Houtkap landgoed Keukenhof niet zonder reden

De afgelopen tijd is in het bos nabij ‘t Lammetje Groen veel essenhakhout gesnoeid. Er was een grote achterstand in het beheer van deze geriefbossen. Het was erg verwilderd en het voldeed niet meer aan de bedoelingen. De cyclus is nu weer opnieuw opgepakt.

door Arie in ‘t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 9 nummer 1, januari 2010

Afgelopen tijd is in het bos nabij ’t Lammetje Groen aan de Stationsweg veel gekapt. Het betreft hier echter niet het hakken om het hakken alleen, maar het oppakken van een cyclus zoals die ooit in gang werd gezet doch de laatste jaren in onmin is geraakt. Met tot gevolg dat het zogenoemde essen hakhoutbos verwilderde en geenszins meer aan de bedoelingen ervan voldeed.

Het kappen van het hakhoutbos is in volle gang. Foto Arie in ‘t Veld

De cyclus is nu opnieuw opgepakt. Jan van Duyn, beheerder van het buitengebied van het landgoed erkent het idee dat de passant kan hebben dat er fl ink op los wordt gehakt. “Maar dat is inderdaad niet zonder reden. Het gebruik van het essen hakhoutbos (en we hebben meer van dergelijke gebieden op het landgoed) wordt in ere hersteld en mede daardoor wordt het bos bovendien weer als vanouds. Het landgoed heeft totaal ongeveer 50 hectare met essen hakhout en dat is van het landelijke areaal dat voorhanden is één van de grootste essen hakhoutgebieden. En men moet zich vooral geen zorgen maken over de kaalslag die zo op het oog aan de orde lijkt te zijn, want de bomen groeien binnen de kortste keren weer volledig uit en krijgen de tijd zich weer helemaal te ontwikkelen, waarna de cyclus van zeven à acht jaar de houthakkers hier weer terugbrengt.” Van Duyn zegt dat het hout verschillende bestemmingen heeft. “vroeger jaren waren er stukken van het essenbos die stammen leverden die geschikt waren als onder andere bezemsteel, of voor andere gereedschappen. Nu wordt het hout deels verkocht als haardhout en deels gaat het naar de ovens voor de biobrandstof. En gezien de ontwikkelingen op het gebied van biobrandstof is het aan te nemen dat we op den duur een substantiële bijdrage aan de ovens leveren, waarbij ook het andere groenafval een rol kan spelen.”

De werkzaamheden in het bos worden verricht door een ploeg die onder leiding staat van Liesbeth Beaumond. “Deze ploeg maakt deel uit van Rivierduinen, die operationeel is in de gehele regio. De mensen die hier aan het werk zijn hebben een psychiatrische achtergrond en het is de bedoeling ze klaar te maken voor een betaalde baan. Dus volledige terugkeer in de maatschappij. En ze hakken, zagen en sjouwen niet alleen het hout, maar behalen ook de benodigde certifi caten waarvoor dus de nodige opleidingen worden gevolgd.” Van Duyn vult aan dat de mensen het bij dergelijke projecten ook goed naar de zin moeten hebben. “Ze doen arbeidsritme op en krijgen ook te maken met het werken in teamverband en het dagelijkse ritme zoals dat in de maatschappij aan de orde is. Deze mensen zijn zeer gemotiveerd en ze moeten een kans krijgen om terug te keren in de maatschappij. Landgoed Keukenhof draagt daaraan graag het nodige bij.”
Of zoals Richard, één van de boswerkers, zegt: “Het werk is prachtig en heerlijk in de buitenlucht. We krijgen betaald en ik ben bezig met het volgen van een hoveniersopleiding. De sfeer onderling is bijzonder goed, er wordt ook het nodige gelachen en we werken allemaal met veel genoegen in het bos. Kortom: de samenwerking is perfect.” Aan het landschapsproject “Buizerd” van Rivierduinen wordt door een enthousiaste ploeg mensen keihard en enthousiast gewerkt. Mensen die hiermee de nodige ervaring opdoen op weg naar een zelfstandige plek in de maatschappij. En dan bovendien een bos op orde brengen en terug brengen naar de staat waarin dit bos altijd verkeerde en waarvoor het bedoeld was.

Kostbaar bezit

Essenhakhout is als beheersvorm in Nederland de laatste decennia sterk in oppervlakte afgenomen. De belangrijkste reden hiervoor is dat de essenhakhoutcultuur vanaf eind jaren 50 van de vorige eeuw niet meer rendabel was. Op landgoederen als dat van Keukenhof bleef het bos intact omdat het goede dekkingsmogelijkheden bood aan wild bij het jagen. In Nederland is er nog zo’n 250 hectare aanwezig, waarvan ongeveer 50 hectare op Keukenhof. De Stichting koestert dit unieke gebied vanwege de hoge cultuurhistorische-, landschappelijke en natuurwaarden. In de ‘oude stukken’ is een verhandeling (1855) terug te vinden over aanleg en onderhoud van essenhakhout in de streek. Deze werd geschreven door Mr. E. van Olden, burgemeester van Voorhout aan de graaf van Bylandt, eigenaar van het Landgoed Bergendaal te Voorhout. Naast burgemeester was dhr. Van Olden ook rentmeester van dat landgoed en hij schrijft dat hij bij aanvang van zijn werkzaamheden wel enige theoretische kennis had van akkerbouw, veeteelt, grasland en houtteelt, maar dat de geaardheid van de gronden hoogst verschillend was en dus de behandeling ook verschillend moest zijn. Hij schrijft: “Ik heb in den beginne als in half donker moeten rondtasten, heb veel onderzocht, veel beproefd en veel in de praktijk gebragt, meermalen met gunstig, maar ook wel eens met ongunstig gevolg.” De manier waarop hij aan de eigenaar schrijft komt tegenwoordig kruiperig over, maar was in die tijd vrij normaal: ”…het is mij een aangename pligt UHGeb. deze regelen aan te kunnen bieden, teneinde UHGeb. een overzigt te kunnen geven van UHGeb. bezittingen, en te bewijzen, dat ik het door UHGeb. in mij gestelde vertrouwen en de mij betoonde welwillendheid niet geheel onwaardig ben geweest.” (UHGeb betekent U Hoog Geborene). In vroeger jaren werd het afgezande binnenduin vaak zonder voorafgaande bemesting beplant met erwten en aardappelen en wanneer bleek dat dat niet ging stelde men dat “ de grond niet deugde” en werden er bomen geplant. Ook die wilden vaak maar slecht wortelen door aanwezige katteklei of bruin veen of ijzerhoudend zand. De wortels groeiden daar niet doorheen en bij een beetje wind woeien de bomen om met een ‘zooltje grond van een halve el dikte’. Van Olden gaat uitvoerig in op de behandeling van de gronden voor essenhakhout, in die periode een gewaardeerde teelt want het bracht geld op: door zijn taaiheid was het hout geschikt voor gereedschapsstelen en disselbomen. Ook werden er bonenstaken uit gesneden en het kleinste hout werd gebruikt als rijshout. In de jonge aanplant op veengrond groeide veel gras, kweek en allerlei onkruid. Hij adviseerde om dat niet te schoffelen maar door jongens te laten snijden met messen. Dat gaat vlug en het kost weinig! Het onderhoud van de bossen mocht überhaupt niet veel kosten en alle mogelijke arbeidskrachten werden geadviseerd: Als remedie tegen de overvloedige onkruidgroei adviseerde hij om een jaar aardappels te telen tussen de jonge aanplant. De grond werd dan gespit en het onkruid verwijderd. Hij stelde voor om de bospercelen voor een jaar om niet af te staan aan bijvoorbeeld “oude bijkans afgeleefde arbeiders, die geen zwaar werk meer kunnen verrichten”. Nadeel daarvan was wel dat die vaak “kinderen en andere ongeschikte menschen” het werk lieten doen, die vaak veel jong lot vertrappen en beschadigen. Bramen waren toen ook al een plaag. Van Olden adviseert om die gedurende 3 jaar, twee keer ‘s jaars voor zover mogelijk mét de wortels uit te steken. De uitgestoken bramen moesten mèt al de wortels, tot aan de kleinste stukjes toe, uit het bos worden geraapt en na verloop van tijd met enig droog sprokkelhout verbrand worden. Het hakken moest om de 8 – 10 jaar gebeuren. De beste tijd om te hakken was eind november/begin december voordat de zware vorst inviel, ‘teneinde het sterk bloeden en daarmee het sterven der struiken te voorkomen.’ Daarom moest men ook alleen bij wassende maan hakken! (Dat is goed voor alle hout, maar vooral voor berkenhakhout en elzen. Voor eiken maakt dat weer niet zo veel uit…) Erg belangrijk voor de instandhouding van de bossen was het juiste hakproces. Dat moest op juiste wijze met scherpe bijlen en niet met hakmessen gebeuren. “ Het goed hakken van hakhout is, hoe eenvoudig het ook moge schijnen, zodat iedere boerenjongen meent het te verstaan, bij lange na niet eens ieders zaak, en er komen arbeiders genoeg voor, die in alle andere werk uitmunten en toch het goed hakken van hakhout niet in den slag kunnen krijgen.” Van Olden beschrijft vervolgens een nieuw type boomladder, die door 3 man (!)gehanteerd moest worden. Ook geeft hij allerhande adviezen over het snoeien van opgaande bomen. Hij besluit zijn verhaal met de opmerking dat iedereen bij zijn huis aan de brug over de Haarlemmervaart mocht komen kijken wat de resultaten van zijn zorgvuldig bosbeheer waren. En wat het hakken in het Keukenhofbosch betreft: … de geschiedenis herhaalt zich en zal zich nog vele malen herhalen.