Ons Lieve Vrouwe Ghilde te Lisse
Door Arie de Koning
2016
Omstreeks 1460, wanneer door de kerkelijke afscheiding van Sassenheim, Lisse een eigen parochie kreeg, groeide de behoefte, om zoals dat hoort in een echte parochie, een gilde te stichten ten behoeve van de aller armsten in het dorp. In de familiearchieven van Heereman van Zuydtwyck vond men in de jaren zestig van de vorige eeuw hier een tastbaar bewijs voor. Een groot, gevouwen stuk perkament, weliswaar zonder zegels, waardoor het waarschijnlijk is dat het hier om een afschrift gaat, vermeld de stichting van eener “Ghilde”.
Een aantal personen, met name vermeld, delen mede dat zij, nadat zij advies hebben ingewonnen bij goede en verstandige mensen, ter ere van God en zijn gezegende moeder Maria, een gilde, ofwel een broeder en zusterschap, hebben gesticht. Het aantal personen welke lid werden bedraagt bij de oprichting tweeëndertig.
…”Inden name des Vaders ende des zoens ende des heylyghen gheests, amen. Wy Claes Symonszoen, Claes Claesz, Jan Dirricxz, Jacob Dirricxz, Huygh Claesz, Cornelis Willemsz, Henric Willemsz, Jan Florysz, Ysbrant Pietersz, Jacob Jacobsz, Dirc Gerrytsz, Pieter Eylertsz, Andries Dircxz, Claes Heynricxz, Jan heyricxz, Matheus Vranckenz, Pieter Jansz, Adryaen Florysz, Claes Pietersz ende Pieter Claesz, maecken kond ende kenlic allen luyden dat wy by gueder wyser luyden roet ende troest in die ere Gods en syn ghebenedide moeder Maria een ghilde ende broederscap ende susterscap aenghenomen hebben gemaect ende gheordineert dair an sullen wese twie en dertich ghildebroederen ende Susteren”…
In die jaren is Jonkvrouwe Clara van Haaften, beleend met de “woninghe te Lis mit vyfmerghen lants binnen die hiemwerve”, bekend als Dever.
De Jonkvrouwe was getrouwd met Jan van Duvenvoorde, uit het bekende geslacht en in 1485 zal zij wederom trouwen met Walraven van Brederode een bastaardzoon. Zij had zich ten volle ingezet om een eigen Lissese parochie te stichten. De kapelaan van Lisse, welke ook de eerste parochiepastoor van Lisse werd, Dirc van Oosterwyc was een broer van haar moeder en zodoende haar oom. Ook toen was vriendjespolitiek al aan de orde.
Er staat veel meer op het document. Nieuwe leden worden alleen toegelaten met algemene stemmen. Men kan ook geen halve stoel bezet houden, dus als men getrouwd was moest ook de vrouw lid worden. Was men nog niet getrouwd moest er belofte worden gedaan dat als men trouwde de echtgenote ook zou toetreden. Bij toetreden moest ieder echtpaar een schenking doen van een pond was. Deze was werd gebruikt om kaarsen te maken voor in de kerk. Men kon ook de waarde van een pond was schenken; vier stuivers.
…”En alsoe en sel men nyemant aen dit selfde ghilde ontfanghen ten sy biden ghemeen ghilde-broeders en susters wille ende consent. En ghene halve stoel te ontfanhen die ener hele stoel hebbe. Dat is te verstaen dat die man niet dit selde ghilde en sel gaen, heeft hy een egte wyfsy sel dair mede ongaen.Ende heeft hy gheen wittachtigh egte wyf soe sal hi moeten ghelooven dat hy een trouwede dat sy meede an sel gaen of mit allen wt te bliven. Ende des gelycx dat wyf alst van die man verseyt is. En voirt wye an dit ghilde gaet die sel den ghild geve den stoel een pont was, die halve stoel een half pont was ofte vierstuuvers voirt pont was”…
Over de bezittingen van het Gilde wordt niet veel gerept. Men blijkt een mooi zwart kleed te bezitten, waar mee een gestorven lid kon worden bedekt en er wordt gesproken over vier “stalkaarsen” en een “schoon tertys”. Met stalkaarsen wordt bedoeld kaarsen welke op een kandelaar bij de overledene werd geplaatst om licht te doen schijnen op het lijk. Een tertys is de oude benaming voor een toorts of een fakkel, ook van bijenwas vervaardigd.
…”Voirt sel men an dit ghilde houden een schoon swart cleet over die ghilde broeders ende susters te spreyden sy doot syn. Ende vier stalkairsen ende een schoon tertys die broederen ende susters mede belichten alsy doot syn…”
Bij het overlijden van kinderen of inwonende knechten of meiden mogen de gildeleden het lijkkleed en de kaarsen gebruiken. De toorts niet, die mag niet uit de kerk verdwijnen zulks op straffe van een boete.
…”Ende wairt sake dat yemant van dese broederen ofsusteren enyghe boeden of kinderen die sy binnen horen huys hadden ofoflivich worden, soe moghen sy nemen dat cleet ende die vier stalkaarsen hoir kinderen of hoer boeden mede te belichten. Mer die tertys niet, op die boete van een pont was ende dat niet te verdraghen”…
Bij het begraven van een lid, zal de deken van het Gilde dat de anderen mededelen. Allen zijn verplicht aanwezig te zijn bij de uitvaart en men mocht beslist niet voortijdig weglopen! Ook op straffe van een pond was. Elke stoel zal dan één duit een halve stoel één penning offeren. Dit was waarschijnlijk om de kosten te betalen van het uitdelen van wit brood aan de armen. De bestuurders van het gilde delen na afloop van de begrafenis voor 1,5 stuiver aan wit brood uit. De overledene moest als voormalig gildelid wel een pond was nalaten aan het gilde.
…”Ende die wtvairt ghedaen wesende soes ellen die vinders delen drie groet an schoonbroot. Ende Waert die sake dat yemant van den broederen of Susteren buyten den ambocht storve ende den ghilde broders voldoen Woude, dairsel den deken mitten vinders een tyt toe ramen binnen syn mainstont, en hem dan te doen of hi in den ambocht ghestorven wair. Ende wye dat dair nyet en quaemen dat wair op die hoechste boet”…
Verder wordt gesteld dat het dragen van een wapen op de begrafenis ten strengste was verboden. Ook hier stond een boete op van……. Juist, één pond was. De jaarlijkse feestdag van het gilde werd gesteld op de zondag na Onze Vrouwe Lichtmis dus om en nabij 2 februari. De keuze van deze datum was begrijpelijk er was in die tijd weinig te doen op het land en met had in die tijd van donkerte behoefte aan licht en gezelligheid. Er werd dan een feestmaal gehouden waarbij iedereen zijn eigen voedsel mee moest nemen naar de plaats waar men “Gilde drinkt”. Een dag van te voren had iedereen een schoon tafellaken gebracht. Dit mocht niet worden weggehaald voor de maaltijd was afgelopen. Dit zou ongezellig zijn maar bovenal was het voor het bestuur een uitstekend onderpand want eerst moesten de kosten worden betaald. Deelname was verplicht. Men diende zich te onthouden van onzedigheid (!) en parlament, drukte of ruzie. Ook het dragen van wapens was verboden. Het is maar de vraag of het gezellig was.
…”Ende dit ghilde sal men altejairs dricken des sonnendages nae onse vrouw lichtmis, ende elcx syn spys dair te brenghen dairmen dit ghilde drincken sal. Ende des saterdaeghs voir dat ment ghilde dricken sal soes el elck een schoon linnen tafellaken ofte slapedeken brenghen dair men dit ghilde drincken sal ende wederom nyet van dair nemen ofsy en hebben dat ghilde gedroncken ende vinders voldoen op die hoechste boet. Ende wie dair oec neyt en quaem mit syne spyse dair ment ghilde drinct dat wair op die boet voorseyt. Ende gheen onsedicheyt ofparlament in dit ghilde te bedriven op die hoechste boet. Ende dairenboven te bliven an den deken mitten ghemeene broders, wes sy hem meer ofseyden behalve die boeten opdat dair myns heren boete nyet in stake. Ende gheenrehanden wape by hem te hebben in dit ghilde op die hoechste boet”…
Met andere woorden, de boetes welke het gilde oplegde waren geen vervanging van de boetes welke het burgerlijk gezag nog eens oplegde. Tijdens zo’n feestmaal kwamen van heinde en verre bedelaars en zwervers daar op af. Zij wisten dat na afloop er wel wat te halen was. Het bestuur had daarom voor “drie groet”, dat is anderhalve stuiver, brood gekocht en dat werd aan de deur van de feestzaal uitgereikt. Dit werd ter ere van de overleden gildeleden gedaan.
…”Wanneer men dit ghilde drincken sal so sellen die vinders copen drie groet an schoon broot ende dat te delen den armen voir die doere dair ment ghilde drickt voir die ghestorven syn uten ghilde”…
Het feest begint met het bidden van het Onze vader en een Wees gegroet, “met innig hart”. De “Schenck” die het bier heeft ingeschonken gaat nu rond en verzameld voedsel voor de armen welke nu in grote getale voor de deur buiten staan te kleumen. Het is tenslotte februari, steenkoud. Na de maaltijd gaat hij dat uitdelen en schenkt hun ook wat gildebier.
…”als men dair eet soe sal die schenc ommegaen van tafel tot tafel ende gare die proeve voir den armen ende delent den armen als dair gghegeten is ende geve den armen oeck drincke van dat ghilde bier”…
Denk nu niet dit was het want de andere dag gaat het verder. De dag begint met een Requiemmis. In de kerk branden de stalkaarsen en de tertys. leder offert een duit “op die bort” en maakt een ommegang. De koster die uit volle borst gezongen heeft tijdens de mis, krijg een stuiver.
…”des andere daghes sal men laten doen eene misse van requiem of een ander dach die den deken mitten ghemeen broeders dair to roemt, soe sal men nemen die stalkairsen ende tertys die broeders ende susters mede te belichten die wt den ghilden ghestorven syn. Ende elcken stoel te offeren een doeyt off te doen offeren op die bort ende sellen geven den coster een stuver voir dese misse te singhen”…
Na de mis volgt een algemene ledenvergadering waarbij een viertal goede mannen, aangewezen door de deken, een kostenomslag. Dit doen zij “blidelick”, zonder morren dus. Na de maaltijd betaald ieder zijn schuld berekend door de vier goede mannen. Maar eerst was het genieten van de maaltijd.
…”Ende als dair is gherekent soe sullen die broederen en susteren mit malcander gaen eten ende wesen blidelick ende vrolick mit malcander. Ende als dair ghegeten is, een yghelic dan te betalen syschuldich syn of die vinders te vermogen op die boet voorseyt”…
Wat het gilde verder deed dan alleen armenzorg is niet bekend ook niet of het gilde een eigen altaar in de kerk van Lisse heeft gehad. We weten wel dat er in de kerk een beeld van “Onse Lieve Vrouwe” was. Er wordt namelijk wel eens gesproken van “zeeckere Riemen, vijftighen, ofwel rozenkransen, en ciroet dat diende tot Sinte Aaghte ende onsse Liever Vrouwe”.
Aan bezittingen van land vinden we 90 roeden lands gelegen in de Oostpolder op de plaats waar bloembollenbedrijf Grullemans gevestigd was. In 1544 lezen we in het Rechterlijk archief van Lisse dat het perceel verpacht was aan Harder Willemssoen. Een ander perceel, 15 roeden groot, was verpacht aan de weduwe Tryn Pieters. Dit landje werd het Truyenkrogt genoemd. Dan duurt het tot na de inname van Haarlem en het ontzet van Leiden voordat er wordt gerept over het gilde dat dan “Onse Lieven Vrouwe” wordt genoemd. Ook is er sprake van het bestaan van een tweede gilde het “Catarynen gilde”. De jaren van ellende van 1572 tot 1575 en van totale anarchie waren voorbij en Lisse krabbelde weer overeind. Er werd weer gewerkt en gebouwd en er was weer gezag.
Er was ook het een en ander veranderd. De Reformatie, het schisma tussen het westerse christendom, ingezet door Maarten Luther en Johannes Calvijn had ook binnen de gemeenschap van Lisse grote veranderingen in de verhoudingen onderling gebracht. De grootste verandering was wel dat de aloude kerk was overgegaan naar de Gereformeerden en de Rooms katholieke geloofbelijdenis officieel niet meer was toegestaan, maar gedoogd werd. De gilden daarentegen bleven bestaan zoals we kunnen lezen in de Oud Rechterlijke Archieven van Lisse. in 1580 en 1581 zijn daar bewijzen voor volgens onderstaande transportakten.
“8-12-1580 met schepenen van Overveen. Dezelfde verkopen Gerrit Adriaenszn. een huis en erf met twee hond land, belend O de Pastorie van Lisse, 2 de Lisserbeek en W en N Pouwels Reynenzn., met waarborg door Huygh Pieterszn. van twee hond land, belast met 2 gulden erfpacht per jr tbv het Vrouwen Gilde binnen Lisse, belend NO de Kerk van Lisse, ZO Pouwels Reynenzn., ZW de voorsz. Kerk en NW de Heerweg, door Adriaen Hendrickszn. met 4 morgen teelland gelegen in Overveen”…..
“5-5-1581. Michiel van ’t Roede secretaris van Haarlem als curator over de boedel van Maritge Cornelisdr. weduwe van Pouwels Aelbrechtszn. en daarna van Aelbrecht Janszn. verkoopt Anthonis Vranckenzn. de verbrande woning van Maritge met 6 morgen 1 1/2 hond land, belend NO de koper, ZO de erfgenamen van Hendrick van Wamelen, de koper en Gerrit Wouterszn., ZW Claes Corneliszn. Corsteman en NW de Heerweg, belast met l schelling 10 denier erfhuur per jr tbv de Grafelijkheid van Holland en 25 st per jr tbv de Kerk van Lisse, 15 st per jr tbv het Vrouwengilde, voor 1050 gulden, onder overhandiging van een brief van 30-9-155? van een noodweg”.
Wij vroegen ons af welke activiteiten het gilde nog meer deed dan alleen één keer per jaar schransen en zuipen. Welnu onderstaande verklaart dat zij zich ook bezig hielden met Armenzorg. Op 17 november 1587 vergaderen
“in de costerije huijsinge, staende aent Lisser kerkhof, Jonker Johan van Mathenesse, heer van Lisse Nijclaessone, jegenwoordig residerende op zijn Hoffstadt genaempt ’t huijs Oever alhier te Lisse ter eenre” en een groot aantal personen ter andere zijde. Zij vergaderen om te komen tot de oprichting van de Heilige Geest Armen. Deze lieden, van wie er een aantal worden genoemd, zijn de zogenaamde “opsyenders ende ondervinders” van de Vrouwe en van het Catharijne gilde. Genoemde personen zijn onder andere: Dirc Barthoutssoen van Betanyen, van beroep snyder (kleermaker), Jan Jacobssoen Wassenaar alias Doncker, Pauwels Reynoutszoen van Broeckhuijsen, Jan Hendricxsoon van Egmondt alias Mol, Willem Adryaenssoon Schenaert, Pieter Aelbertssoen, backer, Pieter Willemsen van Moerkercken alias vouger (metselaar) en Jan Dirk Jacobssoen van der Son, mit meer andere gebuijren”.
“voornoemde gildebroeders hebben beloeft en gegeven denjaerlicxe incoomen van pochte ende renthen die toebehoren aan de gilden”,
te samen de somma van 17 gulden en 10 stuivers. Hetgeschatte kapitaal aan land en obligaties hiervan wordt geschat op 300 gulden van beide gilden samen. Er kan helaas niet worden nagegaan tot welk gilde de genoemde personen behoorden. Lezend in verdere akten waarin de gilden betrokken zijn, werd waarschijnlijk door het Catharijnegilde het meeste kapitaal ingebracht. In 1587 vond de “erectie ende fundatie” plaats van de Heijligen Geestarmen van Lisse. De gilden werden hierbij opgeheven en gingen op in de nieuw gevormde Heilige Geest Armen van Lisse. Oorspronkelijk werd de ondersteuning van de armen van Lisse door de Gereformeerde diakenen en de Katholieke Heilige Geestmeesters onderling geregeld. In 1690 zegde de Gereformeerde Kerk deze regeling op wat tot grote moeilijkheden leidde. Er was een landbouwcrisis gaande waardoor een groot deel van Lisse in behoeftige omstandigheden verkeerde. De fondsen van de Heilige Geestmeesters waren klein en bij lange na niet toereikend om het Katholieke bevolking deel van Lisse te ondersteunen. Daarbij komt dat tweederde van de bevolking van Lisse Katholiek was.
De gilden waren op geheven. Het mooie zwarte lijkkleed en de waskaarsen zijn waarschijnlijk mee begraven bij de laatste begrafenis, zij zijn nimmer teruggevonden.





