Hart voor historie (6): : Grachtweg 1a ‘Ze hadden onderduikers op de zolder van hun kaaspakhuis’

Wilma van Velzen 

De Lisser 2007 LOKAAL; Hart voor historie

De Grachtweg in 1885, gezien vanuit het oosten. Links Grachtweg la. (Foto: archief VOL)

LISSE – Grachtweg la is te typeren als een pand dat er dankzij particulier initiatief nog staat. De huidige be­woners, Erik Plantenberg en zijn gezin, zijn erin ge­slaagd het voormalige kaaspakhuis van bouwval te red­den. De geschiedenis van Grachtweg la gaat terug tot de zestiende eeuw. Het pand is waarschijnlijk rond 1743 gebouwd door ene Warbout Jurriaanse Vreeburg, ter vervanging van een tot woonhuis omgebouwde schuur.

Plantenberg vertelt, dat zijn woning veel bewoners heeft gekend: ‘Een van hen was Pieter Hendrik Koppenschaar, die hier met zijn gezin leefde. In de gemeentelijke archieven heeft de Lisser historicus Rob Pex kunnen achterhalen, dat deze man in 1838 door burgemeester en wethouders werd aangesteld als bode, aanplakker en omroeper. Een fragmentje van een affiche uit die periode heb ik tussen de balken aangetroffen. Mogelijk was dit door Koppenschaar in een kier ge­stopt om de tocht te weren. Ui­teraard heb ik het bewaard.’

Kaasstellingen

Rond 1907 komt het pand in bezit van Cornelis Langeveld. Deze richt het woonhuis in als kaaspakhuis. Plantenberg weet nog goed dat, toen hij het pand in 1986 kocht, de kaasstellingen nog aanwezig waren. ‘In het souterrain, waar onze keuken een plekje heeft gevonden, werden de kazen geschraapt. Daarachter bevond zich een geïsoleerde ruimte voor het koel houden van de boter. Het naastgelegen pand, waarin thans makelaar Chantal Lefeber is gevestigd, bood ruimte aan een kaaswinkel. Tot het eind van de negentiende eeuw werd het kaasbedrijf voortge­zet door Jaap en Theo Lange­veld, de jongere generatie. Dit waren overigens twee heldhaf­tige heren. In de oorlog hadden ze onderduikers op de zolder van hun kaaspakhuis. Nota bene direct onder de neus van de Duitsers, die zich een hoofdkwartier hadden ver­schaft in de tegenover gelegen oude pastorie!’

Maar Grachtweg la kent meer geheimen. Voor het creëren van meer ruimte besloot Plan­tenberg, nadat hij het bestaan­de gedeelte had gerestaureerd, in dezelfde bouwstijl achter he woonhuis een deel bij te bou­wen van oude bouwmaterialen, die hijzelf bijeen had geschar­reld. Bij het graven, dat eraan voorafging, stuitte hij op de oude beerput. Hierin trof de huidige eigenaar diverse pijpen en scherven van aardewerk en glas aan. Archeologisch onder­zoek wees later uit, dat het me­rendeel van de vondsten af­komstig was uit de vijftiende en zestiende eeuw.

Sluikbegraving 

korte tijd daarna deed Planten­berg opnieuw een vondst, maar deze was luguber. Hij stuitte op een skelet. Als voormalig fysiotherapeut herkende hij hierin menselijke resten. Nader onderzoek wees uit, dat het hier een zogenaamde sluikbegraving betrof van nog voor de Wet op de lijkbezorging. In de zestiende eeuw was het niet ongebruikelijk dat mensen die geen geld hadden op eigen erf werden begraven. Een kerkelij­ke begraving was dan te duur. Evengoed kan het een zelf­moord of een niet-christen be­treffen, omdat deze doden niet mochten worden begraven in ‘gewijde’ grond. Hoewel Plan­tenberg het graag had gewild, hebben onderzoekers het ware verhaal achter de sluikbegraving niet kunnen achterhalen.

Frits Treffers, medeoprichter van Vereniging Oud Lisse (VOL), schrijft tien weken lang deze column

In Bennebroek woont een zoon van mevrouw Driehuizen (van het voormalige bol­lenbedrijf Gebr. Driehuizen), naast een van de medewerkers van mijn vroegere ingenieurs­bureau, de heer Brinkhof. Die zoon vroeg ons via de heer Brinkhof of zijn moeder nog eens haar vroegere woning Somalo mocht bezoeken. Er werd een afspraak gemaakt; samen met haar zoon en schoondochter kwam zij op bezoek. Wij gingen in de ser­re zitten. Mevrouw Driehui­zen keek eens rond en zei: ‘Dat hebben jullie mooi opge­knapt.’ Vervolgens vroeg zij of ze de tuin in mocht lopen. Onze gast liep door naar ach­teren, in de richting van de oude garage. Ik vroeg haar, wat zij zocht. ‘Daar ligt mijn hond begraven’, vertelde zij. Tijdens de rondleiding door ons huis vertelde mevrouw Driehuizen in onze slaapka­mer, dat zij hier lange tijd op bed had gelegen, toen zij eens ziek was. Een aantal jaren la­ter maakt mijn vrouw Ria met de hulp de slaapkamer eens grondig schoon. Zij liet de tafelspiegel vallen. Deze brak in stukken. Even later liet zij een handspiegel vallen. Een vriendin zei tegen haar: ‘Dat kan een doodsbericht beteke­nen.’ Enkele dagen later kwam mijn vrouw een leer­ling van haar tegen, die vroeg of zij ook naar de begrafenis van mevrouw Driehuizen zou gaan. Zij was een paar dagen daarvoor overleden, op de dag van de gebroken spiegels.

Frits Treffers