Berichten

CRIMINEEL DINGBOEK: VOL droeg financieel bij aan de aanschaf van achttiende-eeuws Crimineel Dingboek

Baljuw Gerard II Bicker van Swieten

VOL droeg financieel bij aan de aanschaf van het achttiende eeuwse Crimineel dingboek. Enkele voorbeelden worden gegeven.

door Ria Grimbergen

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 4, december 2019

Jannetje Jans van der Wilde uit Lisse baarde op woensdag 17 maart 1723 een dochter. vHet begin van een klein drama, want Jannetje was ongetrouwd. Als vader wees zij aan AdriaanvJacobs de Goede, eveneens uit Lisse, een getrouwd man. Jannetje bekende dat zij overspel hadv gepleegd en “vleeselijke conversatie“ met De Goede had gehad.vBaljuw Gerard II Bicker vancSwieten oordeelde dat volgens de
landswetten en goddelijke wetten overspel ten hoogste strafbaar is en veroordeelde Jannetje tot 14 dagen gevangenis op waterc en brood en betaling van de proceskosten. Adriaan bleef ongestraft. Dit is een van de zaken uitchet Crimineel Dingboek van de Hooge Vierschare van Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse ende Voorhout over de jaren 1698-1726.

De historische verenigingen van Lisse, Noordwijkerhout, Voorhout en Leiden kochten onlangs
gezamenlijk van het Lissese antiquariaat Goltzius dit achttiendeeeuws manuscript. Donderdag 21 november vond de overdrachtvcplaats aan Erfgoed Leiden en Omstreken. Helmi Beijsens en Henk Schaap vertegenwoordigden bij deze plechtigheid Oud Lisse. Als secretaris had Helmi de eer voor de vereniging de overdrachtsacte te tekenen. In het Nationaal Archief berustten voorheen de Criminele en Civiele Dingboeken van de Hooge Vierschaar van onze streek, maar deze zijn onlangs overgedragen aan Erfgoed Leiden. De verzameling vertoont leemtes, jaren waarin de baljuw zijn zaakjes niet netjes overdroeg. Een Dingboek bleef dan eeuwen familiebezit. De mensen van Erfgoed Leiden zijn enthousiast dat met dit manuscript nu een van die gaten is opgevuld en wij met hen, want het Dingboek bevat een schat aan verhalen.

Wat is zo’n crimineel dingboek nu precies?

Daarop gaf archivaris  André van Noort van Erfgoed Leiden op deze 21ste november toelichting. Het baljuwschap werd gevormd door een baljuw en zijn schepenen, de welgeborenen, de mannen met aanzien. Zij spraken recht in civiele zaken, zoals onderlinge ruzies, die werden vastgelegd in de Civiele
Dingboeken. Die werden vaak afgedaan met boetes. Misdaden en overtredingen van de wet berechtten zij in de criminele of hogere rechtspraak, die de bevoegdheid had lijfstraffen en zelfs de doodstraf op te leggen. Prostitutie, bedelarij, overspel, messentrekkerij, moord, dat waren de zaken waarover de criminele rechtspraak oordeelde. Jannetje hoorde haar vonnis aan van mr. Gerard II Bicker van
Swieten. Bicker van Swieten was vanaf 1714 baljuw van Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout en een lid van een van de zeer rijke families die de dienst uitmaakten in de Republiek. Voor hem was mr. Pieter Dierquens (tot 1713) baljuw van het rechtsgebied. In de achtentwintig jaren die het Dingboek beslaat worden rond de 75 personen door het baljuwschap berecht. Erfgoed Leiden heeft het manuscript gedigitaliseerd. Het toegangsnummer is 0755.

Dingboek

Pestdokter met hoed

Pandemieën  ook in Lisse (Pest)

Sporen van vroeger (LisserNieuws)

16 juni 2020

Door corona  zijn wereldwijd veel mensen overleden. De angst voor en voorzorgmaatregelen tegen het coronavirus heeft de wereld in zijn greep. Ook in Nederland. Ook in Lisse. Zo’n ernstige wereldwijde epidemie is in de geschiedenis echter geen uitzondering.

Voorbeelden van gevaarlijke besmettelijke ziekten door bacteriën zijn de pest, de tering=tuberculose en cholera en door virussen de pokken, H.I.V., Spaanse griep=Influenza en nu corona. Malaria krijg je door een parasiet.

Tuberculose is nog steeds de meest dodelijke infectieziekte ter wereld. Elk jaar krijgen 10 miljoen mensen deze ziekte. Er overlijden meer dan 1,5 miljoen mensen per jaar aan tbc. Vooral door de combinatie met een hiv-infectie en een multiresistente tbc is het moeilijk om de ziekte wereldwijd onder controle te krijgen. In het verleden waren er in Europa, waaronder Nederland miljoenen slachtoffers te betreuren.

Pest, ook de Haastige Ziekte of Zwarte Dood genoemd, is een besmettelijke infectieziekte die wordt veroorzaakt door een bacterie. De bacterie wordt overgedragen van ratten op mensen via rattenvlooien. De ziekte heeft in het verleden tot massale sterfte onder de Europese bevolking geleid. Wereldwijd komt de pest nog voor in een aantal landen, waaronder Madagaskar, Congo en Peru.

De pest kwam vanuit de in het wild levende knaagdieren via de Zijderoute uit het Oosten. In 1347 bereikte de eerste pandemie de havensteden van Italië en verspreidde zich van daaruit razendsnel over Europa en bracht ongekende rampspoed met zich mee. In enkele jaren stierf een derde van de Europese bevolking. De ziekte bleef in Europa hangen. Met wisselende tussenpozen veroorzaakte de pest aan het begin van de 17e eeuw her en der catastrofes met vele doden. De derde pestpandemie begon in 1855 in de provincie Yunnan in China. Deze pandemie kostte alleen al in China en India meer dan twaalf miljoen mensenlevens.

Ook in Lisse heeft de pest toegeslagen.

Arie de Koning, vrijwilliger bij de VOL, heeft onderzoek naar de pest in Lisse gedaan en daarover in 2018  een lezing  in de Vergulde Zwaan gehouden. Hij is in de oude archieven van Lisse diverse aanwijzingen over de pest in Lisse tegengekomen. Het staat vast dat er minimaal 4 slachtoffers aan de pest zijn overleden. Zo staat er in een transportacte uit 1603 van de Heilige Geest Armen van Lisse dat Dircx Thonis Vranckenssoon (van den Burgh) 100 gulden aan de Armenmeesters vermaakte. Er staat dat hij ‘te bedde lag vanweege de Pest’. Later bezweek hij daaraan.

In 1603 was er een grote epidemie in Leiden. De regio tussen Leiden en Haarlem had goede verbindingen via Lisse. Door de postkoets, vrachtkarren en ander vervoer werd de ziekte verspreid over de dorpen langs deze route. Onhygiënische toestanden met ratten en vlooien deden de rest.

Pestdokter met hoed

Pestdokter met hoed.Foto: Oud Lisse

Streepje en JAS

Over kunstenaar JAS (Johan Ariaan Smit) worden zijn schilderijen en gedichten belicht.

door K. Noordermeer

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 4, december 2019

Een jongen was ik nog, toen de inmiddels 100-jarige Marius Montagne mij accepteerde als bediende. In de lente van 1959 stapte ik de wereld van Hollands Bloembollen Genootschap binnen. Stoere Paardekooper architectuur, uit baksteen en gietijzer, maakte direct grote indruk. Aan de Tulpenstraat te Lisse beleefde ik vele harmonieuze uren. Ca. 1965 mocht ik op de afdeling reclame een 6-tal Lisser jong volwassenen in toom houden. Het venster waarachter ik opereerde keek uit op de Crocussenstraat. Beschenen door een milde zomerzon liep een slank meisje op dat venster toe. Gekleed in een gestreepte jurk. Elke keer wanneer ik haar op mij toe zag lopen zei ik: “Kijk lui, daar komt STREEPIE”! In mijn herinnering was het altijd zomer wanneer Janny Goossens vanuit de Crocussenstraat de Tulpenstraat naderde. Ineens was zij niet meer alleen. Aan de arm van een blonde Adonis sloeg zij, voor mijn vensterruit, linksaf richting Grachtweg. 1985 maakte ik kennis met kunstenaar JAS. Bij Galerie Catharina in Hillegom stelde JAS zijn schilderijen ten toon. Mij viel de eer te beurt de expositie met een speech te openen. Later nodigde galeriehouder Piet Blokker mij uit om in België op atelierbezoek te gaan bij JAS. We belden aan, de deur werd opengedaan en het eerste wat ik tot onze gastvrouw zei was: “Barst, jij bent STREEPIE”. Janny Goossens was opgebloeid tot een allerhartelijkste mevrouw Smit-Goossens.

JAS (Johan Adriaan Smit) verraste 29-11-1992 de Hillegomse Fanfare Crescendo met het drieluik: “Une visite imaginaire de F Léger – à la région des fleurs”. Dit bloemrijke werk is een eerbetoon van JAS aan de Franse schilder Fernand Léger. Twee jaar later nodigde JAS mij uit om de monografie: ”EMOTIONS” op schrift te stellen. Op verzoek van de kunstenaar sprak ik dat jaar de kunstliefhebbers toe bij de onthulling van de GRANDE ARCHE MU. Met de uit witte en blauwe hyacinten opgebouwde stijlvolle triomfboog creëerde JAS een doorkijk op de Lisser Donjon “’t Huys Dever”.

19-06-2002 kwam er een einde aan de kunstenaars carrière van JAS. Enige dagen later werd in België afscheid genomen van JAS onder de pianoklanken van de componist Erik Satie. JAS liefde voor muziek en schilderkunst leeft echter voort met een visite aan zijn

Fanfare drieluik J A. Smit (JAS)

op de buitenmuur van de Mijnzaal van voorheen Hollands Bloembollen Genootschap nu cultuurhuis Floralis. Dit jaar betrad “STREEPIE” deze florale wereld, om het creatieve vermogen van haar echtgenoot JAS voort te laten leven.

Wie kleuren zaait zal schilders oogsten.

Kees Noordermeer

Opening Langeveldshof

In de gymzaal van de Openbare school is nu Langeveldshof geopend. Het is een ontmoetingscentrum met dagbesteding.

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 4, december 2019

Nieuwsflitsen

Burgemeester Lies Spruit heeft woensdagmiddag 2 oktober het nieuwe Lissese ontmoetingscentrum Langeveldshof geopend in de oude Openbare Lagere School bij het parkeerterrein Heemskerk in het centrum van Lisse. Zij deed dit door een grote ballon met confetti kapot te prikken, in aanwezigheid van acht mensen van het team van Langeveldshof en de kunstenaars van Plan4/de Oude School….. Het was
een mooi moment na een lange tijd van voorbereiding. Langeveldshof zou al meer dan vijf jaar geleden starten op de bloembollenkwekerij van de familie Langeveld, maar vond uiteindelijk haar plek binnen het cultureel centrum in de Oude Openbare Lagere School aan de Heereweg in Lisse, waarvan Iet Langeveld eigenaar is samen met Wout Ruigrok. Wij zijn als Ver. Oud Lisse heel blij dat deze monumentale school uit 1885 nu een prachtige herbestemming heeft gekregen, de eigenaren geen toestemming om aan dit gebouw een monumentenstatus te verlenen. Tijdens de opening gaf Iet Langeveld aan dat ze blij en trots waren dat de dagbesteding er was en kon beginnen. Karin Kuiper van Langeveldshof legde uit dat Langeveldshof eerst vier dagdelen open gaat, maar dat ze het aantal dagen snel hoopt uit te breiden. Er hebben zich al deelnemer uit Lisse en daarbuiten aangemeld en de ochtend van de opening zijn de eerste deelnemers al hartelijk ontvangen.

Beschutte omgeving
Langeveldshof biedt opvang, gezelligheid en structuur voor mensen die ondersteuning goed kunnen gebruiken. Het is een beschutte omgeving waar mensen actief bezig kunnen zijn met wat zij leuk vinden. Er zijn veel mogelijkheden, bijvoorbeeld op het gebied van tuinieren, koken of bakken en creativiteit. Mensen worden deelnemer als ze het fijn vinden om weer onder de mensen te zijn, structuur nodig hebben of ondersteuning nodig hebben bij het ontwikkelen of behouden van vaardigheden. Sommige mensen komen naar Langeveldshof als zij op een wachtlijst staan bij een verzorgingstehuis. Het ontmoetingscentrum staat open voor alle leeftijden. Bijzonder is dat iedere deelnemer die dat wil de beschikking over een eigen tuintje krijgt. Samen met vrijwilligers kan men daar vanaf komend voorjaar een bollen-, bloemen-, of groentetuintje aanleggen.

DE POSTERIJEN

Een overzicht van de posterijen is in 1920 gemaakt door A. van der Meij. Het is bewerkt door Arie in ‘t Veld

In 1920 geschreven door A. van der Meij, bewerkt door Arie in ‘t Veld

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 4, december 2019

Het lijkt allemaal zo simpel: je schrijft een brief of kaart, voorziet deze van een postzegel, deponeert het ding in de dichtstbijzijnde brievenbus en korte tijd later is het schrijfsel beland op de plek waaraan deze is geadresseerd. Tante Pos heeft dan weer op volle toeren gedraaid en gezorgd dat miljoenen geadresseerde stukken op de bestemde plekken kwamen. Met dank van de ontvanger, behalve als het rekeningen of die hatelijke blauwe enveloppen betreft natuurlijk.

Foto: Het oude Post, Telefoon en Telegraafkantoor op de hoek Kanaalstraat/Heereweg,
Foto: Oud Lisse

De postbezorging van vandaag heeft een hele ontwikkeling moeten doormaken voordat deze werd wat het nu is. De Lisser A. van der Meij nam die ontwikkelingen eerder onder de loep en publiceerde daarover in Ons Weekblad van september 1920. Met de aantekening dat er sinds 1920 natuurlijk heel veel meer is gebeurd, waardoor de postbezorging nog efficiënter en sneller is gaan werken. Met natuurlijk de nodige negatieve uitzonderingen. We volgen het relaas van Van der Meij. Uiteraard in de oorspronkelijke spelling. In het betreffende artikel legt Van der Meij eerst een band met de lezers door te stellen dat zijn vader een vleeschhouwerij had die rond Paaschen 1837 door hem werd geopend. “In die tijd werden de brieven voor Lisse bezorgd vanuit Sassenheim, met een bode ‘s middags en moest voor elke brief vier duiten of 2 ½ cent worden betaald, buiten de porto. Om een brief vanuit Lisse te verzenden moest men ‘s middags die bode opwachten of de brief bezorgen bij Jacob van der Veert, schoenmaker ter plaatse, met bijvoeging van 4 duiten of 2 ½ cent. Dan nam de bode de brief mee naar
Sassenheim ter verdere verzending. Frankeering van brieven was toen niet bekend. De ontvanger van een brief moest de port betalen”. Van der Meij spreekt in het artikel het vermoeden uit dat de eerste brievengaarder in Lisse in 1840 werd aangesteld. “Want het aanleggen van het Hollandsch Spoor en het graven van de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder was in dat jaar gelijktijdig te Lisse en zal daardoor de correspondentie wel aanmerkelijk zijn toegenomen”. Die eerste brievengaarder was vermoedelijk H. Scherpenzeel, de zwager van de toenmalige burgemeester van Lisse E.J. van den Berg.
Als jongen heb ik die heer Scherpenzeel goed gekend. In dien tijd bezorgde hij zelf de brieven in het dorp en had een man, Pieter Mens (wij als kinderen noemden hem Piet Poppejak) die tweemaal daags brieven van het Hollandsch Spoorstation “Veenenburg” haalde. Des nachts om 12 uur kwamen de brieven en couranten per postkar vanuit Amsterdam en om 3 uur van Rotterdam. Aan de gevel van het huis van Scherpenzeel was tusschen de deur en het eerste raamkozijn op ongeveer 2 meter boven de grond een
houten kastje getimmerd dat van binnen en van buiten gesloten kon worden. en waarin hij ‘s avonds de brieventasch lag die door de postiljon van de postkar ‘s nachts om 12 uur er uit werd gehaald en de post voor Lisse bestemd in een tasch om drie uur ‘s nachts er weer in lag. De postiljon had een sleutel van het kastje, zodat de Heer Scherpenzeel ‘s nachts niet behoefde op te staan om post af te geven of te ontvangen,” aldusVan der Meij in zijn verslag en intussen ook schetsende dat hij van z’n moeder ooit had gehoord dat haar vader te Sassenheim wel eens brieven uit Berlijn of Leipzig ontving en dan 85 cent moest betalen aan porto. “Voor kortere afstanden moest in 1852 in ons land 5 cent en voor verdere afstanden 10 cent per gewonen brief betaald worden. Postzegels waren dat jaar reeds ingevoerd doch het was aan het believen van den afzender overgelaten of hij er gebruik van wilde maken. Dit is zo gebleven tot de Postwet van 1875 toen het port werd bepaald op 5 cent per gewonen brief voor het geheele land. Doch geen gedwongen frankeering werd ingevoerd. Het publiek greep evenwel zelf in. Ied ere handelaar annonceerde namelijk dat hij geen ongefrankeerde brieven wilde ontvangen en leerde alzoohet overige publiek zijn voorbeeld te volgen. Van dien tijd dateert het nog dagelijks (1920) voorkomende ‘Br. fr.’ in de dvertenties in de couranten”.

Briefkaarten
Van der Meij vertelt dat in 1876 de open briefkaarten werden ingevoerd die voor 3 cent aan de postkantoren verkrijgbaar waren en door het gehele land verzonden konden worden. “En nog een paar jaar later werd de postpakketdienst ingevoerd. Dit alles was zoo tot 1919, toen door de verhoogde salarissen en vervoerkosten het tarief is verhoogd voor het binnenland, zoodat een brief 7 ½ en een briefkaart 5 cent kost en het pakketposttarief ook aanmerkelijk is verhoogd. Kort na 1875 is door eenige staten de algemeene postvereeniging opgericht, waarbij voor den oorlog (1e WO red.) bijna alle staten van de wereld waren toegetreden. Die vereeniging hield om de twee jaar op verschillende plaatsen van de wereld een postcongres. Op die congressen werden verschillende nieuwe zaken ingevoerd zoo bijvoorbeeld postwissels, uniform, port voor brieven en briefkaarten over de geheele wereld. postpakketdiensten en verreke npakketten”.Van der Meij illustreert verder dat, “het tarief voor de gewoone brieven 12½ cent is, en voor briefkaarten 5 cent. Gedurende de oorlog en ook nog niet
kort daarna heeft de vereeniging geen congres gehouden, zoodat door de verhooging van het binnenlandse tarief de malle verhouding is ontstaan dat een brief van bijvoorbeeld hier naar Sassenheim 7 ½ cent en een briefkaart 5 cent kost en naar landen der vereeniging respectievelijk 12 ½ en 5 cent.
Telefoon telegraaf Het telegramtarief voor het binnenland was in 1872 30 cent voor 20 woorden,
behalve het bestelloon dat de geadresseerde moest betalen. Voor den oorlog en tot 1919 was dit 30 cent voor 10 woorden en geen bestelloon als de geadresseerde binnen de bestelkring van het telegraafkantoor woont. Thans (begin twintiger jaren-red.) is dat 40 cent per 10 woorden en een intercommunaal telefoongesprek van drie minuten kostte tot 1919 25 cents en is thans 35 cents. Voor den oorlog konden abonnees van het telefoonnet alhier internationaal van uit hun huis spreken met abonnees van het telefoonnet te bijvoorbeeld Berlijn, Hamburg, Leipzig, Brussel en vele andere plaatsen”. Dan vertelt hij verder, dat het betalen van porto tot 1875 voor een brief naar Lisse voor een korte afstand, bijvoorbeeld vanuit Haarlem, vijf cent bedroeg. Van verder gelegen plaatsen was dat tien cent. “Het welk door de postambtenaren met blauw potlood op het adres werd geschreven. Ook bestond in die tijd nog het dagbladzegel, waardoor het abonnement zeer duur was, zoodat vier of vijf burgers met elkaar de courant lazen en een paar uur per dag ter zijner beschikng kreeg. Mijn vader las (zo vervolgt Van der Meij) het Handelsblad dat ‘s avonds 7 uur werd gehaald bij de vorige lezer en de volgende dag ‘s morgens door de notaris.” Ook vertelt hij dat brievengaarders op den duur ook van buiten de gemeente werden aangesteld. “Waaronder de heer Pieterse. Na zijn vertrek werd tot brievengaarder aangesteld D. Boeree, horlogemaker alhier die in den beginne dat ambt bij zijn bedrijf waarnam, doch later het horlogemaken moest laten varen. Hij begon zijn ambt met een door hem bezoldigde brievenlooper, daarna werd een officieel aangestelde postbode benoemd in de persoon van N. Reijer, bijgenaamd Klaas Koek en toen hij in 1880 werd gepensioneerd waren er reeds 3 officieel aangestelde postboden. Het hulppostkantoor Lisse ressorteerde onder het postkantoor Leiden. In het begin der tachtiger jaren kreeg Boeree van den directeur aldaar maandelijksch f 2,50 aan postzegels voor de verkoop, wat na invoering van den pakketpost werd verhoogd tot vijfhonderd gulden. En van postzegels gesproken: aanvankelijk bedroeg de omzet wat dat betreft 13 duizend gulden per jaar. oen het postkantoor in 1890 door het Rijk werd overgenomen was dat 18 duizend gulden en in 1920 zat men niet ver van de 30 duizend gulden per jaar.” Na de pensioneering van Boeree kwam de heer Citter als brievengaarder te Lisse. Een zeer formalistisch man, niet zeer meegaande voor het publiek.

Postkantoor
Het hulppostkantoor was toen gevestigd op de Gracht in het huis dat later werd bewoond door de dames Van Parijs (thans de supermarkt Hoogvliet-red). De heer Citter is gebleven tot 1900 toen het in 1899 gebouwde post-en telegraafkantoor is geopend met de heer Bondam als directeur. Na die tijd is het postkantoor belast geworden met het overzenden van loonlijsten en het bedrag daarvan aan de Rijksverzeekeringsbank, volgens de Ongevallenwet. Vervolgens de postgirodienst, het wekelijks uitbetalen van ouderdomsrente en het verkoopen van loonzegels volgens de invaliditeitswet. Dat
bewuste postkantoor heeft aan de gemeente ongeveer f 22.000,– gekost en zij ontving daarvoor van het Rijk een huur van f 1.224,– per jaar. Op een avond in 1908 deelde de burgemeester tijdens de vergadering van de Gascommissie mee dat de inspecteur der posterijen bij hem was geweest om hem mede te delen dat het posten telegraafkantoor te klein was en hem had voorgesteld de politiepost erbij te betrekken. De burgemeester had de gemeente-opzichter opgedragen van die bijtrekking een begroting te maken, wat ongeveer f 2.000,– zou kosten. Het lid der Gascommissie Van der Meij zeide op die mededeeling terstond: “Ik weet beter. Laat het Rijk het post-en telegraafkantoor aan de Rijksstraatweg (Heereweg red.) kopen, dan kan het Rijk zoveel veranderen en bijbouwen als het wil, want wordt bovenstaande verandering nu voor rekening van de gemeente gemaakt, over 3 of 4 jaar is het weer te klein.” Dit voorstel vond bij alle raadsleden in die vergadering bijval. Na verschillende taxaties heeft het Rijk het kantoor uiteindelijk in 1909 gekocht voor f 17.500,– inclusief e bijbehorende woning. De gemeente behield een deel van het achtergelegen terrein in eigendom. (globaal gesproken
gaat het hier over de hoek Berkhoutlaan/Heereweg, aan de zijde van het huidige winkelpand  ‘De Madelief’ red.) “Onmiddellijk nadat het Rijk het pand had gekocht volgden er twee verbouwingen. In 1920 was het opnieuw zover. Het personeelsbestand bestond toen uit de directeur en 12 personen, alsmede 8 vaste postbodes. De verzending van de correspondentie vanuit Lisse naar het Zuiden des lands verliep in die tijd voortreffelijk. Het is mij (A. van der Meij) gebeurd dat ik ‘s morgens om elf uur een brief naar Roozendaal op de post deed en den anderen dag ‘s morgens om acht uur het antwoord
daarop in huis had. Naar het noorden des lands was de correspondentie minder goed omdat de eerste post uit Lisse te Amsterdam aankomt, wanneer deze naar het noorden reeds verzonden zijn en dus bleef liggen tot de verzending met de middag- of avondpost.

Rijkstelegraaf

Het Postkantoor is het tweede gebouw rechts tijdens de oorlog.

Nu het volgende over de telegrafische gemeenschap van Lisse met het overige land. Zoodra de Hollandsche IJzeren Spoorweg zijne telegraaf op alle stations van de lijn Amsterdam-Rotterdam beschikbaar had gesteld voor publiek tot het verzenden of ontvangen van telegrammen, was Lisse en alle
Rijkstelegraafkantoren te bereiken. Zeer vlug ging het soms niet, want de Maatschappij had bedongen dat hare diensttelegrammen voorrang zouden hebben en bovendien was bepaald dat alle door publiek aangeboden telegrammen moesten geseind worden aan het station Den Haag, dat toch al een druk station was en van dat station werden de telegrammen overgeseind naar de Rijkstelegraaf. In het
jaar 1908 werd het net door het Rijk overgenomen. Lisse behoorde tot het eerste overgenomen district. Het Rijk had pas de aandeelhouders betaald toen in januari 1909 zo’n hevige ijzel ontstond dat het geheele net tegen de grond sloeg, zoodanig dat de directeur-generaal der posterijen en telegrafie het per auto uit Den Haag kwam opnemen. Het bovengrondsche net was na die catastrophe weder spoedig opgesteld zoodat de abonnee’s slechts korten tijd van telefoneren verstoken waren. In Mei 1914 is  de bovengrondse geleiding in het dorp langs de Straatweg door een ondergrondschen kabel vervangen. Op 1 april 1920 zijn op het net aangesloten 188 abonnee’s te Lisse, 230 te Hillegom, 89 te Sassenheim, 29 te Haarlemmermeer, 21 te Voorhout en 20 te Noordwijkerhout. De technische dienst van de telegraaf en telefoon was in Lisse gevestigd met den heer Den Braber als chef en nog 9 man. Het geheele personeel van post, telegraaf en teleloon bestond alzoo uit 25 mannelijke en 8 vrouwelijke personen te zamen dus 33. Dit is een groot verschil met 1860 toen er slechts twee mannelijke personen waren voor de posterij.

Postbestelling
Wat geen groot verschil was met zestig jaar eerder, is de brievenbestelling per dag. In 1860 waren er drie en nu (1920) slechts vier. De vierde postbestelling ‘s middags is eerst in 1892 gekomen omdat de toenmaligen voorzitter van de afdeeling Lisse der Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur de heer P. Joh. Weijenbergh, de inspecteur der Posterij overtuigde van de onbillijkheid dat de  bloembollenhandelaren te Haarlem en Overveen de Engelsche post ‘s morgens voor twaalf uurontvingen en de post te Lisse eerst ‘s avonds zeven uur werd bezorgd omdat die post te Leiden of Rotterdam bleef liggen. De inspecteurs der posterij mochten de kaart van Nederland wel eens goed bestuderen, want is het niet bespottelijk dat een buurt van ongeveer duizend zielen zijne brieven en contracten ontvangt van het hulppostkantoor te Abbenes, ik bedoelde buurt Lisserbroek, terwijl op nog geen 1500 meter afstand het post- en telegraafkantoor Lisse staat en dat de 3e Poellaan vanuit Lisse besteld wordt op een afstand
van ruim drie kilometer, terwijl het post-telegraafkantoor van Sassenheim op nog geen duizend meter is gelegen,” aldus Van der Meij die zijn verhaal in Ons Weekblad besloot met uit te spreken te vrezen dat..: “Er in ons land verscheidene zulke toestanden zijn. De brievenposterij is een monopolie en dus niet gebonden aan provinciale of gemeentegrenzen,” en tevens constateert dat het kantoor in Lisse ook werd belast met het overzenden van de loonlijsten. “Door de girodienst is in 1919 alhier 600.000 gulden behandeld en een jaar later was dat al ruim een miljoen gulden…” Een mooi relaas uit een aanzienlijk minder jachtige tijd dan nu, maar ook zonder al die moderne communicatie middelen als
internet en e-mail…… ■


Het imposante gebouw links is het Lissese postkantoor, dat omstreeks 1965 werd
afgebroken.

Rembrandt en het bruggetje van Six

Rembrandt van Rijn bezocht regelmatig Jan Six op zijn landgoed Elsbroek. Daar tekenede hij waarschijnlijk “Het bruggetje van Six”.

Sporen van vroege (LisserNieuws)                                                          

5 november 2019

Door Nico Groen

 

Het jaar 2019 is uitgeroepen tot het Rembrandtjaar omdat het zijn 350ste sterfjaar is. Door de vele activiteiten en promotie is u dat ongetwijfeld niet ontgaan. De vraag kwam of Lisse of Hillegom nog iets te melden  heeft over Rembrandt. Rembrandt was regelmatig op bezoek bij de familie Six op landgoed Elsbroek in Hillegom,  net ten noorden van Lisse. Hij zou daar een bruggetje geschetst hebben.

Landgoed Elsbroek

Tot 1867 bevond zich ten noorden van Lisse het uitgestrekte land­goed Elsbroek. Van 1642 tot 1801 is de naam van de familie Six onlosmakelijk aan deze buitenplaats verbonden geweest. In 1867 is het landgoed van 782 ha in delen verkocht. Het landhuis is in 1870 gesloopt. De eerste van de leden van deze familie was Jan Six (1618-1700), die in zijn vrije tijd, naast het schrijven van gedichten en toneelstukken, ook in schilderen geïnteresseerd was. Hij stond op goede voet met Rembrandt. Op een mooie dag in het jaar 1645, zo gaat het verhaal, logeerde Rembrandt bij zijn vriend Six op landgoed Elsbroek. Rembrandt toog naar buiten om in de landelijke omgeving van Elsbroek het een en ander vast te leggen in zijn schetsboek. Zijn tekenwerk wilde maar niet vlotten omdat het 14 juni was. Zijn geliefde Saskia was namelijk 3 jaar daarvoor op 14 juni 1642 gestorven. Tegen half twaalf kwam Six terug van zijn werk in Haarlem. Rembrandt zat nog steeds achter zijn schetsboek te mijmeren. “En”, vroeg Six, “hebt gij uw schetsboek met eenige mooie schetsen voor schoone schilderijen verrijkt ?”, waarop Rembrandt antwoordde dat hij die ochtend niets had uitgevoerd. “Alle duivels te paard op een houtvlot! Wat zijt ge dan lui geweest! Dat zijn we niet gewend. Maar het is jammer van die mooie dag”, zei Six. Zijn vriend wilde het echter niet opgeven en wilde met hem wedden om vijf gouden dukaten dat hij in een half uur tijd nog een mooie schets kon maken. Die weddenschap is door Rembrandt nog juist op tijd gewonnen en heeft ons de ets, bekend als ‘Het bruggetje van Six’ opgeleverd. Het betreffende bruggetje zou over de Elsbroekervaart, de vaart langs de tegenwoordige Singel, gelegen hebben. Het torenspitsje aan de horizon is dan de Hillegomse St. Maartenskerk. Rembrandt stond dan met zijn rug naar Lisse, toen hij het bruggetje tekende.

Uit de Volksalmanak van ‘Het Nut’ in 1883

 Bovengenoemd verhaal is ons overgeleverd door van Loenen’s ‘Beschrijving en kleine Kroniek van de Gemeente Hillegom’,   in 1916 verscheen. Van Loenen dankte het verhaal op zijn beurt aan Ds. W.P. Wolters, die het wat uitgebrei­der publiceerde in de Volksalmanak van ’Het Nut’ in 1883. “Of het op historie berust is niet uit te maken”, zo lezen we aan het einde van het verhaal, al zal Rembrandt ongetwijfeld als goede vriend van Six, vaak diens buitenplaats te Hillegom bezocht hebben.

Bovenstaande beschrijving komt uit een artikel van Rob Pex uit het allereerste Nieuwsblad van de VOL in 2002.

Foto: Het bruggetje van Six, getekend door Rembrandt in 1645.

Foto uit het eerste Nieuwsblad van Oud Lisse uit 2002.

Verborgen verleden in Lisse

De Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse” doet onder andere onderzoek naar de lokale geschiedenis van haar bewoners, de gebouwen en het landschap. Veel namen van bewoners en huizen zijn bekend, maar er zijn ook nog veel puzzelstukjes. Wie doet er mee om het verre verleden te laten herleven?

 Sporen van vroeger (LisserNieuws)                                                

8 oktober 2019

door Nico Groen

Genealogie en historie

Onderzoek naar de geschiedenis van Lisse wordt gedaan door leden van de werkgroep Genealogie en Historie. De geschiedenis kunnen we achterhalen door oude akten te raadplegen. Het is verbazend om te zien hoeveel er al in de 17de eeuw werd vastgelegd in Lisse: aan- en verkopen van grond en gebouwen, hypotheken, testamenten, rechtspraak, enzovoort. Al die akten worden bewaard in archieven zoals in het Nationaal Archief in Den Haag, het Gemeentehuis van Lisse of het Kadaster. Gelukkig zijn veel akten gefotografeerd en digitaal te raadplegen bij de VOL. De oude teksten zijn echter vaak moeilijk te lezen. Daarom is een aantal leden bezig om de oude teksten om te zetten naar leesbare tekst. We proberen verder zoveel mogelijk gegevens van de vroegere bewoners van Lisse bij elkaar te krijgen: over doop, trouwen en begraven, over kinderen en beroepen. Ook willen we achterhalen hoe het dorp er vroeger uitzag, hoe de perceelverdeling was en welke gebouwen er stonden en wie daar woonden. Laten we eens naar een voorbeeld kijken.

‘t Vierkant bij Foto Engel

We nemen u mee naar een pand op het Vierkant en zijn geschiedenis. En wel naar Heereweg 209 de plaats waar Foto Engel zich bevindt. Een locatie die heel wat aan zich voorbij zag komen. Bijvoorbeeld het uitzicht op de rechtbank en de gevangenis, tal van herbergen, de postkoets  Leiden-Haarlem waar de passagiers overstapten, de legereenheden die door Lisse trokken of hier overnachtten zonder te betalen, het uitzicht op het schavot en op de ‘Groote of Groenen Eik’ waar oorspronkelijk recht gesproken werd.

Maar het gaat natuurlijk ook over de bewoners die op de plek van Foto Engel hebben geleefd, gewoond en gewerkt. We kunnen terugkijken tot 1585. In oude akten was de plaats 200 jaar lang op te sporen omdat deze bekend stond als ‘De Camer’. De nodige beroepen trekken voorbij van hen die hier hebben gewoond en geleefd door de eeuwen heen. Voorbeelden zijn landbouwers, chirurgijns, een vleeschhouwer, een koopman in turf, een bierbrouwer, een duijnmeijer (een soort boswachter), een herbergier, een smid, een kleermaker en een wielmaker.

Oproep voor vrijwilligers

De namen van al deze bewoners  zijn bij de Werkgroep bekend, maar er zijn ook nog veel puzzelstukjes die ontbreken. Daarom zoeken wij nog mensen met interesse voor onze dorpsgeschiedenis om samen dit verre verleden te doen herleven.

Voelt u er iets voor? Komt u gerust eens langs op de wekelijkse inloop op dinsdagmorgen in de Vergulde Zwaan aan de 1e Havendwarsstraat 4. De koffie staat klaar.

Foto: Het witte gebouw is restaurant De Oude Heere, daarnaast foto Engel.
Deze ansichtkaart is vóór 1909 gemaakt.
Foto: Beeldbanklisse.nl

MYSTERIEUS MEESTERWERK in Lisse

De schilder Johannes Simonisz van der Beeck allias Torrentius was bevriend met van der Laen van huis ter Specke. De wetenswaardigheden van deze schilder en zijn bijzondere schildertechniek zonder perseelstrepen wordt besproken.

Jaargang 18 nummer 3 oktober 2019

Door Ria Grimbergen

Het mysterie zat in de techniek die Torrentius gebruikte.
Men kon geen penseelstreken ontdekken en onder de microscoop lijkt het zelfs een fotografische emulsie te zijn. Onderzoekers zijn er nog steeds niet achter wat zijn procedé was.

In het Rijksmuseum in Amsterdam hangt een wonderlijk stilleven, getiteld Emblematisch stilleven met kan, glas, kruik en breidel. Het ronde paneeltje en zijn schepper zijn onderwerp van de tweedelige documentaire Mysterious Masterpiece.
Het vertelt het verhaal van de schilder Johannes Symoonisz van der Beeck alias Torrentius en zijn meesterwerk, dat experts nu nog voor raadsels stelt. Hoe kan het dat een schilder die zo onmatig leefde een schilderij maakte met als thema matigheid? Welk bindmiddel voor zijn verf gebruikte Torrentius? Hoe kan het dat geen penseelstreek te zien is? Een goed antwoord op deze vragen is nog niet gegeven. Het schilderij is onderzocht met de modernste technieken, maar geeft zijn geheimen niet prijs.
Van Torrentius’ hand resten slechts een aquarel in een vriendenboek en dit stilleven uit 1614, dat na eeuwen spoorloos te zijn geweest in 1923 werd ontdekt in een kruidenierswinkel in Enschedé. Daar diende het jarenlang als deksel van een krentenvat. In de documentaire valt opeens het woord Lisse.
Wat heeft Lisse te maken met dit meesterwerk.

Torrentius schilder

De Amsterdamse schilder Torrentius (1588-1644) verhuisde in 1620 naar Haarlem en trok in bij de rijke koopman Coppens. Torrentius verdiende goed met zijn schilderijen. Hij vertelde graag over zijn bijzondere schildertechniek, zonder zijn geheim te verklappen. Een getuige zou later verklaren dat hij vertelde dat hij geen ezel en penseel gebruikte. Hij legde zijn panelen plat neer en schilderde niet zelf, maar had een andere “wetenschap”, waarbij een zoet muzikaal geluid over het paneel kwam, alsof er een zwerm bijen boven zweefde. De schilder liet het geld rollen en kleedde zich volgens de mode van die tijd in kostbaar fluweel en kant. Hij was welbespraakt en geestig en werd het middelpunt van een groep jongeren die zich onweerstaanbaar tot hem voelden aangetrokken en hem bewonderden, vereerden zelfs. Tot in de late uurtjes maakten ze “goede sier” in de herbergen. Onder zijn vrienden bevonden zich twee zoons van Gerard van der Laen, Nicolaes en Adriaen. De aanhang van deze meesterlijke charlatan bestaat merendeels uit onbenullen, oordeelde tijdgenoot Constantijn Huygens over Torrentius en
zijn vrienden.

Gerard van der Laen (1552-1635)
Hij had een kinderrijk gezin: dertien kinderen uit twee huwelijken. Nicolaes en Adriaen waren nummer 11 en 12 uit zijn tweede huwelijk met Magdalena van Berensteyn. Het gezin woonde in Haarlem in de Jacobijnestraat, maar Gerard was ook eigenaar van Huis ter Specke in Lisse. Het was een man met een enorme bestuurlijke ervaring. Hij was tot 1618 een van de vier burgemeesters van Haarlem. Toen werd hij uit zijn functie gezet.
De jonge Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd tijdens het Twaalfjarig Bestand verscheurd door godsdiensttwisten binnen de Gereformeerde Kerk. De strijd ging onder andere om de leer der predestinatie. De contraremonstranten of gomaristen, volgelingen van Gomarus, geloofden dat God van tevoren al had bepaald of de mens in de hemel of in de hel komt. De remonstranten of arminianen, genoemd naar hun voorman Arminius, dachten dat de mens door zijn levenswijze daarop wel enige invloed had. De contraremonstranten vonden hun aanhang onder het gewone volk en de voorgangers. De elite sloot zich aan bij de remonstranten. Belangrijk was ook de vraag of de strijd met de Spanjaarden zou worden voortgezet. De remonstranten wilden vrede, de contraremonstranten vochten liever verder. En wie moet de baas zijn in de Kerk? Wie benoemt de voorgangers? De Staat volgens de remonstranten,
de Kerk in de visie van de contraremonstranten. Stadhouder Maurits van Oranje koos voor de
contraremonstranten en ontsloeg in heel Holland de remonstrantse bestuurders. In 1618 kregen de remonstrantse Gerard van der Laen en zijn Haarlemse medebestuurders hun congé en daarna
maakten de contraremonstranten de dienst uit. De nieuwe bewindvoerders hielden Torrentius
scherp in de gaten en verdachten hem van “gruwelijke” ketterijen. Ook het Hof van Holland wantrouwde de schilder. Hij zou een van de leiders zijn van een geheime broederschap, de Rozenkruisers, een mystieke beweging die een gevaar zou zijn voor de Republiek. Het Hof van Holland gaf de Haarlemse magistraten opdracht bewijsmateriaal tegen Torrentius te verzamelen. De band met de broederschap van Rozenkruisers kon niet worden bewezen, maar er was nu wel een dik dossier met belastende
verklaringen.

Nicolaes van der Laen (1597-omstreeks 1646) studeerde in Leiden filosofie, evenals zijn oudere broer Cornelis. Gerard van der Laen zond in 1616 deze twee zonen naar het Italiaanse Padua om daar hun studie af te ronden met een graad in de rechten. De universiteit aldaar stond bekend om zijn uitstekende juridische opleiding. Beroemde wetenschappers doceerden in Padua en de studenten kwamen uit de beste milieus. De twee jongensvzijn in 1618 weer terug in Holland, want in dat jaar trouwde Cornelis. In 1619 trad Nicolaes als advocaat in dienst van het Hof van Holland, maar voor hoe lang is onbekend. In het dossier-Torrentius bevindt zich een brief van ene Jacob Canter. Torrentius heeft hem geportretteerd. 27 februari 1627 schreef hij een brief aan zijn neef Isaac Massa in Lisse. Massa was getrouwd met Beatrix van der Laen, een zus van Nicolaes. Zij woonden in een pand van hun zwager Adriaen Block, naast Rosendaal. Frans Hals schilderde een huwelijksportret van Isaac en Beatrix, nu een van de topstukken van het Rijksmuseum. Canter schreef dat hij graag zou zien dat Massa’s schoonvader Gerard van der Laen de “goddeloze” schilder Torrentius de toegang tot zijn huis ontzegt, dat de “fielt” niet meer over Van der Laens drempel komt en dat hij zijn zoon Nicolaes de omgang met Torrentius verbiedt. Torrentius is een spotter, beweerde Canter. Tijdens het schilderen van Canters portret sprak hij over duivels, toverij, vrijgeesten. Hij heeft geen religie, erger, “mijn begeerte is uw vlees” is zijn religie. Massa mag de brief aan iedereen laten lezen, ook aan Nicolaes.

Torrentius gevangen genomen

30 augustus 1627 werd Torrentius gevangengezet in de kerkers onder het stadhuis van Haarlem, beschuldigd van goddeloosheid, schandelijke levenswijze, ketterijen en godslasteringen. In zijn atelier nam de schout vier aanstootgevende schilderijen in beslag. Twee maanden daarna ging Gerard van der Laen naar de Haarlemse notaris Schoudt en legde een verklaring af ten gunste van de schilder.
Wat bewoog Gerard hiertoe? Zouden zijn zoons in de slipstream van deze rechtszaak gevaar hebben kunnen lopen? In elk geval nam hij het op voor Torrentius én voor zijn zoons.
Nicolaes en Adriaen, liet hij optekenen, gaan al lange tijd met Torrentius om. Hem bereikten geruchten over diens slechte gedrag. Hij heeft zijn zoons daarover aan de tand gevoeld en niet tevreden met hun excuses en verdedigende woorden, heeft hij zelf een grondig onderzoek ingesteld naar de gedragingen, gesprekken en handel en wandel van Torrentius. Hij sprak met díe mensen, die de zwaarste beschuldigingen hebben geuit en heeft ze vriendelijk gevraagd naar de waarheid en de grond van alle opschudding. Hij kwam uiteindelijk tot de conclusie dat men alles had van horen zeggen. Hij is zelf met Torrentius gaan praten om hem te waarschuwen voor de verdachtmakingen die de gewone man over hem verspreidt. Torrentius gaf tot zijn voldoening een serieus antwoord, maar was daarbij zo geestig, dat hij lust kreeg meer keren met hem te spreken, zodat hij hem verzocht bij hem thuis te komen. Hij vroeg niet alleen Torrentius, maar ook de hele familie Coppens (de familie bij wie Torrentius inwoonde, R.G.) bij zich te logeren. Tot zijn genoegen en tevredenheid gebeurde dat ook. Hij voerde gesprekken met Torrentius zonder dat deze ooit enige losbandige taal liet horen, maar zich juist betrouwbaar toonde. Nooit hoorde hij enige blasfemie, schandalige of lasterlijke woorden van God of zijn zoon Jezus Christus onze Heer of oproerige taal jegens de overheid. In waarheid heeft hij de heer Torrentius door zijn oprechte woorden altijd moeten houden voor een “wijs, vernuft, aandachtich en verresiende persoon”.
Bekennen deed Torrentius niet en zonder bekentenis kon hij niet worden veroordeeld. Eind december werd de arme man wreed gemarteld om een confessie af te dwingen. Nicolaes drong die dag het stadhuis binnen. Hij had ontlastende verklaringen verzameld, maar de burgemeester stuurde hem weg. Een geruchtmakend proces volgde. De eis tot doodstraf werd omgezet in een veroordeling tot twintig jaar tuchthuis op eigen kosten. Torrentius was het slachtoffer van de hoogoplopende religieuze spanningen in de Republiek. Een proces met een sterk politieke lading.

Nicolaes beleend met Huis ter Specke

Het Huis ter Specke in 1730.

Op 4 augustus 1628 verschijnen Gerard en Nicolaes van der Laen voor Bartholomeus van de Velde, procureur bij het Hof van Holland. Nicolaes wordt bij overdracht beleend met Huis ter Specke. Van diezelfde dag 4 augustus dateert een schuldverklaring van Nicolaes en Adriaen, broers, bewonende op “heur hofstede van der Specke”. Zij belenen 6000 gulden van Cornelis van Lockhorst met Ter Specke als onderpand en de clausule dat hun vader Gerard van der Laen het vruchtgebruik van de hofstede behoudt. Gerard van der Laen gaat hiermee akkoord (Rechterlijk archief van Lisse, inv. No. 7).
Torrentius verzocht eind augustus de nieuwe stadhouder Frederik Hendrik of hij zijn straf niet in een plaats buiten Haarlem mocht uitzitten. Zijn vrienden kunnen hem dan helpen te herstellen van de folteringen en hij kan weer gaan schilderen. Gerard van der Laen was een van de twee mensen die
garant voor hem wilde staan. (Hadden de Van der Laens Ter Specke op het oog als plaats waar Torrentius kon bijkomen van de martelingen? Was Ter Specke daarom overgedragen aan Nicolaes? Niet onmogelijk.) Frederik Hendrik stemde ermee in, maar de Haarlemse stadsbestuurders weigerden. De schilder zou weer de gelegenheid krijgen zijn ketterse ideeën en “grouwelycke godtloosheyden” te verspreiden en de jeugd te verpesten.

Trouwe vrienden
De Van der Laens bleven hun vriend steunen. 23 oktober 1628 legde de Haarlemse notaris Schoudt
een lange verklaring vast van de “edele Mr. Nicolaes van der Laen, de rechten licentiaet, en jonker Adriaen van der Laen, zijn broer”. Zij refereren aan de meedogenloze marteling die Torrentius heeft ondergaan en zij hebben met de schilder gesprokenv over de punten die hem bij zijn verhoren ten laste
werden gelegd. Adriaen en Nicolaes laten het volgende vastleggen.
Torrentius verklaarde dat hij tot zijn 25ste levensjaar katholiek was, dat hij daarna de bijbel had bestudeerd en dat de gereformeerde godsdienstvdaarmee het best in overeenstemming was. Daar
hij zichzelf zag als zwak en zondig voelde hij zich onwaardig zich te voegen bij deze gemeenschap en het avondmaal te gebruiken en zich naar de verdoemenis te eten en te drinken (hij wil hiervoor niet voor straf branden in de hel, R.G.). Bovendien wasv hem gebleken dat aanhangers van bedoelde religie zich overgaven aan grote zonden als overspel, hoererij, dronkenschap, woekeren, leugentaal, achterklap en nog veel meer. Dat hield hem tegen zich bij hen aan te sluiten. Nooit had hij zich in gesprekken overgegeven aan godslastering. Hij wist wel wie tegen hem getuigd hadden. Daaronder waren lieden die getracht hadden hem te doden met pistolen.vHij verklaarde tijdens de verhoren dat hij geloofde in alle artikelen van het geloof, de Drievuldigheid, de sacramenten, etc. Voor, tijdens en na de foltering was hij hierbij gebleven. Burgemeester Voocht had hem na het verhoor toegevoegd: “Toch weten wij wel dat je geblasfemeerd hebt en de Heilige Schrift voor fabelen houdt”. Nicolaes getuigt dat hij sprak
met mensen die veelvuldig met Torrentius omgingen over met name de godslasteringen. Hij beschikt
over verklaringen van mensen die veel met Torrentius hadden gesproken en die eendrachtig verklaarden nooit dergelijke taal van hem gehoord te hebben. Nicolaes was met hun ontlastende getuigenissen op de dag dat Torrentius zo wreed werd gemarteld naar het stadhuis gegaan. Om 11 uur inmde morgen vervoegde de jonge jurist zich met zijn bewijsmateriaal bij burgemeester Voocht, die hem woedend onderbrak en gebood naar buiten te gaan met de woorden: “Het mach ons nu niet beuren de
stucken te lesen, soo ghy wilt ghij meucht die mergen brengen”.

Mysterieus meesterwerk op Huis ter Specke

De Engelse koning Karel I was een verwoed kunstverzamelaar en had grote belangstelling voor het werk van Torrentius. In de State Papers van Karel I bevindt zich een “note” uit 1629. Schilderijen van Torrentius, zo staat in deze note, bevinden zich in het huis van een vriend in Lisse. “Of Torrentius
pictures there be at a frends house in Liss near Leyden, 7 peeces”. Deze lijst is opgesteld door Dudley Carleton, diplomaat in dienst van Karel I en wonend in Den Haag. Na Torrentius’ gevangenneming zijn diens schilderijen blijkbaar naar Lisse overgebracht. Mogelijk verhandelden Adriaen en Nicolaes zijn kunst. Hofstede ter Specke wordt niet met name genoemd in de State Papers. In het verleden is wel eens gesuggereerd dat Isaac Massa de Lissese vriend was. De inzet van de Van der Laens voor Torrentius die zo overduidelijk blijkt uit de documenten in het dossier, wijst toch meer in de richting van Ter Specke. Dankzij de State Papers beschikken we over een beschrijving van de schilderijen op naar we aannemen Ter Specke. Althans, degene die Carleton te zien kreeg. Het stilleven met breidel uit het Rijksmuseum staat op de lijst, omschreven als zijn beste werk. Verder drie stillevens met als centraal element een doodshoofd; een onafgemaakt schilderij met een aarden pot die de beeltenis van de schilder weerspiegelt; een vrouw op de rug gezien met een beurs in haar hand; een afbeelding van Maria Magdalena met een doodshoofd, waarvan de mond wordt doorboord met een pijl. Dan zijn er volgens Carleton liederlijke schilderijen, waarvan zijn vrienden zeggen dat Torrentius niet wilde dat ze gezien werden en die zich of in Haarlem of in Lisse bevonden: een naakte Adam en Eva, zijn vlees blozend en hun gezichten zijdelings te zien, een (naakte) vrouw in een vreemde houding met haar hand onder haar been en tot slot een vrouw plassend in het oor van een man. Nu zal het zeker niet de naaktheid van de figuren zijn die terughoudendheid gebood. De zeventiende-eeuwse schilderkunst wemelt van naakten, veelal in een mythologische context. Nee, het was de onzedelijke wijze waarop ze waren afgebeeld

Gratie
Torrentius kreeg gratie op verzoek van Karel I en na tussenkomst van stadhouder Frederik Hendrik vertrok hij in 1630 naar Engeland als hofschilder van de Engelse koning. Het fameuze stilleven met breidel dat daarvoor in Lisse op Huis ter Specke hing, belandde in diens koninklijke kunstverzameling. In 1642 keerde Torrentius terug naar Amsterdam en overleed daar in 1644. Het geheim van zijn schilderkunst nam hij mee in zijn graf. Gerard van der Laen ontsliep op Huis ter Specke in 1635 op 83-jarige leeftijd en ligt begraven in de Grote Kerk in Lisse. Adriaen en Nicolaes van der Laen bleven ongetrouwd en hun naam duikt op in het rechterlijk archief van Lisse bij grondaankopen en
-verkopen en bij het afsluiten van leningen. Van Nicolaes is verder niet veel bekend. Hij stierf rond 1646 en na zijn dood werd zijn oudere broer Cornelis beleend met Ter Specke, waarna Cornelis en Adriaen Ter  Specke overdragen aan hun zwager Adriaen Block, die de hofstede hierna bewoonde. Hoe weinig we weten over Nicolaes, des te meer weten we over Adriaen. Hij liet Wassergeest bouwen en deed als corrupte rentmeester van het Hoogheemraadschap van Rijnland veel stof opwaaien. Adriaen overleed op 83-jarige leeftijd in 1861.

Gebruikte literatuur.
Over Adriaen van der Laen, zie R. J. Pex: Wassergeest te Lisse, Lisse 2004.

De verklaringen van de Van der Laens uit het dossier Torrentius zijn te vinden in Bredius:

Johannes Torrentius, schilder, 1589-1644. Den Haag 1909.

Gegevens over de familie Van der Laen in M. Thierry de Bye Dólleman en O. Schutte:

Het Haarlemse geslacht Van der Laen. Overdruk “De Nederlandsche Leeuw”, 1969.

In het Torrentius-jaar 2014 verscheen van Wim Cerutti De schilder en vrijdenker Torrentius 1588-1644. Haarlem, 2014

De documentaire Mysterious Masterpiece kan worden bekeken via Uitzending gemist.

Voormalige maalderij Verduijn gesloopt

Het gebouw uit 1930 heeft plaats moeten maken voor de komende nieuwe woningen van plan Nieuw Meerzicht. Een markant gebouw met een bijzondere geschiedenis is niet meer!

Sporen van vroeger (LisserNieuws)                                                       

27 augustus 2019

door Nico Groen

 

Vóór de brug bij de Ringvaart kun je rechtsaf. Daar liggen in de Keukenhoftijd de rondvaartboten aangemeerd. Aan het einde van het straatje, dat tot de Kanaalstraat behoort, stond tot voor kort een markant gebouw. Dat is onlangs gesloopt ten behoeve van de nieuwbouw van plan Nieuw Meerzicht. 

Het adres van het gesloopte gebouw was Kanaalstraat 276. Hier stond de vroegere graanmaalderij van Verduijn. Het oorspronkelijke bouwjaar van de graanmaalderij was 1896. De opdrachtgever was kruidenier A. Verduijn, die er een graanmaalderij en een grossierderij wilde beginnen.

Brand in 1930

Op dinsdag 17 juni 1930 werden de graanmaalderij en grossierderij door brand volledig verwoest. In diverse landelijke kranten werd melding gemaakt van deze grote brand: “de vlammen vonden gretig voedsel in de groote voorraden meel, graan, suiker, enz.”.  De schade werd op f 150.000 geraamd. Het verbrande gebouw was gelukkig goed verzekerd bij de Onderlinge Brandwaarborg Mij. voor Molenaars te Bussum. De fabriek was juist kort daarvoor van een nieuwe krachtinstallatie voorzien. Er moest nog worden proefgedraaid.

Tijdens het blussen is een ‘spanningsketel’, die onder een druk van 15 atmosfeer stond, door de hitte uit elkaar gesprongen. De brokstukken werden door een muur 25 meter ver het gebouw uitgeslingerd. Twee brandweerlieden, de heren Kuiper en Schrier, werden gewond.

Na de brand werd op dezelfde locatie een nieuw bedrijfspand met kantoor en pakhuis gebouwd in opdracht van F.M. Verduijn. De aannemer-architect was B. van der Zaal uit  Lisse. In de loop der jaren is het pand steeds verbouwd en uitgebreid, waardoor een wonderlijk gebouw ontstond met een kantoor van drie verdiepingen en pakhuizen van vier en vijf verdiepingen met meerdere daken, zowel evenwijdig aan als haaks op de Ringvaart. Boven de laaddeuren werden de daken verlengd, zodat de goederen droog naar binnen konden worden gehesen.

Mijnders en Mieloo

Tot 1951 bleef het steeds een graanmaalderij. Daarna, tot ongeveer 1984 werd het bedrijf NV Groothandel in levensmiddelen genoemd. Het was nog steeds in bezit van de familie Verduijn, maar in de zeventiger jaren werd het pand gehuurd door Mijnders Meubelen.

In 1985-1986 werd het gehuurd door Mieloo Bouwmaterialen en was het tijdelijk  in gebruik als pakhuis. Mieloo was de achterbuurman van Verduijn en gevestigd aan de Gasstraat.

Het voormalige pakhuis is in 1988 drastisch gerenoveerd en verbouwd tot bedrijvenverzamelgebouw “Kanaalstaete”. De daken werden vervangen door platte daken met lichtstraten en de gevels werden wit gemaakt. Opdrachtgever was Integrated Chemicals BV. Een viertal bedrijven maakte daarna gebruikt van dit bedrijfsverzamelgebouw.

En nu heeft het gebouw dus plaats moeten maken voor de komende nieuwe woningen van plan Nieuw Meerzicht. Een markant gebouw met een bijzondere geschiedenis is niet meer!

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
De sloop is in volle gang. Foto. Nico Groen

VERBORGEN VERLEDEN IN LISSE: Foto Engel

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 2, juli 2019

door Dirk Floorijp

Van Heereweg 209, Foto Engel, wordt de bewoningsgeschiedenis beschreven. De namen van alle bewoners en hun beroep vanaf 1585 zijn bekend. Maar dat geldt voor veel panden niet. Daarom zoekt de VOL mensen met interesse voor de dorpsgeschiedenis om samen dit verre verleden weleer te doen herleven. Voelt u hier iets voor?

Heeft u dat ook wel eens, als u door het dorp loopt of fietst en zich afvraagt hoe een bepaalde plek er vroeger heeft uitgezien? In vroeger eeuwen speelde het openbare dorpsleven zich meest op straat af en vooral op het Vierkant en de Grachtweg. Je loopt er al snel aan voorbij. Ik wil u een stukje meenemen naar een pand op het Vierkant en zijn geschiedenis. En wel naar Heereweg 209 de plaats waar Foto Engel zich bevindt. Een locatie die heel wat aan zich voorbij zag trekken. Het uitzicht op het Criminele Raadhuis en gevangenis, tal van herbergen, de aankomst van de postkoets vanuit Leiden en vanuit Haarlem waar de passagiers overstapten, het uitzicht op het schavot en op de Groote of Groenen Eik waar recht gesproken werd, totdat het plaats vond in de Herberg aan het kerkhof, weer later overgenomen door de Witte Zwaan. De legereenheden die door Lisse trokken of hier overnachtten zonder te betalen. Maar het gaat natuurlijk ook over de bewoners die op die plek hebben geleefd. Het is misschien een unicum dat deze plek zo ver terug gaat in de tijd en we dat kunnen achterhalen.

Vanaf heden terug tot 1585.

In oude akten was de plaats 200 jaar lang op te sporen omdat deze bekend stond als “De Camer”. De nodige beroepen trekken aan ons voorbij van hen die hier hebben gewoond en geleefd door de eeuwen heen, zoals: landbouwers, chirurgijns, vleeshouwer, koopman in turf, bierbrouwer, duijnmeijer, herbergier, smid, kleermaker en wielmaker. Ook had het pand deftige buren, een Kapiteijn ter Zee die later Schout bij Nacht werd, daar woonde de bovenlaag van de bevolking met soms grote tegenstellingen aan inkomsten, mensen die in de kerk een grafkelder lieten metselen en waar nu nog grafzerken van aanwezig zijn. De namen van al deze mensen zijn bij ons bekend, maar er zijn ook nog veel puzzelstukjes die ontbreken. Daarom zoeken wij nog steeds mensen met interesse voor onze dorpsgeschiedenis om samen dit verre verleden weer te doen herleven. Voelt u er iets voor