Herinneringen en belevenissen van de 2e Wereldoorlog.

Henk Schalk vertelt over zijn belevenissen  in en herinneringen aan de 2e wereldoorlog.

door Henk Schalk

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 2, april 2009

Inleiding.

Wat zou het goed zijn, als er personen zijn die de 2e Wereldoorlog, met name in ons dorp Lisse, heel bewust hebben meegemaakt en daarvan ook nog hun herinneringen en belevenissen op papier willen zetten. Die vraag kwam een poosje geleden bij mij op. Op verjaardagen hoor je vaak de verhalen over de periode die je zelf niet meegemaakt hebt. Ik vroeg het aan mijn zwager, Henk Schalk ( 1929). Geboren en getogen Lisser en zoon van een bakker.
De winkel en daar achter de bakkerij in de Kanaalstraat had als huisnummer 149. Tegenwoordig staat op die plek het bedrijf en winkel van Electrotechnisch Installatie Bureau Jan van der Reijden. Toen de oorlog uitbrak was Henk Schalk 10 jaar oud. Veel kan hij zich nog herinneren van de 5 jaar bezetting. Zie hier zijn verhaal dat hij voor de Vereniging Oud Lisse op papier zette.
Chris Balkenende.

Hier volgt het relaas van Henk Schalk.

10 mei 1940

We worden wakker van het lawaai in de lucht, kijken naar buiten en zien een vliegtuigje brandend naar beneden storten. Hebben de laatste maanden veel oefeningen van de soldaten gezien, maar dit is OORLOG. We gaan wel naar de kerk, want het is 2e Pinksterdag. Mogen dinsdag van vader niet naar school. Die blijkt trouwens gesloten te zijn. We brengen 4 dagen door met beplakken van de ramen met stevig papier/ karton, zodat ze niet in scherven uit elkaar kunnen springen.

15 mei 1940

De Duitsers hebben het hart van Rotterdam weggebombardeerd en dreigen hetzelfde te doen met Utrecht als Nederland niet capituleert. De regering moet het land wel overgeven, tegen criminelen valt niet te vechten. Na een paar dagen komt het bezettingsleger ook in Lisse. Wàt een legerauto`s, zo groot en hoog. Een paar Lissese meiden komen gelijk ook al lol maken met de chauffeurs : de eerste moffenmeiden !

Situatie op de hoek van de Broekweg en de Kanaalstraat na het bombardement

Op een avond in het begin van de oorlog zijn er plotseling laag over razende vliegtuigen en drie enorme explosies. Broer Frans van 14 jaar komt naar binnen hollen : “moeder…..moeder…..”. Het blijkt dat hij met Izak Leemans, de knecht, met een zaklantaarn in de lucht heeft staan schijnen. Ze dachten dat de bommen op het lampje gericht waren…. Een Engelse jachtbommenwerper werd achterna gezeten door een Duitse jager en had, om sneller te kunnen vliegen, zijn bommen afgeworpen ; één op de hoek Kanaalstraat/Broekweg -drie ? doden, één vlak voor de villa “De Driesprong” en één in het weiland daarnaast.
Al gauw start `s avonds vanaf Schiphol een vloot bommenwerpers om Londen te bombarderen. Dat betekent iedere avond/ nacht een paar uur wakker liggen van de vliegtuigherrie. Je komt absoluut niet in slaap. Maar er worden boven Engeland zoveel Duitse vliegtuigen neergeschoten, dat ze er mee moeten stoppen. De Engelsen gaan wraak nemen met nog veel meer en grotere bommenwerpers, die ook nog beschermd worden door snelle jachtvliegtuigen. Dus nog veel langer wakker liggen. Gelukkig namen ze op de terugweg een andere route.
Toen Amerika aan de oorlog ging deelnemen gingen ze helpen om Duitsland te bombarderen, maar: gewoon overdag! Vanuit Engeland. Ze vlogen zo hoog dat de vliegtuigen bijna niet te zien waren, maar wel de bevroren uitlaatstrepen van de viermotorige toestellen. Soms kwam een aangeschoten toestel laag vliegend terug in een poging om Engeland te halen. De Duitsers schoten daar met hun luchtafweergeschut vanuit de duinen als razenden op. Het was beter om dan binnen te blijven, omdat de granaatscherven soms letterlijk in het rond vlogen. Op mijn verjaardag in december 1943 bombardeerden de Amerikanen Schiphol. Overdag. De bovenramen van de klas stonden open. Bij ieder salvo van de Duitse afweerkanonnen kletterden ze vreselijk. Mijnheer Koppenaal wilde ze daarom dicht doen. Maar iedere keer als hij er dichtbij was dreunde er weer een salvo en sprong hij haastig terug. Je zag in de lucht bij ieder salvo een serie zwarte wolkjes komen van de ontploffende granaten, zodat het zonlicht er minder door werd.
Eten, brandstof, kleding, eigenlijk alles werd al gauw gerantsoeneerd en kwam “op de bon”. Zogenaamd om alles eerlijk te verdelen. Maar in werkelijkheid omdat het bezettingsleger een aandeel van onze voorraden eiste, en om zoveel mogelijk naar Duitsland te slepen. Voor de middenstand in de voedselvoorziening was dat een ramp ; bij onze bakkerszaak moest de klant voor ieder broodje distributiebonnen inleveren. Die kregen ze bij het distributiekantoor op de Heereweg, voor een bepaalde periode en dan werd voor de week van de zoveelste tot de zoveelste van de maand in de kranten aangegeven welke bonnen er geldig waren. En zo zat de Familie Schalk de hele zaterdagavond bonnen te plakken op opplakvellen. De volle opplakvellen moesten worden ingeleverd bij het distributiekantoor en daarvoor kreeg je dan coupures waarmee je bij de meelhandel balen meel kon kopen. Al gauw werd de kwaliteit van het meel miserabel, want er werd van alles doorgemengd: erwtenmeel, roggemeel ; er was geen brood van te bakken. De mensen die aan tarwemeel wisten te komen kwamen dat bij ons inleveren en later hun brood afhalen.
In 1944 kregen de kleinere bakkers geen brandstof meer om in hun eigen bakkerij te blijven bakken. Zo moesten wij en bakker Schakenbos bij de Protestantse Coöperatie op “De Gracht” intrekken. Tot dat er bijna niets meer was en de mensen broodblikken kwamen brengen waarin deeg kon zitten, gemaakt van roggemeel, gemalen spinaziezaad, tulpenbollen, pulp van suikerbieten en nog meer ellende. En dat in allerlei formaten zodat de bakker de grootste exemplaren achter in de oven moest schuiven, omdat die het laatst gaar waren en hoe kleiner, hoe meer naar voren en het eerst gaar. We hebben wel meegemaakt dat de klanten een stok op de bodem van het blik gelegd hadden, om te controleren of het echt wel hun deeg was en of er niets was afgehaald. Ook wel dat ze een aantal bonen in het blik gelegd hadden. Met Kerstmis 1944 kwam een Duitse militaire bakker koek bakken bij de Coöperatie, onder begeleiding/controle van een sergeant… Een levensgrote bol koekdeeg lag op de werkbank. Toen de eerste plaat koek uit de oven kwam kreeg de sergeant er één van. “Hmm, schmeckt gut”. Maar de bakker bromde : “Mit Eier wäre`s besser gewesen”. En dat terwijl de bevolking hongeroedeem had. Thomas Gort uit de Beatrixstraat wachtte tot bakker en sergeant even in het magazijn waren, kneep een groot stuk koekdeeg van de berg af, stopte het weer netjes toe en verborg het in zijn tas. Toen de Duitsers klaar en weg waren zei hij tevreden : “Ziezo, nou ga IK koek bakken”. Link genoeg, want dat was stelen van legervoorraden !
De honger was groot, ik meen dat het rantsoen in de hongerwinter (december-maart 1944-1945 ) een roggebrood van 800 gram was voor een hele week en dat terwijl er verder nagenoeg niets was. De mensen die zelf aardappelen hadden waren nog betrekkelijk goed af. Toen in die winter mijn bakkerskar bij iemand voor de deur stond waar ik binnen was, kwamen er een jongen en een meisje aanrijden, haalden allebei een brood uit de kar, wikkelden die in een jutezak en reden weg. Toen ik schreeuwend naar buiten rende lieten ze het gauw op straat vallen en vluchtten weg. Dat waren geen echte dieven, die waren “De Meer” in geweest om een beetje eten proberen te kopen en dat was niet gelukt. Waarschijnlijk Leidenaars. Een andere keer kwamen er twee zwarthandelaars bij mijn kar staan : “Bakker, je hebt nog wel een broodje over ; zestig gulden”….
In de herfst van 1944 was, om de bevolking wat beter te kunnen voeden op de Haven een gaarkeuken ingericht. De bevolking had geen brandstof en kon daar met inlevering van hun distributiebonnen een aanvankelijk nog voedzame maaltijd kopen. Later werd de spoeling heel dun en moesten er ook suikerbieten verwerkt worden. Neef Henk Brussé had daar de administratie van.
Hoe de Duitse militairen aan hun vis kwamen ? Ze vorderden bij brugwachter Wesselius een roeiboot en gingen een eindje het Kanaal op, trokken de slagpin uit een handgranaat en gooiden die weg en als de waterzuil van de ontploffi ng was uitgebruist kwamen de verdoofde en de dode vissen vanzelf boven drijven…
Een aardig voorval uit 1941. De Duitsers lagen in onze school in de Schoolstraat. Er moest een aanval met rubberboten geoefend worden, juist toen de school bijna aan zou gaan. Het starten was op de plaats waar vroeger expediteur M. van der Linden was, aan de Gracht. Eén rubberboot was al van de kant afgestoken toen er nog een soldaat aan kwam rennen. Hij moest van de commandant toch springen, maar: half er naast en werd op het bootje gehesen. En lachen de schoolkinderen en woest de commandant.
Die soldaten werden `s avonds en `s nachts ingekwartierd bij de burgerij. Het hele dorp was geïnspecteerd en als je een kamertje of ruimte had waar er wel een paar konden slapen, kwam je er niet onder uit om ze te nemen. Wij kregen er twee uit Beieren : de ene was houthakker van beroep, vingers als worsten en een trouwring zo groot als een hoepel ( ietsje overdreven ). Na een paar maanden moesten ze weer weg, ze wisten niet waar naar toe. Een half jaar later stond de troep ineens weer op het Asveld, nu parkeerterrein t.o. onze school. Ook onze August Benedict en Hans Hecker. Ze waren duidelijk blij om ons weer te zien en of we aan onze Vater und Mutter wilden vragen “of ze weer bij ons mochten”. Dan mocht het van de commandant ook. Het waren echt aardige kerels. Ze brachten van de dienst altijd “drups” mee, druivensuikersnoepjes, erg lekker. Wij hadden al snel geleerd om te vragen “Haben sie noch Drups ?” Ze waren toen in Frankrijk geweest bij het bezettingsleger.
De avond voor Kerstmis 1942 kwamen ze in de bakkerij, thuis van een dienstfeestje, Hans half aangeschoten, tenminste : Hans had de klompen van mijn vader aangetrokken en stond op de neus te drukken of ze wel pasten… Dat was wel lachen natuurlijk. Maar toen hij daarna ook de Hitlergroet maakte, met uitgestrekte rechterarm “Heil Hitler” riep, had je moeten zien hoe woedend August op hem werd… Waarschijnlijk meer omdat hij wist hoe de Hollanders over Hitler dachten, dan om zijn eigen gevoel voor Hitler. Want de inwoners van Beieren waren uiterst Rooms Katholiek en ze geloofden heilig wat Hitler altijd propageerde over Rusland, de Communistische Godloochenaars en de strijd daar tegen. Kort daarna moesten ze weer weg, wisten zogenaamd weer niet waar naar toe. Dat ze bang waren dat het naar Rusland zou zijn, durfden ze niet eens hardop te zeggen. Het Duitse leger in Rusland had zware verliezen geleden en moest en zou aangevuld worden, desnoods met tweederangs troepen. Later kwamen van Frau Benedict en Frau Hecker de bidprentjes, “Gefallen für das Vaterland”. En zo ook bij andere mensen die inkwartiering hadden gehad.
Jonge mannen waren al gauw niet meer veilig voor de bezetters en de N.S.B. Die moesten als ze zo`n 18 jaar waren en maar enigszins gemist konden worden, in de Arbeidsdienst, een op militaire leest geschoeide organisatie. Ze moesten in uniform allerlei klussen doen. Met hun als een geweer over de schouder gedragen scheppen, leerden ze exerceren en marcheren, allerlei domme commando`s opvolgen en werk doen in de voedselvoorziening of zelfs ten behoeve van het Duits leger.
In de tweede helft van 1944 was er geen enkele man meer veilig. De Duitsers gingen razzia`s houden en haalden iedere man uit huis of van de straat die ze konden vinden. Waar ze naar toe gingen wisten ze nooit, maar dat kon van alles zijn: werken aan Duitse verdedigingsinstallaties, naar Duitsland enz. Als ze gepakt werden bij een poging om te ontsnappen waren ze heel slecht af.
Werkelijk miserabel en angstig werd het toen in het Keukenhofbos een startbaan van de V-1 was aangelegd; zeg maar zo`n vijftig meter voorbij ( nu ) de van Lyndenweg links, tien of twintig meter van de Stationsweg. Wij wisten van de aanleg niets af, alleen dat de Stationsweg was afgesloten vanaf het “zandpad” tot de Loosterweg. Reken maar uit hoe ver je om moest lopen als je bij Lammetje Groen moest zijn. De eerste keer dat zo`n ding werd gelanceerd lagen we stijf van schrik in bed; een geluid alsof er twintig tractors tegelijk werden gestart vlak voor je deur. Dat was de eerste keer dat ik begon te

Boerderij uit 1942 van de boerderij van familie de Wit, boerderij ‘de Phoenix’

wanhopen of de Duitsers de oorlog wel echt zouden verliezen. Eén is er toen nog dicht bij de boerderij van de Wit neergestort en ontploft. Geen ruit meer heel en geen pan meer op het dak.
Wij hebben toen voor de mensen die alles kwamen repareren nog met meel van de Wit brood gebakken en geleverd. Gebracht op een handkar. Toen ik met onze geëvacueerde knecht uit Bruinisse vlak bij de boerderij was kwam er een aanval met Spitfires op de spoorlijn, vlak bij het station, je zag de bommen vallen, zo dichtbij, alsof ze op je hoofd zouden komen. Vreselijk angstig.

Als de Duitse Abteiling ging marcheren liep voorop een Feldwebel. Die had een paar oorlogsonderscheidingstekens en een ( gemeen ) gezicht, verminkt door een enorm litteken. Die gaf het tempo aan en brulde zo nu en dan: “Ein_Lied_ _ _zwei_vier_ _ _” en dan zong de hele troep gehoorzaam zo`n Heimatliedje mee. Dat was bij de Duitsers gebruikelijk, om bij iedere afdeling minstens één echte NAZI te zetten. Broers en neven van een schoolkameraadje waren op de Tuinbouwschool op de Heereweg en hadden daar met scheikunde een explosief mengsel leren maken. Zij noemden dat Calium/Magnesium en haalden dat gewoon bij de drogist. Ze hadden daar een leuk spelletje mee verzonnen. Ze deden dat in pakjes en legden die op de tramrails vóór de Rooms Katholieke school op de Heereweg. Zelf kropen ze ( en wij..) achter de struiken in de tuin van de Bollenkwekers Gebr. Segers.

Als de tram er overheen reed hoorde je een stel daverende knallen, werd de schildwacht die voor de bezette school stond héél erg zenuwachtig en ging staan zwaaien en dreigen met z’n geweer; een niet ongevaarlijk spelletje!
Toen de voedselvoorziening onvoldoende werd – al in 1943 – kon je van de Gemeente Lisse gratis een volkstuintje krijgen. Er was een braakliggend terrein, begrensd door de Broekweg-( nu ) Hyacintenstraat- Gladiolenstraat en ( nu ) Irissenstraat, waar je dan een stukje van mocht bebouwen. Tabak was er al gauw helemaal niet meer. In het begin van de oorlog waren er nog “Blazertjes” te koop, een soort sigaretten van Joost-mag-weten wat voor soort van gedroogde bladeren. Een gruwelijke smaak en stank… Wie een beetje tuinruimte had ging zelf tabak verbouwen en dat groeide hier eigenlijk best aardig. Als de bladeren groot genoeg waren werden ze geoogst, de nerven er uit gehaald en gedroogd. Dan in heel smalle reepjes gesneden en gefermenteerd. Dat was dan de “Eigen Teelt”. Als de shag helemaal klaar was kwam het probleem van de vloeitjes die niet meer te koop waren. Krantenpapier was wel een heel slechte vervanger. Het is bekend dat er menig dun papierig bijbeltje en psalmboekje voor misbruikt is.
De Duitse bezettingsmacht bestond aanvankelijk uit parate troepen. Toen die allemaal naar Rusland verdwenen waren, kwam er “tweede keus” voor in de plaats, ouderen en minder validen. Die bleken op den duur niet mobiel genoeg en gingen fi etsen vorderen. Ik stond een keer in de Kanaalstraat, voor de brug rechtsaf dus, aan deze kant van het Kanaal. Net over de brug stond zo`n Duitser en daar kwam van de kant van De Kaag een mij bekende Lisserbroeker aan fi etsen op een fi ets met luchtbanden. Die werd aangehouden en daar stonden ze allebei aan de fi ets te trekken. “Mot je mijn Fahrrad hebbe ?” de één, en: “Ja Mensch, das ist beständigt für die Wehrmacht” de andere. Maar omdat de Duitser in z`n ene hand dat zware geweer had, wist de Dijker z`n fi ets toch los te rukken, er op te stappen en terug te rijden richting huis. Nageschreeuwd en gedreigd door de soldaat en die had toch niet het lef om te schieten.
Er is nog een gelegenheid geweest dat de Zweden, met toestemming van de Duitsers, schepen met balen bloem mochten lossen in Delfzijl. Hoe dat bij ons terecht kwam weet ik niet meer, wel dat het als een groot geschenk werd gezien. Toen kon er weer even echt goed brood worden gebakken. Later, maart of april mochten Engelsen en Amerikanen voedselpakketten droppen in de buurt van de steden: Rotterdam, Den Haag, Leiden, Haarlem, Vogelenzang. Dat werd een grote uitkomst. Mensen stonden met lappen en vlaggetjes te zwaaien naar de laagvliegende voedselbommenwerpers. Je kon soms echt de bemanning zien zitten, vooral de Amerikanen waarvan de Vliegende Forten veel meer glas in de voorkant hadden. Bij de Protestantse Coöperatie stond Koos van Leeuwen op het dak van het magazijn naar ze te zwaaien. In zijn enthousiasme deed hij een stapje achteruit, nog een stapje en nog één en viel achterover naar beneden waar Horsman zijn broodkar stond te laden en Koos werd ongedeerd door hem opgevangen.
Eén of twee weken voor het einde van de oorlog op 5 mei konden de Duitsers geen V-1 ‘s meer bij de startbaan krijgen. De spoorlijn was verwoest en misschien hadden ze er ook niet meer. De gigantische dreun van het opblazen klonk ons als muziek in de oren, want je begreep: “nou duurt het echt niet lang meer”. En de enorme rookwolk die langzaam naar het Noorden dreef werd zo lang mogelijk nagekeken. Toen je na het einde van de oorlog op 5 mei 1945 weer in het bos mocht komen, kon je zien wat voor een onding het eigenlijk was: een betonnen baan waarop een stalen buis van 30 of 40 meter lang, met aan de bovenkant een gleuf. Daar werd een soort overmaatse ijzeren bot doorheen geschoten. Aan dat bot zat aan de bovenkant een haak die boven de gleuf uitstak en het projectiel/vliegtuigje meenam, waarvan de primitieve reactie-motor van tevoren was gestart. Alles maakte een heidens kabaal en het heette dat er zoveel vuur uit de gleuf en de motor kwam dat ze daar hun soldaten niet aan waagden, maar er krijgsgevangenen voor gebruikten.
Maar op 5 mei capituleerde het Duitse leger onvoorwaardelijk en braken er betere tijden aan.