’t Roemwaard Lisse: Rozendaal (39)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Omstreeks 1600. Het is heel rustig in Lisse; een paar landerijtjes, weiden en duinen met veel konijnen. Hier en daar een huisje van de duinmeiers. Een van hen was Gerrit Jansz de Monnick (1548-1619), die ook wel Gerrit Jansz van Rosendaal wordt genoemd. Is deze duinmeier hier geboren of heeft hij hier later gewoond? Hij was getrouwd met Zyburg Cornelisdr. van Immerzeel. Omstreeks 1620 blijkt Rosendaal in het bezit van Cornelis en Apolonia, kinderen van Cornelis Cornelisz van Immerzeel, schout van Lisse en een broer van Zyburg. Nu verschijnt er een machtig heer ten tonele, Adriaan Block Maartensz, geboortig van Gouda, Commandeur der Ver. Oostind. Compagnie en een der schoonzoons van Gerard van der Laen van Ter Specke (blz. 50). Omstreeks 1620 kocht hij van de Immerzeels Rosendaal, huis en krocht van 750 roe. Het belendde aan een perceel dat Block reeds bezat en in 1622 werd bewoond door zijn zwager Isaac Massa, Antwerpenaar van geboorte en door Frans Hals meermalen geportretteerd. In 1641 liet Commandeur Block na een eervolle en waarschijnlijk winstgevende loopbaan ter zee op het vrijgekomen terrein een buitenhuis bouwen, Rosendaal. Later bouwde hij het huis Keukenhof (blz. 22), terwijl hij Rosendaal op 28 december 1653 overdeed aan Sinjeur Abraham Gillis Jansz, heer van Minquedorne (1612-1689) *. “Sinjeur Jelys” was te Amsterdam geboren, maar stamde uit een Hugenotengeslacht dat van Doornik via Engeland naar ons land was gekomen. Zowel Abraham als zijn enige zoon Jan hebben Rosendaal regelmatig bewoond, terwijl ze ook de beschikking hadden over een huis in Amsterdam. Jan Gillis stierf in 1721, zijn weduwe, C.M. de Surmont, in 1743 en daarna vestigde zich op Rosendaal Jan van der Plas Jansz, die er ook koeien hield. Misschien vond Jan de Graaff Rosendaal in die jaren iets heel gewoons. Hij is er in ieder geval eenvoudigweg aan voorbij gegaan. Hij wijdt liever zijn aandacht aan de hofstede Meerenhout, die iets verder aan de linkerzijde van de straatweg was gelegen.

Ik wil liever zacht naar Meerenhout gaan wandelen

In ’t groen geboomt’, als dat ik steeds zou handelen

Met dezen god.2 Geen groter vreugd voor mij

Alsdat ik hier zie deez’ plaats aan alle zij

Omsingeld van de schone klaverweiden

En welig vee. De uitzicht, waard te melden,

Verstrekt tot op het Haarlemmer Spaar,

Aan d’andre zij tot in het dorp voorwaar.

Het zuiverend oogt tot ’t vermaarde Leiden,

Zodat men kan veranderen op drie zijden.

1795. De Fransen trekken ons land binnen, de Bataafse Republiek wordt uitgeroepen. Op Rosendaal vinden we een nieuwe bewoner, Huybert Breero, “Koopman in Bloembollen.” Op 27 juli 1808 werden allerlei “bomen en heestergewassen” door A.F. Wundel, “Directeur van Flora”, geveild. Breero blijkt overleden.3 De volgende eigenaar van Rosendaal is Aart van der Mey uit Rijnsburg, stalhouder en verhuurder van paarden. De Leidse studenten zullen wel goede klanten zijn geweest want Lisse met zijn Witte Zwaan en zijn “Spookhuis” (blz. 10) was bij hen zeer in trek. Ook “hield men heren.” Zo lezen we in de Opregte Haarlemsche Courant van l april 1824: “Te huur enige behangen kamers, met de kost, voor het zomersaisoen of voor het gehele jaar, met een vrije wandeling in een grote bloemrijke tuin, genaamd Rosendaal, in het aangenaamst van het dorp Lisse. Te bevragen bij de bewoner A. van der Mey.”

In 1832 is burgemeester EJ. van den Bergh de eigenaar van het huis. die hier woont met zijn zuster en haar man, Hermanus Scherpenzeel. In 1844 wordt Rosendaal weer verkocht. “Een welingericht zomer- en winterverblijf met 5 beneden- en 3 bovenkamers, waarvan 6 behangen en 5 van stookplaatsen voorzien, twee dienstbodenkamers, zeer ruime keuken en kelder, zolders, stalling voor vijf paarden en zes koebeesten en ruim koetshuis, wijders een aangename tuin met fijne weldragende vruchtbomen, wandelbosje, goudvissenvijver, grote moestuin en verdere bepoting en beplanting.” Voor ƒ 4700 werd het gekocht door H.J. Huysmans, die het later verhuurde aan de Amsterdamse Cornelis Kruseman, een verdienstelijk schilder uit de romatische school. Hij maakte vaak grote schilderijen met een zeer dramatische inhoud. Ten slotte verwierf in 1862 voor ƒ 8500 de Eerw. Heer J.F. Fick, de legendarische oud-pastoor van Berk el en Rodenrijs het buitengoed. Over hem en zijn “mechanique” raken de oude Lissers niet uitgepraat.5 Later wonen hier nog dokter Metzlar, dokter de Graaf6 en dokter Hol. En dan nadert het einde. In 1962 werd Rosendaal gesloopt. En de beide leeuwen op de hekposten? “Nu past Monumentenzorg er op, dat ze voor Lisse behou­den blijven”7! ! !

Ja, ja … een werd er (’s nachts) aangereden en kort daarop werden ze beide voor goed geld naar elders verkocht . . .! ! ! !

Ir. A.F. de Graaff, Rosendaal en zijn bewoners. Leidse Jaarb. 1963, blz. 153-161.

1    ARA, Recht.arch. Lisse nr. 182.

2   n.l. Neptunus.

3   De kleurige Keukenhof blz. 53.

4   De Aagtenkerk blz. 185. Huis Dever blz. 251.

5    Aagtenkerk blz. 146-151.

6   Ansichten blz. 22 en 23.

7    Leids Jaarb. 1963, blz. 160 en 182.

39. Rosendaal. Ets van Abraham Rademaker (1675-1753) Uit Rhynlands fraaiste Gezichten, 1732