Berichten

Vondsten in de Ned. Hervormde kerk te Lis’: Het graf der eerste vijf pastoors van Lisse na de Hervorming.

In 1938 zijn bij een restauratie van de Grote kerk een grafzerk en een een vierkant stuk zandsteen waarop een kelk met erboven een hostie staat afgebeeld gevonden. Deze zijn geschonken aan de Agathakerk. Bovenstaande staat in een artikel uit 1938 in de Maasbode.

Nu ligt deze grafsteen nog steeds op de begraafplaats van de Agathakerk op het linker gedeelte helemaal vooraan tegen het Franciscushuis aan. Het stuk zandsteen in gemetseld in een pilaar van de Agathakerk. Van achten in de tweede pilaar rechts.( Zie tekening onderaan). Ook in het boekje “De Aagtenkerk van Lisse”  uit 1960,  geschreven door de heer Hulkenberg staat hierover op pagina 171,  172 en 173 informatie.

Het graf der eerste vijf pastoors van Lisse na de Hervorming.

De Maasbode van 8 december 1938.

B IJ de werkzaamheden, welke in de laatste weken in de Ned. Hervormde Kerk, vermoedelijk de oude H. Agathakapel, aan het Vierkant te Lisse werden verricht, zijn eenige vondsen gedaan, welke vooral voor de katholieken van Lisse van waarde en beteekenis zijn. Gevonden zijn een grafsteen met de namen van de eerste vijf pastoors, die na de Hervorming te Lisse Lisse hebben gestaan en een steenfragment van zeer ouden datum, waarop een kelk met erboven een hostie, staan afgebeeld. De ongezochte aanleiding tot deze vondsten was het feit, dat de gasverwarming in de oude kerk niet langer voldeed. Kerkvoogden besloten derhalve tot den aanleg van een heet-water-verwarming over te gaan en tevens het kerkje van binnen een goede beurt te geven. Daar men voor het leggen der waterbuizen onder den houten vloer moest zijn, zou men tevens van de gelegenheid gebruik maken om de banken, welke scheef gezakt waren, weer in het gelid te krijgen. Men begon hiermee in het achtergedeelte van de kerk, voor den toren. In dit achtergedeelte, dat waarschijnlijk wel meer dan een eeuw ongemoeid is gelaten, sinds er de laatste dooden begraven zijn, waren meerdere graven ingestort en bleken de halfsteensmuurtjes der grafkelders erg zwak. Er zat uiteraard niets anders op, dan de oude begraafplaats te schudden; de houtresten der kisten en de overblijfselen van gebeente werden uit de graven verzameld om ze buiten de kerk weer te begraven en de ontstane ruimte werd met zand opgevuld. Ook de grafkelders werden onder handen genomen; de zerken werden gelicht, de resten der kisten verwijderd en zand gestort in de oude graven. Gebeente werden niet meer in de oude kelders aangetroffen. De zerken, welke na verloop van tijd in den doorgang van den ouden toren waarschijnlijk een plaats zullen vinden, hebben eertijds de graven gedekt van notabelen uit het Lisse van eind 16de, begin 17de eeuw. Zoo lag onder een fraaie zerk Wouter Lenaarts van Calckar, gerechtsbode van het ambacht Lisse, die in 1598 stierf en van diens vrouw, gestorven in 1602. Voorts van den schoolmeester Wiard Takesz. van der Blom en zijn vrouw, gestorven beiden in 1611. Dan van Adryaen Cornelisz. Corsteman en zijn vrouw, gestorven resp. in 1588 en 1614 en van diens broer, Claes Cornelisz. Corsteman, gestorven in 1616. Deze familie behoorde tot de welgeborenen van Rijnland. De zerk van den laatste is zeer mooi. In Gotische letters staat op den rand: „Hier legt begraven claes cornelis Corsteman starf anno 1616″. De rest van den rand is onbehandelt. In het midden is een mooi gehakt en heraldisch ook juist uitgevoerd wapen te zien, dat een burchtoren vertoont in het schild en als helmteeken een uitkomenden leeuw heeft. Mogelijk staat dit wapen in verband met het feit, dat de huizing van zijn vrouw’s familie een hofstede was, genaamd „De Burg”, gelegen ten Oosten van het Vierkant, het oude dorpsplein, of een plaats welke nog zeker is vast te stellen. Vondst, die groote belangstelling wekte.

Pastores van de schuilkerk

De zerk, welke echter meer belangstelling opwekte vooral bij de katholieken, was een zware steen met het volgende opschrift: Grafstede van de volgende Heeren en Meesters. Joannes van de Werste Obiit XIII July MDCXCVII (1697) Lambertus Schaap Obiit X April MDCCVIII (1708) Arnoldus de Leeuw Obiit 17 July MDCCXLVII (1747) Franciscus van den Heuvel Obiit 23 Octobris MDCCLX (1760) Cornelius van der Valk Obiit 1 Octobris MDCCXCVIII (1798). Naar het opschrift te oordeelen meende men te doen te hebben met een gezamenlijk graf van Lisser schoolmeesters. Groot was dan ook de verbazing van de omstanders, toen men bij het verzamelen van de overblijfselen van de kistenresten stukken gewaden aantrof welke kennelijk kerkelijke paramenten waren geweest. Een nader onderzoek maakte duidelijk, dat de namen op de zerk eens gedragen waren door de pastoors, welke vanaf 1687, toen de Lisr St. Agatha-parochie weer zelfstandig werd, de katholieken van Lisse als herder hebben geleid. Dat deze pastoors in een kerk der hervormden begraven werden, behoeft geen verwondering te wekken, daar er toentertijd wel geen ander kerkhof geweest zal zijn dan het eeuwenoude in en bij de kerk. Ook het sierlijke in groote krulletters gebeitelde opschrift, dat zooveel verwarring stichtte, is te verklaren; het is een vertaling van het oude Domini et Magistri, heeren en meesters. Heer was de middeleeuwsche titel voor elken geestelijke en Meester was gebruikelijk voor hen, die aan een universiteit dien graad had behaald. Met Heeren en meesters werd dan de geestelijkheid bedoeld. Van gebeente werd niets meer aangetroffen; van de paramenten werden resten gevonden, welke moeilijk waren thuis te brengen. Het oorspronkelijke paars was in een donker bruinzwart overgegaan en de garneering, randen, kruisjes, franje, was groen geworden. Deze resten waren waarschijnlijk afkomstig uit de twee laatste kisten. Men mag veronderstellen, dat zij tot twee stellen gewaden behoord hebben, daar twee uiteinden van stool of manipel niet op elkaar pasten. Daarenboven vond men twee bonnetten, welke beide bovenop vier kammen hadden. Een was nog nagenoeg geheel gaaf, met de pluim er nog op. Deze laatste was echter roodbruin geworden evenals de voering. De dikke stof, waarvan de bonnetten gemaakt waren — men meent geslagen vilt — had nu een donker-bruine kleur. De tweede bonnet was gelijk aan de eerste, alleen zaten er veel gaatjes in en lag de pluim er naast. Na de vijf genoemde pastoors hebben, aldus de Bijdragen voor de geschiedenis van het Bisdom Haarlem (I 1873) er nog drie de parochie van St. Agatha bestuurd, voor men te Lisse onder pastoor van der Hoven een kerk en kerkhof, respectievelijk in 1842 en 1843, kreeg in de onmiddellijke nabijheid van het dorp aan den straatweg. Deze herders zijn: Petrus Snarenburg, t 1 Jan. 1805, Joannes Christophorus Freede t 14 Juni 1816 en Petrus van Halen, t 13 Juni 1840. Geen dezer ligt in de oude kerk begraven. Het gerucht, dat elders nog resten van paramenten gevonden waren, bleek onjuist, en bovendien bleek de aangeduide zerk, na te zijn vrijgemaakt, het familiegraf te bedekken van de Haarlemsche regentenfamilie Van der Laen, die op huize Ter Spekke te Lisse heeft gewoond, Gerrardt van der Laen stierf 82 jaar oud in 1635. De buitenplaats werd reeds in de eerste helft der 18e eeuw gesloopt, maar de naam is overgegaan op een oude boerderij in de onmiddellijke nabijheid van de oude plaats Volgens bidprentjes, welke men op de pastorie te Lisse had, is pastoor Snarenberg begraven in de Pieterskerk te Leiden; en pastoor van Halen op het R.K. kerkhof „aldaar”, dus op het kerkhof aan den Achterweg, buiten het dorp, waar tot 1842 ook het schuulkerkje stond. Omtrent de plaats, waar pastoor Freede zijn laatste rustplaats vond, vermeldt het prentje niet. mogelijk echter is ook hij op het kerkhof aan den Achterweg begraven. De zerk der eerste vijf Lisr pastoors na de hervorming is door de kerkvoogden aan den huidigen pastoor afgestaan. Een waardige plaats voor dit steenen document der kerkgeschiedenis van het dorp zal worden uitgekozen.

Steenfragment uit vroeger, eeuwen.

Behalve genoemde zerk hebben kerkvoogeden aan den pastoor nog een ander steenen document uit vroeger eeuwen afgestaan: een vierkant stuk zandsteen waarop een kelk met erboven een hostie staat afgebeeld. Dit stuk steen werd gevonden bij het uitscheppen van zand in het voormalige koor, wat noodig was voor het leggen van den nieuwen vloer. Het stuk steen is plm. 28 1 £ c.m. breed en lang, en ongeveer een decimeter dik. De omtrekken van kelk en hostie, alsmede het kruisje op de laatste zijn zeer duidelijk in het niet harde materiaal gebeiteld opgesneden. Kennelijk is dit stuk steen uit den tijd van de Hervorming, en daar de kelk Gotische vormen vertoont, is het fragment van zeer ouden datum. Hoe oud het echter wezen kan, is een moeilijke vraag. Wel werd in 1461 de kapel, welke reeds te Lisse stond, tot parochiekerk verheven, maar volgens een document uit Rome was die kapel reeds gesticht door Roomsch koning Willem, dus in de 13de eeuw. Hoe oud het steenfragment nu wel is, weet men voorloopig niet. Bovendien is nog geenszins duidelijk, waar de steen voor gediend heeft. Was het een stuk van een steenen doodkist, waarin een priester begraven werd; was het een merkteeken, dat in de nabijheid een priestergraf verborgen was; was het een misschien wel wat primitieve versiering van een wandtabernakel? Vragen, die nog niet te beantwoorden zijn. Dat dit voor de katholieken van Lisse belangwekkend getuigenis van het geloof hunner voorvaderen, in de tegenwoordige grootsche kerk een eereplaats zal krijgen, mag verwacht worden.

 

Bij het metselen van den schoorsteen, welke onder de kap in ijzeren binten naar boven loopt en als een torentje zonder spits boven het dak der kerk uitkomt, is tevens de aandacht gevallen op een oud vergeten muurtje, dat in groen-geglazuurde steentjes een jaartal draagt. Bij nadere inspectie bleek dit te zijn 1592. Toen dus werd deze kerk, welke met de meeste andere godshuizen in de omgeving in de woelige dagen van den strijd om Haarlem en Leiden verwoest is —. alleen die van Voorhout en Noordwijk bleven gespaard — weer gedeeltelijk opgebouwd. Later heeft men een uiterst leelijk portaaltje aan de Noordzijde van het koor weggebroken en den eveneens in dit Gotische koor geheel niet passende ingang gemaakt, welke tot op heden in gebruik is. In dit portaal vindt men den f raaien met beelden versierden grafzerk van Willem Adriaen van der Stel, gouverneur van de Kaapkolonie, gestorven in 1725. Te Lisse woonde hij op „Uytermeer”. een later gesloopt buiten aan den rand van den Lisrpoel. Onder deze zerk ligt geen graf; dit bevindt zich in de kerk en hierop heeft ook eertijds de steen gelegen. Toen men echter ook het koor voor banken ging benutten is de mooie zerk in het portaal te pronk gelegd. De grafkelder echter is bij de werkzaamheden der laatst weken opgevuld met zand, nadat het wrakke gewelf was ingeslagen.

Plattegrond Agathakerk. Bij het kruisje is de zandsteen gemetseld in een pilaar. info Co

 

Delpher, een goudmijn

Sporen van vroeger   (LisserNieuws)                                              

7 september 2021

 door Nico Groen

De Koninklijke Bibliotheek (KB) is de nationale bibliotheek van Nederland, gevestigd in Den Haag. Zij verzamelt alles wat in en over Nederland verschijnt, van middeleeuwse literatuur tot aan publicaties van vandaag. Zo’n zeven miljoen publicaties, boeken, kranten en tijdschriften zijn in de magazijnen opgeslagen. Daarnaast biedt de KB ook veel digitale diensten, zoals de landelijke online Bibliotheek onder de naam Delpher.

De naam Delpher is ontleend aan het woord ‘delven’ dat spitten, (op) graven, winnen betekent en is een knipoog naar Delphi, het beroemde orakel. Delpher biedt de originele teksten aan uit de meer dan ruim 1,7 miljoen kranten verschenen tussen 1618 en 1995. Niet alleen legale bladen, maar ook gesten­cilde illegale blaadjes uit de oorlog, zoals de Oranjekoerier uit Lisse, Het Parool, Trouw, De Waarheid en De Vrije Pers. Ook zijn niet vergeten de kranten door de NSB uitgegeven, zoals Het Nationale Dagblad en Zwart Front. Verder elf miljoen tijdschriftpagina’s en meer dan 900.000 boeken van de 15de tot de 21ste eeuw. In totaal vindt u in Delpher meer dan 120 mil­joen pagina’s. Dit aanbod zal de komende jaren alleen maar groeien. Deze immense klus is nog steeds gaande. Het zal nog jaren duren voordat alles online staat. Delpher is sinds 20 no­vember 2013 beschikbaar via de link Delpher.nl. Daar kunt u de gedigitaliseerde pagina’s woord voor woord doorzoeken.

Vondsten in de  grote kerk in 1938

Als alleen het woord ‘lisse’ wordt ingevoerd staan er ruim 100.000 Nederlandse artikelen en bijna 50.000 advertenties vermeld, bijvoorbeeld ook de rivier De Lisse in Frankrijk. Men zal dus op meer trefwoorden moeten zoeken. Zoals bijvoorbeeld ‘Lisse AND Agathaparochie’.

Dan vind je o.a. een zeer uitgebreid artikel uit de Maasbode van 8 december 1938 over het herstel van de vloeren in de grote Kerk Lisse met de titel ‘Vondsten in de Ned. Hervormde kerk te Lisse’. Waarin onder andere staat: “Bij de werkzaamheden, welke in de laatste weken in de Ned. Hervormde Kerk, vermoedelijk de oude H. Agathakapel, aan het Vierkant te Lisse, werden verricht, zijn eenige vondsten gedaan, welke vooral voor de katholieken van Lisse van waarde en beteekenis zijn. Gevonden is een grafsteen met de namen van de eerste vijf pastoors, die na de Hervorming te Lisse hebben gestaan …. De zerk der eerste vijf Lisser pastoors na de hervorming is door de kerkvoogden aan den huidigen pastoor afgestaan. Een waardige plaats voor dit steenen document der kerkgeschiedenis van het dorp zal worden uitgekozen”. Nu ligt deze steen nog steeds op de begraafplaats van de Agathakerk op het linker gedeelte helemaal vooraan tegen het Franciscushuis aan.

Open monumentendag 11 september

Op 11 september zijn een  aantal gebouwen geopend voor bezoek. Kijk voor de aardigheid voor of na uw bezoek eens op Delpher om wat meer te lezen in krantenartikelen, die mogelijk zijn verschenen  over het betreffende gebouw. De folder over de Open Monumentendag is verkrijgbaar bij de VVV of op de dag zelf bij een van de 17 deelnemers. Het thema dit jaar is ‘Mijn monument is jouw monument’.

Foto: De folder van de Open Monumentendag op 11 september is verkrijgbaar bij de VVV.

Foto: De folder van de Open Monumentendag op 11 september is verkrijgbaar bij de VVV.

 

Oudste archeologische vondst in Lisse.

Het oudst gevonden voorwerp in Lisse is een vuurstenen beitel, in bezit van Museum De Zwarte Tulp. Het komt uit de periode van 3500 -2500 jaar voor Christus.

Sporen van vroeger  (Lisser Nieuws)                                                          

24 september 2019

door Nico Groen

10.000 jaar voor Chr. ontstond het landschap met zijn strandwallen (de oude duinen) en  strandvlaktes. Wat is er allemaal aan archeologisch materiaal in Lisse gevonden? Dat staat in het boek ‘Het Verleden van de Velden’ over archeologische vondsten en opgravingen in de Duin- en Bollenstreek van archeoloog Jeroen van Zoolingen uit in Noordwijkerhout.

Het oudst gevonden voorwerp in Lisse is een vuurstenen beitel, in bezit van Museum De Zwarte Tulp. In het boek staat: “Zo’n 200 meter ten noordoosten van ’t Huys Dever, tussen de Vennesloot en de Eerste Poellaan, werd in 1960 een stenen beitel gevonden. Hoewel dit soort beitels zeker niet van lokale makelij was, komt het type vaker voor op vindplaatsen uit de Vlaardingencultuur. De mensen van de Vlaardingencultuur leefden van 3500 tot 2500 (de Nieuwe Steentijd) vóór het begin van onze jaartelling. Het waren eerst voornamelijk jagers en verzamelaars van eten, zoals bessen en dieren. Later gingen zij over op een primitieve vorm van landbouw, waarbij zij in nederzettingen woonden. De naam Vlaardingencultuur is ontleend aan de eerste vondsten in Nederland. Bij Vlaardingen werd een nederzetting met vele vondsten uit die tijd opgegraven. De vondst bij Dever is dan ook met enige zekerheid tot de Vlaardingencultuur te rekenen. De voorzichtigheid komt doordat er verder geen sporen of scherven in de nabijheid gevonden zijn. Wellicht zijn die niet herkend of simpelweg nog niet waargenomen, maar het is ook goed mogelijk dat het om een geïsoleerde beitel gaat, die bijvoorbeeld bewust als offer is achtergelaten door mensen, die heel ergens anders woonden”.

Tentoonstelling

In het Archeologisch Museum Haarlem op de Grote Markt is nu de tentoonstelling ‘Het Verleden van de Velden’ over de archeologie van de Duin- en Bollenstreek te zien. Deze tentoonstelling is nog tot 6 oktober 2019 te bezoeken. De openingstijden zijn van woensdag tot en met zondag en de toegang is gratis. De tentoonstelling is gebaseerd op het gelijknamige boek van archeoloog Jeroen van Zoolingen. De tentoonstelling neemt het ontstaan van de bloembollencultuur in Haarlem als startpunt en duikt verder in de archeologische geschiedenis van de Duin- en Bollenstreek. In de tentoonstelling zijn uit iedere periode bijzondere voorwerpen te zien, zoals werktuigen en sieraden uit de bronstijd uit Katwijk en Hillegom, sieraden en aardewerk uit Romeins Valkenburg en middeleeuws paardentuig uit Teylingen. Kom kijken en verwonder u over het rijke, archeologische verleden van de velden! Deze herfst komt de tentoonstelling ook naar Lisse. In het museum De Zwarte Tulp zijn dan ook alle ins en outs van deze expositie te zien.

Website  van de VOL

Deze column van Sporen van Vroeger en alle voorgaande columns staan op de website van de Vereniging Oud Lisse (www:oudlisse.nl) onder het hoofdstuk Publicaties. Door op het vergrootglas te klikken kan men een zoekterm intypen. Dan verschijnen alle artikelen waar die term in voorkomt. Op de website van Oud Lisse staan meer dan 500 artikelen over de cultuurhistorie van Lisse. De meer dan 100 columns van Sporen van Vroeger over Lisse zijn ook te vinden op de website van LisserNieuws.

Foto: Het boek ‘Het Verleden van de Velden’ van Jeroen van Zoolingen uit 2017

Archeologische vondsten en opgravingen.

Volgens Jeroen van Zoolingen mogen we aannemen dat de eerste mensen in de Bollenstreek  arriveerden in de Nieuwe Steentijd tussen 3500 en 2500 voor Chr. Er is een tentoonstelling in Haarlem over zijn boek over archeologische vondsten in de Duin- en Bollenstreek.

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

 21 mei 2019

door Nico Groen                     

In vorige columns is beschreven hoe de Bollenstreek en met name Lisse ontstaan is. Vanaf 10000 jaar voor Chr. ontstond het landschap met zijn strandwallen (de oude duinen) en de strandvlaktes. Maar hoe zit het met de mensen? Wanneer kwamen de eerste mensen naar de Bollenstreek?

Dat is een vraag, die niet zo makkelijk te beantwoorden is. Om iets te kunnen zeggen over de mensen, die hier ooit waren, ben je afhankelijk van archeologische vondsten. Als iemand daarover iets kan zeggen is het Jeroen van Zoolingen wel.

Jeroen van Zoolingen is geboren in 1981 in Leiden. Hij studeerde Archeologie en Prehistorie aan de Universiteit van Leiden. Hij is nu werkzaam als archeoloog in West Nederland. Omdat Jeroen opgroeide in de Bollenstreek was hij al voor zijn studie geïnteresseerd in de archeologie van de Bollenstreek en is dat altijd gebleven. Alle archeologische vondsten in de Duin- en Bollenstreek heeft hij op een rijtje gezet en per periode beschreven. Dit heeft in 2017 geresulteerd in een boekwerk van 150 pagina’s met vele foto’s van de gevonden objecten en bijzondere opgravingen. Het boek heet ‘Het verleden van de velden: de archeologie van de Duin- en Bollenstreek’. Op 16 mei 2017 hield Jeroen van Zoolingen een lezing voor de Vereniging Oud Lisse  over dit onderwerp.

Eerste mensen zo’n 3000 jaar voor chr.

Volgens Jeroen van Zoolingen mogen we aannemen dat de eerste mensen in de Bollenstreek  arriveerden in de Nieuwe Steentijd tussen 3500 en 2500 voor Chr. Zij hielden zich in eerste instantie in leven door jacht en visserij. Om die reden trokken ze naar de voedselrijke kuststree . Zij richtten hun jachtkampen in op iets hogere en dus drogere strandwallen. Kenmerkend voor die tijd in het Nederland gebied is dat er zich verschillende bestaanswijzen ontwikkelden. De streekbewoners, met hun leefwijze van jagen en verzamelen, kwamen geleidelijk in aanraking met de landbouw, die  vanuit het zuiden oprukte. Dit proces veranderde uiteindelijk ook in de Bollenstreek de manier van leven.

Tentoonstelling in Haarlem

Nu is er de tentoonstelling ‘Het verleden van de velden’ in het Archeologisch Museum Haarlem op de Grote Markt in Haarlem. Deze tentoonstelling, die werd geopend op 26 april jl, is tot 6 oktober 2019 te bezoeken. De openingstijden zijn van woensdag tot en met zondag en de toegang is gratis. De tentoonstelling is gebaseerd op het gelijknamige boek van archeoloog Jeroen van Zoolingen. Het boek is in de museumwinkel en bij de boekhandel te koop. De tentoonstelling neemt het ontstaan van de bloembollencultuur in Haarlem als startpunt en duikt verder in de archeologische geschiedenis van de Duin- en Bollenstreek. In de tentoonstelling zijn uit iedere periode bijzondere voorwerpen te zien, zoals de oudste vondst uit de streek, een vuurstenen beitel gevonden in Lisse, geleend van Museum De Zwarte Tulp. Maar ook werktuigen en sieraden uit de bronstijd uit Katwijk en Hillegom, sieraden en aardewerk uit Romeins Valkenburg en middeleeuws paardentuig uit Teylingen. Kom kijken en verwonder u over het rijke, archeologische verleden van de velden!

 

EEN OUDER D’EVER?

Op een luchtfoto in een van de vorige Nieuwsbladen waren  op zo’n 400 m. ten zuidoosten van Dever plekken in het gras te zien, die mogelijk duiden op bebouwing in vroegere tijden. Archeologische amtenaren  van de HLT-samen  zijn enthousiast om nader onderzoek te faciliteren. Het terrein is van STEK en de dijk van het Hoogheemraadschap Rijnland. Overleg volgt.

Deen Boogerd

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 1 januari 2019

Gebeurt er nog wat met die vondst van dat verdorde lijnenspel in die nog groene weide? Of raakt het in de vergetelheid? Na die vraag werd ik uitgenodigd om eens kennis te maken met de mensen die voor HLT-samen de dingen op archeologisch gebied in goede banen proberen te leiden.
Folckert van de Veen hoofdbeheerder van D’Ever en tevens afgestudeerd archeoloog had ik gevraagd om mee te gaan. Dat deed hij natuurlijk. Zo waren de twee beheerders van het “Nieuwe D’Ever” bezig om dat “Oudere D’Ever” onder de aandacht en boven het maaiveld te krijgen. Men vertelde ons dat er wel degelijk veel enthousiasme was om te komen tot een verkennend onderzoek bij de archeologische vindplaats. Met zo een vooronderzoek wordt geen schade aangebracht in de vindplek. Wij hopen dat de gesprekken die men wil voeren met het STEK-bestuur positief zullen verlopen. Het gebied D’Ever-Zuid en Geestwater waar bouwplannen voor zijn is
in eigendom van STEK. Het dijklichaam van de Poelpolder valt onder Hoogheemraadschap. Voordat we daar ook maar iets kunnen doen willen we op een goede manier met beide partijen samenwerken. Één van de planologische voorstellen laat op de archeologische vindplek een parkachtige situatie zien. Wat zou het mooi zijn als we in dat park kunnen zien wat er heel vroeger kan hebben gestaan. Wij hopen dan ook dat we bij de volgende meeting in juni een positief geluid mogen horen.

Wordt vervolgd.

WAT LIGT ER ONDER HET GRASTAPIJT?

Luchtfoto’s van de Poelpolder na de zeer droge zomer van 2018 geven merkwaardige droge plekken in de weilanden bij het Geriefbosje van Langeveld. De schrijver suggereert dat hiet mogelijke bebouwing of iets dergelijks gestaan heeft. Het is in de buurt van donjon Dever.

door Deen Boogerd

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 3 Zomer 2018

Actueel deze zomer op archeologisch gebied was dat door de extreme droogte verborgen verleden zichtbaar werd. Oude funderingen die onder het maaiveld verstopt liggen, werden zichtbaar doordat het grastapijt erboven eerder verdorde dan de rest van het weiland. Ook in Lisse?

Vijf jaar geleden maakte ik deze foto vanaf de Poeldijk. Het viel mij toen op dat er door droogte een onnatuurlijk lijnenspel te zien was.

Met gevaar voor eigen leven, klom ik bovenop het wiebelende hek, met het fototoestel hoog boven mijn hoofd geheven. Resultaat, zes zeer bewogen foto’s en één geslaagde. Die ziet u hierboven. In het verlengde van het hek een diepe greppel die dwars door de polder snijdt. Deze greppels zie je in de hele polder, ze staan in verbinding met de lange vaart die door het midden van de polder loopt. Van daaruit werd de polder leeg gemalen door diverse molens. De greppel die we op de foto zien is op de bodem ongeveer 4,2 meter onder NAP. Dat is kunnen we zeggen best diep, de kruin van de dijk staat op een nul waarde. Die diepte is van belang en daar kom ik op terug. Nadat ik deze foto had gemaakt, hoopte ik erop ooit een goede luchtfoto van het gebied te kunnen maken.

Die mogelijkheid had ik al een tijdje geleden besproken met Marc Slootweg, die in het bezit is van een drone uitgerust met een camera. Tijdens de afgelopen droogte was er de mogelijkheid om wat shots te maken, zie het resultaat.

Dronefoto begin juli 2018, dezelfde structuur werd nu ook weer zichtbaar, hier heeft duidelijk wat gestaan, maar wat?

Detail uit de kaart van Floris Balthasarsz. 1610. De rode stip geeft aan waar de foto’s zijn gemaakt. Strategisch gezien een slimme plek achter de hoge rietkragen van de Roversbroock, met uitzicht op de toegangen de Grevelyng en het Hellegat. Met een toren als op het plaatje van Cornelis van Alkemade zou het mogelijk zijn om veel meer dan alleen de naaste omgeving in de gaten te houden.

Wat heeft hier gestaan?

Geruchten uit het verleden melden ons dat tijdens het graven van de Ringsloot (1623) om het Poelwater droog te leggen er een achtkantig fundament is opgegraven op grote diepte. Dit schrijft Mr. Simon van Leeuwen in 1667 in zijn Costumen, keuren ende ordonnantiën van het baljuwschap ende lande van Rijnland en Leyden. “in den Ringsloot gevonden ende uytgegraven is, de ruyne van een agtkanten Toorn” Hij schrijft dit toe aan de resten van het oude Ridderlijke Stamhuys. Veel later wordt er door andere schrijvers de afstand van 400 meter ten ZO van het huidige Dever als gegeven bijgevoegd. Waarop zij dit baseerden is niet duidelijk. Op een kaart van Steven van Broeckhuyzen uit 1645 is op die plek wel een boerenhoeve te zien. Het land behoorde voor de drooglegging nog bij Dever. De boerderij van Langeveld en boerderij “de Poeleway”, alsook het huis “de Uytermeer” zijn vrijwel direct na de drooglegging gebouwd. Van de boerderij op de kaart van Broeckhuyzen is weinig bekend. Het lijkt erop dat de tekenaar hier een zuivere voorstelling geeft van de hoeve en geen standaard boerderij heeft getekend omdat andere objecten op de kaart ook verschillend van vorm zijn.

Actuele Hoogte Verschillen Nederland is een site die opmerkelijke dingen kan laten zien doordat ze een reliëfbeeld maakt van de kleinste hoogteverschillen in het landschap in kleur en zwart/wit. Waar je de cursor plaatst laat ze direct een meting zien. Hier een groot deel van Lisse en omstreken in zo een reliëfbeeld. Hoe roder hoe hoger, geel is rond het nulpunt NAP, wat naar groen neigt is er onder. De hoogste delen van Lisse vind je bij de Dorpskerk en uiteraard in het bos. Je ziet ook de glooiing van diverse bruggen. Kijk ook naar de oude stroomgeulen in de Haarlemmeerpolder, die zijn zelfs nu nog zichtbaar na zoveel ploegen, eggen en andere grondbewerkingen. Hieronder

Als we naar de dronefoto kijken ligt daar een schaallat van 5 meter op een stuk waaronder iets te vinden zou zijn. Wat kan een basis van die breedte hebben? Een boerderij zou zo een groot fundament niet nodig hebben. Als we naast de greppel kijken, zien we een hoekige structuur die voor een deel lijkt te zijn onderbroken door het graafwerk. Zouden we de lijnen van die structuur doortrekken dan kun je er een achthoek mee vormen.

Oude Prenten

Er zijn prenten van een ouder Dever. De aller oudste van deze prentjes was van Cornelis van Alkemade, Noordwijk 11-05-1654 – R’dam 12-05-1737. Was de prent met de hoekige toren een verzinsel door de beschrijving van de eerder genoemde vondst tijdens de aanleg? De tekening lijkt totaal niet op het huidige Dever. We weten dat Van Alkemade een Nederlandse geschiedschrijver was en een gepassioneerd verzamelaar van oudheden, zowel van munten als van oude manuscripten.

Op een afstand van 400 meter van het huidige Dever zijn er meer plekken waar de Ringsloot een denkbeeldige cirkel zou doorsnijden. Dat laat ik zien met de bovenstaande illustratie. Door zijn  vele publicaties verwierf Van Alkemade in zijn tijd een groot gezag als kenner van oudheden. Dus niet zomaar iemand die flauwe fratsen uithaalde, zou je zeggen. Men kopieerde wel prenten die toen al antiek waren en niet lang meer zouden bestaan. Doel was oudheden voor de toekomst veilig te stellen. Eigenlijk doen wij nu niet anders met het digitaliseren van onze oude bronnen.

Heer van Lys

Lisse was een heerlijkheid en werd door de heren van Lisse bestuurd. De vroegste “d’Ever” komen we tegen als Graaf Willem I van Holland trouwt met Maria de dochter van de Hertog van Brabant. Bij deze “uitruil” krijgt Willem I een groot gedeelte van het goed
“Schakerloo” bij de stad Tholen in Zeeland in bezit. De in het Latijn opgestelde akte (1221) aangaande deze schenking geeft ook aan wie er als getuigen bij waren. Opvallend is dat ze allemaal afkomstig zijn uit onze streek, Egmont, Teylingen, Raaphorst, Van Oegstgeest en Van Duivenvoorde. Ook Conradus Aper, wat Latijn is voor Conrad d’ Ever was van de partij. Deze Conrad werd ook wel betiteld als één der eersten met, “Heer van Lys”. Zo’n heer moest wel ergens wonen. Reinier d’Ever liet het huidige Dever in 1375 bouwen. Hij was toen 29 jaar. Waar verbleven hij en zijn familie voor die tijd? Eerder rijmt Melis Stoke in zijn kroniek dat hier in Lisse het huwelijk plaats vond van Margaretha, de dochter van Graaf Floris, en Diederick van Cleef in 1182 met uitgebreide banketten, feestelijke toernooien en jachtpartijen. Dit soort feesten van een paar dagen flinke lol, organiseerde je niet in een achteraf boerderijtje. Dat hoorde in stijl bij een hof of burcht met genoeg ruimte voor de kampementen om de hoge adel en hun gevolg onder te brengen. Dan komt zo een kasteel als op het prentje goed van pas, zo centraal gelegen. Goed bereikbaar over land en over water, centraal gelegen tussen twee belangrijke steden. Des Gravenwater gaf de verse vis, des Gravenwildernisse het wild. Tussen meer en duin liepen op de sappige weidegronden zoveel malse stukjes vlees, ganzelevertjes en andersoortige middeleeuwse snacks wat je zelfs met het grootste feest niet op kon maken. Daarbij waren er genoeg boomgaarden met veelsoortig fruit en groenten in overvloed. Lys was niet zomaar een heerlijkheid, Lys was om op te vreten, een paradijsje! Nog steeds trouwens! Zo een klein dorp met zoveel horeca, waar vind je dat?

Oproep

De grond waar de lijnen telkens door de droogte zichtbaar worden, is van STEK zo heb ik mij laten vertellen. Of de polderdijk en de Ringsloot daar ook toe behoren, dat weet ik niet. Je zou haast zeggen dat Hoogheemraadschap daar de zeggenschap over heeft. Maar het is natuurlijk wel zo dat “STEK gronden” veranderen in woonwijken. Daar is niets mis mee, dat is hun taak en mensen moeten nu eenmaal kunnen wonen. Maar aan de hand van wat er te zien is, mogen we concluderen dat daar iets aan ons zicht is onttrokken en dat daar iets is van behoorlijke afmetingen. Wat voor de geschiedenis van Lisse in het bijzonder belangrijk kan zijn. DUS!!! Voordat er ooit definitieve bouwplannen op tafel komen, wil ik hierbij de nodige instanties oproepen om deze “STEK” veilig te stellen voor nader onderzoek. Gezien ook het feit dat het paardenbosje deel uitmaakt van dat stukje grond, is het goed om instanties hierop te wijzen. Het paardenbosje mogen we scharen onder de noemer monumentaal en beeldbepalend groen. Dus iets waar we zuinig op moeten zijn! In eerste instantie zal ik de gemeente op de hoogte brengen van mijn bevindingen, wellicht opent dat deuren voor een archeologisch veldonderzoek. De ons bekende archeoloog Jeroen van Zoolingen reageerde als volgt op hetgeen ik hem stuurde; “Maar, wat een prachtige vondst! Ik werd direct enthousiast bij het lezen van je verhaal “. Hij stelt het volgende: “Ik zou willen voorstellen om eerst een non-destructief prospectie onderzoek te doen, middels het zetten van een aantal karterende boringen en vervolgens de bevindingen in kaart brengen. Maar wel toestemming vragen bij al je voorgenomen activiteiten en blijven rapporteren”. Fijn ook te weten dat hij graag wil meedenken om één en ander in goede banen te leiden. ■

Bronvermeldingen

‘t Roemwaard Lisse A.M. Hulkenberg 1998 Het huis Dever te Lisse,

A.M. Hulkenberg 1965 Dichterbij Dever, uitgave van stichting Vrienden van ‘t Huys Dever 10 jaar Dever bulletin 2009 Rondom Dever, uitgave van stichting Vrienden van ‘t Huys Dever 1988

25 jarig bestaan Gemeente Archief Lisse

Archief Vereniging Oud Lisse

Actuele Hoogteverschillen Nederland

AHN Wikipedia

Met dank aan: Marc Slootweg de drone piloot Jeroen van Zoolingen Archeologisch advies

‘Ze hadden onderduikers op de zolder van hun kaaspakhuis’

 

DOOR WILMA VAN VELZEN

Deel 6 – Hart voor Historie: Grachtweg 1a
Uit het Witte Weekblad van 22 augustus 2007

De Grachtweg in 1885, gezien vanuit het oosten. Links Grachtweg 1a. (Foto: archief VOL)

LISSE – Grachtweg la is te typeren als een pand dat er dankzij particulier initiatief nog staat. De huidige bewoners, Erik Plantenberg en zijn gezin, zijn erin geslaagd het voormalige kaaspakhuis van bouwval te redden. De geschiedenis van Grachtweg la gaat terug tot de zestiende eeuw. Het pand is waarschijnlijk rond 1743 gebouwd door ene Warbout Jurriaanse Vreeburg, ter vervanging van een tot woonhuis omgebouwde schuur.
Plantenberg vertelt, dat zijn woning veel bewoners heeft gekend: ‘Een van hen was Pieter Hendrik Koppenschaar, die hier met zijn gezin leefde. In de gemeentelijke archieven heeft de Lisser historicus Rob Pex kunnen achterhalen, dat deze man in 1838 door burgemeester en wethouders werd aangesteld als bode, aanplakker en omroeper. Een fragment van een affiche uit die periode heb ik tussen de balken aangetroffen. Mogelijk was dit door Koppenschaar in een kier gestopt om de tocht te weren. Uiteraard heb ik het bewaard.’

Kaasstellingen
Rond 1907 komt het pand in bezit van Cornelis Langeveld. Deze richt het woonhuis in als kaaspakhuis. Plantenberg weet nog goed dat, toen hij het pand in 1986 kocht, de kaasstellingen nog aanwezig waren. ‘In het souterrain, waar onze keuken een plekje heeft gevonden, werden de kazen geschraapt. Daarachter bevond zich een geisoleerde ruimte voor het koel houden van de boter. Het naastgelegen pand, waarin thans makelaar Chantal Lefeber is gevestigd, bood ruimte aan een kaaswinkel. Tot het eind van de negentiende eeuw werd het kaasbedrijf voortgezet door Jaap en Theo Langeveld, de jongere generatie. Dit waren overigens twee heldhaftige heren. In de oorlog hadden ze onderduikers op de zolder van hun kaaspakhuis. Nota bene direct onder de neus van de Duitsers, die zich een hoofdkwartier hadden verschaft in de tegenover gelegen oude pastorie!’
Maar Grachtweg la kent meer geheimen. Voor het creëren van meer ruimte besloot Plantenberg, nadat hij bet bestaande gedeelte had gerestaureerd, in dezelfde bouwstijl achter het woonhuis een deel bij te bouwen van oude bouwmaterialen, die hijzelf bijeen had gescharreld. Bij het graven, dat eraan vooraf ging, stuitte hij op de oude beerput. Hierin trof de huidige eigenaar diverse pijpen en scherven van aardewerk en glas aan. Archeologisch onderzoek wees later uit, dat het merendeel van de vondsten afkomstig was uit de vijftiende en zestiende eeuw.

Sluikbegraving
Korte tijd daarna deed Plantenberg opnieuw een vondst, maar deze was luguber. Hij stuitte op een skelet. Als voormalig fysiotherapeut herkende hij hierin menselijke resten. Nader onderzoek wees uit, dat het hier een zogenaamde sluikbegraving betrof van nog voor de Wet op de lijkbezorging. In de zestiende eeuw was het niet ongebruikelijk dat mensen die geen geld hadden op eigen erf werden begraven. Een kerkelijke begraving was dan te duur. Evengoed kan het een zelfmoord of een niet-christen betreffen, omdat deze doden niet mochten werden begraven in ‘gewijde’ grond. Hoewel Plantenberg het graag had gewild, hebben onderzoekers het ware verhaal achter de sluikbegraving niet kunnen achterhalen.

Copyright © 2007 Vereniging Oud Lisse

DE SLUIKBEGRAVING AAN DE GRACHTWEG

In een archeologisch rapport over Grachtweg 1A, het kaaspakhuisje van Langeveld, staat dat een beerpunt en een paar afvalkuilen werd gevonden. Er werd ook een houten kist met een skelet gevonden. Het skelet moet vóór 1818 begraven zijn.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 1, januari 2006

 

Dit artikel is eigenlijk een vervolg op het eerder in dit nieuwsblad verschenen verhaal over de geschiedenis van “het kaaspakhuisje van Langeveld”, ofwel Grachtweg 1a, tegenwoordig bewoond door familie E. Plantenberg. Toen laatstgenoemde een garage naast het huis wilde verbouwen, waarbij wat grondwerk verricht moest worden, stuitte hij op een aantal in archeologisch opzicht interessante zaken, namelijk een beerput en een paar afvalkuilen.

In een beerput werd over het algemeen huishoudelijk afval gedeponeerd. Dit kan archeologen een redelijk inzicht verschaffen in onder meer zaken als de welstand van de bewoners van wie het afval afkomstig is. Thans is een archeologisch rapport van 35 pagina’s opgesteld door Menno Dijkstra (van huis uit archeoloog), Leo den Hollander en Hans van der Meulen. Het behandelt bovengenoemde vondsten, alsook een wat meer lugubere vondst, die reeds in het eerste artikel over Grachtweg 1a ter sprake werd gebracht. Het betreft een menselijke begraving, die tevoorschijn kwam bij het verdiepen van de vloer in het achterste deel van het huis.

De sluikbegraving
De menselijke begraving, door Dijkstra ook wel als sluikbegraving betiteld, bestond uit een houten kist met daarin een skelet. Van het skelet was weinig meer over, daar de begraving zich op de grens met de grondwaterspiegel bevond. Daardoor was het ook niet mogelijk iets meer te zeggen over

Een fraaie vondst betreft een majolica-bord uit omstreeks 1625-1675 met een tulp. Dit is één van de vroegste vondsten. Foto M.F.P. Dijkstra

Een.

zaken als leeftijd en geslacht. Om te verklaren waarom de betreffende persoon niet op een reguliere begraafplaats terecht is gekomen, moeten we ingaan op een tweetal vragen, zo lezen we in het rapport, namelijk: Hoe oud kan dit graf zijn? Welke verklaringen zijn er aan te voeren voor de ongebruikelijke locatie?
Over de ouderdom valt helaas niets met zekerheid te zeggen. De begraving moet echter na de bouw van het huis (dus na 1743) hebben plaatsgevonden en vóór 1818. Met betrekking tot de vreemde ligging lezen we dat een aantal verklaringen met elkaar gemeen heeft dat bepaalde begravingen niet in gewijde grond mocht plaatsvinden. Dit was onder meer het geval met zelfmoordenaars, nog niet gedoopte kinderen, niet-christenen, geëxcommuniceerden en ter dood veroordeelden. Toch is deze verklaring niet afdoende, want dergelijke begravingen vonden uiteindelijk toch wel plaats op een afzonderlijk kerkhof. Men zou in dit verband ook kunnen denken aan een misdaadslachtoffer of aan een slachtoffer van onrust of oorlog. Ook in Antwerpen is ooit onder een keldervloer een soortgelijke vondst gedaan als in Grachtweg 1a en ook bij Dever zijn rond 1890 een drietal menselijke geraamten tevoorschijn gekomen bij graafwerkzaamheden.

De twee spaarpotten die gevonden zijn bij het pand Grachtweg 1a: een varkentje (boven) en een haantje (onder). Onder de vleugels van het haantje bevond zich waarschijnlijk een fluitje, zodat men naar zijn geld kon fluiten.

Vondsten uit de beerput en afvalkuilen
Op grond van datering van het vondstmateriaal komen de schrijvers tot de conclusie dat er grofweg drie perioden te onderscheiden zijn, namelijk de periode tussen circa 1675 en 1725, waarbinnen de meeste vondsten gerangschikt kunnen worden, de periode 1775-1825 en 1860-1900.
Het meeste materiaal dat is aangetroffen in de beerput en in de afvalkuilen valt onder de categorie aardewerk. Hieronder kan bijvoorbeeld een mineraalwaterkruik uit omstreeks 1800 gerangschikt worden. Ook is veel rood- en witbakkend aardewerk aangetroffen. Daaronder een bord dat waarschijnlijk is vervaardigd in de plaats Oosterhout in Noord-Brabant omstreeks 1750. Bovendien zijn veel “grapen”naar boven gekomen. Dit type kookpot wordt bij opgravingen veel gevonden en werd gebruikt voor het verwarmen en bereiden van voedsel.

Spaarvarkentje
De vroegste vondst uit deze categorie dateert uit de periode 1625-1675, dus nog van vóór de aanleg van de beerput. Mogelijk is deze kookpot nog lang in gebruik geweest voordat hij tenslotte in het laatste kwart van de zeventiende eeuw in de beerput terecht kwam. Voorts zijn er enkele olielampen geborgen, een kandelaar, een pispot en een tweetal spaarpotten. Eén van de spaarpotten betrof een varkentje van witbakkend aardewerk.
Toen dit voorwerp tevoorschijn kwam, zat er nog enig kleingeld in. Helaas waren de munten onleesbaar en daardoor ondetermineerbaar geworden. Het tweede exemplaar was een haantje. Onder de vleugels heeft waarschijnlijk een fluitje gezeten, zodat men aldus naar zijn/haar geld kon fluiten! Een andere vondstcategorie betreft het porselein. Echter, het gaat hier niet om Chinees porselein, zoals gebruikelijk, maar om een Europese variant ervan. Porselein was namelijk vanaf het begin van de zeventiende eeuw erg populair in Europa. Men ging dus zoeken naar wegen om dit materiaal zelf te kunnen maken. Zo ontstonden er in Europa in de achttiende eeuw diverse productiecentra, zoals Meissen in Duitsland en Limoges in Frankrijk. Naast aardewerk is er ook glaswerk tevoorschijn gekomen en verder natuurlijk veel tabakspijpen, die door hun vorm en grootte altijd vrij goed te dateren zijn. De meeste pijpen(koppen) die zijn gevonden dateren uit omstreeks 1710 en 1780.

Conclusie
Uit de vondsten kan, volgens Dijkstra, niet geconcludeerd worden dat de bewoners van dit deel van het dorp bijzonder rijk waren, noch laat het een bijzondere beroepsachtergrond zien. Het geeft eerder een beeld van “een gemiddeld huishouden”. Hierbij waren ook kinderen betrokken. Daar lijkt althans de aanwezigheid van een tweetal spaarpotten op te duiden.

Grachtweg 1a met deur naar de tuin (2019). Foto Nico Groen