Berichten

De pest was ook in Lisse

De pest kwam uit het Oosten. In 1347 bereikte de epidemie de havensteden van Italië en verspreidde zich van daaruit over Europa en bracht ongekende rampspoed met zich mee. In enkele jaren stierf een kwart van de Europese bevolking.  De ziekte bleef in Europa hangen. Met wisselende tussenpozen veroorzaakte ze her en der catastrofes. Zo sloeg de pest toe in Amsterdam in 1602, 1617, 1624, 1635, 1655 en 1664. In lisse waren er 4 overledenen door de pest.

door Arie de Koning

LEZING op 18 september 2018 voor de VOL in de Vergulde Zwaan.

Als er iets is wat stadsbestuurders, de z.g. Magistraten, of Schout en Schepenen van dorpsgemeenschappen in vroeger tijden vreesden was onrust onder de bevolking, want uit die onrust konden de meest vreselijke dingen gebeuren. Een relletje van hongerende inwoners kon  met de schutterij nog wel onderdrukt worden, daarna hing je een paar leiders van de relschoppers met de grootste mond op en de rust keerde meestal dan weer vanzelf terug.

Met epidemieën lag dat iets anders.

 “Toen de wereld vijf eeuwen jonger was, had alles veel scherper contouren dan nu. Tegen rampen en gebrek was veel minder verzachting dan nu; zij waren meer geducht en kwellender. Ziekte stak sterker af bij gezondheid.”

Johan Huizinga

Met deze woorden vulde de historicus Johan Huizinga in 1919 de eerste alinea’s van zijn boek “Herfsttij der Middeleeuwen”, een studie over levens en gedachtenvormen in de 14e en 15 eeuw in de Nederlanden. Het gaat over goed tegen kwaad, rijkdom tegen armoede, licht tegenover duisternis, leven tegen de dood, God tegen Satan zo als U wilt. Huizinga is een begaafd schrijver.

Hij laat het beeld van de late Middeleeuwen en vroeg moderne tijd  aan ons voorbij gaan en wat mij het meeste schokte is de schaduwkant van het leven en het bestaan in die tijd. Die schaduwzijde komt niet alleen snoeihard binnen bij ons, de 21e Eeuwers, ook de tijdgenoten van toen leefden zelf in het besef van de onbeheersbare krachten die hun aardse bestaan dagelijks bedreigden, zoals oorlogen, brandschatting, moorden, duurte van de meest essentiele bestaansgoederen, hongersnood, overstromingen of besmettelijke ziekten, al dan niet in combinatie met elkaar. Holland was daar geen uitzondering in. Als je de oude bronnen aan het doorlezen bent en je let goed op de kleine lettertjes, val je van de ene in de andere verbazing. Zo vonden we op de aanstellingsakte uit 1558 van de vader en moeder van het Schiedamse Pesthuis een eenvoudig rijmelarijtje van een anoniem persoon die op niet mis te verstane wijze kenbaar maakt hoe de tijdgenoten  hun toekomst in zagen.

“Dier tyden, pestelencie ende oorloch groot , breyngt meenich man in grooten noot”, een ander persoon, ander handschrift, had hier aan toegevoegd; ”Ende hangt ons over ’t hooft “. Wat kan een mens onder zulke leefomstandigheden anders dan wanhopig zijn. Tien jaar later, in 1568, brak bovendien de opstand uit tegen de landvorst, de koning van Spanje, die gedurende 80 jaar veel rampspoed over de Nederlanden zou brengen.

Een anonieme  priester schreef in hele kleine lettertjes in een Leids Kerkboek;  “Ach waar sullen wy blyven, wie sal  den Pest verdrijven”. De priester twijfelde wellicht aan bijstand van boven.

Van alle besmettelijke ziekten die de mensheid teisterde,heeft vooral de Pest op de tijdgenoten en de latere geslachten een onuitwisbare indruk achter gelaten, zo veel zelfs dat onze taal vandaag de dag nog doorspekt is met het woord Pest. Niet één besmettelijke ziekte of andere ramp is op zoveel verschillende manieren in ons taalgebruik aanwezig. De werkwoorden pesten of verpesten, zelfstandige naamwoorden; pestbui, pestkop of zegwijzen; stinken als de pest en mijden als de pest. Vul zelf maar aan.

Waarom heeft uitgerekend de pest zo’n negatieve bijklank gekregen en behouden? Het antwoord op deze vraag denk ik te vinden in de geschiedenis van de ziekte  en de directe maatschappelijke en persoonlijke gevolgen. De achterliggende gedachte is dat de pest zowel het individu als de samenleving  stevig moet hebben beroerd.

Epidemieën kwamen, maakten een hoeveelheid slachtoffers en leken dan weer in te slapen en verdwenen een tijdje uit beeld. De artsen van die tijd, en we spreken nu van  de 14e t/m 17e eeuw, wisten helemaal niets van bacillen, die ontdekkingen zouden pas veel later gedaan worden. De totale onbekendheid met de oorzaken en de aard van de verschillende ziekten van de toenmalige heren doktoren is te lezen in de enorme hoeveelheid literatuur waarin de ene na de andere arts zijn visie geeft op de aard van de verschillende aandoeningen, de ene arts absolute onzin neerschrijvend en de andere bedachtzaam nadenkend waarbij hij soms akelig dicht in de buurt van de oplossing kwam, maar daar zelf geen benul van had.

Het volkomen ontbreken van enig hygiënisch benul zorgde er voor dat Holland op regelmatige tijden werd bezocht door een scala aan ziekten, de een nog besmettelijker dan de andere, Cholera, Pokken, Tering, Lepra, T.B.C., Rotkoorts ook wel Typhus genoemd, Roodvonk, Rode Loop en ten slotte de meest gevreesde  de Haastige Ziekte, ofwel Zwarte Dood, de Pest.

Overig is de benaming Zwarte dood een naam die pas een paar eeuwen later, door een waarschijnlijke vertaalfout is ontstaan. Er werd in de Middeleeuwen helemaal niet gesproken over de Zwarte dood en de artsen uit die tijd noemden het pestis of pestilentia  het volk noemde de ziekte de slaande Hand Gods, of de gave Gods   en hoewel de zieken zwarte puisten kregen werd er niet gesproken of geschreven Zwarte dood. Waarschijnlijk is een wat al te literaire vertaling van het Latijnse pestis atra of atra mors daaraan schuldig. Atra kan zowel met verschrikkelijk als met zwart worden vertaald, dus atra mors werd Zwarte Dood terwijl Verschrikkelijke Dood werd bedoeld. Het blijft lastig dat Latijn.

De ziekte Pest is ongetwijfeld de grootste massamoordenaar ooit. Hij verscheen voor het eerst in West-Europa in 1349, althans dat vermoeden we, dat het de eerste keer was, en duurde tot 1353. Dit eerste bezoek ontvolkte West-Europa bijkans en de schattingen van het aantal slachtoffers beloopt tussen de 75 en 100 miljoen. Het duurde tot het jaar 1600 voor het bevolkingspeil van begin 14e eeuw weer was bereikt, 250 jaar, terwijl de Pest  ondertussen steeds maar weer nieuwe aanvallen deed op de mensheid.

Ook Holland heeft een enorme bevolkingsdaling gehad in de jare 1349-1353, de Ierse historica Maria Kelly berekende dit op basis van de rekeningboeken der Hollandse graven, dat één derde van de Hollandse bevolking stierf. Dit blijkt uit de enorme inkomstendaling  van de graven in 1349 en daarna, die alleen logisch verklaard kan worden door een bevolkingsdaling als gevolg van de pest. Kelly vermelde dit in haar in 2003 uitgegeven boek “The Great Dying” wat handelt over de Pestuitbraken in Dublin in de 14e en 15e eeuw.

Van deze epidemie weten we zeker dat het de Pest was, van vroegere epidemieën staat niet vast of het daadwerkelijk de Pest was. Zoals in de 2e en 3e eeuw in Rome, toen een kwart van de bevolking in Rome omkwam en mede de oorzaak was van het verval van het West Europees Romeinse Rijk. Of neem de Bijbel, het alternatieve geschiedenisboek bij uitstek en tel het aantal pestilentiën die genoemt worden.

De 17e eeuwse vooraanstaande Geneesheer en Heelmeester Paulus Barbette te Amsterdam omschreef de Pest als het ware in dichtvorm:

“De Pest is een onbegrijpelijke ziekte, schijnende te koomen uyt een geestige en besmettelijke damp, die de vastigheyt des bloets schielyck los kan maacken, om het herte van syn kragte en leeven te berooven” (dr. Paulus Barbette 1658)

Dat dokter Barbette geen idee had hoe  de Pest te bestrijden moge duidelijk zijn, al zat hij met zijn geestige en besmettelijke damp wel in de buurt van een mogelijke oorzaak tot een Pest epidemie.

Ook in Lisse moet eeuwenlang tussen de huizen de kwalijke dampen hebben gehangen van menselijke en dierlijke stront, rottend vuil, rotend vlas, slachtafval en de ontbindende karkassen van huisdieren en klein vee en dan hebben we het nog niet eens gehad over de geuren die de gemiddelde chronisch ongewassen inwoner van Lisse rond om zich verspreidde. Afhankelijk van de windrichting zal de geur van vers gebakken brood  ’s morgens vroeg het leed nog enigszins verzacht kunnen hebben.

Hierin zal Lisse niet zo veel hebben afgeweken van andere plaatsen en in de steden als Haarlem en Amsterdam zal de situatie waarschijnlijk nog vele malen erger zijn geweest. Een stad als Leiden, waar de bevolking van Lisse zich veel ophield om daar dingen te kopen die in Lisse niet verkrijgbaar waren, of de jonge gezellen uit Lisse die het Gildenvak leerden van hun meesters, die stad Leiden stak met kop en schouders boven de andere steden uit als het Pest epidemieën betrof en als er geen Pest heerste was er wel een andere dodelijke epidemie aan het woeden in Leiden. Leiden was na Amsterdam de tweede grootste stad in het gewest Holland, waar wij ons vanavond grotendeels mee bezig zullen houden. Bedenk hierbij dat het totale aantal inwoners in 1622 van het hele gewest Holland en West Friesland slechts 672.000 mensen bedroeg en Leiden herbergde er al zo’n 55.000, nog geen 10%. Dank zij brieven uit die tijd die bewaard zijn gebleven, weten we wanneer en waar er wat aan de hand was. Bij voorbeeld vond in de jaren 1669-1670 in Leiden een grote epidemie plaats die tienduizenden slachtoffers eiste. Een tijdgenoot, dr. A. van der Goes, beschreef in een brief aan een collega de ziekte als “coortsen, ontstaan door het brack stinckent  water ende het bier daaruit gebrouwen”. Heel uitdrukkelijk stelde dokter van der Goes  echter dat dit geen Pest was. Men was dus in staat de Pest te onderscheiden van andere ziekten, maar in een te laat stadium.

De pest in Lisse

U begrijpt het al, het thema van vanavond is de ziekte die bij ons weten de meeste slachtoffers heeft gemaakt in de geschiedenis van de mens: “De Pest” en met name de vraag of de Pest ook slachtoffers in Lisse heeft gemaakt. Deze vraag kan ik bevestigend beantwoorden. Er sijn in totaal vier slachtoffers gevonden in de archieven van Lisse . De eerste betrof een akte waarin ene Dirck Thonis Vranckenssoon alias van der Burgh, geboren te  Lisse, ziek te bedde leggende van de Pest, bezweek in augustus 1603. Het slachtoffer woonde nog maar kort in Lisse en was afkomstig van Heemstede. Met zijn vrouw Maritge Lenaertsdr van Tetrode en drie kinderen streek hij neer in Lisse in 1597 niet wetende wat zijn lot zou zijn.

Voor dat hij bezweek had hij honderd gulden vermaakt aan de Heilige Geest Armen van Lisse en zijn vrouw loste nu  deze schuld in. Door een uitstekende boekhouding van de Heilige Geestmeesters is dat dus weer terug gevonden en hebben wij een antwoord op onze vraag. Er zijn nog duizenden stukken Lisser archief door te nemen, misschien krijgen we dan nog beter zicht op de gevolgen van de Pest in Lisse.

Het is voor ons onderzoekers zeker van belang te weten dat de Pest ook heerste in Oud-Lisse. Dat verklaard de vaak merkwaardige overlijdens waarbij een groot gedeelte van een gezin ineens van het toneel verdwijnt.

Aangezien er over de Pest, in het Gemeente Archief van Lisse zelf hierover maar mondjesmaat iets te vinden is ben ik gaan buurten in het Leids Archief dat vrij benaderbaar is via Internet. De keuze op Leiden  ligt voor de hand omdat die stad percentsgewijs gezien het zwaarst heeft geleden onder  de mokerslagen van de Ziekte die maar liefst 34 keer de stad heeft bezocht waarbij gezegd dat Haarlem “slechts 17” keer werd getroffen. Een kind dat geboren werd in Leiden tussen 1615 en 1668 en ouder werd dan twaalf jaar had tenminste één keer in zijn leven direct of indirect met de Pest te maken gehad. Niet alleen de stad zelf maar ook de dorpen in de Leidse Regio  moeten getroffen zijn door de ziekte. Elk dorp in Holland lag minder dan 25 kilometer van één of meerdere steden en had meestal goede verbindingen via marktschepen, trekvaarten etc. Neem alleen de dagelijkse postkoetsen uit Leiden en uit Haarlem die in Lisse op het Vierkant rond Noen  hun wisselpunt hadden en niet te vergeten de diverse karrendiensten vanuit  en naar Leiden.

Leiden was een stad met een enorm probleem. Het was een soort pakhuis van mensen geworden, door de enorme toeloop van bijvoorbeeld 1577, van Vlamingen die hun land ontvluchtten door de verschrikkingen van de oorlog en neerstreken in Leiden. Zij zorgden met nieuwe technieken, de zogenaamde, Saai-weeftechniek, voor een bloeiende lakenindustrie. Maar er kwam nauwelijks uitbreiding van de stad met meer wooneenheden. Alle plekjes in Leiden waren bezet door arme dakloze inwoners en bij een epidemie crepeerden en stierven zij het eerste, voor een ieder zichtbaar geveld door de Pest lag zo’n slachtoffer voor je deur waardoor de doodsangsten van de overige inwoners voor totale chaos zorgde. Het stedelijke Pesthuis was overvol met stervende mensen. De Pest zorgde voor angst, ontreddering, radeloosheid en onzekerheid en daarbij komt het  verdriet over omgekomen familieleden of geliefden. In 1636 tijdens een grote Pest uitbraak, waren de inwoners van Leiden zo bedrukt dat zij elkaar vaarwel wensten ’s avonds voor het slapen gaan. Vele geschiedschrijvers menen dat er geen sprake was van enige paniek  en angst onder de bevolking omdat die niet anders gewend waren. Ik waag dat te betwijfelen, onze voorouders  hadden ook hun emoties.

Een scherpzinnig waarnemer in Leiden merkte in 1642 op: “So wy onse stadt niet en vergrooten, so hebbe wy weder een nieuwe Peste te vreesen, dat de stadt seer van volck sal ontblootten, doordien dat de luyden so nau op malckanderen woonen”. In 1574 had Leiden 12.500 inwoners in 1640 65.000 terwijl de omvang van de stad nauwelijks groter was geworden.

De Leidse kerken mochten zich verheugen in extreem hoog bezoek van de gelovigen en de Pest -Heilige, St. Rochus, werd vierentwintig uur per dag aangeroepen. Het Vaticaan vond deze verering te ver gaan en gelaste dat men voortaan uitsluitend via voorspraak van de Heilige Maagd kon vragen gespaard te blijven. Dit massale kerkbezoek was natuurlijk koren op de molen van de Pest. Hoe meer mensen bijeen des te groter is de kans op een besmetting.

Heel bijzonder was dan ook de vondst  van de Leidse  stadsarcheologen  op de Garenmarkt  in juli 2017.Een bruinrood terracotta heiligenbeeldje, heel zeldzaam in deze gebieden. Hoewel het beeldje geen hoofd meer had was het duidelijk herkenbaar aan de attributen die het beeldje meedroeg, dit was Sint Rochus de Pestheilige. Op het parkeerterrein van de Garenmarkt hoek Raamsteeg, was in vroeger jaren textielfabriek Lepoole gevestigd, maar dieper gravend vonden de archeologen  de resten van huizen en hun beerputten uit de 15e en 16e eeuw  en in één van die beerputten werd het beeldje gevonden. Onze afdeling kleien, kliederen en plakken heeft nog pogingen gedaan de goede Heilige te restaureren, want een Heilige zonder hoofd is eigenlijk geen gezicht !!!

Volgens de archeologen die de beerputten doorzochten stonken ze nu nog steeds als 600 jaar geleden.

Bedenk dat Hollanders bekend stonden als een proper volkje. In verschillende reisbeschrijvingen  uit vroeger eeuwen door buitenlandse reizigers, werd er op gewezen, hoe zindelijk we wel waren. Wat wij niet weten is, hoe de bezoekers die dit indertijd noteerden in de reisverslagen, het thuis gewend waren.

Deze schrijvende buitenlandse reizigers waren over het algemeen niet onbemiddeld, dus de vraag rijst of zij in Holland wel in de armere buurten, de volkswijken,volksherbergen en logementen zijn geweest. Misschien gingen zij teveel op de buitenkant van de huizen af. Zij zagen de meiden stoepen schrobben en ramen zemen, maar zou het binnen wel hygiënisch aan onze maatstaven hebben voldaan? We lezen in een van de reisverslagen  een beschrijving dat de kookplaats, en een regenton en ook het privaat gelegen waren in een Pothuis van drie meter lengte, één meter breedte  en vijftig tot negentig centimeter hoogte.

Het is al veel vaker geconstateerd;  Nederlanders zijn schoner op hun huis  dan op hun lijf.

Het moet niet moeilijk zijn voor een eenentwintigste eeuwer zoals wij een onthutsend beeld te schetsen van de ontzettende vervuiling langs straaten, in de waterlopen en in de huizen. Er is alle reden om niet aan te nemen, na het lezen van de literatuur hierover, dat het in de loop van de zestiende en zeventiende eeuw op het gebied van hygiëne beter  zou zijn geworden. Bedenk dat de zogenaamde Gouden Eeuw op hetzelfde moment ook bezig was.

Na het vertrek van de Romeinen uit West-Europa was het gedaan met riolering en WC. De Romeinen vonden dat essentiele voorzieningen voor het bestaan. Hier, in Barbarenland keerde men terug naar de traditionele manier; buiten op straat en het duurde tot in de late Middeleeuwen voor deze bezigheden veranderden.

Zelfs eerzame burgers deden hun behoefte op straat of thuis op de po. De inhoud daarvan werd  zonder erbarmen naar buiten gegooid. Het was zaak ’s ochtends vroeg niet te dicht langs de huizen te lopen want dan werden de po’s geleegd. Uiteindelijk belandde alles op straat vanwaar het de grachten sloten en beken inliep. De Leidse wol – blekerijen bijvoorbeeld leden erg door het vieze water. In Delft werd de situatie ronduit  precair omdat de bierbrouwerijen aangewezen waren op het water uit de gracht. Rond 1465 kwamen er in vele steden bepalingen dat ieder huis een beerput diende te hebben. Deze putten werden een aantal malen per jaar geleegd. In Leiden ordonneerde het stadsbestuur  dat ieder huis, ja zelfs iedere verhuurde kamer een  stille of pishuis moest hebben.  De inhoud daarvan mocht in geen enkel water worden geloosd. Wat men er dan mee moest doen was niet duidelijk met als gevolg dat de smalle niet verharde straatjes van Leiden veranderden in vieze modderpoelen. Dieren deden daarin hun behoefte en mensen ook, slachtafval  werd er neergegooid en pishuizen loosden erop. In Leiden zijn ‘trippen’ opgegraven, schoenen met houten zolen, waaronder houten klossen zaten van 10-15 cm hoog. Hiermee probeerde je door de viezigheid te waden zonder je schoenen of broek te bevuilen.

Het Leidse stadsbestuur vond het maar niets dat zij op 10-08-1557 op bevel van de Spaanse bevelhebber, Holland maakte nog deel uit van het Spaanse Rijk, vijftig Franse krijgsgevangenen moest opnemen die gevangen waren genomen bij de slag bij St. Quintin die de Spanjaarden glorieus gewonnen had. De wapenbroeders hadden dan wel geen Pest maar wel “troemelesoen”, een dysenterie ziekte  en bovendien voorzichtigheid was geboden. Er werden er eerst maar zestien toegelaten, de minst erg zieke en drie weken later kreeg de rest toegang tot de stad. Ondanks deze voorzichtigheid van het stadsbestuur kreeg Leiden nog vele Pestuitbraken te verduren. In totaal kreeg de stad 34 keer een grote officieel erkende Pestuitbraak te verduren en in totaal in het gewest Holland  is tussen 1450 en 1668 107 keer Pest geconstateerd. Hierbij zijn niet de ziekten die wel leken op Pestsymtomen maar niet officieel als zodanig geregistreerd staan gerekend. Gezien de frequentie van bezoek aan Leiden door inwoners van Lisse, zowel beroepsmatig, als zuiver particulier, heeft het zeker wel geleid tot besmetting van inwoners van Lisse. Hoeveel Lisser slachtoffers er zijn geweest hopen we ooit nog een keer boven te krijgen. Dit staat hoog op ons verlanglijstje.

Wat is Pest eigenlijk.

Alexandre Yersin ontdekker van de Pestbacil in 1894

Hoewel nog niet alle problemen rond Pest zijn opgelost kunnen we zeggen dat onze kennis over de ziekte in al zijn aspecten snel is toegenomen.

Het begon in 1894 toen de Franse onderzoeker Alexandre Yersin de Pestbacil ontdekte. Zijn naam werd gelijk aan het organisme gehecht: “Yersina pestis”. Deze bacil veroorzaakt een uiterst besmettelijk infectieziekte waarvan twee hoofdvormen te onderscheiden zijn. De Longpest en de Builenpest.

Verder zijn er legio varianten. Longpest is bijzonder besmettelijk en overdraagbaar van mens tot mens via besmette druppeltjes speeksel die vrij komen uit de longen bij spreken, kuchen en niezen.

De druppeltjes worden gelanceerd over een afstand van twee meter in geval van spreken en drie à vier meter bij kuchen en niezen. Bij een koud en vochtig klimaat blijft de bacil gedurende lange tijd uiterst besmettelijk. De incubatietijd van Longpest is heel kort, één tot drie dagen. De zieke krijgt het zwaar te verduren. Hoewel de temperatuur maar iets stijgt bereikt de polsslag met gemak 120 slagen. Er treden ademhalingsproblemen op en samentrekkingen met pijn in de zij gepaard met neurologische moeilijkheden welk grote angsten veroorzaakt waarna de zieke in coma raakt. Binnen twee à drie dagen is de patient overleden. Longpest is in nagenoeg 100% van de gevallen fataal.

De tweede vorm van Pest, de Builenpest, daarvan is de incubatietijd  één tot zes dagen. Het gaat allemaal heel erg snel.

De rattenvlo

Besmet raakt men door een vlooienbeet op een van de benen. Op de plaats van de beet vormt zich een puistje, dat snel uitgroeit tot een zwarte zweer, een karbonkel genaamd. Op de tweede of derde dag ontstaat een vergroting van de Lymfklieren meestal in de lies. Deze worden hard, groot en zeer pijnlijk en neigen tot etteren. Deze gezwollen klieren worden bubonen genoemd. Na acht tot tien dagen is het mogelijk  dat de pest verdwijnt, ongeveer 20 tot 40% heeft kans te overleven. Als dit niet gebeurt treedt er een stadium op van acute bloedvergiftiging waarbij de temperatuur stijgt  naar 42º en dan zal spoedig de dood intreden. Er bestaan aanwijzingen dat de Pestepidemieën meestal Bubonisch van aard waren in de zestiende en zeventiende eeuw. Builenpest dus. Van de jaren daarvoor is geen literatuur aanwezig.

Waar komen deze dodelijke bacillen vandaan en waarom worden ze actief   is moeilijk te verklaren.

 

 

de bruine rat

Men veronderstelt dat ze uit de grond komen waar ze door uitwerpselen van vlooien terecht zouden zijn gekomen. Op een gegeven moment worden ze door de aanwezigheid van knaagdieren met hun vlooien weer actief. Dit uit zich meestal door een massale sterfte onder de zwarte ratten. Een belangrijke kwestie om de snelle verspreiding van de ziekte te kunnen begrijpen is het probleem van de overdracht van de bacil van het ene naar het andere organisme.

De Pestbacil parasiteert op knaagdieren  die als infectiehaard voor andere dieren en mensen kunnen optreden. Daarvoor is wel een drager nodig. De overdracht van de besmetting komt tot stand door de vlo. De zwarte rat en de rattevlo (Xenopsylla Cheopis) hebben wat dit betreft een kwalijke reputatie, een soort van Bonnie and Clyde, maar ook luizen en mensenvlooien (Pulex Irritans) gaan hier niet vrijuit. De bewuste rattevlo heeft een temperatuur nodig van 15 tot 20º en een luchtvochtigheid van 90 tot 95%, zoals van kleding op een lichaam. Zij legt haar eitjes in stof en kieren van vloeren, deze komen direct uit bij regenval . Een geval in Leiden spreekt hierbij boekdelen. Een dame uit Leiden liet haar alvorens zij weer ging wonen in haar Leidse woning, het gehele huis door een groot aantal schoonmaaksters schoonmaken met water nadat eerst alles goed was gebezemd. Wat er bijeen geveegd was werd buiten op een hoop geveegd waarna de kippen er in zochten naar voedsel. Drie dagen later waren 9 kippen gestorven en nog eens een aantal dagen later was de hele bevolking van het kippenhok 18 stuks, overleden.

De klassieke  theorie over de wijze van besmetting is de volgende:

De rattevlo die zich voed met het bloed van haar gastheer, de zwarte rat, wordt besmet  door pestbacillen. De opgenomen bacillen  blokkeren een ventielachtig orgaan naar de maag van de vlo. (de Proventriculus)

De vlo is dan geblokkeerd. Het bloed dat door deze blokkade de maag van de vlo niet kan bereiken, wordt teruggepompt  naar de rat die zo besmet wordt en dood gaat. De vlo ondertussen die nog steeds geblokkeerd is, is nu ondertussen uitgehongerd en heeft geen voorkeur meer en zal ieder  dier of mens die binnen haar bereik komt  aanvallen en besmetten in haar poging tot eten.

Zo, nu weten we wat de veroorzaker is , nu gaan we bekijken wat de pest heeft aangericht.

En denk nou niet, ach die zien we nooit weer, de Pest blijkt nog springlevend te zijn heden ten dage.

Zo zijn er in India van 1898 tot 1948 12.600.000 sterfgevallen door Pest geweest.

In 1983 wereldwijd  715 sterfgevallen

Tijdens de Vietnam oorlog  zijn 2756 Pestgevallen geconstateerd waarvan 163 doden zijn gevallen.

Anno nu:  Pest op grote schaal met honderden slachtoffers in Madagaskar.

Dankbaar gebruik makend van de archieven  vinden we dat er in 1635 een grote Pestuitbraak was in Leiden die zijn weerga niet heeft gehad. Leiden zat, zoals reeds gezegt mudvol met mensen toen de ziekte arriveerde. Ook dorpen als Oegstgeest en Zoeterwoude worden getroffen en enige honderden mensen sterven daar aan de ziekte  Op een totaal aantal inwoners van 64.000 mensen waren één op de acht inwoners van Leiden binnen drie maanden dood. Achtduizend mensen, de epidemie van 1635 heeft 11.000 slachtoffers gekost. De epidemie van 1655 heeft aan 15.000 mensen het leven gekost.  In augustus 1655 werden in plaats van 123 doden het jaar ervoor,  maar liefst 2638 mensen begraven en in september zelfs 3256. De grafmakers, aansprekers  en uitvaart personeel werkten continue. Leiden had al  zeer vele Pestepidemieën over zich heen gekregen maar wennen kon het niet. De angst voor besmetting en het hartverscheurende verdriet over de doden hield  Leiden in zijn greep. Mensen pleegden zelfmoord door in de gracht te springen waar zij verdronken. In 1624 tijdens een Pestuitbraak sprongen op het kerkhof grote groepen jongelingen  gek van angst, in de open graven en beletten de grafmakers en hun knechten hun arbeid te verrichtten.

In Leiden was er een gebod om in voorkomende gevallen van Pest in huis op de voordeur een P te schilderen als waarschuwing, men mocht ook een bos stro aan de deurklink hangen.

In 1569 verbood het stadsbestuur de Leidse strohandelaren  bossen stro op te hangen als reclame in verband met de angsten die dit opriep bij de bevolking.

De weinige mensen die de Pest overleefd hadden  moesten een witte stok dragen  zodat een ieder kon zien dat jij besmet bent geweest. Ieder kon dan zelf bepalen of hij of zij het veilig genoeg achtte  met je om te gaan. Ik denk dat een witte stok drager  nergens bij een marktkraam hoefde te wachten en in de kerk zullen de stoelen om hem/haar heen opvallend leeg gebleven zijn.

Vaak werd men van de armen begraven

In  dit soort hectiek kwam het voor dat mensen levend begraven werd. In Delft is een voorval opgetekend waarbij één van de uitvaartverzorgers  meende iets te horen in een kist en terwijl hij gehaast de kist probeerde open te krijgen sloeg met een grote klap het voorschot van de kist in splinters, weggetrapt door de bewoner van die kist  die eerst luid en duidelijk een enorme hap lucht inhaleerde en vervolgens de Pesthuis vader en moeder begon te vervloeken en dat ze beter moesten kijken of je echt dood was. Het  Stadsbestuur ordonneerde daarna dat een lijk pas na drie dagen begraven mocht worden. De timmerlieden werkten keihard om aan de vraag naar kisten te kunnen voldoen en er werd zelfs al hier en daar tweede hands doodskisten verhandeld.

In de kerk van Delft stonk het zo verschrikkelijk naar de dood, veroorzaakt door de begravenen in de kerk dat de Predikant aan de koster opdracht gaf om bij de apotheker wierrook en jeneverbes te halen om te verbranden in de kerk tegen de stank. De nota van de apotheker hiervoor is keurig opgetekend in het kasboek van de Kerk vandaar dat wij dit nu ook weten.

Was een uitvaart in normale dagen meestal een zuipvaart, daar was nu geen tijd meer voor.

Nou was een begrafenis in die dagen  ook niet van risico ontbloot. Men was gewoon hierbij lange zwarte mantels te dragen die veelal gehuurd werden bij de kleermaker. Men stond niet stil bij het feit dat de mantels ook door besmette mensen gedragen zouden kunnen zijn en de rattevlo voelde zich uitstekend thuis in zo’n mantel. Tijdens het hoogtepunt van de epidemie ordonneerde het Gemeente Bestuur van Leiden dat vrouwen niet meer aanwezig mochten zijn bij een begrafenis, dit zou te maken hebben met het feit dat dezen vaak nog uren na bleven praten (Labbekakken) en er mocht niet meer gegeten en gedronken worden op de kerkhoven. Dit alles om besmetting tegen te gaan en uiteraard dronkemansschap.

Het Leidse Gemeentearchief  bevat een opgave van legaten etc waar een aardige anekdote uit te halen is.

Drukte in een Stedelijk Pesthuis

Aan het begin van een epidemie  waarschuwden de notarissen de mensen dat zij niet het risico wilden lopen om bij iemand die besmet was, testament op te maken, ook niet meer door een open raam, doe het dan voor dat je laatste uur geslagen heeft. Dat aan deze oproep gehoor is gegeven is duidelijk als je in de Notariele Archieven bladert  en daarna de stichtingsdata bekijkt van de vele Hofjes in Leiden, neem bijvoorbeeld het Persijnshofje: testament opgemaakt in 1655, een pestjaar, en hofje gebouwd in 1666, of het Pieter Loridanshofje, 1655 testament gemaakt, een Pestjaar, in 1656 gebouwd. Deze rijke personen dachten zich hiermee een plekje in de hemel te kunnen kopen.

Was Lepra de ziekte waarmee God het individu strafte  werd de Pest gezien als goddelijke straf voor de zondigheid van een hele gemeenschap. Het moet een onbegrijpelijke wrede straf zijn geweest.

In Amsterdam  moest men soms op één dag meer dan hondert doden begraven  tijdens de grote epidemie van 1664-1665 toen de Pest in Amsterdam vijfentwintig duizend doden maakte. Vijftien procent van de bevolking  van de stad was kansloos tegen de ziekte die overigens niet in alle lagen van de bevolking even hard toesloeg maar manifesteerde zich het meest in de dichtbevolkte en vervuilde wijken waar de armen woonden. Verscheidene straten waren geheel uitgestorven. Er hing een niet definieerde geur in de lucht.

Ook gevonden in diezelfde Leidse Archieven een Armen gebed  uit het duurte en schaarstejaar 1530 en opgetekend door een anoniem persoon.

“Och lieve Heere, en gaat ons niet voorbij mit U gave der heete siecte. Want wij liever sterven dan langer leeven”

In de jaren dat er geen Pest heerste hield men de situatie scherp in het oog dat men geen voortekenen van een naderende epidemie zag. De Pest beheerste eigenlijk ieders leven en wie kans zag te ontvluchten aan de ziekte nam de wijk en verliet de stad, zoals de rijken die voor dat doel buitenhuizen had laten bouwen op het platteland. Met name het gedrag van vogels werd scherp in de gaten gehouden en zo kwam het dat in Amsterdam een merkwaardige vogel werd waargenomen, die men vandaag de dag in Lisse ook nog wel eens tegenkomt,  die iedere avond  landde op het kruis van de Westerkerk, daar de nacht doorbracht en de andere morgen weer uitvloog. Het gaf een boel onrust, zo’n rare vogel en voorspellers en predikers zeiden dat dit een goddelijke voorbode was van een naderende Pestepidemie. De onrust werd zo groot dat de overheid besloot het dier van de toren af te schieten en zo loste dat probleem zich geruisloos op.  Het bleek om een vale gier te gaan die je met recht een dwaalgast mocht noemen. De vogel had zijn laatste bocht wel erg ruim ingezet en zo in Mokum verzeilt geraakt. Ook vinden we in de literatuur meldingen van vreemde hemellichamen. Zo werd er in 1566 opgetekend dat er aan de oostelijke hemel een komeet verscheen met een staart van zo’n achttien Duitsche mijlen, ongeveer 27 kilometer, een forse dus, en ook op 29 april 1664 om acht uur ’s avonds  verscheen er een vurige kloot of gloeiende kogel aan de hemel en scheurden de bomen, een jaar later was de Pest dominant aanwezig in Holland en maakte tienduizenden slachtoffers. Niet verwonderlijk dat mensen heilig geloofden in deze voortekenen en allerlei kwakzalvers  probeerden zalfjes of poedertjes met kalkschraapsel van de Kerk aan de man te brengen als medicijn. In Leiden meldde zich in 1635 ene doctor van Dam uit Utrecht die een elixer, het zogenaamde Pestwater aanbood als medicijn tegen de Pest. In een niet gedateerd document geeft deze dr. Van Dam een instructie hoe en wanneer zijn pestwater moest worden gebruikt. De stadsautoriteiten gaven vervolgens een commissie van professoren en doktoren de opdracht het middel op bruikbaarheid te onderzoeken. Op 5 oktober 1635 bracht de commissie een vernietigend rapport uit. Van Dam had zijn middel aangeprezen als een middel dat zowel preventief als curatief zou helpen maar de commissie stelde in nette bewoordingen vast dat een dergelijke bewering lariekoek was en stelde ook vast dat het water van nul en generlei waarde was omdat, naar hun mening het niet anders was dan gedistilleerd water van wijnruijt ofte diergelycke kruijden getrokken.

Doctor van Dam aanvaarde diezelfde dag nog de terugreis naar Utrecht.

Bovenstaande is hét bewijs dat de Magistraten van getroffen plaatsen zeker niet in paniek raakten zoals nog wel eens gedacht werd.

Opvallend is het gemis van het woord Pest of de Ziekte in de notulen van de vergaderingen van Burgemeesteren en Regeerders van de stad Leiden. Alle andere zaken gingen gewoon door maar over de Pest werd niet genotuleerd, ze waren met heel andere zaken bezig. Het moet hen toch ongetwijfeld zijn opgevallen dat de sterfte onder de Leidenaren fors was toegenomen. Pas op 5 november 1635, als de sterfgevallen al weer aan het afnemen zijn, lezen we in de notulen dat op last van de Schout, Burgemeesteren en Schepenen pektonnen zullen worden gebrand in de straten ivm de Pest. Dit diende om de lucht zuiver te maken, dit op advies van de stads artsen. Dezelfde artsen doende naar het zoeken voor een remedie! Er werd een aanbeveling gedaan om de boetepredicatiën  en – gebeden bij te wonen in de Kerken om God te vragen de Pest weg te nemen, maar ook God bleek zich bezig te houden met andere zaken.

Ook werd bevolen de spullen en huizen van overledenen  (van 11.000 doden) de eerste vier weken niet te gaan bewonen en spullen te verkopen. Eigenlijk waren deze maatregelen mosterd na de maaltijd. Was het gebrek aan daadkracht,was het paniek? Ik zelf denk dat de Leidse Vroedschap dacht: ”als je geschoren wordt moet je stil zitten”. Er losten zich zo een groot aantal, financieel onaantrekkelijke, problemen voor de stad  op. Van deze tactiek hadden de Leidse bestuurders zich al eerder bediend namelijk in het Pestjaar 1603. Men was ook toen zeer terughoudend met het doen uitgaan van Ordonnanties bang als men was de handel te verstoren en met name van de Laken weverij die een enorme inkomstenbron was voor de stad. Pas op 4 september 1603, toen de epidemie al weer bijna voorbij was, werd er in Leiden vanaf het stadhuis voorgelezen  de ordonnanties  ende gebod nopende de Hete Ziekte  of de Pest. We vonden deze complete ordonnanties in boekvorm in de Bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam en het zijn eigenlijk lachwekkende orders als de aanleiding niet zo triest zou zijn geweest:

Stads Secretaris Jan van Hout van Leiden beveelt op 4 september 1603:

“Omme voor zo veel mogelicken is, ordre ende geregeltheyt te stellen dat de heete sieckte  der pesten, daer mede de Heer almachtich eenige huiyzen alhier heeft begaeft, ende versogt ten weynichsten mach voortspruyte , ende de besmettinge van ander personen verhindert hebben die van die Geregte   deser Stadt Leyden  geboden ende geordonneert. gebieden ende ordonneren mitsdesen  tgene hier naar volcht.”

1).Het begint met de doodskisten, die mogen alleen zo licht mogelijk zijn en gemaakt van vurenhout,  de hoogte mag niet meer zijn dan 15 gemeene duymen, zo’n  38 cm van buiten gemeten. Bij niet nakomen van deze bevelen staat een geldboete van  zes gulden.

2). De overledenen mogen op werkdagen pas na twee uur ’s middags en op zondag na drie uur worden begraven. De begrafenis zelf mag niet langer duren dan een half uur. Het luiden van klokken is alleen toegestaan voor de kleine klokken. Hierop stond een boete van twaalf gulden.

3).Het versieren van kisten van jonge mensen kwam ook weer voor in deze ordonnantie. Alleen een gitzwart doodskleed was toegestaan onder een boete van 24 guldens. De adel en regenten waren hiervan vrijgesteld  en mochten wel de kist versieren met bv het familiewapen of iets dergelijk.

Dit zette natuurlijk kwaad bloed bij de burgerij. Blijkbaar kwam het voor dat boze burgers deze versiering er van af trokken want er stonden zware straffen in het verschiet  voor de gene die dat zou doen.

4). Vrouwspersonen waren uitgesloten om bij een begrafenis aanwezig te zijn. Het kostte 25 guldens bij overtreding.

5).Begrafenisstoet moest de aller kortste weg naar ’t kerkhof nemen wat weleens meebracht dat dwars over een markt men een begrafenisstoet zag schuifelen.

6). Dan de diepte van de graven. Dit kwam eigenlijk bij iedere ordonnatie voor, dus dat betekende dat de grafmakers onnauwkeurig werkten, en zich nog niet gebeterd hadden. In Leiden werd tot drie kisten hoog begraven en de bovenste kist moest minstens met 18 duimen = 45 cm  grond bedekt worden en vast worden ingestampt.

7). Bedelaars werd harder aangepakt na een periode van gedogen in een poging ze de stad uit te krijgen.

8). Men mocht volstrekt geen pest zieken verplaatsen van de ene naar de andere buurt. Men kon de zieke naar het pesthuis brengen buiten de stad.

9). Huizen van overledenen moesten zes weken gesloten blijven

10). Deze laatste is een merkwaardige. Een verbod om drukinkt te koken of branden ten behoeve van  drukken. Dit scheen een verschrikkelijk stank te veroorzaken die op de lijst stond van verdachten voor de oorzaak van de Pest. Om de drukkers en printers niet brodeloos te maken werd toestemming gegeven om dit branden of koken te doen “opten tee van ‘t punct van ‘t bollewerc aan den blaeuwen toorn, mitsgaders inden Zuijdtoost houck van deser brede chingele om de vryheit in de waart, maar niet elders”.            In de andere grotere steden in de Republiek hadden de Burgemeesteren en Regeerders dezelfde problemen. Rondom Nijmegen werd een omvangrijk leger in stelling gebracht in juni 1635 om de vesting Schenkenschans  te heroveren op de Spanjaarden. Een maand later in juli 1635 brak de pest uit onder de soldaten. Van Nijmegen, uit die periode zijn geen sterftecijfers  voorhanden. De historicus Welters heeft echter van de Nijmeegse Sint Stevenskerk  het klokluigeld in kaart gebracht als zijnde de grootste kerk van Nijmegen en al is dit niet indicatief voor de omvang van de sterfte  geeft het aantal begrafenissen per maand  waarschijnlijk een aardig beeld in het sterftepatroon. De vraag is wat deed het stadsbestuur gedurende de sterfteperiode?

Op 16 augustus 1635 vinden we voor het eerst een bericht over de Pest in Nijmegen. Het aantal zieken onder de Franse soldaten is zo groot dat alle gasthuizen overvol zijn en dat vele zieken langs de straten en voor deuren liggen en “miserabelick sterven causerende zoodanige stanck ende besmettingh datt veele burgeren  ende ingesetenen  voorde voet sieck worden ende mede commen ’t overlijden.”

Op 9 september 1635 waren de sterfgevallen het dubbele als in augustus 1635 en de Regenten verbieden de Kermis.

Op 16 september 1635 wordt er in Leiden een besluit genomen over de grote aantallen weeskinderen. Men probeert zoveel mogelijk weeskinderen onder te brengen bij overlevenden en de rest wordt in het Heilige Geest  of Arme Wees en Kinderhuis van Leiden opgenomen. Dit tehuis aan de Hooglandse Kerkgracht  was in 1583 ontstaan uit het Onze Lieve Vrouwe Gastgasthuis.

Op 22-04-1636 wordt een klacht behandeld over Hendrik van Langeraet, doodgraver te Nijmegen. Hij zou zich niet aan de voorgeschreven grafdiepte houden. Dit speelde eigenlijk bij alle andere steden ook, overal maakte men de graven niet diep genoeg. Hieruit kunnen we opmaken dat ook in Nijmegen, waar de Pest twee jaar heerste, een groot aantal mensen overleed maar de authoriteiten van Nijmegen maakten zich evenals hun collega’s in Leiden er  klaarblijkelijk niet druk over.

Over Amsterdam kunnen we heel kort zijn. Men was daar met hele andere dingen bezig. Handel en alle andere belangrijke zaken passeerden de revue men was alleen maar bezig met het bouwen aan een Gouden Eeuw, maar geen woord over de Pest tot  3 oktober 1663 waarin de Magistraten bekend maken dat speciale doktoren, chirurgijns, vroedvrouwen en apothekers de mensen bijstand konden bieden zonder kosten. Deze specialisten konden op kosten van de stad patiënten enigszins bijstaan maar liepen daarbij een heel groot risico besmet te worden.

Zij ontvingen daarom een dubbel salaris als risicopremie. Doktoren droegen een zogenaamd Snavelmasker waarin een hoeveelheid geurige kruiden zat om de lucht te zuiveren. Ook de functie van Pestmeester in het Pesthuis was levensgevaarlijk. Deze actie van Amsterdam was puur zakelijk. Er werd een probleem geconstateerd waarvan de oplossing direct werd neergelegd bij de curatieve gezondheidszorg. Om vanaf het begin meteen de juiste mensen in te brengen dacht men de economische schade voor de stad te beperken dan gewoon af te wachten.

Het ware zware tijden om in te leven. De dood was altijd al dichtbij maar nu was hij tastbaar. De angst voor de dood maakte sommige mensen  roekeloos, of noem het fatalistisch, het was toch immers Gods wil of je wel of niet besmet raakte. Ik noem dit roekeloos maar we kunnen het eigenlijk net zo goed onwetend noemen. Er zijn tal van voorbeelden van mensen die voorzichtig  waren. De notarissen meldde ik u al, maar ook  Predicanten  weigerden Pest-patiënten te bezoeken, zo ook Adolphus Venator, predicant in Alkmaar. Dominees’ naam was eigenlijk Adolph de Jager maar de Latijnse vorm vond hij toch wat chiquer.   In 1599 weigert hij zieken te bezoeken en hij verdedigt zich fijntjes door er op te wijzen dat vorig jaar in Nijmegen drie Predicanten, waaronder zijn eigen broer aan de Pest ten offer waren gevallen.

Ook in Haarlem, in 1636, durfde niemand een vrouw, met een zoontje, in barensnood te helpen. De toevallig langskomende burgemeester Willem van Teylingen durft wel naar binnen te gaan en gelast de Stadsvroedvrouw te helpen. Die antwoordde waarschijnlijk dat hij de pest kon krijgen. De andere dag  zijn de kraamvrouw, het zoontje en het pas geboren kindje overleden en de vader overleed niet lang daarna.

Maar gelukkig waren er ook legio gevallen van onbaatzuchtigheid en naastenliefde. Zo zijn er brieven uit Rotterdam en Gouda dat ouders hun kinderen uit het Pesthuis opeisten om ze thuis, omringt door liefde te laten sterven en een man die zijn vrouw  weer naar huis brengt om daar op een menselijke manier afscheid van elkaar te kunnen nemen. Dit zijn de mensen achter de cijfers en die blijken ook  gevoelens te hebben, niets menselijks is ze vreemd.

Dan waren er de gevallen van onverschilligheid of onwilligheid. Bijvoorbeeld de levende traditie om de doodskist van jong  gestorvenen met bloemen te versieren, die door de overheid was verboden in verband met besmettingsgevaar.

Overigens was dit een dingetje want de Kerk was dit versieren een doorn in ’t oog, dit was namelijk een overblijfsel  uit de  heidense tijd en ook vanaf de kansel werd dit verboden.

Vaak werd binnen een week de nalatenschap van een overledene geveild, incluis beddengoed en kleding  die vaak dezelfde dag nog werd gedragen. Dit was onverantwoord.

Tijdens een Pestepidemie vond er een grote verstoring in de handel en sociale gebeurtenissen plaats. Zo verboden de Leidse regenten in 1635 de Leidse Jaarmarkt, in augustus 1563 kwam er een verbod op Engels bier, dat verdacht was, herbergiers werd verboden reizigers op te nemen uit besmet gebied,  schepen uit Engeland moesten veertien dagen voor anker blijven in de haven . Al dit soort verboden hielpen een klein beetje mee ter bestrijding van de pest al hadden de tijdgenoten zelf daar geen benul van.

De overheid had klaarblijkelijk advies ingewonnen bij mensen die nadachten en weldra werden in de hele Republiek der Nederlanden  maatregelen van kracht om de Pest min of meer te isoleren.

Quarantaine bleek een zeer effectief middel om de Pest buiten te houden, mensen werden er op gewezen geen risico’s te lopen en dit bleek toch te werken want vanaf het jaar 1668 was de Pest bacil in de republiek geheel uitgewoed. In de rest van Europa, met name in Duitsland en Italië bleef de ziekte nog miljoenen mensen opeisen, daarom werd hier scherp in de gaten gehouden waar iets of iemand vandaan kwam voor dat de persoon of zijn handelsgoederen toegang tot het land kregen.

Niet alleen in Holland werd de bestrijding van de Ziekte ter hand genomen, vaak was men in andere landen hier al langer mee bezig, van lokaal naar regionaal en tenslotte naar nationaal. Een stadsstaat als Venetië waar vrije handel urgent was beschikte in 1385 al over een aantal sanitaire voorschriften waaronder een isoleringgebod dat veertig dagen bedroeg. Wie zien hier gelijk de oorsprong van het woord  Quarantaine(= veertig). Toch weer wat opgestoken vanavond.

Ook in en uitvoermaatregelen werden er genomen zodat geen besmette ladingen konden worden gelost in de havens en er was een uitgebreid netwerk ontstaan van informanten die waarschuwden als er pest werd geconstateert. Er is bewijs dat deze maatregelen Venetië heeft geholpen in haar strijd tegen de Pest. In Engeland werd op bevel van Koning Karel II alle beerputten in Londen geopend in een poging door de enorme stank die dit gaf de Pest te verdrijven, dit zal waarschijnlijk niet hebben geholpen.

In Holland waren ze nog niet zover en regelmatig werd een stad en regio getroffen door de Haastige of Heete Ziekte, zoals de Pest werd genoemd. Als we nu zouden moeten oordelen kunnen we stellen dat een stadsbestuur eigenlijk geen beleid kon maken,  simpelweg door te weinig kennis over de ziekten die regelmatig de steden teisterden. De artsen hadden niet de kennis om de Pest in een vroeg stadium te herkennen, dus waren altijd een stap te laat.

Ongeacht of men dacht dat de pest een door God gezonden plaag was of dat men geloofde dat het van de verrotting en vuiligheid kwam, men was het er over eens dat het besmettelijk was (als de pest), maar hoelang zo’n periode zou duren wist men toen ook niet van te voren. Dus de Overheid  hield zich min of meer gedeist tijdens een epidemie. Er  verschenen ordonnantien  met maatregelen van de overheid die er voor moesten zorgen dat de inwoners anders gaan handelen dan voorheen, tijdelijk dan wel permanent. En dan gaat het om handelingen die vaak voorkomen.

Als men op die manier naar de ordonnanties kijkt dan kan men alleen maar tot de conclusie komen dat het in alle steden een grote smeerboel was, erger dan het smerigste varkenskot.

Bloed, darmen, dode honden en kippen, vuiligheid, het werd allemaal op straat gegooid of in het water. Slachten gebeurde op straat en de bepaling dat een graf diep genoeg moest zijn geeft ook te denken. Goederen werden verkocht zonder ze schoon te maken en tijdens de preek gaat het begraven van overledenen gewoon door, op het kerkhof en ook  in de kerk zelf. Als we bedenken dat de dorpen op het platteland een afspiegeling waren, zeker in gedrag, van de grote steden was het in Lisse, zoals gezegd ook een smerige boel.

In de tegenwoordige tijd heeft de overheid voor elke infectieziekte een beleid. Afhankelijk van welke ziekte varieert het beleid van alleen maar diagnostiek, zoals bij voorbeeld  bij aarsmaden tot een pakket van uitvoerige draaiboeken wanneer bijvoorbeeld het pokkenvirus weer opduikt.

Infectieziekten zijn ingedeeld in verschillende groepen (A, B1, B2, en C) op basis van meldingsplicht van de arts aan de GGD. Zodra een arts zelfs maar vermoed dat iemand een infectieziekte heeft behorend bij  groep A moet hij dat onverwijld melden. Zo is de pest ondergebracht in groep B1. Dat houd in dat de arts dit binnen vierentwintig uur moet melden, dus iets soepeler dan bij groep A waaronder Pokken, Polio en SARS  vallen.

In de zeventiende eeuw was het voor de overheid een stuk lastiger om beleid te maken tegen besmettelijke ziekten. Men was onbekend met bacteriën en artsen hadden niet de kennis en het inzicht om de pest in een vroeg stadium te herkennen. De vraag is welke maatregelen nam een stadsbestuur om de pest in te dammen en op wat voor moment nam men die maatregelen. Deze maatregelen kunnen worden onderverdeeld in curatieve en preventieve maatregelen. Zo had het stadsbestuur van Leiden rattenvangers in dienst omdat het vermoeden bestond dat deze iets te maken zouden hebben met de ziekte.

De oorzaken van de pest die men dacht te kennen waren de toorn van God  en vuile dampen en verrotting. Hoe de toorn van God kon worden getemperd was een lastig vraagstuk en het bestrijden van vuile dampen en verrotting was een stuk concreter aan te pakken te weten een vorm van hygiëne en isolatie van zowel de zieken als de besmette huizen. In die gedachtegang kon een overledene ook een bron van besmetting zijn dus werden er regels opgesteld voor het begraven. Ook dacht men dat via de handel besmetting kon worden verspreid en nam men maatregelen om verspreiding via deze route te voorkomen. Tot slot waren er maatregelen waarbij de relatie tot vuile dampen en verrotting  niet zo makkelijk kan worden gelegd dan wel dat die relatie helemaal ontbreekt of een ander doel diende.

Voor begraven gold dat de uitvaartstoet de kortste weg moest nemen naar het kerkhof en de kist moest onderhands worden gedragen in plaats van op de schouder en het graf moest diep genoeg zijn. In Haarlem gold dat de kist van binnen moest worden ingesmeerd met pek en in Leiden kon men pas na twee uur ’s middags worden begraven.

Tijdens pestperiodes moest men honden doodslaan, zij konden besmetting doorgeven. Waarom dit niet voor katten en konijnen gold is niet duidelijk.

Een heel opmerkelijke maatregel was dat zieken en hun verzorgers zes weken lang niet naar de preek mochten komen. Als men werkelijk pest had dan was men immers binnen twee tot tien dagen overleden en zoals gezegd vrouwen mochten in Leiden niet meer mee naar de begrafenis.

Veel van dit soort ordonnanties bleken achteraf een politiek doel te dienen.

Tijdens de pestepidemie in Leiden in 1655 zijn er veertien ordonnanties uitgegaan waar van er drie over hygiëne gaan en slechts één over de handel, die werd blijkbaar te kostbaar geacht om beperkingen te ordonneren. Beddenstro mocht niet meer op straat gelucht worden maar moest worden verbrand. Belangrijk was dat de inwoners hun gewoonten veranderden en een heel klein beetje hygienisch besef meekregen. Op het begraven van overledenen stiekem ‘nachts op het kerkhof of elders stonden strenge straffen. Zomaar een greep uit de vele ordonnanties die we hebben gevonden in de oude archieven. Of het veel geholpen heeft is de grootste vraag.

Dat er ook politieke en geestelijke aspecten werden verordonneert lezen we ook in die oude archieven. “De Keure ende Ordonnantie thegens de stouticheyt der pausgezinden  ende derselven excessen” uit Haarlem zit daar ook tussen. Niemand mocht pausgezinde geestelijken onderdak bieden, geen pausgezinde vergaderingen gehouden worden en nog vijf van die merkwaardige onzinnige ordonnantien tussen de pest verordeningen. Er stonden buitenissige boeten op tot verbanning toe.

Hoe men dat handhaafde is niet duidelijk. Zo stond er ook dat iemand die besmet is en wil gaan wandelen een witte stok moet dragen. Nou iemand die de pest heeft is doorgaans zo ziek dat hij niet veel zin zal hebben gehad in een wandeling.

Na 1668 is de Pest in slaap gevallen in de Republiek der Verenigde Nederlanden, of al die maatregelen iets hebben bijgedragen tot het verdwijnen van de ziekte zal voor altijd een vraag blijven.

IN HET BLOEMBOLLENLAND: Anna van Gogh-Kaulbach (deel 1)

Anna (1869-1960) woonde in Lisse tot 1903 in het pand Heereweg 296. Zij schreef in 1904 een boek met de titel ‘In het bloembollenland’. Het speelt in de Bollenstreek en beschrijft op een eenvoudige manier de bollenteelt.

Ria Grimbergen

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 3 Zomer 2018

Pareltjes van boeken bevinden zich in de kasten van de bibliotheek van de Vereniging “Oud Lisse”. Veelal zijn het schenkingen van leden van de VOL. Ze zijn het waard onder de aandacht te worden gebracht. Eén van die titeltjes is “In het bloembollenland” van Anna van Gogh-Kaulbach, uitgegeven in 1904.

De schrijfster zelf was geen vreemde in het bloembollenland. Zij trouwde in 1899 met bollenkweker Willem J. van Gogh, een neef van Vincent. Willem was politiek actief als lid van de SDAP en ook Anna was een overtuigd socialiste. Het paar bewoonde tot 1903 het pand Heereweg 296 in Lisse.

Tekening uit het boek In het bloembollenland  van W.K. de Bruin

In het boekje geeft zij in verhaalvorm een realistisch beeld van de gang van zaken in het bollenvak. Alle facetten van de bollenteelt komen voorbij in een voor kinderen begrijpelijke taal. De dertienjarige weesjongen Dirk uit Amsterdam, bleek, met grote blauwe ogen, komt in huis bij zijn oom Niezand, meesterknecht op kwekerij “Bloemlust” bij bollenkweker Van Erk. Dirk heeft nooit een bol gezien, maar de goedige oom neemt zich voor de jongen het vak te leren en op te leiden tot een flink werkman. Zijn aanvangsloon is drie gulden vijftig in de week met de afspraak dat dat op kan lopen tot vijf gulden vijftig. In het vorige nummer van het Nieuwsblad vermeldde Arie in ’t Veld het gemiddelde loon van een bollenarbeider in 1903: acht gulden vijftig per week. Voor een dertienjarige lijkt Dirks loon naar verhouding niet slecht. Dirk betaalt zijn oom kostgeld en heeft een dubbeltje zakgeld in de week. Wil hij het boekje In het bloembollenland kopen, dan zal hij vijftien weken moeten sparen. Dirk is een leergierige jongen. De vele vragen die hij zijn oom stelt, beantwoordt deze uitgebreid. Via Dirk krijgt de lezer informatie over dwaallingen, bollenziekten, rattenplagen.

Anna huwde de Lissese bollenkweker Willem van Gogh en zij woonden op Heereweg 296.

Vangt Dirk voor de patroon een rat, dan wordt hij beloond met twintig cent. Voor het Amsterdammertje, gewend te leven in een zonloze, donkere steeg, is het voorjaar met zijn bloemenpracht een feest van kleur en geur. Staan de bollen in bloei, dan komen de andere bloemisten kijken. Ze lopen tussen de bloembedden “als groote donkere torren op een kleurig kleed”. Druk is het in deze tijd op de straatweg met een uitpuilende stoomtram en overvolle wegen met fietsen, rijtuigen, wandelaars en automobielen. In het vroege voorjaar laat Van Erk zijn mensen werken van zes tot zes, bij andere kwekers werkt men door tot het donker is. De bollenrooitijd is zeer vermoeiend en zwaar: “Ze werkten ’s morgens en ’s avonds òver en lagen den heelen dag in het heete zand, met de zon brandend op hun rug, terwijl de heggen elk windzuchtje afweerden. Ze kregen eelt op hunne knieën, en door het voortdurend wroeten in het zand, werden hunne vingers vreemd-wit, waarbij scherp de gebruinde handen afstaken”. Dirk werkt dapper mee, maar “in zijne beenen kwam soms zoo’n vreemde tinteling alsof ze zijn lichaam niet meer konden dragen”. De jonge jongen verliest zijn eetlust, maar smacht de hele dag naar drinken. In tegenstelling tot andere kwekers, die hun personeel nu tweemaal per dag een borrel schenken, geeft Dirks baas de arbeiders koffie en bessensap met water. Sterke drank werkt verwoestend in de uitgeputte lichamen, vindt hij.Na het rooien volgt het hollen, pellen en planten en als het vriest het dekken. Maar juist strenge vorst zorgt even voor een adempauze in dit harde bestaan. Dan kan op het veld niet gewerkt worden en geeft Van Erk zijn arbeiders ’s middags vrij. Of er wordt doorbetaald, lezen we niet. In het bloembollenland is na meer dan honderd jaar nog zeer leesbaar. Hoe het ontvangen werd door tijdgenoten, daarover een volgende keer. ►

Geboren te Velzen op 31 december 1869, overleden te Haarlem op 28 januari 1960

 

OUD NIEUWS: HERBERG AAN DE HEEREWEG “In den Coning van Bohemen”

Heereweg 191 was het oudste gebouw in Lisse en is een paar jaar geleden helaas gesloopt. Ooit stond hier Herberg Coning van Bohemen op deze plaats. De geschiedenis en de bewoners worden besproken.

Dirk Floorijp en Judith Harren

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 3 Zomer 2018

In het begin van deze eeuw stond op het adres Heereweg 191 het oudste woonhuis van Lisse. Inmiddels is er nieuwbouw op deze plaats. Leden van de bouwhistorische werkgroep de heren R.Pex en E.J. Plantenberg hebben indertijd de bouwgeschiedenis en chronologie van het pand onderzocht. In de jaren 1622-1625 moet op deze plek zijn gebouwd. Ene Carel Jansz van Asselborn kocht toen een leeg perceel. In 1635 nam een bakker zijn intrek in het huis. Aldus de bevindingen van de heren Pex en Plantenberg.

Heereweg 191 was eens het oudste woonhuis van Lisse.

De naam Carel Jansz. van Asselborn deed een belletje rinkelen. In Lisse heeft ooit een herberg gestaan ‘In den Coning van Bohemen’, die stond aan de Heereweg nabij het Vierkant. Waar precies wist niemand. Een van de weinige bewijzen dat de herberg er ooit was, staat in het kohier ‘Hoofdgeld Lisse 1623/1624’. De waard van de herberg ‘In den Coning van Bohemen’ is Carel Jansz. van Asselborn. De vraag kwam op: zou het huidige adres Heereweg 191 de locatie kunnen zijn van de vroegere herberg? Verder onderzoek in de oude
archiefstukken van Lisse leverde het volgende antwoord op: Vóór de komst van Carel Jansz. van Asselborn is er op het huidige adres Heereweg 191 nog een leeg erf te zien. Op 7 december 1618 koopt Carel dit erfje van Dammas Willem Thomasz (Dammas is getrouwd met Aeltje IJsbrantsdr. Van der Codden). Het stukje grond maakt deel uit van een groter perceel dat in het bezit van Dammas is. Elk jaar moet Carel 30 stuivers erfpacht aan Dammas betalen. Het erfje is ten NW begrensd aan de Heereweg, en ten NO en ZO aan bezittingen van verkoper Dammas. Aan de ZW-zijde woont Carel zelf in een klein huisje. Zeven maanden daarvoor heeft Carel dit huisje van een andere eigenaar gekocht.

Geld lenen kost geld

Carel bouwt een huis op het kleine lapje grond, en de bouw verloopt vlot, want 5 maanden later heeft hij het nieuwe huis betrokken, en kan hij het kleine buurhuisje waar hij tijdens de bouw even gewoond heeft, doorverkopen, en wel aan Willem Cornelisz. Velsen, een linnenwever. Carel maakt ruim 25% winst op de verkoop. Maar blijkbaar heeft hij meer geld nodig, want hij leent 400 gulden van een Haarlemse lakenkoper. Het zal een zakelijke kennis zijn, want ook Carel is lakenkoper van beroep. Als onderpand dient Carels nieuwe huis met het aanwezige laken in zijn winkel. Elk jaar moet hij 24 gulden rente betalen aan de Haarlemse leningverstrekker. Wil hij het geleende geld gebruiken voor een verbouwing of aanbouw van een herberg? Het lijkt erop, want in het hoofdgeld Lisse (een soort personele belasting die voor elk gezinslid betaald moest worden) van 1623/1624 vinden we Carel terug, met vrouw Lijsbeth Woutersdr en 4 kinderen, als ‘waert in den Coning van Bohemen’. De overstap van beroep, van lakenkoper naar herbergier, komt ons nu wat wonderlijk voor, maar is voor die tijd zeker niet uniek. De latere eigenaar van het pand, Jacob Jacobsz van Hopbergen, is bakker van beroep. Ook hij maakt een carrièreswitch als hij, jaren later, herberg ‘Het Rode Hart’ koopt en zelf achter de tap gaat staan.

In den Coning van Bohemen

Frederik van de Paltz 1596-1632

De naam van de herberg verwijst naar keurvorst Frederik V van de Paltz (1596 – 1632), getrouwd met Elisabeth, prinses van Engeland, dochter van koning Jacobus I.
Na een opstand van het protestantse Bohemen tegen de roomse vorst, wordt Frederik aangesteld als koning van Bohemen. Hij wordt ook wel de winterkoning genoemd omdat hij maar één winter regeert en na een nederlaag moet uitwijken. Deze neef van prins Maurits en Frederik Hendrik komt op zijn vlucht in Den Haag terecht, waar hij in 1632 overlijdt. De vele herbergen in die tijd worden bezocht door doortrekkende reizigers en kooplieden, die tussen Den Haag, Haarlem en Amsterdam via Lisse reizen. Voor de eigen bevolking zijn die niet allemaal nodig, al speelt het openbare leven zich veelal af rond de herbergen. Lisse bestaat in die tijd uit 230 huizen, het hele buitengebied meegerekend.

Uit een ander vaatje tappen…

Helaas, de pogingen van deze 17e eeuwse ondernemer om een florerende herberg uit te baten, lijken geen lang leven beschoren. Het ziet ernaar uit, dat Carel het hoofd niet boven water kan houden. In maart 1625 verkoopt hij zijn huis aan Jacob Jacobsz van Hopbergen, (getrouwd met Elsgen Henricxdr). De 30 stuivers erfpacht aan Dammas Willem, en de 24 gulden aan de Haarlemse geldschieter rusten nog op het huis en moeten door de koper worden overgenomen. Van de herberg wordt niet gerept, het wordt een huis genoemd. Hebben Carel en zijn gezin nu geen huis meer? Zo erg is het gelukkig niet, want Carel kan het kleine buurhuisje waar hij begin 1619 woonde, terugkopen van Willem Velsen. Voor het lenen van de aankoopsom wordt een schuldbrief opgemaakt, waarin de nieuwe buurman Jacob Jacobsz van Hopbergen en ene Joris Maertensz Langevelt (beide mannen komen we hierna weer tegen) borg staan voor Carel. Mogelijk heeft de koper van de voormalige herberg, Jacob Jacobsz van Hopbergen, van het huis een bakkerij gemaakt. Hij wordt vermeld in het haardstedengeld Lisse 1628 als eigenaar en gebruiker met 2 haardsteden, met oven. Tien jaar later, in 1635 verkoopt bakker Jacob Jacobsz van Hopbergen het huis met bakkerij door aan Joris Maertensz Langevelt (getrouwd met Maertgen Pietersdr. Cool), de beide eerdergenoemde borgen voor Carel van Asselborn in 1625. De 30 stuivers erfpacht en de 24 gulden rente rusten nog immer als last op het huis. Joris Langevelt is de bakker genoemd in het historisch onderzoek van Pex en Plantenberg. En met deze aansluiting op de voorgeschiedenis van het adres thans Heereweg 191, is de vraag uit het begin van dit stukje beantwoord. Het is wel zeker, dat je op dit adres in 1623/1624 en misschien ook nog een paar jaar ervoor, het glas kon heffen in herberg ‘In den Coning van Bohemen’. Proost!

Gevelsteen Egelantiersgracht 153 Amsterdam

Verdwenen straatbeeld keert terug: standbeeld de bollenreiziger

Op het parkeerterrein van de Haven komt een bronzen beeld van Frans en Truus van der Veld met als titel ‘De bollenreiziger’.

Nieuwsflitsen

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 2 Lente 2018

Op 5 en 8 mei brachten vrijwilligers van de CHVOL een bezoek aan het atelier van Frans en Truus van der Veld. Frans en Truus werken aan “de Bollenreiziger” een beeld dat herinneringen oproept aan de tijd dat men op pad ging om in het buitenland de bollen aan de man te brengen. Daarvoor hebben zij zoveel mogelijk inspiratie opgedaan in het eigen familiearchief van Frans en door foto’s en afbeeldingen uit het verleden te bestuderen. De vrijwilligers kregen zo een mooi inkijkje in het proces van bedenken, ontwerpen en uitvoeren. Met behulp van koperdraad en was werken Truus en Frans net zo lang tot zij tevreden zijn, er mallen gemaakt kunnen worden zodat het beeld naar de gieterij kan. Daarna worden de onderdelen weer gepolijst en in elkaar gezet. De “bollenreiziger” zal in november 2018 zijn plek krijgen op een plek tussen de voormalige CNB en het voormalige HOBAHO-terrein. Zo blijft er, dankzij deze gedreven kunstenaars, weer een stukje geschiedenis van Lisse bewaard!

Frans en Truus in hun atelier

 

JOHANN(JO) DE KOOKER

Johannis De Kooker geboren in 1904 was rijwielhersteller. Zijn levensverhaal wordt vertelt. Hij richtte een solexclub op.

Door Annette Heus

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 4 Herfst 2017

Grootvader Johannis was in Breskens geboren en werkte al voor 1885 als grondwerker in de Haarlemmermeerpolder die al in 1852 was drooggelegd. Voor het verder geschikt maken van het land was veel arbeidskracht nodig. Dat trok jonge kerels aan uit gebieden waar minder werk was, ook uit het Zeeuwse. Toen Johannis hier een plekje had verworven, liet hij in 1885 zijn gezin overkomen, eerst in Abbenes en in 1902 zijn zij verhuisd naar Lisserbroek. Willem was het 7e kind uit dit huwelijk en trouwde met Jaantje Scheering. Vader Willem verdiende zijn geld als bloembollen-controleur. Jo was de oudste van de negen kinderen, twee zijn al vroeg gestorven en één kindje werd levenloos geboren. De kinderen gingen naar de openbare school in Lisserbroek. Een schoolfoto (1914) laat wel zes kinderen met De Kooker als achternaam zien, het was inmiddels al een grote familie geworden. Zie pagina 123 van “Zo was het in Lisserbroek”.

Hoe het begon

Jo bracht zijn diensttijd door bij het Regiment Wielrijders. Zo zou zijn voorliefde voor de fiets kunnen zijn ontstaan en heeft hij er later zijn beroep van gemaakt. Maar zijn grootste liefde ging later uit naar Trijntje (Truus) van Houten, waarmee hij trouwde en zij kregen twee dochters. In oktober 1925 startte hij zijn eigen zaak. Hij begon met het repareren van fietsen in het schuurtje bij zijn ouders achter Kanaalstraat 157. Dat is het punt waar nu de Oranjelaan (die was er nog niet) met de Kanaalstraat kruist.

Nelson en Stokvis

Jo startte zijn loopbaan als rijwielhersteller maar daar kwam al snel ook de verkoop bij. Het was dan wel crisistijd, maar een fiets moest je in die tijd toch wel hebben. Het moesten wel degelijke fietsen zijn en we vinden de naam Jo De Kooker al vermeld als agent voor Nelson rijwielen in de Nieuwe Leidsche Courant van begin 1929. Deze Nelson rijwielen kwamen van de rijwielfabriek Alt uit Leiden. Degelijke fietsen, je ging er in die tijd nog vanuit dat een fiets je leven lang mee zou gaan. De vernikkelde delen van deze fietsen werden “vercadminiumd” en zouden niet meer roesten. Deze Leidse fabriek vervaardigde ook voor de Firma Stokvis te Rotterdam, dit bedrijf zullen we verderop nog tegenkomen. Rond 1930 kon hij een pand huren op het adres Kanaalstraat 179. Daar begon hij zijn fietsenwinkel. Daar heeft hij ongeveer 5 jaar gezeten. Op 15-03-1935 opende hij een andere winkel op het adres Kanaalstraat 50. Later werd dit uitgebreid naar het pand van de buurman sigarenwinkelier Hendrik van Voorst, te weten Kanaalstraat 52.

Oorlogstijd

In de oorlog was het natuurlijk moeilijk in de rijwielbranche. Materiaal werd schaars, maar hersteld moest er natuurlijk worden. Het waren de Duitsers die de belasting op de fiets en dus het fietsplaatje afschaften in 1941, maar wat had je er aan. Nieuwe fietsen werden toen eigenlijk al niet meer gemaakt. Nieuwe banden waren ook niet meer te krijgen want het rubber werd niet meer geleverd. De houten band was een mogelijkheid om dat probleem op te lossen.

Stiekeme foto vanachter de gordijnen. Duitse soldaat met twee ingepikte fietsen in de Kanaalstraat. Wat zouden die jongens daar zachtjes tegen elkaar zeggen?

Eind 1944 volgt dan de maatregel dat fietsen ingeleverd moeten worden. Daar werd natuurlijk niet mee akkoord gegaan, veel fietsen verdwenen naar een onvindbare plek. De fiets kreeg ook wel een andere bestemming. Elektriciteit werd problematisch, maar met een fietsdynamo kon je wel stroom opwekken. Dus fiets in de kamer en trappen maar. Na de oorlog nam de vraag naar fietsen weer snel toe. Maar een nieuwe fiets kopen was niet voor iedereen weggelegd. Heel wat oudjes werden opgeknapt in de reparatie bij De Kooker. Een kinderfiets was echt een luxe waar je niet zo snel aan begon. De oude fiets van opoe voldeed prima. Met houten klossen natuurlijk want anders kon je de trappers niet rond krijgen. Er zijn vast nog wel lezers die zo aan het fietsen begonnen.

Solex dealer

Toen Jo de Kooker in 1963 overleed werd de zaak overgenomen door Kuijper.

Gelukkig ging het voorspoedig met de wederopbouw. Men kon zich weer iets permitteren. Soms zelfs een Solex. Een Solex is van oorsprong een Frans ontwerp. In 1948 kwam de eerste Solex in Nederland aan bij de firma Stokvis te Rotterdam. Jazeker, dezelfde firma waar Jo de Kooker ook ver voor de oorlog al contacten mee had via rijwielfabriek Alt uit Leiden. Natuurlijk duurde het niet lang of ook in Lisse werd de “nieuwe” vinding getoond. Bij De Kooker uiteraard. Hij werd rayondistributeur. Animo om een Solex te kopen was er genoeg. Men kon zelfs niet meteen aan de levering voldoen. In 1949 was er zelfs een wachttijd van ruim 8 maanden! Wanneer Jo in oktober 1950 het jubileum viert ter ere van het 25-jarig bestaan van de zaak wordt ook het Solex-Service-Station geopend. In 1951 wordt door de Solex-maatschappij een Solex-rally georganiseerd vanuit allerlei plaatsen in Nederland met als eindpunt Schiphol. Dat bracht de Solexrijders bij elkaar. Iedereen vond het zo leuk dat er diverse Solexclubs in ons land werden opgericht. Als rayondistributeur van Solex nam Jo de Kooker hiervoor het initiatief in Lisse voor de Bollenstreek. Hier enkele namen van leden: dhr. Riedijk, dhr. Koordes en zijn vrouw T. Koordes–van Hoven, R. Moolenaar, dhr. Witte, dhr. Schaap, dhr. L.v. Dijk, de heren J. en M. van Zelst, en mvr. A.van Zelst-Bekkers.

De Solexclub staat startklaar voor de winkel,.. follow the leader.

Tijdens het seizoen werden dan door de Solexclub verschillende puzzelritten gereden en werden er ook andere activiteiten georganiseerd. Met de routebeschrijving in de hand leek de rit erg makkelijk. Maar soms viel het toch wat tegen en doolde men door de straten van Heemstede. De controleposten deelden met gulle hand de nodige strafpunten uit. Sommige deelnemers waren zo de weg kwijt dat ze niet in Bloemendaal maar bij Schiphol in de rondte reden. Maar toch overleefden 13 deelnemers de rit zonder strafpunten. Er lagen aardige prijzen te wachten op de winnaars. Levensgrote taarten, banden, fietstassen, blikjes brandstof e.d. De Solex bleef zeer succesvol en zo ook de verkoop hiervan.

 

Jo had 2 dochters maar geen opvolger in de zaak. Toen Jo de Kooker in 1963 overleed werd de zaak overgenomen door Kuijper. De Solexclub herdacht Jo in de jaarvergadering van februari 1964, die zoals gewoonlijk in De Witte Zwaan werd gehouden. De winkel en de werkplaats werden overgenomen. En natuurlijk ook het dealerschap van Solex. Kuijper had al een zaak in Sassenheim en stond al tijden samen met Jo de Kooker en andere distributeurs vermeld in de advertenties van Solex. De zaak in Sassenheim bestaat nog steeds. In mei 1966 vierde de Solexclub haar 15-jarig bestaan in gebouw Salvatori. Voorzitter Van Duijnhoven memoreerde natuurlijk Jo de Kooker als initiatiefnemer van de club en meldde trots dat de saamhorigheid bij de leden groot was. Ook leden die inmiddels een auto als vervoermiddel hadden bleven vanwege die saamhorigheid nog steeds lid van de club. Ook de jaarvergadering van 1969, weer in De Witte Zwaan, verhaalt van een goed jaar en kondigt weer diverse activiteiten aan voor het volgende jaar. Op 10-02-1970 meldde de Nieuwe Leidsche Courant echter dat de Solexclub was opgeheven. De avond ervoor was de laatste officiële vergadering in De Witte Zwaan gehouden. Voorzitter Van Duijnhoven gaf aan dat het steeds moeilijker werd om als club tochten te ondernemen. Daarom werd

Toen Jo de Kooker in 1963 overleed werd de zaak overgenomen door Kuijper.

besloten de Solexclub op te heffen. Men wilde nog wel doorgaan als gezelligheidsclub maar of die nog lang bestaan heeft is ons niet bekend. De Solex bleef nog een tijdje erg populair. Er volgde nog een verhuizing van het merk naar Hongarije. Sommige modellen werden daar en ook in China nog lang gebouwd. Dan was er ook nog een Frans bedrijf dat de oude modellen opnieuw produceerde, maar om juridische redenen niet onder de naam Solex maar als Black ’n Roll. In totaal schijnen er meer dan 8 miljoen exemplaren van de Solex verkocht te zijn. Solex rijden is puur nostalgie en de oude modellen doen het nog steeds goed. Organisaties die toertochten organiseren zijn als paddenstoelen uit de grond gerezen. Zou er nog een Solex rondrijden die ook al meedeed met de toertochten van de Solexclub? Ik wacht vol spanning op eventuele reacties. ■

Vlas en Lisse: een mooi koppel

De verwerking van vlas tot linnen wordt beschreven. De teelt van vlas, het repelen, het vervoer, de verkoop in Lisse, het kapellen, het drogen in vlasovens, het braken en het spinnen wordt beschreven.

Arie de Koning

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 4 Herfst 2017

Het oogsten van vlas

Altijd behoort men voor het zaaijen eenen helderen zachten dag uittekiezen………..
Zo begint de eerste instructie voor het juist telen van vlas welke bestemd is voor de linnenindustrie.
In Lisse, maar ook in Rijnsburg en Sassenheim werd op grootschalige manier de verwerking van vlas tot vlaslint of garen beoefend. Nou hield Lisse zich niet echt bezig met het telen van vlas, daarvoor was de grond in het Ambacht Lisse eenvoudig niet goed genoeg. Vlas had zware klei met zavel of ietwat leemachtige grond nodig om succesvol te kunnen groeien en dat was in Lisse niet aanwezig. Het weinige vlas wat hier geteeld werd was eigenlijk te ”mager”, daarom kwam ieder jaar van de Zuid-Hollandse eilanden en de Zeeuwse eilanden een konvooi van schepen dat het vlas in Lisse bracht. Dit stevige vlas met rechte lange stengels zou in Lisse een behandeling ondergaan waar een groot gedeelte van de bevolking zijn brood mee verdiende en met hen nog duizenden anderen in de regio.
Dat vlas telen nog een hele kunst was leert ons het instructieboekje. Allereerst was het belangrijk om het juiste zaad te gebruiken, zaad van minimaal twee jaar oud. Men had de keuze uit Zeeuws Zakzaad of uit Memels Tonnenzaad, dit zaad gaf een stevige lange stengel. Dan de hoeveelheid zaad welke werd ingezaaid. “Ses Dortsche agchelen per morgen, niet meer ende niet minder”. “Het dient met twee paarden te worden ingeslecht, en daarop zoo spoedig mogelijk het land digt gerold”. “Zoodra het vlas een handsbreedte uit den grond is, trekt een dikwijls zeer talrijke en vrolijke hoop wieders en wiedsters
naar het land, om het onkruid uit te trekken, hetgeen, opdat de tedere vlasplant niet gekneusd zoude worden, barrevoets of enkel op den kousen geschiedt en teevens altijd teegen den wind in, waardoor het neergedrukte plantje gemakkelijker herrijst”. Als de stengen geel, de zaadknoppen bruin en rijp geworden zijn, begint men met de stengen te plukken. Op de grond uit gespreid, blijft het 8 dagen liggen en wordt daarna in bosjes gebonden en naar een naburig afgemaaid weiland gebracht waar men op
een groot kleed de zaadbollen er af haalt. Dit doet men met een ijzeren kam of een klopper ook wel boothamer genoemd. Dit werk noemt men het repelen van het vlas. Van dit vergaarde zaad wordt onder andere lijnzaadolie geproduceerd voor de verfindustrie en koeienkoeken. Dan worden de lege stengen weer gebonden en gaan ze op transport naar Lisse onder de benaming rauwvlas.

Voor dat de met rauwvlas gevulde transportschepen binnen konden lopen in de haven van Lisse was er al een enorme bedrijvigheid hier aan vooraf gegaan. De route van de schepen van de Eilanden liep via de Bernisse, een brede vaarweg die de eilanden Voorne en Putten van elkaar scheidde. Daar waar de stad Geervliet lag was sedert 1179 een grafelijkheidstol opgericht. De inwoners van Lisse hadden van ouds vrijheid van passage van de Tollen van Holland, maar dat moest wel ieder jaar worden bevestigd en recognitie worden betaald. Deze bedroeg 5 Ponden vrij geld. De Schout van Lisse had de belangrijke taak dit zogenaamde “Verding van den Tholle” jaarlijks in orde te maken zoals in de Resolutieboeken van Lisse inderdaad jaarlijks beschreven staat. Hij diende hiervoor zich te begeven naar Dordrecht, die principaal over de tollen van Geervliet was. In Lisse werd de haven geheel schoon gemaakt en een ieder die er opslag had en er nering beoefende werd dringend verzocht op te krassen. Het rauwvlas was in aantocht. Als de vloot was afgemeerd in Lisse begonbhet werk. Vanuit het schip werden partijen rauwvlas verkocht aan de meest biedende. Zo werden alle schepen leeg gekocht waarna de nieuwe eigenaren zich op maakten voor de volgende behandeling. Het rauwvlas moest geroot worden en werd hiertoe naar de Klopperslanden via het Klopperslaantje vervoerd om daar in de sloten en beken deze behandeling te krijgen. Als het even kon koos de vlasboer voor het roten sloten uit waar elzenhout
bovengroeide, dit was bedoeld om het water te “breken” zoals staat aangegeven. In het gezuiverde water van de sloot werden de bossen rauwvlas onder een laag van stro en graszoden onder water gehouden. Hoe lang het rauwvlas onder water moest blijven werd bepaald door de vlasboer die daar zijn eigen proefmethode voor had. Meestal was 6 tot 12 dagen voldoende. Daarna werd het in “kapellen” op het land gezet om te drogen. De stank die hier van af kwam verjaagde zelfs de waterratten en de Lisser koeien stonden met de kont in de wind, dus voor de omliggende buitenplaatsen was het geen pretje. Het drogen noemde men ”in den sprei liggen” en als het voldoende in de sprei gelegen had, bond men het
weer op en bracht het naar huis. Hier werd het boven vuur nog meer gedroogd in de vlasovens, waarna het wordt gebraakt, gebroken dus. Dit dient om het houtachtige omhulsel van de vlasvezel af te halen en door het te zwingelen wordt dit nog verder geperfectioneerd. Hierna wordt het gehekeld, de laatste sessie, waarin de vezels worden gescheiden van het stro. Dit alles gebeurde in de zgn. hekelkotten, schuurtjes welke nog wel eens brand veroorzaakten door slordigheid met vuur en tabak roken.

Tijdens de 17e eeuw was het spinnewiel in Lisse nog een normaal meubelstuk

Tijdens de 17e eeuw was het spinnewiel in Lisse nog een normaal meubelstuk. In de vroege jaren 1620 woondeer zelfs een spinnewielmaker in Lisse, Heycke Heykesz met zijn vrouw Griete Thomasdr. en hun dochter. Deze spinnewielen produceerden het eindproduct van het rauwvlas: grove garens en het fijnere lintgaren. Hoe langer de vezel des te fijner het garen. Deze garens werden in strengen of stukken van 2000 omhalen verkocht aan de linnenindustrie in Leiden. Halverwege de 18e eeuw stortte de linnenindustrie in en hiermee verdween een zeer belangrijk stuk aan werkgelegenheid in Lisse. Werk wat al sinds mensenheugenis bij Lisse hoorde en eigenlijk niet weg te denken was, maar toch verdween. Het heeft vele jaren gekost voor dat Lisse deze klap te boven is gekomen en in die jaren hebben veel vlaswerkers Lisse verlaten op zoek naar ander werk. Deze industrietak heeft zich nooit meer hersteld. Het laatste vlas was in Lisse gelost.

VAN VER GEKOMEN: Guicherit uit Nederlands Indië (deel 1)

Magda Guicherit woont in de van der Veldstraat. Magda is een telg uit een familie, die rond 1950 Indonesië ontvluchtte. De geschiedenis vóór die tijd wordt beschreven.

Door Ria Grimbergen en Annette Heus

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 4 Herfst 2017

Het verhaal van een familie die door de machtsovername van Soekarno hun vaderland moest verlaten en een plek  vond in een voor hen vreemde maatschappij.Dit is het eerste deel van een serie verhalen over mensen die vanuit een ander land kwamen om in Lisse een nieuw bestaan op te bouwen. Vaak werden zij door omstandigheden gedwongen hun vaderland te verlaten, anderen zochten een beter bestaan.

Op een mooie, zonnige maar koude dag in november ontvangt Magda Guicherit ons met koffie in haar gezellige jaren 20-huis in de Veldhorststraat. Vanuit de kamer kijken we op de speelse tuin met niveauverschillen. Magda is een telg uit de familie Guicherit, een van de families die in de jaren vijftigvan de vorige eeuw Indonesië ontvluchtten en in
Lisse terecht kwamen. Hoe verging het ze hier? Hoe hebben zij hun weg gevonden in de Nederlandse samenleving? Op deze en andere vragen geeft Magda openhartig en uitvoerig antwoord.

Franse en de Sumatraanse roots

Magda Guicherit is in 1950 geboren in Indonesië, het voormalige Nederlands-Indië. Vlak daarna vertrok de familie naar Nederland. Na het overlijden van haar vader besefte Magda dat zij niet zoveel van de geschiedenis van haar familie afwist. Zij vroeg haar moeder die op te schrijven en zij is heel blij dat haar moeder en ook haar moeders zusje dat hebben gedaan. Wij mochten de memoires van Magda’s moeder Irene Daniela Guicherit-Schift gebruiken als inleiding op het interview met Magda. Grootvader Rudolph Theodoor Guicherit stamt uit  een Frans hugenotengeslacht. Magda’s vader Hans Guicherit is in 1914 in Indië geboren, maar zijn lagereschooltijd brengt hij door in Amsterdam. De familie keert terug naar Indië en daar gaat hij naar de HBS. Magda’s grootvader van moederskant is afkomstig van de Riau-archipel behorende bij Sumatra. Hij wordt geboren in 1893 als zoon van een inlandse vorst en krijgt de naam Mohammed Ali Nurpiah. Zijn titel is Raden, een aanspreektitel voor adellijke personen. Zijn familie brengt hem voor zijn schoolopleiding onder bij een rijk, kinderloos, Hollands echtpaar, de familie Schift. Zij laten het jongetje niet meer gaan en adopteren hem officieus. Magda vertelt dat hij wel een opleiding kreeg, wel mocht leren, maar niet teveel. Hij moest niet te ontwikkeld worden. Hij zou het niet verder brengen dan een baantje als stationschef.
Vreemd verhaal van moeder Irene “Het vreemde was” schrijft Irene Daniela Guicherit “dat alhoewel mijn vader al op heel jonge leeftijd bij de familie in huis kwam en zijn adoptief moeder hem tegenover anderen altijd haar pleegzoon noemde, hij van zijn kant altijd ‘mevrouw’ tegen haar bleef zeggen. Er was dus nooit een toonbare liefdesband tussen hen geweest. Heel vaag herinner ik mij nog een voorval met betrekking tot mijn vader. Er heerste op een of andere dag opschudding, want een oom van mijn vader had zijn bezoek aangekondigd. Hij kwam in een rijtuig aan en ik herinner me dat achter hem aan een man liep, die een gouden pajung (paraplu) boven zijn hoofd hield, dat was het teken van heel hoge adel. Hoe hij er zelf uitzag, kan ik me niet meer herinneren, alleen die pajung had grote indruk gemaakt”. In 1913 trouwt Noerpia met Magda’s oma, de 15-jarige Maria Theresia, de natuurlijke dochter van de Nederlander J.M. van Amstel en een inlandse onderwijzeres, Raden Ajoe Soemiah, ook afkomstig uit een aristocratisch geslacht.
Het jonge paar woont in bij de familie Schift en neemt in 1915 ook de naam Schift aan. Irene Daniela Guicherit-Schift: “Ik ben geboren op 8 mei 1914 in Cheribon. Mijn moeder was nog heel jong, nauwelijks zestien jaar en mijn vader nog geen twintig. Of zij mij met blijdschap ontvangen hebben, weet ik niet. Dat zal wel, want ik was de eerste. Maar wie er wel dolgelukkig waren, dat waren hun pleegouders. Zij waren van mening dat ik HUN kind was en leerden mij van jongs af aan, dit zo te zien. Mijn ouders moest ik als broeder en zuster beschouwen. Ik moest tegen hen, de pleegouders van mijn vader, “pappie” en “mammie” zeggen en tegen mijn werkelijke ouders “Jozef en Trees”. Het waren zeer welgestelde mensen. Hij was assistent-resident, een hoge bestuursfunctie in die tijd. Ruim een jaar na mijn geboorte werd er een tweede dochter geboren en ook hiermee gebeurde hetzelfde. Toen ik twee jaar was verhuisden wij van Cheribon naar Batavia. Daar hadden zij een huis laten bouwen in – voor die tijd – moderne stijl. Het was een heel groot en mooi huis. We hebben er na de oorlog wel met 45 personen in gewoond. Op de voorgevel stond in mooie letters “IRENE”, mijn naam, want dat huis zou na hun dood alleen voor mij bestemd zijn.
Mijn ouders bleven ook in het huis wonen en kregen het paviljoen. Daar werd ook een derde kind geboren, mijn zusje Nita. Wij, mijn zusje De en ik, sliepen in het hoofdgebouw, bij mijn grootouders” [de familie Schift, red.] De familie Schift, zegt Magda, pikten de drie meisjes als het ware in. Voor de twee later geboren jongetjes had het echtpaar Schift geen belangstelling. Die mochten bij hun ouders blijven wonen. De drie meisjes leiden een luxeleventje, met veel pretjes en uitjes. Ze worden opgevoed voor een leven in de hogere kringen. Ze krijgen vioolles en pianoles. Mevrouw Guicherit wordt een uitstekende pianiste. Magda’s moeder brengt een deel van haar lagere schooljaren door in Nederland, in Den Haag. Terug in Indië gaat ook zij naar de HBS. Op 10-04-1941 trouwde de ouders van Magda. Vader Hans Guicherit en moeder Irene Daniela Schift vormen vanaf nu een paar, samen met René eigenlijk al een klein gezin.

Oorlog in Nederlands Indië

VLNR: opa Rudolph Theodoor Guicherit, oma Emilie Guicherit-Hornung,  oma (moederskant) Theresia Schift, René, moeder Irene Daniela Guicherit Schift en vader Hans Guicherit. Trouwdag 10 april 1941 tussen die vrolijk makende bloemenzee, nog niets vermoedend van het naderend onheil.

Een verschrikkelijke tijd breekt aan voor het jonge gezin als in 1941 Nederland Japan de oorlog verklaart. Het gezin Guicherit telt één zoon, een tweede kind is op komst. Tijdens zware bombardementen op Batavia wordt eind februari 1942 zoon Bert geboren. De gemobiliseerde Hans Guicherit, die de Nederlandse nationaliteit heeft, wordt kort daarna krijgsgevangene van de Japanners. Die transporteren hem naar
VLNR: opa Rudolph Theodoor Guicherit, oma Emilie Guicherit-Hornung, oma (moederskant) Theresia Schift, René, moeder Irene Daniela Guicherit Schift en vader Hans Guicherit. Trouwdag 10 april 1941 tussen die vrolijk makende bloemenzee, nog niets vermoedend van het naderend onheil.
Thailand, waar hij als dwangarbeider zwoegt aan de aanleg van de beruchte Birma-spoorlijn, de Dodenspoorlijn. Bijna vier jaar duurt het voor hij vrouw en kinderen weer ziet. Mevrouw Guicherit leeft al die tijd in onzekerheid over zijn verblijfplaats. Zij trekt in bij haar ouders, haar echte. Haar vader heeft nu profijt van zijn Indonesische afkomst en houdt zijn baan bij de Spoorwegen en zo zijn er nog enige inkomsten. Als Indische Nederlandse, als Indo, wordt Irene Guicherit niet geïnterneerd in een kamp, maar woont ze aan de rand daarvan, ze is een “Buitenkamper”. Ze slaagt erin met de kinderen de oorlog door te komen.
Bersiap-periode Uit de memoires van Magda’s moeder: “Maar eindelijk kwam voor ons toch ook een einde aan de ellende…? Ja dat dachten we. We merkten dat de bevolking, de Indonesiërs, zich plotseling heel vijandig tegenover ons gingen opstellen. Niet allen natuurlijk, maar wel de jongeren. Die hadden een leger opgericht. Ze wapenden zich voorlopig nog met bamboespietsen en messen. Er brak toen een tijd voor ons aan, die nog veel onzekerder en onveiliger was dan we in de bezettingsjaren gekend hebben. Tassen en fietsen werden uit je handen gerukt. Ze sloegen je vaak, zodat je niet meer alleen de straat opdurfde. Families die een beetje verder van de Engelse Militaire Commando woonden (deze bestond slechts uit enkele honderden mensen), werden volkomen uitgemoord. De Engelsen konden met zo’n handjevol niet optreden en daardoor werd de situatie hoe langer hoe gevaarlijker. De verkopers aan de deur mochten hun waar niet meer aan ons verkopen. Zo werd de voedselsituatie hoe langer hoe moeilijker. Was dit nu VREDE??” Onder de mensen die nog geïnterneerd zijn in de kampen, vallen in deze Bersiap-periode betrekkelijk weinig slachtoffers. Zij vallen onder de bescherming van de Japanners. Juist de Buitenkampers lijden zwaar onder het extreme geweld. “Wij woonden toen nog in de Struiswijkstraat, maar verhuisden al heel gauw nadat we zagen hoe Indonesische jongeren het huis tegenover ons helemaal leeghaalden. Ze stonden met messen en bamboespietsen voor het huis.” Onder bescherming van de Engelsen verhuist de familie naar de eigen villa ‘Irene’. “We zaten daar toen met 45 mensen. Het was zo’n gespannen toestand dat ruzies natuurlijk niet uitbleven. Het was een hele nare tijd. Beschietingen van extremisten op ons huis, dat pal naast het interneringskamp stond en waar Jappen zaten, die voor de veiligheid van van de ex-geïnterneerden garant moesten staan. Het was een complete chaos eigenlijk”. Als vele andere ex-krijgsgevangenen komt Hans Guicherit weer in dienst van het Nederlandse leger en neemt deel aan politionele acties. Eerst op Bali, waar hij herenigd wordt met zijn gezin, en
later op andere eilanden. Eind maart 1947 wordt dochter Trix geboren. Een maand later volgt de demobilisatie en verhuizen ze naar Makassar op het eiland Celebes.
Behouden vaart Hans Guicherit komt in dienst van het Nederlands gouvernement en bevordering op bevordering volgt. In Makassar ziet in 1948 zoon Theo het levenslicht. In mei 1950 breken in Makassar bloedige gevechten uit tussen de soldaten van Soekarno en opstandige Molukse groeperingen. Magda’s vader kan vanuit zijn werk zijn huis en zijn hoogzwangere vrouw niet meer bereiken. Het huis van de Guicherits ligt in de vuurlinie van de strijdende partijen. Na vijf dagen is er een staakt-het-vuren en bereikt hij zijn huis via de muur van het huis van de directeur van het ‘krankzinnigenwezen’. Die zegt hem: “U bent meneer Guicherit, ik feliciteer u met de geboorte van uw dochter”. Die dochter is Magda, door de directeur ter wereld geholpen. Op 30 augustus 1950 gaat de familie Guicherit met oma Guicherit in Tandjong Priok scheep aan boord van het Engelse stoomschip de Ormonde. Het schip vaart via het Suezkanaal over de Middellandse Zee langs Portugal naar Rotterdam. Een plezierreisje met kinderfeestjes, dinertjes, bal masqués en een captains dinner. 24 september legt het schip aan in Rotterdam en verlaat de familie de Ormonde. Magda Guicherit vertelt hoe het de familie verder verging, in de wintereditie van 2018.

Wordt vervolgd.

Lissese kunstenaars kopen de Oude Openbare School

De Lissese kunstenaars Wout Ruigrok en Iet Langeveld hebben de oude openbare lagere school aan de Heereweg gekocht. Ze gaan er iets moois van maken.

Nieuwsflitsen

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 4 Herfst 2017

Gigantisch blij waren ze, Wout Ruigrok en Iet Langeveld, kunstenaars van het atelier ’Plan4’, toen ze op 30 oktober  hoorden dat ze nu wel op plek één waren beland om de oude Openbare Lagere School (OLS) te kopen voor de huisvesting van hun atelier! Net voor het ter perse gaan van dit blad kregen we te horen dat de koop ook  daadwerkelijk door gaat. Ook de Ver. Oud Lisse is zeer verheugd en hebben Wout Ruigrok en Iet Langeveld van harte gefeliciteerd! Het is hun na de jarenlange inzet van onze Ver. Oud Lisse voor het behoud van de oude OLS van harte gegund!! En ook de Lissese dorpsgemeenschap reageerde enthousiast. Via Facebook stroomden honderden felicitaties binnen.
Iet Langeveld en Wout Ruigrok voor de Oude School die zij hebben gekocht. Van de tien belangstellenden voor de Oude School hadden vijf gegadigden een financieel bod gedaan en een uitgewerkt plan voor het pand mogen indienen. De gemeente Lisse had daarbij aangekondigd dat niet
alleen naar de hoogte van het bod zou  worden gekeken, maar ook naar de plannen voor het leegstaande schoolgebouw. De namen van de vijf gegadigden zijn niet bekend gemaakt. Nog maar kortgeleden, op 5 oktober, stortte de wereld van Wout Ruigrok en Iet Langeveld in elkaar omdat ze toen hoorden van de Gemeente Lisse dat ze ‘slechts’ als No 2 werden gekozen met hun plannen voor de Oude OLS en dus niet als de kopers werden aangewezen. Ze waren van het begin af aan wel favoriet, want beide potentiële
kopers No 1 en No 2 hadden financieel vrijwel gelijke scores. Maar de maatschappelijke impact van de
plannen van koper No 1 was volgens de Gemeente Lisse iets positiever, wat de reden is geweest voor de gemeente om voor koper No 1 te kiezen. Op donderdag 2 november kwam als donderslag bij heldere hemel de boodschap waardoor de kaarten anders kwamen te liggen. Gegadigde No 1 die door de gemeente Lisse was gekozen om het project aan te gaan en die dag de koopovereenkomst zou tekenen,
haalde de plank niet. Het gevolg: Het kunstatelier ‘Plan4’ werd nu de eerste gegadigde. Die
mededeling ontvingen de kunstenaars met grote vreugde.

‘Plan4’, nu gehuisvest in het Heemskerk pand vlak naast de oude OLS, blijft dus in Lisse, op bijna dezelfde plek als nu, waar het met allerlei activiteiten aan de slag wil. “We zijn heel erg blij met deze ontwikkeling”, aldus Iet Langeveld. “Ongelofelijk hoe het allemaal is gegaan. We zitten nu bijna
negen jaar hier met ‘Plan4’. Eerst de Factorij, toen weer niet. Toen ‘Plan4’ kopen. Toen weer niet. Daarna de school kopen en daarbij tweede worden. En nu dit….”
Wout Ruigrok geeft aan dat er nog wel van alles geregeld moet worden, maar hij heeft er alle vertrouwen in dat het allemaal gaat lukken. Wout Ruigrok en Iet Langeveld willen in de Oude School onder andere
een dagopvang voor jong dementerenden, repetitie- en atelierruimte, muziekuitvoeringen en “een bloeiende schilderspraktijk” realiseren. Ook de keramiekafdeling van Lia Schalk, die nu nog boven het huidige domicilie van ‘Plan4’ werkt, verhuist mee. Tuin-en landschapsarchitecte Angela Warmerdam heeft een ontwerp voor een ‘pocketpark’ bij het pand gemaakt. Ze zijn er trots op dat ze op eigen kracht de bank achter de plannen hebben gekregen en zijn enorm blij dat het nu allemaal kan doorgaan en met ons vele anderen, gezien het enorme aantal steunbetuigingen bij de aanvraag tot aankoop. Ze gaan er iets moois van maken.

Iet en Wout mogen weer terug naar school

DAAR AAN DE HAVEN (deel 2)

Van het transportbedrijf en beurtschipper van der Linden aan de Grachtweg wordt de familiegeschiedenis beschreven.

door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 3 zomer 2017

Waar eens schepen geladen en gelost werden kreeg de Haven na de drooglegging in 1962 een andere functie. Geen schepen maar vrachtauto’s hadden het vervoer overgenomen. De haven werd parkeerterrein met op maandag de markt en eind september de kermis.

 

Beurtschippers Van der Linden

In het vorige Nieuwsblad schreven we over de voorouders van kwartierdrager en beurtschipper Martinus van der Linden. Terwijl dat stuk gebaseerd was op geschreven bronnen gaan we nu via een iets andere route verder met deze familiegeschiedenis. Nu baseren we ons ook op persoonlijke herinneringen. Jan van der Linden, oomzegger van Martinus van der Linden, was zo vriendelijk die met ons te delen.

Start familiebedrijf
We schreven al dat Wilhelmus (Willem) van der Linden een succesvol ondernemer was. Hij startte met het uitventen van schillenmest aan kwekers. Volgens Hulkenberg liep de vrouw van Willem van der Linden nog “in de zeel”. Dus in de tijd dat alleen op windkracht werd gevaren. Met een beetje fantasie zie je het voor je. Het jonge schippersechtpaar met de pas verworven vlet, hardwerkend om een bestaan op te bouwen. Willem is de schipper, maar bij onvoldoende wind om te zeilen of wind uit de verkeerde hoek moet er gejaagd worden, het werk moet tenslotte doorgaan. Dan is de extra
trekkracht van zijn vrouw Marijtje nodig. Je ziet haar aan wal zwoegen in een soort draagband om de schuit te trekken. Kleinzoon Jan weet niet anders dan dat er met motorkracht werd gevaren. Over hoe Opa Willem aan het geld voor de vlet en het stuk in de Elsbroekerpolde kwam heeft hij wel eens horen vertellen dat grootmoeder wat geld inbracht. Grootvader
Willem was een man die overal kansen zag. Al gauw kwam er naast de vlet ook een motorboot die de naam De onderneming kreeg. De vloot zou uiteindelijk uitgroeien tot 6 schuiten, die allemaal De Onderneming heetten. Willem van der Linden was niet de man van het liedje “als je voor een dubbeltje geboren bent……”, integendeel, hij maakte eerder van ieder dubbeltje een kwartje of liever nog een gulden.

Zoons in het bedrijf

Zoals vaak bij een familiebedrijf kwamen de zoons bij vader in de zaak werken. Oudste zoon Simon beet het spits af. Hij was een echte schipper, sliep niet meer in het huis van zijn ouders, maar aan boord van zijn schip. Het gebruik van een petroleumlamp (onvolledige verbranding) is hem waarschijnlijk fataal geworden. Moeder Marijtje vond haar overleden 16-jarige zoon toen zij hem op zondagochtend wilde gaan wekken. Ook de andere zoons kwamen, wanneer ze daar de leeftijd voor hadden, in de zaak. Kwartierdrager Martinus (Tinus) was de volgende in leeftijd, daarna Theodorus (Dorus, de vader van Jan van der Linden die ons zijn verhalen vertelde) en dan volgt Wilhelmus (Willem). Varen werd de zoons Van der Linden met de paplepel ingegoten. Bloembollen moesten vanaf de kwekers, voor ze verder verscheept werden, eerst naar de Haven worden getransporteerd. Dat gebeurde meestal per vlet. Zo’n platte schuit had voor het vervoer van bollen een dicht dek om het stapelen van de bollenmanden/kisten te vergemakkelijken. (Een vlet voor het vervoer van andere zaken, zoals mest of riet had dat niet). Een vlet werd leeg gebracht bij bollenbedrijven die aan het water lagen en kon ongeveer 10 ton vracht laden. Daarmee manoeuvreren moest je goed kunnen, want varen door die kleine en smalle sloten viel echt niet mee. Op de Haven werd dan gelost en werd gesorteerd naar bestemming. Want er was een geregelde vaart op Amsterdam en dan het zeetransport. Eerst zijn de jongens zetschipper. Vader Willem is eigenaar van het bedrijf
en van de zoons wordt verwacht dat ze de zaak mee groot maken. Zij zullen de zaak ooit overnemen. Helaas overkomt ook de jonge Willem een fataal ongeluk. Dat vond plaats in Rotterdam. Het bedrijf was inmiddels al een grote onderneming geworden en de jonge Willem voer op De Onderneming VI. In Rotterdam moest hij onder de Wijnbrug door varen. Door eb en vloed heb je daar hoogteverschillen. Willem was daar niet op bedacht en had het stuurrad niet naar beneden
gedaan. Het botste met het brugdek en helaas brak de bevestigingspen niet af, wat eigenlijk had moeten gebeuren. Dat kwam omdat die pen niet van ijzer was gemaakt, maar van staal. Er werd nog wel een rechtszaak van gemaakt tegen de scheepswerf die deze fout begaan had, maar de familie verloor hierdoor in 1925 de jongste zoon.

De schepen

Voor de schipper is zijn schip zijn lust en zijn leven. Op ieder schip was een schipper en een schippersknecht. De laatsten waren vaak Katwijkers. Om in de machinekamer te komen gingen de klompen uit en ging het op de sokken naar beneden. In de machinekamer stonden oude sloffen, die de machinekamer niet uitkwamen. Zo bleef het daar schoon. De leidingen
van de motor waren van koper en moesten altijd worden gepoetst. Ze glommen je dan ook tegemoet. Het gewone onderhoud van het schip was voor de schipper. Ieder jaar kregen de schepen een verfbeurt. Dat moest voor eind mei in orde zijn, want dan begon de drukte. De bovenkant van de schepen werd geteerd (Dat ouderwetse teren is al weer lang
verboden, maar indertijd was het een terugkerende klus, niet alleen op schepen, maar ook op boerderijen enz.). Een gevleugelde uitspraak uit die tijd: “niet halen met die kwast, maar draaien met die kwast”. (kwam je beter in de nerven). Teerlucht slaat op je ogen en je moet uitkijken voor verbranding. Gelukkig lag aan de overkant van de Haven van Hillegom het Hof, met hoge bomen. Een mooie plek om in de schaduw de teerklus te doen.

De groei aan de Haven

Van der Linden begon in 1900 aan de Hillegomse Haven. Na de vlet werd de eerste grote schuit, Onderneming 1, aangeschaft. Daarmee werd een beurtdienst onderhouden. In Amsterdam was aan ‘t Singel een walhuisje voor de beurtschippers. Vanuit Hillegom, waar toen nog veel tuinders actief waren, werden groenten naar Amsterdam gevoerd. Daar waren de grote markten en kon men deze producten het best slijten. Natuurlijk zorgde je dan dat de schuit niet leeg terugging naar de Bollenstreek. Winkels als AH en dergelijke voeren zo hun artikelen vanuit Amsterdam aan, maar ook wanneer er bijvoorbeeld een fiets van Amsterdam naar de plaatselijke fietsenmaker moest dan werd dat via het walhuisje geregeld. Daarnaast was er het bollenvervoer dat steeds belangrijker werd. De bloembollenteelt werd deels naar ‘de Noord’
verplaatst en dus werden er bloembollen op en neer vervoerd tussen de Bollenstreek en Breezand, Anna Paulowna enz.. Bollenhandelaren kochten bollen op de veiling van Bovenkarspel. Die moesten naar de Bollenstreek. De bollen die
gekocht waren door Lisser kwekers werden vervoerd naar de Haven van Lisse, die voor de Hillegomse kwekers werden door de schippers van Hillegom vervoerd. De reis was nog een hele onderneming. Om naar de Noord te komen ging je vanuit de Bollenstreek via de Ringvaart naar Haarlem (daar passeerde je drie bruggen) en via de Mooie Nel naar de sluis van Spaarndam. Daar doorheen en via Buitenhuizen over het Noordzeekanaal naar Amsterdam. Dan door de Oranjesluis de Zuiderzee op (dat was toen nog een binnenzee, de afsluitdijk dateert pas van 1932) en naar Bovenkarspel. Heel veel stuurmanskunst is daarbij nodig en bij slecht weer ook niet zonder gevaar. Tegenwoordig heb je een stuurhut, toen
nog niet. Het kon dus spoken en dan was je blij weer op binnenwater te zijn.
Het Leidsch Dagblad van 25 juli 1925 meldt dat Willem van der Linden en zijn vrouw het 25-jarig bestaan van hun bedrijf eigenlijk ongemerkt hadden willen laten passeren (waarschijnlijk vanwege het verlies van hun jongste zoon) maar
dat dit niet gebeurde. Het walpersoneel bood een schitterend bloemstuk aan, voorstellend de Motorboot 1 en ook de kinderen boden een model aan van De Onderneming 1. In prachtige zilversmeedkunst meldt de krant, die ook nog
vertelt dat het werk die dag gewoon doorging, maar dat er ’s avonds feest werd gevierd. De zaak was dan eenvoudig gestart, maar was inmiddels een grote onderneming geworden.

Copex

Copex is nog steeds een toonaangevende speler op het gebied van logistiek. De Bond van Bloembollenhandelaren
richtte dit expeditiebedrijf in Hillegom op. Op de website van het Coöperatief Expeditiebedrijf Copex G.A staat vermeld dat het bedrijf in 1921 werd opgericht ’als tegenwicht tegen de onderlinge prijsafspraken van beurtschippers’. Het vervoer van de bollen werd daarop door Copex per spoor georganiseerd. Voor Van der Linden heel vervelend natuurlijk. Maar zijn kans kwam nog wel, want de afhankelijkheid van het spoor was ook niet alles. Een spoorwegstaking, net in het seizoen dat de bollen op transport moesten, noodzaakte de bollenhandelaren om toch weer met Van der Linden te gaan praten. Dat kon en opnieuw vervoeren kon ook, maar dan moest wel de prijs met fl.5 per ton omhoog en voor 10 jaar contractueel vastgelegd. Dat was schrikken voor de heren van Zanten, van Waveren, van Schooten en anderen en er ontstond natuurlijk gemor bij de bond. Maar de nood was hoog, de bollen moesten weg. Dus gevaren werd er. Overigens werd de verstandhouding tussen Copex en Van der Linden prima! Copex werd een geregelde opdrachtgever.

Koning van de Haven

Het bedrijf Van der Linden groeide. Voor een schuit aan de kade moest liggeld betaald worden. Met de groeiende vloot en de noodzaak om de kade voor het laden en lossen te gebruiken werd daarom met de gemeente een overeenkomst gesloten die inhield dat de kade van de haven rug tot de Havenstraat het terrein van Van der Linden was. Dat werd een contract voor meerdere jaren waar natuurlijk een prijskaartje aan hing. In die periode ontstond de naam Koning van de Haven voor Willem van der Linden. De gebruiksovereenkomst zou op een bepaald moment af gaan lopen en zo gebeurde het dat burgemeester Pont (ambtsperiode 1928-1937) vanuit de Hoftuin tegen Willem van der Linden riep: “we moeten eens praten”. Willem liet zich niet roepen en zei: “als er wat te praten valt dan kom maar op kantoor.” Dat gebeurde, de burgemeester kwam, maar het gesprek verliep stroef, de sfeer werd steeds grimmiger. Tot bij Willem de grens bereikt was, hij sommeerde de burgemeester naar buiten, wees hem de perceelgrens en sprak: “daar heb jij wat te zeggen maar hier bepaal ik het.” Tja, zo krijg je de naam Koning van de Haven.

Twee vestigingen

Een eerdere havenverbreding werd al rond 19 12
gerealiseerd, ±10 jaar later werd de gracht nog nog eens extra verdiept maar toen was de molen al afgeknot.

Lisse had, vergelijkbaar met Hillegom, altijd al een verbinding met het Haarlemmermeer en ook transport over water naar Amsterdam, Leiden enz. was belangrijker dan het transport over land. Toch lijkt de ontwikkeling van de Hillegomse Haven anders te zijn verlopen en eind 19e eeuw ook belangrijker te zijn geweest. Het havengebied in Lisse kreeg een belangrijke impuls toen de veilinggebouwen rond de Gracht werden gesticht. In 1922 werd aan de Haven een Duitse hangar geplaatst die dienst ging doen als veilinggebouw (HoBaHo). Dit was de start van veel bedrijvigheid in het Havengebied. Ook de HBG was al aan de Gracht gevestigd. In augustus 1923 meldt de Leidsche Courant een reisje van het
Lisser gemeentebestuur naar de voltooide nieuwe en verbeterde havenslootwerken. Enkele jaren daarvoor werd de Haven al verbreed en op diepte gebracht, maar schepen met wat meer diepgang konden de Haven toen nog niet binnenkomen. In het bedrijf van Willem van der Linden waren zijn zoons inmiddels actief. Zoon Martinus is in 1920 getrouwd. Het bedrijf liep prima en Willem zag de groeiende mogelijkheden in Lisse, zeker nu het havengebied beter bereikbaar was geworden. In het vorige artikel stond al dat Willem van der Linden in 1929 het pand aan de Haven in Lisse kocht van G. van Parijs. Het bedrijf kon hierna georganiseerd worden vanuit 2 vestigingen. Martinus woonde met zijn gezin in hetpand aan de Haven dat later lang dienst deed als VVV en hij leidde de Lisser vestiging. Toen Willem van der Linden de zaak overdeed aan zijn twee zonen ontstonden er feitelijk twee bedrijven. Willem van der Linden trok zich terug, kocht een huis aan de Leidsestraat en liet boven de voordeur een muursteen inmetselen met de symbolische naam “voor anker”. (Het huis staat er nog, nr. 80, maar de naam is niet te vinden). Dorus van der Linden bleef in Hillegom aan de Haven en noemde zijn bedrijf naar zijn schip, ‘De Onderneming’ en Martinus van der Linden huisde als vanouds in Lisse. In 1936 wordt achter het Lisser woonhuis in opdracht van Martinus een loods gebouwd. In 1946 wordt het waaggebouw, dat naast het woonhuis ligt, afgebroken en komt er een garage die Martinus in 1948 koopt.

Vrachtwagens

Het bedrijf van Mart van der Linden voor het plaats ging maken voor de appartementen van de Molenstraat

Het duurde tot na de 2e wereldoorlog voor de schepen echt concurrentie kregen van vrachtwagens. Het vervoer per schip was veel goedkoper omdat er meer lading tegelijk in een keer meegenomen kon worden. Werd ’s avonds een schuit van 80-100 ton met bollen geladen in De Noord dan was die de volgende ochtend weer voor wal in Hillegom of Lisse om te lossen en te bezorgen bij de bollenbedrijven. Per schip was het een hele onderneming, maar denk eens in hoe dat met een vrachtauto zou gaan; er zouden wel 20 vrachtwagen nodig zijn en dat moest dan door Alkmaar, Limmen, Heiloo, Castricum, Beverwijk (geen snelwegen), dan met de pont (tunnel was er niet) en verder door Haarlem en door de
dorpen tot de Bollenstreek bereikt was. In de oorlog was vervoer met vrachtauto’s nauwelijks mogelijk, het materiaal
was door de bezetter geconfisqueerd. Het vervoer over water kon, zij het natuurlijk ook met veel moeilijkheden, doorgaan. Daar werd door Van der Linden gebruik van gemaakt en niet alleen voor het reguliere vervoer. Else Wesseling vertelde in haar artikel in het Nieuwsblad van juli 2012 al over de elf piloten die in het ruim van het schip werden verborgen en zo veilig Rotterdam wisten te bereiken. Na de oorlog volgde de wederopbouwtijd. Langzamerhand komen er meer  mogelijkheden voor vrachtverkeer. Het telefoonboek van 1954 spreekt nog van Beurtvaart- en Expeditiebedrijf Mart van der Linden. Het telefoonboek van 1958 vermeldt Intern. Transportbedrijf. De beurtvaart is dan feitelijk geëindigd. In 1961 wordt het gedeelte van de Haven bij het woonhuis van Van der Linden drooggelegd. Het plein voor het huis is nu opnieuw in een nieuw jasje gestoken en een fraai visitekaartje voor Lisse geworden. Wat de toekomst van hethuis van Van der Linden wordt is nog toekomstmuziek.

bronvermelding en dank
Met dank aan de heer Jan van der Linden en leden van Vrienden van Oud Hillegom. Voor het fotomateriaal danken we het Regionaal Archief Leiden en Gemeentelijk Archief Lisse. Veel van de gebruikte foto’s komen uit het archief van Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse” o.a. de fotoserie “de Gracht”, ooit ingebracht door de heer Moerkerken.

Van links naar rechts. IJspret op de gracht, de man in het witte hemd is Martinus van der Linden ±1935. Vrachtauto en schuit met stuurhutje ±1950. Laatste aankomst van de “Goedheiligman” in de Haven nov.1961. Een maand later is de gracht al bijna gedempt. dec. 1961. Kermis 1964. Toch kwam er weer een ‘mart’ op de haven, maar deze was er alleen op maandag.

Oud Nieuws: Made in Lisse

De vergaderingen van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, opgericht in 1766, werden tot 1844 gehouden in de Witte Zwaan in Lisse. De wetenswaardigheden van de maatschappij worden beschreven.

door Arie de Koning

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 3 zomer 2017

De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde is een in 1766 opgericht letterkundig historisch genootschap en is als zodanig een van de oudste verenigingen van Nederland. Zij werd gesticht in Leiden en is daar nog steeds gevestigd. Haar beschermheer is koning Willem Alexander. De Maatschappij stelt zich statutair tot doel: de beoefening van de schone letteren en de studie van de Nederlandse taal- en letterkunde, geschied- en oudheidkunde in hun onderlinge samenhang te bevorderen. Nou dat klinkt goed, maar de Maatschappij diende ook een breder, socialer doel. Vooral het  gezelligheidsaspect was voor de leden belangrijk. De jaarvergaderingen werden doorgaans druk bezocht waarbij de
drank rijkelijk vloeide. Er waren nooit minder dan vijftig, meestal meer dan zeventig en een enkele keer zelfs meer dan negentig aanwezigen. Thorbecke, die in 1831 op de jaarvergadering in Lisse aanwezig was, schreef aan Van Assen dat hij het plezierig vond dat men bij zulke samenkomsten een hoop kennissen ontmoette: ‘Er was bij die aanzienlijke samenkomst minder orde en tucht, dan bij eene ontgroenpartij’. “Zingende en lollende zijn de leden naar onderscheiden
kanten afgedropen”. We weten nu ook gelijk waar de inspiratie van de meeste heren schrijvers en dichters vandaan kwam: ‘Made in Lisse’ zou bij de meeste gedichten en sonnetten bijgeschreven kunnen worden.
Deze jaarvergaderingen vonden plaats in Logement De Witte Zwaan gelegen aan het Vierkant te Lisse. Hier vierde menig kersverse doctor zijn promotiepartij. Beets beschreef zo’n feest, waarbij hij als Aesculaap, de halfgod van de geneeskunde, optrad, met in zijn handen een ‘rotting waarom zich een levende paling kronkelde’, waarbij de doctor gekroond werd
met bloemen, peterseliebladen en wortelloof. Klikspaan, het pseudoniem van Johannes Kneppelhout welke hij gebruikte als hij over zijn medestudenten schreef, herdacht De Zwaan in zijn Studentenleven (1844).”Hoe vaak had hij er niet gemijmerd, gedronken en genoten?” Lisse was weleer zeer in de mode geweest, maar het dorpje was volgens Klikspaan ‘verloopen’: “En nu! Bakhuizen, waar blijven uwe Studentjes? Burgemeester, waar blijven uwe Dissertaties? Ach! de Zwaan is eene gemeene herberg geworden, elke andere gelijk, niemand houdt er meer voor stil dan de Heeren van Letterkunde en de Conducteur van dezen of genen postwagen.”
In de landelijke rustgevende omgeving van Lisse kwamen de leden tussen 1825 en 1843 jaarlijks bijeen en de feesten trokken veel illustere personen naar De Witte Zwaan waar Cornelis Antonius Bakhuizen als kastelein samen met zijn vrouw Frederica Hoekveld de scepter zwaaide. Blijkbaar kwam de klad erin als we Klikspaan moeten geloven die
zich al afvraagt waar de studenten bleven die vanuit Leiden Lisse en de Zwaan bijna dagelijks bezochten en met feesten de zaak luister gaven. En de Lisser Burgemeester Ernst Joseph van den Bergh, lid van de vereniging vertrok op 2 januari 1844 uit Lisse en werd opgevolgd door Burgemeester van Rosse, geen lid, daarom geen dissertaties meer van zijn kant. En
wat te denken van de beroemde Lisser Baarsschotel. Nergens werd een baars zo voortreffelijk bereid als in De Zwaan in Lisse. Ja Lisse was in de mode geweest, vele beroemdheden hadden zich opgehoudenv in De Zwaan: Willem Bilderdijk, Nicolaas Beets, Johan Rudolf Thorbecke, de lijst zou te lang worden voor dit korte stukje. In 1844 werd de jaarvergadering
voor het eerst niet in Lisse gehouden maar in Huis Den Deijl in Wassenaar en ook de studentenfeesten verhuisden van Lisse naar Wassenaar. Het was vergoed gedaan met de jaarlijkse vergadering in De Witte Zwaan. Literair Lisse dutte langzaam in slaap, de energie was er even uit.

De Witte Zwaan gezien vanuit het noorden, ca. 1900-1905. Ook hier valt het vele geboomte in het oog. Aan de laatste boom langs de weg in het midden van de ansicht is een bordje aangebracht met waarschijnlijk de tekst: ‘INRIJ voor RIJWIELEN’. Daaronder hangt een vaandel van – waarschijnlijk – de ANWB met als tekst: Vereeniging voor auto’s.