’t Roemwaard Lisse: Wildlust (61)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

In 1733 bestond Wildlust nog niet. Toen was ter plaatse aan de Zandsloot ten noordwesten van de Lisserbrug op het huidige bollenland van Grullemans een bleekveld met een bouwhuis (boerenhuisje).1 Dit bleekveld behoorde met alle duinen ten noorden van de Zandsloot aan de eigenaar van het Hof van Hillegom, Jhr. (Cornelis) Ascanius van Sijpesteyn.2 Op dit bleekveld, doorsneden door veel slootjes met helder duinwater werd door regelmatig “hozen” in het zonlicht de was gebleekt.3 Iets verder van de weg stond op het gras een fraaie tuinvaas, waarop de bewoonster van Zandvliet, Jkvr. Adriana C. Sohier de Vermandois (“de Mammesel”) uit haar zijraam een fraai uitzicht genoot.1 De rest bestond uit “houtbos”. In 1742 was de “blekerij” al niet meer in gebruik en beplant met “wilgeplanten”.4 Later vindt men aldaar de tuinen van “de buitenplaats genaamd Wildlust”, die op 2 augustus 1814 “bij titel van koop bij gerechtelijke uitwinning” in handen was gekomen van “de Heer Casparus Henricus Wolff, chirurgijn en apothecar” te Lisse. (blz. 56).5 Wolff ging echter niet zelf op Wildlust wonen; het was verhuurd aan “den WelEdelGeboren Heer Coenraad Jacob Temminck, landeigenaar, wonende te Amsterdam op de Herengracht bij de Leidse-gracht”, aan wie Wolff op 30 januari 1819 Wildlust voor ƒ 10.000 verkocht.6 Het geheel bestond uit een herenhuizing, tuinmanswoning, schuur en verder getimmerte en met de landerijen, bossen en duinen groot 14 morgen tot de gemelde buitenplaats behorende en om en bij dezelve gelegen.” De verkoper verklaarde “niet in te staan voor de tegenwoordige staat der gebouwen”, hetgeen erop wijst, dat ze al niet nieuw meer waren.

Het oog der liefde ziet niet ver; Temminck trouwde met Anna Agnetha Smissaert, de dochter van Marinus A.P. Smissaert, de eigenaar van Veenenburg en van de duinen die aan de noord- en westzijde Wildlust omsloten. Coenraad Jacob Temminck, geboren te Amsterdam op 31 maart 1778, was een verdienstelijk dierkundige.7 Op achttienjarige leef­tijd aanvaardde hij een winstgevende betrekking bij de Oostindische Compagnie, legde zich tevens met ijver toe op de beoefening der biologie, werd door koning Lodewijk benoemd tot kamerheer en ridder van de Orde der Unie, nam in 1813 als luitenant bij een vrijkorps te paard met geestdrift deel aan de afschudding van het Franse juk en zag zich in 1820 benoemd tot directeur van het Rijksmuseum van Natuur­lijke Historie te Leiden. Nu werden op zijn aandringen geleerde mannen naar verschillende werelddelen uitgezonden om exemplaren uit het dierenrijk voor het museum te verzamelen. Met onvermoeibare volhar­ding bleef hij daarvoor werken, totdat hij op de 30ste januari 1858 door de dood werd weggerukt. Ook op Wildlust bleef hij de biologie trouw. In 1827 kwamen daar wijngaardslakken voor, waarvan nog steeds een schelp te Leiden bewaard wordt.8 “Professor Temminck” heeft veel voor de uitbreiding en verfraaiing van Wildlust gedaan. In 1828 kocht hij boerderij en landerijen van het voormalige Zandvliet (blz.32) en hij bestelde voor Wildlust duizenden eiken en honderden sierheesters bij de firma, die toen “Cornelis de Graaff en Zn” heette.9 Zo bracht onze Jan hem posthuum nog een laatste groet.

Geachte Heren, die U’s zomers komt vermeien

In dit district, en aan de groene weiden

In’t lommer van Uw lustpaleizen woont

En uwe gunst aan deze plaats betoont,

Verheug u lang nog in het buitenleven,

Totdat hij in een lustplaats wordt verheven

Daar nooit geen damp of gure noordenwind

U aan uw huis of enge kamers bindt,

Maar waar de zon en d’ heldere zomerdagen                                            ;

Steeds zonder eind verschijnen met behagen,

Daar nooit geen druk of scheidgalm zich verspreidt.

Leef zaliglijk tot in de eeuwigheid!

Na de dood van de Weduwe Temminck in 1865 viel Wildlust toe aan haar tweede zoon Marinus, naar wie de boerderij Oud-Zandvliet later “Marinus” werd genoemd.10 Hij liet enige tijd later het oude Wildlust slopen en vervangen door een nieuw huis, dat met de tuinen omstreeks 1930 verdween.11 Van Wildlust is niets meer over, behalve dan een slakkehuis in het Museum van Natuurlijke Historie te Leiden.

1    Gemeentearch. Hillegom, inv.nr. 18 pak 85 (1737).

2   Gemeentearch. Lisse nr. 219 nr. 79.

3   Over blekerijen: Dr. S.C. Regtdoorzee Greup-Roldanus, De Haarlem­mer bleek onder Bennebroek, Bennebroek-Vogelenzang, onder red. van Dr. Tj.W.R. de Haan (1965).

4   Rijksarch. Arnhem, Huisarch. Waardenb. en Neerijnen nr. 188.

5    Zie over hem De Aagtenkerk blz. 123 (portret) en 184. Ansichten blz. 48 en 72.

6   Arch. Van Lynden/Keuk., ongen.

7    J.B. van Loenen, Beschrijving . . . van Hillegom (1916), blz. 7 en 9.

8   H.C. Waardenburg, Commentatio . . . (diss). Vgl. Leids Jaarb. 1970 blz. 157.

9   Ton Lodewijk, De Gouden Graaf (1953) blz. 14.

10 Verzekeringspapieren in Arch. Van Lynden/Keuk. (1866).

11 Ansichten blz. 30-33.

61. Wildlust, Tekening in Oost-Indische inkt door P.G. Lutgers Amsterdam 1808 – Loenen (U) 1874), 19,5x25cm. Gemeentearchief Leiden LPV 77945