Oud Nieuws: Tolbrieven voor de vlassers
Schipper mag ik over varen, ja of nee? Moet ik dan nog tol betalen…. Ach wie kent het niet? Wist u dat, als je Lisse binnenkwam er tol betaald moest worden? Daar werd ook wel eens de hand mee gelicht. Werd je betrapt dan moest je op het matje komen bij de schout.
door Dirk Floorijp
Nieuwsblad 24 nummer 1 2025
Niet alleen op het land maar ook op het water moest tol worden betaald. Die heffingen werden op het ’regthuijs’ betaald. Het huis De Tol op de Heereweg nummer 44 dankt zijn naam aan de tol waar eens de toegang tot Lisse was en waar doortrekkende reizigers tol betaalden. Tolgaarder was vroeger een beroep. De onderstaande akte gaat over tolheffing op het water. In mijn jeugd deden we een spelletje met een liedje over dit gebruik. Dat was het kinderliedje: schipper mag ik overvaren, ja of nee, moet ik dan ook tol betalen, ja of nee, en dan moesten we iets aangeven. Ieder in de kring was beurtelings de schipper. Het is een volksliedje en het is niet bekend wanneer het is ontstaan. In 1930 verscheen het voor het eerst in druk. In de 16e en 17e eeuw is er een bloeiende vlasindustrie in Lisse geweest met grote vlasboeren zoals op Seevenhof en tientallen vlasovens. De afgewerkte producten gingen naar Twente. In die jaren gingen de schippers met zeilschepen hoog opgetast met vlas vanuit Goeree en Overflakkee en Schouwen-Duiveland richting Lisse waar het bewerkt werd. Zo ontstonden er ook relaties en menig Lisser heeft nog verre Zeeuwse voorouders. Bij Gouda aangekomenmoesten de schippers hun tolbrieven laten zien, anders mocht men niet doorvaren. In 1689 verscheen een aantal vlassers in het ‘regthuijs’ op uitnodiging van de vier burgemeesters van Lisse om over de tolgelden te praten die men in Gouda moest betalen. De burgemeesters kozen de kant van de schippers, dit tot ongenoegen van de schout. Getuigen waren Susanna van ’t Hoog, weduwe van Pieter Arentse van Wateringen, omtrent 55 jaren, Sijmen Hoogkamer oud omtrent 35 jaren, Cornelia Jansz van der Kluft oud omtrent 33 jaren, Klaas van Rode omtrent 40 jaren, dan nog Andries Willemse Rietveld, Symon Jacobse Wassenaar, Lenard Gerritse Brero en Reijnier Janse Schenaart, alle vier van competente ouderdom en allen onze inwoners. Susanna kwam op 29 juli ten huize van de schout om haar bede te betalen (dorpslasten) en de schoutin had haar gevraagd of haar zoon al naar Zeeland was omdat hij geen tolbrief had opgehaald. Susanna zei daarop dat Dammes dat had opgehaald en dat het voor zijn vieren was. Doch de schout vliegt met grote boosheid op met verschrikkelijke vloeken dat Dammes een valse verklaring gaf. De vrouw van de schout wordt steeds aangeduid als de schoutin. Het gaat om Syberig Evertsdochter van der Horst, die met de schout Adriaan van Gorcum was getrouwd. Zij woonden op de buitenplaats Mossenhof tegenover de kerk. De schout overleed in datzelfde jaar 1689. Eerder koopt hij een dubbele grafstede in de kerk aan de zuidmuur, bij de toren, beneden het glas waar het wapen van Adriaan van Gorcum, schout tot Lisse, ingeschilderd
is. Hieruit zien we dat hij bij leven het gebrandschilderde raam al aan de kerk heeft geschonken. De schout was een rijk man. Zijn nalatenschap is beschreven in wel 40 bladzijden, waarin ook een haringbuis1 genaamd de Windhond wordt genoemd. Waar zou dat gebrandschilderde raam zijn gebleven? We weten dat de Grote of St.-Bavokerk in Haarlem ramen van Lisse heeft gekocht en dat die ook in de kerk zijn geplaatst. Van Gorcums graf is later weer verkocht aan Cornelis Adriaanse Molin, die belooft het graf 10 jaar te laten rusten. De schout bleef maar volhouden dat ieder een tolbrief moest hebben en zei dat hij de vlassers in Gouda zou aangeven. “Gij sijt maar sacramentse dieven en mijnedige schelmen”. Ook de burgemeesters wilde hij aangeven. De burgemeesters stelden dat tot het overlijden van de schout er maar twee tolbrieven nodig waren voor de hele compagnie. Één voor heen en één voor terug. Van het plan van de schout kwam niet veel terecht; hij was al oud en kort daarop overleed hij.




