HET VERHAAL VAN BAKKER ROTTEVEEL; De rommeling. (91)
Door Alfons Hulkenberg
Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn
De heer J. Rotteveel, veehouder bij Dever heeft een 18de eeuws boek met perkamenten omslag, waarin zijn betovergrootvader (1804-1880), bakker, landbouwer en veehouder te Lisse, in zijn laatste levensjaren enige bladzijden heeft volgeschreven. Diens bakkerij, tevens boerderij, stond aan de Heereweg, omtrent de huidige bakkerij Freriks. Daarachter stond een rijtje arbeidershuisjes, Landzicht ofwel ” ’t Rottenest”. De tekst is geheel ongewijzigd, alleen aangepast aan de huidige spelling. Ook komma’s, punten en hoofdletters zijn aangebracht.
In het jaar 1828, den 28 september zijn gehuwd Joannis Rotteveel en Krijntje van der Zon te Lisse. In datzelfde jaar, den 8 december, reden wij op schaatsen van Lisse naar Amsterdam en die winter hebben wij 17 weken met de slee brood rondgebracht. In het jaar 1829 een korte zomer en december weer harde winter. Met “Kerzemis” zoveel sneeuw, dat er een huis bij de Broekweg (= Kanaalstraat) ondergesneeuwd was. In het jaar 1830 een natte zomer, weinig en slecht hooi gewonnen. En den 6 september is de woning van de Heer Van der Staal, bewoond door Karel Schrama (= De Phoenix), verbrand door het broeien van het hooi. In het jaar 1832 is de cholera bij ons te Lisse in augustus uitgebroken, maar gelukkig niet veel slachtoffers gevallen. In dat jaar is de korenmolen te Lisse verbrand. In het jaar 1837 heeft het den 29 november zwaar gestormd, dat verscheidene bomen omgewaaid zijn en bijna alle huizen zwaar beschadigd. De storm kwam uit een zuidwestenwind en Kerstdag kregen wij een storm uit het noordoosten en oosten. Die was zo geweldig, dat alle polders onder water liepen en zelfs de straatweg tot aan het Haagsche Schouw door het opzetten van de Haarlemmer Meer. Toen is vervolgens Zijn Majesteit de Koning Willem l van Den Haag na Amsterdam gereden door water en ijs van het Haagsche Schouw tot aan Hillegom, en dat heeft aanleiding gegeven om de Haarlemmer Meer droog te maken, zoals vervolgens in 1840 een aanvang gemaakt is. In 1842 hebben wij met veel moeite en opoffering met Gods zegen een nieuwe R.C. Kerk gebouwd, toegewijd aan de H. Agatha en is geconsacreerd door Monseigneur Wijckersloot den 19 september 1843, onder toezicht van de tijdelijk pastoor P.L. van der Hoven, kerkmeesters J. Rotteveel, H. Scherpenseel, Dirk Elsgeest en A. van der Vlugt.In het jaar 1842 een droge zomer zonder voorbeeld. Altijd koele oostenwind. Ik heb toen de drie morgen land in de Achterpolder, Lisserbroek aan de Ringvaart, den 8 mei afgeweid met de koeien en toen onder de mest gekard. En die mest is verdroogd op het land en het land “verheijd” en wij krijgen in het begin van september voor het eerst wat regen. En daar groeide toen op dat gemeste land nog zo veel, dat ik het heb laten maaien den 15 oktober en hebben het gehooid den 2 november, Allerzielendag, en hebben 14 veld voers ervan gereden. En den 6 december, S. Nikolaas, bracht ik er 6 koeien op dien etgroen en haalt elk er vandaan den 31 december 1842 datzelfde jaar. In het jaar 1843 hadden wij een storm uit het noordoosten, den 28 maart, waardoor de Lisserbroekpolder onder water liep. En de wind daags daaraan (“daagster an”) weer zuidwest, dat het water weer weg kon. En de molen malen zo hard als het maar kon, zodat wij den 16 april de koeien van stal deden en met veel gras in de wei.
In 1855 hebben wij bij ons een plan gemaakt om concessie te vragen om te mogen venen in de Lisserbroek achtergedeelten, maar dat ging niet gemakkelijk. Daar kregen wij tegenstand van de Heer Leembruggen en onze burgemeester Van Rosse. Toen hebben wij hulp ingeroepen door de heer J. Martinie en daarop een rekest aan Zijne Majesteit de koning en daarop krijgen wij het antwoord van de minister Thorbecke weer terug met het antwoord, dat er nog een ingeland was welke niet wilde mede doen, mocht wij niet venen. Toen heeft twee jaar stil gestaan en toen is minister Thorbecke van minister afgeraakt en toen is de heer Van Reenen minister geworden en toen hadden wij een jaar later concessie om te mogen venen. En toen hadden wij weer last met Rijnland en dat duurde ook weer drie jaar om het reglement klaar te krijgen en toen bennen wij van Zuid-Holland overgegaan op Noord-Holland. En toen kregen wij tot onze hulp den ingenieur de heer Van Gent om ons te helpen. En toen “wasse” wij gauw klaar met onze reglementen koninklijk goedgekeurd, zodat wij toen in 1860 klaar waren om te kunnen venen. En toen is er een veenbestuur uit de ingelanden gekozen en daar hebben ze mijn toen als het hoofd van het veenbestuur gestemd. In twee en zestig hebben wij voor het eerst geveend. Ik heb geveend tot 1874 met goed succes. En toen heb ik mijn veenderij verkocht; altijd het slik en de ondergrond is nog mijn. En daar komt best land van, beter als vroeger voor dat er geveend wier.
Lisse, den 24 december 1878
J. Rotteveel
Memorie van toelichting
In het jaar 1840 maakte onze pastoor Van Halen mijn kerkmeester, zonder te vragen of ik het goed vond. Ik hoor ik zondags het afkundigen en daar was ik niet erg met in mijn schik, want het één kerken armbestuur in een en daar was ik tegen. Maar daar kwam een hele verandering in. Met “Pinster” komt pastoor P. van Halen te sterven en toen kwam er verandering. Toen kwam de geestelijke overheid aan te pas en dat was toen de Eerw. Heer Van Gerren president te Waarmond en aartspriester en die heeft toen dat kerk- en armbestuur uit elkander gemaakt en kregen een nieuw kerkbestuur, waarvan ik eerste kerkmeester wiert en kregen toen een nieuwe pastoor de Wel Eerwaarde Heer P. L. van der Hoven. En die wenste de kerk verbouwen of anders een nieuwe en dan bij het dorp. En dat heeft veel moeite en kosten veroorzaakt, want de parochie was niet eensgezind en de verdeling van dat bestuur viel voor de kerk niet best uit. De kerk heeft voor haar aandeel gekregen een groot bunder met land in de Poelpolder en een buul met 1700 guldens aan geld. En de oude kerk stond altijd drie kwartier van het dorp. Maar wij hebben toen toch er gewerkt om de kerk bij het dorp te krijgen en dat is dan ook met veel moeite en opoffering gebeurd. De parochianen die daar bij de oude kerk woonden waren ons half tegen en die hielden vergadering en maakten rekesten tegen ons naar het gouvernement, want wij hadden toen nog geen bisschop. En die op dat rekest getekend hadden waren sterker dan wij, want daar zat het meeste geld, en de meeste armen bij ons. Maar wij bennen met Gods hulp en zegen er toch klaar gekomen.



