Berichten

De huisartsen van Lisse. De jassen gaan uit

De artikelenreeks van Paul Stelder over de huisartsen, die op zeer veel belangstelling kon rekenen, eindigt in dit nummer. Het hoofdstuk waar hijzelf een rol in speelt moet dan maar over een poosje door iemand anders geschreven worden.

door Paul Stelder

Nieuwsblad 23 nummer 4 2024

Het beroep van huisarts en het functioneren van die huisarts is in de loop van de jaren zestig behoorlijk veranderd. In de praktijkvoering nemen de mogelijkheden sterk toe.

Dit geldt voor bijvoorbeeld de diagnostiek: het wordt mogelijk om uitgebreider bloedonderzoek te laten verrichten in een laboratorium en er kunnen door huisartsen in het ziekenhuis röntgenfoto’s en echo-onderzoeken worden aangevraagd. Het geldt ook voor de behandelmogelijkheden: er komen nieuwe medicijnen tegen maagzweren en hoge bloeddruk op de markt. Ook in relatie tot de patiënt verandert er veel. Symbolisch en letterlijk trekken de huisartsen steeds vaker hun witte jas uit: ze willen daarmee de afstand tussen de huisarts en de patiënt verkleinen. Huisartsen zijn zich ook steeds meer bewust geworden van het feit dat zij een heel andere groep patiënten te zien krijgen dan die waar de specialisten in de ziekenhuizen mee te maken hebben. Bepaalde klachten komen bij de huisarts heel veel voor en dit type patiënt belandt nooit in het ziekenhuis. De Nederlandse huisartsen richten in 1956 het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) op. Het NHG beijvert zich om de huisarts een eigen vakgroep binnen de universiteit te laten krijgen en daarmee een eigen specialistische opleiding in de huisartsgeneeskunde. In 1966 wordt aan de Universiteit van Utrecht de huisarts Jan van Es de eerste hoogleraar Huisartsgeneeskunde. Hij gaat de opleiding vorm geven. In de loop van enkele jaren volgen dergelijke leerstoelen aan alle Nederlandse universiteiten. In eerste instantie is de gespecialiseerde opleiding tot huisarts vrijwillig. Vanaf 1971 wordt de opleiding geleidelijk aan verplicht voor artsen die zich in Nederland als huisarts willen vestigen. Tot die tijd mochten artsen die de opleiding geneeskunde hadden afgerond, zich overal vrijelijk als huisarts vestigen.

Deze foto is gemaakt bij de overdracht van de praktijk van Lex Duymaer van Twist aan Hans van Weel. Van links naar rechts staand: Gert van Dijk, Vincent de Vroomen Frans Haase sr, John Sedelaar, Klaas Bet, Margreet van Weel- Sipman, Hans van Weel, Frans Haase jr. Zittend: Lex Duymaer van Twist met zijn echtgenote Mien Duymaer
van Twist-Weggemans

 

 

 

 

Drie van de vier huisartsen die zich reeds voor de oorlog in Lisse hebben gevestigd, worden in de loop van de jaren zeventig opgevolgd door drie jonge mannen ‘van buiten’ en de vierde arts op leeftijd krijgt hulp van zijn oudste zoon. Alle vier deze nieuwe huisartsen vallen nog onder de oude regeling en hebben dus nog geen gespecialiseerde opleiding gevolgd. De Lisser huisartsen lopen meestal niet vooraan bij nieuwe ontwikkelingen in de huisartsgeneeskunde… Binnen het NHG is er ook een groep huisartsen die zich bezighoudt met de praktijkvoering. Een heel belangrijke aanpassing daarin, is de invoering van de zogenaamde Groene Kaart geweest. In de jaren zestig wordt een patiëntenkaart ontwikkeld waarop de huisartsen, naast persoonlijke gegevens van patiënten, ook de medische voorgeschiedenis en de reden van hun komst kunnen schrijven. Bij verhuizing of verandering van praktijk wordt zo’n kaart met de eventuele brieven uit het ziekenhuis, aan de patiënt meegegeven of naar de nieuwe huisarts opgestuurd. De vier nieuwe huisartsen hebben allen direct bij het begin van hun praktijk, het gebruik van deze kaart ingevoerd. De zittende huisartsen Bet en Van Dijk hebben nooit met een kaartsysteem gewerkt. Kennelijk beschikten zij over een enorm goed geheugen en zijn zij hun hele carrière in staat geweest daarop te vertrouwen. Door maatschappelijke veranderingen in die periode is het ook niet meer vanzelfsprekend dat de echtgenote de enige hulpkracht is van de huisarts. Tot die tijd deed de huisarts de praktijkvoering vrijwel alleen, met zijn echtgenote als hulp op de achtergrond. Er komt nu ruimte voor ondersteunend personeel. Dat kan een administratieve kracht zijn of een gediplomeerd doktersassistente. Zo worden geleidelijk aan steeds vaker personen van buiten aangetrokken om de huisarts te ondersteunen bij zijn werk. Een andere grote verandering die zich in die jaren voltrekt, is de onderlinge waarneming en daarmee de intensivering van de samenwerking. Tot die tijd bestaat er alleen een weekend- en vakantiewaarneming. Bij de komst van de nieuwe generatie huisartsen wordt er ook voor de avonduren van doordeweekse dagen onderlinge waarneming ingevoerd en krijgt iedere huisarts – naast weekenddiensten – ook avonddiensten.

De opvolger van Marius van Dijk: Vincent de Vroomen
De eerste huisarts die in de jaren ‘70 zijn praktijk overdraagt, is Marius van Dijk. Zijn grote praktijk heeft hij vanaf oktober 1963 gedeeld met zijn neef Gert van Dijk, maar hij besluit in 1971 voor zichzelf een opvolger te zoeken. In een gesprek met één van zijn patiënten komt hij erachter, dat haar zoon in Nijmegen geneeskunde studeert en wellicht huisarts wil worden. Hij vraagt haar of deze zoon contact met hem wil opnemen. Na een kennismakingsgesprek met deze zoon, Vincent de Vroomen (V.M.P. de Vroomen,geboren 7 augustus 1944 te Voorhout – overleden 6 mei 2010 te Silvolde), krijgt Vincent het voorstel om eind 1971 een coschap huisartsgeneeskunde bij Marius van Dijk in de praktijk mee te lopen. In het evaluatiegesprek na afloop van dat coschap biedt Marius van Dijk aan De Vroomen de mogelijkheid om de praktijk en het woonhuis over te nemen. Aldus geschiedt. Vincent de Vroomen is geboren aan de Loosterweg te Voorhout, zijn moeder is onderwijzeres. Hij gaat in de Engel in Lisse naar de lagere school en na de mulo in Sassenheim en de hbs in Lisse, gaat hij in Nijmegen studeren. Op een bruiloft in Oegstgeest leert hij zijn latere vrouw Joke Liefferink kennen. Eind 1968 zijn zij getrouwd en gaan zij samen in Nijmegen wonen. Ze krijgen twee kinderen. Op 1 oktober 1972 start de nieuwe huisarts vanuit hetzelfde huis als zijn voorganger: aan de Achterweg 6. Het huis is in 1904 gebouwd voor huisarts Blok. Het oude doktershuis zal tot het einde van de carrière van De Vroomen in 2001, zijn praktijk huisvesten. Op een grondige manier verbouwt De Vroomen enkele keren de binnenkant van het huis. In de laatste jaren is vrijwel de gehele benedenverdieping ingericht als huisartsenpraktijk en vindt het wonen voornamelijk op de eerste verdieping plaats. De samenwerking die Gert van Dijk voorheen met zijn oom Marius had, wordt nu met De Vroomen, de opvolger van zijn oom, voortgezet. Na enkele jaren wordt deze samenwerking echter ontbonden: ieder gaat liever zijn eigen weg. Wel is er nog vele jaren een onderlinge waarneemregeling tussen beide huisartsen.

Werkt hij vanaf 1972 nog met een doktersassistente, vanaf 1981 neemt de echtgenote van De Vroomen de taken van de assistente fulltime over. Dit zal zij blijven doen tot aan het beëindigen van de praktijk. De Vroomen is jarenlang voorzitter van het plaatselijke Rode Kruis. Hij biedt een leerplek aan diverse coassistenten geneeskunde en is in zijn laatste jaren als huisarts, ook opleider aan de huisartsenopleiding. Naast zijn werk ligt zijn interesse vooral op het gebied van de techniek. In zijn vrije tijd is hij graag bezig met elektrische schakelingen en ook het klussen in huis is meer dan een hobby. Hij is een pionier op het gebied van informatietechnologie. Hij schrijft reeds in de jaren tachtig computerprogramma’s ben bij de invoering van de computer in de huisartsenpraktijk is hij voor menigeen een vraagbaak.

 

 

 

 

 

 

De opvolger van Henk Holl: John Sedelaar

Praktijkoverdracht van huisarts Holl naar Stella en John Sedelaar

Henk Holl start in 1937 met zijn huisartsenpraktijk, als opvolger van Martinus de Graaff. Wanneer hij zijn praktijk wil neerleggen, plaatst hij enkele keren een advertentie in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Verschillende artsen willen zijn praktijk wel waarnemen tijdens vakanties, maar lange tijd dient zich geen echte opvolger aan. John Sedelaar (J.P.M. Sedelaar, geboren 28 januari 1945 te Amsterdam) neemt op een bepaald moment ook contact met hem op. Er is direct een klik tussen beide mannen. Holl heeft een kleine praktijk en wil zijn huis graag mee verkopen, iets dat in die tijd heel gebruikelijk is. Sedelaar denkt de groeimogelijkheden van deze kleine praktijk alleen maar te kunnen realiseren in de Poelpolder en wil zich daarom nadrukkelijk alleen daar vestigen. Holl heeft er begrip voor en stemt toe. Daarop wordt het praktijkgedeelte zonder het woonhuis verkocht en kan Sedelaar zoeken naar een geschikt pand. Dat blijkt in die tijd geen enkel probleem, want er worden in de Poelpolder veel nieuwe huizen gebouwd en men wil graag een jonge huisarts in de nieuwe woonwijk.

Op 1 oktober 1973, precies een jaar na de komst van Vincent de Vroomen, vestigt Sedelaar zich in twee naast elkaar gelegen huizen aan de Händelstraat nummer 18 (woonhuis) en 20 (praktijk), nadat eerst een verbinding binnendoor is gerealiseerd. Zijn vrouw, Stella Sedelaar-Teunissen, heeft een baan in het onderwijs.

Zij wil fulltime assistente worden in de praktijk van haar man en volgt daartoe eerst een cursus tot het verkrijgen van het diploma doktersassistente. Zij zal hem zijn hele actieve carrière, die duurt tot 1 januari 2005, als assistente ondersteunen. In 1975 worden de eerste contouren zichtbaar van het door architect Aad Paardekooper ontworpen Burgemeester de Graafplein. Sedelaar mag binnen dat ontwerp zelf de plaats bepalen waar hij wil wonen en werken. Hij zoekt contact met fysiotherapeut Guus Kosters, die graag mee wil denken in dit project. Kosters en Sedelaar worden buren, ieder met een eigen moderne praktijkruimte. De praktijk van Sedelaar groeit snel en is uiteindelijk veel te groot voor één huisarts. Diverse arts-assistenten komen hem vanaf 2001 ondersteunen. In 2001 verhuist de praktijk van Sedelaar voor de laatste maal en wel naar het Vivaldiplein, waar nu nog steeds huisartsenpraktijk Poelpolder gevestigd is. Uiteindelijk neemt Wil Derks in 2005 de praktijk van Sedelaar over, op dat moment werken er al negen medewerkers in deze praktijk! Naast het werk in de huisartsenpraktijk geeft Sedelaar jarenlang EHBO-les en is hij actief in het organiseren van nascholing voor huisartsen.

Jarenlang ontvangt hij ook coassistenten om hen de kans te geven te zien hoe leuk en soms moeilijk, het werk als huisarts is. Hij is ook geruime tijd medisch adviseur van de Indicatiecommissie Opname Verpleeghuis. Verpleeghuiszorg is in die tijd plaatselijk en niet regionaal georganiseerd. Als hobby is hij tot op de dag van vandaag in diverse combo’s, vooral op trompet en klarinet, actief in de jazzmuziek. Ook fotografie en genealogie zijn nog steeds zijn hobby.

 

 

 

 

De opvolger van Lex Duymaer van Twist: Hans van Weel
Lex Duymaer van Twist is in die periode de langst zittende huisarts. Hij heeft zich reeds in 1932 op 29-jarige leeftijd gevestigd op de Heereweg 295. Hij heeft altijd veel tijd aan zijn patiënten willen besteden en om dat mogelijk te maken heeft hij bewust een kleine praktijk gehouden. Op 15 maart  1975 draagt hij na 43 jaar(!) zijn praktijk over aan Hans van Weel. (H. van Weel, geboren 11 juli 1937 te Utrecht – overleden 13 november 2016 te Voorhout). Hans is geboren in een artsengezin. Zijn vader is een vooraanstaand chirurg en hoogleraar chirurgie. Hans is de tweede zoon in een gezin van drie jongens. Al op jonge leeftijd blijkt hij veel talent voor muziek te hebben. Hij bespeelt verschillende instrumenten en heeft een absoluut muzikaal gehoor: hij kan een melodie, zonder notenschrift te kennen, direct foutloos en zuiver naspelen. De vibrafoon is zijn meest geliefde instrument en hij heeft in verschillende vooraanstaande jazzcombo’s gespeeld. Hij gaat aanvankelijk in Utrecht geneeskunde studeren, maar hij maakt zijn studie af in Leiden. Daar leert hij zijn latere echtgenote Margreet Sipman kennen. Zij studeert ook geneeskunde en heeft altijd haar eigen carrièrepad gevolgd. Zij wordt kinderarts in het LUMC en bouwt in dat vakgebied een zeer goede naam op. Helaas is zij in 2002 erg jong overleden. Van Weel zet aanvankelijk de praktijk van Duymaer van Twist voort met een doktersassistente (want zijn vrouw heeft een eigen carrière!) aan de Heereweg 295, in het huis van zijn voorganger. Ook hij introduceert direct de Groene Kaart om patiëntgegevens te noteren. Vrij snel verhuist het gezin naar villa ‘de Venne’ aan de Heereweg 341, mede omdat daar een schuur staat die de mogelijkheid biedt om te verbouwen tot een vrijstaande praktijk. Immers, in de praktijk op het adres Heereweg 295 moet nog steeds iedere patiënt de trap op! Helaas voor Van Weel zakt de woningmarkt in. Dit maakt, in combinatie met de hoge rente in die tijd, het financiële risico te groot om een verbouwing te realiseren. Een terugkerende alcoholverslaving maakt het werken uiteindelijk niet meer mogelijk. In de zomer van 1982 wordt besloten om de praktijk over te dragen en op 30 augustus 1982 zet Paul Stelder zijn praktijk voort vanaf het adres Oranjelaan 93.
Frans Haase sr. gaat samenwerken met Frans Haase jr. De laatste arts die zich in de jaren ‘70 gevestigd heeft, is de derde huisartsgeneratie Haase en om het moeilijk te maken draagt hij ook de naam Frans. (F.G.W.M. Haase, geboren 26 april 1945 te Lisse). Frans jr. is de oudste zoon in een gezin van zes kinderen. Na de middelbare school, die de eerste drie jaar op het Adelbert College in Wassenaar en de laatste twee jaar op het plaatselijke Fioretti College zijn afgelegd, begint hij zijn geneeskundestudie in Nijmegen. Na een jaar stapt hij over naar Leiden. In 1974 rondt hij zijn studie af en daarna volgt een korte periode militaire dienst. In 1975 gaat hij in de praktijk van zijn vader werken aan de Heereweg 337, eigenlijk in eenzelfde samenwerkingsvorm als zijn grootvader dat in 1939 met zijn vader deed. Frans senior trekt zich geleidelijk aan steeds meer terug uit de praktijk, maar hij blijft actief tot 1986. Hij is dan 47 jaar huisarts geweest met een onderbreking van drie jaar door zijn periode in militaire dienst in Indonesië. (Zie VOL Nieuwsblad 2024- nr. 1). In de jaren ‘70 zien we dus in korte tijd vier nieuwe, jonge huisartsen verschijnen. Huisarts is op dat moment nog een echt mannenberoep, slechts 5% is vrouw. Alle vier de huisartsen voeren de ‘moderne’ patiëntenadministratie in en de meesten gaan werken met een doktersassistente. Er komt een waarneemregeling voor alle avond- en weekenddiensten en de vakantiewaarneming wordt meer geformaliseerd, hoewel van de twee reeds langer gevestigde huisartsen Klaas Bet er altijd moeite mee gehouden heeft: hij hoeft niet op vakantie en hij is er altijd voor zijn patiënten…

Hans van Weel was ook zo’n muzikale huisarts , Paul Labohm heeft over zijn leven een boek geschreven.

Tenslotte:

it is het achtste en voorlopig laatste artikel in de reeks over de Dhuisartsen in Lisse. De hele reeks beschrijft bijna 200 jaar van medische zorg in een groeiend dorp: waar rond 1800 ongeveer 2000 mensen woonden, werden dat er rond 1980 al meer dan 20.000. Nu (2024) wonen er 23.000 mensen in Lisse en 3500 in de Lisserbroek. Het aantal huisartsen is meegegroeid. In de 19de eeuw zijn het vooral kindersterfte en infectieziekten die de aandacht van de huisarts vragen, nu zijn het veelal de ouderdomsziekten en kanker. Naast de huisarts komt de assistente als onmisbare schakel en wordt van elk consult een verslag bijgehouden. Deze reeks wilde een beeld schetsen van de ontwikkelingen in de gezondheidszorg in Lisse en daarbij was er ook aandacht voor het persoonlijke leven van die dokters in relatie met hun patiënten en hun gezin. Dit artikel kwam tot stand na gesprekken met John en Stella Sedelaar, Joke de Vroomen, Nanke van Dijk, Ellen van Weel, Sake Holl, Ajo Duymaer van Twist en Frans Haase jr.

 

 

 

 

 

 

 

 

Heereweg 337 praktijk en woning van de familie Haase

Bij de voorplaat: Poelmarkt 50 jaar

Dit jaar

Poelmarkt 50 jaar bestaat de Poelmarkt 50 jaar. Een mooie foto van uit 1984 siert de voorkantRedactie

Nieuwsblad 23 nummer 4 2024

Het ene jubileum is nog niet gevierd of het andere dient zich alweer aan. Dit jaar vieren we nog steeds 400 jaar Poelpolder en 100 jaar Julianastraat. Van beide zijn herinneringsboeken uitgegeven. De Poelmarkt mag dit jaar haar 50-jarig bestaan vieren. Op de hartpagina van ons vorige nummer was er nog niets te zien van de huidige Poelmarkt. Wel van haar voorgeschiedenis in de garageboxen. Uit het bestaan van deze ‘noodwinkels’ bleek dat er zeker behoefte was aan een winkelcentrum in de steeds groeiende Poelpolderwijk. Er zijn al heel wat winkeliers die er in 1974 een vestiging hadden vertrokken en telkens kwamen er anderen voor in de plaats. Cor Oppelaar had bij de achteruitgang een filiaal. Kunt u zich ‘Poppejans’ nog herinneren en de doe-het-zelf-zaak van HUBO naast de uitgang naar ‘China City’ die eerst nog ‘Kota Radja’ heette. Of slijterij De Kring, de Brood&Banketzaak van Rijnsburger, Super de Boer, eerst nog ‘TopTien’ supermarkt. Zijn er nog zaken die er vanaf de start nog steeds gevestigd zijn? Wie het weet mag het ons laten weten. Misschien is de snackbar wel zo’n blijvertje.

 

Poelmarkt 50 jaar

Jaap Kooy’s Tuincentrum Westergeest

Sporen van vroeger (LisserNieuws)

7 oktober 2025

 door Nico Groen

In 1975, 50 jaar geleden dus, verkocht Jaap Kooy zijn bollenexporthandel aan M. van Waveren & Zonen in Hillegom. Op die manier kwam er geld vrij voor uitbreiding van het tuincentrum. Jaap Kooy kon daarna honderd procent van zijn energie steken in ontwikkeling van het tuincentrum.

 Begin jaren zeventig kreeg Jaap Kooy het idee om een tuincentrum voor vaste planten en heesters te starten op een klein stuk van het bollenland met de naam Westergeest. Later werd de naam gewijzigd in Jaap Kooy’s Tuincentrum. Het zou het begin blijken te zijn van een grote ontwikkeling. Bij zijn reizen door de Verenigde Staten had hij in de loop der jaren gezien hoe de ontwikkelingen van tuincentra daar verliepen. Veel ideeën had hij daar opgedaan om die vervolgens in zijn tuincentrum in de praktijk te brengen.

Jaap Kooy was een creatief mens en hij zat bomvol ideeën hoe het tuincentrum een bredere bekendheid te geven. Er kwamen meer kassen, die ruimte gaven voor een groter assortiment en allerhande activiteiten. Zo werd er enige jaren een grote bruidsshow georganiseerd. Ook werd er twee jaar in samenwerking met Hans Sicking van ‘Muziek Sicking’ een orgelshow gegeven, waarbij tientallen occasions van Hammondorgels waren betrokken. Op het tuincentrum werden zeer uiteenlopende activiteiten georganiseerd. Voor de kinderen werd er verschillende jaren een wedstrijd georganiseerd: ‘wie kweekt de grootste pompoen’ en ‘wie kweekt de grootste courgette’. Met de regionale, zeer actieve Fuchsiavereniging onder leiding van Herman de Graaff werd tweemaal een zeer grote landelijke fuchsiashow georganiseerd, onder de naam ‘Fuchsiade’. Op het tuincentrum was altijd wel wat te doen, van Paasjubel tot uitvoeringen van harmonie, fanfares en zangverenigingen. Op vrijdag 21 juni 1985 werd op grootse wijze de beeldentuin geopend.

Kerstshows

Tijdens zijn reizen door de Verenigde Staten maakte Jaap Kooy niet alleen kennis met het fenomeen tuincentrum, maar ook met de zogeheten ‘kerstshows’, waarop allerhande zaken rond de kerst tentoon werden gesteld. Hij introduceerde het in Nederland in de weken voor de kerst. Hij was er heel succesvol mee. Deze kerstshows werden een steeds belangrijker element in het tuincentrum. Dit kwam ook doordat er het nodige spektakel omheen werd gecreëerd. Het werd in de weken voor de kerst steeds drukker op het tuincentrum. Vrouwenverenigingen uit het gehele land werden uitgenodigd voor een dagje ‘Jaap Kooy’s Kerstdorp’. In de drukste jaren van de kerstshow werd zelfs een parkeerterrein van Keukenhof gehuurd en werden de klanten met pendelbussen heen en weer gereden. Het bedrijf groeide en groeide in de loop van de jaren.

Zijn grote gedrevenheid had als nadeel dat hij niet altijd goed oog hield op de winstgevendheid van zijn activiteiten. In 1992 vond de bank het niet langer verantwoord om het bedrijf van Jaap Kooy verder te financieren en werd het faillissement aangevraagd en uitgesproken. Het tuincentrum werd verkocht aan Overvecht. Dat is nu Intratuin.

Bovenstaande is ontleend aan een artikel van Gerard van der Zwan in het Nieuwsblad, lente 2025. Dat is het kwartaalblad van de VOL

Foto: Foto van het tuincentrum uit 1986
Foto: Beeldbank Oud Lisse

 

Ziekenzorg in Lisse. De jaren zestig: de Poelpolder, een grote wijk met veel nieuwe, jonge gezinnen.

Huisartsen kregen het druk met al die nieuwe gezinnen in de Poelpolder. Er moest versterking komen. Ook op het gebied van de kraamzorg was er genoeg werk aan de winkel. Paul Stelder geeft een inkijkje in de zorgverlening rond die tijd.

door  Paul Stelder

Nieuwsblad 23 nummer 3 2024

Sinds begin jaren zestig wordt in Lisse een grote nieuwe woonwijk in de Poelpolder ontwikkeld. Door deze uitbreiding van het dorp zal het inwonertal in twintig jaar stijgen tot rond de 20.000. Er komen ook veel mensen van buiten Lisse te wonen. Lange tijd wordt de Poelpolder door geboren Lissers gezien als een buitenwijk: je hoort er niet echt bij als je niet in de oude dorpskern woont. Ondanks een eigen winkelcentrum, een kerk, lagere scholen en een mavo willen veel Lissers na een aantal jaren terug naar het oude centrum.

In het prille Poelpolderbegin
De 1e Poellaan was de enige toegangsweg tot de nieuwe woningen, later vormt de Ruishornlaan de verbindingsader met de oude woonkern. Het stijgend aantal inwoners van het dorp betekent voor de zittende huisartsen meer werk en ook meer bevallingen begeleiden. Klaas Bet is in 1957 als jonge arts in het dorp begonnen, maar ondervindt zeker in de eerste jaren niet de volle instemming van de groep artsen die zich allen al voor de Tweede Wereldoorlog hier gevestigd hadden. Door een dramatische gebeurtenis wordt snel uitbreiding van de groep gezocht.

Dr van Dijk

Gert van Dijk (geboren 2 mei 1934 te Haarlem – overleden 18 februari 2014 te Lage Vuursche) groeit op, samen ongeveer 50 jaar oud en hij heeft een grote praktijk. Gert geeft aan dat hij nog in militaire dienst moet, maar dat hij er wel positief tegenover staat. Hij wordt als dienstplichtig marineofficier uitgezonden naar Curaçao en overweegt om na zijn verplichte diensttijd bij te tekenen. In die periode doet zijn oom echter een klemmend beroep op hem om niet bij te tekenen. Hij vraagt Gert om zo snel mogelijk naar Lisse te komen om hem te helpen in de praktijk. Gert besluit om samen met zijn vrouw Nanke van Dijk-Vernooijs (geboren 11 juni 1938 te Middelharnis) en hun pasgeboren dochter naar Lisse te komen en hij vestigt zich daar op 1 oktober 1963. Oom Marius en de vader van Gert kiezen voor Gert het huis Heereweg 316, een strategische plek voor de patiënten uit de nieuw te bouwen wijk Poelpolder. Gert blijft zijn hele actieve leven in het huis op de Heereweg wonen. De praktijk van Marius van Dijk wordt gesplitst en Gert en Marius werken ieder op hun eigen adres. Gert krijgt met name de aanwas van de nieuwe bewoners van de Poelpolder erbij. Het aantal patiënten in zijn praktijk neemt snel toe en zijn huis wordt te klein voor het groeiende gezin en de patiënten die op de bovenverdieping van het woonhuis worden ontvangen. In 1965 wordt een geheel nieuwe praktijkvleugel bijgebouwd, zodat de patiënten niet meer door hun woonhuis hoeven te lopen. De aanleiding om Gert met grote spoed naar Lisse te ontbieden is een heel dramatische. Hannah, de oudste dochter van Marius van Dijk, is in verwachting van haar eerste kind als blijkt dat zij een hersentumor heeft, die inoperabel is. Zij bevalt van een dochter en ook die dochter krijgt als naam Hannah. Na de bevalling blijven zij in het huis van de ouders wonen. Moeder Hannah overlijdt op 25-jarige leeftijd op 15 maart 1964. Haar dochter is dan bijna een jaar oud. Het moet voor het gezin van Marius van Dijk een vreselijk moeilijke periode zijn geweest, waarin de hulp van Gert noodzakelijk en onontbeerlijk was. Marius van Dijk is een hardwerkende huisarts, die een grote praktijk heeft en goed aangeschreven staat bij zijn patiënten. Hij is 21 jaar lang voorzitter van het Groene Kruis, daarnaast is hij bestuurslid van het plaatselijke Rode Kruis. Hij speelt mee in de toneelvereniging van de IJsclub Lisse en hij heeft modelspoorbouw als hobby. Na het overlijden van zijn dochter is er iets in hem geknakt en het huisartsenwerk valt hem steeds zwaarder. Op 1 oktober 1972 draagt hij, als eerste van de groep oudere huisartsen, zijn deel van de praktijk over aan een nieuwe huisarts, Vincent de Vroomen. Hij krijgt bij zijn afscheid van zijn patiënten een set tuinmeubelen, een schemerlamp en een reis naar Zwitserland aangeboden. Hij is dan 64 jaar oud en 36 jaar huisarts geweest. Hij verhuist naar Nijverdal waar hij op 18 september 1982 overlijdt. Neef Gert heeft in die beginjaren heel hard gewerkt. Door de snelle groei van de Poelpolder en de goede naam die hij opbouwt neemt zijn patiëntenbestand snel toe en hij kan het werk nauwelijks aan. Met bijna honderd bevallingen per jaar heeft hij te weinig (nacht)rust. Zijn oom wil niet voor hem waarnemen. Daarom huurt hij soms een waarnemer in, om alsnog met zijn gezin enkele weken op vakantie te kunnen gaan. Gert heeft geen tijd voor hobby’s. Als hij 44 jaar oud is, koopt hij een weekendhuis in Lage Vuursche. Het echtpaar gaat er ieder weekend naar toe, omdat Gert zich daar pas kan ontspannen. Dit huis bewoont zijn vrouw in de zomer nog steeds.

Eindelijk weer een verloskundige in het dorp

Bartha Waagmeester

Het is opmerkelijk dat meer dan honderd jaar lang, de bevallingen vrijwel allemaal door de huisartsen zijn begeleid. Van 1818 tot 1843 is er in Lisse een vroedvrouw actief. Daarna is er geen verloskundige meer in Lisse, tot zich in 1960 een verloskundige, mw. C. A. G. Hiddink- Morsink, aan de Kapelstraat 5 vestigt. Zij werkt tot 1966 in Lisse en verdwijnt dan weer uit de annalen. In dat jaar 1966 houdt mw. B. Scholtens-Sinoo, verloskundige in Sassenheim, ook spreekuur in Lisse. Tot 1977 staat haar naam in het adressenboekje van Lisse vermeld, omdat ze er een spreekuur houdt. In juni 1973 vestigt zich verloskundige Bartha Waagmeester (geboren 25 maart 1942 te Oosterzee, Friesland). Zij is verpleegkundige in Groningen en volgt daarna in Rotterdam de opleiding tot verloskundige. Na haar afstuderen is ze één jaar assistente en verloskundige bij gynaecoloog dr. F. L. A. de Bruïne in het Diaconessenhuis te Heemstede. Ze werkt ook twee jaar in Afrika. Daar zet ze klinieken op voor geboortecontrole, begeleidt veel bevallingen en doet zo veel ervaring op. Na terugkeer in Nederland neemt zij contact op met haar vroegere werkgever De Bruïne. Deze houdt inmiddels ook spreekuur in Lisse en hij attendeert haar op deze snel groeiende gemeente, die geen eigen verloskundige heeft. Wanneer zij zich voorbereidt op haar vestiging in Lisse, heeft ze contact met verloskundigen uit Noordwijk (mw. Mathôt) en uit Sassenheim (mw. B. Scholtens-Sinoo), die beiden soms bevallingen doen in Lisse. Zij heeft haar voorgangster mw. Hiddink nooit gesproken, want die is enkele jaren daarvoor al vertrokken. Bartha Waagmeester houdt eerst spreekuur in een pand in de Bondstraat, later aan huis in de Kievitstraat, gevolgd door praktijk aan huis in het Agathapark. Later in een praktijkpand in de Julianastraat en uiteindelijk op de Lisserdijk in Lisserbroek. Het onderzoek van de vrucht gebeurt in die begintijd alleen met een houten stethoscoop, later met de doptone en de echo. Bartha schoolt zich in het gebruik ervan, zodat ze deze apparatuur ook in haar eigen praktijk kan toepassen. Er zijn jaren dat ze meer dan tweehonderdvijftig bevallingen doet! Vanuit haar vestiging in Lisse begeleidt ze aanvankelijk ook bevallingen in Hillegom en De Zilk. Dat deel van haar praktijk draagt ze in 1981 over aan een collega die zich daar wil gaan vestigen. In 1986 komt er in Lisse een tweede verloskundige bij: de huisartsen doen dan nagenoeg geen bevallingen meer. In 2004 draagt zij haar praktijk in zijn geheel over aan Simone Vermeulen.

Klaas Bet in de politiek
In het Lisse van rond 1900 maken de plaatselijke notabelen goeddeels de dienst uit. De huisartsen behoren in die tijd ook tot die groep. De huisartsen Nieuwenhuisen, Van Ewijk (hij is zelfs wethouder) en De Graaf, hebben allen deel uitgemaakt van het gemeentebestuur. In 1962 kent de lokale politiek turbulente tijden. Het katholieke deel van de inwoners voelt zich nog sterk met elkaar verbonden en de Katholieke Volkspartij (KVP) heeft negen van de vijftien zetels in de gemeenteraad. Voor de nieuwe verkiezingen van 1962 wordt een kieslijst opgesteld met daarop als nieuwe namen o.a. architect ir. Aad Paardekooper, Klaas Bet en Nic. Mens. Na een scherpe discussie en interne onenigheid binnen de KVP worden ze in tweede instantie op niet verkiesbare plaatsen gezet. Zij besluiten daarop tot een publieksactie en zij brengen huis aan huis folders rond om zich te presenteren. Dat leidt tot een groot succes, want zij behalen samen in totaal 1800 voorkeurstemmen van de 3600 stemmen op de KVP. Daarmee komen ze alle drie met glans in de gemeenteraad. De KVP heeft mede hierdoor opnieuw negen van de vijftien zetels bemachtigd. Het blijft wringen tussen de nieuwe fractieleden van de KVP en de overige KVP-raadsleden. Uiteindelijk loopt het conflict zo hoog op dat Bet en Paardekooper in augustus 1966 hun zetel beschikbaar stellen en terugtreden uit de fractie. Het is echter geen blijvend afscheid, want bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1970 staan beiden opnieuw op de kieslijst en komen terug in de gemeenteraad. Klaas Bet neemt in 1974 echter vervroegd afscheid van de gemeenteraad omdat zijn drukke werkzaamheden als huisarts niet zijn te combineren met zijn raadsverantwoordelijkheid.

Praktijkvoering in de jaren zestig
In de jaren zestig is de praktijkvoering niet te vergelijken met die van tegenwoordig. Binnen de reguliere gezinnen is de rolverdeling in het algemeen nog traditioneel: de man is kostwinner en de vrouw zorgt voor het gezin. De gezinnen zijn vaak nog groot. In de gezinnen van de huisartsen hebben de echtgenotes er behalve de zorg voor het gezin nog een taak bij: zij moeten ook helpen om de praktijk draaiende te houden. Dat betekent dat zij altijd thuis moeten zijn als de huisarts visites aflegt. De spreekuren zijn iet op afspraak. Er is voor de werkenden ’s morgens een spreekuur van 7.30 uur (sommige artsen beginnen reeds om 7.00 uur) tot 9.00 uur en ’s middags is er een spreekuur, vaak alleen voor particulier verzekerden, van 13.30 uur tot 14.30 uur. De overige tijd is nodig voor de vele visites die de huisartsen moeten afleggen, soms wel twintig per dag. Bevallingen en medische zorg na ongevallen komen daar nog bij. Aanvankelijk hebben nog niet veel patiënten een telefoon. Er komen dus regelmatig mensen aan de deur om te vragen of de dokter langs wil komen. De echtgenote van de huisarts moet al deze mensen te woord staan en een oplossing bieden voor een probleem, wanneer de huisarts niet aanwezig is. Pas vanaf midden jaren zeventig zijn artsen dankzij de semafoon bereikbaar wanneer ze onderweg zijn. Het medisch beleid is in die tijd veel meer een afwachtend beleid: na een hartinfarct wordt, bij ouderen zeker, het verloop rustig thuis afgewacht. In thuissituaties worden geen reanimaties gedaan. De ambulance van de firma Eigenbrood is een soort taxi voor liggend vervoer waarmee snel gereden mag worden en waar geen verpleegkundige, maar een EHBO’er hulp moet bieden. Een infuus wordt nooit ingebracht. Kijkonderzoeken van maag en darmen bestaan nog niet. Wel worden er na inbrengen van contrastmiddel, röntgenfoto’s gemaakt van de maag en darmen. Bij maagzweren worden patiënten zes weken op bed gelegd en krijgen een dieet en ook na hartinfarcten is rust het advies. Na een bevalling blijven de kraamvrouwen drie dagen in bed liggen (met alle risico’s van een trombosebeen en longembolieën) en zij krijgen twaalf dagen kraamhulp. De huisartsen bezochten al deze patiënten soms dagelijks thuis! Begin jaren zeventig treden kort na elkaar drie van de vier oudere huisartsen terug. Er komt een nieuwe generatie jonge artsen en de tweede Frans Haase, die nu ‘Frans senior’ is gaan heten, wil het ook wat rustiger aan gaan doen. Zijn oudste zoon Frans is inmiddels klaar met zijn artsenstudie.

Bronnen:
Gesprekken en/of mailcontact met Nanke van Dijk, Joke de Vroomen, Ajo Duymaer van Twist, Sake Holl, Hans Bet en Dieuwke van der Mark-Bet.
Diverse regionale kranten.
Herman van Amsterdam: ‘Tussen Engel en Kerk, 75 jaar Engelbewaardersparochie’. Lokaal Boek, 2004.
Cees Paardekooper: ‘Architect in de Bollenstreek: Ir. A. H. J. Paardekooper, een biografie’. Lokaal Boek, 2010.

Anekdote

Anekdote over dr. van Dijk

Rectificatie

In ons vorige nummer schreven we dit in het bijschrift: Vier huisartsen aan de thee, nadat de onenigheid was bijgelegd. v.l.n.r.: Henk Holl, Lex Duymaer van Twist, Marius van Dijk en Klaas Bet. Helemaal links zit niet zoals geschreven Henk Holl, maar de heer Jan Kraak, de dierenarts.
Rechts de enige echte huisarts Henk Holl !

KIJK NOU EENS: Rosendaal

 

 

Kijk nou eens! Dat is natuurlijk een aansporing om eens goed om je heen te kijken. Soms ben je al heel vaak ergens langs gelopen zonder een bepaald detail op te merken. Met deze rubriek hebben we voor ogen dat we juist een detail laten zien om u uit te dagen te bedenken om welk pand het gaat. In het volgende Nieuwsblad gaan we iets over het pand of de geschiedenis van de locatie schrijven. Met ook een beetje de hoop dat een lezer ons aanvullende informatie over het pand kan geven. Heeft u verhaal, laat het ons weten via: redactie@oudlisse.nl Deze keer zelfs 2 details! U bent weer uitgedaagd!

De raadselachtige tegeltjes op een gevel ergens in Lisse krijgen een plekje. Of wist u het al? Liesbeth Brouwer geeft uitleg over een stuk Lissese geschiedenis. Eerder in dit blad is ook aandacht voor deze plek. Toevallige meerwaarde!!

Door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad 23 nummer 3 2024

Kwamen de details u bekend voor, maar kon u het toch niet thuisbrengen? Dan bent u echt niet de enige. Je gaat vaak achteloos aan iets voorbij, terwijl het toch rg leuk is om iets meer achtergrond te weten.

Tijdgeest

Rosendaal met op de achtergrond het LAB

Dirk Floorijp vertelt op blz.13 t/m 15 over de bewoners van landgoed Rosendaal. Dit verhaal gaat over het appartementengebouw Rosendaal en haar voorgeschiedenis. In het begin van de vorige eeuw kondigden zich voor het ooit zo fraaie landgoed Rosendaal, de eerste veranderingen aan. In februari 1914 bericht het Leidsch Dagblad: ‘De oude steenen muur bij het huis “Roozendaal” zal dan eindelijk moeten verdwijnen, omdat daar ter plaatse een autogarage met werkplaats zal worden gebouwd voor den heer van Werkhoven alhier’. In mei 1913 adverteerde Van Werkhoven nog voor zijn Lisser Auto-Garage op het Vierkant (naast Lissesche Bank). Hij heeft telefoonnr. 82. In september 1914 beslist de gemeenteraad dat ‘de perseelen op den Rijksstraatweg’ die de firma huurt, worden bestraat. Van Werkhoven zal de tijd meegehad hebben, de markt voor automobielen groeit en voor motorliefhebbers is belangrijk dat hij een agentschap voor Harley-Davidson heeft. Hij houdt zich  ook nog bezig met rijwielen. Toch loopt niet alles op rolletjes. In 1917 staat er van hem een ingezonden stuk in de krant. Wat blijkt, er is een schrijnend tekort aan rijwielbanden en de firma Vredestein levert niet aan plaatselijke rijwielhandelaren. Tekorten als gevolg van de Eerste Wereldoorlog zijn duidelijk ook in Lisse voelbaar! Toch gaan de zaken goed. Van Werkhoven verwerft de vertegenwoordiging van General Motors, dus voor Cadillac, Buick, Oakland, Chevrolet, Oldsmobile en G.M.C. vrachtwagens moet je aan de Heereweg zijn.

 

De benzinepomp van Werkhoven

In 1928 breidt de zaak, gelegen op de voormalige tuinen van landgoed Rosendaal, verder uit. Een benzinepompmeter In 1923 bereikt een verzoek van petroleummaatschappij “De Automaat” het gemeentebestuur om voor de garage van Van Werkhoven een benzinepompmeter te plaatsen. B&W stellen voor dit af te wijzen omdat de provinciaal ingenieur negatief oordeelde. Dat ging de raad echt te ver. Dat iets afgewezen zou worden omdat een of andere ambtenaar daartoe adviseert.Een verhitte discussie volgt met termen als: ‘Laat ze “het ding” maar vast plaatsen, de gemeente kan er nooit kwaad bij, en de oliemaatschappij is rijk genoeg. Als er wat van komt zal zij het wel betalen’ en ‘een welkome gelegenheid om te protesteren tegen deze aantasting van de gemeentelijke autonomie’. Logisch gevolg: er wordt toch positief beslist. In 1934 verleent de gemeente “The Texas Cy” verlof om deze pomp te vervangen door een elektrische. Op deze locatie bleef lang een pomp: er zijn vast nog wel Lissers die zich pompbediende Gerrit Lubbers herinneren.
Kwamen de details u bekend voor, maar kon u het toch niet thuisbrengen? Dan bent u echt niet de enige. Je gaat vaak achteloos aan iets voorbij, terwijl het toch
erg leuk is om iets meer achtergrond te weten.

Naamswijziging
De fraaie foto met de mooie advertenties op de blinde muur toont het pand van schilder Bemelman met daarnaast de panden van Van Werkhoven met daarvoor de benzinepomp. Daarachter is nog iets te zien van de tuinen die bij het restant van landgoed Rosendaal horen. Bemelman was naast huisschilder ook rijtuigschilder. Dat de firma zich in later jaren ook bekwaamde in het autospuiten is een logische stap en natuurlijk heel handig vlak bij een garagebedrijf. De incassobank was er nog niet. Dat tuingedeelte van het landgoed Rosendaal lag jaren braak. De bank opende in 1939 op de hoek van de Heereweg/Veldhorststraat de deuren. Begin dertiger jaren komt het garagebedrijf negatief in het nieuws. Er zijn malversaties gepleegd in de jaren 1931, 1932 en 1933. In december 1933 wordt de boekhouder in Heemstede aangehouden en naar Lisse overgebracht. Mogelijk heeft dat te maken met de naamswijziging. In het handelsregister wordt begin 1935 een naamswijziging bekendgemaakt naar Lisser Automobielbedrijf N.V., hoewel de naam Van Werkhoven ook nog gebruikt wordt. Het bedrijf heeft gelukkig een goede naam.

Naoorlogse periode
De crisisjaren en de periode van bezetting zullen voor het bedrijf moeilijk zijn geweest. 24 februari 1945 werd, door het Nederlands Militair Gezag in Nijmegen, een verordening registratie motorrijtuigen van kracht. Lisse was toen nog bezet, maar in oktober 1945 staat er een oproep in de krant voor die registratie.

De muurreclame van J.P. Bemelman

Dat kan bij Lisser Autobedrijf, Heereweg 130. Waren er in oorlogstijd steeds minder auto’s, daarna gaat het hard met het autobezit. In 1946 adverteert Lisser Automobielbedrijfal dat ‘The kings of road: Buick en Chevrolet’ weer geleverd kunnen worden. Het LAB zal geen gebrek hebben gehad aan klandizie. In het Leids Dagblad van 15 oktober 1962 staat dat het oude Rosendaal onder de slopershamer  gaat vallen. Koper het LAB zou er een toonzaal willen neerzetten.  In Nederland was een enorm gebrek aan woningen. In 1962 werd de woningnood tot volksvijand no.1 verklaard. In Lisse leidde dat tot het grootse plan om te bouwen in de Poelpolder. Daar was voor bouw en infrastructuur een gigantische hoeveelheid zand nodig. Dat kwam vanaf de Ruigenhoek, Noordwijkerhout. Dus een eindeloze reeks vrachtauto’s kwam vanaf de Veldhorststraat, maakte de bocht naar rechts over de Heereweg en vandaar naar de 1e Poellaan. Allemaal langs het complex van het LAB op het voormalige landgoed Rosendaal. De Heereweg was toen nog lang geen eenrichtingsweg. Verkeerstechnisch een onhoudbare situatie. In 1972 komen de gemeente en het LAB tot een afspraak. Een deel van het terrein wordt verkocht zodat een reconstructie Veldhorststraat/Westerdreef gerealiseerd kan worden. Een gedeelte van het LAB-gebouw wordt afgebroken, maar er komen een nieuwe showroom en benzineverkoopstation bij. In 1987 wordt het 75-jarig bestaan van het LAB groots gevierd met een inruilwagenfestival in de HOBAHO-hallen.

Woningbouw in gebied Rosendaal

Details bij de juiste plek.

Leek in de jaren zeventig het gebied nog een geschikte locatie voor bedrijfspanden als garages, een tiental jaren later waren de inzichten aanzienlijk veranderd. De gehele infrastructuur, maar ook de wat rommelige aanwezigheid van bedrijven midden in het dorp vroeg om een andere oplossing. Verkeersstromen moesten worden aangepast en voor bedrijven ontstonden specifieke bedrijfsterreinen. Verhuis bedrijven naar een geschikter omgeving en creëer daarmee ruimte voor woningbouw. Het terrein van het voormalige buiten Rosendaal tussen de Westerdreef en de Heereweg was zo’nvgebied dat vroeg om een nieuwe ontwikkeling. De plannen voor de Westerdreef en de Heereweg, het voormalige Rosendaal/LABgebied, werden gelijktijdig ontwikkeld. Het huis van Bemelman en de Incassobank bleven staan.

De Jong Hoogveld

De Kat architecten uit Utrecht ontwierpen de woningen aan de Westerdreef in een strakke, wat stadse stijl. Aan de Heereweg moest sociale woningbouw komen. De grond daarvoor werd aan woningbouwvereniging Het Gezinsbelang verkocht. Zij waren gevestigd aan de Catharijnelaan 14 in buurtschap De Engel. Via diverse fusies is het nu onderdeel van de organisatie Stek. Ook voor de woningen aan de Heereweg maakte het genoemde architectenbureau een ontwerp. Maar het bestuur van Het Gezinsbelang vond het moderne, strakke gevelontwerp niet passen aan de Heereweg. Ook over de indeling van de appartementen kon men geen overeenstemming bereiken. Het kwam tot een breuk en men ging in zee met architect Henri Stol uit Sassenheim. Dit leidde tot een bijzonder gebouw: de gevel aan de Heereweg, met de verschillende frontons die we in het vorige Nieuwsblad toonden, is passend bij de historische panden die nog aan de Heereweg staan. De gevel aan de achterzijde sluit aan bij de stadse woningen aan de Westerdreef. In dit ontwerp konden ook nog drie woningen meer gerealiseerd worden dan in het eerdere plan. Aannemer werd Bouw Partners uit Zwijndrecht. Wethouder Prins van de gemeente Lisse en voorzitter Van der Lans van woningbouwvereniging Het Gezinsbelang sloegen op 2 september 1998 de officiële (eerste) paal. Op 9 juli 1999 kon feestelijk de eerste sleutel worden overhandigd. De 21 appartementen zijn levensloopbestendig gebouwd, wat destijds het beleid was van de woningbouwvereniging. Voor de eerste verhuur zijn zowel woningen aan ouderen als jongeren toegewezen met het idee dat men elkaar kan helpen. De woningen zijn destijds dus niet specifiek als seniorenwoning gelabeld. Bij het ontwerp was er een ruimte op de begane grond gepland als ontmoetingsruimte voor de bewoners. Nu is dat een bedrijfsruimte. Inmiddels is het nieuwe Rosendaal al weer 25 jaar oud. Zou de tijd ook weer rijp worden voor een ontmoetingsplek voor bewoners?

HET GESLACHT MOOLENAAR IN LISSE; De rommeling. (133)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

In 1824 vestigde zich aan de Heereweg te Lisse de Haarlemse Johannes Moolenaar, die bij het huidige nummer 136, zo onge­veer tussen de Amrobank en het Lisser Automobielbedrijf een zadelmakerij be­gon. Zijn in 1827 geboren zoon Abraham werd timmerman en stichtte een eigen aannemersbedrijf in 1870. Hij was ge­trouwd met Jansje Marseille en woonde in een huisje op de Broekweg (= Kanaalstraat) ter hoogte van de huidige panden van Wek­king, Kanaalstraat 66. Later bouwde hij een woonhuis tussen het huidige pand Kanaalstraat 80 en de laagbouw van de Dumphal. Het bestaat nog. Veel materiaal hiervoor werd gebruikt van de sloop van een kerk in Sassenheim. Zo bevinden zich aan de achtergevel nog duidelijk waarneem­bare kerkramen. Helaas was het zakendoen geen onverdeeld succes. Volgens allerlei familieverhalen is tweemaal gebalanceerd op de rand van een faillissement. Beter ging het toen de twee zoons, Albertus en Abraham de zaak over­namen. Onder de naam Gebroeders Moole­naar werden enorme aantallen woonhuizen en bollenbedrijven gebouwd. Zo werden o.a. de Molenstraat en de Prinsessestraat aangelegd en bebouwd. De straten zelf werden dan overgedaan aan de gemeente. Woningen zijn verder nog te zien in de Tulpenstraat, Julianastraat, Gladiolenstraat, achter op de Kanaalstraat, enz., enz. In 1922 besloten de broers uit elkaar te gaan ter wille van de opgroeiende kinderen welke in het bedrijf kwamen. Albert Moole­naar bouwde alleen nog voor eigen rekening huizen, die hij dan verhuurde, en Abraham zette de aannemerij en kistenmakerij voort met zijn kinderen Bram, Jan en Rens. De gebouwen op de foto werden als volgt gebruikt. Links staat de houten loods met het teerhok. Hier was de opslagplaats van bruine teer, koolteer en carbolineum (“karbeléum”). Boven was de werkplaats van de kistenmakerij. Kisten werden voor een ver­zending van bloembollen heel veel gemaakt. Rechts is de stenen loods, de werkplaats van de aannemerij. Op de bovenverdieping was de opslag van schotten, een halfpro­duct van de kistenmakerij. De zolderver­dieping werd gebruikt voor opslag, maar ze is ook vaak verhuurd geweest, o.a. aan Tissing voor de opslag van balen kapok. Natuurlijk gaf zo’n bedrijf veel afval. Watmoest je ermee? Een vuilophaaldienst was er nauwelijks. En dat gold dan alleen nog het huisvuil. Welnu, de oplossing lag dicht bij de hand. Het werd allemaal gestort in de Hotpoel ofwel het Hotpoeltje, ook wel de Hoppoel genoemd. Oorspronkelijk was het een alleraardigst binnenmeertje, een zeer grote vijver, die men op de oude kaarten van Lisse telkens weer terugvindt. Het lag ergens ter hoogte van de kerk der Ge­reformeerde Gemeente. Helaas, ook het Hotpoeltje is weg; dichtgegooid met vuil, afval, rommel. Achter de werkplaats stond een rijtje van acht huizen, tegenover de huidige wonin­gen. Deze waren bereikbaar via een slop vanaf de Gracht. Dat buurtje werd de Kapellenweide genoemd. Vroeger werd in Lisse veel vlas aangevoerd, voornamelijk uit Overflakkee en de verdere Zuid-Hollandse eilanden. Dat werd dan op de gracht uit­geladen en bij opbod verkocht. Dan werd het in de sloten “geroot” en daarna op de weilanden in kapellen, een soort schoven, gezet om te drogen. Hier, op de Kapellenwei, bij de latere Kapelstraat, stonden de kapellen van het vlas uit de gracht. Toen de firma Moolenaar daar nog meer huizen ging bouwen, verlangde de gemeente dat een straat werd aangelegd en doorge­trokken tot de Kanaalstraat. Aldus moest de houten loods gesloopt. Later is de Mo­lenstraat voor één gulden aan de gemeente overgedaan.

En nu nog de personen op de foto. Van links naar rechts staan op het erf Abraham Moolenaar, Klaas van ’t Wout, Floor Kerkvliet, Jaap Hulst, Bert Schaap, Hannes Wetter, Willem van Groen, Arie de Kwaaisteniet en Albert Moolenaar. In de deur­opening van de kistenmakerij staan Carl Friedrich Daudey met zijn zoontje Piet. Daarvoor zit Flip van Bakkum. Ten slotte nog op de trap, van links naar rechts en van onder naar boven: Jan de Haan, Velthoven, Dirk Vergunst, Ko Moolenaar Albzn en Reinier van der Neut. Zo, nu heeft het lang genoeg geduurd; nu moeten ze allemaal weer aan het werk.

200 Jaar in vuur en vlam

Twee eeuwen goed geregelde brandweer in Lisse. Goed geregeld, want brand moet zo efficiënt mogelijk bestreden worden. Snelheid en routine worden zoveel als mogelijk getraind. Iedere seconde telt, dus ruim baan voor de brandweer!

Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad 22 nummer 4  2023

Op 10 juni werd gevierd dat de vrijwillige brandweer Lisse 200 jaar bestond. Voor de jeugd, maar ook voor volwassenen, was er die dag veel te beleven. Er was een optocht van oude en nieuwe brandweerwagens, de nieuwe ladderwagen werd in gebruik genomen, de kazerne kon worden bekeken, de jeugdbrandweer was actief enz. enz. Hoe belangrijk de brandweer is toonde de enorme brand in Ter Aar een dag eerder die vanuit Lisse door pikzwarte wolken heel duidelijk te zien was en waarvoor gewaarschuwd werd door het NL-alarm op de mobiel. De eenheid uit Lisse was er ook bij betrokken met een tankautospuit en de autoladder.

Reglement in 1823
In 200 jaar zijn er natuurlijk enorme verbeteringen geweest, waarvan zo’n alarm maar een klein voorbeeldje is. Natuurlijk was er ook voor 1823 al sprake van een brandweer. In 1823 kwam het tot een reglement ‘’houdende bepalingen ter voorkoming en blussing van brand en hetgeen na een gebluste brand dient te worden verricht’’, dat door schout en assessoren, vergelijkbaar met de huidige gemeenteraad, is aangenomen. Cornelis van der Zaal is dan brandmeester. Doordat hij een dagboek bijhield dat door Bert Kölker bewerkt is tot een mooie boekuitgave (Kroniek van de Lisser timmerman en molenmaker Cornelis van der Zaal 1762 – 1839) hebben we ook uit de periode voordat het reglement van kracht werd wat gegevens. Kölker meldt dat in 1718 een voorvader van deze Cornelis, Cornelis Arijaans van der Zaal, als burgemeester en brandmeester betrokken was bij de vaststelling van een personeelslijst voor de brandweer. Zelf is Cornelis van der Zaal sinds 1819 brandmeester. Na zijn dood gaat deze functie over van vader op zoon tot 1909. Eind 1823 worden 90 mannen genoemd die betrokken zijn bij de brandbestrijding.

 

De brandslangen werden eerder in de toren uitgehangen om goed te drogen, dan werden ze pas opgerold. De toren is heel lang opslagruimte geweest voor brandweerspullen. Ook het brandspuithuisje zien we op de ansicht.

Oudere verslagen schout en assessoren
In 1817 blijkt uit een vergadering van schout en assessoren dat ze de brandspuiten en andere middelen voor brandbestrijding moeten testen. Er is een lijst van personen die gekoppeld zijn aan de 2 brandspuiten. De personen worden blijkbaar voor een jaar benoemd. Dinsdag na Pinksteren is men gewoon alles te inspecteren en te proberen. De mannen die dat moeten doen wordt “aangezegd” dat zij om 2 uur bij het Regthuis moeten zijn. Er wordt bij vermeld dat zij na de inspectie niet weg mogen gaan maar dat ze moeten helpen met opruimen. Alles moet weer naar de toren. Daar zullen de slangen wel uitgehangen moeten worden. Maar wat waarschijnlijk het belangrijkste is: twee half vaten bier worden als douceur in het vooruitzicht gesteld. Er volgt later nog een opmerking over de test: de leren slang van de oude spuit is geheel onbruikbaar. De schout moet een nieuwe laten maken. De leren brandslang was toen eigenlijk al ouderwets. De oprolbare brandslang was een uitvinding van Jan van der Heyden uit 1673. Hij kreeg ook octrooi op een verbeterde brandspuit. Rond 1780 werden die brandslangen van leer zo langzamerhand vervangen door geweven hennepslangen. In 1818 worden de materiaalschouw en het bier weer gemeld. In 1820 is een reparatie aan de brandspuit noodzakelijk. Dat wordt gedaan in Amsterdam. Uit het verslag van 1822 blijk dat aangenomen is om een brandspuithuis te bouwen aan de noordwestkant van de toren.

Het reglement
Er staan heel veel bepalingen in het reglement die moeten voorkomen dat er brand kan ontstaan. Zo zijn er bepalingen over stookplaatsen en het verplicht schoonmaken daarvan. Dat wordt jaarlijks geïnspecteerd. Ambachtslieden die vuur gebruiken krijgen restricties. Zo mag een kuiper zijn duigen alleen in de open lucht heet maken, mag er niet gerookt worden op de dorsvloer en hetzelfde geldt voor dekkers op daken en ambachtslieden op zolders. Ieder gezin moet een emmer hebben en is verplicht deze emmer, gevuld met water, op straat te zetten binnen vijf minuten nadat de klok begint te luiden. De trommel wordt geroerd! Brandbestrijding is een serieuze zaak: in artikel 22 staat bijvoorbeeld dat men niet uit dartelheid iemand nat mag maken of in iemands huis mag spuiten. Daar staat zelfs een boete tegenover: verbeurte van een gulden, boven en behalve vergoeding der schaden, welke ontstaan. Ook in andere artikelen worden straffen en boetes bij nalatigheid genoemd.

Molenbranden

Van de molenbranden staat deze van de Zemelpoldermolen ons nog goed voor ogen.

Veel nadruk was er op voorkomen van branden. Als er eenmaal brand uitbrak was er vaak geen redden meer aan. Brandmeester Cornelis
van der Zaal had een timmer- en molenmakersbedrijf aan het Vierkant. De eerste afgebrande molen die hij in zijn dagboek vermeldt is de Bonte Krielmolen. Voorjaar 1796 brandt de molen tot de grond toe af. Voor blusactiviteiten zal de afstand te groot zijn geweest dus Van der Zaal vermeldt daar niks over. Februari 1819 is het ook raak.

Van der Zaal schrijft: “Op den 13e februari 1819 in de nacht om 1 uur werd ik door Gert Bol geklopt en zei, dat de Grote Poelmolen in brand stond. Ik klopte terstond mijn jongens en toen wij onze kleding aan hadden, liepen wij achter in onze tuin en zagen dat het de Kleine Poelmolen was en zagen ook dat de as en roeden en bovenhuis er al af waren en het onderhuis was niets anders als een vuurkolom, zodat er niets aan te doen was, maar de schout Pagestechter en mijnheer Entingk kwamen om mij de brandspuit mee te geven en de klok over kant te halen, maar ik raadde het af, omdat het niet kon helpen, want de molen zou, eer wij er bij waren, geheel weg zijn. Maar ik zei dat ik er direct naar toe zou gaan en zien of de spuit van enig nut kon zijn. Ik zou er dan meteen iemand om wegzenden. Ik ben dan ook met mijn kinderen en Piet Velthoven er naar toe gegaan entoen wij op de Heereweg bij JB. Riggel kwamen, viel het onderhuis van de molen ineen en verspreidde de vlam uiteen en zo de eerste (Poel)laan op en de Poeldijk langs en toen wij bij Cornelis Langevelt kwamen, die nog lag te slapen en wij hem klopten, liepen mijn kinderen vooruit bij Corneliszoon Zijland. Omdat de wind noordwest was en sterk waaide, gingen ik en Velthoven bij Corneliszoon de werf over, die ook nog lag te slapen en die wij ook klopten en zo naar de molen gingen en toen was alles al tegen de grond en brandde nog hevig”.

In 1825 meldt Van der Zaal dat de Elsbroekermolen tot de grond afbrandt. Door blikseminslag brandt de weer opgebouwde molen in 1895
opnieuw af. In 1833 is het midden in Lisse raak. Van de Zaal meldt: “In 1833 op 6 januari zondagnacht om half 3 uur werd ik geklopt, dat de
korenmolen in de brand stond, die ik in 1827 had gezet. Toen ik buiten kwam, was de kap er al afgebrand. Ik ging er dadelijk met de spuit naar toe en was van binnen geheel van onder tot boven al in volle vlam en wij stelden een spuit klaar en gingen aan de gang, omdat er een hooischelf bij stond, die wij ook hebben behouden. Het was heel gelukkig, dat de wind zuidwest was de vonken over het land gingen en het vroor, zodat wij rond om over het water konden lopen en rondom konden komen. De molen brandde geheel uit van boven tot beneden. De staartbalk met de schoren zakten op de stelling neer toen die boven waren afgebrand, want het was stil weer, maar wij deden daar een touw onder aan en trokken die van de stelling af en schoot toen omlaag, nadat wij eerst de kruias er uit hadden gehaald en schoot toen door het ijs in de grond en toen viel er ook van boven een stuk hout af. De molen was van binnen schoon uitgebrand en wij gingen na ruim 6 uur spuiten naar huis toen wij het aan van Rijn overgaven, die er toen op paste en het losse ijzerwerk opraapte. Daar hadden beneden nog 12 zakken
rogge gelegen, die ook waren verbrand. In Hoogblokland staat dit beeld, een werk op 2 hele zakken na, die zij ‘s-middags zijn wagen had hij er uit gehaald en het rogge was van Hillegoms bakker Stijman, verder was er geen koorn in. Hoe het ontstaan is weet ik niet, alleen dat 2
knechten gebild hadden. Die waren er om half 12 uit gekomen, toen van Rijn uit de herberg kwam”.

Hier meldt Van der Zaal dus een mogelijke oorzaak: het billen of wel het scherp maken van de molenstenen. In 1890 verbrandde de Lageveensemolen. Onze kroniekschrijver maakte dit niet meer mee, maar een van zijn nazaten was op dat moment brandmeester. Het bericht daarover in het Leids Dagblad luidt: “Gistermorgen omstreeks half twaalf ontstond er brand aan den molen in de Lageveensche polder onder de gemeente Lisse, waarschijnlijk veroorzaakt door vonken uit de locomatief van een passeerende trein. Hoewel er dadelijk
twee spuiten aanrukten, welke een niet geringen afstand moesten afleggen om bij het brandende perceel te komen, brandde de molen tot den grond af”.

Blikseminslag, wrijving en spelen met vuur gaan niet samen. Vrijwel iedere molen kwam wel eens aan de beurt. Gelukkig komen mensen niet alleen naar de brand kijken maar ook als een molen weer als een phoenix uit zijn as is herrezen. Wat staat ze er weer mooi bij!

Een molen liep nogal eens een risico op brand door blikseminslag, een oververhitte as en om maar een vrij recent voorbeeld te noemen, vandalisme. Want de brand in de Zemelpoldermolen in 1999 zal menigeen zich nog wel herinneren. Overigens was een voorganger van deze molen ook al afgebrand in 1708.

Blussen
Bij brand is het vaak redden wat te redden is. Bij de molens waren die mogelijkheden summier. Over hoe het er aan toeging bij een woning schrijft Van der Zaal: “In de nacht tussen 11 en 12 september 1830 werd ik om ½ drie uur geklopt, omdat er brand was in de woning van de heer van der Staal, genaamd De Venne, waar Carel Schrama woonde en wij kwamen daar met de spuit even om 3 uur. Toen stond meer als de halve kap van de stal en woonhuis in volle vlam en binnen in de stal was het kozijn al uitgebrand, zodat er geen doen meer aan was, maar de ene schuur, die in brand was spoten wij uit en op de ander legden wij een brandzijl en hielden die gestadig nat, zodat we die ook behielden en ook het zomerhuis en de korenmolen. Toen de stal en woonhuis zo ver waren verbrand dat wij er geen gevaar meer van hadden, gingen we naar de hooibergen. De ene berg hebben we afgedekt met hark en sloothaken en de brand almaar uitgespoten, maar deze kwam steeds weer terug.

Toen hebben we deze rondom tot de grond toe afgestoken en daar vonden we niets meer. Toen naar de andere berg, waar het vuur ook aangekomen was. Deze hebben we ook afgestoken. In de laatste kant vonden wij op 6 vt van onder het broeigat, waar alles as was
en daar ook was uitgebroken en toen dat uit was, was het allemaal gedaan Maar toen het binnenhout in de woning en het woonhuis. Dat lag nog gestadig te smeulen. We hebben de brand verder uitgespoten, zodat wij om 1 uur met een spuit en de andere spullen naar het dorp gingen. Maandag hebben we de andere spuit thuis gebracht en schoongemaakt. Op het land van Verburg liet ik alle slangen in het water gooien, afspoelen en recht op het land uitleggen en de spuit uit elkaar halen en schoon maken. Toen plaatsten wij een spuit bij het water met
een zak en toen iedere slang aan de pijp geslagen en de slang doorgespoeld en even dicht gehoude”.

Hier was meteen duidelijk dat het alleen zaak was om de brand zich niet verder uit te laten breiden. Voorkomen dat de brand zich uitbreidt weten we ook van een recente (2021) brand. Een persbericht. Een grote brand heeft maandag tuincentrum Intratuin aan de Heereweg in Lisse verwoest. De brandweer sloeg groot alarm en was met veel materieel aanwezig. Twee brandweermannen raakten gewond door rondvliegende brokstukken na een explosie van waarschijnlijk gasflessen. Op het moment van uitbreken van de brand was personeel binnen bezig met het opnieuw inrichten van het tuincentrum want ze wilden in maart open. Zij werden geëvacueerd. Er is een NL Alert uitgegaan met een oproep om als je last hebt van de rook naar binnen te gaan en ramen en deuren gesloten te houden. Het pand was niet meer te redden. De brandweer wist wel te voorkomen dat het vuur oversloeg naar loodsen en aanbouwen aan de achterkant van het tuincentrum. Rond 20.00 uur werd het sein brand meester gegeven. Dat betekent niet dat de brand uit is, er wordt nageblust.

Andere tijden andere maatregelen

Nablussen bij de ELKA, de buren van de
brandweerkazerne aan de Grevelingstraat.

In 1823 woonden er ongeveer 1200 personen in Lisse. Begin 1900 waren er ruim 3,5 duizend. Dat vraagt natuurlijk om andere maatregelen voor brandbeveiliging. Wat materiaal betreft waren er sinds 1823 al heel wat verbeteringen geweest. Tot dan was buurtschap De Engel verstoken van een brandspuit, maar dat zou veranderen. Er komt een spuithuis en brandspuit bij de Engelenbrug. Zo langzamerhand wordt ook duidelijk dat de tijd van handspuiten voorbij is. In 1918 is ver een demonstratie van een motorspuit. De motorspuit werd bemand door 8c man. Voor de bediening van de Lisser handspuiten waren 137 man aangewezen. Inmiddels was er in het dorp deels waterleiding en zijn er in 1926 4 brandkranen. Een motorspuitv in De Engel moet nog wachten tot 1929. De ontwikkelingen gaan door. Er worden afspraken gemaakt met omliggende gemeentes om bij brandvassistentie te verlenen. Dat blijkt later diverse keren nodig, zoals bij de brand bij Sikkens in Sassenheim in 1972 die bij oudere Lissers nog wel in het geheugen zal zitten. Er komt een Magirusladder. De oorlog bracht andere problemen. Weinig brandstof, wat een curieuze bluspartij voor de brandweer met zich meebracht.

Brandkranencontrole moest ook gebeuren.
Jozef Rudz vlak voor zijn ouderlijk huis.

Een in lichter laaie staande vrachtauto werd snel geblust. Het vuur was ontstaanvdoor een defecte antraciet-gasgenerator. Beschietingen, o.a. op de tram en de trein, vroegen om brandweerhulp. De dienstverlening van de brandweer blijft zich tot in de huidige tijd vernieuwen. Andersoortige hulp Van oudsher is de brandweer betrokken bij het redden van mens en dier. In 1820 moest er vanwege overstromingen geholpen worden. In 1838 volgt weer een ernstige overstroming. Gelukkig volgt daarna de drooglegging van het Haarlemmermeer waardoor het gevaar voor overstromingen geweken is. Ook storm betekent werk voor de brandweer zoals we zagen toen in juli de storm Poly over ons land raasde. Begin 1947 was er ook een fikse storm. De koeienstal van Duineveld stortte in, het vee, 15 schapen met lammeren, 3 varkens, 1 varken met 12 biggen, 3 paarden en een stier, moest geëvacueerd. Maar waar? Er werd geïmproviseerd en de koeien kwamen in huis bij Duineveld en de stier ging naar het toch leegstaande brandweerhuisje. Klus geklaard, hoewel… Op de terugweg bleek dat bij het raadhuis een grote iep was omgewaaid, de kruin lag midden op de weg, de bovenleiding van de tram zat er in verward. Gevaarlijke situatie die na telefonisch contact snel opgelost kon worden.

Overdracht van materiaal verzameld door de
Stichting Brandweer Nederland Helpt Polen

De stroom moest uitgeschakeld en de rest was voor Openbare Werken. Een ander aspect waren veiligheidskeuringen. Eind 1948 werd ziekenhuis “Irene”, Heereweg 113, geïnspecteerd. Er waren wel wat aanmerkingen. Met de (aansluitingen op de) gaskachels was wat mis.
De elektrische kachel hing boven het bed in de kraamkamer. Brandgevaarlijke stoffen waren niet goed opgeborgen. Voorlichting en preventie is anno 2023 nog steeds een taak voor de brandweer. Bijzonder was de hulp aan de Poolse brandweer. Jozef Rudz, gemeenteambtenaar en
lid van de vrijwillige brandweer, bezocht toen dat weer toegestaan was met zijn ouders hun geboorteland. Daar kwam hij in contact met Poolse brandweerlieden en met het tekort aan materialen daar ter plekke. De brandweerlieden kwamen naar Lisse met de opzet om in Nederland overtollig brandweermateriaal te verzamelen.

De Stichting Brandweer Nederland Helpt Polen werd een succes. In 1996 vertrokken enkele Lisser brandweermannen met divers materieel naar Polen om dat daar aan Poolse collega’s over te dragen. In 1958 kon een echte brandweergarage in gebruik genomen worden. Daar was al lang behoefte aan. Na de brandspuitenhuisjes bij de toren, later bij het regthuis aan ’t Vierkant, bij het gemeentehuis, het spuithuisje in De Engel, bij de Lisser autogarage (LAB), bij Werkhoven, bij Openbare Werken, bij Onderwater krijgt de brandweer een onderkomen aan de Grevelingstraat. Ook dat is na verloop van tijd weer te klein en verouderd. Sinds 1994 zit de brandweer aan de Oranjelaan. De ontwikkelingen staan niet stil. Inmiddels zijn al weer een fiks aantal jaren vrouwen actief binnen het corps. Sinds 2011 valt brandweer Lisse onder de organisatie Brandweer Hollands Midden. De missie van brandweerlieden is en was: minder branden, minder slachtoffers, minder schade. Hulde voor 200 jaar inzet.

Gebruikte bronnen o.a.:
Jubileumboek 175 jaar Brandweer Lisse

Bert Kölker: Kroniek van de Lisser timmerman en molenmaker Cornelis van der Zaal 1762 – 1839. Dit boek is nog verkrijgbaar bij de VOL

Foto’s: Jozef Rudz

VOL archief archief Arie in ’t Veld

Vereniging Oud Lisse feliciteert Langeveldshof

Nieuwsflits

Nieuwsblad 23 nummer 1 2024

Bij deze onze felicitaties voor het prachtige werk wat jullie nu alweer 5 jaar lang doen. Geweldig fijn dat jullie er zijn. Vooral zo door gaan.

Pareltje uit de bibliotheek van de VOL: driemaal De Graaff

Er is weer wat graafwerk verricht in de bibliotheek van VOL en er is goud gedolven in de vorm van een gouden graaf. De gouden graaf was het logo van bollenbedrijf De Graaff en zn. Een schat die bestaat uit wel drie pareltjes.

Ria Grimbergen

Nieuwsblad 23 nummer 1 2024

Lisse, Kerstavond, 1927, acht uur. Op het kantoor van H. de Graaff en zonen aan de Heereweg is de directie van het bloembollenbedrijf aanwezig. Op dit ongebruikelijke tijdstip vindt de aanbesteding plaats voor de bouw van een groot complex van bollenschuren, een kantoor en fietsenstallingen. De aannemers aan wie de bouw wordt gegund en de architect zijn erbij. We zijn van deze plechtige gebeurtenis op de hoogte door een pareltje uit de bibliotheek van de VOL, een in eenvoudig zwart linnen gebonden boekje dat het bestek van architect Leen Tol bevat. Gebroeders van den Putten uit Heemstede neme het werk aan voor een bedrag van f 112.438, -., zo staat in rode inkt achter in het boekje, ondertekend door de aanbesteders H. de Graaff en zonen, architect Leen Tol en de aannemers. Aan de hand van het bestek kun je je een voorstelling maken van het interieur van de bollenschuren en van het kantoor en de daarboven gelegen woning. De vloeren in hal, trappenhuis en wc’s werden in handgebakken vloertegels in twee kleuren gelegd, als een dambord, zwart met porfirgrijs, de rand zwart. De wandtegels van kunstglazuurtegels, mat majolica plinten en door strippen met kralen in vakwerk verdeeld. In het kantoor van directiekamer en spreekkamer werden ramen van eerste kwaliteit Frans spiegelglas ingezet. De bovenlichten werden versierd met eenvoudig glas-in-lood, evenals die van de wc’s, traplichten en bovenlichten van het personeelskantoor. De overige ramen in personeelskantoor en bovenwoning
werden voorzien van het goedkopere vensterglas. Het privékantoor, de spreekkamer en de benedenvertrekken worden behangen met papier van f 1,- per rol; de portier moet het doen met behang van 40 cent per rol. Een grote kostenpost op de begroting waren de Critall-Braatramen, geschopeerde stalen ramen van F. W. Braat’s Koninklijke Fabriek van Metaalwerken, die tochtvrij en waterdicht waren en een lange levensduur hadden. ‘Schoperen’ was een metaalbehandeling die roestvorming tegenging en waar de firma Braat een licentie op had. De architect reserveerde hiervoor de aanzienlijke post van f 9250,-. En zo staat het boekje vol met details over de gebruikte materialen bij de
bouw van het complex. Bloembollenbedrijven verdienden veel geld in het eerste kwart van de twintigste eeuw en gaven dat graag uit aan hun bedrijfsgebouwen. Voorheen werd een bollenschuur ontworpen door een aannemer, maar nu werden architecten ingehuurd. De aanleg van elektriciteit in 1922 maakte het mogelijk mechanisch te ventileren. De grote openslaande deuren werden overbodig. Het aanzicht van de gevels veranderde hierdoor. 1)  H. de Graaff en zonen kozen voor een architect die zeer gezocht was in de Bollenstreek, Leen Tol. Eerder was hij met Van Nes ontwerper van de Rijkstuinbouwschool, gebouwd in 1910. Hiervoor ontvingen zij een onderscheiding. Hij was zo populair dat hij kieskeurig kon zijn bij het aannemen van opdrachten. Hij wilde graag zijn creativiteit kwijt in zijn gebouwen en als een opdrachtgever niet genoeg geld in een project wilde stoppen, blies hij het af.

 

Gebouwen van Leen Tol sr. in Lisse zijn onder andere het gerenoveerde bedrijfsgebouw van bloembollenbedrijf Gebroeders Driehuizen, villa Somalo, huize  Rutsbo, villa De Tol, de kosterswoning van de Hervormde Kerk en villa Wassergeest, alle gelegen aan de Heereweg. 2 De tweede uitgave over De Graaff uit de bibliotheek van de VOL is ‘De Gouden Graaf, Een bloembollenbedrijf van 1793-1953’ van Tom Lodewijk.
Lodewijk kreeg de opdracht de tekst van het gedenkboek van het toen nog florerende bollenbedrijf  te schrijven. Uitgangspunt was de eerste catalogus van bloembollen uit 1793, die de gebroeders Cornelis en Jan de Graaff honderdzestig jaar daarvoor de wereld inzonden. De gouden graaf uit de titel slaat op de gouden spade in het wapen van de familie De Graaff. Het boek is gebonden in de donkerblauw linnen met gouden belettering, gedrukt op glanzend papier en staat vol foto’s van goede kwaliteit. Bijzonder zijn de foto’s van grondverwarming voor bloembollen. Door een systeem van leidingen en pijpen werd de grond verwarmd, waardoor op de bloembollenvelden van De Graaff hyacinten en tulpen geprepareerd konden worden voor vroegbroei. In het bollenland verrezen de stookhuizen met schoorstenen. H. de Graaff & Zonen, die inmiddels het predicaat Koninklijke aan Bloembollen Maatschappij mochten toevoegen, gaven hun gedenkboek niet alleen in het Nederlands uit. ‘Der Goldene Spaten’ en ‘The Golden Spade’ waren bedoeld voor de buitenlandse klanten. Aan de 59 pagina’s van de Nederlandse uitgave werden veertig afbeeldingen van bloembollen in kleurendruk toegevoegd, waardoor het boek ook een verkoopcatalogus voor de internationale klantenkring werd. In juli 1977 vielen de gebouwen van bloembollenbedrijf De Graaff onder de slopershamer en verrees op het vrijgekomen terrein ‘Plan de Graaff’. In de verkoopbrochure van makelaardij Romeyn voor de 51 eengezinswoningen en 36 appartementen staan een beknopt bestek en plattegronden van het plan en de woningen. De brochure prijst de rust en het leefgenot in het toch levendige Lisse aan. Dankzij twee winkelcentra en de ruime parkeergelegenheid is er geen noodzaak in de  grote steden te winkelen. En dat vlakbij Keukenhof in een omgeving met bloeiende bollenvelden, bossen en de nabijheid van duinen en strand. Ook nu nog de sterke punten waar elke makelaar op wijst. Bas Romeyn vroeg A. M. Hulkenberg de geschiedenis van bloembollenbedrijf De Graaff te schrijven, dat deze op de van hem bekende wijze deed. Gelardeerd met foto’s van het bedrijf, geeft het artikel het drukwerk een absolute meerwaarde. Niet alleen deze verkoopbrochure heeft een plek gekregen in de bibliotheek van de VOL. Ook recentere zoals van plan Oud Raadwijk, Oranjehof, Madelief en diverse bouwprojecten in Poelpolder-zuid worden beschreven en bewaard, evenals een verkoopbrochure van de Stolpboerderij, vanouds boerderij Langeveld. Peter Vink, beheerder van de bibliotheek van de VOL, attendeerde mij op de drie uitgaven rond het voormalige bloembollenbedrijf De Graaff. Op uw verzoek zijn deze en andere boeken uit het bezit van de VOL op dinsdagmorgen ter inzage in ‘De Vergulde Zwaan”.

Voetnoten
Noot 1: Dex Geerlings, De ontwikkeling van de bollenschuur tussen 1850 en 1965. Thesis. (Delft 2022), passim
Noot 2: Zie LisseTijdReis, de Index van Pex, voor meer gebouwen van Leen Tol sr. in Lisse.
Bloemenfoto’s zijn illustraties uit “ The Golden Spade”.

 

Vlasbewerking was eeuwenlang belangrijk

Sporen van vroeger  (LisserNieuws)

5 maart 2024

Door Nico Groen

 Weinig Lissers weten dat er in de 16e en 17e eeuw een bloeiende vlasindustrie is geweest. Maar liefst 80% van de bevolking verdiende daar zijn brood mee. In het haardstedengeld van 1688 waren de meeste woningen voorzien van een vlaskot of vlasoven. De verwerking van vlas tot linnen vergde vele handelingen. Het was ongezond werken in de vlassector. Een arbeider van 60 jaar was een witte raaf.

Het zogenaamde ‘rauwvlas’ werd in augustus met zeilschepen aangevoerd van de Zuid-Hollandse eilanden en Zeeland om verwerkt te worden in Lisse. Het vervoer moest via Gouda, maar daar moest tol voor worden betaald. Daartoe kon men tolbrieven bij de schout kopen. De Haven lag vol met vlasschepen. Het vlas werd door kooplui uit de hand verkocht aan de meest biedende. Zo werden alle schepen leeggekocht, waarna de nieuwe eigenaren zich opmaakten voor de volgende behandeling. Het vlas had helder stromend water met vlakbij land nodig, omdat het eerst in water geroot moest worden en daarna gedroogd. Daartoe werd het vlas in het water gedaan met stro, graszoden of stenen erbovenop. Na 6 tot 12 dagen werd het vlas ‘op capellen’ (schoven) of ‘in den sprei’ op het land gelegd om te drogen. De stank die hiervan afkwam, ‘verjaagde zelfs de waterratten’.

Het gebied van de Capelleweide en Capelleland liep van de Kanaalstraat tot de Kerksloot

(Stinksloot) en van de Kapelstaat tot de Molenstraat. Het enige dat nog aan de industrie herinnert is de naam Kapelstraat (toen Kapelsteeg). Niet alleen hier werd het vlas gedroogd, maar op diverse plekken in Lisse, zoals bijvoorbeeld bij parkeerterrein Noord van de tenoonstelling Keukenhof. Via het Klopperslaantje aan de Stationsweg (halverwege het parkeerterrein) reed men naar de Klopperslanden om daar de behandeling te krijgen. Deze Klopperlanden lagen aan de zuidkant van de Lisserbeek bij het koebruggetje van boerderij Middelburg.

Vlasovens

Als het vlas voldoende gedroogd was, bracht men het naar een aantal huisgezinnen. Hier werd het nog meer gedroogd in vlasovens, waarna het werd gebraakt, gebroken dus. Dit diende om het houtachtige omhulsel van de vlasvezel af te halen. Door het te zwingelen (schuren tussen 2 stenen waardoor de vezels worden gescheiden van het stro) werd het verder geschoond. Hierna werd het gehekeld (glanzend gemaakt), vervolgens op knotten gedraaid en gewogen. Dit alles gebeurde in schuurtjes, de zgn. hekelkotten en vlasovens, die nog wel eens brand veroorzaakten door slordigheid met vuur.

Veel spinnenwielen in Lisse

Het behandelde vlas ging voornamelijk richting Twente om te worden verwerkt of het werd verwerkt tot garen op spinnenwielen in Lisse. Tijdens de 17e eeuw was het spinnenwiel in Lisse een normaal meubelstuk. In 1620 woonde er zelfs een spinnenwielmaker in Lisse. Het garen werd in knotten, strengen of stukken van 2000 omhalen verkocht aan de linnenindustrie in Haarlem of Leiden. Halverwege de 18e eeuw stortte de linnenindustrie in en hiermee verdween een zeer belangrijk stuk aan werkgelegenheid in Lisse.

Foto: Vlasoven in Openluchtmuseum Arnhem
Foto: Openluchtmuseum Arnhem