KIND IN DE TWEEDE WERELD OORLOG, deel 2

Mevrouw Baltes vertelt over de mensen die haar ouders in de 2e wereldoorlog verborgen hielden in hun huis aan ‘t Vierkant.

Door Coby Baltes

NIEUWSBLAD Jaargang 13 nummer 2, april 2014

Hoofdstuk 3

Louan was de volgende kleine die bij ons kwam wonen, geboren 15 maart 1943. Nou dat was feest, we kregen een broertje. Ook zijn grote broer en later hun ouders, kwamen bij ons inwonen, in de zijkamer, recht tegenover het hotel. Maar zoals gezegd, ze leken familie. Alleen met dolle dinsdag (?) was er een hachelijk moment, toen werd er aangebeld door de moffen, ze moesten de meisjes hebben, maar hoe weet ik niet, vader heeft ze afgepoeierd, misschien dat we te jong waren. Eens, toen de Duitsers fi etsen zochten in ons huis, werd door hen door de kamerdeur naar binnen gekeken. Oom ‘Mau’ en ‘Bob’ zaten met de rug naar de kamerdeur. Oom ‘Mau’ was aan het bonnen plakken voor mijn vader en ‘Bob’ en ik waren aan het fi guurzagen. Mooie dingen hebben we toen gemaakt, o.a. een staande schemerlamp in de vorm van een lantaarn. Goedkeurend gemompel van de soldaat die om het hoekje van de deur keek en hij vertrok. Dit voorval staat echt gegrift in mijn geheugen. Schrik! En rustig doorgaan. Ook kregen we van mijn vader ‘Pa’ ‘pertinax’ plaatjes in plaats van triplex, etalagemateriaal, maar die gaven nogal veel stof, door het materiaal of de lak. Dit fi guurzagen gebeurde in de zomer op de plaats waar de haard in de winter stond, want Bob mocht niet naar buiten. We hebben het wel één keer gedaan, helemaal naar de Haarlemmermeerpolder, naar Lisserbroek waar mijn schoolvriendinnetje, Annie Clemens, woonde en waar het ‘veilig’ was. Ze hadden een grote boerderij beneden onder aan de dijk. Ik vraag me af of Bob het nog weet. Ja, ik heb nog steeds jaarlijks contact, per kaart, soms telefoon. Toen Louan weer eens een titel behaalde werden we ook uitgenodigd. Hij is Mr. Dr. in juridisch recht. Bob is 7 maanden ouder dan ik. Ook bij hun huwelijk en als de kinderen geboren werden, kregen we een uitnodiging. Vergeten zullen ze ons nooit. Iedere keer weer herinneren ze alle genodigden aan het feit, dat mijn ouders dit allemaal mogelijk hebben gemaakt. Eigenlijk ben ik er heel trots op dat mijn ouders zo blijvend geprezen worden, maar ik heb er zelf niets aan gedaan. Het was in mijn ogen toch wel een gezellige tijd. Al vond ik wel dat zijn vader erg streng was.
Hier tussendoor hebben we ook nog een jonge jongen van ongeveer 17 jaar in huis gehad. Aad was onnoemelijk nerveus en werd geplaagd door mijn derde zus. Hij is maar een paar dagen gebleven, moeder kon het niet aan en hij ook niet! Ook weet Bob zich nog te herinneren, dat we een pianist, Palermo, een paar weken hebben gehad. Die speelde prachtig op de piano. Nu ik het zo opschrijf besef ik dat mijn moeder het toch wel heel druk heeft gehad in die tijd. De oudste zus had ook een zware taak. Zij moest meehelpen in de huishouding. In die tijd waren ook nog de scholen gevorderd door de bezetters en kregen we halve dagen les in een patronaatsgebouw. Dus in die tijd waren we gemiddeld meer thuis, dan voorheen.

Mau en tante Rosette waren een lange tijd bij ons. Louan is ook een poosje bij een ander ondergebracht geweest, maar waarom dat was weet ik niet. (Er was iemand loslippig geweest en we werden gewaarschuwd!) Tante Rosette, zijn moeder, was heel lief en zachtaardig. Na de oorlog hebben we kennis gemaakt met de overgebleven familieleden. En samen met ‘Bob’ en zijn nichtje kennisgemaakt met Amsterdam, rond de Van Baerlestraat. Wat een belevenis!

Hoofdstuk 4

Ja, er zat in die tijd ook een dochter van een NSB-er op school. Maar dat was bekend en vreemd genoeg heb ik het verhaal van onze onderduikers alleen aan mijn vriendinnetje Annie verteld, die er nooit met iemand over gesproken heeft. Het is ook mogelijk, dat onze ouders contact hadden – of dat ze klant waren van vader. Ook kregen we in de oorlog wel fruit uit Limburg toegestuurd! Van de ouders van Rita. (Het zuiden was in 1944 bevrijd!). Van de boerderij van mijn vriendin Annie ook wel. Dat zijn dingen, die je jezelf nu realiseert, maar niet zeker weet. Dat ging buiten je om, als kind. Wel kan ik me herinneren, dat ik een paar maal mee geweest ben met mijn twee oudere zusjes, om via de botenwerf van Akerboom naar de overkant te varen om melk te halen bij een boer in de Poelpolder, een klant van vader. Dat was veiliger, over water, dan over de weg, dit werd niet opgemerkt tijdens bootje varen met een roeiboot bij Mientje, ook een vriendinnetje, één meisje tussen allemaal jongens. Ze was meestal bij haar ‘vrijgezelle’ tante, die was thuisnaaister voor een handschoenenatelier ‘Laimböck’, prachtig werk, helemaal handgemaakt. Naar huis mocht ik zelden een vriendinnetje meenemen. Alleen Annie Clemens van de boerderij. Achteraf natuurlijk heel logisch.
Gaarkeuken / hongerwinter / watersoep/ pap met heel veel suiker, voorzichtig lopen, dan kon de suiker eruit geschept worden! Ondervoeding / tulpenbollen, alleen ik werd er ziek van en voor de anderen was het heerlijk eten, net als een konijn dat gebracht werd zonder kop. Konijn? Ook een keer mee geweest om hout te hakken in het bos van de Graaf van Lynden van de Keukenhof. Op de uitkijk moest ik staan met José, om te kijken of er iemand aankwam. Het zagen werd natuurlijk gehoord en toen kwam, niet vanaf de weg maar vanuit het bos, politie te paard aangereden en sprak op barse toon mijn vader aan. Hij moest wijzer zijn en zou er nog wel van horen. Wij natuurlijk, met twee onderduikers, jonge jongens, erg onder de indruk naar huis. De volgende dag werd vader opgebeld. Hij kon dezelfde week naar de houtvester ‘op het Hoogje’ gaan en wie schetst zijn verbazing, de boom lag klaar gezaagd om mee te nemen in de bakfi ets. Meerdere malen heen geweest. Dat was dus een ‘goeie’ politieman. Jammer dat je te jong bent om het te beseffen, maar voor ons kinderen wel een teken, dat vader niets verkeerd had gedaan. Hij werd beloond. In 1943 waren er de transporten van joodse mensen via Eysden in Limburg, waar oom Paul, de oudste broer van mijn moeder, douanier was. Hij wilde schreeuwen naar de Duitsers, dat het zo niet kon, maar hij werd tegengehouden door zijn collega’s met de hand op zijn mond. Drie maanden later stierf hij aan keelkanker. Zijn gezin met zes kinderen bleef achter. Dan oom Bernard een andere broer van moeder. Die was chauffeur/ tuinman op een buitenplaats van mensen die naar Engeland waren gevlucht. Seyss-Inquart vorderde het kasteeltje en Bernard kon blijven in een woning boven de garage. Oom Bernard had een gezin met heel veel kinderen. Heel erg arm. Toen de Duitsers in alle haast, dolle dinsdag o.i.d. vertrokken, kon hij mee naar Gronau en heeft daar een paar jaar gewoond en weer kinderen gekregen. Moeder is er een keer heen geweest omdat ze peettante werd van een meisje.
De tweede zoon van oom Paul is daar ook nog geweest (hij had de leeftijd voor de Arbeitseinsatz). Verplicht te werk gesteld voor de Duitsers, dus maar naar oom Bernard in Gronau. Maar hij is daar ook al eerder bij hem vandaan gevlucht en heeft bij ons aangeklopt voor een poosje. Na de oorlog kwam oom Bernard bij ons aan om onderdak met allemaal bedplassende kinderen. Op zolder. Dat was foei! “Als we joden konden laten onderduiken, dan konden we toch zeker ook hen wel hebben?”
Op 8 maart 1945 was er de aanslag op Rauter en werd oom Han gefusilleerd. Hij was de jongste broer van mijn moeder en hovenier/ rozenkweker. Hij werkte als onderaannemer voor de fa. Kruk in IJmuiden, om de bunkers te beplanten. Hiermee kon hij uit de Arbeitseinsatz blijven en ook mensen uit Duitsland houden. Van horen zeggen thuis: de kapelaan van zijn parochiekerk kwam vragen of hij een man kon aannemen om hem uit Duitsland te houden, maar oom Han weigerde omdat hij de man niet vertrouwde. Nogmaals geprobeerd, maar hij bleef weigeren. Vóór 12 februari 1945 kreeg hij een inval van de Sicherheitsdienst in zijn huis en werden alle papieren en geld meegenomen. Zijn chauffeur had zich ziek gemeld! Hij, de jongste broer van mijn moeder, werd vastgehouden op het politiebureau in Santpoort. Mijn op één na oudste zus Jopie was toen 17 jaar en ging op de fi ets naar tante Jo op bezoek. Toen zij Santpoort binnen reed zag zij juist dat oom Han, op 12 februari, achter in een auto werd weggevoerd. Hij bleek naar de gevangenis aan de Weteringschans in Amsterdam te zijn gebracht. Waar hij zonder vorm van proces, op 8 maart 1945 uit zijn cel werd gehaald en doodgeschoten. Zijn vrouw was van hun tweede kindje in verwachting. Zijn zoon werd geboren juni 1945. Indertijd had hij, oom Han, nog gezorgd dat mijn moeder papieren kreeg om op reis te gaan met Rita (1943) om haar ouders te bezoeken. Vader kreeg, bleek heel veel later, een Ausweis van oom Han om hem te bezoeken. [is nu in het bezit van de Vereniging Oud Lisse]. De bedoeling was om gegevens te verzamelen en door te geven aan de ondergrondse. Hij had daar natuurlijk contacten mee door onze huisgenoten.
Voor de oorlog hadden wij een meisje in de huishouding. Haar pink kon ze niet buigen, maar ze had prachtig mooi zwart krullend haar. Na de oorlog werd ze met vele andere meisjes kaalgeschoren en kreeg ze oranje verf, menie, op haar hoofd. Op het schoolplein van de Christelijke school in de Schoolstraat en om het schoolhek stonden allemaal mensen te kijken en te roepen. Dat heb ik toen heel erg gevonden en ben naar huis gegaan.

Later, veel later kwam het geheel weer boven: mijn jongste dochter mocht bruidsmeisje zijn bij een schooljuf. Haar moeder was zo’n meisje dat met een NSB-jongen trouwde, zeer tegen de zin van haar ouders. De ouders werden gedwongen toestemming te geven! Dochter 17 jaar! De jongen werd meteen na zijn huwelijk ingelijfd in het Duitse leger en overgeplaatst naar Duitsland en ingezet tegen de Russen (omgekomen). Het kindje werd geboren in Duitsland en kind en moeder kwamen weer terug naar de ouders. Na de oorlog werd het meisje geplaatst in een kindertehuis in Zandvoort – vreselijk. Ze werd ook kaal geschoren en moeder werd verplicht heropgevoed in Vught. Het meisje is ongeveer 70 jaar, maar het is nog steeds een vreselijke herinnering voor haar en wat kon zij er aan doen? Zij is niet meer in Nederland. Als ze overkomt is ze weer weg vóór 5 mei. Ik heb er moeite mee gehad, moet ik eerlijk bekennen, of ik het wel kon maken om mijn jongste dochtertje haar bruidsmeisje te laten zijn. Maar het gebeurde niet in ons dorp en heb ik er thuis niets over verteld. Eigenlijk heeft ze me indertijd aan een stageplek geholpen bij haar in de klas. Zo komen ervaringen uit je jeugd toch weer opduiken in je latere leven.

De kruidenierszaak van J. Baltes. Foto genomen tijdens bloemencorso, waarschijnlijk jaren ‘50

Nawoord.

Dit is in een notendop hetgeen ik tot nu toe op papier heb gezet. Er waren avonden dat ik het heel moeilijk had met al die herinneringen. Enorme bewondering voor mijn ouders en respect voor hun moed en doorzettingsvermogen! Ook nu begrijp ik beter, dat het voor mijn moeder een feest was om die twee jongens te kunnen verzorgen. Ze had haar eigen stille verdriet over het verlies van haar eerste kind. Wel heel jammer, dat er zo weinig later over gesproken en verteld werd. Dit wilde ik allemaal opschrijven voor mijn kinderen en kleinkinderen, zodat zij weten dat mijn ouders moedige mensen waren. En ik ben ook steeds nog erg blij met de erkenning door de ‘onderduikers’.

Bij het nalezen kwam ik tot de ontdekking, dat de onderduikers Hein en zijn neef nog niet genoemd waren. Hein was de vriend van Hennie, mijn oudste zus en had de leeftijd voor de ‘Arbeitseinsatz’. Dus moesten ze uit handen van de Duitsers blijven. Zij hadden een verborgen schuilplaats in de bodem van de klerenkast van ons meisjes. Tussen het plafond van de woonkamer. Daar lag een matras voor als ze zich moesten verbergen tijdens de razzia’s, de jacht op jongens. Na de oorlog is de verkering toch verbroken, groot verdriet. Ze hadden al een gezamenlijke spaarrekening! Hoe lang de jongens er waren en wanneer ze zijn weggegaan? Later na de oorlog ging het allemaal thuis natuurlijk heel anders, met ons puberende dochters. Het verslag van mijn herinneringen is nog niet helemaal geworden zoals ik het me voorstelde, het is een proeve van ‘onbekwaamheid’ die nog verbeterd kan worden. – Bij mijn genealogisch onderzoek kwam ik tot de ontstellende ontdekking dat van Felix Magnus (vader van Rita) een zus en twee broers met hun echtgenoten op transport waren gesteld naar Auschwitz-Kattowitz in Polen en bij aankomst direct zijn omgebracht. De grootouders van Louan en Bob zijn ook beiden omgebracht, op 11 november 1943 in Auschwitz. Dit gebeurde meestal direct na aankomst van de trein. Ook de grootouders en een oom van Louan’s vrouw werden in 1942/43 gedood in Auschwitz. En door het bekijken van een andere stamboom kwam ik tot de ontdekking dat de beide families daarin verwantschap hadden!