Berichten

GLAS IN LOOD RAAMPJES

Het glas -in-lood-raampje staat nu bij de VOL

Twee glad-in-lood raampjes  bij de VVV aan de Grachtweg  zijn verwijderd en gerestaureerd.

Door Else Wesseling – Capel

Nieuwsblad Jaargang 11 nummer 3, juli 2012Twee kleine glas-in-lood raampjes waren tot voor kort zichtbaar in de zijmuur van het pand van de V.V.V. aan de Grachtweg, voorheen het woonhuis van de familie Van der Linden. Ze bevatten kleurige afbeeldingen van zeilende binnenvaartschepen. Ze vielen nauwelijks op en verkeerden in een slechte staat. Dankzij de belangstelling en de hulp van de Vereniging Oud Lisse en niet te vergeten de bereidwillige medewerking van de V.V.V. zijn ze voor verval en ondergang gered, ook al zou het pand waarin ze zich bevonden in het kader van het plan Havenkwartier onder de slopershamer vallen. Onlangs werden ze deskundig en voorzichtig uit de sponningen genomen door medewerkers van de Vereniging Oud Lisse. Ze werden vervolgens, dankzij financiële hulp van de Vereniging Oud Lisse en bijdragen van sponsoren, vakkundig gerestaureerd. Zo blijven ze bewaard voor het nageslacht.

De restauratie is goed geslaagd

Deze raampjes zijn ook uit historisch oogpunt belangrijk. Ze vertellen het verhaal van ons dorp!
Lisse, oorspronkelijk gesitueerd aan het Haarlemmermeer, heeft ook een meer dan drie eeuwen lange geschiedenis van beurtschippers! Zij vormden voor Lisse een onmisbare schakel in de handel, later met name in de bloembollencultuur. Ouderdom en herkomst van de raampjes is niet meer te achterhalen. Toch zijn zij een symbool van een voor Lisse markante bedrijfstak. Er is nóg een aanknopingspunt met onze schippers in Lisse. Een van de kroonluchters in de Grote Kerk (de Hervormde Kerk aan het Vierkant) is geschonken door schippers te Lisse. Een schildje vermeldt dat met de woorden: “gegeve bij Engel Jacobsse, Jan Jacobss in den Direkse en de Pieter Willems Schippers tot Lisse 1660”. Naam en wapen van mijnheer In den Direkse sierden ook een gebrandschilderd glas dat ooit in die kerk te zien was en nu in de Bavo in Haarlem een plaatsje heeft. Geen onbetekenende bedrijfstak dus.

Waarom waren die twee kleine raampjes nu zo belangrijk voor zomaar een inwoonster van Lisse?
Wanneer men de kinderjaren heeft doorgebracht aan de Grachtweg, dan bekijk je dat gebied nog altijd met ogen waarin herinnering zich warm genesteld heeft.
Mijn broer Jan (1941) en ik (1946), beiden geboren aan de Grachtweg op nummer 55a, denken nog vaak aan de prachtige speelplekken tussen Grachtweg, Molenstraat, Kanaalstraat en Kapelstraat. Overal in die omgeving liggen onze voetstapjes, zoals bij de familie Tinus van der Linden, de laatste beurtschipper aan wat nu de Grachtweg is, maar in onze jeugdjaren was dat nog een echte haven met schepen.

Jan herinnert zich het gezin van Tinus van der Linden en Lina van der Linden-Ludlage als een veilige haven. Het was oorlog, de ramen waren verduisterd, maar in de grote keuken voelde het heel veilig en vertrouwd. De kinderen van der Linden, Wim, Siena, Willy, Theo en Mart, toen rond de twintig jaar, speelden een grote rol in zijn leven. Zij waren ook dol op hém, foto’s getuigen daarvan. Wanneer in de oorlogsjaren Vader en Moeder niet vóór “spertijd” thuis konden zijn dan bleef kleine Jan gewoon bij buurman Van der Linden. ’s Avonds met de groten aan tafel met een mooi tijdschriftenboek en, óók voor hem, een pul donker bier! Blijven slapen was daarna geen probleem meer! Spanning was er ook in die tijd. In verband met een razzia moesten de zoons verborgen worden. Een schuilplaats onder de dekzeilen in het pakhuis leek een ideale plek. “Ga je gang”, zei Vader Tinus tegen de Duitsers die ook het pakhuis wilden doorzoeken; “ik zet de schnaps vast klaar”! Naar zijn zoons werd niet meer gezocht! Toen er eens geweerschoten klonken meende kleine Jan dat op de kade “kisten waren omgevallen”, alsof hij daarmee ‘de groten’ kon geruststellen!?
De Pastoor van de Agathaparochie zag het contact van de familie van der Linden met de protestantse familie Capel met lede ogen aan en wees Tinus van der Linden daarop. Van der Linden had daarover een eigen mening; “Pastoor” zei hij, “dat maak ik zelf wel uit!”
De familie van der Linden was niet bang uitgevallen! Dat bleek duidelijk toen de “Ondergrondse” 11 geallieerde piloten bij de beurtschipper bracht. Van der Linden verborg hen onder de luiken van een schip. Allen deden zich voor als doofstom om te voorkomen dat zij met elkaar, of met wie dan ook een woord zouden wisselen. Zo werden zij ‘illegaal’ naar Rotterdam vervoerd, begeleid door zoon Theo. Onderweg deden zich angstige situaties voor, maar ze bereikten Rotterdam veilig. Daar werden de piloten opgevangen en verder begeleid. Hoe het hen is vergaan? Een prachtige oorkonde met dankbetuiging vanuit Engeland en een certificaat van dank ondertekend door niemand minder dan Generaal, en later president van de USA, Dwight Eisenhower getuigen daarvan.

Als klein meisje kwam ik ook over huis bij de familie van der Linden. De woonkamer vond ik altijd heel bijzonder. Want daar, in de buitenmuur, aan weerszijden van de schouw, blonken twee kleurige raampjes met afbeeldingen van scheepjes. Iets om ademloos naar te kijken. Het pekineesje Mikado, in zijn mandje naast de haard stond dichterbij komen niet toe. Mikado had het niet zo op een klein meisje dat juist heel veel van honden hield. Maar, zelfs van een afstand waren die veelkleurige raampjes fascinerend!
Herinneringen, vanuit een verschillende invalshoek en om uiteenlopende redenen allemaal belangrijk. Ik denk dat ze daarom zo nadrukkelijk een plek innemen in mijn herinnering.
Echter, zijn kinderlijke herinneringen zoals dezen wel correct? Klopt het wel of ging mijn fantasie met me op de loop? De enige die het zou kunnen weten was Mevrouw M. van der Linden – van Ruiten.
Het bezoek aan haar werd een ervaring van warme belangstelling en herkenning. Zij kon mijn herinneringen bevestigen!
Daarmee werd de tijd voor Aktie; het plan Havenkwartier diende zich immers aan!
Die prachtige raampjes, door de tijd al zwaar beschadigd, mochten niet onder de slopershamer vallen!,

 

Restaurateur John v/d Meij in gesprek met initiatiefneemster Else Wesseling.

Onderstaand stond een van de vorige Nieuwsbladen

Een van de 2 verwijderde raampjes

Vorig jaar november kregen we een mailtje van mevr. Else Wesseling waarin ze aandacht vroeg voor twee kleine glasin-lood ramen in de zijmuur van het V.V.V. kantoor. Vroeger was dit het woonhuis/annex kantoor van beurtschipper M. van der Linden. De raampjes waren ernstig beschadigd. Mevr. Wesseling stelde voor om actie te ondernemen om de raampjes te behouden. Een prachtig initiatief waar de vereniging zich meteen in kon vinden. Half februari volgde de toestemming van het V.V.V. bestuur om de raampjes te verwijderen. Op voorwaarde natuurlijk dat de raampjes voor het nageslacht bewaard blijven. Inmiddels zijn de raampjes uit het pand verwijderd en is begonnen aan een plan voor restauratie.

HOBAHO 90 JAAR

De eerste veiling van de HOBAHO was in 1921 in de Witte Zwaan. Op de Kappellewei werd in 1922 een hal gebouwd. Dit was oorspronkelijk een hangaar uit Duitsland. In 1928 werd een hal bijgebouwd. De verdere geschiedenis wordt besproken.

door Arie in ’t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 10 nummer 3, juli 2011

Bloembollenbemiddelaar Hobaho bestaat dit jaar 90 jaar. Alhoewel het bedrijf nagenoeg alle jaren waarin het bedrijf bestaat aan de Haven is gevestigd, is dit niet de plek waar de bedrijfsactiviteiten het eerst werden gestart. Dat was namelijk in het inmiddels gesloopte restaurant ‘De Witte Zwaan’ in het centrum van Lisse. De heren HOman, BAder en HOgewoning hielden daar onder de naam NV Hollands Bloembollenhuis de eerste droge veilingen. De eerste veiling vond plaats op woensdag 20 juli 1921 “des morgens ten 11 ure precies”. De initiatiefnemers hadden alle geluk van de wereld, want de aanvoer van bloembollen was zo groot dat ze in de open lucht moesten worden opgeslagen en het prachtig weer bleef. Het drietal kon echter niet het risico nemen dat een volgend keer de producten aan weer en wind blootgesteld zouden moeten worden en ging op zoek naar een plek in Lisse om een bedrijfspand te bouwen. Die plek werd de aan de haven gelegen zogenoemde ‘Kappelewei’ die vermoedelijk zo werd genoemd omdat het geld dat werd verdiend met de opbrengst van het gras ten goede kwam aan de plaatselijke kapel. De directeuren pakten de zaken niet kinderachtig aan, want ze lieten in 1922 (eenjaar na de oprichting van Hobaho) een hal neerzetten van 4200 vierkante meter, waarvan 500 vierkante meter sloot, zodat de bloembollen per schip aangevoerd konden worden. Het gebouw kwam per trein vanuit Duitsland, waar het op de kop was getikt l voor een redelijke prijs. 135 Wagons waren er voor nodig om  de voormalige hangar naar Lisse te vervoeren, maar toen had men dan ook wel even een gebouw om “U” l tegen te zeggen en architect Leen Tol gafhet gebouw een eigen gezicht. Van heinde en verre kwam men naar Lisse om te zien wat het Hollands Bloembollenhuis uit de grond had 1 gestampt en menige mond viel open bij het betreden van de hal van 48 meter breed en 87 meter diep. Sommigen vonden dat dit echt van de gekke was en voorspelden de ondernemers een slechte toekomst. Waarschijnlijk hadden zij die wens ook al bij zich als er andere initiatieven door dit trio werden genomen, doch het kon de ondernemers niet deren. De nieuwe hal bleek broodnodig en in de latere jaren zou ook nog de nodige uitbreiding komen.T e beginnen met het dempen van de sloot in de hallen, want die ruimte was broodnodig om de bollen te kunnen plaatsen. Er was door de veilingdirectie een duidelijke daad gesteld en het bestaan van de veiling was verzekerd. In de hal werd ruimte vrijgemaakt voor kantoren en er werd een veilingzaal met afmijntoestel (de veilingklok) gebouwd.

De 100ste veiling

De kopers raakten hun angst en afkeer voor dat toestel al snel kwijt; de kritiek verstomde en veranderde in waardering. Men was aan de groei van Hobaho gewend geraakt en niemand lachte meer toen de hal in 1928 met 2.000 vierkante meter werd vergroot. In de loop van de jaren werden er nog drie hallen bijgebouwd, land en panden aangekocht, zodat het totale complex ongeveer vijf hectare omvatte. Alleen al de vier hallen besloegen totaal 10.735 vierkante meter. Verder de kantoren, diverse aangrenzende panden en twee grote parkeerterreinen.

Ontwikkelingen

Vandaag de dag is er niet echt veel meer dat aan het veilingbedrijf van anno 1921 herinnert. De ontwikkelingen gaan in een razend tempo voort. Belangrijk was ook de ontwikkeling van het fustgebruik. De bekende manden (wat Hobaho betreft de ‘zwanenmanden’) ruimden in de zeventiger jaren het veld voor uitgekiende kratten die ertoe bijdroegen dat het werken in de hallen kon worden ondersteund door heftrucks. Ook kon men meer van dergelijke kratten ‘bergen’ en werd dus een halt toegeroepen aan het toenemen van het fustvolume van de aanvoer. Niet dat er daardoor minder bollen werden aangevoerd. Integendeel. Maar ze konden wel veel efficiënter worden opgeslagen. Het belang van de veilingklok kwam rond de eeuwwisseling zwaar onder druk te staan. Er is veel inventiviteit, inzet, energie en geld aan gespendeerd om te trachten het klokveilen rendabel te maken, maar het bleef vergeefse moeite. Enkele jaren geleden heeft Hobaho dan ook besloten het veilen definitief te staken en zich geheel toe te leggen op andere kerntaken, zoals de bemiddeling, de ketendiensten en het koelen en prepareren. Het stoppen met veilen had als directe consequentie dat er geen behoefte meer was aan de grote hallen en ook de mijnzaal (met nog altijd de uit 1922 stammende inrichting) werd overbodig. Dat laatst was eigenlijk al het geval toen Hobaho het Kopen Op Afstand introduceerde. Ofwel via de PC bollen op de veilingklok kopen vanaf welke plaats in de wereld dan ook. Inmiddels heeft Hobaho ook andere niet-kernactiviteiten afgestoten met eveneens als direct gevolg dat er gebouwen leegkwamen. Zoals bijvoorbeeld de afdeling ICT en de drukkerij waar ook het blad Vakwerk volledig en in eigen beheer werd geproduceerd.

De sloop van de glazen hal werd als eerste gedaan Foto Arie in’t Veld

De hallen 3 en 4 (de glazen hallen) waren al eerder door het bedrijf afgestoten. Deze hallen zijn gesloopt en op die plek is het kantoren­en wooncomplex “Amiant” verrezen. Hal 2 doet voorlopig dienst als onderkomen voor aannemer Horsman. Voor het gehele domein wordt een groot bouwplan ontwikkeld, dat overigens mede door de recessie moeizaam van de grond komt.

Intussen verhuisde het bedrijf enkele jaren geleden naar de overkant van de weg, maar dat stukje Lisse heet dan Grachtweg. Ook worden er sinds enkele jaren weer veilingen gehouden. Zowel de groene veilingen (op het land) als het veilen van bloembollen, maar dat gaat dan wel digitaal via internet.

Vanaf het moment van de verhuizing liet Hobaho het gehele complex achter zich. Inclusief zaken die herinneren aan een roemrijk verleden, waaronder de bijna authentieke veilingzaal en in een eerder stadium (en helaas) ook het logo met de zwaan, dat teruggreep naar de plek waar het bedrijf ooit startte: De Witte Zwaan in hartje Lisse.

Foto Arie in’t Veld

Het wonderlijke avontuur van de gasfabriek deel 2

In de geschriften van Arie Raaphorst wordt alle politieke perikelen rond de bouw van de gasfabriek besproken. Ook de problemen met het buizenstelsel door het dorp wordt besproken.

De ontluistering van het etablissement De Witte Zwaan

door Arie in ’t Veld

Uit De Lisser van 3 september 2008

Toen en nu: De Witte Zwaan


LISSE – Je kunt er geen geschiedenisboekje over Lisse openslaan, of het etablissement “De Witte Zwaan” komt ter sprake. De dorpsherberg zogezegd en we maken ons sterk dat in dat gebouw in het hartje van ons dorp vaak een drukte van belang was. Dat is het op die plaats nu nog, maar dat komt dan omdat op diezelfde plek een Digros is gevestigd. Minder roemrijk, maar vooralsnog erg succesvol en dat gebrek aan zakelijk succes was er de oorzaak van dat het logement “De Witte Zwaan” in 1970 onder de slopershamer verdween. Over de historie van de Witte Zwaan is niet echt veel bekend.

Uitgevonden is wel, dat het etablissement over een kolfbaan beschikte en zeer bekend was om zijn visschotels. De Lisser baarsschotels. De studenten van de Maatschappij der Nederlandse Letteren hielden hier hun jaarvergaderingen en in de analen staat ergens het verhaal geschreven dat zich zo’n dikke eeuw geleden afspeelde. Een boerenzoon was door een dolle hond gebeten. Bang als hij was dat hij iemand kwaad zou aandoen, liet hij zich in een geblindeerde kamer insluiten en stierf hij daar ook. Heel eenzaam. De Witte Zwaan was vaak op de tong, want in de vele zalen van het gebouw met de serre was altijd wat te doen. Een veiling, een rechtspraak of een vergadering. Iedereen toog altijd naar de Witte Zwaan om iets te beleven of te bespreken. Maar ook de politiek boog zich over de zwaan. Voormalig burgemeester Eenhuis bijvoorbeeld. Deze was weg van de trottoirs langs de Heereweg en het Vierkant. Maar al wandelende stootte hij ineens zijn neus aan de serre van de Witte Zwaan, die brutaal naar voren stond te
staan. Niks geen trottoir meer en dat vond de burgervader maar niks. Daar moest verandering in komen, maar hij had buiten de waard gerekend. Niet die van de Witte Zwaan, maar in de vorm van de gemeenteraad van Lisse want die eiste dat de warande overeind bleef. “Deze veranda is het gezicht van het hotel”, aldus de gemeenteraad van Lisse die daarmee een streep door des burgemeesters rekening trok. De heer Eenhuis heeft uiteindelijk toch nog zijn zin gekregen, maar dan spreken we over de latere jaren. De Witte Zwaan heeft vele eigenaren en uitbaters gekend en was in de laatste tientallen jaren zelfs een heuse bioscoop rijk. Het Luxor Theater. De families Van Ruiten, Hekkers, Van Duinen en Van der Ploeg zwaaiden er de scepter en laatstgenoemde eigenaar zag het op een gegeven moment werkelijk niet meer zitten. “We hebben dag en nacht gewerkt om er iets behoorlijks van te maken, maar steeds weer opnieuw komen we voor zeer hoge onderhoudskosten en het is economisch gezien niet meer verantwoord om nog geld in de Witte Zwaan te steken”, aldus de ondernemer. Dat was de doodsteek voor het roemruchte etablissement dat de Zwanenzang al inzette. Rond Pasen 1970 timmerden de slopershamers er geducht op los en verdween de Witte Zwaan voorgoed en geheel uit beeld.
In 1998, kwam de gevel van De Witte Zwaan nog eenmaal uitdrukkelijk in beeld. Dat was in het kader van de viering van het 800-jarige bestaan van Lisse, toen door Horsman en Co die gevel werd herbouwd. Ter herinnering aan vervlogen tijden en het feit dat De Witte Zwaan een uiterst belangrijke functie in Lisse had. De bedoelde gevel maakt nu al enkele jaren deel uit van de expositie rond Panorama TulipLand. En wie weet… komt hij dus over enige tijd weer terug naar Lisse. Waar hij ook hoort!

Copyright © 2008 Vereniging Oud Lisse

Toekenning erepenning 2008 voor kaaspakhuisje Grachtweg 1A

De erepenning 2008 werd toegekend aan Erik Plantenberg voor de restauratie van het kaaspakhuis op de Grachtweg.In aansluiting op de algemene ledenvergadering van 18 maart reikte de heer Frits Treffers de erepenning van de Vereniging Oud Lisse uit aan de heer Erik Plantenberg.

Nieuwsflits

NIEUWSBLAD Jaargang 7 nummer 2, april 2008

Het Kaaspakhuisje aan de Grachtweg zoals het er nu, na de grondige restauratie, uitziet. Een oud doch fraai pareltje in Lisse.

Deze penning wordt jaarlijks toegekend aan personen die hun historische pand op een buitengewone manier hebben opgeknapt en daardoor een bij­drage leveren aan het behoud van historisch waardevolle panden in Lisse. De heer Treffers maakte met een boeiende speech de toekenning bekend. De familie Plantenberg is al jaren bezig het voormalige kaaspakhuis op te knappen en zo in het historische centrum van Lisse een interessant woon­huis te creëren. Ook voor het interieur, waar natuurlijk veel aan toegevoegd moest worden want een pakhuis is tenslotte geen woonhuis, is door de familie Plantenberg gekozen voor boeiende historische mate­rialen. Zo verklapte Frits Treffers dat er een mooie historische trap en een zeer fraai Delfts blauw toilet was aangebracht. En wie zou daar met zijn of haar derrière al niet op gezeten hebben? Die vraag leidde tot een ontboezeming over toiletgang en sloeg een brug­getje naar de beerput die bij het kaaspakhuis werd gevonden en door de heer Plantenberg uitge­graven. Heel aardige vondsten had dat opgeleverd waarvan er enkele, zoals een zeer fraai bord met tulp, waren tentoongesteld.

Duidelijk werd dat indertijd met het kopen van het voormalige kaaspakhuis wel een daad was gesteld om een fraai historisch pandje in Lisse te behou­den. Maar dat de weg om daarvan een woonhuis te maken, met sfeer en gevoel voor historie, heel wat inspanningen heeft gekost. De toekenning van de penning kon dan ook rekenen op een warm applaus van de toehoorders.

De heer Plantenberg memoreerde in zijn dankwoord nog het geduld wat de familie, door de keuze voor een historisch pand, moet opbrengen. Je blijft eeuwig bezig. Naar aanleiding van de retorische vraag van Frits Treffers over het toilet ging Plantenberg nog in op de vraag wie er dan wel over zijn trap gelopen kon hebben. Deze trap blijkt namelijk van de Leidse univer­siteit afkomstig te zijn en hij veronderstelde dat de koningin vast wel eens van zijn trap gebruik gemaakt heeft.

Eerdere opmerkingen over de wagenmakerij in de Kanaalstraat ontlokten Plantenberg de mededeling er zeker van te zijn dat er liefhebbers waren die het pand, dat nu verloren is gegaan, hadden willen en kunnen behouden. Een duidelijke oproep om niet te snel te zwichten voor druk om panden af te breken.

Wilt u nog eens iets nalezen over de vondsten die gedaan zijn op Gracht-weg la. In het Nieuwsblad, jaargang 4 nr. 4 staat een heel artikel.

Kaaspakhuisje Grachtweg 1A voor de renovatie

Het oude stoomgemaal wordt totaal vernieuwd

Het voormalig stoomgemaal in de Rooversbroek uit 1898 wordt in ere hersteld. De geschiedenis wordt besproken.

door Sjaak Smakman

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 2, april 2007

Lisse familie investeert fors

Anderhalf jaar geleden, zegt Ruud Roozen, stond hij voor de vraag wat er moest gebeuren met het voormalige stoomgemaal naast zijn huis. Het was lang in gebruik geweest als opslagplaats, maar zelfs als berghok was het door de steeds verder gaande aftakeling niet meer geschikt. Het gebouw stond op instorten. Opknappen of slopen, dat was nu de keuze. Het werd – gelukkig – het eerste.

De Vereniging Oud Lisse was meteen blij met de plannen, vanaf het eerste moment dat Roozen contact opnam. Bij een inventarisatie van monumentale panden was het stoomgemaal eerder over het hoofd gezien. Ten onrechte, want het gemaaltje dateert al uit 1898 en heeft dus een historie die er mag zijn. Het Hoogheemraadschap van Rijnland bouwde het een dikke eeuw geleden om de Rooversbroekpolder droog te houden. Het gemaal was een relatief groot gebouw, omdat het een stoommachine moest herbergen. Het kolenhok naast het hoofdgebouw – waar nu overigens een aanbouw komt – getuigt daar nog van op de oude foto’s.

De stoommachine was zo bewerkelijk dat de machinisten, eerst Lissenaar Cozijn en daarna vader en zoon Koelewijn, het warme eten vaak naast de machine opaten. De vervanging door een dieselmotor in 1924 was een hele verbetering, ook al moest de motor om het uur worden gesmeerd. Voor de familie Koelewijn was het bedienen van het gemaal overigens een bijverdienste, want vader en zoon waren in eerste instantie bollenkwekers. Op de ruim 3,5 hectare die de familie Roozen in 1992 overnam van de familie Koelewijn wordt ook nu nog geteeld.

Pal naast het gemaal stond lange tijd een stenen dienstwoning. In 1961 kwam daar, toen zoon Koelewijn ging trouwen, een houten woning voor in de plaats. Terwijl het gemaal op houten palen was gefundeerd, werd de dienstwoning gewoon op de klei van de dijk neergezet. Na verloop van tijd begonnen de muren zodanig te scheuren dat sloop onvermijdelijk was.

De onderdelen voor de veel lichtere houten woning werden vanaf de Lisserdijk overgevaren naar het gemaal. Ook voor de huidige restauratie en verbouwing van het gemaal is vrijwel al het materiaal overgevaren over de Ringvaart. Waarbij, vertelt Ruuds moeder Mary die helemaal vooraan bij de kassen van de kwekerij aan de Middenweg woont, een keer een kraan in het water is gevallen die er vervolgens met een andere kraan is uitgetakeld.

Ruud woont nog even in de houten woning met zijn vrouw Willeke en zijn dochtertjes Jasmijn (4) en Merel (6). Een geweldige plek, beaamt hij meteen. Direct aan het water, een schitterend uitzicht over de Haarlemmermeerpolder en volop ruimte om het huis. De woning wordt straks gesloopt, zo is overeengekomen met de gemeente Lisse, in ruil voor de medewerking aan de bouwplannen voor het gemaal.

De plaats is heden ten dage dan wel een droom, maar in voorbije jaren was dat anders. Door de afgelegen ligging bleven het gemaal en de twee huizen verstoken van gas, elektriciteit en waterleiding. Het drinkwater kwam uit de regenton en als die leeg was, werd het aan de overkant gehaald met een melkbus en een paar pannen. De warmte kwam van een kolenkachel, het licht van olielampen en gekookt werd er op een butagasstel. In 1965 kreeg de polder elektriciteit en kon grondwater worden opgepompt.

Na een halve eeuw dienst begon de Crossley-dieselmotor van het gemaal gebreken te vertonen en werd gekozen voor een andere oplossing: het overtollige water van de Rooversbroekpolder werd via een duiker afgevoerd naar de lager gelegen Poelpolder en daar de Ringvaart ingepompt via het gemaal bij de molen van Duineveld.

Het gebouw van het oude gemaal zelf bleef, evenals de houten woning, staan. Begin jaren negentig kwam de familie Koelewijn naar de Middenweg. Toen mevrouw Koelewijn weer terug wilden naar het dorp, kwam de houten woning vrij en trokken Ruud en zijn gezin erin. Het in onbruik geraakte gemaal kregen ze er bij. Roozen besloot uiteindelijk Frits Treffers van de Vereniging Oud Lisse te benaderen met de vraag of het complex niet kon worden opgeknapt. Dankzij medewerking van de gemeente Lisse kon afgelopen september begonnen worden met de verbouwing. De restauratie betekent wel flink veranderingen. Aan de buitenkant springen vooral de dakkapellen en de aanbouw aan de zijkant op de plaats van het kolenhok in het oog. Maar de uitbreiding was nodig om voldoende woonruimte te creëren, zegt Ruud. Goedkoop is de restauratie niet geweest: de benodigde baksteen moest zelfs uit Frankrijk komen omdat die een speciale maat heeft die alleen daar nog wordt gebakken.

Maar het leed is nu bijna geleden. Over een paar maanden moet de verbouwing af zijn en heeft Lisse een monumentaal gebouw – al zal het nooit een gemeentelijk monument worden, want Ruud wil niet aan allerlei verplichtingen vast komen te zitten. ‘Deze verbouwing heeft al genoeg gekost’, zegt hij.

Copyright © 2007 Vereniging Oud Lisse

Reacties in 2013

Op onze website staat het in 2007 in het Nieuwsblad gepubliceerde artikel “HET OUDE STOOM-GEMAAL WORDT TOTAAL VERNIEUWD” van Sjaak Smakman. We kregen enkele aanvullingen op dit artikel van Henry Kozijn uit de VS. De eerste machinist van het stoomgemaal was Hein Kozijn, grootvader van Henry Kozijn. Hein, evenals zijn kinderen, spelde zijn naam met een K. Pas in 1963 werd de naam veranderd in Cozijn. Enige van Hein’s nakome­lingen, die intussen geëmigreerd waren, gingen daar niet in mee. Henry schrijft verder:

Tegen het einde van de 19e eeuw was men begonnen met het uitvenen van de Rooversbroekpolder. Grond en waterniveau verlaagden daardoor zoda­nig dat de windmolen het niet langer kon verwerken en vervangen moest worden door een stoomgemaal, waarvan de bouw in 1898 aangevangen werd.

Hein solliciteerde naar de functie van machinist en werd als zodanig aange­steld maar moest de windmolen, (die stond aan de Achterdijk en uitsloeg op de Ringsloot), bedienen tot het gemaal klaar was. De plaats waar de molen stond was vóór 1959 te herkennen aan een verbreding van de dijk aan het einde van de 2e Poellaan.

In het stenen woonhuis woonde het echtpaar Kozijn van 1898 tot 1914. Daar werden 10 van hun 11 kinderen geboren…

 

 

Stoomgemaal aan de Ringvaart

De oude smederij

Op de Heereweg ter hoogte van de Berkhoutlaan was sinds 1622 een smederij gevestigd. De bewoners worden besproken.

door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 4 nummer 4, oktober 2005

In de loop der jaren heeft wijlen A.M. Hulkenberg enorm veel over de geschiedenis van Lisse opgedoken en aan het papier toevertrouwd. Zoals het artikel over de oude smederij. Voor het eerst horen we van een smid in Lisse in het jaar 1580 in de persoon van Jan Dirksz Vogel. Waarschijnlijk stond zijn huis iets meer in de richting van het Vierkant dan het pand op deze foto. Dat werd namelijk in 1622 bewoond door Pieter Willemsz van Moerkerken. Later bouwde Hendrik Valkenaar hierachter het huis Berkhout, juist ter plaatse van het huidige woonzorgcentrum van die naam.
Op 31 januari 1646 heeft de weduwe van Pieter Willemsz Moerkerken huis, erf en kroft (teellandje) voor f. 625,- en een brief van duizend kapitaal jegens en vier en honderd verkocht aan Daniel Adriaensz van Tetterode, wonende te Noordwijkerhout. In 1674, als Tetterode met dit huis als onderpand f.500,- gaat lenen, blijkt bij het krochtje ook nog een boomgaardje te horen. Vanaf 1722 was hier de smederij van Lisse gevestigd, met als eerste smid Herman Janse Schuurman.
Uit de verkoopakte van 1785 blijkt dat de smederij voor die tijd in het bezit is gekomen van Abraham Leendertsz Koevoet, hoefsmid geboren te Bergsehoek. Dat hij een degelijk vakman was moge blijken uit het feit, dat aan hem – ofschoon roomsgezind – in 1755 en de jaren daarop het smidswerk van het Ambacht Lisse werd uitbesteed.
Na hem volgde Jan Schenk die weer werd opgevolgd door zijn schoonzoon Jan Balman. Toen laatstgenoemde overleed, zette zijn vrouw de smidse voort en na haar verscheiden werd dat Pelle. In het huis aan de noordzijde (rechts op het schilderijtje) woonde Ds. Johannes Stoelendrayer, emerituspredikant.

 

Copyright © 2005 Vereniging Oud Lisse

Dit huis werd in 1622 bewoond door Pieter Willemsz van Moerkerken.