PASTOOR VAN VLASSELAAR; De rommeling. (142)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Arie Raaphorst had een grote bewondering — misschien moet men wel zeggen verering — voor deze pastoor, en daarin stond hij niet alleen! In het onderstaande stuk spreekt hij eerst over de bouw der kerk in 1902/03. In het tweede deel verzet hij zich er tegen, dat de latere Pastoor Kleikamp de hem toevertrouwde gelovigen moreel dwong Dokter Blok als arts op te zeggen. In “De Aagtenkerk van Lisse” kan men over Pastoor Van Vlasselaar nog veel meer lezen. Hij woonde in zijn pastorie, die aan de kerk was vastgebouwd. Huis­schilder G. Slegkamp heeft daar in 1888 een schilderijtje van gemaakt. Het is wel wat primitief, maar omdat er verder geen afbeeldingen van de achterzijde van de kerk bestaan waarlijk uniek en bovendien nog alleraardigst. “De uitgebreide en omvangrijke werkzaam­heden van den bouw eener nieuwe kerk waren veel te zwaar voor de zwakke schou­ders van den beminden herder dezer pa­rochie, Pastoor H.Th. van Vlasselaar. Een ieder vond, dat de werkzaamheden niet gelegd mochten worden op zijne schouders. Daarom wachtte men geduldig de tijd af die daarin verandering zou brengen. Die tijd was eerder aangebroken als men had verwacht, want op 8 januari 1901 ging de droeve mare door het dorp: Pastoor Van Vlasselaar is dood. Hij was 32 jaren lang de zachtmoedige en beminnelijke herder ge­weest van de Parochie van St. Agatha. Zelden is er een mensch geweest, die op­rechter beweend is geworden als hij; niet alleen door de katholieken, maar ook door niet-katholieken van allerlei rang en stand. Met hem daalde ten grave een raadgever voor iedereen, een vriend voor allen, en bovenal een weldoener der armen zonder weerga. Zijn nagedachtenis zal dan ook in dankbare herinnering blijven voortleven in de harten van allen die hem gekend heb­ben”.

(Nu op een andere plaats in het omvang­rijke manuscript:)

“Voorop stel ik, dat ik een leerling ben van de nooit genoeg te betreuren en steeds in de gedachten van elk weldenkend mensch voortlevende Pastoor van Vlasselaar. De man die hier in Lisse ruim 30 jaren als her­der heeft geleefd en in wiens schaduw nog niemand die na hem is gekomen, heeft kunnen staan.

Die man heeft mij geleerd en ook anderen, door woord en door daad, dat het eerste en grootste gebod in de wet is: “Bemint God bovenal en uw naaste gelijk uw zelven!” Toen Pastoor Van Vlas­selaar dan ook, op hooge ouderdom geko­men, zijn hoofd voor eeuwig te ruste leg­de, is hij betreurd geworden, niet alleen door zijn eigen kinderen, maar ook door de kinderen van anderen; niet alleen door de Katholieken van Lisse, maar ook door de Protestanten van Lisse. En waarom? Omdat hij, Pastoor Van Vlasselaar, zijne plicht deed tegenover God en de menschen, omdat hij allen liefhad, zonder onder­scheid. Ook hij heeft katholieke instel­lingen in het leven geroepen, en toch werd hij bemind door de niet-katholieken. En waarom? Enkel en alleen omdat hij zijne plicht deed tegenover God en de menschen; enkel en alleen omdat hij ver­draagzaam was en ieder in de waarde liet waarin hij was. Als er tijdens het leven van Pastoor Van Vlasselaar hier in Lisse een katholieke ge­neesheer was geweest, zou hij de eerste zijn geweest, die zich door hem zou laten behandelen, maar hij zou nooit of nimmer zoo laag en laf zijn geweest, om een ge­neesheer, die voor de komst van dokter Haase hier ter plaatse bijna alle meerge­goede Katholieken onder zijne patiënten had, op alle mogelijke en onmogelijke ma­nieren te belasteren en te benadeelen; daarvoor was Pastoor Van Vlasselaar té edel, té katholiek, té goed en vooral veel té godvruchtig”. Enz., enz..