Berichten

Aagje Deken- en Betje Wolffstraat

Betje Wolff en Aagje Deken zijn femistische schrijvers uit de 18e eeuw.

Sporen van vroeger (LisserNieuws)

4 juni 2019

door Nico Groen

De Vrouwenpolder is een wijk met straatnamen van bekende Nederlandse dames. De Gemeente Lisse heeft deze wijk ‘Vrouwenpolder’ genoemd. Dat is een heel misleidende naam. De wijk ligt niet in een speciale polder met die naam, Het is gewoon een wijk van Lisse en zou eigenlijk ‘Vrouwenwijk’ of ‘Vrouwenbuurt’ moeten heten. Hopelijk wordt dit nog eens veranderd. Maar wie zijn al die vrouwen in de Vrouwenpolder?

De kruising van de Betje Wolffstraat met de Aagje Dekenstraat.

Zo is er bijvoorbeeld de Aagje Dekenstraat, een zijstraat van de Ruishornlaan richting het oosten naar de Rooversbroekdijk en de Betje Wolffstraat, die de Aagje Dekenstraat kruist. Aagje Deken was een bekende schrijfster. Agatha Pieters werd geboren in 1741 in Nes aan de Amstel in het huidige Amstelveen en overleed in 1804 op 62-jarige leeftijd. Volgens Wikipedia waren haar ouders arm en al jong overleden. Daarom werd zij opgevoed in een weeshuis van de Collegianten, een vrijzinnige stroming waar geestelijke literatuur op een hoog niveau stond. Ook werd daar gediscussieerd over theologie en filosofie. Zij verbleef daar tot 1767, toen zij al 26 jaar was. In 1769 werd zij doopsgezind.

In één van haar 9 boeken schrijft zij over dit weeshuis: “De meisjes hebben het daer voor hunnen stand in de waereld al te wel: men leert haer daer denken!” In het weeshuis is dus de grondslag voor haar latere literaire werk gelegd. Ze had eerst verschillende dienstbetrekkingen. Later begon ze een koffie- en theehandeltje.

Haar eerste boek ‘Stichtelijke gedichten’, uitgegeven in 1775, schreef zij samen met Maria Bosch, die in 1773 was overleden. Aagje was enkele jaren mantelzorgster geweest voor Maria, die ernstig ziek was.

Aagje ontmoette in 1776 Betje Wolff-Bekker. Zij wisselden literaire informatie uit. Betje had een onstuimig karakter en wilde ideeën. Haar moeder had ze al jong verloren en haar vader was haar opvoeder. Ze trouwde op 21 jarige leeftijd in 1759 met de 52-jarige dominee en weduwnaar Adriaan Wolff uit de Beemster. Zijn enige dochter uit zijn eerste huwelijk ging toen het huis uit. Het nieuwe echtpaar bleef kinderloos.

In 1763 debuteerde Betje met de bundel ’Bespiegelingen over het genoegen’. In 1777, na de dood van haar echtgenoot, ging Betje samenwonen in De Rijp met Aagje Deken en begonnen zij gezamenlijk te publiceren. Hun eerste gemeenschappelijke werk was ‘Brieven’. In 1781 erfde Aagje ruim 13.000 gulden en de twee gingen in het buiten ‘Lommerlust’ in Beverwijk wonen. Ze schreven daar samen nog de ‘Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart’, dat een groot succes werd, en de ‘Historie van den heer Willem Leevend’.

Vanwege hun patriottische sympathieën en uit onvrede met de situatie in eigen land (na het neerslaan van de opstand van de patriotten in 1787) verhuisden zij in 1788 naar Trévoux bij Lyon. In 1789 verscheen ‘Wandelingen door Bourgogne’. Door financiële nood moesten zij in 1797 terugkeren naar Holland, waar ze in Den Haag gingen wonen. Aagje Deken stierf daar uiteindelijk, op 14 november 1804, negen dagen na Betje Wolff, die in 1738 was geboren. Beiden werden begraven op de begraafplaats’Ter navolging’ in Scheveningen.

Zowel in Amstelveen als in Vlissingen (geboorteplaats van Betje) zijn monumenten opgericht; respectievelijk een bronzen beeld van een zittende en staande vrouw die samen een boek lezen en een fontein. Ook is er sinds 1952 in de Beemster een Betje Wolffmuseum in de pastorie waar zij en haar en haar man van 1759 tot 1777 hebben gewoond.

Foto: De kamer van Betje Wolff in het Betje Wolffmuseum in De Beemster
Foto: Historisch Genootschap Beemster

Kruising van de Aagje Dekenstraat met de Betje Wolffstraat.

Gracht te Lisse ca. 1910

Oud Nieuws: GESJOEMEL MET BELASTING OVER ROGGE

Molenaar Adriaan Luck van de Korenmolen aan de Grachtweg werd in 1739  in staat van beschuldiging gesteld van wegen fraude. Hij wordt er van verdacht belasting op het malen van meel te hebben ontdoken. Hij krijgt een boete en wordt voor een half jaar verbannen.

Dirk Floorijp en Judith Harren

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 4 Herfst 2018

Aan het eind van de Grachtweg stond van 1569 tot 1964 molen “De Korenbloem” in Lisse. Bij ons bekend als de molen van Beelen. De molen heeft vele eigenaars gekend. Met wisselend succes probeerden zij er hun dagelijks brood te verdienen. Één van hen had daar een minder gelukkige hand in, Adriaan Johannes Luck deed zijn naam geen eer aan. We treffen hem aan in november 1736 in Leiden, waar hij wordt gegijzeld (vastgehouden) op beschuldiging van fraude. Het verhaal gaat over zijn misstap.

Craqueel dingboek van zaken

Arij Luck, korenmolenaar, geboren in Monster 1704, getrouwd met Lucretia de Hoij, moet verschijnen voor schepenen van Leiden. Hij is aangeklaagd door Cornelis van der Cocq, pachter van de impost (belasting) op het gemaal. Over alle graan dat gemalen wordt, moet impost worden betaald, het zogeheten ‘gemaal’. Arij wordt ervan beschuldigd deze impost ontdoken te hebben. De schepenen van Leiden hebben ook tot taak recht te spreken over zaken die betrekking hebben op de invordering van deze belasting. Zij heten in die functie heel chique: commissarissen van de gemene landsmiddelen over Leiden en Rijnland. De zaak is vastgelegd in het craqueelboek. Volgens Cornelis van der Cocq, de eiser, heeft molenaar Arij op een nacht stiekem 6 zakken door hem gemalen rogge, waarop de impost is betaald, afgevoerd met zijn wagen en vervangen door 6 zakken nog ongemalen rogge, die niet in de boeken van de impost vermeld staan. De procureur die Cornelis van der Cocq vertegenwoordigt eindigt zijn betoog met de eis, dat Arij wordt veroordeeld tot verbeurdverklaring van de 6 zakken ongemalen rogge en van de wagen waarmee het delict zou zijn gepleegd, een boete van 6 x 300 gulden voor elke zak, een boete van 200 gulden en van 1.000 gulden wegens overtreding van verschillende wetten. Hij verlangt ook nog dat Arij in het openbaar zal worden gegeseld, en voor altijd verbannen uit Holland en West-Friesland. Met deze rechtszaak is de kous nog niet af voor Arij. Ook in Lisse zijn er mensen die een appeltje met hem en zijn partners in crime te schillen hebben. Zoals de eigenaresse van de 6 zakken gemalen rogge, de piepjonge broodbakster Aagje Ottensdr Cranenburg (1720 dochter van Otto Cranenburg (1690 -1773) en Adriana Simonsdr. Hoogkamer (1691 – 1751). Uit haar naam treedt haar vader Otto op (tot een jaar of  60 geleden werden vrouwen voor de wet als handelingsonbekwaam beschouwd). Arij moet getuigen ten overstaan van schout en schepenen van Lisse. Dit verslag is bewaard gebleven.

Aanleiding en toedracht

Een van de klanten voor wie Arij maalt, is Jan Barendse Kluijt, bakker in het Oosteinde te Lisse. Jan is in mei van dat jaar getrouwd met Maartje Klaas van der Hans, heeft pas een dikke som geld geleend. Blijkbaar heeft hij nogal moeite de eindjes aan elkaar te knopen, en spreekt met Arij een handeltje af waarbij hij zonder de impost op ‘t gemaal te betalen, toch zijn rogge kan laten malen. De bakkers leveren zelf aan de molenaar de zakken met ongemalen rogge. Als bewijs dat de impost betaald is, hoort er bij die zakken een cedulle van de collecteur te zijn (bewijsbiljet). Op 3 oktober 1736 komt Jan, langs de molen lopend, ter ore, dat Aagje Cranenburg, de broodbakster, 6 zakken harde rogge (ongemalen rogge) gemerkt A.O., en voorzien van de impost-cedulle, door haar knecht naar Arij’s molen heeft laten brengen. De rogge is daar gemalen en in de 6 zakken teruggestort. Jan zegt tegen Arij dat hij dringend om gemalen rogge verlegen is, maar hij heeft geen cedulle, want hij heeft de impost op ‘t gemaal niet betaald. Hij stelt voor: ‘breng mij die 6 sakken meel’. Jan durft er alleen zelf zijn handen niet aan te branden, hij laat een ander de kooltjes uit het vuur halen: ‘Ik ben verlegen ende bevreest, om daar juyst selfs bij te wesen. Ook durf ik het met mijn knegt, die een nieuweling is, niet wagen, dan sal ik Frans van Gerwen of Abraham bij u geven. Kiest welke van beyde gij bij u wild hebben’ . Waarop Arij zegt : ‘als gij den Frans bij mij geeft, die heb ik liever als Bram’. (Frans van Gerwen, geboren in Hillegom 1695, gehuwd met Marretje Jochems Stellingwerf). Jan: ‘ik sal de sleutel van mijn schuurtje in de goot leggen. Ende ik sal 6 sakken rogge, hard goed, in dat schuurtje gereed setten, ende 2 sakken ledig, om door middel van de ledige sakken het meel over te storten in mijne sakken, ende in plaats van dat meel, het harde goed van mij wederom te storten in de sakken van Aagje Ottens’. Arij gaat akkoord met het voorstel, waarom hij dat doet verhaalt de geschiedenis niet, Jan zal hem wat geld hebben toegeschoven. Jan Barendse neemt afscheid van Arij en zegt: ‘ik sal u dan verwagten, soo als het geseyd is, ende ik sal Frans bij u geven’. Om 1 uur ‘s nachts klopt Frans van Gerwen bij Arij aan, roepende: ‘Molenaar hoor je wel?’ Arij staat op, en gaat met Frans naar zijn molen, waar hij de 6 zakken gemalen rogge van Aagje Ottens van bovenin de molen naar beneden laat zakken, met hulp van Frans de zakken op de schouders neemt en op zijn wagen laadt. Met het paard van Jan Kluijt voor de wagen gespannen, rijdt hij naar de werf van Jan, pakt de sleutel die volgens afspraak in de goot van het schuurtje is klaargelegd, doet de deur van het schuurtje open. Met behulp van 2 klaarliggende lege zakken stort hij de gemalen rogge uit de zakken van Aagje over in die van Jan, en de inhoud van de 6 zakken harde rogge van Jan stort hij over in die van Aagje. Frans helpt hem de 6 zakken met harde rogge weer op de wagen te tillen. De schuur wordt gesloten, de sleutel teruggelegd in de goot boven ‘t schuurtje. Frans klopt bij Jan aan, en vraagt om een soopje (borreltje). Jan reikt hun over de deur een fles jenever aan, waaruit Arij en Frans elk een paar slokken nemen. Arij zegt tegen Frans: ‘rijd nu met de wage henen, ik sal met u gaan’. Frans rijdt met wagen, paard en de 6 zakken waarin nu de ongemalen rogge van Jan zit, tot aan het zogeheten slop, waar Arij tegen Frans zegt: ‘ik ga de mole open doen, volgt mij soetjes na’. Frans volgt hem met de wagen tot op de molenwerf.

Arrestatie

Op hetzelfde moment wordt Frans door 4 ‘manspersonen’, waaronder ene Jan, een diender van Leiden, aangegrepen en gedwongen met wagen, paard en de 6 zakken harde rogge van daar te rijden naar het rechthuis in het dorp. Arij gaat naar huis en vertelt aan zijn vrouw Lucretia wat er is voorgevallen. Samen achten zij het raadzaam naar het huis van Jan Kluijt te gaan. Ongeveer om half 6 in de ochtend komen zij daar en vinden Jan en zijn vrouw Maartje thuis. Onthutst vertellen zij aan het echtpaar hoe Frans van Gerwen met wagen en al aangehouden is. Bakker Jan ziet het allemaal niet zo somber in, althans niet voor zichzelf. Jan, de leperd, zegt: ‘ik sal sweren, dat ik swart worde, dat ik er niet van en weet, ik hebbe er niet bij geweest’. Arij brengt in, dat Jan niet zal kunnen ontkennen dat hij er wel van móest weten, en hun zelfs een soopje over de deur heen heeft gegeven. Om 10 uur meldt Jan zich bij de molen om zijn paard op te halen (dat voor de wagen gespannen was geweest). Hij vraagt aan Arij: ‘wat seyt Ot (Otto Cranenburg, de vader van Aagje) ervan dat het harde koorn in haer sakken was.’ Waarop Lucretia antwoordt: ‘Otto sal het noch swijgen, als hij daarvan geen schade en heeft.’ Jan ziet dat anders: ‘ik dogt niet dat Ot soo goed was, maar als Arjaantje het weet, sal se het over ‘t geheele dorp brengen’. Volgens Jan zal Arjaantje, met wie Adriana Hoogkamer, de vrouw van Otto bedoeld zal zijn, het verhaal in het hele dorp rondbazuinen! Tenslotte verklaart Arij dat Frans op 5 oktober de 6 zakken harde rogge van Jan Kluijt, in de zakken die eigendom zijn van Aagje Otten, met het merk A.O., naar Leiden heeft moeten brengen, en dat Arij op 7 oktober door de pachter van het gemaal, Cornelis van der Kok, van Lisse naar Leiden is gebracht, waar hij gegijzeld is in afwachting van de rechtszaak.

De uitspraak

Craqueel dingboek van zaken

De schepenen commissarissen van Leiden doen uitspraak. De boetes zoals die door de aanklager geëist werden, moet Arij betalen, + de kosten van de afwikkeling van de zaak. Hij zal niet publiekelijk gegeseld worden. Wel wordt hij verbannen, niet voor altijd, maar voor de duur van 6 jaar uit Leiden en het gebied dat onder Rijnland valt, ‘op poene van zwaarder straffe’. Een zware straf voor het ontduiken van belasting, zeker voor onze begrippen. Daar komt het ernstiger vergrijp bij, dat de molen een ambachtskorenmolen is, waar iedereen in Lisse zijn koren moet laten malen. En als molenaar heeft Arij een eed afgelegd dat hij geen graan zal malen, waaraan het biljet van de impost ontbreekt. In hoeverre Arij’s kompanen, Jan Barendse Kluijt en zijn vrouw Maartje van der Hans en Frans van Gerwen zich moesten verantwoorden, moet nog blijken. Jan en Maartje raken uiteindelijk aan lager wal. In 1745 wordt de insolvente boedel van hun bakkerij en winkel verkocht.

Justitiële molens malen langzaam

Arij en zijn vrouw Lucretia die in tweede instantie mede wordt verbannen, verdwijnen uit het zicht. Lisse is voor hen de eerste 6 jaar verboden gebied. De torenhoge boetes kunnen zij vast niet betalen. De molen en het bijbehorende huis worden geveild. Het wordt een slepende affaire, omdat niet alleen pachter Cornelis de Cocq en de belasting zijn getild. Aagje Cranenburg, de eigenaresse van de 6 zakken verwisselde rogge, eist schadevergoeding. Maar er zijn meer gedupeerden. Een aantal crediteuren trekt gealarmeerd aan de bel, waarvan de belangrijkste zijn Lenard Willemsz Oote en Cornelis Adriaensz van der Zaal. Om de molen te kunnen kopen heeft Arij 2 jaar eerder een hypothecaire lening bij hen afgesloten. Jarenlang juridisch getouwtrek volgt, wat ongetwijfeld de kosten nog verder opdrijft.

Korenmolen te koop in Lisse

De veiling die eind januari 1737 in het rechthuis van Lisse zou plaatsvinden, wordt uitgesteld tot oktober 1738. Onder het toeziend oog van de Leidse schepenen in herberg de Burcht te Leiden, wordt de molen geveild en mag Lenard Willemsz Oote (1679-?, gehuwd met Maria Jansdr. Vlaenderen), zich voor 2.250 gulden eigenaar noemen. Pas in de herfst van 1739 wordt met een laatste ingediende onkostennota een dikke streep gezet onder deze geschiedenis.

Bronvermelding

NA ORA Lisse transportakten

RAL ORA Leiden, toegang 0508 inv 129 DD

NA gahetna kaartencollectie

VOL beeldarchief

IN HET BLOEMBOLLENLAND: Anna van Gogh-Kaulbach (deel 2)

Het boek ‘In bloembollenland’  van Anna van Gogh wordt besproken.

Door Ria Grimbergen

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 4 Herfst 2018

Pareltjes van boeken bevinden zich in de kasten van de bibliotheek van de Vereniging “Oud Lisse”. Ze zijn het waard onder de aandacht te worden gebracht. Eén van die titeltjes is “In het bloembollenland” van Anna van Gogh-Kaulbach, uitgegeven in 1904.

Latere titeluitgave van “In het Bloembollenland”

In het bloembollenland verscheen bij J. B. Wolters in de serie “Geïllustreerde bibliotheek voor jongens en meisjes van 11-14 jaar”. Sjoukje Troelstra, Nellie van Kol en Jan Ligthart vormden de redactie van de serie. Een sterk team: een onderwijsvernieuwer en twee bevlogen, sociaal bewogen kinderboekenschrijfsters. Sjoukje, de vrouw van socialistenleider Pieter Jelles Troelstra, werd onder haar pseudoniem Nienke van Hichtum beroemd als auteur van Afke’s tiental. In het socialistische dagblad Het Volk (07.06.1904) recenseerde Sjoukje Troelstra als S. Tr. het werkje van haar partijgenote. Natuurlijk staat zij achter de inhoud ervan, anders had zij het niet opgenomen in haar “bibliotheek”. Zij heeft wel vernomen dat er mensen zijn die vinden dat er te veel over de bloembollencultuur in voorkomt, teveel “tendenz”. Op wie zij doelt blijft schimmig en openlijk maatschappijkritisch is het boek niet, maar passages als die over de bollenrooitijd zijn geschreven met hart voor het leed van de bollenarbeiders. Een andere recensie staat in het blad voor De School met den Bijbel.

Anna van Gogh-Kaulbach gefotografeerd op 14-12-1959. Anna was geboren te Velzen op 31-12-1869, overleden te Haarlem op 28-01-1960. Romanschrijfster en vertaalster. Ze schreef ook wel onder het pseudoniem Wilhelmina Reijnbach. Dochter van Frans Ludwig Eduard Kaulbach (1835-1899) arts, en van Helena Maria Cornelia van Reijn (1836-1903). Anna Kaulbach trouwde op 30-8-1899 in Velsen met Willem Jacob van Gogh (1863-1934), hij was bollenkweker en later kunsthandelaar. Zij woonden vlak na hun huwelijk tijdelijk in Lisse aan de Heereweg op nummer 296. Uit hun huwelijk werden 2 dochters en 3 zoons geboren

De boekbespreker prijst dat de lezer bekend wordt gemaakt met alles wat te maken heeft met de bloembollenteelt, maar keurt de “ethische zijde” van het boek af. De levensbeschouwing van Anna van Gogh-Kaulbach is niet de zijne. Aanschaf van het boek wordt niet aanbevolen (21.07.1904). Hoe zouden de experts van het Weekblad voor de bloembollencultuur (01.07.1904) het boek beoordelen? In een korte, anonieme bespreking looft de recensent de schrijfster, die “goed bekend is met alles wat in het vak te doen is en in juiste schetsen op zeer onderhoudende en duidelijke wijze aangeeft wat de werkzaamheden zijn in de verschillende tijden van het jaar en hoe die worden verricht.” Het boek slaat in deze kringen kennelijk goed aan. Boekhandel de Erven Loosjes in Haarlem adverteert stevig voor het boek in dit vakblad. De plaatjes in het boek zijn aantrekkelijk en informatief. Schoolboeken waren aan het begin van de twintigste eeuw erbarmelijk slecht geïllustreerd. Ook het taalgebruik was vaak voor de kinderen veel te moeilijk. Uitgeverij Wolters wilde hierin verandering brengen en trok C. Jetses en W. K. de Bruin aan. Deze laatste illustreerde “In het bloembollenland”. Hij maakte tekeningen in gewassen inkt die als autotypie op het gladde papier werden afgedrukt, waarmee hij een schilderachtig effect bereikte. De tekeningen van de Haagse tekenleraar werden tussen de tekst geplaatst, wat een speels effect geeft. De uitgever stak het boek in een rode band met een narcis op het voorplaat. Twee jaar na het verschijnen van In het bloembollenland verkocht Wolters de hele “Bibliotheek voor jongens en meisjes van 11-14 jaar” aan de Alkmaarse uitgever Kluitman. Die bond het binnenwerk van het boekje in een Jugendstilbandje met zijn naam op het voorplaat, maar op de titelpagina nog de naam van uitgeverij Wolters. Zó’n exemplaar heeft de VOL in haar bezit. Wie het ooit heeft geschonken? Op het schutblad staat in verbleekte inkt de naam van G. Entinck, waarschijnlijk de eerste eigenaar. Zal hij er wat van hebben opgestoken? Wij wél. Het boekje is nog zeer leesbaar en biedt een uniek kijkje in de bollenteelt van meer dan honderd jaar geleden.

Bronnen

Uitgeverij Wolters stak het boek “In het Bloemenbollenland” in een mooi bandje. Op de titelpagina staat de naam van Wolters, op de band die van Kluitman. Fotomateriaal is afkomstig uit VOL archief, Nationaal Archief en van Wikipedia.

Eerder publiceerde Aad van der Geest over Anna van Gogh-Kaulbach en haar roman Rika in het VOL-Nieuwsblad, Jaargang 11, nr 1 van januari 2012. Zie ook: A.M. Hulkenberg, Lisse rommeling.

Illustraties van W.K. de Bruin uit het boek “In het Bloembollenland”.

Inhoud Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 2 Lente 2017

 

Bij de voorplaat Schilderij Dorpskerk Op de voorpagina staat een schilderij van de Dorpskerk uit 1880 van Pieter Adrianus Schippus
Oud Nieuws Van der Saal wilde niet op wacht Op 23 augustus 1726 krijgt Cornelis Pieterse van der Saal een boete omdat hij niet op wacht wilde. Hij was in ondertrouw gegaan in Lisse op 31 augustus 1730.
Oud Nieuws Meevaller van het pensioen en eervol ontslag Johannes Petrus Zijlmans, geboren op 1 november 1819 was politieman in Lisse en gaat op 20 mei 1890 met pensioen. Hij was ook gemeentebode, wijkmeester en aanplakker.
Oud nieuws Opstekertje van 5 gulden Dirk van der Horst werd betaald voor het aansteken van 3 lantaarns, een bij het wachthuisje aan de Achterweg, een bij de beek en de 3e bij de Waag.
Pex, R. Jan Ponsioen (1921-1987) (1) Jan Ponsioen woonde jarenlang op de vuilnisbelt in de Rooversbroek en later in een vervallen huis aan het einde van de 2e Poellaan. Hij was een bekend figuur in Lisse. Zijn levensloop wordt besproken.
Pex, R. Woonwagenkamp (1945-1972) Oorspronkelijk lag het woonwagenkamp tussen de Ringvaart en de Broekweg. In 1956 ging het kamp naar de Rooversbroekpolder bij de vuilnisbelt aan de Ringvaart en in 1966 naar de Middenweg. Begin zeventiger jaren verhuisde het kamp naast de flat aan het Ruisdaalplein.
Floorijp, D. Arm en naamloos begraven Een arm en naamloos man werd gevonden in een schuur van Willem Adrianus van der Stel. Hij werd door gemeente begraven. Een paar jaar later werd van der Stel vol pracht en praal begraven.
Floorijp, D. Een unieke vondst Het verloren gewaande Diaconie boek van de Ned. Herv. Kerk uit Lisse uit de periode 1638 tot 1651 is gevonden bij het Hoogheemraadschap van Rijnland.
Koning, A. de Rijke stinkerds Op 7 september 1825 doet George Golphin Osborne aangifte van de geboorte van een dochter. Hij woonde op Keukenhof. Beschreven wordt hoe de familie in Lisse terecht kwam.
Brouwer, L. Daar aan de Haven: Jan van der Linden Van de Linden woonde in het voormalige VVV-gebouw aan de Grachtweg. De familiegeschiedenis wordt besproken, evenals de gerestaureerde glas-in-lood raampjes.
Lisser kwartiertje Martinus van der Linden Martinus van der Linden is geboren op 11 mei 1895 en overleden op 4 januari 1974.
Redactie Luchtfoto Lisse 30 jaar geleden Een luchtfoto uit 1988 van het gebied rondom Blokhuis laat zien dat er veel veranderd is.
Boogerd, D. De Gribus bij de Engel Op de hoek van de 2e Poellaan/Heereweg lagen vroeger 9 arbeidershuisjes. Daar was het armoede. Het heette daar de Gribus. De geschiedenis en de bewoners worden besproken.
Koning, A. de Grand Prix de Lis Het had weinig gescheeld of in het Langeveld was in 1925 een Automobiel Renbaan gerealiseerd.
Groen, N. 100 jaar bloembollenonderzoek in Lisse Op 12 april 1917 werd Egbert van Slogteren aangesteld als wetenschappelijk ambtenaar in Wageningen en gedetacheerd in Lisse. De 1oo-jarige geschiedenis wordt besproken.
Nieuwsflitsen Grenspaal Bij werkzaamheden aan de Grachtweg is een grenspaal met Lisse er op gevonden. De paal ziet er hetzelfde uit als de 2 grenspalen aan de Loosterwegen. De vraag is waar deze paal vandaan komt.
Nieuwsflitsen Museum wil Oude School kopen Museum de Zwarte Tulp heeft plannen om de Openbare School aan de Heereweg te kopen.
Nieuwsflitsen Erepenning voor Zwanendrift De erepenning 2017 voor een mooi gerestaureerd gebouw is dit jaar naar de familie Zeldenthuis  gegaan. Zij hebben de monumentale boerderij Zwanendrift prachtig in goede staat gebracht.
Nieuwsflitsen Uitreiking Vrijwilligersspeld VOL De vrijwilligersprijs 2016 is naar Rob Pex gegaan voor zijn werkzaamheden voor de VOL.
Wie weet raad? Reactie op kindercorso 1955 In het vorige Nieuwsbrief stond een foto van het kindercorso in 1955. diverse mensen op de fotoworden  genoemd. Het was een wagen van de HoBaHo.
Wie weet raad? Reactie op groepsfoto Leen Boogaard Diverse reacties zijn binnengekomen op de groepsfoto van Leen Boogaard, een ongehuwde man, die bij de gemeente Lisse werkte en muziekles gaf.
Wie weet raad? Namen bij heropening LBO in 1930 Veel namen worden genoemd op de groepsfoto bij de heropening van het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek in 1930.
Wie weet raad? Info gevraagd over turbulente jaarwisselingen Burgemeester de Graaf wilde het vuurwerk  in de nacht van oud op nieuw verbieden. Ludieke acties volgden. Meer info wordt gevraagd.

 

De pest was ook in Lisse

De pest kwam uit het Oosten. In 1347 bereikte de epidemie de havensteden van Italië en verspreidde zich van daaruit over Europa en bracht ongekende rampspoed met zich mee. In enkele jaren stierf een kwart van de Europese bevolking.  De ziekte bleef in Europa hangen. Met wisselende tussenpozen veroorzaakte ze her en der catastrofes. Zo sloeg de pest toe in Amsterdam in 1602, 1617, 1624, 1635, 1655 en 1664. In lisse waren er 4 overledenen door de pest.

door Arie de Koning

LEZING op 18 september 2018 voor de VOL in de Vergulde Zwaan.

Als er iets is wat stadsbestuurders, de z.g. Magistraten, of Schout en Schepenen van dorpsgemeenschappen in vroeger tijden vreesden was onrust onder de bevolking, want uit die onrust konden de meest vreselijke dingen gebeuren. Een relletje van hongerende inwoners kon  met de schutterij nog wel onderdrukt worden, daarna hing je een paar leiders van de relschoppers met de grootste mond op en de rust keerde meestal dan weer vanzelf terug.

Met epidemieën lag dat iets anders.

 “Toen de wereld vijf eeuwen jonger was, had alles veel scherper contouren dan nu. Tegen rampen en gebrek was veel minder verzachting dan nu; zij waren meer geducht en kwellender. Ziekte stak sterker af bij gezondheid.”

Johan Huizinga

Met deze woorden vulde de historicus Johan Huizinga in 1919 de eerste alinea’s van zijn boek “Herfsttij der Middeleeuwen”, een studie over levens en gedachtenvormen in de 14e en 15 eeuw in de Nederlanden. Het gaat over goed tegen kwaad, rijkdom tegen armoede, licht tegenover duisternis, leven tegen de dood, God tegen Satan zo als U wilt. Huizinga is een begaafd schrijver.

Hij laat het beeld van de late Middeleeuwen en vroeg moderne tijd  aan ons voorbij gaan en wat mij het meeste schokte is de schaduwkant van het leven en het bestaan in die tijd. Die schaduwzijde komt niet alleen snoeihard binnen bij ons, de 21e Eeuwers, ook de tijdgenoten van toen leefden zelf in het besef van de onbeheersbare krachten die hun aardse bestaan dagelijks bedreigden, zoals oorlogen, brandschatting, moorden, duurte van de meest essentiele bestaansgoederen, hongersnood, overstromingen of besmettelijke ziekten, al dan niet in combinatie met elkaar. Holland was daar geen uitzondering in. Als je de oude bronnen aan het doorlezen bent en je let goed op de kleine lettertjes, val je van de ene in de andere verbazing. Zo vonden we op de aanstellingsakte uit 1558 van de vader en moeder van het Schiedamse Pesthuis een eenvoudig rijmelarijtje van een anoniem persoon die op niet mis te verstane wijze kenbaar maakt hoe de tijdgenoten  hun toekomst in zagen.

“Dier tyden, pestelencie ende oorloch groot , breyngt meenich man in grooten noot”, een ander persoon, ander handschrift, had hier aan toegevoegd; ”Ende hangt ons over ’t hooft “. Wat kan een mens onder zulke leefomstandigheden anders dan wanhopig zijn. Tien jaar later, in 1568, brak bovendien de opstand uit tegen de landvorst, de koning van Spanje, die gedurende 80 jaar veel rampspoed over de Nederlanden zou brengen.

Een anonieme  priester schreef in hele kleine lettertjes in een Leids Kerkboek;  “Ach waar sullen wy blyven, wie sal  den Pest verdrijven”. De priester twijfelde wellicht aan bijstand van boven.

Van alle besmettelijke ziekten die de mensheid teisterde,heeft vooral de Pest op de tijdgenoten en de latere geslachten een onuitwisbare indruk achter gelaten, zo veel zelfs dat onze taal vandaag de dag nog doorspekt is met het woord Pest. Niet één besmettelijke ziekte of andere ramp is op zoveel verschillende manieren in ons taalgebruik aanwezig. De werkwoorden pesten of verpesten, zelfstandige naamwoorden; pestbui, pestkop of zegwijzen; stinken als de pest en mijden als de pest. Vul zelf maar aan.

Waarom heeft uitgerekend de pest zo’n negatieve bijklank gekregen en behouden? Het antwoord op deze vraag denk ik te vinden in de geschiedenis van de ziekte  en de directe maatschappelijke en persoonlijke gevolgen. De achterliggende gedachte is dat de pest zowel het individu als de samenleving  stevig moet hebben beroerd.

Epidemieën kwamen, maakten een hoeveelheid slachtoffers en leken dan weer in te slapen en verdwenen een tijdje uit beeld. De artsen van die tijd, en we spreken nu van  de 14e t/m 17e eeuw, wisten helemaal niets van bacillen, die ontdekkingen zouden pas veel later gedaan worden. De totale onbekendheid met de oorzaken en de aard van de verschillende ziekten van de toenmalige heren doktoren is te lezen in de enorme hoeveelheid literatuur waarin de ene na de andere arts zijn visie geeft op de aard van de verschillende aandoeningen, de ene arts absolute onzin neerschrijvend en de andere bedachtzaam nadenkend waarbij hij soms akelig dicht in de buurt van de oplossing kwam, maar daar zelf geen benul van had.

Het volkomen ontbreken van enig hygiënisch benul zorgde er voor dat Holland op regelmatige tijden werd bezocht door een scala aan ziekten, de een nog besmettelijker dan de andere, Cholera, Pokken, Tering, Lepra, T.B.C., Rotkoorts ook wel Typhus genoemd, Roodvonk, Rode Loop en ten slotte de meest gevreesde  de Haastige Ziekte, ofwel Zwarte Dood, de Pest.

Overig is de benaming Zwarte dood een naam die pas een paar eeuwen later, door een waarschijnlijke vertaalfout is ontstaan. Er werd in de Middeleeuwen helemaal niet gesproken over de Zwarte dood en de artsen uit die tijd noemden het pestis of pestilentia  het volk noemde de ziekte de slaande Hand Gods, of de gave Gods   en hoewel de zieken zwarte puisten kregen werd er niet gesproken of geschreven Zwarte dood. Waarschijnlijk is een wat al te literaire vertaling van het Latijnse pestis atra of atra mors daaraan schuldig. Atra kan zowel met verschrikkelijk als met zwart worden vertaald, dus atra mors werd Zwarte Dood terwijl Verschrikkelijke Dood werd bedoeld. Het blijft lastig dat Latijn.

De ziekte Pest is ongetwijfeld de grootste massamoordenaar ooit. Hij verscheen voor het eerst in West-Europa in 1349, althans dat vermoeden we, dat het de eerste keer was, en duurde tot 1353. Dit eerste bezoek ontvolkte West-Europa bijkans en de schattingen van het aantal slachtoffers beloopt tussen de 75 en 100 miljoen. Het duurde tot het jaar 1600 voor het bevolkingspeil van begin 14e eeuw weer was bereikt, 250 jaar, terwijl de Pest  ondertussen steeds maar weer nieuwe aanvallen deed op de mensheid.

Ook Holland heeft een enorme bevolkingsdaling gehad in de jare 1349-1353, de Ierse historica Maria Kelly berekende dit op basis van de rekeningboeken der Hollandse graven, dat één derde van de Hollandse bevolking stierf. Dit blijkt uit de enorme inkomstendaling  van de graven in 1349 en daarna, die alleen logisch verklaard kan worden door een bevolkingsdaling als gevolg van de pest. Kelly vermelde dit in haar in 2003 uitgegeven boek “The Great Dying” wat handelt over de Pestuitbraken in Dublin in de 14e en 15e eeuw.

Van deze epidemie weten we zeker dat het de Pest was, van vroegere epidemieën staat niet vast of het daadwerkelijk de Pest was. Zoals in de 2e en 3e eeuw in Rome, toen een kwart van de bevolking in Rome omkwam en mede de oorzaak was van het verval van het West Europees Romeinse Rijk. Of neem de Bijbel, het alternatieve geschiedenisboek bij uitstek en tel het aantal pestilentiën die genoemt worden.

De 17e eeuwse vooraanstaande Geneesheer en Heelmeester Paulus Barbette te Amsterdam omschreef de Pest als het ware in dichtvorm:

“De Pest is een onbegrijpelijke ziekte, schijnende te koomen uyt een geestige en besmettelijke damp, die de vastigheyt des bloets schielyck los kan maacken, om het herte van syn kragte en leeven te berooven” (dr. Paulus Barbette 1658)

Dat dokter Barbette geen idee had hoe  de Pest te bestrijden moge duidelijk zijn, al zat hij met zijn geestige en besmettelijke damp wel in de buurt van een mogelijke oorzaak tot een Pest epidemie.

Ook in Lisse moet eeuwenlang tussen de huizen de kwalijke dampen hebben gehangen van menselijke en dierlijke stront, rottend vuil, rotend vlas, slachtafval en de ontbindende karkassen van huisdieren en klein vee en dan hebben we het nog niet eens gehad over de geuren die de gemiddelde chronisch ongewassen inwoner van Lisse rond om zich verspreidde. Afhankelijk van de windrichting zal de geur van vers gebakken brood  ’s morgens vroeg het leed nog enigszins verzacht kunnen hebben.

Hierin zal Lisse niet zo veel hebben afgeweken van andere plaatsen en in de steden als Haarlem en Amsterdam zal de situatie waarschijnlijk nog vele malen erger zijn geweest. Een stad als Leiden, waar de bevolking van Lisse zich veel ophield om daar dingen te kopen die in Lisse niet verkrijgbaar waren, of de jonge gezellen uit Lisse die het Gildenvak leerden van hun meesters, die stad Leiden stak met kop en schouders boven de andere steden uit als het Pest epidemieën betrof en als er geen Pest heerste was er wel een andere dodelijke epidemie aan het woeden in Leiden. Leiden was na Amsterdam de tweede grootste stad in het gewest Holland, waar wij ons vanavond grotendeels mee bezig zullen houden. Bedenk hierbij dat het totale aantal inwoners in 1622 van het hele gewest Holland en West Friesland slechts 672.000 mensen bedroeg en Leiden herbergde er al zo’n 55.000, nog geen 10%. Dank zij brieven uit die tijd die bewaard zijn gebleven, weten we wanneer en waar er wat aan de hand was. Bij voorbeeld vond in de jaren 1669-1670 in Leiden een grote epidemie plaats die tienduizenden slachtoffers eiste. Een tijdgenoot, dr. A. van der Goes, beschreef in een brief aan een collega de ziekte als “coortsen, ontstaan door het brack stinckent  water ende het bier daaruit gebrouwen”. Heel uitdrukkelijk stelde dokter van der Goes  echter dat dit geen Pest was. Men was dus in staat de Pest te onderscheiden van andere ziekten, maar in een te laat stadium.

De pest in Lisse

U begrijpt het al, het thema van vanavond is de ziekte die bij ons weten de meeste slachtoffers heeft gemaakt in de geschiedenis van de mens: “De Pest” en met name de vraag of de Pest ook slachtoffers in Lisse heeft gemaakt. Deze vraag kan ik bevestigend beantwoorden. Er sijn in totaal vier slachtoffers gevonden in de archieven van Lisse . De eerste betrof een akte waarin ene Dirck Thonis Vranckenssoon alias van der Burgh, geboren te  Lisse, ziek te bedde leggende van de Pest, bezweek in augustus 1603. Het slachtoffer woonde nog maar kort in Lisse en was afkomstig van Heemstede. Met zijn vrouw Maritge Lenaertsdr van Tetrode en drie kinderen streek hij neer in Lisse in 1597 niet wetende wat zijn lot zou zijn.

Voor dat hij bezweek had hij honderd gulden vermaakt aan de Heilige Geest Armen van Lisse en zijn vrouw loste nu  deze schuld in. Door een uitstekende boekhouding van de Heilige Geestmeesters is dat dus weer terug gevonden en hebben wij een antwoord op onze vraag. Er zijn nog duizenden stukken Lisser archief door te nemen, misschien krijgen we dan nog beter zicht op de gevolgen van de Pest in Lisse.

Het is voor ons onderzoekers zeker van belang te weten dat de Pest ook heerste in Oud-Lisse. Dat verklaard de vaak merkwaardige overlijdens waarbij een groot gedeelte van een gezin ineens van het toneel verdwijnt.

Aangezien er over de Pest, in het Gemeente Archief van Lisse zelf hierover maar mondjesmaat iets te vinden is ben ik gaan buurten in het Leids Archief dat vrij benaderbaar is via Internet. De keuze op Leiden  ligt voor de hand omdat die stad percentsgewijs gezien het zwaarst heeft geleden onder  de mokerslagen van de Ziekte die maar liefst 34 keer de stad heeft bezocht waarbij gezegd dat Haarlem “slechts 17” keer werd getroffen. Een kind dat geboren werd in Leiden tussen 1615 en 1668 en ouder werd dan twaalf jaar had tenminste één keer in zijn leven direct of indirect met de Pest te maken gehad. Niet alleen de stad zelf maar ook de dorpen in de Leidse Regio  moeten getroffen zijn door de ziekte. Elk dorp in Holland lag minder dan 25 kilometer van één of meerdere steden en had meestal goede verbindingen via marktschepen, trekvaarten etc. Neem alleen de dagelijkse postkoetsen uit Leiden en uit Haarlem die in Lisse op het Vierkant rond Noen  hun wisselpunt hadden en niet te vergeten de diverse karrendiensten vanuit  en naar Leiden.

Leiden was een stad met een enorm probleem. Het was een soort pakhuis van mensen geworden, door de enorme toeloop van bijvoorbeeld 1577, van Vlamingen die hun land ontvluchtten door de verschrikkingen van de oorlog en neerstreken in Leiden. Zij zorgden met nieuwe technieken, de zogenaamde, Saai-weeftechniek, voor een bloeiende lakenindustrie. Maar er kwam nauwelijks uitbreiding van de stad met meer wooneenheden. Alle plekjes in Leiden waren bezet door arme dakloze inwoners en bij een epidemie crepeerden en stierven zij het eerste, voor een ieder zichtbaar geveld door de Pest lag zo’n slachtoffer voor je deur waardoor de doodsangsten van de overige inwoners voor totale chaos zorgde. Het stedelijke Pesthuis was overvol met stervende mensen. De Pest zorgde voor angst, ontreddering, radeloosheid en onzekerheid en daarbij komt het  verdriet over omgekomen familieleden of geliefden. In 1636 tijdens een grote Pest uitbraak, waren de inwoners van Leiden zo bedrukt dat zij elkaar vaarwel wensten ’s avonds voor het slapen gaan. Vele geschiedschrijvers menen dat er geen sprake was van enige paniek  en angst onder de bevolking omdat die niet anders gewend waren. Ik waag dat te betwijfelen, onze voorouders  hadden ook hun emoties.

Een scherpzinnig waarnemer in Leiden merkte in 1642 op: “So wy onse stadt niet en vergrooten, so hebbe wy weder een nieuwe Peste te vreesen, dat de stadt seer van volck sal ontblootten, doordien dat de luyden so nau op malckanderen woonen”. In 1574 had Leiden 12.500 inwoners in 1640 65.000 terwijl de omvang van de stad nauwelijks groter was geworden.

De Leidse kerken mochten zich verheugen in extreem hoog bezoek van de gelovigen en de Pest -Heilige, St. Rochus, werd vierentwintig uur per dag aangeroepen. Het Vaticaan vond deze verering te ver gaan en gelaste dat men voortaan uitsluitend via voorspraak van de Heilige Maagd kon vragen gespaard te blijven. Dit massale kerkbezoek was natuurlijk koren op de molen van de Pest. Hoe meer mensen bijeen des te groter is de kans op een besmetting.

Heel bijzonder was dan ook de vondst  van de Leidse  stadsarcheologen  op de Garenmarkt  in juli 2017.Een bruinrood terracotta heiligenbeeldje, heel zeldzaam in deze gebieden. Hoewel het beeldje geen hoofd meer had was het duidelijk herkenbaar aan de attributen die het beeldje meedroeg, dit was Sint Rochus de Pestheilige. Op het parkeerterrein van de Garenmarkt hoek Raamsteeg, was in vroeger jaren textielfabriek Lepoole gevestigd, maar dieper gravend vonden de archeologen  de resten van huizen en hun beerputten uit de 15e en 16e eeuw  en in één van die beerputten werd het beeldje gevonden. Onze afdeling kleien, kliederen en plakken heeft nog pogingen gedaan de goede Heilige te restaureren, want een Heilige zonder hoofd is eigenlijk geen gezicht !!!

Volgens de archeologen die de beerputten doorzochten stonken ze nu nog steeds als 600 jaar geleden.

Bedenk dat Hollanders bekend stonden als een proper volkje. In verschillende reisbeschrijvingen  uit vroeger eeuwen door buitenlandse reizigers, werd er op gewezen, hoe zindelijk we wel waren. Wat wij niet weten is, hoe de bezoekers die dit indertijd noteerden in de reisverslagen, het thuis gewend waren.

Deze schrijvende buitenlandse reizigers waren over het algemeen niet onbemiddeld, dus de vraag rijst of zij in Holland wel in de armere buurten, de volkswijken,volksherbergen en logementen zijn geweest. Misschien gingen zij teveel op de buitenkant van de huizen af. Zij zagen de meiden stoepen schrobben en ramen zemen, maar zou het binnen wel hygiënisch aan onze maatstaven hebben voldaan? We lezen in een van de reisverslagen  een beschrijving dat de kookplaats, en een regenton en ook het privaat gelegen waren in een Pothuis van drie meter lengte, één meter breedte  en vijftig tot negentig centimeter hoogte.

Het is al veel vaker geconstateerd;  Nederlanders zijn schoner op hun huis  dan op hun lijf.

Het moet niet moeilijk zijn voor een eenentwintigste eeuwer zoals wij een onthutsend beeld te schetsen van de ontzettende vervuiling langs straaten, in de waterlopen en in de huizen. Er is alle reden om niet aan te nemen, na het lezen van de literatuur hierover, dat het in de loop van de zestiende en zeventiende eeuw op het gebied van hygiëne beter  zou zijn geworden. Bedenk dat de zogenaamde Gouden Eeuw op hetzelfde moment ook bezig was.

Na het vertrek van de Romeinen uit West-Europa was het gedaan met riolering en WC. De Romeinen vonden dat essentiele voorzieningen voor het bestaan. Hier, in Barbarenland keerde men terug naar de traditionele manier; buiten op straat en het duurde tot in de late Middeleeuwen voor deze bezigheden veranderden.

Zelfs eerzame burgers deden hun behoefte op straat of thuis op de po. De inhoud daarvan werd  zonder erbarmen naar buiten gegooid. Het was zaak ’s ochtends vroeg niet te dicht langs de huizen te lopen want dan werden de po’s geleegd. Uiteindelijk belandde alles op straat vanwaar het de grachten sloten en beken inliep. De Leidse wol – blekerijen bijvoorbeeld leden erg door het vieze water. In Delft werd de situatie ronduit  precair omdat de bierbrouwerijen aangewezen waren op het water uit de gracht. Rond 1465 kwamen er in vele steden bepalingen dat ieder huis een beerput diende te hebben. Deze putten werden een aantal malen per jaar geleegd. In Leiden ordonneerde het stadsbestuur  dat ieder huis, ja zelfs iedere verhuurde kamer een  stille of pishuis moest hebben.  De inhoud daarvan mocht in geen enkel water worden geloosd. Wat men er dan mee moest doen was niet duidelijk met als gevolg dat de smalle niet verharde straatjes van Leiden veranderden in vieze modderpoelen. Dieren deden daarin hun behoefte en mensen ook, slachtafval  werd er neergegooid en pishuizen loosden erop. In Leiden zijn ‘trippen’ opgegraven, schoenen met houten zolen, waaronder houten klossen zaten van 10-15 cm hoog. Hiermee probeerde je door de viezigheid te waden zonder je schoenen of broek te bevuilen.

Het Leidse stadsbestuur vond het maar niets dat zij op 10-08-1557 op bevel van de Spaanse bevelhebber, Holland maakte nog deel uit van het Spaanse Rijk, vijftig Franse krijgsgevangenen moest opnemen die gevangen waren genomen bij de slag bij St. Quintin die de Spanjaarden glorieus gewonnen had. De wapenbroeders hadden dan wel geen Pest maar wel “troemelesoen”, een dysenterie ziekte  en bovendien voorzichtigheid was geboden. Er werden er eerst maar zestien toegelaten, de minst erg zieke en drie weken later kreeg de rest toegang tot de stad. Ondanks deze voorzichtigheid van het stadsbestuur kreeg Leiden nog vele Pestuitbraken te verduren. In totaal kreeg de stad 34 keer een grote officieel erkende Pestuitbraak te verduren en in totaal in het gewest Holland  is tussen 1450 en 1668 107 keer Pest geconstateerd. Hierbij zijn niet de ziekten die wel leken op Pestsymtomen maar niet officieel als zodanig geregistreerd staan gerekend. Gezien de frequentie van bezoek aan Leiden door inwoners van Lisse, zowel beroepsmatig, als zuiver particulier, heeft het zeker wel geleid tot besmetting van inwoners van Lisse. Hoeveel Lisser slachtoffers er zijn geweest hopen we ooit nog een keer boven te krijgen. Dit staat hoog op ons verlanglijstje.

Wat is Pest eigenlijk.

Alexandre Yersin ontdekker van de Pestbacil in 1894

Hoewel nog niet alle problemen rond Pest zijn opgelost kunnen we zeggen dat onze kennis over de ziekte in al zijn aspecten snel is toegenomen.

Het begon in 1894 toen de Franse onderzoeker Alexandre Yersin de Pestbacil ontdekte. Zijn naam werd gelijk aan het organisme gehecht: “Yersina pestis”. Deze bacil veroorzaakt een uiterst besmettelijk infectieziekte waarvan twee hoofdvormen te onderscheiden zijn. De Longpest en de Builenpest.

Verder zijn er legio varianten. Longpest is bijzonder besmettelijk en overdraagbaar van mens tot mens via besmette druppeltjes speeksel die vrij komen uit de longen bij spreken, kuchen en niezen.

De druppeltjes worden gelanceerd over een afstand van twee meter in geval van spreken en drie à vier meter bij kuchen en niezen. Bij een koud en vochtig klimaat blijft de bacil gedurende lange tijd uiterst besmettelijk. De incubatietijd van Longpest is heel kort, één tot drie dagen. De zieke krijgt het zwaar te verduren. Hoewel de temperatuur maar iets stijgt bereikt de polsslag met gemak 120 slagen. Er treden ademhalingsproblemen op en samentrekkingen met pijn in de zij gepaard met neurologische moeilijkheden welk grote angsten veroorzaakt waarna de zieke in coma raakt. Binnen twee à drie dagen is de patient overleden. Longpest is in nagenoeg 100% van de gevallen fataal.

De tweede vorm van Pest, de Builenpest, daarvan is de incubatietijd  één tot zes dagen. Het gaat allemaal heel erg snel.

De rattenvlo

Besmet raakt men door een vlooienbeet op een van de benen. Op de plaats van de beet vormt zich een puistje, dat snel uitgroeit tot een zwarte zweer, een karbonkel genaamd. Op de tweede of derde dag ontstaat een vergroting van de Lymfklieren meestal in de lies. Deze worden hard, groot en zeer pijnlijk en neigen tot etteren. Deze gezwollen klieren worden bubonen genoemd. Na acht tot tien dagen is het mogelijk  dat de pest verdwijnt, ongeveer 20 tot 40% heeft kans te overleven. Als dit niet gebeurt treedt er een stadium op van acute bloedvergiftiging waarbij de temperatuur stijgt  naar 42º en dan zal spoedig de dood intreden. Er bestaan aanwijzingen dat de Pestepidemieën meestal Bubonisch van aard waren in de zestiende en zeventiende eeuw. Builenpest dus. Van de jaren daarvoor is geen literatuur aanwezig.

Waar komen deze dodelijke bacillen vandaan en waarom worden ze actief   is moeilijk te verklaren.

 

 

de bruine rat

Men veronderstelt dat ze uit de grond komen waar ze door uitwerpselen van vlooien terecht zouden zijn gekomen. Op een gegeven moment worden ze door de aanwezigheid van knaagdieren met hun vlooien weer actief. Dit uit zich meestal door een massale sterfte onder de zwarte ratten. Een belangrijke kwestie om de snelle verspreiding van de ziekte te kunnen begrijpen is het probleem van de overdracht van de bacil van het ene naar het andere organisme.

De Pestbacil parasiteert op knaagdieren  die als infectiehaard voor andere dieren en mensen kunnen optreden. Daarvoor is wel een drager nodig. De overdracht van de besmetting komt tot stand door de vlo. De zwarte rat en de rattevlo (Xenopsylla Cheopis) hebben wat dit betreft een kwalijke reputatie, een soort van Bonnie and Clyde, maar ook luizen en mensenvlooien (Pulex Irritans) gaan hier niet vrijuit. De bewuste rattevlo heeft een temperatuur nodig van 15 tot 20º en een luchtvochtigheid van 90 tot 95%, zoals van kleding op een lichaam. Zij legt haar eitjes in stof en kieren van vloeren, deze komen direct uit bij regenval . Een geval in Leiden spreekt hierbij boekdelen. Een dame uit Leiden liet haar alvorens zij weer ging wonen in haar Leidse woning, het gehele huis door een groot aantal schoonmaaksters schoonmaken met water nadat eerst alles goed was gebezemd. Wat er bijeen geveegd was werd buiten op een hoop geveegd waarna de kippen er in zochten naar voedsel. Drie dagen later waren 9 kippen gestorven en nog eens een aantal dagen later was de hele bevolking van het kippenhok 18 stuks, overleden.

De klassieke  theorie over de wijze van besmetting is de volgende:

De rattevlo die zich voed met het bloed van haar gastheer, de zwarte rat, wordt besmet  door pestbacillen. De opgenomen bacillen  blokkeren een ventielachtig orgaan naar de maag van de vlo. (de Proventriculus)

De vlo is dan geblokkeerd. Het bloed dat door deze blokkade de maag van de vlo niet kan bereiken, wordt teruggepompt  naar de rat die zo besmet wordt en dood gaat. De vlo ondertussen die nog steeds geblokkeerd is, is nu ondertussen uitgehongerd en heeft geen voorkeur meer en zal ieder  dier of mens die binnen haar bereik komt  aanvallen en besmetten in haar poging tot eten.

Zo, nu weten we wat de veroorzaker is , nu gaan we bekijken wat de pest heeft aangericht.

En denk nou niet, ach die zien we nooit weer, de Pest blijkt nog springlevend te zijn heden ten dage.

Zo zijn er in India van 1898 tot 1948 12.600.000 sterfgevallen door Pest geweest.

In 1983 wereldwijd  715 sterfgevallen

Tijdens de Vietnam oorlog  zijn 2756 Pestgevallen geconstateerd waarvan 163 doden zijn gevallen.

Anno nu:  Pest op grote schaal met honderden slachtoffers in Madagaskar.

Dankbaar gebruik makend van de archieven  vinden we dat er in 1635 een grote Pestuitbraak was in Leiden die zijn weerga niet heeft gehad. Leiden zat, zoals reeds gezegt mudvol met mensen toen de ziekte arriveerde. Ook dorpen als Oegstgeest en Zoeterwoude worden getroffen en enige honderden mensen sterven daar aan de ziekte  Op een totaal aantal inwoners van 64.000 mensen waren één op de acht inwoners van Leiden binnen drie maanden dood. Achtduizend mensen, de epidemie van 1635 heeft 11.000 slachtoffers gekost. De epidemie van 1655 heeft aan 15.000 mensen het leven gekost.  In augustus 1655 werden in plaats van 123 doden het jaar ervoor,  maar liefst 2638 mensen begraven en in september zelfs 3256. De grafmakers, aansprekers  en uitvaart personeel werkten continue. Leiden had al  zeer vele Pestepidemieën over zich heen gekregen maar wennen kon het niet. De angst voor besmetting en het hartverscheurende verdriet over de doden hield  Leiden in zijn greep. Mensen pleegden zelfmoord door in de gracht te springen waar zij verdronken. In 1624 tijdens een Pestuitbraak sprongen op het kerkhof grote groepen jongelingen  gek van angst, in de open graven en beletten de grafmakers en hun knechten hun arbeid te verrichtten.

In Leiden was er een gebod om in voorkomende gevallen van Pest in huis op de voordeur een P te schilderen als waarschuwing, men mocht ook een bos stro aan de deurklink hangen.

In 1569 verbood het stadsbestuur de Leidse strohandelaren  bossen stro op te hangen als reclame in verband met de angsten die dit opriep bij de bevolking.

De weinige mensen die de Pest overleefd hadden  moesten een witte stok dragen  zodat een ieder kon zien dat jij besmet bent geweest. Ieder kon dan zelf bepalen of hij of zij het veilig genoeg achtte  met je om te gaan. Ik denk dat een witte stok drager  nergens bij een marktkraam hoefde te wachten en in de kerk zullen de stoelen om hem/haar heen opvallend leeg gebleven zijn.

Vaak werd men van de armen begraven

In  dit soort hectiek kwam het voor dat mensen levend begraven werd. In Delft is een voorval opgetekend waarbij één van de uitvaartverzorgers  meende iets te horen in een kist en terwijl hij gehaast de kist probeerde open te krijgen sloeg met een grote klap het voorschot van de kist in splinters, weggetrapt door de bewoner van die kist  die eerst luid en duidelijk een enorme hap lucht inhaleerde en vervolgens de Pesthuis vader en moeder begon te vervloeken en dat ze beter moesten kijken of je echt dood was. Het  Stadsbestuur ordonneerde daarna dat een lijk pas na drie dagen begraven mocht worden. De timmerlieden werkten keihard om aan de vraag naar kisten te kunnen voldoen en er werd zelfs al hier en daar tweede hands doodskisten verhandeld.

In de kerk van Delft stonk het zo verschrikkelijk naar de dood, veroorzaakt door de begravenen in de kerk dat de Predikant aan de koster opdracht gaf om bij de apotheker wierrook en jeneverbes te halen om te verbranden in de kerk tegen de stank. De nota van de apotheker hiervoor is keurig opgetekend in het kasboek van de Kerk vandaar dat wij dit nu ook weten.

Was een uitvaart in normale dagen meestal een zuipvaart, daar was nu geen tijd meer voor.

Nou was een begrafenis in die dagen  ook niet van risico ontbloot. Men was gewoon hierbij lange zwarte mantels te dragen die veelal gehuurd werden bij de kleermaker. Men stond niet stil bij het feit dat de mantels ook door besmette mensen gedragen zouden kunnen zijn en de rattevlo voelde zich uitstekend thuis in zo’n mantel. Tijdens het hoogtepunt van de epidemie ordonneerde het Gemeente Bestuur van Leiden dat vrouwen niet meer aanwezig mochten zijn bij een begrafenis, dit zou te maken hebben met het feit dat dezen vaak nog uren na bleven praten (Labbekakken) en er mocht niet meer gegeten en gedronken worden op de kerkhoven. Dit alles om besmetting tegen te gaan en uiteraard dronkemansschap.

Het Leidse Gemeentearchief  bevat een opgave van legaten etc waar een aardige anekdote uit te halen is.

Drukte in een Stedelijk Pesthuis

Aan het begin van een epidemie  waarschuwden de notarissen de mensen dat zij niet het risico wilden lopen om bij iemand die besmet was, testament op te maken, ook niet meer door een open raam, doe het dan voor dat je laatste uur geslagen heeft. Dat aan deze oproep gehoor is gegeven is duidelijk als je in de Notariele Archieven bladert  en daarna de stichtingsdata bekijkt van de vele Hofjes in Leiden, neem bijvoorbeeld het Persijnshofje: testament opgemaakt in 1655, een pestjaar, en hofje gebouwd in 1666, of het Pieter Loridanshofje, 1655 testament gemaakt, een Pestjaar, in 1656 gebouwd. Deze rijke personen dachten zich hiermee een plekje in de hemel te kunnen kopen.

Was Lepra de ziekte waarmee God het individu strafte  werd de Pest gezien als goddelijke straf voor de zondigheid van een hele gemeenschap. Het moet een onbegrijpelijke wrede straf zijn geweest.

In Amsterdam  moest men soms op één dag meer dan hondert doden begraven  tijdens de grote epidemie van 1664-1665 toen de Pest in Amsterdam vijfentwintig duizend doden maakte. Vijftien procent van de bevolking  van de stad was kansloos tegen de ziekte die overigens niet in alle lagen van de bevolking even hard toesloeg maar manifesteerde zich het meest in de dichtbevolkte en vervuilde wijken waar de armen woonden. Verscheidene straten waren geheel uitgestorven. Er hing een niet definieerde geur in de lucht.

Ook gevonden in diezelfde Leidse Archieven een Armen gebed  uit het duurte en schaarstejaar 1530 en opgetekend door een anoniem persoon.

“Och lieve Heere, en gaat ons niet voorbij mit U gave der heete siecte. Want wij liever sterven dan langer leeven”

In de jaren dat er geen Pest heerste hield men de situatie scherp in het oog dat men geen voortekenen van een naderende epidemie zag. De Pest beheerste eigenlijk ieders leven en wie kans zag te ontvluchten aan de ziekte nam de wijk en verliet de stad, zoals de rijken die voor dat doel buitenhuizen had laten bouwen op het platteland. Met name het gedrag van vogels werd scherp in de gaten gehouden en zo kwam het dat in Amsterdam een merkwaardige vogel werd waargenomen, die men vandaag de dag in Lisse ook nog wel eens tegenkomt,  die iedere avond  landde op het kruis van de Westerkerk, daar de nacht doorbracht en de andere morgen weer uitvloog. Het gaf een boel onrust, zo’n rare vogel en voorspellers en predikers zeiden dat dit een goddelijke voorbode was van een naderende Pestepidemie. De onrust werd zo groot dat de overheid besloot het dier van de toren af te schieten en zo loste dat probleem zich geruisloos op.  Het bleek om een vale gier te gaan die je met recht een dwaalgast mocht noemen. De vogel had zijn laatste bocht wel erg ruim ingezet en zo in Mokum verzeilt geraakt. Ook vinden we in de literatuur meldingen van vreemde hemellichamen. Zo werd er in 1566 opgetekend dat er aan de oostelijke hemel een komeet verscheen met een staart van zo’n achttien Duitsche mijlen, ongeveer 27 kilometer, een forse dus, en ook op 29 april 1664 om acht uur ’s avonds  verscheen er een vurige kloot of gloeiende kogel aan de hemel en scheurden de bomen, een jaar later was de Pest dominant aanwezig in Holland en maakte tienduizenden slachtoffers. Niet verwonderlijk dat mensen heilig geloofden in deze voortekenen en allerlei kwakzalvers  probeerden zalfjes of poedertjes met kalkschraapsel van de Kerk aan de man te brengen als medicijn. In Leiden meldde zich in 1635 ene doctor van Dam uit Utrecht die een elixer, het zogenaamde Pestwater aanbood als medicijn tegen de Pest. In een niet gedateerd document geeft deze dr. Van Dam een instructie hoe en wanneer zijn pestwater moest worden gebruikt. De stadsautoriteiten gaven vervolgens een commissie van professoren en doktoren de opdracht het middel op bruikbaarheid te onderzoeken. Op 5 oktober 1635 bracht de commissie een vernietigend rapport uit. Van Dam had zijn middel aangeprezen als een middel dat zowel preventief als curatief zou helpen maar de commissie stelde in nette bewoordingen vast dat een dergelijke bewering lariekoek was en stelde ook vast dat het water van nul en generlei waarde was omdat, naar hun mening het niet anders was dan gedistilleerd water van wijnruijt ofte diergelycke kruijden getrokken.

Doctor van Dam aanvaarde diezelfde dag nog de terugreis naar Utrecht.

Bovenstaande is hét bewijs dat de Magistraten van getroffen plaatsen zeker niet in paniek raakten zoals nog wel eens gedacht werd.

Opvallend is het gemis van het woord Pest of de Ziekte in de notulen van de vergaderingen van Burgemeesteren en Regeerders van de stad Leiden. Alle andere zaken gingen gewoon door maar over de Pest werd niet genotuleerd, ze waren met heel andere zaken bezig. Het moet hen toch ongetwijfeld zijn opgevallen dat de sterfte onder de Leidenaren fors was toegenomen. Pas op 5 november 1635, als de sterfgevallen al weer aan het afnemen zijn, lezen we in de notulen dat op last van de Schout, Burgemeesteren en Schepenen pektonnen zullen worden gebrand in de straten ivm de Pest. Dit diende om de lucht zuiver te maken, dit op advies van de stads artsen. Dezelfde artsen doende naar het zoeken voor een remedie! Er werd een aanbeveling gedaan om de boetepredicatiën  en – gebeden bij te wonen in de Kerken om God te vragen de Pest weg te nemen, maar ook God bleek zich bezig te houden met andere zaken.

Ook werd bevolen de spullen en huizen van overledenen  (van 11.000 doden) de eerste vier weken niet te gaan bewonen en spullen te verkopen. Eigenlijk waren deze maatregelen mosterd na de maaltijd. Was het gebrek aan daadkracht,was het paniek? Ik zelf denk dat de Leidse Vroedschap dacht: ”als je geschoren wordt moet je stil zitten”. Er losten zich zo een groot aantal, financieel onaantrekkelijke, problemen voor de stad  op. Van deze tactiek hadden de Leidse bestuurders zich al eerder bediend namelijk in het Pestjaar 1603. Men was ook toen zeer terughoudend met het doen uitgaan van Ordonnanties bang als men was de handel te verstoren en met name van de Laken weverij die een enorme inkomstenbron was voor de stad. Pas op 4 september 1603, toen de epidemie al weer bijna voorbij was, werd er in Leiden vanaf het stadhuis voorgelezen  de ordonnanties  ende gebod nopende de Hete Ziekte  of de Pest. We vonden deze complete ordonnanties in boekvorm in de Bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam en het zijn eigenlijk lachwekkende orders als de aanleiding niet zo triest zou zijn geweest:

Stads Secretaris Jan van Hout van Leiden beveelt op 4 september 1603:

“Omme voor zo veel mogelicken is, ordre ende geregeltheyt te stellen dat de heete sieckte  der pesten, daer mede de Heer almachtich eenige huiyzen alhier heeft begaeft, ende versogt ten weynichsten mach voortspruyte , ende de besmettinge van ander personen verhindert hebben die van die Geregte   deser Stadt Leyden  geboden ende geordonneert. gebieden ende ordonneren mitsdesen  tgene hier naar volcht.”

1).Het begint met de doodskisten, die mogen alleen zo licht mogelijk zijn en gemaakt van vurenhout,  de hoogte mag niet meer zijn dan 15 gemeene duymen, zo’n  38 cm van buiten gemeten. Bij niet nakomen van deze bevelen staat een geldboete van  zes gulden.

2). De overledenen mogen op werkdagen pas na twee uur ’s middags en op zondag na drie uur worden begraven. De begrafenis zelf mag niet langer duren dan een half uur. Het luiden van klokken is alleen toegestaan voor de kleine klokken. Hierop stond een boete van twaalf gulden.

3).Het versieren van kisten van jonge mensen kwam ook weer voor in deze ordonnantie. Alleen een gitzwart doodskleed was toegestaan onder een boete van 24 guldens. De adel en regenten waren hiervan vrijgesteld  en mochten wel de kist versieren met bv het familiewapen of iets dergelijk.

Dit zette natuurlijk kwaad bloed bij de burgerij. Blijkbaar kwam het voor dat boze burgers deze versiering er van af trokken want er stonden zware straffen in het verschiet  voor de gene die dat zou doen.

4). Vrouwspersonen waren uitgesloten om bij een begrafenis aanwezig te zijn. Het kostte 25 guldens bij overtreding.

5).Begrafenisstoet moest de aller kortste weg naar ’t kerkhof nemen wat weleens meebracht dat dwars over een markt men een begrafenisstoet zag schuifelen.

6). Dan de diepte van de graven. Dit kwam eigenlijk bij iedere ordonnatie voor, dus dat betekende dat de grafmakers onnauwkeurig werkten, en zich nog niet gebeterd hadden. In Leiden werd tot drie kisten hoog begraven en de bovenste kist moest minstens met 18 duimen = 45 cm  grond bedekt worden en vast worden ingestampt.

7). Bedelaars werd harder aangepakt na een periode van gedogen in een poging ze de stad uit te krijgen.

8). Men mocht volstrekt geen pest zieken verplaatsen van de ene naar de andere buurt. Men kon de zieke naar het pesthuis brengen buiten de stad.

9). Huizen van overledenen moesten zes weken gesloten blijven

10). Deze laatste is een merkwaardige. Een verbod om drukinkt te koken of branden ten behoeve van  drukken. Dit scheen een verschrikkelijk stank te veroorzaken die op de lijst stond van verdachten voor de oorzaak van de Pest. Om de drukkers en printers niet brodeloos te maken werd toestemming gegeven om dit branden of koken te doen “opten tee van ‘t punct van ‘t bollewerc aan den blaeuwen toorn, mitsgaders inden Zuijdtoost houck van deser brede chingele om de vryheit in de waart, maar niet elders”.            In de andere grotere steden in de Republiek hadden de Burgemeesteren en Regeerders dezelfde problemen. Rondom Nijmegen werd een omvangrijk leger in stelling gebracht in juni 1635 om de vesting Schenkenschans  te heroveren op de Spanjaarden. Een maand later in juli 1635 brak de pest uit onder de soldaten. Van Nijmegen, uit die periode zijn geen sterftecijfers  voorhanden. De historicus Welters heeft echter van de Nijmeegse Sint Stevenskerk  het klokluigeld in kaart gebracht als zijnde de grootste kerk van Nijmegen en al is dit niet indicatief voor de omvang van de sterfte  geeft het aantal begrafenissen per maand  waarschijnlijk een aardig beeld in het sterftepatroon. De vraag is wat deed het stadsbestuur gedurende de sterfteperiode?

Op 16 augustus 1635 vinden we voor het eerst een bericht over de Pest in Nijmegen. Het aantal zieken onder de Franse soldaten is zo groot dat alle gasthuizen overvol zijn en dat vele zieken langs de straten en voor deuren liggen en “miserabelick sterven causerende zoodanige stanck ende besmettingh datt veele burgeren  ende ingesetenen  voorde voet sieck worden ende mede commen ’t overlijden.”

Op 9 september 1635 waren de sterfgevallen het dubbele als in augustus 1635 en de Regenten verbieden de Kermis.

Op 16 september 1635 wordt er in Leiden een besluit genomen over de grote aantallen weeskinderen. Men probeert zoveel mogelijk weeskinderen onder te brengen bij overlevenden en de rest wordt in het Heilige Geest  of Arme Wees en Kinderhuis van Leiden opgenomen. Dit tehuis aan de Hooglandse Kerkgracht  was in 1583 ontstaan uit het Onze Lieve Vrouwe Gastgasthuis.

Op 22-04-1636 wordt een klacht behandeld over Hendrik van Langeraet, doodgraver te Nijmegen. Hij zou zich niet aan de voorgeschreven grafdiepte houden. Dit speelde eigenlijk bij alle andere steden ook, overal maakte men de graven niet diep genoeg. Hieruit kunnen we opmaken dat ook in Nijmegen, waar de Pest twee jaar heerste, een groot aantal mensen overleed maar de authoriteiten van Nijmegen maakten zich evenals hun collega’s in Leiden er  klaarblijkelijk niet druk over.

Over Amsterdam kunnen we heel kort zijn. Men was daar met hele andere dingen bezig. Handel en alle andere belangrijke zaken passeerden de revue men was alleen maar bezig met het bouwen aan een Gouden Eeuw, maar geen woord over de Pest tot  3 oktober 1663 waarin de Magistraten bekend maken dat speciale doktoren, chirurgijns, vroedvrouwen en apothekers de mensen bijstand konden bieden zonder kosten. Deze specialisten konden op kosten van de stad patiënten enigszins bijstaan maar liepen daarbij een heel groot risico besmet te worden.

Zij ontvingen daarom een dubbel salaris als risicopremie. Doktoren droegen een zogenaamd Snavelmasker waarin een hoeveelheid geurige kruiden zat om de lucht te zuiveren. Ook de functie van Pestmeester in het Pesthuis was levensgevaarlijk. Deze actie van Amsterdam was puur zakelijk. Er werd een probleem geconstateerd waarvan de oplossing direct werd neergelegd bij de curatieve gezondheidszorg. Om vanaf het begin meteen de juiste mensen in te brengen dacht men de economische schade voor de stad te beperken dan gewoon af te wachten.

Het ware zware tijden om in te leven. De dood was altijd al dichtbij maar nu was hij tastbaar. De angst voor de dood maakte sommige mensen  roekeloos, of noem het fatalistisch, het was toch immers Gods wil of je wel of niet besmet raakte. Ik noem dit roekeloos maar we kunnen het eigenlijk net zo goed onwetend noemen. Er zijn tal van voorbeelden van mensen die voorzichtig  waren. De notarissen meldde ik u al, maar ook  Predicanten  weigerden Pest-patiënten te bezoeken, zo ook Adolphus Venator, predicant in Alkmaar. Dominees’ naam was eigenlijk Adolph de Jager maar de Latijnse vorm vond hij toch wat chiquer.   In 1599 weigert hij zieken te bezoeken en hij verdedigt zich fijntjes door er op te wijzen dat vorig jaar in Nijmegen drie Predicanten, waaronder zijn eigen broer aan de Pest ten offer waren gevallen.

Ook in Haarlem, in 1636, durfde niemand een vrouw, met een zoontje, in barensnood te helpen. De toevallig langskomende burgemeester Willem van Teylingen durft wel naar binnen te gaan en gelast de Stadsvroedvrouw te helpen. Die antwoordde waarschijnlijk dat hij de pest kon krijgen. De andere dag  zijn de kraamvrouw, het zoontje en het pas geboren kindje overleden en de vader overleed niet lang daarna.

Maar gelukkig waren er ook legio gevallen van onbaatzuchtigheid en naastenliefde. Zo zijn er brieven uit Rotterdam en Gouda dat ouders hun kinderen uit het Pesthuis opeisten om ze thuis, omringt door liefde te laten sterven en een man die zijn vrouw  weer naar huis brengt om daar op een menselijke manier afscheid van elkaar te kunnen nemen. Dit zijn de mensen achter de cijfers en die blijken ook  gevoelens te hebben, niets menselijks is ze vreemd.

Dan waren er de gevallen van onverschilligheid of onwilligheid. Bijvoorbeeld de levende traditie om de doodskist van jong  gestorvenen met bloemen te versieren, die door de overheid was verboden in verband met besmettingsgevaar.

Overigens was dit een dingetje want de Kerk was dit versieren een doorn in ’t oog, dit was namelijk een overblijfsel  uit de  heidense tijd en ook vanaf de kansel werd dit verboden.

Vaak werd binnen een week de nalatenschap van een overledene geveild, incluis beddengoed en kleding  die vaak dezelfde dag nog werd gedragen. Dit was onverantwoord.

Tijdens een Pestepidemie vond er een grote verstoring in de handel en sociale gebeurtenissen plaats. Zo verboden de Leidse regenten in 1635 de Leidse Jaarmarkt, in augustus 1563 kwam er een verbod op Engels bier, dat verdacht was, herbergiers werd verboden reizigers op te nemen uit besmet gebied,  schepen uit Engeland moesten veertien dagen voor anker blijven in de haven . Al dit soort verboden hielpen een klein beetje mee ter bestrijding van de pest al hadden de tijdgenoten zelf daar geen benul van.

De overheid had klaarblijkelijk advies ingewonnen bij mensen die nadachten en weldra werden in de hele Republiek der Nederlanden  maatregelen van kracht om de Pest min of meer te isoleren.

Quarantaine bleek een zeer effectief middel om de Pest buiten te houden, mensen werden er op gewezen geen risico’s te lopen en dit bleek toch te werken want vanaf het jaar 1668 was de Pest bacil in de republiek geheel uitgewoed. In de rest van Europa, met name in Duitsland en Italië bleef de ziekte nog miljoenen mensen opeisen, daarom werd hier scherp in de gaten gehouden waar iets of iemand vandaan kwam voor dat de persoon of zijn handelsgoederen toegang tot het land kregen.

Niet alleen in Holland werd de bestrijding van de Ziekte ter hand genomen, vaak was men in andere landen hier al langer mee bezig, van lokaal naar regionaal en tenslotte naar nationaal. Een stadsstaat als Venetië waar vrije handel urgent was beschikte in 1385 al over een aantal sanitaire voorschriften waaronder een isoleringgebod dat veertig dagen bedroeg. Wie zien hier gelijk de oorsprong van het woord  Quarantaine(= veertig). Toch weer wat opgestoken vanavond.

Ook in en uitvoermaatregelen werden er genomen zodat geen besmette ladingen konden worden gelost in de havens en er was een uitgebreid netwerk ontstaan van informanten die waarschuwden als er pest werd geconstateert. Er is bewijs dat deze maatregelen Venetië heeft geholpen in haar strijd tegen de Pest. In Engeland werd op bevel van Koning Karel II alle beerputten in Londen geopend in een poging door de enorme stank die dit gaf de Pest te verdrijven, dit zal waarschijnlijk niet hebben geholpen.

In Holland waren ze nog niet zover en regelmatig werd een stad en regio getroffen door de Haastige of Heete Ziekte, zoals de Pest werd genoemd. Als we nu zouden moeten oordelen kunnen we stellen dat een stadsbestuur eigenlijk geen beleid kon maken,  simpelweg door te weinig kennis over de ziekten die regelmatig de steden teisterden. De artsen hadden niet de kennis om de Pest in een vroeg stadium te herkennen, dus waren altijd een stap te laat.

Ongeacht of men dacht dat de pest een door God gezonden plaag was of dat men geloofde dat het van de verrotting en vuiligheid kwam, men was het er over eens dat het besmettelijk was (als de pest), maar hoelang zo’n periode zou duren wist men toen ook niet van te voren. Dus de Overheid  hield zich min of meer gedeist tijdens een epidemie. Er  verschenen ordonnantien  met maatregelen van de overheid die er voor moesten zorgen dat de inwoners anders gaan handelen dan voorheen, tijdelijk dan wel permanent. En dan gaat het om handelingen die vaak voorkomen.

Als men op die manier naar de ordonnanties kijkt dan kan men alleen maar tot de conclusie komen dat het in alle steden een grote smeerboel was, erger dan het smerigste varkenskot.

Bloed, darmen, dode honden en kippen, vuiligheid, het werd allemaal op straat gegooid of in het water. Slachten gebeurde op straat en de bepaling dat een graf diep genoeg moest zijn geeft ook te denken. Goederen werden verkocht zonder ze schoon te maken en tijdens de preek gaat het begraven van overledenen gewoon door, op het kerkhof en ook  in de kerk zelf. Als we bedenken dat de dorpen op het platteland een afspiegeling waren, zeker in gedrag, van de grote steden was het in Lisse, zoals gezegd ook een smerige boel.

In de tegenwoordige tijd heeft de overheid voor elke infectieziekte een beleid. Afhankelijk van welke ziekte varieert het beleid van alleen maar diagnostiek, zoals bij voorbeeld  bij aarsmaden tot een pakket van uitvoerige draaiboeken wanneer bijvoorbeeld het pokkenvirus weer opduikt.

Infectieziekten zijn ingedeeld in verschillende groepen (A, B1, B2, en C) op basis van meldingsplicht van de arts aan de GGD. Zodra een arts zelfs maar vermoed dat iemand een infectieziekte heeft behorend bij  groep A moet hij dat onverwijld melden. Zo is de pest ondergebracht in groep B1. Dat houd in dat de arts dit binnen vierentwintig uur moet melden, dus iets soepeler dan bij groep A waaronder Pokken, Polio en SARS  vallen.

In de zeventiende eeuw was het voor de overheid een stuk lastiger om beleid te maken tegen besmettelijke ziekten. Men was onbekend met bacteriën en artsen hadden niet de kennis en het inzicht om de pest in een vroeg stadium te herkennen. De vraag is welke maatregelen nam een stadsbestuur om de pest in te dammen en op wat voor moment nam men die maatregelen. Deze maatregelen kunnen worden onderverdeeld in curatieve en preventieve maatregelen. Zo had het stadsbestuur van Leiden rattenvangers in dienst omdat het vermoeden bestond dat deze iets te maken zouden hebben met de ziekte.

De oorzaken van de pest die men dacht te kennen waren de toorn van God  en vuile dampen en verrotting. Hoe de toorn van God kon worden getemperd was een lastig vraagstuk en het bestrijden van vuile dampen en verrotting was een stuk concreter aan te pakken te weten een vorm van hygiëne en isolatie van zowel de zieken als de besmette huizen. In die gedachtegang kon een overledene ook een bron van besmetting zijn dus werden er regels opgesteld voor het begraven. Ook dacht men dat via de handel besmetting kon worden verspreid en nam men maatregelen om verspreiding via deze route te voorkomen. Tot slot waren er maatregelen waarbij de relatie tot vuile dampen en verrotting  niet zo makkelijk kan worden gelegd dan wel dat die relatie helemaal ontbreekt of een ander doel diende.

Voor begraven gold dat de uitvaartstoet de kortste weg moest nemen naar het kerkhof en de kist moest onderhands worden gedragen in plaats van op de schouder en het graf moest diep genoeg zijn. In Haarlem gold dat de kist van binnen moest worden ingesmeerd met pek en in Leiden kon men pas na twee uur ’s middags worden begraven.

Tijdens pestperiodes moest men honden doodslaan, zij konden besmetting doorgeven. Waarom dit niet voor katten en konijnen gold is niet duidelijk.

Een heel opmerkelijke maatregel was dat zieken en hun verzorgers zes weken lang niet naar de preek mochten komen. Als men werkelijk pest had dan was men immers binnen twee tot tien dagen overleden en zoals gezegd vrouwen mochten in Leiden niet meer mee naar de begrafenis.

Veel van dit soort ordonnanties bleken achteraf een politiek doel te dienen.

Tijdens de pestepidemie in Leiden in 1655 zijn er veertien ordonnanties uitgegaan waar van er drie over hygiëne gaan en slechts één over de handel, die werd blijkbaar te kostbaar geacht om beperkingen te ordonneren. Beddenstro mocht niet meer op straat gelucht worden maar moest worden verbrand. Belangrijk was dat de inwoners hun gewoonten veranderden en een heel klein beetje hygienisch besef meekregen. Op het begraven van overledenen stiekem ‘nachts op het kerkhof of elders stonden strenge straffen. Zomaar een greep uit de vele ordonnanties die we hebben gevonden in de oude archieven. Of het veel geholpen heeft is de grootste vraag.

Dat er ook politieke en geestelijke aspecten werden verordonneert lezen we ook in die oude archieven. “De Keure ende Ordonnantie thegens de stouticheyt der pausgezinden  ende derselven excessen” uit Haarlem zit daar ook tussen. Niemand mocht pausgezinde geestelijken onderdak bieden, geen pausgezinde vergaderingen gehouden worden en nog vijf van die merkwaardige onzinnige ordonnantien tussen de pest verordeningen. Er stonden buitenissige boeten op tot verbanning toe.

Hoe men dat handhaafde is niet duidelijk. Zo stond er ook dat iemand die besmet is en wil gaan wandelen een witte stok moet dragen. Nou iemand die de pest heeft is doorgaans zo ziek dat hij niet veel zin zal hebben gehad in een wandeling.

Na 1668 is de Pest in slaap gevallen in de Republiek der Verenigde Nederlanden, of al die maatregelen iets hebben bijgedragen tot het verdwijnen van de ziekte zal voor altijd een vraag blijven.

IN HET BLOEMBOLLENLAND: Anna van Gogh-Kaulbach (deel 1)

Anna (1869-1960) woonde in Lisse tot 1903 in het pand Heereweg 296. Zij schreef in 1904 een boek met de titel ‘In het bloembollenland’. Het speelt in de Bollenstreek en beschrijft op een eenvoudige manier de bollenteelt.

Ria Grimbergen

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 3 Zomer 2018

Pareltjes van boeken bevinden zich in de kasten van de bibliotheek van de Vereniging “Oud Lisse”. Veelal zijn het schenkingen van leden van de VOL. Ze zijn het waard onder de aandacht te worden gebracht. Eén van die titeltjes is “In het bloembollenland” van Anna van Gogh-Kaulbach, uitgegeven in 1904.

De schrijfster zelf was geen vreemde in het bloembollenland. Zij trouwde in 1899 met bollenkweker Willem J. van Gogh, een neef van Vincent. Willem was politiek actief als lid van de SDAP en ook Anna was een overtuigd socialiste. Het paar bewoonde tot 1903 het pand Heereweg 296 in Lisse.

Tekening uit het boek In het bloembollenland  van W.K. de Bruin

In het boekje geeft zij in verhaalvorm een realistisch beeld van de gang van zaken in het bollenvak. Alle facetten van de bollenteelt komen voorbij in een voor kinderen begrijpelijke taal. De dertienjarige weesjongen Dirk uit Amsterdam, bleek, met grote blauwe ogen, komt in huis bij zijn oom Niezand, meesterknecht op kwekerij “Bloemlust” bij bollenkweker Van Erk. Dirk heeft nooit een bol gezien, maar de goedige oom neemt zich voor de jongen het vak te leren en op te leiden tot een flink werkman. Zijn aanvangsloon is drie gulden vijftig in de week met de afspraak dat dat op kan lopen tot vijf gulden vijftig. In het vorige nummer van het Nieuwsblad vermeldde Arie in ’t Veld het gemiddelde loon van een bollenarbeider in 1903: acht gulden vijftig per week. Voor een dertienjarige lijkt Dirks loon naar verhouding niet slecht. Dirk betaalt zijn oom kostgeld en heeft een dubbeltje zakgeld in de week. Wil hij het boekje In het bloembollenland kopen, dan zal hij vijftien weken moeten sparen. Dirk is een leergierige jongen. De vele vragen die hij zijn oom stelt, beantwoordt deze uitgebreid. Via Dirk krijgt de lezer informatie over dwaallingen, bollenziekten, rattenplagen.

Anna huwde de Lissese bollenkweker Willem van Gogh en zij woonden op Heereweg 296.

Vangt Dirk voor de patroon een rat, dan wordt hij beloond met twintig cent. Voor het Amsterdammertje, gewend te leven in een zonloze, donkere steeg, is het voorjaar met zijn bloemenpracht een feest van kleur en geur. Staan de bollen in bloei, dan komen de andere bloemisten kijken. Ze lopen tussen de bloembedden “als groote donkere torren op een kleurig kleed”. Druk is het in deze tijd op de straatweg met een uitpuilende stoomtram en overvolle wegen met fietsen, rijtuigen, wandelaars en automobielen. In het vroege voorjaar laat Van Erk zijn mensen werken van zes tot zes, bij andere kwekers werkt men door tot het donker is. De bollenrooitijd is zeer vermoeiend en zwaar: “Ze werkten ’s morgens en ’s avonds òver en lagen den heelen dag in het heete zand, met de zon brandend op hun rug, terwijl de heggen elk windzuchtje afweerden. Ze kregen eelt op hunne knieën, en door het voortdurend wroeten in het zand, werden hunne vingers vreemd-wit, waarbij scherp de gebruinde handen afstaken”. Dirk werkt dapper mee, maar “in zijne beenen kwam soms zoo’n vreemde tinteling alsof ze zijn lichaam niet meer konden dragen”. De jonge jongen verliest zijn eetlust, maar smacht de hele dag naar drinken. In tegenstelling tot andere kwekers, die hun personeel nu tweemaal per dag een borrel schenken, geeft Dirks baas de arbeiders koffie en bessensap met water. Sterke drank werkt verwoestend in de uitgeputte lichamen, vindt hij.Na het rooien volgt het hollen, pellen en planten en als het vriest het dekken. Maar juist strenge vorst zorgt even voor een adempauze in dit harde bestaan. Dan kan op het veld niet gewerkt worden en geeft Van Erk zijn arbeiders ’s middags vrij. Of er wordt doorbetaald, lezen we niet. In het bloembollenland is na meer dan honderd jaar nog zeer leesbaar. Hoe het ontvangen werd door tijdgenoten, daarover een volgende keer. ►

Geboren te Velzen op 31 december 1869, overleden te Haarlem op 28 januari 1960

 

OUD NIEUWS: HERBERG AAN DE HEEREWEG “In den Coning van Bohemen”

Heereweg 191 was het oudste gebouw in Lisse en is een paar jaar geleden helaas gesloopt. Ooit stond hier Herberg Coning van Bohemen op deze plaats. De geschiedenis en de bewoners worden besproken.

Dirk Floorijp en Judith Harren

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 3 Zomer 2018

In het begin van deze eeuw stond op het adres Heereweg 191 het oudste woonhuis van Lisse. Inmiddels is er nieuwbouw op deze plaats. Leden van de bouwhistorische werkgroep de heren R.Pex en E.J. Plantenberg hebben indertijd de bouwgeschiedenis en chronologie van het pand onderzocht. In de jaren 1622-1625 moet op deze plek zijn gebouwd. Ene Carel Jansz van Asselborn kocht toen een leeg perceel. In 1635 nam een bakker zijn intrek in het huis. Aldus de bevindingen van de heren Pex en Plantenberg.

Heereweg 191 was eens het oudste woonhuis van Lisse.

De naam Carel Jansz. van Asselborn deed een belletje rinkelen. In Lisse heeft ooit een herberg gestaan ‘In den Coning van Bohemen’, die stond aan de Heereweg nabij het Vierkant. Waar precies wist niemand. Een van de weinige bewijzen dat de herberg er ooit was, staat in het kohier ‘Hoofdgeld Lisse 1623/1624’. De waard van de herberg ‘In den Coning van Bohemen’ is Carel Jansz. van Asselborn. De vraag kwam op: zou het huidige adres Heereweg 191 de locatie kunnen zijn van de vroegere herberg? Verder onderzoek in de oude
archiefstukken van Lisse leverde het volgende antwoord op: Vóór de komst van Carel Jansz. van Asselborn is er op het huidige adres Heereweg 191 nog een leeg erf te zien. Op 7 december 1618 koopt Carel dit erfje van Dammas Willem Thomasz (Dammas is getrouwd met Aeltje IJsbrantsdr. Van der Codden). Het stukje grond maakt deel uit van een groter perceel dat in het bezit van Dammas is. Elk jaar moet Carel 30 stuivers erfpacht aan Dammas betalen. Het erfje is ten NW begrensd aan de Heereweg, en ten NO en ZO aan bezittingen van verkoper Dammas. Aan de ZW-zijde woont Carel zelf in een klein huisje. Zeven maanden daarvoor heeft Carel dit huisje van een andere eigenaar gekocht.

Geld lenen kost geld

Carel bouwt een huis op het kleine lapje grond, en de bouw verloopt vlot, want 5 maanden later heeft hij het nieuwe huis betrokken, en kan hij het kleine buurhuisje waar hij tijdens de bouw even gewoond heeft, doorverkopen, en wel aan Willem Cornelisz. Velsen, een linnenwever. Carel maakt ruim 25% winst op de verkoop. Maar blijkbaar heeft hij meer geld nodig, want hij leent 400 gulden van een Haarlemse lakenkoper. Het zal een zakelijke kennis zijn, want ook Carel is lakenkoper van beroep. Als onderpand dient Carels nieuwe huis met het aanwezige laken in zijn winkel. Elk jaar moet hij 24 gulden rente betalen aan de Haarlemse leningverstrekker. Wil hij het geleende geld gebruiken voor een verbouwing of aanbouw van een herberg? Het lijkt erop, want in het hoofdgeld Lisse (een soort personele belasting die voor elk gezinslid betaald moest worden) van 1623/1624 vinden we Carel terug, met vrouw Lijsbeth Woutersdr en 4 kinderen, als ‘waert in den Coning van Bohemen’. De overstap van beroep, van lakenkoper naar herbergier, komt ons nu wat wonderlijk voor, maar is voor die tijd zeker niet uniek. De latere eigenaar van het pand, Jacob Jacobsz van Hopbergen, is bakker van beroep. Ook hij maakt een carrièreswitch als hij, jaren later, herberg ‘Het Rode Hart’ koopt en zelf achter de tap gaat staan.

In den Coning van Bohemen

Frederik van de Paltz 1596-1632

De naam van de herberg verwijst naar keurvorst Frederik V van de Paltz (1596 – 1632), getrouwd met Elisabeth, prinses van Engeland, dochter van koning Jacobus I.
Na een opstand van het protestantse Bohemen tegen de roomse vorst, wordt Frederik aangesteld als koning van Bohemen. Hij wordt ook wel de winterkoning genoemd omdat hij maar één winter regeert en na een nederlaag moet uitwijken. Deze neef van prins Maurits en Frederik Hendrik komt op zijn vlucht in Den Haag terecht, waar hij in 1632 overlijdt. De vele herbergen in die tijd worden bezocht door doortrekkende reizigers en kooplieden, die tussen Den Haag, Haarlem en Amsterdam via Lisse reizen. Voor de eigen bevolking zijn die niet allemaal nodig, al speelt het openbare leven zich veelal af rond de herbergen. Lisse bestaat in die tijd uit 230 huizen, het hele buitengebied meegerekend.

Uit een ander vaatje tappen…

Helaas, de pogingen van deze 17e eeuwse ondernemer om een florerende herberg uit te baten, lijken geen lang leven beschoren. Het ziet ernaar uit, dat Carel het hoofd niet boven water kan houden. In maart 1625 verkoopt hij zijn huis aan Jacob Jacobsz van Hopbergen, (getrouwd met Elsgen Henricxdr). De 30 stuivers erfpacht aan Dammas Willem, en de 24 gulden aan de Haarlemse geldschieter rusten nog op het huis en moeten door de koper worden overgenomen. Van de herberg wordt niet gerept, het wordt een huis genoemd. Hebben Carel en zijn gezin nu geen huis meer? Zo erg is het gelukkig niet, want Carel kan het kleine buurhuisje waar hij begin 1619 woonde, terugkopen van Willem Velsen. Voor het lenen van de aankoopsom wordt een schuldbrief opgemaakt, waarin de nieuwe buurman Jacob Jacobsz van Hopbergen en ene Joris Maertensz Langevelt (beide mannen komen we hierna weer tegen) borg staan voor Carel. Mogelijk heeft de koper van de voormalige herberg, Jacob Jacobsz van Hopbergen, van het huis een bakkerij gemaakt. Hij wordt vermeld in het haardstedengeld Lisse 1628 als eigenaar en gebruiker met 2 haardsteden, met oven. Tien jaar later, in 1635 verkoopt bakker Jacob Jacobsz van Hopbergen het huis met bakkerij door aan Joris Maertensz Langevelt (getrouwd met Maertgen Pietersdr. Cool), de beide eerdergenoemde borgen voor Carel van Asselborn in 1625. De 30 stuivers erfpacht en de 24 gulden rente rusten nog immer als last op het huis. Joris Langevelt is de bakker genoemd in het historisch onderzoek van Pex en Plantenberg. En met deze aansluiting op de voorgeschiedenis van het adres thans Heereweg 191, is de vraag uit het begin van dit stukje beantwoord. Het is wel zeker, dat je op dit adres in 1623/1624 en misschien ook nog een paar jaar ervoor, het glas kon heffen in herberg ‘In den Coning van Bohemen’. Proost!

Gevelsteen Egelantiersgracht 153 Amsterdam

Heereweg 253 Openbare lagere school

Openbare Lagere School. Bouwjaar

Oude school wordt geen gemeentelijk monument.

Het college heeft besloten dat de Heereweg 251-253, de oude openbare lagere school, niet aangewezen wordt als gemeentelijk monument. Daarmee kan het gebouw onder de afgesproken voorwaarden worden overgedragen aan de huidige kopers…. Zo komt het college haar afspraken met de huidige kopers, Iet Langeveld en Wout Ruigrok, na. In de koopovereenkomst is bovendien opgenomen dat het gebouw in stand wordt gehouden overeenkomstig de status van gemeentelijk monument tot 1-1-2037. De burger zal merken dat het leegstaande gebouw weer in gebruik wordt genomen met meerwaarde voor de gemeente en het centrum.

Bron: BlikOp Nederland

 

Beschrijving

Verdwenen straatbeeld keert terug: standbeeld de bollenreiziger

Op het parkeerterrein van de Haven komt een bronzen beeld van Frans en Truus van der Veld met als titel ‘De bollenreiziger’.

Nieuwsflitsen

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 2 Lente 2018

Op 5 en 8 mei brachten vrijwilligers van de CHVOL een bezoek aan het atelier van Frans en Truus van der Veld. Frans en Truus werken aan “de Bollenreiziger” een beeld dat herinneringen oproept aan de tijd dat men op pad ging om in het buitenland de bollen aan de man te brengen. Daarvoor hebben zij zoveel mogelijk inspiratie opgedaan in het eigen familiearchief van Frans en door foto’s en afbeeldingen uit het verleden te bestuderen. De vrijwilligers kregen zo een mooi inkijkje in het proces van bedenken, ontwerpen en uitvoeren. Met behulp van koperdraad en was werken Truus en Frans net zo lang tot zij tevreden zijn, er mallen gemaakt kunnen worden zodat het beeld naar de gieterij kan. Daarna worden de onderdelen weer gepolijst en in elkaar gezet. De “bollenreiziger” zal in november 2018 zijn plek krijgen op een plek tussen de voormalige CNB en het voormalige HOBAHO-terrein. Zo blijft er, dankzij deze gedreven kunstenaars, weer een stukje geschiedenis van Lisse bewaard!

Frans en Truus in hun atelier