met Roomse hand nog eens met respect neergeschreven “tot gedenkzuil in yder huisgezin”.





