Berichten

Kroniek van de Lisser timmerman en molenmaker Cornelis van der Zaal

Kroniek Van der Zaal in boekvorm verschenen.

De kroniek van de Lisser timmerman en molenmaker Van der Zaal (1762-1839) is uitgekomen. Kölker heeft eerst de dagboeken van Van der zaal getranscribeerd. Later heeft hij een lopend verhaal gemaakt van alle in onderhoud zijnde molens. Ook het archief van de familie Beelen, molenaars van de korenmolen in Lisse werd gebruikt in het boek. Een genealogie van Van der Zaal ontbreekt niet in het boek.

Nieuwsflits

NIEUWSBLAD Jaargang 11 nummer 4, oktober 2012

Bert Kölker

Het ei is gelegd (maar dan in het West-Fries). Zo opende Bert Kölker zijn toespraakje bij de aanbieding van het eerste exemplaar van de ‘Kroniek van de Lisser Timmerman en Molenmaker Cornelis van der Zaal, 1762-1839′. Dat “het ei” een lange draagtijd had gehad werd in de rest van zijn toespraak maar al te duidelijk. Bert was vanaf 2007 met dit project bezig. Eerst zette hij het manuscript, dat vaak moeilijk te lezen was, om in verstaanbaar Nederlands met respect voor de authentieke tekst. Zo werd leye dus Leiden en aapenis werd Abbenes. En zo zijn er ontelbare voorbeelden te noemen. Een gigantisch karwei, ook omdat Van der Zaal geen leestekens gebruikt. Maar met alleen het transcriberen van de tekst stelde Bert zich niet tevreden. Een genealogie van de Van der Zaals hoorde in dit boek thuis evenals wat basiskennis over molens. Vervolgens ging hij op zoek naar nadere historische gegevens van alle molens waar Van der Zaal aan gewerkt had. Meestal waren het poldermolens en werd ook gezocht naar de geschiedenis van de polders. Hoeveel uren in het archief zijn doorgebracht met navorsingen? Onnoemelijk veel! Een geluk was dat hij tijdens het onderzoek in contact kwam met de familie Beelen, van de korenmolen in Lisse, en hun archief mocht onderzoeken. Dat leverde een schat aan aanvullende informatie op. Bert deed in zijn toespraak dan ook een oproep aan iedereen die over een (bedrijfs)archief in de familie beschikt om daar heel zorgvuldig mee om te

gaan en de gegevens beschikbaar te stellen voor onderzoek. Eind 2011 was Bert’s onderzoek klaar en stond alles in concept. Toen kwam de periode van de vormgeving. Buurman Ron Stolk, pas gepensioneerd, kreeg er bijna een nieuwe job aan. Het werd een rijk geïllustreerd boek, met meer dan 100 illustraties die uit een veelvoud daarvan werden geselecteerd. Mevrouw Penny Raggers, (de overgrootvader van haar overgrootvader schreef de kroniek) zei blij te zijn dat er nu zo’n mooie uitgave ligt. In 1998 was er in Museum de Zwarte Tulp een expositie over ‘Wie zijn die Lissers’ waarbij ook de familie Van der Zaal centraal stond. In de expositie was een schaaf te zien uit 1736. En dat wekte de belangstelling van een lid van de Vereniging Ambacht & Gereedschap. Via de oude schaven uit de familie kwam het logboek ter sprake. Waarschijnlijk zijn de aantekeningen uit de Kroniek opgetekend op basis van andere, uitgebreidere, aantekeningen. Een oud krantenartikel vertelt hier ook over. Daarin zouden uitgebreider persoonlijke aantekeningen gezet zijn. Het heeft er alle schijn van dat deze aantekeningen de basis zijn geweest van het boek ‘In de schaduw der Molenwieken’. Jammer dat deze uitgebreidere aantekeningen spoorloos zijn. Kölkers oproep om familiegeschriften te behouden zal mevr. Raggers uit het hart gegrepen zijn. Bij Ambacht&Gereedschap werd de eerste transcriptie van het handschrift gemaakt. Maar omdat het handschrift meer bevat dan molenmakerswerk (tenslotte was Van de Zaal ook timmerman en komen zaken als de kerk, woningen, de school enz. ook aan bod) paste het beter om in de eigen regio een uitgave te realiseren. Zo kwam het manuscript bij Oud Lisse en vervolgens bij Bert Kölker. Wethouder Arie de Roon roemde het monnikenwerk dat verricht is om deze fraaie uitgave tot stand te brengen. Maar ook de durf van Oud Lisse om zo’n project aan te pakken. De uitgave was natuurlijk niet mogelijk geweest zonder de hulp van de in het boek genoemde sponsors. Wim Bosch heeft hiervoor de zolen uit | zijn schoenen gelopen. Maar dat had wel als resultaat dat er een betaalbare prijs voor dit schitterende boek gerekend kan worden. Het boek zal in de winkel te koop zijn voor €17,50. Onze leden wordt het boek voor de speciale prijs van €15,-.

Kroniek van de Lisser timmerman en molenmaker Cornelis van der Zaal

Kroniek van de Lisser timmerman en molenmaker Cornelis van der Zaal

Glas-in-lood raampjes in gemeentehuis.

Else Wesseling onthulde de  glas-in-lood raampjes in het gemeentehuis. Zij zijn gerestaureerd door van der Meij. De raampjes komen uit het VVV-gebouw  aan de Grachtweg. Ze verwijzen naar een belangrijke bedrijfstak in Lisse;  de beurtschipperij. De laatste beurtschipper was Martinus van der Linden.

Nieuwsflits

NIEUWSBLAD Jaargang 11 nummer 4, oktober 2012

 

Dit raampje is mooi gerestaureerd.

De glas-in-lood raampjes die op initiatief van Else Wesseling werden gerestaureerd, zijn een maand lang te zien in het gemeentehuis van Lisse. Voor de onthulling zei Else Wesseling: “Ze zijn maar klein, maar best groot waar het de betekenis ervan aangaat; ze verwijzen naar een eens belangrijke bedrijfstak in Lisse; de beurtschipperij.” De laatste beurtschipper was Martinus van der Linden, in wiens huis de raampjes naast de haard zaten. Ze legde uit dat ze heel veel had opgestoken van mevr. Van der Linden en de heer Theo van der Linden. Ook zei ze: “Deze raampjes moesten dus bewaard worden voor het nageslacht; dat stelde de V.V.V. heel nadrukkelijk en dat vond ook de Vereniging Oud Lisse. Het nageslacht ? Wie is dat? Zijn dat de generaties die na ons komen? Ongetwijfeld. Maar, WIJ zijn dat net zo goed; wij zijn het nageslacht van TOEN. Het lijkt mij van het grootste belang dat aspecten van het verleden ook voor onszelf worden bewaard. Als je ouder wordt is HERBELEVEN namelijk steeds waardevoller. De Vereniging Oud Lisse creëert hiervoor een kader en ik hoop dat meerdere dorpsgenoten geïnspireerd worden ook op zo’n manier naar het verleden te kijken en ook actie ondernemen om te behouden voor straks, maar ook voor NU.”

Na de restauratie ziet het schip er weer mooi uit

Nadat ze nog allen die hadden meegewerkt aan dit project bedankte kon ze samen met wethouder De Roon de onthulling verrichten. Restaurateur Van der Meij wees nog op de verschillende kleuren van de zeilen en de golven in de raampjes en vertelde hoe moeilijk het was geweest om voot de restauratie weer het juiste antieke glas te krijgen. De raampjes verluchten dus voor een periode van 4 weken de raadszaal, maar kunnen vanuit de gang prachtig bekeken worden. Je zou er bijna een extra bezoek aan de gemeentewinkel voor gaan afl eggen.

Else Wesseling en Arie de Roon bij de net onthulde raampjes.

Pioniers in de tulpenbroeierij

Jan Hageman, cultuurbaas bij Leo van Grieken, was aan het experimenteren met het vervroegen van tulpen door warmte. In 1929 werd dit in de praktijk gebracht. Zij betalen Hageman f. 10000,- voor een volledige beschrijving en geheimhouding tot eind 1932. De resultaten in de loop der jaren waren matig tot slecht. De animo daalde tot een dieptepunt. Andere ontwikkelingen met koeling snelden de groep voorbij.

door Jan Hageman

NIEUWSBLAD Jaargang 11 nummer 4, oktober 2012

Inleiding.

Wie tegenwoordig midden in de winter een bosje tulpen wil kopen, hoeft niet veel moeite te doen en kan daarvoor bij iedere bloemenkiosk terecht. Toch is dit niet normaal. Tulpen bloeien immers pas in de maanden april en mei. Die mogelijkheid hiertoe werd gegeven door de opkomst van broeierijen in de laatste 50 jaar. De eerste stappen tot het broeien van tulpen waren niet eenvoudig. Allerlei technische beperkingen en vooral het gebrek aan verfijnde wetenschap t.a.v. het groeien en bloeien van tulpen blokkeerden een degelijk productieproces.

Pioniers.

Begin jaren 20 van de vorige eeuw waren Professor van Slogteren en Nicolaas Dames al intensief bezig met het vervroegd laten bloeien van hyacinten. Dat gebeurde met redelijk succes, waardoor beide heren flink in aanzien stegen bij alle grote en kleine kwekers uit de omgeving. De combinatie van deze twee personen was ook uiterst sterk. Van Slogteren was de wetenschapper van het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek en Nic. Dames een befaamd kweker. Toch bleken er naast deze twee grootheden ook andere pioniers bezig te zijn met het ‘jaarrond telen’ van bloembollen. Een daarvan was Jan Hageman uit Lisse. In het dagelijks leven cultuurbaas  bij Kwekerij en Handel Leo van Grieken. Jan Hageman moet als specialist in de hyacintenteelt op de hoogte zijn geweest van de verrichtingen van Van Slogteren en Dames. Dit bracht hem tot het idee te experimenteren met tulpen. Zo ontwikkelde hij het Systeem Hageman. Het stond weliswaar nog in de kinderschoenen, maar hij vond het al rijp genoeg om het aan te bieden aan grote kwekerijen en exporteurs uit de omgeving. Zijn gedachte was dat, wanneer het systeem zou slagen, kwekerijen eindelijk ook in de winter werk hadden voor hun personeel. Daarnaast zouden exporteurs nieuwe markten kunnen aanboren in het buitenland. Hij vertrouwde zijn kennis aan het papier en benaderde enkele grote kwekerij- en handelsbedrijven in en rond Lisse.

De start.

De benaderde bedrijven, die uiteindelijk ook deelnamen aan de ‘werkgroep’ waren niet de minste:

N.V. v/h J.J. Grullemans & Zn te Lisse, N.V. v/h H. de Graaf & Zn te Lisse, J.A. v.d. Voort & Co te Sassenheim, N.V. v/h W. Warnaar & Co te Sassenheim, N.V. Gebr. Segers te Lisse en N.V. v/h C.J. Speelman & Zonen te Sassenheim.

Op 22 januari 1929 vindt ten kantoren van C.J. Speelman de eerste bijeenkomst plaats. Gastheer Joh. Speelman zit de club voor en overtuigt de aanwezigen dat het ontwikkelen van het ‘Systeem Hageman’ niet alleen goed is voor het vak, maar ook een zeer zinvolle bezigheid is gedurende de altijd rustige wintermaanden voor de kwekers. Hij beseft dat het systeem nog in de kinderschoenen staat, maar desondanks veel belooft. Jan Hageman geeft zijn geheimen natuurlijk niet voor niets prijs. Er wordt daarom het volgende afgesproken. Hij ontvangt van de genoemde firma’s een bedrag van Fl. 10.000,- te betalen op 5 februari 1929 tegen overgave van een volledige beschrijving van het systeem Hageman. Alle partijen verbinden zich deze broeimethode onder alle omstandigheden geheim te houden tot ten minste l  oktober 1931.

Jan Hageman in 1940

Punt was nog wel dat Hageman als werknemer van N.V. v/h Leo v. Grieken genoodzaakt was zijn werkgever deelgenoot te maken van deze overeenkomst, evenals een reeds eerder door hem benaderd bedrijf: N. V. Gebrs. van Zanten te Hillegom. Daarnaast wordt afgesproken dat Hageman gedurende het jaar 1929 zelf alle -bij de aangesloten bedrijven- opgezette bloembollen volgens het systeem zal controleren. Hiervoor ontvangt hij nog eens Fl. 2.500,-, af te rekenen op l september 1929. Ook geldt voor Hageman een boeteclausule van Fl. 3.000,- indien het geheim door zijn toedoen, hetzij opzettelijk of ongewild aan anderen wordt bekend gemaakt. De bijeenkomst van 5 februari verschuift naar 22 februari 1929. Nu zijn ook Leo v. Grieken en J. Veldhuyzen v. Zanten aanwezig. Tevens zijn uitgenodigd notaris ten Bruggencate en kandidaat notaris Houtzwagers uit Lisse. Nogmaals wordt er lang vergaderd over de geheimhoudingsplicht. Wat te doen als buitenstaanders een vermoeden krijgen en er naar vragen? ‘Bij eventuele navraag dient geantwoord te worden, dat men er niet over spreken mag’, vermelden de notulen. Over de boeteclausule voor de heer Hageman m.b.t. de geheimhoudingsplicht had notaris ten Bruggencate nog wel enige aanmerkingen. Deze afspraak werd door hem te eenzijdig gevonden. In het conceptcontract werd daarom een algemene boeteclausule opgenomen zonder een bedrag te noemen. Ook werd aan Hageman verzocht de geheimhoudingstermijn met nog een jaar te verlengen (tot 1932), waarna allereerst nieuwe afspraken gemaakt zouden worden alvorens naar buiten te treden. De werkwijze van de werkgroep wordt ook vastgelegd. ledere firma broeit zelf 10 soorten bollen volgens systeem Hageman geprepareerd en brengt ze ieder jaar rond 15 januari bijeen, teneinde op die wijze elkaars resultaten te kunnen vergelijken en bespreken, dit tot lering van allen ‘.

Aan het werk.

Een week later zit de groep weer bij elkaar op de inmiddels vaste locatie van N.V. C.J. Speelman & Zn. Men keuvelt nog wat na over de belangrijke besluiten van de week daarvoor. Zo meent de heer J.M. v.Til (N.V. H. de Graaff & Zn) dat ‘het vak door het systeem Hageman veel gebaat zal worden, omdat door onderlinge samenwerking en vertrouwen de zaak veel vervroegd zal kunnen worden wat ook de omzet zal verhogen’. Daarna gaat men over tot het echte werk. Kernzaken van de methode zijn dat te prepareren tulpen het jaar te voren niet te laat geplant mogen worden en dat tijdens de preparatie niet hoger gestookt mag worden dan 68 a 70 graden. De preparatie zelf duurt circa 3 weken. Hoe vroeger de tulpen bloeien, des te beter zij zich het jaar daarna laten vervroegen. Ook een gelijkmatige temperatuur is het beste voor de tulpen.

Al deze soorten worden in uniforme kistjes geplant met 9 bollen per kistje. Presentaties zullen -alleen voor de contractanten- worden gehouden bij N.V. H. de Graaff & Zn. te Lisse. Het enthousiasme is groot en twee dagen later vergadert de voltallige groep weer ten kantore van C.J. Speelman & Zn. Er moet nog het een en ander geregeld worden. Men besluit dat Hageman alle bollen voor de proefnemingen bij één firma aankoopt. Daarnaast koopt hij nog eenzelfde aantal bollen, die niet geprepareerd zullen worden. Hiermee kan men een mooie vergelijking maken. De reden dat de bollen bij één firma gekocht zullen worden is omdat men dan zeker weet dat alle bollen zijn gegroeid in dezelfde grond. Tenslotte wordt iedereen verzocht van zijn eigen partijen ook een kistje op te planten met geprepareerde tulpen. De ’techniek’ van het systeem Hageman laat zich als volgt omschrijven: ‘Bollen voor vroegbroei moeten na de preparatie niet direct opgepot worden, doch kunnen wachten tot de laatste week van Augustus. Wanneer tulpen, welke geprepareerd moeten worden, binnenkomen, dan tot 80 graden stoken, 17 dagen op temperatuur houden en dan langzaam minderen. Wanneer de eerste dagen 80 graden gestookt wordt, moet men niet te veel luchten, omdat het om te broeien van belang is de huid niet te hard is. Stughuidige tulpen moeten even rijper zijn met rooien’.

We hebben het over de jaren ’20, toen gebruikte men nog de eenheid Fahrenheit voor temperatuuraanduiding (80°F=27,7°C) De echte handelaren uit het gezelschap denken dan alweer een stapje verder. Hoe moet men namelijk de geprepareerde tulpen transporteren naar het buitenland? Er ontstaat een levendige discussie, vooral ook omdat niemand een pasklare oplossing heeft. Uiteindelijk wordt op l voorstel van dhr. Van Til (H.de Graaff&Zn) besloten, dat de N.V.C.J. Speelman & Zonen voor gezamenlijke rekening een paar kisten bollen als proef, verpakt in viltpapier, met opzij in de kist 3 l gaten voor ventilatie, naar Amerika zendt.

Het complex van H. de Graaff en Zonen

De resultaten van de eerste broeiproeven worden besproken op 30 december 1929. In de pakplaats van H. de Graaf & Zn staan alle ingezonden kistjes opgesteld. De resultaten waren nogal wisselend. Ten kantore van genoemde firma wordt de bijeenkomst voortgezet en worden alle proeven per firma en soort uitvoerig besproken (en genotuleerd) met de bijbehorende beoordeling. Ook de proefkisten kwamen ter sprake. Speelman was uitgegaan van een gewone kist, die aan de binnenzijde bekleed was met viltpapier. Midden in de kist had men een buis met houtwol en kalk geplaatst om het eventuele vocht van de bollen op te nemen. Op 25 september van dat jaar werd de kist in Amerika weer geopend en gesloten. Vervolgens werd een maand later op de eindbestemming de kist definitief geopend. De kalk was tijdens het vervoer dan wel door de bollen gegaan, echter de bollen bleken kurkdroog en zagen er goed uit. In deze kist bevonden zich o.a. de soorten Copeland en Vuurbaak. Eenzelfde kist had men tussen 16 augustus en 3 november bij een warmte van 85 gr geplaatst bij Fa. v.d. Voort & Co. In deze kist bevonden zich La Reine soorten en Darwin soorten. Eerstgenoemde hadden verdroogde neuzen, terwijl de Darwin soorten zich uitstekend gehouden hadden. De algehele conclusie is dat men er nog niet is. Men wijt dit aan de koude winter gevolgd door een warme zomer van 1929. Een week later op 8 januari 1930 zet de discussie zich voort ten kantore van H. de Graaff&Zn. Er worden allerlei redenen aangedragen waarom de testen wat tegenvielen. V.d. Voort wijt dit aan de eerder genoemde warme maanden augustus en september. Hij vermoedt dat er veel klachten zullen komen uit de niet noordelijke landen. De heer Veldhuyzen van Zanten meldt daarentegen dat Berlijn en Kopenhagen best zijn. Ondanks de magere resultaten wordt er door de deelnemers dus al flink verkocht in het buitenland. Gezamenlijk is men van mening dat de bewaarplaats NA het behandelen van even groot belang is als het prepareren zelf. De heer Hageman voegt er aan toe dat de geprepareerde tulpen het verst heen waren in ontwikkeling. Deze bollen hebben naar zijn mening dan ook het meest geleden van de warmte in september. Wanneer de bloem iets gekrompen is door de warmte en de neus beschadigd is, komen ze altijd stugger op. En naast de warmte van de zomer is er ook veel droogte geweest. Hetgeen volgens hem de tulpen ook geen goed heeft gedaan, omdat deze bollen weinig vocht van zichzelf hebben. Men maakt nieuwe afspraken voor een volgende proef komende zomer. Unaniem is men van mening dat deze volgende proef serieuzer dient te zijn en dat er goede afspraken moeten worden gemaakt. In dezelfde maand op 22 januari komt het gezelschap nog bijeen voor de beoordeling van de 2e periode. Ook hier zijn de resultaten zeer wisselend. Men is ook nog niet in staat aan te geven waarom de vroegbroei soms wel lukt en een andere keer niet. De heer Joh. Speelman stelt voor om een andere bekende tulpenbroeier, dhr. Zoeteman, bij de groep te betrekken. De heer Veldhuyzen v Zanten werpt echter tegen dat Zoeteman weliswaar een succesvol broeier is in februari, echter ‘dat hij van zijn vroegbroei nog nimmer wonderen heeft gezien’.De anderen zijn het daarmee volledig eens. Wel wordt afgesproken dat de heer Grullemans een collectie tulpen door Zoeteman zal laten broeien (tegen vergoeding), maar dat hij buiten de club gehouden zal worden. Intussen vindt het broeien van bollen in een kas ook opgang. Dit geeft de deelnemers weer enig nieuw perspectief. De heer Hageman wordt derhalve verzocht prijzen op te vragen voor de bouw van een broeikas ten laste van het gezelschap. Wat betreft de transportkisten had de heer Hageman in de afgelopen zomer een nieuwe kist ontworpen, waarbij aan de binnenzijde van iedere hoek een plankje schuin was aangebracht. De hierdoor ontstane ruimtes konden dan gevuld worden met kalk teneinde de bollen tijdens transport droog te houden. De aanwezigen waren enthousiast over dit idee en besloten octrooi aan te vragen, ‘ zodat de kist alleen maar beschikbaar kon zijn voor de deelnemers van de vroegbroei proeven. Op 28 mei 1930 komt het gezelschap weer voltallig bijeen. De bijeenkomst begint met het uitwisselen van de ervaringen in het buitenland. Van der Voort meldt dat er klachten kwamen uit Denemarken over de lichte kleur van Copeland. Warnaar had veel klachten gekregen uit Engeland en de USA. Daarentegen had Segers geen klachten. Ook Van Grieken had geen goed en geen kwaad gehoord. Van Zanten had problemen in Duitsland met La Reine soorten en Speelman had buiten Copeland geen bijzondere meldingen gehad. Voorts komt het voorstel van Zoeteman aan de orde. Besloten wordt dat Grullemans bollen zal prepareren volgens het systeem en door Zoeteman zal laten broeien. Ook de door Hageman opgevraagde offerte voor een broeikas van 10×6 meter ad Fl. l .775,- komt ter sprake. Men houdt dit nog even aan in afwachting van de resultaten van het nieuwe seizoen. Daarna volgt een minutieuze opstelling van een plan de campagne voor het nieuwe jaar. Aan het slot van de bijeenkomst spreekt men af dat de heer Warnaar een paar kisten met behandelde tulpen zal laten opslaan in een koelinrichting en dat de firma Speelman zal zorg dragen voor een kist bollen naar de USA die op dezelfde wijze verpakt zal zijn als het afgelopen jaar. Tenslotte stelt dhr Joh. Speelman voor dat de heer Hageman Fl. 20,- per dag mag ontvangen voor het toezicht houden in de preparatie kamers. Zijn werkgever Van Grieken vindt dit een vorstelijke beloning en behoudt zich het recht voor om hierover eerst onder vier ogen met Hageman te spreken. De volgende bijeenkomst is op 14 januari 1931. Als eerste wordt de brief behandeld die de heer Warnaar heeft geschreven naar het hele gezelschap. De heer Warnaar zelf is niet vanaf het begin bij de besprekingen aanwezig geweest en stelt daarom de vraag wat er precies is afgesproken met Hageman. Aanleiding hiervoor is natuurlijk het matige resultaat van alle proeven tot nu toe. De heer Joh. Speelman antwoordt dat alle aanwezigen toch echt iets in het systeem zagen en vonden dat er iets goeds in zat. De heer Grullemans vult aan dat men alleen de kennis van Hageman heeft gekocht en dat het gezelschap zelfde proeven moeten uitwerken en moet onderzoeken of het geschikt is voor export. Hij onderstreepte dat Hageman geen garantie kon geven. De heer Warnaar was hiermee snel tevreden gesteld mede doordat juist de ingebrachte zendingen van v.d. Voort en Warnaar zelf van uitstekende kwaliteit waren. Vervolgens worden weer alle ingebrachte bloemen per inzender uitvoerig beoordeeld en genotuleerd. De waarderingen variëren weer van knap tot matig/slecht. Tenslotte vindt er een levendige discussie plaats over de geweldige resultaten van gebroeide hyacinthen door de Vereniging De Hyacinth, die de plaatselijke pers hebben gehaald. De heer Joh. Speelman vraagt zich af of dit systeem te koop is en zou graag zien dat de overige deelnemers mee zouden doen met deze ontwikkeling. Eventueel zou men de vereniging aan kunnen schrijven, daar de meeste deelnemers aan het systeem Hageman lid zijn van genoemde vereniging. De heren Grullemans en Van Zanten wijzen dit voorstel echter af, omdat dit bij de vereniging thuis hoort en dit de exclusiviteit van deze combinatie zou kunnen schaden. Een meerderheid van de aanwezigen is het hier mee eens. Een nieuwe bijeenkomst staat gepland op vrijdag 23 januari 1931. Notulen hiervan ontbreken echter. Het zal dus nooit duidelijk worden of er een bijeenkomst op die datum heeft plaats gevonden. Het is bijna een jaar later, 29 december 1931, als het gezelschap weer bijeenkomt ten kantore van N. V. H. de Graaff & Zn. Door bemiddeling van de heer Hageman is na de voorafgaande zomer een partij bollen voor korte tijd in de koelinrichting van Prof. v. Slogteren opgeslagen geweest. Deze actie gaf echter geen zichtbare verbetering. Integendeel: enkele partijen vond men juist achteruit gegaan. Volgens Hageman is dit waarschijnlijk te wijten aan de te korte periode in de koelinrichting. Ook nu bleken de resultaten van de proeven matig en zeer wisselvallig. De heer Warnaar vindt dat men met dit systeem op de verkeerde weg is. Zijn animo is tot een dieptepunt gedaald. Ook constateert hij dat andere vakgenoten met de ontwikkeling van geprepareerde tulpen deze groep vooruit snelt. De heer C.J. Speelman bevestigt deze gevoelens. Schoorvoetend sluiten de overigen zich bij deze conclusie aan. Een maand later op 26 januari 1932 komt het gezelschap nogmaals bijeen. De groep is dan niet meer compleet, want de N.V. C.J. Speelman & Zonen hebben per brief te kennen gegeven niets meer te voelen voor een voortzetting met het systeem Hageman. Men ziet meer in het vervroegen van tulpen met het zogenaamde koelsysteem dat in opmars komt. Ook de heer Warnaar laat verstek gaan om dezelfde reden. De heer Veldhuyzen v. Zanten is een weinig teleurgesteld in de opstelling van deze deelnemers. Hij acht de bijeenkomsten in de winter een zeer zinvolle besteding. Het gaat tenslotte om iets van elkaar te kunnen leren. Zeker nu H.de Graaf & Zn NV deze keer een aardig resultaat heeft behaald met de geprepareerde bollen ziet hij nog ruimte voor verbetering van het systeem. Wel moet hij toegeven dat met de huidige resultaten er niet doorgegaan kan worden met het versturen van geprepareerde tulpen naar de klanten. Daarvoor is het systeem Hageman nog niet ver genoeg ontwikkeld. Na de bespreking van de inzendingen komt men tot de conclusie dat in deze tijd van het jaar behandelde tulpen een beter resultaat geven dan onbehandelde. Er wordt nog wel een nieuwe afspraak gemaakt voor de zomer. Notulen hiervan (en daarna) ontbreken echter. We mogen derhalve aannemen dat in het voorjaar van 1932 de groep uit elkaar gevallen is.

Epiloog.

Wat we weten van Hageman is dat hij een goede verstandhouding had met Van Slogteren van het laboratorium. Dat gold dan vooral op vaktechnisch gebied. Zijn gedachtegang is geweest het voorjaar voor tulpen te vervroegen door de ‘lente naar voren te halen’. Door de tulpen enige tijd in de schuur warm te bewaren had hij het gevoel deze methode een extra impuls te geven. Het uitbroeien moest dan de rest doen. Bij de aanvang van zijn experimenten waren gebruiksklare koelsystemen nog niet op de markt. Hij had dus geen andere keuze dan de warmtebehandeling. Toen rond 1930 wel de eerste bruikbare koelinstallaties op de markt kwamen werd er buiten deze groep kwekers volop geëxperimenteerd. Het bleek al snel dat een koude periode voorafgaand aan het uitbroeien (de ‘winter naar voren halen’) een beter resultaat gaf. De voortschrijdende techniek heeft zijn systeem a.h.w. ingehaald. Wat hij er natuurlijk wel aan over hield was de tienduizend gulden, een voor die tijd aanzienlijk bedrag. Een deel van het geld ging naar zijn gezin. Maar voor het overgrote deel had hij een andere bestemming. Achter in de tuin van zijn woonhuis aan de Julianastraat verrees een broeikas en opzij van het huis een kleine bollenschuur. Samen met zijn inmiddels vijftienjarige zoon Jacques richtte hij hiermee de Bloembollen en Dahliakwekerij J.H. Hageman & Zoon op. Teeltgrond was niet beschikbaar, dat werd dus gehuurd. En zo ontstond weer een kleine kwekerij, zoals er in die tijd al velen waren. In 1946 kwam Jan Hageman te overlijden en werd het bedrijf een eenmanszaak. Toen vervolgens halverwege de jaren ’50 zoon Jacques langdurig ziek werd, moest het bedrijfje noodgedwongen worden stopgezet.

AANVULLINGEN/REACTIES

Ie winter staat weer voor de deur en daarmee ook de broeierij van tulpen. Een jaar geleden stond in het Nieuwblad het verhaal van de methode Hageman om tot een nieuwe methode van broeierij te komen en de ‘werkgroep’ die zich daar omheen vormde. Dat de methode ook in die

tijd al als achterhaald te beschouwen was blijkt uit onderstaande ingezon­den brief. Het aardige van het originele artikel is natuurlijk dat, hoewel de methode ook toen al aantoonbaar incorrect was, het een tijdsbeeld schetst waarin zelfs bedrijven van naam niet volledig op wetenschappelijk onder­zoek vertrouwen en daardoor op het verkeerde paard wedden.

Maarten Timmer schrijft aan Jan Hageman

“Met belangstelling het verhaal over uw vader gelezen. ‘Pioniers ‘stond er boven het stuk dat handelt over de periode 1929 tot 1932. Maar gezien tegen de context van wat toen al bekend was over de broeierij van tulpen zou ik liever zeggen ‘achterlopers’. Een korte historische schets om dat toe te lichten.

Toen N. Dames in 1910 trots het vak liet weten dat hij een methode (het preparen) had gevonden die Kerstmisbloei van hyacinten garandeerde was Van Slogteren nog in geen velden of wegen te bekennen. Die kwam pas in 1917 naar Lisse en had toen zijn handen meer dan vol aan onderzoek naar de bestrijding van ziekten en plagen. Hij kwam pas in 1930 toe aan onderzoek naar de ‘vroegbroei van onze bolgewassen’. Toen bouwde hij voort op het werk van de echte pionier als het gaat om de vroegbroei van tulpen: de Wageningseprofessor Blaauw. Die begon in september 1917 in Wageningen . Na en in overleg met Volkersz, de directeur van de Rijks Middelbare Tuinbouwschool en Rijkstuinbouwleraar in Lisse, koos hij als onderwerp het preparen en forceren van bloembollen. Volkersz zorgde dat hij hyacintenbollen kreeg en het onderzoek was uitermate succesvol. Zo leverde Blaauw in 1920 al de wetenschappelijke grondslag van de methode van Dames. In 1922 begon Blaauw aan het onderzoek naar de invloed van de schuurbehandeling van tulpen. De bollen daarvoor kreeg hij van de firma Tubergen uit Haarlem terwijl de Hollandsche Cultuur Maatschappij uit Vogelenzang een groot deel van het onderzoek betaalde. In 1925 slaagde Blaauw erin om Darwintulpen met Kerstmis in bloei te krijgen zonder abnormaal vroeg te rooien of andere kunstgrepen (grondverwarming) toe te passen.

Volkersz die natuurlijk goed op de hoogte was van het onderzoek was inmiddels ook Rijkstuinbouwconsulent geworden en vond dat begin 1928 de tijd rijp was om over de Blaauwse methode uitgebreid voorlichting te gaan geven. Zijn lezingen waarmee hij het land doortrok trokken honderden belangstellenden. Bovendien gaf Volkersz in zijn lezingen allerlei tips voor het forceren van tulpen die hij ontleende aan de Rijnsburgse praktijk, de bakermat van de tulpenbroeierij in Nederland.

Dus toen Hageman in 1929 met zijn methode kwam was eigenlijk alles al bekend en kunnen we met behulp van de Blaauwse methode wel aangeven waarom het regelmatig mis ging bij de methode Hageman. Hij gaf namelijk tijdens de bewaring teveel warmte waardoor de aanleg van de bloem werd geremd en men gaf na de warmte te weinig koude om de strekking op gang te brengen.

Dat men daar nou zoveel geld voor over had is eigenlijk het meest wonderlijke in uw verhaal…

Brood in 1830 van Bakker Rotteveel

Beschreven wordt hoe er in de 19e eeuw brood werd gebakken van het maken van meel tot het eindproduct in de winkel. Johannes Rotteveel had een winkel aan de Heereweg. Bij zijn overleden in 1880 werd de winkel verkocht aan Freriks.

door Dirk Floorijp

NIEUWSBLAD Jaargang 11 nummer 3, juli 2012

Dee bovenstaande familiegeschiedenis  van Van der Tang (10) eindigt met het aanhalen van het journaal van broodbakker Johannes Rotteveel. Dirk Floorijp schreef een verhaal, wat hierna te lezen is, over brood in 1830 van, jawel, bakker Rotteveel. Vanzelfsprekend liet bakker Rotteveel zijn meel malen in de korenmolen van Lisse. Over deze en veel andere molens uit de streek kunnen we lezen in de kroniek van Cornelis van der Zaal, (1762-1839). De uitgave van deze kroniek is naar verwachting in september gereed. Van der Zaal, meester timmerman en molenmaker, woonde aan het Vierkant. Ook Van der Zaal schrijft over barre winters. Hieronder vast een voorproefje uit de kroniek uit januari 1823.

En toen woensdag den 22 en 23 en 24 en 25 en 26 zoveel kou en met zware vorst vergezeld, zoals wij nog nooit hebben beleefd. Volgens de waarnemer was het donderdag den 23ste twee graden kouder geweest als in het jaar 40 en den 26ste zondag moest mijn dochter in ondertrouw toen het heel de voormiddag zwaar sneeuwde, ja zo, dat wij een pad moesten laten maken van mijn huis naar het  rechthuis en naar de kerk, zodat zij voor alleen uitgaan bevrijd bleven.

Het rechthuis werd hiervoor in dit nieuwsblad ook al genoemd in de nieuwsflits over het verdwijnen van het bankgebouw aan het Vierkant.

Redactie

Hieronder volgt het verhaal van Dirk

Wat kwam er allemaal voor kijken om in de 19e eeuw een brood te bakken, en wat waren de kosten die hier aan verbonden waren. We gaan er achteloos aan voorbij als we even bij de bakker of de supermarkt een brood kopen.  De volgen eens een opsomming van het hele proces van een mud tarwe vanaf het aanbieden bij de korenmolen aan de gracht tot het eindproduct: een brood in de bakkerij van Johannes Rotteveel aan de Heereweg.

Proces-verbaal.

Heden den negen en twintigste mei achttien honderd dertig, des morgens ten zeven ure, hebben wij Mr. D.C. Gevers van Endegeest, lid van het college van Heeren Gedeputeerde Staten van Zuidholland, te dezen door Hun Edele Groot Achtbare specialijk gecommitteerd, en L. van Arxhoek, eerste assessor, waarnemende de functien van Burgemeester der gemeente van Lisse, ons bevonden in voornoemde gemeente, in de broodbakkerij van Johannes Rotteveel, ten einde te constateren hoeveel brooden en ponden brooden er uit een Nederlandsche Mudde tarwe, en een Nederlandsche Mudde rogge kunnen gebakken worden.

  1. Een Mudde tarwe, geteeld in dit kanton, zijnde van het gewas van den jare achttien honderd negen en twintig, hetwelk, toen het ter molen gebracht werd, zonder zak, woog drie en zeventig ponden en gekocht was voor elf guldens.
  2. Een Mudde rogge van het gewas van den jare achttien honderd negen en twintig, geteeld in dit kanton, hetwelk toen het ter molen gebracht was, woog, zonder zak, acht en zestig ponden en gekocht was voor zes guldens. Bedragende het maalloon van een Mudde tarwe, zestig centen. Idem het maalloon van een Mudde rogge, vijftig centen.

Na de bemaling hebben wij bij de weging bevonden, dat het Mudde tarwe,sub no. l zonder zak een gewigt had van twee en zeventig ponden, gedestineerd om te worden gebuild.

Verders hebben wij het voornoemde Mudde tarwe zoo als hier gebruikt wordt, in een buil doen storten, welke bewerking heeft opgeleverd. Bloem van eerste kwaliteit vier en dertig ponden. Bloem van tweede kwaliteit veertien ponden. Kort en zemelen vier en twintig ponden.

De voormelde bloem van de eerste kwaliteit tot vier en dertig pondenbeslagen zijnde, en daartoe gebruikt. Twee en twintig ponden zes oncen melk, kostende zeventig centen. Twee ponden gist, kostende eene gulden twintig centen. Tien oncen zout kostende zestien centen. Vijf oncen reuzel kostende vijf en dertig centen.V an hetzelfde beslag zijn voorts opgemaakt honderd en twee brooden, iedervan vijf oncen en zes looden daar en boven voor het inbakken. Deze brooden daarna in den oven gedaan en een u r gebakken zijnde, hebben opgeleverd een gewigt van twee en vijftig ponden. Tot dit baksel zijn gebruikt zes takkebossen, kostende acht en veertig centen.

Vervolgens is men overgegaan tot de bewerking van het Mudde tarwe, zoals het van den molen gekomen was, krop uit de zak, hetgeen door den bovengemelden Rotteveel is beslagen geworden, waartoe door denzelven gebruikt zijn vier en veertig ponden warm water; een pond gist kost zestig centen en 5 oncen zout kosten acht centen. Van hetzelve beslag zijn opgemaakt, een honderd en zes brooden, ieder van tien oncen, en twaalf looden daarenboven voor het inbakken, en deze brooden daarna in den oven gedaan , en een uur gebakken zijnde, hebben te zamen opgeleverd een gewigt van een honderd ponden. Zijnde tot dit baksel gebruikt zes takkebossen, kostende acht en veertig centen.

Laatstelijk is voormelde J. Rotteveel in onze tegenwoordigheid overgegaan tot de bereiding van het Mudde rogge hiervoren gemeld, wegende acht en zestig ponden. Hiertoe is gebezigd: een pond zout kostende zestien centen; Zes en dertig ponden twee oncen warm water; gist en smeersel is hier nie t toe gebruikt.Na eene behoorlijke bewerking zijn van hetzelfve beslag opgemaakt een en dertig brooden van een half, en zestien brooden van drie ponden, en twee oncen daarboven voor het inba kken. Deze brooden in den oven gezet en vijf uren gebakken zijnde, hebben tezamen een gewigt opgeleverd van negentig ponden vijf oncen. Zijnde tot dit baksel mede gebruikt zes takkebossen, kostende acht en veertig centen. En het kort en zemelen begroot op vijf en negentig centen. Van al hetwelk het tegenwoordig proces-verbaal is opgemaakt en getekend te Lisse, ten dage, maand en jare 1830.

De kosten voor het mud tarwe bedroegen 14 gulden 49 cent. Het arbeidsloon van de bakker en bedrijfskosten zullen wel doorberekend zijn in de verkoop van het brood.

Johannes Rotteveel werd geboren in Sassenheim 2 januari 1804, is overleden 24 december 1880 in Lisse. Hij bezat een broodbakkerij aan de Heereweg, nu het pand nr.204 van T.Freriks. Na het overlijden van Johannes verkocht zijn zoon Adrianus (Arie) Rotteveel geboren, 3 december 1839 Lisse en overleden 26 november 1927, de broodbakkerij aan Cornelis Johannes Freriks broodbakker aan de brouwersgracht in Amsterdam. Geboren Amsterdam 6 januari 1864 en overleden Lisse 23 juli 1921.

Bij de hoofdelijke omslag van 1880 staan er drie broodbakkers vermeldt in Lisse op een bevolking van 2149 zielen. Als grootste bakker werd Johannes Rotteveel aangeslagen voor 8 gulden. De zaken gingen toch wel voorspoedig. In 1869 werd hij nog aangeslagen voor 3.75 gulden, toen op een bevolking van 1942 zielen.

Bron;

G.A.Lisse inv.nr. 1125

De korenmolen aan de gracht, alwaar het door bakker Rotteveel gebruikte meel zal zijn vervaardigd (afbeelding uit de collectie van Chris Balkenende, verzamelaar van ansichtkaarten).

Kroniek van de Lisser timmerman en molenmaker Cornelis van der Zaal

Kroniek van van der Zaal

Cornelis van der Zaal, timmerman en molenmaker maakte een compleet overzicht van alle 22 molens, die hij had gebouwd of er werkzaamheden aan had verricht

Nieuwsflits

NIEUWSBLAD Jaargang 11 nummer 2, april 2012

Cornelis van der Zaal, timmerman en molenmaker in Lisse maakte in 1838 aan het einde van zijn leven een compleet overzicht (kroniek) voor zijn zoon van de door hem verrichte werkzaamheden aan alle (ca. 22!) door hem gebouwde en/of onderhouden molens in Lisse, Hillegom, Sassenheim, Noordwijkerhout en Voorhout. Cornelis was lid van een zeer bekende molenmakers familie uit Lisse die aan het Vierkant woonde. Zijn woning (Heereweg 225) is nu een gemeentelijk monument. In zijn voormalige werkplaats achter zijn pand is nu het Museum de Zwarte Tulp gevestigd.

Dit unieke manuscript dat de Vereniging Oud Lisse in 2007 ter transcriptie om het als boek uit te geven, werd aangereikt door een nazaat van Cornelis (mevr.P. Raggers – van der Zaal) is van belang voor de regionale historie!

Ons zeer actieve lid dr. A. J. (Bert) Kölker, gepensioneerd archief inspecteur van de Prov. Noord Holland en voormalig bestuurslid van de vereniging “De Hollandse Molen”, heeft de transcriptie en bewerking in november 2011 afgerond. Samen met de vormgever Ron Stolk en leden van de redactiecommissie van ons Nieuwsblad heeft Bert de kroniek voor de uitgave gereed gemaakt en voorzien van commentaar, inclusief een beschrijving van de geschiedenis van de 22 in de kroniek genoemde molens.

Om de drukkerskosten te dekken werden vanaf december 2011 veel fondsen en ook particulieren benaderd, waarvan velen al positief gereageerd hebben op ons donatie verzoek. Ook de Gemeente Lisse (commissie culturele zaken o.l.v. weth. Adri de Roon) heeft positief gereageerd op ons verzoek om subsidie, maar had eerder als voorwaarde gesteld om ook andere subsidiemogelijkheden te onderzoeken. Omdat diverse fondsen al positief hebben gereageerd op onze subsidie aanvragen, heeft de Vereniging nogmaals de Gemeente gevraagd om het nog resterende gat in de kosten te dichten. We hopen daar binnenkort uitsluitsel over te krijgen.  De Vereniging Oud Lisse hoopt namelijk dit voorjaar het boek te gaan drukken. Het boek omvat 213 pagina’s en is geïllustreerd met 105 oude prenten, foto’s en andere afbeeldingen. De verkoopprijs zal ongeveer 17,5 Euro gaan bedragen.

Kroniek van de Lisser timmerman en molenmaker Cornelis van der Zaal

Kroniek van de Lisser timmerman en molenmaker Cornelis van der Zaal

BEELDVERHAAL

De beeldbank van de Vereniging Oud Lisse bevat inmiddels ruim drieduizend foto’s. Vanwege het honderdjarig bestaan van de Hobaho hebben we de laatste tijd extra aandacht besteed aan het verzamelen van foto’s over dit bedrijf. Dat is goed gelukt en met een “beeldverhaal” hebben we de geschiedenis van de Hobaho letterlijk in beeld gebracht. Het nieuwe beeldverhaal staat op de website van VOL.

door Jan van der Voet

Jaargang 20 nummer 2, 2021

In het vorige nummer van het VOL Nieuwsblad is in tekst uitgebreid aandacht besteed aan het jubileum. Met het beeldverhaal proberen wij de geschiedenis van de Hobaho ook in foto’s te vangen. Het bedrijf heeft een belangrijke rol gespeeld cn de ontwikkeling van Lisse. Denkt u aan de locatie: het bedrijf was eerst gevestigd aan de rand van het dorp, maar langzamerhand werd dat het centrum. En nu heeft het weer de rand opgezocht. In de loop van de honderd jaar hebben heel veel mensen met het bedrijf te maken gehad, vooral werknemers en zakelijke contacten. De bemiddeling bij de aan- en verkoop van bloembollen is van karakter veranderd: de traditionele veiling, met alle ruimte die daarvoor nodig was, bestaat niet meer. Het bedrijf heeft samen met de andere veiling (nu CNB) een centrale rol gespeeld in de ontwikkeling van de bloembollensector. En veel mensen kennen de Hobahohallen ook van allerlei evenementen die daar hebben plaatsgevonden.

BEELDVERHAAL
De Haven in ca. 1955 met auto’s die nu museumwaardig zouden zijn Rechts de Hobaho en café-restaurant De Beurs.
door Jan van der Voet Van corsofestivals tot oldtimershows en van detailhandelsbeurzen tot verkeersles voor kinderen van de lagere school. Van veel van die aspecten hebben we interessante foto’s, maar er moeten er nog veel meer zijn. De beeldbank bevat veel oude foto’s die het verhaal van Lisse vertellen, vooral dat van na 1900. Door de foto’s digitaal op te slaan bewaren we ze voor volgende generaties en voorkomen we dat waardevolle foto’s verloren gaan. We hebben echter maar een fractie van de foto’s die ooit genomen zijn en daarom zijn we actief op zoek naar zulke foto’s. Dat doen we ook aan de hand van thema’s, in dit geval de geschiedenis van de honderdjarige Hobaho. De beeldbank is onderdeel van Lisse Tijd Reis en door alle leden te bekijken. Wanneer u inlogt op Lisse Tijd Reis en vervolgens klikt op “Tabellen” en tenslotte op “Foto”, kunt u alle foto’s doorzoeken. Het is onze ambitie om de beeldbank de centrale plek te laten worden om foto’s over de geschiedenis van Lisse te bewaren.
De beeldbank van de Vereniging Oud Lisse bevat inmiddels ruim drieduizend foto’s. Vanwege het honderdjarig bestaan van de Hobaho hebben we de laatste tijd extra aandacht besteed aan het verzamelen van foto’s over dit bedrijf. Dat is goed gelukt en met een “beeldverhaal” hebben we de geschiedenis van de Hobaho letterlijk in beeld gebracht. Het nieuwe beeldverhaal staat op de website van VOL en is door iedereen te bekijken:

F02835 – In 1950 is hal 2 van de Hobaho gereed gekomen. Later zal ook het perceel linksonder worden bebouwd.

PTT, Post Telegraaf Telefoon

Waar nu de Madelief staat, stond vroeger het statige postkantoor. In de vijftiger jaren werkten er 16 personen. De werkzaamheden worden besproken. De looproute in de Poelpolder is interessant.

door dirk Floorijp

NIEUWSBLAD Jaargang 10 nummer 2, april 2011

Soms zie je in oude akten aansprekende beroepen zoals schotvanger, klapwaker, spekslager of brie vengaarder. Wat deden die mensen eigenlijk, er is weinig van opgeschreven. Zo wil ik eens weergeven hoe er vroeger en niet eens zo lang geleden grote bedrijvigheid was aan de Heereweg 254, het statige postkantoor dat op de plek stond van het huidige winkelcentrum de Madelief.

In de vijftiger jaren van de vorige eeuw stond het postkantoor nog aan de Heereweg, er werkten daar zo’n 16 ambtenaren: een directeur en een adjunct, 5 loketambtenaren en 9 postbestellers bovendien was er een telefooncentrale. In het bevolkingsregister zie je ook als beroep telefoniste, die werkten daar en waren er vaak inwonend. Zoals men toen zei, in de kost. Op de binnenplaats van het postkantoor stond nog een grote bunker, die de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog hadden gebouwd, waarin een nood telefooncentrale was, voor het geval er een bom op het postkantoor zou vallen. En er was het stookhok voor de centrale verwarming waar Cor

Boot in de winter elke dag kolen schepte in de grote kachel. De post voor het dorp kwam nog aan met de trein op het station Lisse en werd met de bakfiets opgehaald. De tegenwoordige Berkhoutlaan heette toen nog Stationsweg tot aan de Heereweg. Eindjaren 50 kwam hier een einde aan en kwam de post per auto. Alle post werd nog in zakken aangeleverd en ook verzonden,in tegenstelling tot nu waar alles in bakken en containers gaat. Er waren drie verschillende zakken. Een grote voor de pakketpost daar onder een voor de gewone post en de pakjespost en een kleine voor aangetekende en waarde papieren, daar moest degene die kantoordienst had voor tekenen en die waren voorzien van een masker met een lakstempel. Om 05.30 uur kwam de post en werd op een grote storttafel geleegd .Op de foto’s is de postauto net geweest, de klok wijst kwart voor zes aan en men is al druk aan het sorteren op wijken. In de kasten daarachter werd alles op straat gesorteerd en vervolgens op huisnummer volgorde gezet. Op de sorteerkast staat een weegschaal om te controleren of de brief zwaarder is dan 20 gram, die werden dan beport met een zegel erop en afgerekend aan het huisadres. Door routine wist je bijna zeker dat een briefte zwaar woog.

Tussen 8.00 uur en 8.30 was het sorteren klaar en kon de besteller de wijk in. Aan de wat langzamere sorteerders werd wat hulp geboden zodat ieder gelijk de deur uit kon. ’s Middags was er een tweede bestelling om 15.00 uur. In de winter liep men gedeeltelijk in het donker met in het knoopsgat een zaklantaarn met een grote witte kat batterij erin. Nachtdiensten bestonden nog niet op het dorp. Die waren alleen in de stad waar expediteurs ’s nachts de post sorteerden voor de stad en de post voor de omliggende dorpen.

Een postbode had stratenkennis nodig en moest weten hoe de huisnummering liep. Straten werden altijd genummerd vanuit het centrum naar buiten en nooit een oplopende huisnummering richting het dorp, de linkerkant van de straat waren de oneven nummers en de rechterkant de even nummers. De postbode was in de buitenwijken een soort rijdend postkantoor, hij had postzegels, formulieren en postwissels bij zich en betaalde AOW aan huis uit. Er kon zonder probleem met een paar duizend gulden op zak gewerkt worden. Toen waren er nog mensen die alleen een kruisje konden zetten als ondertekening, l Ook had hij aangetekende en waarde stukken plus gerechtelijke brieven bij zich. Bij zijn aanstelling in vaste dienst moest de postbode de eed afleggen voor geheimhouding als ambtenaar. Voor veel mensen was hij ook een vertrouwens persoon.

Nog heel lang zijn bij de PTT Franse invloeden gebleven. Een overblijfsel van de Franse overheersing van rond 1812 waar alle akten zoals geboorte, huwelijk en overlijden in het Frans moesten worden opgemaakt. Zelfs Franse uitdrukkingen kwamen na anderhalve eeuw tot in de jaren ’60 nog bij de post voor en een dagelijks gebruik van het woord depêche (voor waardepapieren en geldzendingen) chemise (omslagmap voor rondzending) of borderel (lijst met namen en bedragen van kwitanties) was heel gewoon. Als men hier later bij postbodes naar vroeg stonden ze te kijken of je van een andere planeet kwam. Ja, ambtelijke molens malen nu eenmaal langzaam.

In die tijd had je ook in roulatie een kwitantiewijk,(met borderel) wat betekende datje soms met 10.000 gulden over straat moest, die net waren opgehaald bij de grossiers Verduijn en Schrama. Alles ging nog per kwitantie met veertien dagen zicht. Bedrijven en zaken die post verzonden wat aangeleverd werd via loket en brievenbussen werd in de avonduren gesorteerd. Alles werd in zakken ingepakt en ging om 19.30 uur richting Haarlem. De lokale post werd met de hand gestempeld en bleef op het postkantoor. Bedrijven die veel post aanboden waren de grote klanten zoals HBG en HOBAHO, die soms een aantal manden met post aanleverden (dat werd in bollenmanden gebracht). Het was altijd een race tegen de klok, alles moest gesorteerd worden op uitgangen door heel Nederland. Alle kleine plaatsen vielen onder een hoofdplaats en was het een sport om zo min mogelijk plaatsen over te houden die je niet wist. Heel Nederland moest je dus uit het hoofd kennen en watje niet wist kon je in een boek opzoeken. Later werd dat gedaan door een selecte groep, dat waren de expediteurs en zij kwamen alleen in de steden voor. Op zaterdag werd de post die binnenkwam via de brievenbussen om 12.30 uur met de busdienst van de NZH richting Haarlem meegegeven bij de bushalte aan de Oranjelaan.

Alle post voor een bestelwijk kon aan het einde van de week niet worden mee genomen, vooral vanwege het dikke weekblad Elsevier, dat werd dan in de wijk nagebracht als een steunpunt, een winkel of bij een benzine station. In die tijd werden er ook veel pakjes verstuurd. Rond St. Nicolaas was het erg druk en kon het gebeuren dat er op Sinterklaas avond nog pakjes aankwamen die voor de volgende dag in bestelling gingen, dan was Sinterklaas echter voorbij, zo ging men dus in donker met de bakfiets over de Heereweg richting de Engel naar huis ter Beek, het kindertehuis St. Vincentiushuis naast de Engelenkerk, om de kinderen toch maar niet in de kou te laten zitten.

Met Kerst en Nieuwjaar was het een topdrukte, half januari was men pas door de drukte heen en werden de laatste kaartjes met kerst- en nieuwjaarswensen bezorgd.

Het kwam gelukkig niet veel voor, maar ’s winters bij hevige sneeuwval werd de Poelpolder lopend besteld. Dan werd de fiets achtergelaten bij de brug op de Eerste Poellaan, dan rechts over de dijk naar boer Langeveld en links langs de dijk naar boer Verdegaal op de Poeleway. Vervolgens over de vuilnisbelt naar de Ringdijk langs het watergemaal van Koelewijn en via een tegelpad van een tegel breed naar de Middenweg waar een paar woningen stonden. De bewoners van een dezer woningen werden door de politie een beetje in de gaten gehouden omdat ze “de Waarheid lazen”. Men vond dat communistische blad een beetje verdacht. De politie kwam wel eens navraag doen welke mensen zoiets lazen. Vervolgens naar de molen van Duineveld en terug langs de Roversbroekdijk wat nog een dijk was en nog niet afgegraven, voorbij de Tweede Poellaan waar een paar huizen stonden en links de oude molenstomp van van der Vlugt weer richting de fiets bij de Eerste Poellaan. De hele poel werd bewoond door zo’n 20 a 25 gezinnen. In het Nationaal Archief in Den Haag zijn akten en tekening uit 1630 waaruit blijkt dat er heel wat molens in de polder stonden voor de bemaling.

Bij de directeur hing een lijst met alle directeuren die van af het begin aan het postkantoor waren verbonden. Bij navraag waar deze lijst is gebleven, wist niemand meer waar die is heen gegaan. Men zegt, misschien in de prullenmand. In de jaren ’50 was dat directeur Elsenga die woonde aan de Irissenstraat 32, daarna dir. Thies, woonde aan de Broekweg. Dir. J. Res, woonde aan het Doormanplein 4. De laatste Dir. was N.J. Hoekstra en woonde aan de Pr. Hendrikstraat 44. Met hem verdween de ambtenaren status en ook PTT, dat werd TNT en alles werd anders. Nu werd het een beheerder of manager. Het staatsbedrijf was niet meer, men was ambtenaar af. Machines gingen het werk overnemen, de postcode werd ingevoerd in 1978 na vooraf een inventarisatie van vier jaar om alle adressen in Nederland op te nemen en van een postcode voorzien. Al was je nog zo rap met sorteren daar kon niemand tegen op. Er kwamen grote machines uit Japan en op sorteercentra werden hele machinestraten geïnstalleerd. Ook de gewone brievenbussen verdwenen die waren te klein er kwamen tweeling brievenbussen.

Toen begon het graveren van de postcode op fietsen en kwam de politie regelmatig vragen naar het adres van de postcode die was gevonden, om weer eens een gestolen fiets terug te bezorgen. Later kregen zij zelf een bestand wat eens per maand aangepast werd en landelijk geleverd door de fa. Swets en Zeitlinger te Lisse. Veel is er verdwenen uit het oude postkantoor, de houten sorteerkasten werden vervangen door stalen kasten, de stempeltafel met een granieten blad kwam bij een boer aan de Loosterweg terecht.

In het museum de Zwarte Tulp is nog een van de oudste brievenbussen van Lisse, die gered werd van de vernietiging en geschonken is aan het museum. Hier was nog een speciaal verzoek voor nodig aan de directie van het Postdistrict Haarlem, en heeft jaren in de schuur gelegen tot ik er een bestemming voor vond. Deze brievenbus hing aan de muur hoek Julianastraat Heereweg.

Het oude Post, Telefoon en Telegraafkantoor op de hoek Kanaalstraat/Heereweg, Foto: Oud Lisse

De posterijen in vroegere dagen

In Ons Weekblad van september 1920 legt van der Meij uit hoe het vanaf 1840 toeging om de post te bezorgen in Lisse.

Arie in ’t Veld naar A. van der Meij

NIEUWSBLAD Jaargang 10 nummer 1, januari 2011

et lijkt allemaal zo simpel: je schrijft een brief of kaart, voorziet deze van een postzegel, deponeert het ding in de dichtstbijzijnde brievenbus en korte tijd later is het schrijfsel beland op de plek waaraan deze is geadresseerd. Tante Pos heeft dan weer op volle toeren gedraaid en zorgt dat intussen ook miljoenen andere geadresseerde stukken op de bestemde plekken komen. Met dank van de ontvanger, behalve als het rekeningen of die hatelijke blauwe enveloppen betreft.

De postbezorging van vandaag de dag heeft een hele ontwikkeling moeten doormaken voordat deze is geworden tot wat het nu is. Lisser A. van der Meij nam die ontwikkelingen aan het begin van de vorige eeuw onder de loep en publiceerde daarover in Ons Weekblad van september 1920. In het betreffende artikel legt Van der Meij eerst een band met de lezer(es) door te stellen dat zijn vader een ‘vleesch houwerij’ had die rond ‘Paschen’ 1837 door hem werd geopend. “In die tijd werden de brieven voor Lisse bezorgd vanuit Sassenheim, met een bode ’s middags en moest voor elke brief vier duiten of 2 !/2 cent worden betaald. Buiten de porto. Om een brief van Lisse te verzenden moest men ’s middags de bode opwachten of de brief bezorgen bij Jacob van der Veert, schoenmaker ter plaatse en met bijvoeging van 4 duiten of 2 1/2 cent. Dan nam de bode de brief mee  naarSassenheim ter verdere verzending. Frankeering van brieven was toen niet bekend. De ontvanger van een brief moest de port betalen”.

Van der Meij spreekt in het artikel het vermoeden uit dat de eerste brievengaarder in Lisse in 1840 werd aangesteld; “…..Want het aanleggen van het Hollandsch Spoor en het graven van de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder was in dat jaar gelijktijdig te Lisse en zal daardoor de correspondentie wel aanmerkelijk zijn toegenomen”. Die eerste brievengaarder was vermoedelijk H. Scherpenzeel, de zwager van de toenmalige burgemeester van Lisse E.J. van den Berg. “Als jongen heb ik die heer Scherpenzeel goed gekend,” zo vervolgt Van der Meij
zijn verhaal. “In dien tijd bezorgde hij zelfde brieven in het dorp en had een man, Pieter Mens (wij als kinderen noemden hem Piet Poppejak) die tweemaal daags brieven van het Hollandsch Spoorstation ,Veenenburg’ haalde. Des nachts om 12 uur kwamen de brieven en couranten per postkar van Amsterdam en om 3 uur van Rotterdam. Aan de gevel van het huis van Scherpenzeel was tusschen de deur en het eerste raamkozijn op ongeveer 2 Meter boven de grond een houten kastje getimmerd dat van binnen en van buiten gesloten kon worden en waarin hij ’s avonds de brieventasch lag die door de postiljon van de postkar ’s nachts om 12 uur er uit werd gehaald en de post voor Lisse bestemd in een tasch om drie uur ’s nachts er weer in lag. De postiljon had een sleutel van het kastje, zodat de Heer Scherpenzeel ’s nachts niet behoefde op te staan om post af te geven ofte ontvangen,” aldus Van der Meij in zijn verslag waarvan we de diverse eigenaardigheden in het taalgebruik hebben overgenomen. Hij schetste ook dat hij van z’n moeder ooit had gehoord dat haar vader te Sassenheim wel eens brieven uit Berlijn of Leipzig ontving en dan 85 cent porto moest betalen. “Voor kortere afstanden moest in 1852 in ons land 5 cent en voor verdere afstanden l0 cent per gewonen brief betaald worden. Postzegels waren dat jaar reeds ingevoerd doch het was aan het believen van den afzender overgelaten of hij er gebruik van wilde maken. Dit is zo gebleven tot de Postwet van 1875 toen het port werd bepaald op 5 cent per gewonen brief voor het geheele land. Doch geen gedwongen frankeering werd ingevoerd. Het publiek greep evenwel zelf in. ledere handelaar annonceerde namelijk dat hij geen ongefrankeerde brieven wilde ontvangen en leerde alzoo het overige publiek zijn voorbeeld te volgen. Van dien tijd dateert het nog dagelijks (we spreken nog altijd over 1920…) voorkomende ,Br.fr.’ in de advertenties in de couranten”.

Briefkaarten

Zijn verhaal vervolgend vertelt Van der Meij dat in 1876 de open briefkaarten werden ingevoerd die voor 3 cent aan de postkantoren verkrijgbaar waren en door het gehele land verzonden konden worden. “En nog een paar jaar later werd de postpakketdienst ingevoerd. Dit alles was zoo tot 1919, toen door de verhoogde salarissen en vervoerkosten het tarief is verhoogd voor het binnenland, zoodat een brief 7,5 en een briefkaart 5 cent kost en het pakketposttarief ook aanmerkelijk is verhoogd.
Kort na 1875 is door eenige staten de algemeene postvereeniging opgericht, waarbij voor den oorlog bijna alle staten van de wereld waren toegetreden. Die vereeniging hield om de twee jaar op verschillende plaatsen van de wereld een postcongres. Op die congressen werden verschillende nieuwe zaken ingevoerd zoo bijvoorbeeld postwissels, uniform, port voor brieven en briefkaarten over de geheele wereld, postpakketdiensten en verrekenpakketten”. De verteller illustreert verder dat het tarief’voor de gewoone brieven 12 !/2 cent is en voor briefkaarten 5 cent’. “Gedurende de oorlog (de eerste wereldoorlog.. ..red.) en ook nog niet daarna heeft de vereeniging geen congres gehouden, zoodat door de verhooging van het binnenlandse tarief de malle verhouding is ontstaan dat een brief van bijvoorbeeld hier naar Sassenheim 7 !/2 cent en een briefkaart 5 cent kost en naar landen der vereeniging  respectievelijk 12 1/2 en 5 cent. Het telegramtarief voor het binnenland was in 1872  30 cent voor 20 woorden, behalve het bestelloon da tde geadresseerde moest betalen. Voor den oorlog en tot 1919 was dit 30 cent  voor 10 woorden en geen bestelloon als de geadresseerde binnen de bestelkring van het telegraafkantoor woont. Thans (1920 dus) is dat 40 cent per 10 woorden en een intercommunaal telefoongesprek van drie minuten kostte tot 1919 25 cents en thans 35 cents. Voor den oorlog konden abonnees van het telefoonnet alhier internationaal van uit hun huis spreken met abonnees van het telefoonnet te bijvoorbeeld Berlijn, Hamburg, Leipzig, Brussel en vele andere plaatsen”. Na het korte o verstapje over de telefonie gaat Van der Meij verder en

vertelt dat het betalen van porto voor een brief tot 1875 naar Lisse voor een korte afstand, bijvoorbeeld vanuit Haarlem, vijf cent bedroeg. Van verder gelegen plaatsen was dat tien cent. “Het welk door de postambtenaren met blauw potlood op het adres werd geschreven. Ook bestond in die tijd nog het dagbladzegel, waardoor het abonnement zeer duur was, zoodat vier of vijf burgers met elkaar de courant lazen en een paar uur per dag ter zijner beschikking kreeg. Mijn vader las (zo vervolgt Van der Meij) het Handelsblad dat ’s avonds 7 uur werd gehaald bij de vorige lezer en de volgende dag ’s morgens door de notaris.” Ook vertelt hij dat brievengaarders op den duur ook van buiten de gemeente werden aangesteld. “Waaronder de heer Pieterse. Waarschijnlijk afkomstig uit Sassenheim Na zijn vertrek werd tot brievengaarder aangesteld D. Boeree, horlogemaker alhier die in den beginne dat ambt bij zijn bedrijf waarnam, doch later het horlogemaken moest laten varen. Hij begon zijn ambt met een door hem bezoldigde brievenlooper, daarna werd een officieel aangestelde postbode benoemd in de persoon van N. Reijer, bijgenaamd Klaas Koek en toen hij in 1880 werd gepensioneerd waren er reeds 3 officieel aangestelde postboden.

Postkantoor

Het hulppostkantoor Lisse resorteerde onder het postkantoor Leiden. In het begin der tachtiger jaren kreeg Boeree van den directeur aldaar maandelijksch f2,50 aan postzegels voor de verkoop, wat na invoering van den pakketpost werd verhoogd tot vijfhonderd gulden. En van postzegels gesproken: aanvankelijk bedroeg de omzet wat dat betreft in Lisse 13 duizend gulden per jaar. Toen het postkantoor in 1890 door het Rijk werd overgenomen was dat 18 duizend gulden en in 1920 zat men niet ver van de 30 duizend gulden per jaar”. Na de pensioneering van Boeree kwam de heer Citter als brievengaarder te Lisse.” Volgens Van der Meij een zeer formeel man en niet zeer meegaande voor het publiek. “Het hulppostkantoor was toen gevestigd op de Gracht in het huis dat later werd bewoond door de dames van Parijs (thans de supermarkt-red). De Citter is gebleven tot 1900 toen het in 1899 gebouwde post-en telegraafkantoor werd geopend met de heer Bondam als directeur. Dat postkantoor was gevestigd in een fiks gebouw op de hoek Heereweg/Stationsweg (de Steeg) en thans de hoek van de Berkhoutlaan, ofwel het pand van ‘De Madelief’. Na die tijd is het postkantoor belast geworden met het overzenden van loonlijsten en het bedrag daarvan aan de Rijksverzeekeringsbank, volgens de Ongevallenwet. Vervolgens de postgirodienst, het wekelijks

uitbetalen van ouderdomsrente en het verkoopen van loonzegels volgens de invaliditeitswet. Dat bewuste postkantoor heeft aan de gemeente ongeveer f22.000,– gekost en deze ontving daarvoor van het Rijk een huur van f l .224,– per jaar. Op een avond in 1908 deelde de burgemeester tijdens de vergadering van de Gascomissie mee dat de inspecteur der posterijen bij hem was geweest om hem mede te delen dat het post- en telegraafkantoor te klein was en hem had voorgesteld de politiepost erbij te betrekken. De burgemeester had de gemeente-opzichter opgedragen van die bijtrekking een begroting te maken, wat ongeveer f 2.000,– zou kosten.

Van der Meij, lid van de Gascommissie zei op die mededeling een beter idee te hebben. “Laat het Rijk het post-en telegraafkantoor kopen, dan kan het Rijk zoveel veranderen en bijbouwen als het wil, want wordt bovenstaande verandering nu voor rekening van de gemeente gemaakt, over 3 of 4 jaar is het weer te klein”. Dit voorstel vond bij alle raadsleden in die vergadering bijval. Na verschillende taxaties heeft het Rijk het kantoor uiteindelijk in 1909 gekocht voor f 17.500,–,inclusief de bijbehorende woning. De gemeente behield een deel van het achtergelegen terrein. Onmiddellijk nadat het Rijk het pand had gekocht volgden er twee verbouwingen. In 1920 was het opnieuw zover. Het personeelsbestand bestond toen uit de directeur en 12 personen, alsmede 8 vaste postbodes. De verzending van de correspondentie vanuit Lisse naar het Zuiden des lands verliep in die tijd voortreffelijk. Het is mij (A.van der Meij) gebeurd dat ik ’s morgens om elf uur een brief naar Roozendaal op de post deed en den anderen dag ’s morgens om acht uur het antwoord daarop in huis had.

Naar het Noorden des lands was de correspondentie minder goed omdat de eerste post uit Lisse te Amsterdam aankomt, wanneer de post naar het noorden reeds verzonden zijn en dus bleef liggen tot de verzending met de middag- of avondpost”.

Nu het volgende over de telegrafische gemeenschap van Lisse met het overige land. “Zoodra de Hollandsche Uzeren Spoorweg zijne telegraaf op alle stations van de lijn Amsterdam-Rotterdam beschikbaar had gesteld voor publiek tot het verzenden of ontvangen van telegrammen, was Lisse en alle Rijkstelegraafkantoren te bereiken. Zeer vlug ging het soms niet, want de Maatschappij had bedongen dat hare diensttelegrammen voorrang zouden hebben en bovendien was bepaald dat alle door publiek aangeboden telegrammen moesten geseind worden aan het station Den Haag, dat toch al een druk station was en van dat station werden de telegrammen overgeseind naar de Rijkstelegraaf. In het jaar 1908 werd het net door het Rijk overgenomen. Lisse behoorde tot het eerste overgenomen district. Het Rijk had pas de aandeelhouders betaald toen in januari 1909 zo’n hevige ijzel ontstond dat het gehele net tegen de grond sloeg, zoodanig dat de directeur-generaal der posterijen en telegrafie het per auto uit Den Haag kwam opnemen. Het bovengrondsche net was na die catastrophe weder spoedig opgesteld zoodat de abonne’s slechts korten tijd van telefoneren verstoken waren. In Mei 1914 is de bovengrondse geleiding in het dorp langs de Straatweg (nu Heereweg..red.) door een ondergrondschen kabel vervangen. Op l april 1920 zijn op het net aangesloten 188 abonne’s te Lisse, 230 te Hillegom, 89 te Sassenheim, 29 te Haarlemmermeer, 21 te Voorhout en 20 te Noordwiijkerhout. De technische dienst van de telegraaf en telefoon was in Lisse gevestigd met den heer den Braber als chef en bovendien 9 man. Het geheele personeel van post, telegraaf en telefoon bestond alzoo uit 25 mannelijke en 8 vrouwelijke personen te zamen dus 33. Dit is een groot verschil met 1860 toen er slechts twee mannelijke personen waren voor de pesterij.

Wat geen groot verschil was met zestig jaar eerder, is de brievenbestelling per dag. In 1860 waren er drie en nu (1920) slechts vier. De vierde postbestelling ’s middags is eerst in 1892 gekomen omdat de toenmaligen voorzitter van de afdeeling Lisse der Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur de heer P. Joh. Weijenbergh, de inspecteur der Pesterij overtuigde van de onbillijkheid dat de bloembollenhandelaren te Haarlem en Overveen de Engelsche post ’s morgens voor twaalf uur ontvingen en de post te Lisse eerst ’s avonds zeven uur werd bezorgd omdat die post te Leiden of Rotterdam bleef liggen. De inspecteurs der pesterij mochten de kaart van Nederland wel eens goed bestuderen, want is het niet bespottelijk dat een buurt van ongeveer duizend zielen zijne brieven en contracten ontvangt van het hulppostkantoor te Abbenes, ik bedoelde buurt Lisserbroek, terwijl op nog geen 1500 meter afstand het post- en telegraafkantoor Lisse staat en dat de 3e Poellaan vanuit Lisse besteld wordt op een afstand van ruim drie kilometer, terwijl het post-telegraafkantoor van Sassenheim op nog geen duizend meter is gelegen.” Aldus Van der Meij die zijn verhaal besloot met uit te spreken te vrezen dat…: “Er in ons land verscheidene zulke toestanden zijn. De brievenposterij is een monopolie en dus niet gebonden aan provinciale of gemeentgrenzen,” aldus Van der Meij die tevens constateert dat het kantoor in Lisse ook werd belast met het overzenden van de loonlijsten en bedragen van de Rijksverzekeringsbank ingeval de Ongevallenwet. Maar ook de ouderdomsrente en het verkoopen van loonzegels volgens de invaliditeitswet. Door de girodienst alhier is in 1919 alhier 600.000 gulden behandeld en een jaar later was dat al ruim een miljoen gulden….”

De kruising Heereweg (richting Hillegom) en Kanaalstraat Het imposante gebouw links is het Lissese postkantoor, dat omstreeks 1965 werd afgebroken.

Honderd jaar HOES Installatiebedrijven

De grondlegger van Hoes installatiebedrijven is Cees Hoes. Hij startte in 1910 een loodgietersbedrijf. Er wordt een oproep gedaan voor info over de 100 jaar.

Wilma van Velsen, W.

NIEUWSBLAD 9 nummer 3, juli 2010

Het jaar 2010 is voor HOES Sanitaircentrum en HOES Installatiebedrijven een mijlpaal vanwege het honderdjarige bestaan. Wat begon met loodgieterswerk in zinkwerk en dakgoten is uitgegroeid tot een fl orerend installatiebedrijf met regionale bekendheid.
De grondlegger van HOES Installatiebedrijven is Cees Hoes. Op 20 september 1910 startte hij met loodgieterwerkszaamheden. HOES groeide uit tot een familiebedrijf want het stokje werd overgenomen door zijn zoon Anton waarna ook kleinzoon Gert-Jan geruime tijd aan het roer heeft gestaan. De familietraditie van HOES Installatiebedrijven blijft zich voort zetten omdat de huidige directie wordt gevormd door Ed Takken en Erwin Hoogendoorn en Erwin is weer de schoonzoon van Gert-Jan! Bij een 100 jarig jubileum wordt een blik in het verleden geworpen. Er is al het nodige materiaal boven water gekomen, maar onze vereniging is gevraagd om een oproep te plaatsen voor spullen. Te denken valt aan foto’s, knipsels, rekeningen enz. enz. Hopelijk kunt u helpen en kunnen we in een volgend Nieuwsblad nog iets van de oude sfeer laten proeven.

 

Advertentie in het Leidsch Dagblad 14 september 1910 (krantenarchief van  het Regionaal Archief Leiden)

Het wonderlijke avontuur van de gasfabriek deel 2

In de geschriften van Arie Raaphorst wordt alle politieke perikelen rond de bouw van de gasfabriek besproken. Ook de problemen met het buizenstelsel door het dorp wordt besproken.