“STRONT VOOR HET LAND GOED SPUL, MAAR MIJN BEZIT ROTZOOI?…”; De rommeling. (151)
Door Alfons Hulkenberg
Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn
Bijna heel Lisse kent hem, de 57-jarige Jan Ponsioen,de zonderlinge verzamelaar van allerhande troep. Hij woont op de Rooversbroekdijk. Daar liet de Gemeente Lisse kortgeleden een houten huisje voor hem neer zetten, omdat de woning waarin Jan tot op dat moment huisde, dreigde in te storten. Maar Jan slaapt nog steeds in dit krot en weigert te scheiden van zijn sinaasappelkisten, gereedschappen, lege melkflessen en oude kranten, die tot aan het plafond zijn opgestapeld. Wie is die Jan Ponsioen toch, hoe leeft hij? Hier volgt zijn levensverhaal.
“Kijk maar niet teveel naar mij, hoor”, zegt Jan. “Ik kom net uit mijn bed en ben nog wat slaperig.” Hij ploft in een stoel en begint een shaggie te draaien. Ik kijk wat rond: kalenders van jaren terug, schilderijen, scheefgezakte boekenplanken, een stapel kranten van vorig jaar. De kachel brandt al sinds een eeuwigheid niet meer, het behang is geel uitgeslagen van het vocht. Jan is één met zijn omgeving: hij draagt een jasje waarvan de streepjes bijna even zwart zijn geworden als het jasje zelf. Op zijn grijsbehaarde hoofd kleeft een alpinopet. Een brede riem behoedt zijn veel te wijde broek voor afzakken. Aan een touw rond zijn middel slingert een grote sleutelbos. Zijn handen en zijn gezicht zijn vuil, de nagels hebben rouwranden. Het lijkt alsof hij zich jaren niet gewassen heeft. “Wie ik ben?”, herhaalt hij mijn vraag. Nadenkend wrijft hij ovez ijn stoppelbaard. “Mijn vader was redacteur van de Maasbode, een Rotterdamse krant. Ik ben in de Maasstad geboren, dat was in 1921. Voordat mijn moeder trouwde, was ze hoofd van een lagere- én een huishoudschool. Ik was de oudste thuis. Twee zussen, twee broers, echt een fijn gezin. Niks asociaals of zo. Na de lagere school ben ik begonnen aan de ambachtsschool, electrotechniek en zo. Ik klaagde niet. Die lui vroegen ook zoveel, ongelofelijk …… Ik ben toen maar aan het werk gegaan. Baantjes in de centrale verwarming business. Als electrornonteur was ik toch waardeloos, zei een oom tegen me. Mijn moeder was al gestorven toen ik tien was. Nou wou het geval dat mijn vader een kreng van een wijf trouwde, mijn tweede moeder, zogezegd. Die kreeg het idee mij in een gekkenhuis te stoppen. Ze was namelijk doodsbang dat ik haar zou vermoorden, omdat ik een hekel aan d’r had. Maar ik had nog nooit iemand vermoord, dus waarom zou ik dat ineens wel gaan doen? Maar goed, ik heb uiteindelijk acht jaar in het gekkenhuis “Padua” in Boekel gezeten, van 1940 tot 1948. Wat daar allemaal is gebeurd! De Broeders van Penitentie deelden daar de lakens uit. Penitentie is boete doen? Maar daar was geen sprake van: ze vraten als de pest en hadden dikke buiken. Je kreeg shockspuiten en prikken om te kotsen. Om je te kalmeren, weet je. Maar je werd er alleen maar een wrak.” Plots breekt Jan in een rochelende hoestbui uit. Hij is verkouden. Geen wonder ook, het is ijskoud en vochtig in het huis. Grote spleten in de muren, gaten in het dak: de wind heeft vrij spel. Hij gaat verder: “In ’48 ben ik naar de directeur van het gekkenhuis toegestapt. Ik zei: Als ik er nou niet uit mag, knijp ik je strot dicht! Toen beseften ze ook wel dat ik eigenlijk normaal was. Ik mocht eruit. Na die periode ben ik bij een smid gaan werken. In Sassenheim was dat. Ik werd verliefd op de dochter van mijn kostbaas. Maar ik durfde niks. Een dokter heeft ooit een getekende meisjeskop voor me gehouden. Dat duurde een half uur. Ze had zo’n hypnotiserende blik. Daarna heb ik nooit meer normaal met vrouwen om kunnen gaan.” Jan belandt, naar zijn zeggen, in allerlei kosthuizen waar “de kleren van zijn lijf gestolen werden.” Opnieuw bracht hij een half jaar in een “gekkenhuis” door. “Na vervolgens weer een tijdje rondgehangen te hebben bij allerlei bazen ben ik op mezelf gaan wonen. Ik had een Maarse en Kroonbus staan op het terrein van een woonwagenkamp. Daar heb ik vijftien jaar gezeten. Toen ben ik ook gaan verzamelen, allerlei spullen. Ik werd alweer ontslagen, ditmaal bij de steenfabriek. Kwam altijd te laat op mijn werk. Dat was vanwege de slapeloze nachten. “Zelfs de baas is hier al om tien uur, zeiden ze. Voor jou kunnen we geen uitzondering maken.” Inmiddels had ik een geweldige voorraad gereedschap en boeken verzameld. Die mocht ik van de gemeente Lisse niet meenemen naar dit huis, dat ik in 1967 kreeg. De liefste spullen van mijn vader en moeder hebben ze toen verbrand. Ik wilde nog een proces gaan voeren om één miljoen schadevergoeding te claimen, maar dat is niet doorgegaan. Nu heb ik alweer heel wat materiaal te pakken gekregen, kom maar eens mee!” Vol trots toont Jan me zijn “laboratorium” dat gevuld is met stoffige flesjes, een verroeste telescoop en een ongelooflijke hoeveelheid lampen, snoeren, boutjes, schroefjes en reageerbuisjes. Het stinkt er een beetje. Vol ontzag passeer ik wanden, die behangen zijn met verroeste bahco’s, schroevedraaiers en nijptangen. Eén kamer staat propvol vergeelde boeken. “Tja, ik studeer hard. Biologie, psychologie, sexuologie, scheikunde, alles! Mijn moeder had 26 diploma’s. Daar heb ik het van. Ik heb een grote geest en ben beroemd. Deze spullen hier kunnen bij lange na niet in de schuur en het huis dat de gemeente voor me heeft laten bouwen. Ik ben bang dat ze binnenkort komen, om me uit dit huis te zetten. Maar dan koop ik een revolver en maak ik ze allemaal koud!” Ponsioen laat tevreden zijn blikken glijden over zijn rottende, roestende en vergelende spulletjes. “Weet je”, zegt hij mistroostig, “de stront die een boer hier in de buurt op zijn erf heeft liggen, vind de gemeente prima spul. Maar mijn kostbare goed wordt gezien als afval. Vindt u het niet treurig, meneer?”. Samen wandelen we naar het nieuwe huis, dat 500 meter verder op de dijk staat. De gemeente heeft voor een schuur van vier bij acht meter gezorgd, opdat Jan zijn oude wasmachines, radio’s, slijpstenen, jute zakken en boormachines kwijt zou kunnen. Maar negentig procent staat nog in het scheefgezakte, gebarsten pand waaraan Jan zo gehecht is. “Een buurman vertelde me, dat de brandweer hier laatst is geweest. Natuurlijk om te kijken of er putten waren, waar ze water uit kunnen halen, wanneer men mijn bezit gaat verbranden. Zo dwingen ze me nog tot gekke dingen. En dan kan ik het gekkenhuis weer in. Als ze me komen halen, schiet ik de boel overhoop, óf ik hypnotiseer ze, want dat kan ik ook ……”
Frenk van der Linden in het “Weekblad voor de Bollenstreek” van 22 februari 1978.



