HET KASBOEK VAN JAN VAN MATENESSE, HEER VAN DEVER. 1587

A.M. Hulkenberg

HET KASBOEK VAN JAN VAN MATENESSE, HEER VAN DEVER. 1587

In het Algemeen Rijksarchief te ‘s-Gravenhage bevindt zich een aantal stukken ,,afkomstig van enige Heren van Lisse en hunne rentmeesters”. Nummer 17 uit deze collectie is een ,,Manuaal van de rentmeester van wijlen Jonkheer Johan van Matenesse, ambachtsheer van Lisse. (1625 – c. 1656.).” Deze rentmeester, Cornelis Antonisz van der Burch (1), had alle reden om nauwkeurig boek te houden en zijn boekenzorgvuldig te bewaren ! Op 14 juli I 624 was Jan van Matenesse overleden, ongehuwd, zonder kinderen en zonder testament. De erfgenamen van vaders- en van moederszijde betwisten elkander hevig de zeer omvangrijke erfenis. Trouwens, die van moederszijde zijn onderling ook nog weer verdeeld. 2)

Van Van der Burch werd grote accuratesse geëist en zijn uitvoerige administratie vroeg veel papier. Daar vond hij op Dever een nog vrijwel blanco folioboek, wat hem zeer goed te pas kwam. 3)

Aanvang van het kasboek van Jonker Johan van Matenesse, I januari 1587 
Foto: ARA

Twee bladen waren beschreven. Hij vond het niet nodig ze uit te scheuren, maar beperkte zich tot het doorhalen van de tekst. Daarna begon hij zijn manuaal aan de andere zijde. Toch zijn voor ons de doorgehaalde pagina’s minstens even interessant. Het is een dagboek, eigenlijk een uitgavenboek, van bovengenoemde Jan van Matenesse uit het jaar 1587. Vol ijver begint hij op Nieuwjaar zijn aantekeningen. Hij deed dit zo nauwkeurig en zo uitgebreid, dat hij het maar zes weken heeft volgehouden. Met twee gulden voorschot op het loon van Andries, zijn dienaar, ,,om ‘t een en ‘t ander voor syn selven daer om te copen”, eindigt het relaas op 14 februari 1587. Wie is deze Jonker Jan van Matenesse? Hij is de zoon van Claes of Nicolaas van Matenesse en stamt via de geslachten Van Matenesse, Van Duvenvoorde en Van Haeften van de oude Heren die Ever, ofwel Dever af. Zijn vader, Nicolaas, was in 1544 getrouwd met Geertruyt Pieck, die vooral in Utrecht en in het Gelderse aanzienlijke bezittingen had. Ze wonen te Utrecht, waar ,,Nicolaes van Mathenesse oock in bedieninge, ofte in de regeringe geweest was”. 2) In deze stad is hun enig kind, Jonkheer Johan, omstreeks 1545 geboren.* Op 2 december 1550 blijkt Nicolaas echter reeds te wonen op het Huis te Lisse, ofwel Dever. In 1564 is Nicolaas overleden. Jonkheer Johan volgt hem op. Hij mag zich echter dan nog geen Heer van Lisse noemen. 4)

Op zijn oude dag is Jan van Matenesse nog vertrokken naar Utrecht, omdat hij van zijn moederlijke bezittingen door ,,krych ende orloch weynich can vercrijgen, tenzy dat hij daeromtrent toeve”, waardoor hij in Lisse ,,voortaen geen vyer” (vuur) noch licht meent te houden”. 5 ) In Utrecht is hij ook gestorven. Johannes a Mathenes uit Utrecht, die sinds 29 juli I1579 te Leiden letteren studeert, (6) moet aan onze Heer van Dever identiek zijn. 7) Hij zal nu 34 jaar oud zijn. In 1581 vernemen wij, dat ,,Joncheer Johan van Mathenesse van Uytrecht” al twee jaren te Leiden woont, ,,met zyn moeder ende Henric syn dienaer van buytenslandts”. Bovendien zijn er Brechge en Lysbeth, ,,beyde van Uytrecht ende dienstmaechden”. 8) Het huis stond aan de Haarlemmerstraat. Dit verklaart Van Matenesse’s vele Leidse relaties. Want al weten we, dat Lisse altijd sterk op Leiden was gericht, Van Matenesse’s belangstelling voor de goede oude stad is onmiskenbaar. Na zijn studiën heeft hij zich op Dever gevestigd, waar hij in 1587 woont, met zijn moeder, Andries zijn dienaar en Jannetje, de meid. Wij weten niet, hoe Dever er in deze dagen heeft uitgezien. De afbeelding in het Manuscript Schoemaker riekt meer naar fantasie dan dat zij de werkelijkheid doet vermoeden. 9) Het grote herenhuis zal pas later door Johan van Schagen worden gebouwd. Toch moet de oude donjon al een zekere aanbouw of uitbreiding hebben vertoond. De ruïne heeft namelijk slechts twee stookplaatsen, terwijl wij weten dat er vóór de bouw van het herenhuis al vier ,,haerdsteden” waren. 10)

Van eventuele bouwactiviteit in deze jaren is ons echter geen enkel bewijs bewaard gebleven. Als Cornelis Pouwels met zijn schouw uit Leiden vijftig dakpannen naar Lisse brengt, weten we dan ook niet, of ze voor het kasteel of voor het bouwhuis bestemd zijn. De boerderij van Dignum Jansz de Roo staat niet ver van het Huis. 11) Soms gaat Dignum Jansz naar Leiden en mag Jannetje meerijden, om ,, ‘t een en ‘t ander voor ons te kopen”: schapenvlees en rundvlees en nog kanen voor de honden. Verder een klein belletje, een comfoortje met een pot, wat noten en schollen en in Sassenheim nog brood. Jannetje heeft gezellig gewinkeld in Leiden en het geld dat over is weer netjes ,,gerestitueert”. Zo’n dagje naar Leiden zal wel een zeer welkome afleiding zijn geweest. Het milieu in Lisse was wel zeer landelijk. Veel boerenland, waar Jan de Vlaming en Willem de Vlaming werken. In het boomgaardje schrobben ze met nieuw gekochte boenders het mos van de bomen. In het elzenhakhout werkt Lieven van den Boomgaert, ook al een Vlaming. Er zijn zeer veel Vlaamse vluchtelingen in de streek, vooral doopsgezinden, die uit Vlaanderen uitgeweken zijn. Lieven levert ,,elsen latten”, waarmede wel bonestaken zullen zijn bedoeld. 12) Een andere Vlaming is Marijn, de wielmaker. Hij maakt twee nieuwe kruiwagens.

Veelal waren die zonder opstaande stukken. Hij heeft echter ,,crowagens met bordetgens vooraen” gemaakt. Van een oude kruiwagen herstelt hij het handvat. Om huis en erf was, zoals gebruikelijk, een flinke meidoornhaag. Op Nieuwjaar betaalt Van Matenesse Meynert Huygens, de ,,doornbreyder, wonende tot Leyden”, uit. Deze heeft vier dagen gewerkt, en is in die tijd op Dever in de kost geweest. (Deze Meynert was waarschijnlijk dezelfde als de Leidse Meyndert Huygens de ,,seemtouwer”, een bereider van zeemleer. 13) Hij zorgde voor de doornhaag, en vlocht open plekken dicht. Het is typisch, dat de stad Haarlem de doornstruiken, die zij tegen de stadsmuren plantte, eveneens te Leiden bestelde. Twee weken later betaalt Van Matenesse nog drie gulden aan deze doornbreyder voor een snoeischaar die deze had laten maken bij Claesz Rippertz, de smid op de Hogewoerd. Voor de mengel bier (14) die ,,int gelach” was betaald, geeft Van Matenesse nog drie stuivers extra. Maar laten wij naar Dever terugkeren. Een paar honderd meter achter Dever klotst het water van de Lisser Poel, en het zal ‘s winters in de Poelpolder (15) behoorlijk nat zijn geweest. Daarom koopt Jan van Matenesse bij de schoenmaker in Lisse een paar ,,hooge toffelen”, een soort overschoenen van vetleer met houten zolen. Hij kreeg de garantie, dat zij geen water zouden doorlaten. Deze schoenmaker heette Heyndrick Jansz van Loreynen. Loreynen is een verbastering van Lorraine, Lotharingen. Alweer een naam uit zuidelijker gewesten. Het brood koopt Van Matenesse veelal in Lisse en in Sassenheim. Toevallig heten beide bakkers Pieter Cornelisz, een zeer algemene naam overigens. Pieter Cornelisz van der Codde woont in De Zwaan, aan de groene wei van Lisse, welk huis hij van Bouwen Cornelis van Leeuwen gekocht heeft. Hij wordt ook Kees Cuyper en Cornelis Brouwershaven genoemd. Men koopt wittebroden, roggebroden en tarwebroden. Een keer wordt vermeld dat Jan de Vlaming het brood later moet halen, omdat ,,‘t nu noch in den oven lach”. In Leiden wordt ook brood gekocht. Op zaterdag 10 januari wordt een duivekatertje (16) betaald, dat de moeder van Jan van Matenesse aan ,,Claes het kint van Janszoon gegeven heeft”. Van Dignum Jansz zijn meer kinderen bekend. 17)  Maar de Vrouwe van Matenesse heeft voor Claes natuurlijk bijzondere belangstelling, omdat hij is genoemd naar haar overleden echtgenoot, Jonker Claes van Matenesse. Het geven van duivekaters met Kerstmis, Nieuwjaar of Driekoningen is overigens al een zeer oud gebruik, dat niet tot de Zaanstreek beperkt bleef. Volgens dr. N. van Wijk (18) kwam de naam Deuvekater reeds in 1450 voor als bijnaam voor een bakker in Leiden. In de zes weken dat Jan van Matenesse zijn kasboek heeft bijgehouden, is hij zelf drie maal naar Leiden geweest. Op 3 januari was Jannetje de dienstmaagd, met Dignum Jansz meegereden, zoals wij al gezien hebben. Op 14 januari, op een woensdag, rijdt Dignum Jansz de Roo weer naar de stad. De Heer van Dever zelf rijdt nu ook mee, evenals zijn moeder, Geertruid Pieck. Behalve Jannetje ook nog Andries, de dienaar. In Leiden gaat het gezelschap uiteen. Jannetje krijgt 31,5 stuiver mede om allerlei inkopen te doen. Van Matenesse is naar de doornbreier geweest. ‘s Middags heeft hij met Andries gegeten bij Aert Gerritsz, die ,,weleer mijn boemgaert in huyr (huur) gehadt heeft”. Hij wil betalen voor de pint bier, maar daar wil Aert niet van weten. En Van Matenesse noteert: ,,dan ick gaf ‘t syn dochtertgen”. Meester Jan Artus Hovius is apotheker, verbonden aan het Catharinagasthuis. Hij is Amsterdammer, maar heeft zich al voor het beleg van Leiden in deze stad gevestigd, op de hoek van de Maarsmansteeg en de Breestraat. Daar worden medicijnen gehaald , ,,seker pouder gedaan in seven brieffgens”, voor de Vrouwe van Matenesse, die aan nierstenen lijdt. De vermaarde Rembertus Dodonaeus geeft in zijn Cruydt-Boeck (19) geen reden tot grote verwachtingen : ,,men vint geene dingen die waerachtichlijck steen brekende zijn: dan alleen die de sandekens oft graveelkens, die welcke door eenige taye ende lijmachtige vochticheden aen een als met lijm ghepapt ende gevoecht zijn, ontsluyten, scheyden ende werdrijven tonnen. Want eenen harden steen en can door geene drogen oft geneesmiddelen (dat is medicamenten) gebroken worden, te wijle die in de nieren steeckt; . . . daerom en hoeft men geene dingen voor eygentlijck ende oprecht steenbrekende te houden, dan alleen die de aenmalkanderenhangende ende vast houdende sandekens ontdoen, van een scheyden, ende daer nae uitdrijven tonnen . . .” Misschien zijn ze vergeten naar Jacob Thomasz van Swieten in de Koppenhinksteeg te gaan. Deze had een brouwerij, uitkomende op de Oude Rijn. De volgende dag laat Van Matenesse er een half vat Croons bier (20) bestellen, dat Pieter Cornelis Engelsz ‘s maandags daarop medebrengt. Deze Pieter kreeg 21 stuivers mede. ,,Ende die stuvers, die daer over schieten heeft hij behouden; die zullen wij wel vinden als wij rekenden.” Op vrijdag 23 januari gaan Dignum Jansz de Roo en Andries opnieuw naar de stad. Zij nemen geld mee, 12 stuivers en een blank. 21) Ze moeten dit afdragen aan Marytjen, ,,die onse bootschappen altemet bestelt”. Die goede Van Matenesse heeft voor 14 stuivers een paar muilen voor ,,die schamele vrouwe” laten maken bij Lenaert Willems, schoenmaker in de Haarlemmerstraat, het tweede huis links van de Rijnsburger Poort. Ook is Andries weer naar de apotheek geweest om twee ons amandelolie, ,,die mijn moeder sal innemen voor de steen”. Hier geeft Dodonaeus wel enige reden tot hoop: ,,De olie die uit Soete Amandelen verschelijck geperst is, . . . is seer nut de gene die eenige ghebreken inde Nieren hebben, ende met de smerten van ‘t graveel ghequelt zijn: want sij opent, maect wijt ende slibberich de doorgangen oft aderen vande pisse, ende maeckt dat sij bequaemer zijn om de steenkens oft graveel te doen rijsen oft aftomen . . . Uit de Bittere Amandelen wert oock een Olie ghedouwt, de welcke seer groote tracht heeft . . ., insonderheyt als daer ettellijcke Scorpioenen in gheworpen ende versmoort zijn: ende dan wert dese Olie in Latijn Oleum Scorpionum, dat is Scorpioen-Olie gheheeten, ende wert seer crachtich bevonden om de graveelachtige menschen te genesen”. Nu, van die ,,ettelijcke Scorpioenen” lezen wij niets. Dit zal dan wel de reden zijn, dat het nog niet afdoende geholpen heeft. Op zaterdag 31 januari zijn Van Matenesse en Andries met zekere Lenert Botterman mee naar Leiden gereden. Dat het thans in Leiden goed winkelen is, weten we allemaal wel, maar kennelijk kon men er in 1587 ook al uitstekend terecht. Eerst zijn zij gegaan naar Claes Ghysbertsz van Dorp, zijdelakenverkoper in de Maarsmansteeg, westzijde. Van Matenesse moet daar 254 stuiver betalen voor ,,spaens armorsyn” (22) om zijn reiskovel te voeren. Verder koopt hij fijn bombazijn (23) om een paar mouwen te maken in zijn zwarte daagse wambuis. Ook koopt hij aldaar canifaq (24) om een wambuis te voeren. Nu is hij nog geweest naar de winkel van Andries Pieters Cramer, die in 1581 met zijn huisvrouw Stijntje Gerrits ook in de Maarsmansteeg woonde, bijna het laatste huis aan de oostzijde. In 1587 blijkt Andries Cramer gestorven, maar de nering wordt op gewone voet voortgezet. Van Matenesse koopt er twee dozijn grote zwarte zijde knopen van 5 stuivers het dozijn. Men geeft korting in de Maarsmansteeg : hij hoeft maar 9 stuiver en 14 penningen te betalen. Nu stappen we nog even door naar de Vismarkt. In 1587 woont daar Dirk Jacobsz Vergraft, wijnkoper in ,,De Druyf”. 25) Daar betaalt Van Matenesse aan de vrouw van Vergraft, Marytje Cuysers, 6 gulden en 16 stuiver voor een vaatje Franse wijn van 16 stopen. 26) Hij had het al eerder op Dever ontvangen en ,,ingeleyt”. Tenslotte nog een stuiver voor het biljet van de impostmeesteren, de inners van de belasting. Nu noteert Van Matenesse een stuyver voor een nieuwe schede voor zijn hertshoornen mes. Voor vier stuiver koopt hij er nog een nieuw mes met schede bij. Dan nog twee boeken witachtig grauw papier van groot formaat voor twee stuivers per boek. Ook heeft hij nu in de Haarlemmerstraat de muilen voor Marietje betaald. Daarna gaat hij naar meester Pieter, de barbier, om zijn haar te laten knippen. (13 stuiver). Ook Andries laat zijn haar knippen. Dit kapsel blijkt goedkoper te zijn. (2 st.) Er zijn ten slotte Heren, en er zijn dienaren . . . Haast zouden wij ,,des schouten dienders van Leyden” vergeten, die bij gelegenheid van Nieuwjaar de Heer van Dever met drie dobbelstenen hadden bedacht. Zij zullen die zelf wel uit been hebben gesneden; een gebruikelijke tijdspassering. In een tijd dat er zo veel gedobbeld werd, is dit voor dienders toch een eigenaardig geschenk. Van Matenesse geeft hun royaal zes stuivers. Of Jannetje haar 7 pond rundvlees en 24 pond ossevlees, alsmede het brood ,,en ‘t een en ‘t ander” ook in Leiden gekocht heeft, is niet duidelijk. Stokvis was kennelijk in Amsterdam beter of voordeliger te krijgen. Op 30 januari schreef Van Matenesse een brief aan mr. Pieter Rectoor te Amsterdam, ,,ende ick stack daerin een staten daelder, gevalueert op 38 st.“ 27) Rectoor heeft er 25 pond stokvis voor gekocht à 14 stuiver. De schipper die ze brengt is Bouwen Cornelisz van Leeuwen, wiens naam al eerder is gepasseerd. Men moet van deze schipper niet te min denken, Hij woonde in een gesloten huis, dat hij van Jan van Matenesse had gekocht, de huidige Witte Zwaan. Voor 1587 heeft hij het alweer verkocht aan Pieter van der Codde, die er zijn bakkerij en herberg heeft. 28) Bouwen van Leeuwen moet omstreeks 1590 gestorven zijn. De gebroken wapensteen, die thans tegen de muur der nederlands hervormde kerk staat, is waarschijnlijk afkomstig van zijn graf. 17) Het wapen vertoont een leeuw en een ankerkruis. De bekende jurist Symon van Leeuwen, die in brons zetelt voor het gebouw van de Hoge Raad te ‘s-Gravenhage, voerde dit wapen spiegelbeeldig. Een eeuw vroeger is  het blazoen van de Leidse regentenfamilie Bort. In 1589 schenkt deze Bouwen van Leeuwen bij de oprichting van de Heilige Geest-armen een stuk land dat aangeplempt is aan de Lisser Poel en waarop een bosje staat. 29) Het restant van dit bosje is nog steeds als Bouwens Bosje of Paulusbosje bekend. 30) Als het weer zaterdag is, 7 februari 1587, brengt Dignum Jansz de Roo de Heer van Dever opnieuw naar de stad. Het zijn vooral financiële zaken die hem naar Leiden voeren. De vroegere baljuw van Noordwijk, Gerrit Witte, (31) heeft indertijd geld opgenomen, en daarvoor land in Noordwijk en Voorhout in onderpand gegeven. Jan van Matenesse, die dit land gekocht heeft, gaat deze schuld nu aflossen. De geldschieter, Cornelis Cornelisz van Keenesteyn, schoenmaker aan de Hooigracht, en zijn vrouw, Marytje van Teylingen, zijn gestorven. Daarom begeeft Van Matenesse zich naar de witmaker en lijmzieder Cornelis Jan Fransz (32), de voogd van Marytje en Grietje van Keenesteyn, maar ook van hun tante, Duyfje Cornelisdochter, waarschijnlijk een faliede bagijn, een zuster van hun vader. ,,Daerom alhier uutgegeven de voorsz. somme van 517 gulden 9 st.“. Een heel bedrag! Intussen is Dignum Jansz naar Jansz Ysenouts van der Nesse, brouwer in Overmaren geweest. Deze woonde aan de Rijnzijde, tussen de Haarlemmerstraat en de Apothekersdijk. Dignum betaalt 30 stuiver voor twee halve vaten bier, waarvan er een al drie weken geleden, op 14 januari geleverd is. Er worden tarwebroden gekocht, en dan moet men nog naar de apotheek om een loot zoethout (34) en een loot venkelzaad . 34) Dat zoethout kan wel zijn geweest, ,,om de rouwicheyt van de strote ende van de borst te genesen ende te versoeten”, maar het wordt toch ook nuttig genoemd  tegen ,, de schorktheyt van de Blase, ende alle de gebreken van de Nieren”, mits ,,met ouden soeten wijn gedroncken zijnde”. Ook het ,,venkelsaet is de Nieren seer nut ende bequaem, ende oock de blase: ende het is seer crachtich ende drijft de steenen ende t’graveel uit.” Geertruyt Pieck is van ,,de steen” nog steeds niet genezen. Slechts één maal wordt in het kasboek Haarlem genoemd. Op I0 februari, op vastenavond, 35) zendt Van Matenesse Andries naar die stad. Er wordt maar I,5 stuiver ingeschreven, “om onderwegen een canne biers te drincken”. Inkopen heeft Andries in Haarlem dus waarschijnlijk niet gedaan. Dat gebeurt weer ‘s zaterdags, wanneer Andries in Leiden voor twee stuivers zes Engelse bokkingen (36) koopt, en voor vier stuivers twee tarwebroden, ,,genaemt vijgen”. 37) Nu gaat Andries nog naar het Rapenburg, naar het gedeeltelijk verlaten ,,falide bagynhof”, waar Joost Philips, ,,snyder van Rynsburg” en zijn vrouw Elisabeth Claesz. wonen. Joost heeft voor Van Matenesse ,,een paer swarte lakense hozen”, een broek, gemaakt. De broeken uit deze tijd hebben korte , maar zeer wijde pijpen, die rondom van lange spleten zijn voorzien, z.g. klinken. ,,Die sijde d.aar die clincken mede gestict syn” wordt speciaal vermeld. Waarschijnlijk zijn de hozen alleen maar hersteld. Het bedrag van 54 stuiver is tenminste wel erg gering. Met een royaal voorschot voor Andries, vindt het kasboek zijn plotselinge einde.

Ondertekening van de kerkrekening van 1591, door Jonker Johan van Matenesse, Cornelis van Immerseel, schout te Lisse, Willem Woutersz [van der Let], Claes Cornelisz [Corsteman], Dignom Jansz [de Roo] en Lenart Danielsz [van Tetterode, bruiker van het Uithof van Ter Lee]. (Archief Hervormde gemeente, Lisse).

Aanvang van het kasboek van Jonker Johan van Matenesse, I januari 1587 (zie bladzijde 57)

(Voor de originele tekst uit 1587 zie het Leids Jaarboekje uit 1962, Redactie website Oud Lisse)

Foto: ARA

AANTEKENINGEN EN VERWIJZINGEN

1.Deze Cornelis Antonisz van der Burch behoorde niet tot het bekende Lissese geslacht. dat ziin naam aan de hofstede De Burg ontleende. Waarsciinlijk is hij vewant aan Cornelis van den Burch Cornelisz, in de eerste helft van de zestiende eeuw deurwaarder van de Raad in Holland.

  1. Dit blijkt uit stukken die zich bevinden in het archief Heereman van Zuiidtwvk te ‘s-Gravenhage.
  2. Van der Burch was persona grata van Jonker Johan van Schagen, die toen de facto, en naar naderhand blijkt ook de iure Heer van Dever was.
  3. Dit wordt hij pas op 8 mei 1592. -Daarom valt het te meer op, dat hij zich in dit kasboek reeds ,,Johan van Matenesse ende Lisse” noemt. Misschien nam hij reeds in feite het ambt waar, dat jhr. François de Virieu (alias de Viry) krachtens de beperkende bepalingen van zijn verlij in 1581 niet mocht vervreemden. Dat Nicolaas in 1550 op Dever woonde, blijkt uit het archief van de heerlijkheid Lisse, A. R. A., ‘s-Gravenhage? nr. 12.
  4. Cohier Hoofdgeld 1622. Gemeentearchief Leiden.
  5. Album studiosorum, Leiden.
  6. Er zijn twee naamgenoten, beiden neven van onze Heer van Dever, n.l. Jan van Matenesse Adriaansz en Jan van Matenesse van Wibisma. De eerste was in 1562 reeds gehuwd, de laatste had reeds voor 1551 zijn moeder verloren.
  7. Namentlijcke beschrijvinge der hoofden van poorteren en innewoonderen jong en out, gedaen in Septembri 1581 (Archief secretarie na 1575, Leiden, inv. nr. 1074). Aan dit bevolkingsregister heeft schr. ook de woonplaatsen der in het kasboek genoemde personen ontleend. Het blijft natuurlijk mogelijk, dat zij tussen 1581 en 1587 verhuisd zijn. (Met hartelijke dank aan ir. A. F. de Graaff voor diens belangrijke assistentie.)
  8. Handschrift Andries Schoemaker, Koninklijke Bibliotheek, ‘s-Gravenhage. (MS 78 C 53) Deze prent uit 1720 zou dus getekend moeten zijn naar een biina honderd iaar oude prent of overlevering. Het hoofdgebouw zou de huidige donjon kunnen zijn, waarbij de ronding onjuist is gecopieerd. Misschien heeft de tekenaar. omdat een oude overlevering verhaalt van het vinden van de fundamenten van een oude achtkantige toren (1624), er nog een  mooie toren bijgetekend. Maar dan is de tekenaar toch fout, want de fundamenten zouden ongeveer 400meter ten Z.O. van de huidige ruïne gevonden zijn. Het is echter ook zeer goed mogelijk, dat wij met een vervalsing of met een ander huis te maken hebben. (De inkt van de achterzijde komt door het papier naar boven.)
  9. Haartstee gelt 1628. Gemeente-archief Lisse.
  10. Morgenboeken, Archief Hoogheemraadschap Rijnland. Hij stond waarschijnlijk tussen Dever en de uithof van Ter Lede.
  11. De Vlaamse familie Van Eeden, die in Lisse woonde, werd ,,De Lathouwer” genoemd. Ook zij kapten hakhout.
  12. Een seemtouwer is een bereider van zeemleder. Men sprak ook van een korfbreyer, d.i. een mandevlechter. Een tunebreyer was iemand, die horden van grove teen maakte voor erfafscheidingen ofwel omtuiningen. Dat Haarlem zijn doorns te Leiden bestelde blijkt uit de Haarlemse stadsrekeningen. (Medegedeeld door de heer Corn. Janssen, Hoofd Monumenten Haarlem.)
  13. Een mengel of mingel bier is een dubbele pint, dus 5 2 liter.
  14. Dever lag in de Poelpolder. De huidige Poelpolder was toen nog water. Na inpoldering werd deze aanvankelijk de Nieuwe Poelpolder genoemd.
  15. De duivekater zou van oud-germaanse oorsprong zijn, nl. een soort offerbrood, ter vervanging van dieren- of vleesoffers. De vorm herinnert aan een scheenbeen met vlees of een ham. Jan Steen heeft ze vereeuwigd op zijn ,,Sinterklaasavond” en op ,,Bakker Oostwaard”. De naamsafleiding is onzeker. Misschien heeft het wel iets met duivel en kater d.i. booswicht te maken. De afleiding uit het Franse ,,deux fois quatre” is in ieder geval onjuist. Hooft noemt een deuvekater in zijn Warenar. Bredero zegt in Moortje: ,,En alle Drie Koningen stuurden zij ons Een moye duivekater. . .” Dat het geven van duivekater niet aan een bepaalde dag gebonden was blijkt uit een oud Haags rijmpje: ,,Sinterklaasje van over het water Geef mij toch een duivekater.”
  16. Ir. A. F. de Graaff, Rondom de Kerk van Lisse.Leids Jaarboekje 1941.
  17. Dr. N. van Wijk, Franck’s Ethymologisch Woordenboek, 1949.
  18. Herbarium oft Cruydt-Boeck Ethymo van Rembertus Dodonaeus. Dit boek dat in deze jaren zijn eerste druk beleefde, is jaren lang de vraagbaak gebleven. (Drogen of droguen zijn drogerijen, kruiden.)
  19. Croons bier, waarschijnlijk met een kroontje op het vat.
  20. Een blank was oorspronkelijk een zilveren munt van 314 stuiver. In 1587 was het echter slechts een waardeaanduiding, omdat de munt zelf op dat ogenblik nauwelijks nog voorkwam.
  21. Armoizijn (Ital.: Ermesino) is een dunne, lichte tafzijde voor de voering van kledingstukken, dat volgens Max Heiden’s Handwörterbuch für Textilkunde (1904) voor het eerst tegen het einde van de I 7e eeuw in en om Lucca geweven werd. Later ook in Lyon, Avignon, Nîmes en Tours. In Avignon weefde men ook half-armozijn, dat zeer dun was. Dikkere, dubbele of driedraadsarmozijn (Ermesino rinforzati) werd in Florence, Mantua, Napels en Turijn voor overgordijnen, kleden en bedspreien gebruikt. Nergens heeft schr. iets over Spaans armozijn uit de 16e eeuw kunnen vinden. Een kovel is een soort kap of muts met halskraag of afhangende strook. Vgl. ,,Si steken thooft in enen covel” (Twee handen op één buik).
  22. Bombazijn is een zeer sterke gekeperde wollen, linnen of zijden stof. Het woord komt van het Perzische ,,bombyx”, dat zijderups betekent.
  23. Een zware. dicht geweven stof. vaak van hennip gemaakt. Het was I Y aan één zijde gekeperd. Het is een afleiding van de oude plantennaam Cannabis. d.i. hennio. (Thans gebruikt men het Engelse woord canvas).
  24. In 1874 was dit no 8. Het is weggebroken voor de stadhuisbouw. 26. Een stoop is een maat voor twee kan, 1/16 anker, ongeveer 2 liter. Het vaatje blijkt dus een anker te zijn.
  25. Een statendaalder is een in 1578 en 1579 in alle gewesten geslagen zilverstuk, uitgegeven voor 36 stuiver, maar weldra in koers verhoogd. De koers van alle munten is in overeenstemming met het in 1587 geldende koersplakkaat van 1586.
  26. Protocollenboeken, A. R. A., Den Haag.
  27. Fundatieboek der H. Geest-armen, 1587. Gemeente-archief Lisse.
  28. Vergelijk A. M. Hulkenberg, De Aagtenkerk van Lisse, 1960, 44 en 183. De naam ,,Bouwlustbosje” blijkt een hypercorrecte vorm te zijn.
  29. Over zijn zoon Cornelis lezen we in het kasboek. Een dochter was gehuwd met de reeds genoemde jonkheer François de Viry, Heer van Lisse.
  30. Een lijmzieder is een lijmkoker. Een witmaker of francynmaker is een perkamentmaker. Met francyn werd echter ook een bijzondere, uit Frankrijk geïmporteerde papiersoort bedoeld.
  31. Een begijn die een falie of sluier draagt. Er woont in 1581 een Duyfje Cornelisdochter. Het begijnhof aan het Rapenburg is echter niet meer geheel met begijnen bevolkt.
  32. Zoet hout zijn de wortels van een vlinderbloemige plant, Glycyrrhiza glabra, afkomstig uit Rusland of uit Spanje. Zij bevatten een zoete stof, die door water kan worden uitgeloogd. Na verdamping van het water krijgt men drop.
  33. Het zaad van een schermbloemige plant, Vennekool of Foeniculum vulgare. Een loot was vroeger een half ons, nu I dg.
  34. Ook in protestantse kringen blijven zulke benamingen nog zeer lange tiid in gebruik.
  35. Gerookte kanaalharing,. een afzonderlijke, grote haringsoort. Zij schoolt in september samen langs de Engelse kust. De Engelsen vissen deze haring tot december en leverende ,,Enielse walharing”: d.i. aan de wal gekaakte haring. Meestal wordt ze gerookt tot snijbokking.! (L. M. Metz, Woordverklaring, 1937.)
  36. Men zou menen dat bedoeld is ,,weggen”, wigvormige broden van fijn tarwemeel, vaak met krenten of rozijnen. Er staat echter duidelijk ,,vijgen”.

 

Mocht een der lezers nog afbeeldingen, gegeven of herinneringen weten betreffende het huis Dever, die niet in bekende werken zijn gepubliceerd, dan zou hij met bericht de schrijver ten zeerste verplichten.

Tekst en foto’s overgenomen uit het Leids Jaarboekje 1962 pag 50