Van Troebelen naar Pracht en Praal (vnl boerderij Middelburg)

Door Arie de Koning

2014

Op 11 december 1572 liet de Spaanse legeraanvoerder don Frederik ten noorden, zuiden en westen van de stad Haarlem legerkampen inrichten, schansen genoemd en sloeg het beleg om de stad. Haarlem had zich namelijk achter de Prins van Oranje geschaard en de Spanjaarden kwamen orde op zaken stellen. Buiten de oostelijke stadsmuur van Haarlem lag echter een schiereiland dat moeilijk was af te sluiten door de Spanjaarden. Het was een drassig veenmoeras, een gebied met sloten en dijkjes, totaal ongeschikt om er een schans op te richten. Aan een brief aan zijn baas, de hertog van Alva, de Kapitein-Generaal over de Spaanse troepen in de Nederlanden, verzuchtte don Frederik “…U moest eens weten wat een moeilijk gebied dit Is,.,”

Al snel begon de Prins van Oranje vanuit Lelden en zijn legerplaats Sassenheim, hulptransporten naar Haarlem te organiseren. Ook vanuit Hillegom en Lisse werden schepen met voedsel, munitie en hulptroepen de stad Ingebracht, Tijdens de winter werden met sleden voorraden naar de stad gebracht, vlak onder de neus van de Spaanse posten. Een Spaanse kapitein meldt mistroostig in een van zijn rapporten; Vanochtend (24 december 1573) zijn twaalf sleden de stad ingegaan en vanmiddag zijn er negentig uitgereden”. De Haarlemmers gingen de stad in en uit wanneer zij wilden, Ook waren de Spanjaarden totaal overrompeld door het veelvuldige gebruik van de kodde of polsstok waarmee men moeiteloos zich voortbewoog door het moeras en daarbij sloten van wel zes meter breed oversprongen. De Spanjaarden probeerden deze techniek over te nemen. Don Frederik besefte dat beschieten of bestormen van de stad geen soelaas bood en besloot de stad uit te hongeren. Hij liet zand en aarde aanvoeren om ook in het oosten een schans te bouwen en voorzag deze van soldaten en geschut.

Deze Spaanse versterking kreeg de naam ‘La Goletta’ een verwijzing naar de havenstad La Goietta welke Alva in 1535 op de Turkse Sultan Chaireddin Barbarossa had veroverd. In het zuiden hadden de Hollanders op hun beurt ook versterkingen aangebracht welke weer werden beschoten door het Spaanse geschut wat bijzonder veel schade aanrichtte aan de dorpen in de omtrek. De toenmalige artillerie was nog niet z0 zuiver in zijn schootsveld. Met de plattelands bevolking, overwegend kleine boeren en ambachtslieden, hield niemand rekening. Hun koeien werden geroofd. Hordes wanordelijke huursoldaten, welke geen of nauwelijks soldij ontvingen, zwierven door de wijde omgeving. Hulzen, boerderijen, molens en kerken werden afgebrand en leeg gestolen en de bewoners werden verkracht en soms op gruwelijke wijze vermoord. Het waren zware tijden. Zowel de Spaanse koning als de prins van Oranje hadden gierend geldgebrek en beide kampen maakten zich schuldig aan deze beestachtigheden. En dan te bedenken dat dit vele jaren zou aanhouden. De Leidse stadssecretaris Jan van Hout heeft in dichtvorm opgeschreven het verhaal van een zekere Bouwe Bouwenszn een boer uit Lisse die met afschuw terug kijkt aan deze tijd;

“Mer kijk, als ik begin te gedenken om myne voorleeden daagen,

Soo borst myn hert van druk. Aldereerst, doen Haerlem was beleid,

Zat ik op een schone wooning te Lis. Daar sag ik  alle myner beesten ofjaagen

van de Papauwen*, daarna myne wooning verbranden,

O droevigheid: Griet myne dogter, werde verkracht, Claes myne soon gemoort,

Mer ’t meeste lijd geschiedde an myn wyf, dat ik sag.

Die schelmen vol schande pijnigen my nog om myn geld.

Ik mogte ’t niet, ik heb ’t er gezeid.

Sij naamen het altermalen weg en bonnen my wll stijf met bande aan ener peerdestaart,

Met groot geluk omtkwam ik aan haar hande, ende rake ik ’t Sassem In ’t leger,..”

Bouwe werd Paynier”, een soort van geniesoldaat in het leger van de prins van Oranje. Ook ons Lisse had enorme schade opgelopen op alle gebieden. Gezag ontbrak volkomen en de bevolking leed verschrikkelijk onder de totale anarchie. Ook de landerijen welke zo florissant ieder jaar hun oogsten opbrachten waren grotendeels verwoest. De pachters van deze boedels waren, zover zij het hadden overleefd niet in staat de pachtsommen te voldoen aan de ,meest stadse eigenaren, en werden zonder mededogen failliet verklaard. Ook kleinere boeren welke het hadden aangedurfd om grond te kopen werden na de “troebelingen”, zoals deze ellendige tijd bekend is geworden, failliet verklaard. Welk een persoonlijk leed dit aanrichtte laat zich raden. Dit bood voor anderen, welke deze destructieve periode goed hadden doorstaan de mogelijkheden om te investeren, de één zijn dood is de ander zijn brood……

Zo was er een Maerten Ruychaver, poorter van Haarlem, een welgesteld en vermogend man. Hij was handelaar in buskruit, diverse malen burgemeester van Haarlem en Hoogheemraad van Rijnland. Hij had goed garen gesponnen tijdens de gevechten rond Haarlem en Leiden. Zijn handel in buskruit was wat wij nu zouden zeggen “booming business”, Geboren in 1546 als zoon van Willem Jacobsz Ruychaver, brouwer en schepen van Haarlem en van Guerte Pouwelsdr van Outschoten. Op 28 oktober 1570 was hij in Hillegom getrouwd met Alyt van der Laen, dochter van Nicolaes van der Laen de bekende burgemeester van Haarlem, welke eigenaar was van de hofstede Veenenburgh gelegen tussen Hillegom en Lisse. Op Kerstdag 25-12-1626 is Maerten Ruyehaver op zijn hofstede Oostende bij Hillegom overleden.

Maerten begon failliete boedels op te kopen in Lisse. Op l juni 1579 koopt hij 5 morgen land, gelegen tussen Veenenburgh, het land van Lysbet Jacobsdr van Nyenrode en de wildernissen, eigendom van Willem Jorysz welke sinds 1563 het land had gekocht en door de gevechten in desolate toestand was geworden en hij was failliet verklaard. In 1577 wordt het land beschreven als “een hoeksken land waar weleer ener huysken op gestaan heeft leggende in de Banne van Hillegom”, Het faillissement van Willem Jorisz werd zondag 16 februari 1577 in de Kerk van Lisse, na het zingen der psalmen en de predicatie, afgeroepen. Kopieën waren te verkrijgen op het stadhuis van Leiden en op de woning van de schout van Lisse. Op 3 maart 1577 wordt het land gearresteerd en door de schout en schepenen gesteld in handen van de Koninklijke Majesteit, want Philips II iso fficieel nog steeds graaf van Holland, dus de wettige landsheer. Op de daarop volgende publieke verkoop wordt Maerten Ruychaver eigenaar van het perceel voor 331 gulden. Waar Willem Jorysz is gebleven vermeld de geschiedenis niet.

Eert tweede failliete boedel, die van Cornelis Jans Florysz, alias Ruygeneeltje, getrouwd met Claesje Pouwelsdr, wonende aan de Heerwech in ’t dorp Lisse, was de volgende aankoop van Maerten. Ruygeneeitje bezat onder andere land aan de Quadewech in de Lisserbroek en land in de Morschveen, groot 19 morgen. Ruygeneettje had zich al diep in de schulden moeten steken en kon niet meer voldoen aan de aflossingen en werd in 1579 failliet verklaard. Deze schulden zijn later door Maerten Ruychaver afbetaald. Cornelis Jan Florysz, alias Ruygeneeitje is in juni 1584 overleden.

De volgende failliete boedel welke Maerten opkoopt is een perceel van 9,5 morgen land uit de desolate boedel van Cornelis Ysbrantsz Rootgen op 13 juli 1584 welke ook was gelegen in de Morschveen en één geheel vormend met de vorige aankopen.

En als laatste, om de landhonger van Maerten te stillen was er nog een “zekere 1,5 hont lants ofte daaromtrent, bij der hoop, zonder mate met de voet gestoten” een klein stukje, dat eigendom was van de Duinmeier Jan Gerytsz Hits. Ook dit stukje grensde aan Maertens vorige aankopen en aan het Nijenrode Duin, het huidige bloemententoonstelling terrein. Op 29 mei 1532 kocht Maerten het voor “de somma van 35 guldenen, d’een helft gereed geld ende d’andere helft over een jaar na datum”.

Dit toont de diepe ellende waarin de boerenstand van Lisse zich na de “troebelingen” bevond. Het dorp zelf was zwaar beschadigd, de kerk beschoten door Spaans en Hollands geschut en deels afgebrand en vele inwoners hadden hun leven en have en goed verloren. Ruychaver had een boerderij op zijn pas verworven bezit gebouwd en dat was de geboortedag van de Buitenplaats Middelburg, De buitenplaats was bekend onder verschillende namen, Morschveen was daar één van. Ook werd de naam gebezigd in latere tijden als “de boerderij van van Graven”, naar de pachter destijds. Na het uiteenvallen van de buitenplaats is de boerderij naar de buitenplaats vernoemd: “Boerderij Middelburg.”

Op 17 september 1588 lezen we in de Rechterlijke Archieven van Lisse, dat Maerten Willemsz Ruychaver een woninge met ongeveer 30 morgen land, ruim 26 ha, “gelegen in de Hooge Moschveenen te Lisse” verkoopt.

Op die dag verscheen voor jan Reyersz, schout van Lisse en voor Cornelïs Pietersz Boursgen en voor Mees Meesz Hoochcamer schepenen van Lisse “de eersaame Maerten Ruychaver, thans woonachtig op de huise van Bergendal te Voorhout “. Hij verkoopt aan zijn zwager Jonkheer Kapitein Arnolt van Duivenvoorde een woning met 30 morgen land, Ruychayer verklaarde “volkomenlijken vernoegd, voldaan ende wel betaald te zijn, den eersten penninge met den lesten, alles te goeder trouw en zonder arg ende bedrog”. Niet vermeld wordt wat dat bedrag dan we! was.

“203. 7-9-1588. Maerten Ruychaver althans wonende op den huize van Bergendael in Voorhout verkoopt Jr Arnoult van Dduvenvoorde capitein zijn zwager zekere woning als huis, barg en schuur met ruim 30 morgen land gelegen aan diverse percelen over duin in de Hoge Mosvenen, strekkende voor van de Nyenrodens duinen af tot achter aan de vaart toe alles volgens de oude brieven, belast met 23 st erfhuur meest competerende Nkolaes van der Laen erfgenamen te Haarlem en 12 gulden en 10 st per jr te lossen met 200 gulden tbv Jr Johan Nicolaeszn. van Mathenesse onder overhandiging van de volgende brieven: een decreetbrief verleden door het Hof van Hofland van 5 morgen land gekomen uit de boedel van Wiilem Joriszn, groot 12 bladen van 1-6-1579, een eigendomsbrief van 8 bladen van 18 1/2 morgen land gekomen uit de boedel van Cornelis Jan Florisznzn. Ruygeneel van 28-9-1580 verleden voor de schout van Lisse, nog een waarbrief van 1,5 hond land gekomen van Jan Gerritszn. Hits van 29-5-1582 verleden voor de schout van Lisse en nog een decreetbrief verleden voor de Baljuw van Rijnland van diverse percelen van landen groot 4 morgen, 2 morgen, 1 1/2 morgen en 2 morgens gekomen uit de boedel van Cornelïs lJsbrantszn, Rootgen van 18-7-1584.”

Aernt van Duivenvoorde, was afkomstig uit de adellijke familie van Duivenvoorde en was een zoon van jhr. Adriaen van Duivenvoorde, deken van Dordrecht. Hij werd luitenant-kolonel in het leger van de prins van Oranje, Frederik Hendrik, Hij was getrouwd met de zus van Maerten, Geertruyd Ruychaver. De eigenaar van de Buitenplaats woonde uiteraard niet zelf op de boerderij, deze werd verpacht. We weten wie deze pachter was uit de rechterlijke Archieven van Lisse nl, Hendrik Adriaensz Langeveld, afkomstig uit het Langeveld onder Lisse. Hij was getrouwd met Aegie Dircksdr en vijf kinderen zijn bekend: Adriaen, Lenaert, Jan, Cornelis en Aagje. Als Hendrik overlijd in 1612 wordt zijn weduwe “bruikster” ofwel pachteres en in 1624 is de pacht overgegaan op Adriaen den Boer uit Noordwijk welke met dochter Aagje op 11 augustus 1619 in Lisse was getrouwd. In 1628 lezen we dat zoon Lenaert Hendrlksz Langeveid de nieuwe pachter is geworden.  Jhr, Adriaen van Duivenvoorde, inmiddels kolonel, nam deel aan het beleg van Oostende in 1601 en liep daar de pest op, waaraan hij op 4 juni 1602 aan overleed. Zijn erfgenamen komen in bezit van de Buitenplaats Middelburg; Jhr. Jacob van Thienen, als getrouwd zijnde met Jonkvrouwe Geertruyt van Duivenvoorde sinds 1618. Hij was Meesterknaap, ridder van Holland en West-Friesland en schout van Grootebroek. Dan, op 7 februari 1633 is er weer nieuws over Mosveen. Jhr. Jacob van Thienen, “als man en voogd over jonkvrouwe Geertruyt van Duivenvoorde heeft, na voorgaande op veiling, in ’t openbaar verkocht, de Buitenplaats Mosveen te Lisse aan Geryth Jacobsz Huift, woonachtig te Haarlem”. Het bezit wordt beschreven als: “…zekere woninge, huijs, bargen, schuijren, potinge ende beplantingen met sijnen heintuinen ende boomgaarden, geleegen in den Ambagte van Lisse in de Hoochmosse Veenen, tesamen groot omtrent 29 morgen toegemaakt land behalve 4 morgen daaromtrent niet toegemaakt sijnde”. Al het land ïs: “bij den andere geleegen en in pacht bij Lenaert Hendricxz tot Langeveld”. Koopprijs was 10.500 gulden te betalen in drie termijnen telkens op de eerste mei. Bijzonderheid bij deze verkoop is dat Geryth Jacobsz Huift van katholieke gezindheid was. Geryth Jacobsz Huift kocht steeds meer land In Lisse, Op 10 april 1634 verschijnen voor de schout van Lisse, Adriaen van Gorcum, Jonkvrouwe Elisabeth van Duivenvoorde, wonende te ’s Gravenhage, geassisteerd met Jonker Gijsbert van Duivenvoorde, haar broeder. Zij verkopen aan Jan Hendrïcxz van Langeveld, ten profijte van Gerrit Jacobsz Huift, een stuk land in de Lisserbroek, genaamd de Breede Boecamp. Een jaar later op 23 maart 1835 verkoopt Adriaen Adriaensz den Boer, woonachtig in Noordwijk en familie van Jan en Lenaert Langeveld een loosterkamp in de polder van de Mosvenen groot 2 morgen grenzend aan het land van de koper, Adriaen den Boer zal het loosterkarnp voor tien jaar huren voor 60 gulden per jaar en de pachtsom aan niemand anders dan aan Lenaert Hendricxz vermogen over te doen. Lenaert was zoals bekend zijn zwager. Ook imperialisten hebben last van vergankelijkheid, zoals ook Geryth Jacobsz Huift, hij overleed. Uit zijn huwelijk met Haesghen Wïllemsdr van Foreest, was een dochter geboren, Adriana, en zij was getrouwd met de puissant rijke katholieke Haarlemse brouwer Frans Barentsz Cousebant, weduwnaar van Wyve Cornelisdr van Rijck. Hij was een zoon van Barent Wiggertsz en Magdalena Adriaensdr Kies van Wissen welke beiden in oktober 1603 aars de pest waren overleden. Daar maakte deze ziekte geen onderscheid in, tussen arm of rijk. Men zou Frans Barentsz Cousebant kunnen zien als de rijkste man van Haarlem en door 2zjn huwelijk met Adriana Gerritsdr Huift komt Middelburg in handen van de familie Cousebant. Of het prettig wonen is geweest is maar de vraag want buurman Cornelis van Sypestein was een zeer onaangenaam mens waar de familie Cousebant heel wat mee te stellen heeft gehad. Maar dat een andere keer.

Ook wordt ondertussen een aanvang gemaakt met de aankoop van land voor de aanleg van de Trekvaart van Leiden naar Haarlem. Cousebant verkocht 345 roeden land en ontving hiervoor van de stad Haarlem 207 gulden en 6 stuivers. Op 20 november 1689 is Adriana (van der) Huift overleden. Reeds op 30 juni 1676 had zij, ziek te bed liggende haar testament op gemaakt. Haar mart Frans Cousebant was al in juni 1667 overleden maar de buitenplaats Middelburg behoorde aan haar. Van de onroerende goederen worden bij de “schiftings, scheidinge en delinge” vijf loten gemaakt, voor elk van haar zoons één. Lot nummer 8 is de „Woning tot Lisse en ’n obligatie”, samen 12,000 gulden”. De woning te Lisse, Middelburg dus, wordt nauwkeurig omschreven als: „Een woninge met de landen daarbij gebruikt, alsmede het Heerschaps Huijs ende boomgaard gelegen tot Lisse”, De boerderij was voor 400 gulden per jaar verhuurd aan de weduwe Jan Claesse van den Helder. Het woord „Heerschapshuis” wijst erop, dat het thans meer was dan een boerderij alleen. Waarschijnlijk is tegen de voorzijde van de oude boerderij een “nieuw gebouw” gezet. Zomers kwam de eigenaar, het Heerschap dus, uit de stad met gezin lekker buiten wonen, aan de voorzijde van de woning, en de pachter had het achterhuis en zijn boeren bedoening.

ik weet niet of er een vrouwelijke vorm van heerschap bestaat maar Adriana weduwe Cousebant was eigenaresse van Middelburg en zij had tot executeur-testamentair benoemd haar zoon Josephus maar dat bleek een abuis. In haar testament lezen we: “Het is mijn wil dat het zal zijn Gerarëus Cousebant” , En zo gebeurde.

Lot nummer B, waartoe dit alles behoorde, werd getrokken door Josephus Cousebant, priester. Door het trekken van dit lot was de geestelijke Josephus Cousebant, zoon van Frans Barentsz Cousebant heerschap geworden van de buitenplaats Morsveen of Middelburg te Lisse. Josephtus werd in juni 1833 in Haarlem geboren. Op 12-jarige leeftijd ging hij met zijn broer Gerardus naar Frankrijk waar hij werd opgenomen voor academisch onderwijs bij L’Académi Royale in het dorp Juilly. In 1651 en 1652 studeerde hij wijsbegeerte en theologie aan de Universiteit van Parijs. Hij promoveerde en ontving tevens zijn priesterwijding. Bovendien benoemde de Franse koning Lodewijk XIV hem op 19 juni 1662 tot zijn “conselller et oulmosier”. Men zou denken dat zijn kostje daar gekocht was een glanzende carrière in het verschiet lag en ieder ander had alvast zijn naam verfranst in “Jarretière of desnoods “Jarretelle”, maar niet Josephus. (De laatste moest trouwens nog uitgevonden worden). Op 21 juli 1662 keerde hij weer terug naar Haarlem en sloot zich aan bij de Hollandse Zending. Hij was bekend als een eerlijk toegewijd priester, een zeldzaamheid in die tijd, en hoeveel oog hij had voor misstanden en armoede blijkt uit het feit dat hij in 1867 de “Broederschap ter verlossing der slaven” heeft opgericht. Dit was juist in de jaren dat vele Hollandse kooplieden zich juist met diezelfde slavenhandel zich schandalig verrijkten. Hij werd Provicaris van Haarlem,

Het is deze bescheiden pastoor Josephus Cousebant, die van 1690 tot aan zijn dood op 12 april 1695 eigenaar van Morsveen te Lisse is geweest. Geen enkel archiefstuk herinnerd aan deze beminnelijke man en toch za! hij veel in Lisse zijn geweest. Aan het Mailegat, in het Pastoorshuis bij de schuilkerk aldaar woonde een vriend en geestverwant van hem, Joannes van der Werve, pastoor te Lisse, een even beminnelijk man als hijzelf. Pastoor van der Werve is op 13-06-1697 in Lisse overleden. Pastoor Josephus Cousebant, eigenaar van de buitenplaats Middelburg of Mosveen, was hem 2 jaar eerder voorgegaan in december 1695.

Executeurs-testamentair waren zijn jongere broers Jodocus en Frederik Cousebant. Door het graven van de Trekvaart was een deel van het land van Cousebant afgesneden en lag in het westen van de Trekvaart, De buurman Sypestyn had oostelijk van de vaart nog bezit. Er werd door de executeurs-testamentair en door Andreas van Sypesteyn een ruil met gesloten portemonnee gedaan. Het land van Middelburg of Morsveen loopt nu in rechte baan van de Loosterweg tot aan de Trekvaart en dat is heden ten dage nog het geval.

Josephus Cousebant is in zijn Lissese bezit opgevolgd door zijn jongere broer Jodocus. Deze was in 1676 gehuwd met Maria Adriana Crucius, dochter van Adriaen Crucius, lakenkoper in Haarlem en Maria Keyser. Zij was reeds weduwe van Arent van Gouthoven. Het heeft niet lang geduurd, zij is in 1682 al overleden.

Op 20 april 1701 werd een overeenkomst opgesteld tussen een aantal partijen, oa Pieter Dierquens, heer van Veenenburgh en baljuw van Noordwijkerhout, Lisse etc, Hendrïck van Hoven, heer van Keukenhof en Jodocus Cousebant, heer van Middelburg waarin zij zich verplichte om de buurweg recht te trekken, te egaliseren en met fraaie gewassen te beplanten. Dit is inderdaad uitgevoerd. Jodocus Cousebant is in 1709 overleden.

Tijdens het korte huwelijk van Jodocus Cousebant en Maria Adriana Crucius is hun enige zoon geboren op 20 Januari 1682 in Haarlem, genaamd Adrianus Franciscus Cousebant. Hij trouwde in 1707 in ‘ s Gravenhage met Maria Catharïna Emonds, dochter van mr. Pieter Emonds, advocaat van het Hof van Holland en van Adriana Dymphna van Beeck. Op zijn bruiloft krijgt de bruidegom ais gift van zijn vader Jodocus de buitenplaats Middelburg te Lisse. Middelburg had een nieuwe eigenaar. De hofstede en boerenwoning blijkt nu verpacht te zijn aan Jan jacobsz Naardenburg en wel voor 500 gulden per jaar te betalen jaarlijks op I8 oktober. Deze datum viel samen met de jaarlijkse Haarlemse “lucasmarkt”, sinds de middeleeuwers een vaste datum waarop termijn betalingen moesten worden betaald, Adriaen Francois Cousebant is niet veel in het nieuws getreden. Op 29 november 1719, “des savonds de klok omtrent zeven ure” maakt Adriaen Francois Cousebant, ten overstaan van notaris Jan Barnevelt te Beverwijk, zijn testament op. Niet dat hij oud, zwak of ziek was maar hij was van plan een reis naar Frankrijk te maken en ingegeven door “de broosheid des levens” wenste hij zijn testament te maken.

Hij reist alleen met zijn valet (bediende) en benoemt zijn vrouw tot eventuele voogdes over hun minderjarige zoon Franciscus Bernardus, Later schrijft hij nog in sierlijke letters nog zelf toe: “Mijn plaats op de Schillque {hofstede Breelamd In de Zilk) wil ik niet verkocht hebben want moet blijven tot uw en mijn zoons playsir”. Hij had bet goed voor met vrouw en kind.

Adriaen keert veilig terug in Holland en besluit in 1722 Middelburg of Morsveen te verkopen, op 9 juni 1722 verscheen voor de schout en schepenen van Lisse de Heer Adriaan Francois Cousebant en verklaarde aan de heren Nicolaas en Pieter Tiark te Leiden verkocht te hebben “een woninge met omtrent 32 morgen 10 roeden land te Lisse”, waarbij inbegrepen “een groter en een kleiner bos”. Hierbij was inbegrepen een huis met een lapje grond aan de Leidse Vaart en een loosterkamp en de Breede Boecamp gelegen in de Lisserbroek. Alles tezamen voor 8000 gulden in gereed geld. Pachter op (Morsveen was nu Jacob Jansz Naardenburg welke zijn vader had opgevolgd als boer op de boerderij. We lezen in het archief dat Jacob op 19 mei 1717 in de Katholieke schuilkerk aan het Mallegat met Wijntje Maertensdr van der Meer in het huwelijk was getreden. Jacob Naardenburg is niet oud geworden. Op 7 november 1738 overlijd hij in Lisse en Wijntje wordt zelf pachteres en bouwvrouw. Er zijn vier kinderen van hun bekend: Jan, Maarten, Willempje en Maria. Op 8 juni 1745 hertrouwd zij dan met de welgestelde Warrebout Juraensz Vreeburg, Wijntje is zijn vierde vrouw. Vreeburg was niet alleen een groot vrouwenliefhebber maar ook een groot grondbezitter en had overal in Lisse bezittingen. Hij overlijd drie jaar later op 29 mei 1748 en is Wijntje voor de tweede maal weduwe,

Het zg “Heerschapshuis” wat aan de boerderij was gebouwd is klaarblijkelijk weer geheel opgenomen in de boerderij, dat is te lezen in het. Quohier van den Verpondingen. De Heren Tiark resideerden in de nabijgelegen buitenplaats Middelburg. Op de “boereplaats” van de Heren Tjark wordt regelmatig vee en hout uit de bossen van Mosveen verkocht, zo ook op 9 maart 1728 wanneer er “koebeesten” verkocht worden. Aardig om te weten dat in 1728 een koe ongeveer 26 tot 34 gulden opbrengt volgens het Oud Rechterlijk Archief van Lisse.

Op 4 oktober 1745 is mr. Pieter Tiark in Leiden overleden, 49 jaar oud. Mr. Nicolaas Tiark, met wie Pieter het buiten Middelburg had gekocht wordt niet meer genoemd als eigenaar. In zijn testament welke op 20 april 1750 wordt uitgevoerd kunnen we lezen over de inventaris; Hofstede Middelburg met woning en 73 morgen en 200 roe lands. Middelburg is door enige aankopen dus flink groter geworden. Mr. Pieter Tiark had twee dochters, de oudste, Petronella Geertruyd overleed op 1749 op Middelburg en de jongste Maria Jacoba Johanna Tiark erfde dus het gehele bezit van haar vader. Zij trouwde in april 1750 in Leiden met Jean Baptist Francois George, graaf van Oultremont de Warfusée. Maar omdat het jonge paar zich toch niet in deze omgeving vestigt trachten ze zich van hun Lissese bezit te ontdoen. In de ’s Graevenhaegse Woensdagse Courant van den 14den November anno 1753 wordt Morsveen aangeprezen sis “een voorname Huysmanswoninge, voorzien met een zeer bekwame schuur, huizinge, bargen, stallinge voor diverse beesten, en voorts alle ’t gene tot een wel geconditioneerde huismanswoninge behoort.etc. Van een verkoop is echter niets terecht gekomen, Wel werd er “Boelhuis” gehouden. Op 17 april 1754 worden er voor schout en schepenen van Lisse „koebeesten en verder Jong vee, paarden, schapen en varkens, bouwgereedschap en verdere goederen” verkocht De publieke verkoop brengt bijna 3200 gulden op. Zou het jonge stel geldgebrek hebben gehad? Ook de pachter Naardenburg is niet meer op Morsveen, nee hij is niet mee verkocht, maar is in 1754 pachter op Nieuw Zandvliet aan de tegenwoordige Stationsweg. Nieuwe pachter op Morsveen is de jonge Wouter Pietersz van der Swet, geboren in Noordwijkerhout en zoon van Pieter Cornelisz van der Swet en Cornelia Woutersdr van der Vlugt. Wouter van der Swet trouwde op 23 november 1755 in Hillegom met Aagje Joostendr van Diest, geboren in Hillegom. Wouter bleef tot zijn dood in 1806 pachter en boer op Morsveen.

Op 27 april 1781 gaat het er dan toch van komen. Schout van Lisse, Jacobus van Lutsenburg, vergezeld door schepenen Jeremias Rouwens en Jan Hits, ontvangers de heren Wiilem Pietersz van Egmond en Xavier Gerritsz van der Hout, procuratiehouders van Mevrouwe Maria lacoba Johanna Tiark, Zij delen de bestuurders van Lisse mee dat “op 20 april 1781 in hst Heerenlogement aan den Burg binnen Leiden, de buitenplaats Middelburg is verkocht aan de heer Egbert Bosch te Amsterdam, In gerede en contante gelden, alles zonder archlist of bedrog”. Egbert Bosch, geboren in Amsterdam op 25 juni 1721 als zoon van Arent Bosch en Aletta Thesingh. Hij was een welgesteld man, Doopsgezind, en verstokt vrijgezel. In Lisse bezat hij reeds de hofstede Voorburg aan de westzijde van de Trekvaart waar hij ’s zomers graag vertoefde. Gerekend naar zijn geboortedatum in het Doopsgezinde doopboek van de kerk ’t Lam in Amsterdam was hij dus al zestig jaar toen hij Middelburg kocht, Egbert Bosch overleed op 2 mei 1788 in zijn riante woning aan de Keizersgracht in Amsterdam. Hij was toen al geen eigenaar meer van Middelburg. Op 11 december 1783 verscheen voor schout en schepenen van Lisse de heer Ysbrand van Watering, “Meester Metselaar alhier, procuratie hebbende van den WelEd. Geb, Heer Egbert Bosch” heeft hij de buitenplaats Middelburg en boerderij voor 6000 gulden verkocht aan “den WelEdele Gestrenge heer Matthijs Ooster, Heer van Meygisfeiden in Holstein, koopman, assuradeur, commissaris en schepen te Amsterdam”. Verder was deze Matthijs regent van het Leprozenhuis en directeur van de Levantse Hande.l Ook was hij sinds 1781 eigenaar van de buitenplaats Santvliet te Lisse. Geboren op 28 oktober 1747 in Amsterdam ais zoon van Matthijs Öoster en Maria Corneiia Quenion. Hij had dus als 33 jarige al aardig zijn zakken weten te vullen. Hij trouwde met Clara Hillegonda Hooft welke hem drie kinderen schonk welke allen jong overleden. Matthijs is in 1842 in Utrecht overleden op 94 jarige leeftijd.

Op 14 mei 1797 verkoopt Matthijs Ooster Middelburg aan Lucas Jan Michielsz Boon, koopman te Rotterdam voor de somma van 5000 gulden contant en een custingbrief van 5000 gulden. Lucas Boon, was geboren in Delft als zoon van Johan Michiel Boon, Luthers predikant, en Johanna Adriana Swijggeiman. Hij werd gedoopt op 4 juni 1758 in de Lutherse kerk te Delft. Hij was niet voor niets koopman en hij ontdeed zich zo snel mogelijk weer van zijn pas verworven bezit. Hij heeft daartoe zijn zwager, Jan Bartholomeus Snellen, gemachtigd en 22 april 1800 vindt in het Rechthuis van Lisse (Witte Zwaan} de openbare verkoop van Middelburg plaats. Na vee! geharrewar is de koper uiteindelijk Simon Petrus Joosten, commissionair uit Amsterdam, welke Middelburg koopt voor 10.200 gulden. Pikant detail: Simon was weduwnaar van Sara van Hoboken, jongste dochter van Abraham van Hoboken en Anna Scheltes, Anna was na het overlijden van haar dochter in 1807 eigenares van Keukenhof en toen zij op 2 juli 1808 in haar huis aan de Keizersgracht overleed was Simon Petrus Joosten zowel eigenaar van Middelburg als van Keukenhof! Dat Simon Petrus ook nog pretenties in de poëzie had blijkt uit een gedicht welke hij maakte ter gelegenheid van het huwelijk van zijn dochter Aiida Sebilla met Hendrik Sleebes waarin overigens de hele famiüe Joosten zich te buiten gaat aan “Huwelijksche Gezangen” en dit in een boekje liet optekenen.

Simon Petrus Joosten

 

Het waren onzekere tijden, de Franse Tijd, en Simon neemt het zekere voor het onzekere en doet zowel Keukenhof ais Middelburg in de verkoop. Grote aanplakbiljetten prijzen het goed en onder punt zes kunnen we lezen: “£ne capitale en weldoortimmerde huismanswoninge, gelegen aan de Loosterweg, genaamd Middelburg, voorzien van ene stallinge voor 30 stuks hoornvee en 3 paarden met deselfs dorsvloer, ruime schuiringe, zomerhuis, wagenhuis, karnmolen, capitale kelder en varkenshakken. Twee vijf roeden hooibergen, ruime werf met opgaande bomen, een boomgaard mitsgaders met een strook bos halverwege de Loosterweg van de woninge halverstoot tot aan de scheidinge van ’t bos aan de brugge met ende beneffens de daarbij gehorende nombre van 30 morgen, 150 roeden allerbest wei hooi en boslanden als één partij groot 25 morgen en 450 roeden geleegen bij, aan en omme de woning…”.

En dan te bedenken dat het hier alleen om Middelburg gaat. Keukenhof en de resten van Zandvliet vaüen onder andere punten op het aanplakbiljet. Vrijwel de gehele Polder van de Hooge Morsvenen was opgenomen in het landgoed Keukenhof.

Op 2 november 1806 was Wouter van de Zwet, pachter en boer op Middelburg overleden, Wouter had maar één zoon welke ais zijn opvolger in aanmerking kwam, Simon van der Zwet, maar deze was reeds boer op “Lammetje Groen” en er was voor Middelburg dus geen opvolger. Dus werd er op 9 april 1807 een “Boereboelhuis” gehouden, Wat dit opbracht weten we niet want daar zijn helaas geen rechterlijke archieven van bewaard gebleven. Vast staat dat de nieuwe pachter, boer Jacob Leenslag werd.

 

Jacob Leensiag was gedoopt op 13 mei 1781 in de Gereformeerde Kerk in Hattem als zoon van Hendrick Leenslag en Barbera Jacobsdr Swaanepol. Jacob Leenslag is overleden op 27 maart 1860 in Sassenheim. Hij was getrouwd met Wïliemijntje van Broekhuizen geboren in Leiden. Zij is overleden op 30 mei 1823 in Sassenheim, Zij schonk hem twee zonen, Hendrik en Willem. Jacob hertrouwde, want een boerin was absoluut noodzakelijk op een boerderij, op 4 april 1824 in Sassenheim met Haasje Magdalena van Leeuwen, geboren op de Kaag.

Zoals gezegd was het volop Franse Tijd, Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap werd alom verkondigd. Van de gelijkheid kwam eigenlijk vanaf het begin niets terecht. Er waren mensen die veel gelijker waren dan anderen. In deze tijd werden veel landerijen in kleine stukjes verkocht, je kon niet weten, buitenplaatsen raakten in verval door gebrek aan onderhoud en de schitterend aangelegde tuinen werden vernietigd. Te vrezen was dat Keukenhof ook zou verloederen, Maar op de heugelijke dag 2 oktober 1809, of moet ik zeggen op de 2e van de Wïjnmaand werd Keukenhof met alles wat daartoe behoorde dus ook Middelburg gekocht door jhr. mr. Johan Steengracht van Oostcapelle. Hij was geboren in 1782 in ’s Gravenhage en overleed in 1846. Door deze verkoop maakt de Keukenhof een stap in de richting van het Adeldom en komt een einde aan Amsterdams Burgerdom.

Direct begin Steengracht zijn bezittingen uit te breiden. Het is weliswaar een moeilijke tijd maar geld schijnt bij hem geen rol te spelen, In 1820 koopt hij de Kiopperslanden, een stuk wei of hooüand wat geheel omgeven wordt door zijn land. De weg daarna toe, het Klopperslaantje was ai in 1783 door Keukenhof aangekocht. Een strook bos van 2 morgen was toen aangekocht door Arij van der Zaal, timmermansbaas binnen ’t Vierkant te Lisse en Keukenhof moest ook hem recht van overpad geven op het Klopperslaantje. In de bepalingen wordt beschreven wat voor soort overpad wordt bedoeld. Er wordt gesproken over wagens, paarden, hout, hooi of te voet. Maar ook vlas staat er onopvallend bij. Het betreft hier het zogenaamde rauwvlas welke in augustus vanaf de Zuid Hollandse eilanden en uit Zeeland aankomt in de Gracht te Lisse, Deze werden vervoerd naar de Klopperslanden om te worden “geroot” in de sloten en beken aldaar, Daarna werd het in “kapellen” op het land gezet om te drogen. De stank welke hier van af kwam verjaagde zelfs de waterratten en de Lisser koeien stonden met de kont in de wind, dus voor de omliggende buitenplaatsen was het ook geen pretje. Eigenaar Steengracht kon dus niet het eeuwig gegeven recht van overpad intrekken, want dat was juridisch niet mogelijk.

De pachter op Middelburg in deze tijd was Maarten van der Vlugt, geboren in 1770 in Voorschoten. Zijn vrouw Keetje Veldhoven was in Stompwijk geboren in 1777. Toen baar man op 3 april 1830 overleed werd zijn vrouw bouwvrouw. Na haar overlijden op 18 oktober 1835 nam zoon Arend het pachterschap van zijn moeder over. Op l mei 1836 trouwde hij met Jannetje van Graven, dochter van Ceel van Graven en Clara van Bourgonje, de pachter van Nieuw Zandvliet, Uit dit huwelijk worden drie kinderen geboren Arie, Selis en Clara, Seiïs volgt zijn vader op ais pachter boer van Middelburg. Hij was geboren op 9 oktober 1843 in Lisse. In 1877 trouwde hij met Hendrika van Rijn uit Voorhout. Daarna volgde leden van de familie van Graven de familie van der Vlugt op wetke een eigen boerderij gekocht hadden In Voorhout.

In 1846 nam dochter Jonkvrouwe Cecile Marie Steengracht het landgoed van haar vader over. Zij trouwde met Carel Anne, baron van Pallandt. Cecile Marie overleed in 1899 waarna haar dochter Cornelia Johanna van Pallandt, geboren op 4 maart 1840 in’s Gravenhage eigenaresse werd van Keukenhof en Middelburg. Zij trouwde op 10 oktober 1881 in Lisse met Jan Carel Elias graaf van Lijnden, De volgende eigenaar was Jan Maurits Dideric graaf van Lijnden en als laatste in de rij weer een Jan Carel, graaf van Lijnden.

 

11