Berichten

Het wonderlijke avontuur van de gasfabriek deel 1

De Lissese gasfabriek is niet meer. In de zeventiger jaren van de vorige eeuw velde de slopershamer de fabriek die door de komst van het aardgas niet meer noodzakelijk was. Het was een fabriek die heel wat keren over de tong der politici is gegaan en al ver voordat de eerste spade de grond inging de emoties hoog deed oplaaien.

100 jaar van der Putten

In 1908 werd stalhouderij P. van der Putten ingeschreven bij de KvK. In 1930 is een contract gemaakt voor het vervoer van  alle lyken per lykkoetst. Alle wetenswaardigheden passeren de revue.

Liesbeth Brouwer

NIEUWSBLAD Jaargang 7 nummer 2, april 2008

Tegenwoordig is Van der Putten een begrip in Lisse. Regelmatig sieren de fraaie Amerikaanse sleeën het dorpsbeeld. Bij feestelijke gebeurtenissen, maar ook onder treurige omstandigheden. Rond 1905 startte stamvader Piet van der Putten op Heereweg nr. 60 met de eerste vervoersdiensten. Hij had een paar muilezels op de kop getikt. Die werden voor de kar gespannen en op woensdagmiddag werd gereden voor de firma Schrama, grossier in kruidenierswaren aan de Kanaalstraat. Daarnaast was er de bodedienst op Haarlem en Leiden. Een klein gedoetje, maar door hard te werken zat er een boterham in. In april 1908 werd Stalhouderij P. van der Putten ingeschreven in het bedrijvenregister en daarmee startte de roerige bedrijfsgeschiedenis van de Van der Puttens.

Klandizie

Er kwamen steeds meer bloemisten (bollenkwekers) als klant. Overigens was er een strenge scheiding der geesten: de protestantse bloemisten lieten hun zaken vervoeren door firma’s als Eigenbrood en Scheepmaker, de katholieken waren klant bij Van der Putten. Dat het, zeker in de crisistijd, niet altijd een vetpot was zal duidelijk zijn. Het bollenwerk gaf seizoendrukte, maar afgerekend werd er alleen in maart en november. En dan nog werd een betaling soms noodgedwongen uitgesteld. Ook de andere klanten waren wel eens te laat met betalen. Dan was de trouwerij bijvoorbeeld prachtig geweest, maar wel duur en er kondigde zich meteen een baby aan. Van der Putten moest maar even wachten op de betaling. Bij Van der Putten moesten ze maar zien of ze het geld op afbetaling konden innen. ‘Briefjes lopen’. En eerst moest het personeel betaald worden. Daarna was er pas huishoudgeld voor mevrouw Van der Putten (of juffrouw zoals vroeger wel gezegd werd.)

Begraven

Vanaf 1930 was er een contract met begrafenisvereniging St. Barbara voor het vervoer van “alle lyken per lykkoets”. Daarbij werden wel strenge afspraken gemaakt. Dus “de koetsier in passend costuum gekleed, en voorzien van steek, zoals het behoort.” Een zwarte jas en een steek was een passende dracht bij een eersteklas begrafenis. De paarden waren afgedekt met zwarte kleden. Dat uiterlijke rouwvertoon paste in het tijdsbeeld. In de hele straat gingen de gordijnen dicht en werden de bloemen voor de ramen weggehaald. En men stond stil bij het voorbijkomen van een rouwstoet. Het uitvaartbedrijf is nog steeds een belangrijke pijler in het bedrijf. In 1975 werd een eigen uitvaartonderneming gestart. De stijl was natuurlijk anders dan in de tijd van de lijkkoetsen, maar de persoonlijke aandacht en zorg staan hoog in het vaandel. Sinds 1998 is er het eigen “Uitvaarthuis”. Dat ze bij Van der Putten trots zijn op dit werk bleek tijdens ‘De mensen van…’, een documentaireserie op televisie. In deze 4-delige serie werd via Van der Putten een beeld gegeven van het reilen en zeilen binnen het uitvaartbedrijf.

De oorlogstijd

3 mei 1944 huwelijk van G.J.Mijnders en B.Mijnders-Visser Men rijdt in de Tulpenstraat met op de achtergrond de Lisbloemstraat

Net als overal was deze periode moeilijk. Weinig werk en dan werd er ook nog van alles door de Duitsers gevorderd zoals auto’s, karren en paarden. Dat laatste kon Maarten sr. niet verkroppen en dus ging hij er ’s nachts op uit om ze terug te pikken uit het weiland bij de HBG. Daar stonden alle in beslag genomen dieren. De paarden werden elders in Lisse veilig ondergebracht. Maar een stalhouderij had in die barre tijd ook zijn voordelen. Er moest in de hongerwinter onder begeleiding van soldaten voedsel gehaald worden uit Leiden. Dit voedsel was. bestemd voor de Duitsers. Natuurlijk was het opletten dat ze het niet zagen, maar onder je jas konden wel enkele worsten verborgen worden. Aan graan was groot gebrek dus reed de lijkwagen naar boeren in de Haarlemmermeer. Op de terugweg zat er graan de lijkkist. Veilig opgeborgen, geen Duitser die zo’n kist durfde te openen. Na de oorlog moest het wagenpark weer aangevuld worden en wist men een paar oude legertrucks te bemachtigen.

Paarden

Werken met paarden is een apart vak. En rijden met een koets of brik (platte kar) voor het bollenvervoer helemaal. Tegenwoordig heeft iedere koets een rempedaal, maar vroeger zette de koetsier zich met de voet tegen de kont van het paard af. Achter het bedrijf aan de Heereweg was bollenland, dus daar konden de paarden niet in de wei. In Bennebroek had men weiland en daar werden paarden die niet direct nodig waren ’s avonds heengebracht, rijdend met twee of drie andere paarden aan de hand. De stalhouderij bracht altijd veel werk met zich mee. Voeren en verzorgen. Uitmesten. Stallen en erf schoonmaken. Ook de paarden moesten er pico bello uitzien wanneer ze voor een plechtigheid weg moesten. Tot aan de hoeven werden ze opgepoetst. Al die paarden hadden hun eigen karakter wat het werken met de Jans, de Annie, de Churchill, de Zalm of hoe ze allemaal ook heetten alleen maar mooier maakte.

Buitengewone verkoping

In de vijftiger jaren nam de vraag naar paarden met koetsen af. Voor rouw­en trouwvervoer werd steeds vaker de voorkeur gegeven aan auto’s. De brik met het paard was bij het bollentransport al eerder ingeruild voor de vrachtwagen. Waren er in de toptijd 24 paarden, nu werd het tijd de stalhouderij te beëindigen. Notaris Pinxter zag er 2 mei 1956 op toe dat de verkoop van o.a. 10 paarden, 3 trouwcoupés, 6 landauers, een le klas lijkkoets en 4 zwarte staatsiekoetsen, 2 platte wagens en de nodige tuigen, jassen en kleden correct verliep. Helaas was men niet de enige stalhouderij die de pijp aan Maarten gaf en was de opbrengst van deze bijzondere verkoping nogal mager. Bijna genoeg voor één nieuwe vrachtwagen of bijna voor twee nieuwe taxi’s!

Wagenpark

Het vervoer groeide gestaag en zo breidde het wagenpark zich ook uit. In 1957 werd de eerste Amerikaanse Cadillac gekocht. Tweedehands, maar wel een koninklijk tweedehandsje! In 1965 bestond het wagenpark uit 20 luxe auto’s, 2 lijkwagens en 10 vrachtwagens. Cadillacs spelen in het bedrijf een heel speciale rol. De import van deze auto’s werd een bedrijfsactiviteit en men levert ook nu nog Cadillacs, al dan niet omgebouwd tot rouwauto, aan collega-bedrijven. Bij de koninklijke begrafenissen uit de laatste jaren waren rouwauto’s in gebruik die oorspronkelijk via Van der Putten werden geïmporteerd. Vrachtwagens speelden nog lang een belangrijke rol in het bedrijf. Drijvende kracht daarachter was Tinus van der Putten. Toen hij in 1980 plotseling overleed werd besloten zich alleen nog op personenvervoer toe te leggen. Geen openbare verkoping dit keer. Klanten en vrachtwagens werden overgenomen door Van der Kwaak in Hillegom.

Terug naar de oorsprong

Het wegvallen van het vrachtvervoer werd ruimschoots gecompenseerd door de groei in de andere sectoren. In 1998 waren er zelfs 20 busjes voor het groepsvervoer. Met daarbij de 30 taxi’s en de sleeën voor het rouw- en trouwvervoer een gigantisch wagenpark. Helaas kwamen er moeilijke tijden aan. Het leerlingenvervoer viel weg terwijl gelijktijdig ook andere opdrachtengevers moesten bezuinigen of wegvielen. Zwaar weer voor de firma. Maar eigenlijk is het kringetje hiermee ook weer rond. Met hard werken hadden de voorvaderen altijd een goede boterham verdiend. Daarbij werd van alles aangepakt. Bijvoorbeeld verhuizen, zand en pekel strooien voor Rijkswaterstaat en wat te denken van de handel in hyacintennagels. Tegenwoordig worden hyacinten bespoten waarbij de bloemen verdrogen en er geen rot optreedt. Het is nu al moeilijk genoeg om voor het corso voldoende hyacintennagels te krijgen. Heel vroeger werden de hyacintennagels van de bloemtrossen geritst en bleef de steel staan. Eind vijftiger jaren werd nog veel geritst. En laat er nu een parfumfabriekje zijn in Amersfoort dat een kwartje per kilo voor de nagels wilde betalen. Een nieuwe activiteit voor Van der Putten was geboren. Erg lang zal deze activiteit niet geduurd hebben. Maar het laat wel de instelling zien. Op tijd ergens inspringen maar ook harde maatregelen durven nemen wanneer de tijd er om vraagt. Een paar jaar geleden is het bedrijf noodzakelijkerwijs aanzienlijk afgeslankt. Nu ligt de basis weer bij personenvervoer. Dienstbaarheid in het rouw-, trouw- en taxivervoer. Daarmee is de eerbiedwaardige 100-jarige vitaal genoeg om een volgend decennium in te gaan. Namens de Vereniging Oud Lisse wensen wij de mensen van Van der Putten daarbij een goede tijd toe.

De komst van de stoomtram, 1880/81

De stoomtram is niet zonder problemen gekomen. Bomen op ’t Vierkant moesten worden gesloopt. Daar werd tegen geprotesteerd. Ook wilde het gemeentebestuur van Lisse bepaalde voorwaarden, waaraan de stoommaatschappij niet aan wilde voldoen.

NIEUWSBLAD Jaargang 7 nummer 1, januari 2008

door Rob Pex

De mens blijft uitvinden. In 1780 vond James Watt de stoommachine uit, gevolgd door de Industriële Revolutie in Engeland. Daarmee stond echter niet de komst van de stoomtram ook gelijk voor de deur. Deze werd namelijk nog voorafgegaan door de zogenaamde paardentram. Reeds in 1832 reed in New York het eerste exemplaar, gevolgd door Den Haag in 1864. In de jaren zeventig van de negentiende eeuw komen de ontwikkelingen in een stroomversnelling. Zo ging in 1877 de eerste stoomtram in België rijden. Twee jaar later reed er ook een tussen Den Haag en Scheveningen. In juni 1880 werd te Hillegom de Noord-Zuid-Hollandsche Stoomtramweg Maatschappij opgericht. Men was voornemens ook op het traject Haarlem-Leiden een geregelde dienst in te stellen. De benodigde vergunningen werden reeds in hetzelfde jaar van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland verkregen. Men kon dus een aanvang maken met het leggen van de rails. In Lisse ging dit echter niet helemaal zonder slag of stoot.

Perikelen, 1880

Op deze ansicht uit circa 1900-1910 zien we duidelijk de wissel waarover reeds in 1880 gecorrespondeerd werd. De bomen op het Vierkant zijn rijzig en statig. Als dat ook in 1880 al zo was, dan kan men zich toch wel enigszins de wat gereserveerde houding van de commissie indenken ten aanzien van het kappen van deze monumentale bomen. De stoomtram uit Haarlem wacht reeds op zijn tegenligger. Geheel links de veranda van de Witte Zwaan. Coll. auteur.

De lijn die tussen Haarlem en Leiden aangelegd zou worden, werd éénsporig. Dientengevolge moest er op diverse locaties een wissel aangelegd worden, zodat de tram daar op zijn tegenligger kon wachten. Ook in Lisse moest zo’n wissel komen en wel op het Vierkant. Daartoe moest echter een aantal bomen ter plaatse gekapt worden. Dit vormde toch wel een heikel punt in de gemeenteraadsvergaderingen. Er werd zelfs een commissie in het leven geroepen die de raad over dit hele geval van advies moest dienen! Op 19 augustus 1880 werd de zaak in de raad besproken. De voorzitter van de commissie nam het woord. Hij sprak onder meer zijn verwondering uit over het feit dat van de Rijksweg (de Heereweg dus) geen gebruik kon worden gemaakt voor het aanleggen van een wissel. Er was toch “plaats en ruimte genoeg”! Waarom dan bomen kappen? Hij besloot dan ook zijn betoog met de woorden: “Dat hij alzoo (…) moetprae adviseren tot verwerping van het verzoek om hoornen op het vierkant te rooyen, met toestemming om van het gedeelte gemeentegrond dat gelegen is tusschen hoornen en Rijksweg, gebruik te mogen maken tot het doen plaatsen van een wissel”. Kennelijk was het advies niet bindend, want uiteindelijk ging de gemeenteraad met algemene stemmen toch akkoord met het kappen van een drietal bomen op het Vierkant. Er werden echter wel de nodige voorwaarden aan verbonden. De eerste voorwaarde hield direct verband met het gegeven dat de tram vertrok en aankwam in Hillegom. De raad vond het wenselijk dat de eerste tram van Hillegom naar Lisse zou rijden, om dan vandaar te vertrekken naar Haarlem “ten gerieve van de reizigers (uit Lisse) die wenschen mogten zich naar Haarlem te begeven “.

De overige voorwaarden luidden als volgt:

  1. De laatste aankomende trein (=tram) uit Haarlem zal tot op het vierkant te Lisse moeten doorlopen ten einde reizigers voor die gemeente te laten uitstappen.
  2. Het politiepersoneel van Lisse als mede de op order van de Politie over te brengen personen zullen langs de baan (dus op de tram) vrij vervoer genieten.
  3. Binnen de kom der Gemeente zal het rijden steeds stapvoets moeten geschieden.

Natuurlijk kon de directie van de Tramweg Maatschappij te Hillegom niet akkoord gaan met deze voorwaarden. Op 27 augustus werd er dan ook opnieuw een verhit debat gevoerd over dit onderwerp. De voorzitter van de commissie adviseerde “om verwerping van het verzoek of handhaving van de gestelde voorwaarden zoo als zulks bepaald met algemeene stemmen in de vorige vergadering”. Tevens had hij ook graag een schriftelijk bewijs gezien “dat de aanleg van de wissels buiten rijksweg door het Rijk was voorgeschreven “.

De raad vond met name dat aan de eerstgestelde voorwaarde in de vergadering van 19 augustus toch wel een groot Lisses belang verbonden was. De heer Vrijberghe de Coningh (die zelf aan het Vierkant woonde!) stelde dan ook voor deze te handhaven in een iets andere vorm en de overige bepalingen te schrappen. Er werd nu alleen nog gesteld dat “bij wijze van proefneming gedurende de eerste zes maanden de eerste trein naar Haarlem (te) laten afrijden van Lisse “. Hier heeft de Stoomtram Maatschappij zich uiteindelijk wél in kunnen vinden, al werd later bepaald dat de tweede tram in plaats van de eerste zou vertrekken van Lisse naar Haarlem.

De stoomtram reed dagelijks, “onvoorziene omstandigheden voorbehouden ” zoals men kan lezen. En dan volgen de vertrekuren. In de eerste kolom zien we dat de tram om 8.00 uur vertrok uit Leiden en anderhalfuur later aankwam in Hillegom. Dan staat eronder nog: “Op alle punten van den weg wordt gelegenheid tot in- en uitstappen aan de reizigers verleend”. Je kon dus in de beginjaren van de stoomtram in- en uitstappen waar je maar wilde! Er waren nog geen vaste haltes. Helemaal onderaan staan de tarieven. Een eersteklaskaartje voor een rit van Lisse naar Leiden kostte toen 45 cent. Bron: Gemeentearchief Lisse inv.nr. 607.

Verordening voor de Stoomtramweg, 1881

In januari 1881 werd er een publieke verordening voor de Stoomtramweg van kracht. De bestuurder van de tram diende zich hier stipt aan te houden. Het luidde als volgt:

Art. L

Op een afstand van minstens 30 meters zal de bestuurder van den stoomtram van Haarlem op Leiden (vice verso) voor het voorbij rijden van alle publieke en particuliere dwars en uitwegen aan de zuid-oostzijde van den straatweg gelegen, verplicht zijn een duidelijk hoorbaar signaal met een metalen schel te geven. Deze verplichting geldt ook bij het naderen van alle bruggen.

Art. 2.

De bestuurder van den tram is verplicht over de geheele lengte van den tram binnen deze gemeente voetgangers of rijtuigen die zich op of nabij de rails bevinden te waarschuwen met bovengenoemd signaal.

Art. 3.

Binnen de kom van het dorp, waaronder verstaan wordt het gedeelte van den Tol tot aan de Viersteeg, zullen de trams niet sneller mogen rijden dan 6 (zes) kilometers per uur.

Op last van de politie zal deze snelheid nog verminderd kunnen worden of zullen de trams terstond moeten stoppen.

Art. 4.

Bij reparatie aan den Tramweg zullen opgravingen en andere beletselen die gevaar voor voertuigen kunnen opleveren, tusschen zonsonder en opgang behoorlijk afgeheind en met lantaarns moeten worden verlicht.

Art. 5.

In het dorp mag bij het tegenkomen of voorbijrijden van met paarden bespannen rij of voertuigen geen stoom uit de machines gelaten worden.

Art. 6.

Bij het reinigen der rails in de kom van het dorp zullen sneeuw, vuil of andere stoffen daarvan afkomende niet op de straat mogen blijven liggen, doch onverwijld verwijderd moeten worden.

Art. 7.

Bij het ontstaan van brand in het dorp zullen de bestuurders van den tram verplicht zijn zich te houden aan de bevelen van de politie, ten einde de aanwending der bluschmiddelen niet te hinderen.

Art. 8.

Bij het wachten op den wissel zullen de bestuurders van den tram de locomotieven niet onbeheerd mogen laten staan, maar zal steeds een machinist op de locomotief moeten blijven.

Art. 9.

Het is verboden iets op, tusschen of in de onmiddelijke nabijheid der rails te plaatsen, te doen plaatsen, te laten staan of leggen, waardoor de tram belemmering zoude kunnen ondervinden.

Art. 10.

Bij het overrijden van de rails bij dwarswegen door rij of voertuigen zijn deze verpligt de aankomenden tram eerst te laten voorbij rijden.

Art. IL

Overtreding van het bepaalde bij Art. 1,2,3,4,5,6, 8 & 10 zal gestraft worden met eene boete van een tot drie gulden en dat van art. 7 en 9 met eene boete van vijf tot vijf en twintig gulden en gevangenisstraf van een tot drie dagen te zamen of afzonderlijk.

Deze verordening treedt in werking op den dag van hare afkondiging en zal ten allen tijde herzien of gewijzigd kunnen worden “.

Het voetpad langs de Heereweg, 1881

Inmiddels was men reeds begonnen met de aanleg van de rails. Ook dit verliep in de ogen van het gemeentebestuur niet geheel vlekkeloos. In een “Verslag van den Staat der Wegen, Voetpaden en Aanhorigheden in de gemeente Lisse voor het jaar 1880″ lezen we althans: “Aangaande de Heerenweg moeten wij melden dat dezelve zich niet in beste staat bevindt en hier en daar verbetering in de bestrating vereischt wordt; terwijl het voetpad langs dezelve in zijn geheel, zonder voorafgaande kennisgeving aan, noch toestemming van het Gemeente Bestuur, door de Stoomtram in beslag is genomen, zoodat hetzelve niet meer bestaat”. Ook waren “de leuningen van de bruggen langs die weg geheel weggenomen van den kant van de tramweg en vervangen door ijzeren (leuningen)”. Verder had “de Maatschappij” bruggen laten aanleggen naast de reeds bestaande Rijksbruggen, zodat de stoomtram daarvan gebruik kon maken. Hierover kwamen gelukkig geen klachten binnen, voor zover we hebben kunnen nagaan.

Eindelijk, in mei 1881, kon dan het nieuwe traject in gebruik worden genomen. Tot 1932 heeft de stoomtram zijn diensten bewezen. Toen werd hij vervangen door de elektrische tram, de zogenaamde Blauwe Tram, bij sommige Lissenaren nog wel bekend. In 1949 werd ook deze weer opgeheven en kwam er tussen Haarlem en Leiden een bus te rijden.

Besluit

Geheel zonder problemen is de komst van de stoomtram dus niet verlopen in Lisse. Maar waar zal dat wél het geval zijn geweest? Voor de meeste mensen was die “Stoof”, zoals de nieuwe tram ook wel werd genoemd, iets geheel nieuws. Wat ervan te verwachten dus? Mogelijk is dat één van de redenen geweest van de plaatselijke verordening van januari 1881, die we hierboven de revue hebben laten passeren.

De debatten in de gemeenteraad naar aanleiding van het verzoek van de Stoomtramweg Maatschappij om drie bomen op het Vierkant te kappen doen levensecht aan. Ook in die tijd waren er mensen of groeperingen die zich sterk maakten voor behoud van openbaar groen. Wel lijkt de adviserende commissie die zich moest buigen over de kwestie van de te kappen bomen op het Vierkant slechts een heel marginale rol in het hele verhaal te spelen. Telkens komt ze met adviezen, die dan vervolgens door de gemeenteraad weer worden verworpen. Ook dit komt weer levensecht over.

Interessant zou het zijn om na te gaan hoe men in andere dorpen op de komst van “Bello” de stoomtram reageerde. Uiteindelijk kunnen we echter in al die reacties toch altijd weer opvallende parallellen trekken met de huidige tijd.

Geraadpleegde bronnen

– Gemeentearchief Lisse inv.nrs. 516, 607, 627, 1109.

– J.H. Bartman en G. J. de Swart, De NZH l, Het tramtijdperk, Alkenreeks 167 (Alkmaar z.j.), p. 3.

Aankomst van de stoomtram uit Leiden op het Vierkant in Lisse op een ansicht van omstreeks 1900.

LISSESE ARCHITECT AAD PAARDEKOOPER SCHIEP VEEL MARKANTE GEBOUWEN

De Lissese architect Aad Paardekooper schiep veel markante gebouwen. Voor een deel van zijn creaties dreigt sloop. Paardekooper verleed in 1991.

NIEUWSBLAD Jaargang 5 nummer 4, oktober 2006

door Sjaak Smakman

‘Een gebouw moet kunnen sterven,’ zei de Lissese architect Aad Paardekooper ooit over de boerderij van Ruigrok aan de Kanaalstraat die plaats moest maken voor de nieuwbouw van audiocentrum Johanv an Steijn. Het lijkt nu echter ook te gaan gelden voor tal van zijn eigen scheppingen. De Mariakerk, de MVO Lucia, de CNB, de Don Boscoschool. Allemaal markante scheppingen van Paardekooper die op de nominatie staan voor gehele of gedeeltelijkesloop. Maar wie was Aad Paardekooper?

Jacoba van Beierenweg 136 oogt als het zoveelste bedrijf langs deze straat in Voorhout. Maar aan het eind van de oprijlaan is er plotseling een prachtig door bomen omzoomd binnenpleintje met een paar fraai gerestaureerde eeuwenoude panden. Hier woonde en werkte de bekende Lissese architect Aad Paardekooper vanaf 1978, nadat hij zijn zelf ontworpen woning aan de Laan van Rijckevorsel verliet.

Kees Morseveld, als 16-jarige begonnen bij het architectenbureau Paardenkooper en Barnhoorn, woont hier nog altijd. Hij herinnert zich nog hoe in 1972 zijn baas het oog had laten vallen op deze plek waarvan de gebouwen – of beter gezegd: de bouwvallen – ten prooi dreigden te vallen aan de slopershamer na het overlijden van de drie broers Warmerdam.

Belasting op lichtinval

Morsevelds huidige woning, een boerderij uit het laatste kwart van de zeventiende eeuw, was toen weinig meer dan een stal annex garage met een dak van golfplaat. De ramen waren al ruim anderhalve eeuw eerder dichtgemetseld toen Lodewijk Napoleon een belasting op licht(inval) invoerde en de boer geen zin had om te betalen voor het daglicht van zijn beesten.

De Voorhoutse gemeenteraad vond de dood van de broers Warmerdam een mooie gelegenheid om alles te slopen. Slechts dankzij zijn goede relatie met de toenmalige burgemeester kon Paardekooper dat afwenden. Het werd een kostbare verbouwing: Paardekooper was immers een gesettelde architect en dat was voor Monumentenzorg een reden om de lat hoog te leggen bij de restauratie van wat uiteindelijk wél rijksmonumenten waren: eindelijk iemand die een échte restauratie kon betalen! Morseveld kreeg één van de twee woningen en heeft er nog altijd plezier van.

Gods schepping versterken

Zo succesvol als Paardekooper in die jaren was, zo moeizaam was zijn start. Geboren op 11 april 1918 als zoon van een timmermansbaas, zoals dat toen heette, volgde hij de HBS en ging hij in 1936 bouwkunde studeren aan de Technische Hogeschool in Delft. Die studie ging niet zonder hapering: Paardekooper weigerde in 1943 een ariërverklaring te ondertekenen en moest op last van de Duitsers derhalve stoppen met zijn studie. Pas in 1948 zou hij uiteindelijk afstuderen. Maar toen was hij al jaren aan het werk. In 1945 ging hij aan de slag bij het bureau Granpré-Moliere, een van zijn professoren die van enorme invloed was op zijn opvattingen over    , architectuur. ‘Hij was erg van hem onder de indruk en die colleges gaven hem al een soort voorraad: als ik later architect word, dan wil ik zó gaan bouwen’.

Granpré-Moliere was een bekeerde katholiek die, in de woorden van Morseveld, ‘zocht naar wegen om in de bouwkunst Gods schepping te versterken’. Heldere structuren van binnen- en buitenruimten, markante dakvormen en gebruik van ambachtelijke materialen als baksteen, hout, pannen en leien. Zo ontstond de zogeheten Delftse school, die weer sterk was geënt op de Bossche Kring van pater-architect Don van der Laan. ‘Veel collega’s van mij hadden het ook over de Roomse stijl’, zegt Morseveld.

Katholiek netwerk

In die begintijd ontmoette Paardekooper Kees Barnhoorn, die toen al ruim twintig jaar architect was in Lisse. Met de associatie met Barnhoorn in oktober 1946 in het Architectenbureau Paardekooper en Barnhoorn – gevestigd aan de Grachtweg 3 waar Barnhoorn toen woonde en zijn kantoor had – kreeg de katholieke Paardekooper meteen een groot netwerk. Een katholiek netwerk uiteraard, want, zo herinnert Morseveld zich, een katholieke ondernemer liet zijn gebouw ontwerpen en bouwen door geloofsgenoten. ‘Ik weet nog dat mijn vader regelmatig met een toeter door het dorp ging om acties van de middenstand aan te kondigen. Op een keer hielden ze ook een enquête met de vraag waarom mensen hun spullen kochten bij magazijn De Vlijt of bij Tissing. Daar stond dan in negen van de tien gevallen: omdat die van mijn geloof zijn. Zo was het in die tijd.’

Morseveld zelf kwam in 1946 in dienst van het bureau ‘als een jochie van 16 dat tekenen leuk vond’. Het echte vak leerde hij in de praktijk van Paardekooper. Een goede maar strenge leermeester die altijd afstand hield. ‘Het was altijd ‘u’ en ‘meneer Paardekooper’. Toen ik – en alléén ik – hem na zijn afscheid in 1981 Aad mocht noemen en zijn vrouw Ploon, was dat enorm wennen na veertig jaar’.

Bouwen zonder beperkingen

En het was hard werken – eerst aan de Grachtweg en van 1961 tot 1975 aan de Achterweg: van maandag tot en met vrijdag van acht tot vijf en op zaterdagmorgen van 9 tot 11. Een lichtpuntje waren weer de extra vrije dagen, want katholieken hadden in die tijd de nodige feestdagen en Barnhoorn was naast zijn werk ook kerkmeester. Allerzielen, Driekoningen, Maria Hemelvaart en het feest van Sint Agatha: dagen waarop het personeel wel naar kantoor moest komen om vervolgens gezamenlijk naar de kerk te gaan. Daarna hadden ze de rest van de dag vrij.

De jaren vijftig waren de grote jaren van Paardekooper. In die tijd zette hij de gebouwen neer waarmee zijn naam onlosmakelijk verbonden is. De Mariakerk aan de Nassaustraat was zijn grote trots, zegt Morseveld. Mede door de gulle giften van rijke bollenboeren hoefde hij zich geen beperkingen op te leggen en het resultaat is er naar: van de achthoekige rondo’s in het plafond tot aan het massieve siersmeedwerk en de (helaas ooit overgekalkte) schildering van Jezus Triomfator achter het altaar. Het metselwerk is markant. Er werd gemetseld in een zogeheten wild verband, waarbij vrij willekeurig halve stenen werden geplaatst om zo een onregelmatig patroon in de muren te krijgen. De speciaal gebakken baksteen was 5,5 centimeter hoog en tussen de rijen bakstenen moest precies 1,5 centimeter specie. Zo werd elke laag het heilige getal van 7 centimeter dik.

De hal vol klompen

Het gebouw van de Coöperatieve Nederlandse Bloembollencentrale, CNB, aan de Grachtweg in Lisse. Het is een van Paardekoopers bekendste bouw¬werken. Wanneer de CNB in februari 2007 verhuist naar de nieuwbouw aan de Heereweg, wordt het de vraag of dit pand behouden kan blijven. (Foto HS)

Ook bij de bouw van het woonhuis van de toenmalige HBG-directeur Van Leeuwen – die erg onder de indruk was van de kantoren en hallen van wat toen de HBG was en later de CNB werd – aan de Noordwijkerhoutse Brink in 1959 kreeg Paardekooper de vrije hand en ook dat behoorde tot zijn favoriete werk. Woningen bouwde Paardekoper overigens relatief weinig. De stijl van de Delftse school leende zich door zijn karakter meer voor grote bouwwerken. ‘Paardekooper bouwde wel veel bollenschuren. Ik herinner me hoe regelmatig de hal vol stond met klompen. Maar als ze er een huis bij wilden hebben, gingen de opdrachtgevers vaak naar een andere architect. Dat vond Paardekoper overigens niet erg. Die bollenboeren wilden toch een huis met regenton en luikjes en zo’n piepend weerhaantje op het dak en dat soort huizen wilde Paardekooper ook helemaal niet bouwen.’ Toch staat er her en der wel wat: het hele Engelplein is van de hand van Paardekoper, evenals een rij woningen langs de Oranjelaan en de Koningstraat. Ook in zijn geboorteplaats Zoeterwoude heeft hij een aantal huisjes gebouwd. Maar het was lastig in die jaren vijftig. Veel materiaal was op de bon. In een huis mocht maar 6 kubieke meter hout worden gebruikt en dat valt niet mee in een bouwstijl waarvan onder meer brede houten kozijnen een kenmerk was. ‘We zaten vaak te knibbelen in de marges om binnen die grenzen te blijven’, weet Morseveld. ‘Maar uiteindelijk bouwden we daar voor gezinsbelang huizen met een woonkamer, een keuken, drie of vier slaapkamers, een zolder, een wc en een douche voor 12.000 gulden.’

Gasbeton als isolatie

In de jaren zestig kwam er een kentering. Nieuwe materialen, nieuwe tijden, nieuwe inzichten. Wie herkent in de in 1961 gebouwde en een paar jaar geleden gesloopte kantoorflat van Schulte en Lestraden aan de Sassenheimse Parklaan de hand van Paardekooper? Paardekooper werkte veel met het bedrijf samen. Het gasbeton werd uitgevonden en dat bleek uitstekend geschikt als isolerend bouwmateriaal. Schulte en Lestraden bedacht een systeem met ventilatoren waarmee je bollen naar wens kon drogen en koelen en gezamenlijk ontwierpen en bouwden ze veel bollenschuren waar dit nieuwe klimaatbeheersingssysteem werd toegepast. De ‘bunkerbouw’, zoals de Delftse school in de volksmond heette, raakte langzaam uit beeld. Bovendien was de bouw duur. Vooral de handgebakken bakstenen waren te duur, zegt Morseveld, ook al werd er op een gegeven een procédé uitgevonden waarbij de stenen fabrieksmatig(er) konden worden gemaakt.

Agathapark verbaasde

Desondanks keken Morseveld en de andere medewerkers wel even op toen Paardekooper met het ontwerp kwam van het Agathapark. Op de donkergekleurde baksteen na lijkt het in niets op de Delftse school. Maar het paste wel dat andere kenmerk van Paarekooper: ‘Hij was een hele goede trendvólger, geen trendsetter. Dat geldt voor al zijn bouwwerken. Hij is nooit een uitvinder van iets geweest. Toen ze in de jaren zeventig uitgekeken raakte op de kloosterbouw, schakelde hij heel gemakkelijk om naar iets anders. Toen hij met het Agathapark kwam, vonden wij het een hele rigoureuze overgang. Maar hij zelf zei: ik moet wel, want ze willen dat andere niet meer. En je moet niet vergeten dat het bureau in die tijd vijftien medewerkers telde en er moest wel brood op de plank komen. Bij middelgrote architectenbureaus is het altijd een kwestie van geven en nemen’.

Een echte Paardekooper

Paardekooper bouwde méér dat haaks stond op de Delftse school. Het winkelcentrum De Madelief, waar nu Horsman een geheel nieuw complex aan het optrekken is, was een schepping van hem. Hetzelfde geldt voor de opslagloods van Mijnders aan de Heereweg, waar nu de nieuwbouw van de CNB verrijst. En ook het pand van Johan van Steijn aan de Kanaalstraat pal naast het Hofje van Six is toch heus een echte Paardekooper.

In de latere jaren ging ging Paardekooper elke vrijdag naar Rotterdam, naar het Instituut Stad en Landschap, om daar werk van andere architecten te beoordelen. En daar, zo is de stellige overtuiging van Morseveld, is hij vanaf zijn zestigste gaan uitkijken naar een opvolger. ‘Hij had een behoorlijk inzicht in de capaciteiten van anderen en hij wilde als zijn opvolger iemand met dezelfde kwaliteit als hemzelf. Hij zocht niet naar een kloon van hemzelf, dat had trouwens ook niet gekund. Dat zijn opvolger veel moderner zou zijn dan hijzelf, vond hij ook niet erg, als hij maar kwaliteit had. We hebben wel een keer of vier iemand hier in Voorhout gehad die werd voorgesteld als een mogelijke opvolger.’

Die opvolger werd uiteindelijk Fons Verheijen, die in 1975 cum laude was afgestudeerd in Delft. Een totaal ander type dan Paardekooper. ‘Veel opener. Jong nog,’ herinnert Morseveld zich, ‘en bruisend. Het was meteen ‘je’ en ‘jij’ en ‘Fons’, ook met zijn vrouw, en er ontstond snel een band. Het was even wennen, maar het wende snel. En Fons was – en is – een originelere architect dan Paardekooper.’

Dat Verheijen de opvolger was en Paardekooper er mee wilde stoppen, bleek snel. De twee hebben maar drie jaar, van 1979 tot 1982, het bureau samen gerund. Verheijen is daarna nog jaren in Voorhout gebleven, maar verhuisde in 1990 naar Leiden. De tien bij twintig meter grote bollenschuur op nummer 136 die Paardekooper had gesloopt om op de fundamenten een geheel nieuw kantoor te bouwen, werd te klein. Ook Paardekooper bleef niet op het complex. Hij vertrok naar Oegstgeest, waar hij op 24 november 1991 overleed. Zijn weduwe overleed begin dit jaar, op 87-jarige leeftijd.

 

Opmerking in het volgende Nieuwsblad:

Architect Aad Paardekooper

Dit is de enige echte architect ir. A.H. J. (Aad) Paardekooper uit Lisse

In het artikel van Sjaak Smakman in het Nieuwsblad van oktober j.1. over architect Ir. A.H.J.Paardekooper zijn wat foutjes geslopen. Allereerst is de gepubliceerde foto niet van architect Paardekooper, maar van Henk Paardekooper, die secretaris was van de atletiekvereniging ‘De Spartaan’. De heer Morseveld dient te zijn de heer C. J.M.Mosseveld. Ik weet dit allemaal zo goed, omdat ik zo’n 17 jaar heb gewerkt bij Aad Paardekooper! Lisse, Ignus Maes

Karikatuur Aad Paardekooper

De op de voorpagina van het Nieuwsblad van oktober 2006 geplaatste karikatuur van architect Aad Paardekooper is niet in overeenstemming met wat de Vereniging Oud Lisse beoogt, namelijk waardering, aandacht en mogelijk behouden van Paardekoopers in Lisse gebouwde ontwerpen. Nergens staat de bronvermelding van deze karikatuur. Dan is het beter deze te plaatsen in zijn context. Lisse, Ignus Maes

Noot van redactie: In het colofon op pagina 3 staat vermeld: ‘Tekening cover: Piet Berrevoets’

Foto Aad Paardekooper

Met veelbelangstelling het nieuwe nummer van het nieuwsblad nr. 4 gelezen. Daar staat een artikel in over ir. Aad Paardekooper. De foto die erbij staat afgedrukt is volgens mij niet van ir. Aad Paardekooper, maar van Henk Paardekooper (oude-secretaris van de Spartaan). Is dat juist ? Lisse, Co Lieverse

Noot van de redactie: Dat is helaas juist.

Foto Aad Paardekooper

De foto bij het verhaal over architect Aad Paardekooper is niet van hem maar van Henk Paardekooper van de Spartaan, niet eens familie! Wat zullen de kinderen van Aad Paardekooper er wel niet van zeggen?

Lisse, Puck de Vroomen

Noot van de redactie: Cees en Vincent zullen zeggen: Wat een sufferds

Zilveren inktstel van de Arnoud

Het museum de Zwarte Tulp heeft een zilveren inktstel gekregen van Geert van Hardenbroek, een nazaat van de eigenaar van zandsteenfabriek Arnoud.

Nieuwsflitsen

NIEUWSBLAD Jaargang 5 nummer 4, oktober 2006

Op vrijdagmiddag 28 juli kwam Geert van Hardenbroek (baron Van Hardenbroek van Ammerstol), een kleinzoon van de stichter van de Kunstzandsteenfabriek Arnoud, thans Silka, naar het museum de Zwarte Tulp om een in 2004 gedane belofte in te lossen. Hij kwam een zilveren inktstel van zijn opa ten geschenke geven om het uit te stallen op het oude bureau in de directiekamers van de Arnoud in het museum. Evenals het portret dat al in de directiekamers hangt, kreeg opa dit inktstel cadeau bij het 25-jarig bestaan van de fabriek in 1929. Op het stel staat de inscriptie:

Kunstzandsteenfabriek Arnoud

1904 – 4 augustus 1929
De leden van de Raad van Beheer

Aan het gedelegeerd lid

Het onderstel is geheel van zilver, de twee inktpotten van kristal (‘Een voor de blauwe inkt en een voor de rode,’ zei Geert van Hardenbroek lachend) en voorts is er ook nog een inktvloeier bij.

Geert van Hardenbroek had dit stel aan het museum beloofd toen hij in oktober 2004 de directiekamer van zijn opa bezocht. Nu hij zich gereedmaakt om zich definitief in Frankrijk te vestigen, kwam het kleinood bij het opruimen van zijn inboedel weer tevoorschijn. ‘Het hoort hier in het museum,’ zo verklaarde hij eenvoudig. Geert van Hardenbroek raakte bij dit bezoek wel even geëmotioneerd toen een andere bezoeker tegen hem zei: ‘Oh, bent u ook zo geïnteresseerd in de directiekamer van Van Herwaarden?’

‘De directiekamer van de Arnoud zult u bedoelen!’ beet hij de bezoeker toe. Vervolgens maakte hij het personeel van het Museum duidelijk dat zijn opa de fabriek had gesticht en het kantoor liet voorzien van deze fraaie directiekamers, maar dat Van Herwaarden de fabriek enkele jaren na de oorlog in bezit kreeg.

Geert van Hardenbroek en het zilveren inkstel van zijn opa op diens bureau. Foto HS

De steenfabriek vóór en in de oorlog

In het artikel in het vorige Nieuwsblad over foto’s van bakker Out uit Hillegom wordt niet gesproken over de steenfabriek omdat Out geen foto’s heeft gemaakt.

Bultink, M.

Jaargang 4 nummer 1, januari 2005

Kunstschilder H. Lugt vervaarigde in augustus 1929 dit portret van de directeur van de steen-fabriek in Hillegom, baron Arnoud van Hardenbroek van Ammerstol.

Zeer recent stuitte ik op wat notities die ik maakte toen ik mocht rondneu­zen in het in verval geraakte archief van de steenfabriek. In zijn algemeen­heid gold destijds dat Van Hardenbroek (de baron), mede vanwege de ver­dere technische ontwikkeling van het kalkzandsteencomplex, al ver vóór de oorlog nauwe banden onderhield met zijn collega’s in Duitsland. Hij was daar ook meerdere keren op bezoek en er waren in Hillegom ook tegenbezoeken van Duitse kalkzandsteenspecialisten, met wie vooral veel werd gediscussieerd over de verbetering van bet productieproces. Van Hardenbroek was duidelijk onder de indruk van de Duitse ‘Gründlichkeit’ en slagvaardigheid en toen Nederland in de jaren dertig in de crisis werd ondergedompeld, ontstond bij de baron meer en meer een afkeer tegen het economische beleid in ons land en hij stak dat niet onder stoelen of banken.

Zo correspondeerde hij uitgebreid met zijn in Zeist wonende neef, jonk­heer mr. Huydecoper, die zich ook graag afzette tegen ‘de ellendige staats­bemoeiing in het industriële bedrijf’. Zij schreven uitgebreid met elkaar over dit onderwerp. Een paar passages.

Rood-roomsch regime

“De tijden zijn anders geworden ofwel veel slechter dan destijds mocht worden verwacht. Het was beginjaren twintig ondenkbaar dat het rood-roomsche regime, dat ons nationaal vermogen door verpolitiekheid opsoupeerde, zoo lang zoude aanhouden en zelfs thans nog niet van de baan is. (…)Ik zie in Den Haag veel achter de schermen en ik ben wel ged­wongen van alle wetten kennis te nemen en veelal er tegen op te trekken. Mijn conclusie is dat Colijn wel goed wil, maar tegen de rest niet op kan. In een andere brief- gedateerd 3 april 1939- schreef hij: De rede van Romme heb ik ook aangehoord en mij geërgerd aan toon en stem en het zoo duidelijke gebazel voor de balie. Natuurlijk ben ik al lang bezig bij den Premier over mijn geval, doch de premier kan zeer weinig doen om zich niet zelf politiek heelemaal onmogelijk te maken. Hij zit geheel onder (deplak van) zijn roomsche ministers. En wat deze willen?

Onder de claque van de Socialisten den volke duidelijk maken, dat men bij hen kan krijgen wat men bij de nazi’s krijgt. Inmiddels doen zij met het afvlakken naar het mindere alles beroerder dan de nazi ‘s, die – met al hun fouten – toch in elk geval het beste laten werken en de efficiency hoog houden” .

Land verhuurd

En dan nog dit. Van Hardenbroek was weliswaar pro-Duits, maar toch ook wel zo zakelijk dat hij in de tijd van de mobilisatie in de omgeving van Noordwijkerhout land verhuurde waarop Nederlandse troepen hun oefeningen konden houden.

De steenfabriek in de oorlog

In het artikel ‘De steenfabriek De Amoud in de oorlog’ dat in de vorige aflevering van dit blad stond, vroeg auteur Hans Smulders zich af waarom er in het boek Hillegom ’40-45′ van Frans Out niets vermeld is over het oorlogsverleden van de Kalkzandsteenfabriek. De belangrijkste reden is heel simpel: het boek is gebaseerd op het foto­materiaal van bakker Frans Out, dat in 1984 en 1985 op twee exposities te zien was. Frans Out woonde en werkte tijdens de oorlog in de Hillegomse Hoofdstraat. Daar was de bakkerij en daar bezorgde hij brood aan huis. Frans Out kwam met zijn camera niet in de buurt van de Kalkzandsteenfabriek en heeft daar dus ook geen foto’s van gemaakt. Uiteraard is er voor het boek de nodige research gedaan in het Gemeentearchief Hillegom en bij het RIOD. Doel daarbij was om de foto’s met informatie aan te vullen, bijvoorbeeld over oorlogsschade aan panden, beschietingen en bombardementen, de jodenvervolging e.d. Het verleden van de steenfabriek is destijds eenvoudig geen onderwerp van onderzoek geweest, maar ook en passant zijn wij niet op interessante feiten gestuit, anders hadden wij die zeker in het boek vermeld.

Steenfabiek in Hillegom maakte de weg vrij voor de bloembollencultuur

Kunst kalkzandsteen: duinzand en gebluste kalk. De geschiedenis van de kalkzandsteenfabriek en het maken van bollenland wordt besproken.

door Arie in ’t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 3 nummer 3, juli 2004

Ongeveer een eeuw geleden begon Aernoud H.Baron van Hardenbroek van Ammerstol langs de Ringvaart van Haarlemmermeer op de grens van Lisse en Hillegom een – wat hij toen noemde – ,Kunstzandsteenfabriek’. De naam van die fabriek lag voor de hand: ,Aernoud’. De vestiging van een ‘kunstzandsteenfabriek’ in deze streek bleek in 1904 een ‘gouden greep’ te zijn. De bloembollencultuur was sterk in opkomst en de zandgronden achter de duinen leenden zich daar uitstekend voor.

Daartoe moest wel eerst het prachtige golvende, ruige landschap vlak worden gemaakt. “De streek hier is er niet mooier door geworden”, moet ook de heer Van Herwaarden in een interview bij het 75-jarige bestaan van het bedrijf toegeven. Maar in de strijd om het bestaan boden de bloembol­len een aantrekkelijk perspectief. De mensen van ‘Aernoud’ trokken er op uit om grote terreinen te egaliseren. Dat gebeurde grondig waarbij onder anderen de ,omzuigmethode’ werd toegepast. Van soms 5 a 6 meter diepte werd een mengsel van water en prima zand opgepompt. De gronden wer­den afgevoerd naar de fabriek in de Leidsestraat om als grondstof te die­nen bij de fabricage van kalkzandsteen.

Van Herwaarden

De kalkzandsteen was al gauw in een hevige concurrentiestrijd verwikkeld met de baksteen. In 1911 kwam de jonge Rotterdammer Van Herwaarden de baron een handje helpen. Maar in 1920 kwam de directeurspost vrij bij een steenfabriek in Leiden en dat was voor de 30-jarige Van Herwaarden een uitdaging. Vijfjaar later bouwde hij in Katwijk zijn eigen kalkzand-steenfabriek. Na de oorlog nam deze ambitieuze zakenman een pakket aandelen over van de ,Aernoud’-fabriek en sinds 1973 heette de fabriek ‘Van Herwaarden’.

Kunststoframen

Intussen is ‘Van Herwaarden’ uitgegroeid tot een heel concern. De kalk-zandsteenfabriek in Katwijk was in het kader van een herstructurering bin­nen de bedrijfstak overgeschakeld op de productie van kunststoframen. De fabriek in Hillegom heeft evenwel een vrij constante productie en wordt steeds verder gemoderniseerd. Van Herwaarden heeft belang bij en meerderheidsaandelen in verschillende zandwinningsmaatschappijen en in 1980 werd de bouwmaterialenhandel Salamons overgenomen. Voor Van Herwaarden betekent dit een gunstige aanvulling van het pakket van ondernemingsactiviteiten.

Zand en gebluste kalk

De fabricage van kalkzandsteen is vooral sinds de jaren ’60 sterk gemoder­niseerd. Toch draait verbetering van de methoden vrijwel steeds om ,varianten op een oud thema’. Heel eenvoudig gezegd wordt kalkzandsteengemaakt van een mengsel van zand en gebluste kalk. Vroeger werd de uit Duitsland en België afkomstige ‘kluitkalk’ in de fabriek gebrand en ver­volgens geblust. In die tijd vertoonde het aanwezige groen in de buurt van de fabriek een vreemde witte aanslag…

Dat is allang verleden tijd. Er wordt nu gebruik gemaakt van kant en klaar gemalen kalk. Vervolgens wordt de kalk met water en zand vermengd in een zestal reactoren. Na het persen van de stenen volgt een laatste behan­deling in de ‘stoomautoclaven’.

Zandtaartjes

De stenen zijn dan nog zacht als zandtaartjes. Als de vol beladen wagens de stoomautoclaven binnenrijden, begint een interessant procedé. Bij een tem­peratuur van 180 a 200 graden begint het kalkpoeder de zandkorreltjes aan te vreten en gaat de kalk chemische verbindingen aan met het silicium uit het zand. Deze verbindingen vormen een kleefmassa die alle zandkorrel­tjes aan elkaar plakt tot een zeer degelijke kalkzandsteen.

Goeie ouwe tijd

Er is in een eeuw veel veranderd. En gelukkig maar. Van Herwaarden ver­telt in het interview over zijn jonge jaren toen alle stenen met de hand wer­den afgenomen: “De mannen droegen zogenaamde koetjes. Stukjes auto­band in hun hand als bescherming. Dat was nou lopende bandwerk in opti­ma forma! Om gek van te worden’.

Toch krijg je uit oude foto’s de indruk dat ook toen de mensen het niet aan arbeidsvreugde ontbrak… Maar typerend is wel natuurlijk, dat er toen twee mannen nodig waren om in één jaar l miljoen stenen te produceren. Die twee mannen nemen driekwart eeuw later zo’n vier miljoen stuks voor hun rekening!

De kunstkalkzandsteenfabriek in Hillegom vlak na de oorlog. De foto (van KLM Foto) sierde een Kerst- en Nieuwjaarskaart van de fabriek. (Ansicht uit collectie vd Wim van Hage, Lisse)

 

MUSEUM BERETROTS OP DIRECTIEKAMERS VAN STEENFABRIEK! IS DAT TERECHT?

Museum de Zwarte Tulp  heeft een nieuw gebouw ingericht om daarin de oude luxe directiekamers van de steenfabriek Arnout in onder te brengen. De geschiedenis van de steenfabriek wordt besproken. De oprichter werd na de oorlog veroordeeld voor collaboratie met de Duitsers.

door Ine Elzinga Foto: Hans Smulders

NIEUWSBLAD Jaargang 3 nummer 3, juli 2004

Museum de Zwarte Tulp in Lisse heeft een nieuw gebouw moeten laten optrekken om daarin deoude, luxe directiekamers van de steenfabriek in Hillegom onder te brengen. Tussen het ma ssief eiken en prachtig grenen, onder de oude hanglamp en voor de prach­tige klok gaan bezoekers een eeuw terug in de tijd. Museumvoorzitter Joop Zwetsloot kan er bewogen over vertellen.

Museum De Zwarte Tulp had het pand Van der Zaal aan het Vierkant aange­kocht om te kunnen uitbreiden. Op het moment dat de plannen klaar lagen en de subsidies waren aangevraagd, ver­anderde één telefoontje van de Hillegomse wethouder Mare Witteman alles. Zwetsloot: ‘Hij vertelde dat de direc­tiekamers van de steenfabriek zouden worden gesloopt. Hillegom had al alles in het werk gesteld een plek voor deze kamers te vinden, maar zonder resultaat. Ik kende ze niet, maar ben er heen gegaan en was enorm onder de indruk. We konden ze gratis meenemen. Maar ook wij hadden geen plek. De enige mogelijkheid zou zijn in de tuin achter Van der Zaal een pand te bouwen speciaal voor de kamers. En daar hadden we geen geld voor.’

Gildekamer

Zwetsloot roept het Gilde van Museum De Zwarte Tulp bijeen: ‘Ik heb gepleit voor een speciale Gildekamer, te huren voor een speciaal tarief, een ruimte die we ook op ander manieren economisch konnen gebruiken en ik kreeg de handen op elkaar.’

Ondertussen zette de toenmalige directie van de steenfabriek alles op alles om de directiekamers compleet houden. Menig lid van de Raad van Commissarissen had een oogje op een stoel of een kast voor eigen gebruik laten vallen.

Twee wonderen

Financieel heeft Zwetsloot alles rond gekregen hoewel het spannend was: ‘We hadden gespaard voor de uitbreiding Van der Zaal, daarbij kwamen de vaste inkomsten van de Gildeleden. Toen gebeurden er twee wondertjes. De VVV Hillegom werd geliquideerd en verkocht en de accountant moest een deel van de gelden bestemmen voor een toeristisch doel. Hij benaderde ons. Tegelijkertijd doneerde spontaan een anonieme Hillegommer een flink bedrag. Dat betekende dat we zeventig procent van de gelden beschikbaar hadden. Het overige hebben we verkregen uit fondsen. Maar het was allemaal nooit gelukt zonder de vele gespecialiseerde vrijwilligers die hun diensten gemotiveerd beschikbaar stelden.’

Want Hillegomse vrijwilligers hebben de kamers stukje voor stukje afgebroken, de onderdelen genummerd een veilig opgeslagen, zodat ze de kamers uiteindelijk in de nieuwe ruimte van Museum der Zwarte Tulp wederom konden opbouwen.

De baron

Volgens Joop Zwetsloot kan baron Arnoud van Hardenbroek van Ammerstol, die aan het begin van de vorige eeuw d steenfabriek liet bouwen en inrichten, beschouwd worden als de grondlegger van de ontwikkeling van de Duin- en Bollenstreek. Ruim veertig jaar bestuurt hij de zaken vanuit zijn stijlvolle directiekamers. Als blijkt dat hij in de Tweede Wereldoorlog fout is geweest, wordt Arnoud graag en snel vergeten. Hij wordt berecht en veroordeeld en ver­dwijnt in de gevangenis. Zijn fabriek wordt hem ontnomen. Alleen de sloot naast de steenfabriek draagt in de volksmond nog zijn naam: de Arnoudsloot. De heer Van Herwaarden, die vroeger op de fabriek van de baron had gewerkt als vertegenwoordiger, maar later zelf een steenfabriek begon in Katwijk, neemt in 1945 het bedrijf  over. Hij zetelde achter het bureau van de baron in dezelfde directie­kamer.

Om te begrijpen welke betekenis de directiekamers voor de ont­wikkeling van de Duin- en Bollenstreek hebben gehad, is het goed terug te gaan naar de 16e eeuw. De streek oogt in die tijd als een Hollandse wildernis. De hoogtijdagen van zowel ’t Huys Dever als het slot van Teylingen zijn voorbij, er wonen nauwelijks mensen in deze ruigte.

De omliggende steden, Leiden en Haarlem, komen tot ontwikkeling. Maar met name ’s zomers trekken de rijke stedelingen graag weg. De stad stinkt, er wonen en werken teveel mensen en algemene voorzieningen zijn een nog onbekend fenomeen. De rijken laten het oog op de streek vallen, kopen lappen grond en bouwen prachtige buitenhuizen om de zomers door te komen. Dat betekent wel een economische vooruitgang voor de streek. Er zijn bouwers nodig, tuinlieden enzovoort. Joop Zwetsloot: ‘Er kwam weer klus in de streek.’

Rendabel kalkzand

Inmiddels praten we over de negentiende eeuw. De steden hebben voor hun uitbreiding zand nodig voor de aanleg van spoorwegen en stenen voor de bouw van woningen. Baron Van Hardenbroek, reeds woonachtig in de streek, ziet mogelijkheden. Joop Zwetsloot: ‘Hoe een en ander precies is gegaan, weet ik niet. Maar die man wist wat ondernemen was. Hij vroeg zich af op welke manier hij dat kalkzand het beste rendabel kon maken en kende de eigenaren van de gronden. Hij legde de hand op een chemisch procedé om het kalkrijke zand middels een persing tot stenen te maken en besloot een steenfabriek te bouwen op de grens van Lisse en Hillegom. Het bedrijf werd begin negentienhonderd opgeleverd, inclusief de meteen volledig ingerichte directiekamers, zoals die vandaag in het museum staan.’

Schouw met houtkachel

Bijna honderd jaar lang zal de steenfabriekdirecteur vanaf precies hetzelfde bureau, naast de prachtige schouw met houtkachel, het bedrijf bestieren. Zwetsloot: ‘Baron van Hardenbroek was een zeer feodaal man. De directiekamers zijn ingericht naar de in die tijd toonaangevende Mechelse stijl, geïmiteerd door regionale meubel­makers. Massief eiken voor de kamer van de directeur, de aangren­zende ingenieurskamer van degelijk grenen. De luxe inrichting dien­de om indruk te maken op zijn afnemers, die bij binnenkomst meteen moesten begrijpen dat hij, een relatief goedkoop, maar wel uitstekend product leverde. Hij was overigens de enige in de verre omgeving, een monopolist.’

Op de bewaarde kaarten zijn de ontwikkelingsplannen van de streek-gronden nauwkeurig en schematisch zichtbaar. Af te graven stukken grond, met sloten eromheen, die vandaag de dag nog allemaal de naam zandsloot lijken te dragen. Ondertussen is er rond Haarlem al sprake van een voorzichtig begin van bollenteelt. Om uit te breiden zoekt men grond in het zuiden. De afgegraven zandgronden blijken uitermate geschikt. De reeds aangelegde sloten doen prima dienst om de bollen per boot naar groter water, zoals de haventjes van Hillegom, Lisse en Sassenheim te vervoeren en vandaar verder.

Stenen pad

De complete directiekamers zijn door architect Bob van Beek, voor­dat zij werden afgebroken, minutieus opgemeten. De meetresultaten bepaalden de maten en het ontwerp van de benodigde nieuwbouw naast Museum de Zwarte Tulp. Beide kamers zijn compleet overge­bracht, nou ja behalve twee muren. Uiteraard hadden directeur en ingenieurs aparte, naast elkaar gelegen kamers. De tussenmuur is er niet meer. Als afscheiding loopt er nu een stenen pad tussen de kamers. Zelfs de gebrandschilderde ramen zijn naar het museum meegenomen, een zeer precies werkje. Eén raampje overleefde de verhuizing niet. Maar voor dit probleem werd een specialist gevon­den die een nieuw raampje identiek brandschilderde. In een hoekje is heel klein en ondeugend 2004 gegraveerd.

Stukje voor stukje parket

Behalve door de houtkachel werd de ruimte met behulp van gietijze­ren radiatoren verwarmd, verstopt onder de houten betimmering bij de vensterbank. Zwetsloot: ‘Eerlijk gezegd, hebben we de radiatoren maar laten staan.’ Maar dat is wel het enige. De parketvloer is stukje voor stukje losgemaakt, met plamuurmes zijn de oude lijmresten verwijderd waarna alles in het nieuwe pand zijn oude een plekje her­kreeg, evenals het houten plafond, de lambriseringen en de grote kasten. Hoewel die kasten nu minder diep zijn dan in de oorspronke­lijke situatie. Een kniesoor die daarop let.

De bejaarde Friese staartklok met maanstanden gaat de nieuwe tij­den meemaken evenals het geschilderde portret van Arnoud van Hardenbroek en het bijzondere wandkleed met Mercurius, de God van de handel, boven de streek wijzend naar de steenfabriek.

Joop Zwetsloot hoopt dat de directiekamers op hun nieuwe locatie een rol kunnen spelen als vergader- en overlegruimten voor het ont­wikkelen van ideeën.

HOE FOUT WAS BARON ARNOUD IN DE OORLOG?

Kunstschilder H.Lugt vervaar-digde in augustus 1929 – binnen¬kort 75 jaar geleden dus – dit por¬tret van de directeur van de steen-fabriek in Hillegom, baron Arnoud van Hardenbroek van Ammerstol. Na restauratie van de lijst zal het werk – zo is men van plan – op zijn oude plaats worden opgehangen, in de directiekamer naast de klok tegenover de haard.

Museum de Zwarte Tulp heeft met het herbouwen van de directieka­mers van de kalkzandsteenfabriek in Hillegom niet alleen een historisch staaltje interieurinrichting in de Mechelse stijl uit het begin van de vorige eeuw binnengehaald, maar ook een vervelend probleem.

De oprichter van de kalkzandsteenfa­briek, baron Arnoud Hendrik van Hardenbroek van Ammerstol, was namelijk fout in de oorlog. Omdat hij in de oorlogsjaren stenen leverde aan de Duitsers, die daarmee natuurlijk geen vakantiehuisjes bouwden, werd hij na de bevrijding gearresteerd en vervolgd wegens hulp aan de vijand in oorlogstijd. In oktober 1946 diende zijn zaak voor het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam. Hij werd veroordeeld tot één jaar gevangenis­straf met aftrek van voorarrest.

Uit dat vonnis kan men concluderen dat hij niet werd beschouwd als een grote vis. Niettemin is zijn met de Duitsers sympathiserende houding geen reden om trots te zijn op deze Hillegommer. Merkwaardig is wel dat zijn zoon Gijsbert (1903), die ook in de directie van de fabriek zat, ongemoeid werd gelaten.

Geen vriend van de Britten

Baron Arnoud was geen vriend van de Britten, die rond 1900 de door de Boeren bewoonde Zuid Afrikaanse provincies Transvaal en Oranje Vrijstaat met de vele, grote goudvelden probeerden in te lijven. Hij stond aan de kant van de Boeren (landbouwers uit vele Europese landen waaronder Nederland), die voor hun vrijheid vochten. De baron verwierf in 1899 van zijn schoonfamilie het landgoed Veenenburg tussen Lisse en Hillegom. Hij woonde daar ook, maar hij liet in 1915 aan de rand van de Haarlemmerhout in Haarlem het grote woon­huis Uyt den Bosch bouwen.

Nadat hij in Duitsland (!) het patent verworven had voor de fabricage van kalkzandstenen, begon hij in 1904 zijn kalkzandsteenfabriek Arnoud in Hillegom. Zijn hart lag sedertdien duidelijk bij de Duitsers.

Vrouw dood, zoon dood, dochter dood

Baron van Hardenbroek is in Haarlem gestorven op l juli 1947, dus ruim een halfjaar na zijn veroordeling. Verdriet was hem niet bespaard geble­ven. Hij verloor zijn eerste vrouw, Cecilia Leembruggen, bij wie hij twee kinderen had. Hij hertrouwde met haar jongste zus die hem nog drie kinde­ren schonk. De oudste, Alfer Arnoud, kwam in februari 1945 in Duitsland om bij een bombardement. De jongste, Aleid Ingeborg, die in het Nederlandse verzet zat, stierf in april 1945 in een Duits concentratiekamp. (Hans Smulders/met dank aan Arie den Hoed)

De directiekamer van de steenfabriek Arnout

ZO BEGON DE POST IN LISSE: Een houten kastje, 2 meter boven de grond met de brieventasch

door A. van der Meij en Arie in’t Veld

“In die tijd werden de brieven voor Lisse bezorgd vanuit Sassenheim, met een bode s middags en moest voor elke brief vier duiten of 2 cent worden betaald. Buiten de porto. Om een brief van Lisse te ver­zenden moest men ’s middags de bode opwachten of de brief bezorgen bij Jacob van der Veert, schoenmaker ter plaatse en met bijvoeging van 4 duiten of 2,5 cent. Dan nam de bode de brief mee naar Sassenheim ter verdere verzending. Frankering van brieven was toen niet bekend. De ontvanger van een brief moest de port betalen”.

 

De postbezorging van vandaag de dag heeft een hele ontwikkeling moeten doormaken voordat deze is geworden tot wat het nu is. Lisser A. van der Meij nam die ontwikkelingen aan het begin van de vorige eeuw onder de loep en publiceerde daarover in Ons Weekblad van september 1920. In het betreffende artikel legt Van der Meij eerst een band met de lezer(es) door te stellen dat zijn vader een ‘vleeschhouwerij’ had die rond Taschen’ 1837 door hem werd geopend.

Van der Meij spreekt in het artikel het vermoeden uit dat de eerste brieven-gaarder in Lisse in 1840 werd aangesteld: “….. Want het aanleggen van het Hollandsch Spoor en het graven van de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder was in dat jaar gelijktijdig te Lisse en zal daardoor de correspondentie wel aanmerkelijk zijn toegenomen”.

Brievengaarder

Die eerste brievengaarder was vermoedelijk H. Scherpenzeel, de zwager van de toeftmalige burgemeester van Lisse E. J. van den Berg. “Als jongen heb ik die heer Scherpenzeel goed gekend,” zo vervolgt Van der Meij zijn verhaal. “In dien tijd bezorgde hij zelfde brieven in het dorp en had een man, Pieter Mens (wij als kinderen noemden hem Piet Poppejak) die twee­maal daags brieven van het Hollandsch Spoorstation ,Veenenburg’ haalde.Des nachts om 12 uur kwamen de brieven en couranten per postkar van Amsterdam en om 3 uur van Rotterdam. Aan de gevel van het huis van Scherpenzeel was tusschen de deur en het eerste raamkozijn op ongeveer 2 meter boven de grond een houten kastje getimmerd dat van binnen en van buiten gesloten kon worden en waarin hij ’s avonds de brieventasch lag die door de postiljon van de postkar ’s nachts om 12 uur er uit werd gehaald en de post voor Lisse bestemd in een tasch om drie uur ’s nachts er weer in lag. De postiljon had een sleutel van het kastje, zodat de Heer Scherpenzeel ’s nachts niet behoefde op te staan om post af te geven ofte ontvangen,” aldus Van der Meij in zijn verslag waarvan we de diverse eigenaardigheden in het taalgebruik hebben overgenomen. Hij schetste ook dat hij van z’n moeder ooit had gehoord dat haar vader te Sassenheim wel eens brieven uit Berlijn of Leipzig ontving en dan 85 cent porto moest betalen. “Voor kortere afstanden moest in 1852 in ons land 5 cent en voor verdere afstanden 10 cent per gewonen brief betaald worden.Postzegels waren dat jaar reeds inge­voerd doch het was aan het believen van den afzender overgelaten of hij er gebruik van wilde maken. Dit is zo gebleven tot de Postwet van 1875 toen het port werd bepaald op 5 cent per gewonen brief voor het geheele land. Doch geen gedwongen frankeering werd ingevoerd.Het publiek greep even­wel zelf in. ledere handelaar annonceerde namelijk dat hij geen ongefrankeerde brieven wilde ontvangen en leerde alzoo het overige publiek zijn voorbeeld te volgen.Van dien tijd dateert het nog dagelijks (we spreken nog altijd over 1920) voorkomende ,Br.fr.’ in de advertenties in de couranten”.

Briefkaarten

Zijn verhaal vervolgend vertelt Van der Meij dat in 1876 de open briefkaar­ten werden ingevoerd die voor 3 cent aan de postkantoren verkrijgbaar waren en door het gehele land verzonden konden worden. “En nog een paar jaar later werd de postpakketdienst ingevoerd. Dit alles was zoo tot 1919, toen door de verhoogde salarissen en vervoerkosten het tarief is verhoogd voor het binnenland, zoodat een brief 7,5 en een briefkaart 5 cent kost en het pakketposttarief ook aanmerkelijk is verhoogd. Kort na 1875 is door eenige staten de algemeene postvereeniging opgericht, waarbij voor den oorlog bijna alle staten van de wereld waren toegetreden. Die vereeniging hield om de twee jaar op verschillende plaatsen van de wereld een postcongres. Op die congressen werden verschillende nieuwe zaken ingevoerd zoo bijvoorbeeld postwissels, uniform, port voor brieven en briefkaarten over de geheele wereld, postpakketdiensten en verrekenpakketten”. De verteller illu­streert verder dat het tarief ‘voor de gewoone brieven 12,5 cent is en voor briefkaarten 5 cent’. “Gedurende de oorlog (de eerste wereldoorlog, red.) en ook nog niet daarna heeft de vereeniging geen congres gehouden, zoodat door de verhooging van het binnenlandse tarief de malle verhouding is ont­staan dat een brief van bijvoorbeeld hier naar Sassenheim 7 l/2 cent en een briefkaart 5 cent kost en naar landen der vereeniging respectievelijk 12 Vi en 5 cent. Het telegramtarief voor het binnenland was in 1872   30 cent voor 20 woorden, behalve het bestelloon dat de geadresseerde moest betalen. Voor den oorlog en tot 1919 was dit 30 cent voor 10 woorden en geen bestelloon als de geadresseerde binnen de bestelkring van het tele-graafkantoor woont. Thans (1920 dus) is dat 40 cent per 10 woorden en een intercommunaal telefoongesprek van drie minuten kostte tot 1919 25 cents en thans 35 cents. Voor den oorlog konden abonnees van het telefoonnet alhier internationaal van uit hun huis spreken met abonnees van het tele­foonnet te bijvoorbeeld Berlijn, Hamburg, Leipzig, Brussel en vele andere plaatsen”.

Blauw potlood

Na het korte overstapje over de telefonie gaat Van der Meij verder en vertelt dat het betalen van porto voor een brief tot 1875 voor een brief naar Lisse voor een korte afstand, bijvoorbeeld vanuit Haarlem, vijf cent bedroeg. Van verder gelegen plaatsen was dat tien cent. “Hetwelk door de postambtenaren met blauw potlood op het adres werd geschreven. Ook bestond in die tijd nog het dagbladzegel, waardoor het abonnement zeer duur was, zoodat vier of vijf burgers met elkaar de courant lazen en een paar uur per dag ter zijner beschikking kreeg. Mijn vader las (zo vervolgt Van der Meij) het Handelsblad dat ’s avonds 7 uur werd gehaald bij de vorige lezer en de vol­gende dag ’s morgens door de notaris.” Ook vertelt hij dat brievengaarders op den duur ook van buiten de gemeente werden aangesteld. “Waaronder de heer Pieterse. Waarschijnlijk afkomstig uit Sassenheim Na zijn vertrek werd tot brievengaarder aangesteld D. Boeree, horlogemaker alhier die in den beginne dat ambt bij zijn bedrijf waarnam, doch later het horlogemaken moest laten varen.Hij begon zijn ambt met een door hem bezoldigde brievenlooper, daarna werd een officieel aangestelde postbode benoemd in de persoon van N. Reijer, bijgenaamd Klaas Koek en toen hij in 1880 werd gepensioneerd waren er reeds 3 officieel aangestelde postboden.

Postkantoor

Een ansichtkaart van de Heereweg uit 1910. Links het postkantoor. De traimrails gaat richting Hillegom. De aandacht die de fotograaf met zijn geheimzinnige en onbegrijpelijke apparatuur kreeg, is ontroerend. (Foto: Gemeente Archief Lisse)

Het hulppostkantoor Lisse ressorteerde onder het postkantoor Leiden. In het begin der tachtiger jaren kreeg Boeree van den directeur aldaar maandelijksch f 2,50 aan postzegels voor de verkoop, wat na invoering van den pakketpost werd verhoogd tot vijfhonderd gulden. En van postzegels gesproken: aanvankelijk bedroeg de omzet in Lisse 13 duizend gulden per jaar. Toen het postkantoor in 1890 door het Rijk werd overgenomen was dat 18 duizend gulden en in 1920 zat men niet ver van de 30 duizend gulden per jaar”. Na de pensioneering van Boeree kwam de heer Citter als brievengaarder te Lisse. Volgens Van der Meij een zeer formeel man en niet zeer meegaande voor het publiek. Het hulppostkantoor was toen gevestigd op de Gracht in het huis dat later werd bewoond door de dames van Parijs (thans de supermarkt-red). De Citter is gebleven tot 1900 toen het in 1899 gebouwde posten telegraafkantoor werd geopend met de heer Bondam als directeur. Dat postkantoor was gevestigd in een fiks gebouw op de hoek Heereweg/Stationsweg (de Steeg) – thans de hoek van de Berkhoutlaan, ofwel het pand van ‘De Madelief’. Na die tijd is het postkantoor belast geworden met het overzenden van loonlijsten en het bedrag daarvan aan de Rijksverzeekeringsbank, volgens de Ongevallenwet. Vervolgens de postgirodienst, het wekelijks uitbetalen van ouderdomsrente en het verkopen van loonzegels volgens de invaliditeitswet.

Rijk koopt postkantoor

Het postkantoor van Lisse in het begin van de jaren vijftig. De Heereweg is bestraat met kinderkopjes en de traimrails mist de bovenleiding, wat er op duidt dat de tram niet meer reed. Rechts de garage van Camminga, een heuse Ford dealer en dat niet alleen: juffrouw Camminga was de lieflijke kleuteronderwijzeres! (Foto: Arie in ’t Veld)

Dat bewuste postkantoor heeft de gemeente ongeveer f 22.000,- gekost en deze ontving daarvoor van het Rijk een huur van f l .224,- per jaar. Op een avond in 1908 deelde de burgemeester tijdens de vergadering van de Gascomissie mee dat de inspecteur der posterijen bij hem was geweest om hem mede te delen dat het post- en telegraafkantoor te klein was en hem had voorgesteld de politiepost erbij te betrekken. De burgemeester had de gemeente-opzichter opgedragen van die bijtrekking een begroting te maken, wat ongeveer f 2.000,- zou kosten. Van der Meij, lid van de Gascommissie, zei op die mededeling een beter idee te hebben. “Laat het Rijk het post en telegraafkantoor kopen, dan kan het Rijk zoveel veranderen en bijbouwen als het wil, want wordt bovenstaande verandering nu voor rekening van de gemeente gemaakt, over 3 of 4 jaar is het weer te klein”. Dit voorstel vond bij alle raadsleden in die vergadering bijval. Na verschillende taxaties heeft het Rijk het kantoor uiteindelijk in 1909 gekocht voor f 17.500,- inclusief de bijbehorende woning. De gemeente behield een deel van het achtergelegen terrein. Onmiddellijk nadat het Rijk het pand had gekocht volgde er twee verbouwingen. In 1920 was het opnieuw zover. Het personeelsbestand bestond toen uit de directeur en 12 personen, alsmede 8 vaste postbodes. De verzending van de correspondentie vanuit Lisse naar het Zuiden des lands verliep in die tijd voortreffelijk. Het is mij (A. van der Meij) gebeurd dat ik ’s morgens om elf uur een brief naar Roozendaal op de post deed en den anderen dag ’s morgens om acht uur het antwoord daarop in huis had. Naar het Noorden des lands was de correspondentie minder goed omdat de eerste post uit Lisse te Amsterdam aankomt, wanneer de post naar het noor­den reeds verzonden was en dus bleef liggen tot de verzending met de mid­dag- of avondpost”.

IJzel veroorzaakt catastrofe

Nu het volgende over de telegrafische gemeenschap van Lisse met het ove­rige land. “Zoodra de Hollandsche IJzeren Spoorweg zijne telegraaf op alle stations van de lijn Amsterdam-Rotterdam beschikbaar had gesteld voor publiek tot het verzenden of ontvangen van telegrammen, was Lisse en alle Rijkstelegraafkantoren te bereiken. Zeer vlug ging het soms niet, want de Maatschappij had bedongen dat hare diensttelegrammen voorrang zouden hebben en bovendien was bepaald dat alle door publiek aangeboden tele­grammen moesten geseind worden aan het station Den Haag, dat toch al een druk station was en van dat station werden de telegrammen overgeseind naar de Rijkstelegraaf In het jaar 1908 werd het net door het Rijk overgeno­men. Lisse behoorde tot het eerste overgenomen district. Het Rijk had pas de aandeelhouders betaald toen in januari 1909 zo’n hevige ijzel ontstond dat het gehele net tegen de grond sloeg, zoodanig dat de directeur-generaal der posterijen en telegrafie het per auto uit Den Haag kwam opnemen. Het bovengrondsche net was na die catastrophe weder spoedig opgesteld zoodat de abonne’s slechts korten tijd van telefoneren verstoken waren. In Mei 1914 is de bovengrondse geleiding in het dorp langs de Straatweg (nu Heereweg. Red.) door een ondergrondschen kabel vervangen. Op l april 1920 zijn op het net aangesloten 188 abonnee’s te Lisse, 230 te Hillegom, 89 te Sassenheim, 29 te Haarlemmermeer, 21 te Voorhout en 20 te Noordwijkerhout. De technische dienst van de telegraaf en telefoon was in Lisse gevestigd met den heer den Braber als chef en bovendien 9 man. Het geheele personeel van post, telegraaf en telefoon bestond alzoo uit 25 man­nelijke en 8 vrouwelijke personen te zamen dus 33. Dit is een groot verschil met 1860 toen er slechts twee mannelijke personen waren voor de posterij.

De onbillijkheid

Wat geen groot verschil was met zestig jaar eerder, is de brievenbestelling per dag. In 1860 waren er drie en nu (1920) slechts vier. De vierde post bestelling ’s middags is eerst in 1892 gekomen omdat de toenmaligen voor­zitter van de afdeeling Lisse der Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur de heer R Joh. Weijenbergh, de inspecteur der Posterij overtuigde van de onbillijkheid dat de bloembollenhandelaren te Haarlem en Overveen de Engelsche post ’s morgens voor twaalf uur ontvingen en de post te Lisse eerst ’s avonds zeven uur werd bezorgd omdat die post te Leiden of Rotterdam bleef liggen. De inspecteurs der posterij mochten de kaart van Nederland wel eens goed bestuderen, want is het niet bespottelijk dat een buurt van ongeveer duizend zielen zijne brieven en contracten ont­vangt van het hulppostkantoor te Abbenes, ik bedoelde buurt Lisserbroek, terwijl op nog geen 1500 meter afstand het post- en telegraafkantoor Lisse staat en dat de 3e Poellaan vanuit Lisse besteld wordt op een afstand van ruim drie kilometer, terwijl het post-telegraafkantoor van Sassenheim op nog geen duizend meter is gelegen.”

Zo keek je vanuit de Kanaalstraat recht tegen de voorgevel aan van het Postkantoor. Op de plaats van het postkantoor is nu de Berkhoutlaan. (Foto 1966 Gemeente Archief Lisse)