Berichten

EEN PLANKJE OP DE LISSERDIJK

Op een plankje in de woning Lisserdijk 508 staat “Behangen door J.P. Bemelman”, 3 augustus 1882. Er staan ook namen van  timmerlieden op. De geneologie van alle personen wordt besproken.

door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 1, januari 2016

Mijn verre voorouder Johannes Petrus Bemelman is indertijd in Amsterdam neergestreken en zijn nageslacht is er enkele generaties lang gebleven, maar mijn betovergrootvader vestigt zich rond 1839 in Noordwijk. Hij wordt de stamvader van een groot en kleurrijk nageslacht waaronder het aantal schilders heel groot geweest is. Mijn overgrootvader Jan (Johannes Petrus) Bemelman is in 1854 in Noordwijk geboren. Hij was het elfde kind in het gezin van zijn ouders en was de vijfde zoon op rij die schilder werd. Na hem kwamen er nog drie schilders, en een van de dochters trouwde met een schilder.
Jan Bemelman trouwt in 1881 met de Lissese Geertruida Balkenende. Ze wonen in Lisse en samen krijgen ze zes kinderen. Jan is dus zoals zijn broers ook schilder geworden. Hij is echter op heel jonge leeftijd overleden, hij was toen pas 34 jaar oud. Van zijn zes kinderen is dan al één dochtertje heel jong gestorven. Jans weduwe Geertruida staat er ineens alleen voor met vier kleine kinderen en in verwachting van de vijfde. Hun kleine Jan is pas vier jaar oud, zijn jongste broertje wordt vijf maanden na het overlijden van hun vader geboren maar wordt slechts zes weken oud.
Na het overlijden van haar man heeft Geertruida Balkenende de draad voor haar en haar gezin weer opgepakt en gaat aan de slag als winkelierster in manufacturen. Ze hertrouwt met odorus Schrama en krijgt met hem vier kinderen. Maar Theodorus is waarschijnlijk al ziek als zijn jongste kind geboren wordt, want hij is niet in staat om aangifte van de geboorte te doen. Een iets ouder zoontje overlijdt tien dagen na de geboorte van zijn broertje en net nadat kleine Jan Bemelman zijn tiende verjaardag heeft bereikt, overlijdt ook zijn stiefvader. Geertruida staat er weer alleen voor, met zeven kinderen nu.
Kleine Jan, later mijn opa, zou zich in die periode van zijn leven nogal eenzaam en verweesd gevoeld hebben. Dat heeft hij mijn vader indertijd wel verteld op de zondagen wanneer hij met zijn jongste zoon Koos achter op de fiets naar Noordwijk gaat, voor familiebezoek. Kleine Jan is immers zijn vader op heel jonge leeftijd verloren en vervolgens zijn stiefvader maar enkele jaren later. Zijn moeder Geertruida moet het razend druk gehad hebben en kleine Jan is er toen mogelijk een beetje bij in geschoten. Als hij zeventien jaar oud is, vertrekt Jan junior dan maar naar Voorhout om bij zijn vaders broer de fijne kneepjes van het schildersvak te leren. Hij komt in 1907 terug naar Lisse en vestigt zich als schilder en trouwt in 1909.

Een bijzonder berichtje in de krant

Omdat Jan Bemelman senior zo jong is overleden heeft hij slechts weinig historie nagelaten. Dat is voor een onderzoeker van de familiegeschiedenis een gemis. Het is dan ook prachtig als ik in een historische krant een berichtje vind, over een plankje dat vijftig jaar eerder in de Lisserbroek achter het oude behang vandaag gekomen is. Mijn overgrootvader en twee timmerlieden blijken dit plankje te hebben beschreven en dat heeft zestig jaar verstopt gezeten…
In de zomer van 1882, dus zes jaar voordat hij uiteindelijk komt te overlijden, doet Jan een behangklus in de Lisserbroek. Dat wordt pas belangrijk als het zestig jaar later opmerkelijk genoeg is om er een krantenbericht aan te wijden. Het verschijnt zelfs in twee verschillende kranten in de regio Leiden. In 1952 namelijk besluit de bewoner van Lisserdijk 508 de woonkamer opnieuw te behangen. Daarom moet niet alleen het oude behang maar ook het tengelwerk – het houten regelwerk op de muur, waar het oude behang op vastgeplakt zit – worden verwijderd. De kinderen helpen mee en ontdekken een plankje achter het behang, met een opschrift waaruit blijkt dat het zestig jaar lang achter het oude behang gezeten heeft. Twee timmerlieden hebben er hun namen op gezet en een beloning voor de vinder genoteerd: ‘Diegenen die dit vinden, kunnen op onzen naam één kan jenever halen’. Op de andere zijde van het plankje stond: ‘Behangen door J. P. Bemelman, 3 augustus 1882’.

De timmermannen van het plankje

Op het plankje staan de namen van de timmerlieden die de klus hebben ‘afgemaakt’ en zij noteren daarbij voldoende details om met de huidige mogelijkheden hun geschiedenis in beeld te krijgen.
De eerste is: ‘H. Pieterse, geboren te Rijpwetering, den eersten April 1862’: Na enig zoeken blijkt dit Hendricus Pieterse te zijn, geboren 1 april 1862 in de gemeente Alkemade, waar Rijpwetering nu onder valt. Hij is de zoon van Pieter en van Elizabeth Drieman. Hij is dan net twintig jaar oud, als hij op het plankje schrijft en nog niet getrouwd. Enkele jaren later, in 1887, trouwt hij met Petronella van der Fits. Hun kinderen worden in Alkemade geboren, vier ervan worden volwassen. Rond 1913 is Hendricus met zijn gezin naar Den Haag vertrokken. Daar loopt het spoor dood.
De tweede timmerman is: ‘J.B. van Hensbergen, geboren te Noordwolde Friesland, den 5den Januari 1860’. Zijn voornamen blijken Johannes Braun en hij is in de gemeente Weststellingwerf ingeschreven als zoon van Johan Adolf, dan 39 jaar oud, arbeider en wonende te Frederiksoord onder Noordwolde. Zijn moeder is Petronella Wilhelmina Anna Dirkse.
Frederiksoord is een kolonie van de Maatschappij van Weldadigheid bij de grens van de provincies Friesland, Drenthe en Overijssel geweest. De grootouders van Johannes Braun komen eind oktober 1826 met enkele jonge kinderen en een baby in de kolonie aan. Ze komen uit Den Haag en zijn waarschijnlijk arm, dakloos en radeloos en door de Haagse burgemeester opgezonden om te worden heropgevoed.
Zowel Johannes Braun, zijn twee zussen en een broer als zijn beide ouders zijn in die kolonie geboren. Zodra iemand in de opvoedkolonie was opgenomen, kwam deze niet gemakkelijk weer weg, of anders vaak weer terug. De bewoners worden doorgaans als kolonisten aangeduid. Broer Frans wordt timmerman en trouwt in 1874 met Maria Hendrika, eveneens een kolonistenkind uit kolonistenouders. Maar kort na de geboorte van hun eerste kind vertrekt dit jonge gezin naar Lisse waar nog drie kinderen geboren worden. In 1881 verhuist het gezin naar Renkum waar ze nog een aantal kinderen krijgen. Blijkbaar hebben ze het gered in de gewone maatschappij. De jongste zoon brengt het zelfs tot hoofdbesteller bij de PTT.
Is Johannes Braun samen met zijn broer uit de kolonie gestapt? Hij werkt in 1882 dus als timmerknecht in Lisserbroek, maar helaas voor hem is zijn broer met zijn gezin dan alweer uit Lisse vertrokken. Waarschijnlijk kan hij zich in zijn eentje niet staande houden in de harde buitenwereld, of is hij misschien ziek geworden? Hij overlijdt in elk geval in 1885, ongehuwd en pas vijfentwintig jaar oud. De aangifte wordt gedaan in de gemeente Weststellingwerf, precies als bij zijn geboorte, wonende in Frederiksoord, dus toch weer terug in de kolonie …

Te laat voor de kan jenever

Die kan jenever zal het gezin na zestig jaar wel nooit gekregen hebben, zo veronderstelt de journalist in het krantenbericht van 1952. Van Jan Bemelman en van Johannes Braun van Hensbergen staat in elk geval vast dat ze al jaren eerder overleden zijn, van Hendricus Pieterse is dat niet helemaal zeker, echter wel waarschijnlijk.
Door adres in het krantenbericht kom ik via de beeldbank van Noord-Holland en het boek ‘Zo was het in Lisserbroek’ aan een foto van het huisje aan de Lisserdijk 508. Het is echter gesloopt. Een van de schrijvers van het genoemde boek en enthousiast beheerder van een historisch archief over de Lisserbroek, de heer Aart Donker, laat weten dat dit een daggelderswoning bij de kwekerij van Cornelis Adrianus van Leeuwen in Lisserbroek is geweest en dat het heel goed mogelijk is dat het in 1882 gebouwd is. Het huisje heeft in de onderdijk gestaan waar het ooit het adres Achterom 49 had. Hier woonde aan het eind van de Tweede Wereldoorlog een zoon van Dirk van der Tang, de zaadhandelaar uit Lisse die vlak bij het Vierkant woonde. Zoon Kees is bloembollenkweker en hij met zijn vrouw Jannetje en hun gezin zijn de laatste bewoners van dit huis geweest. Hier zullen dus de kinderen van Kees het plankje in 1952 ontdekt hebben waarna hun vader of moeder de krant gebeld heeft om de vondst van het plankje te melden. Misschien hadden ze toch nog een heel stille hoop die jenever nog te kunnen krijgen…?

Lisserdijk 508 Lisserbroek (coll. Historisch Archief Lisserbroek – Aart Donker)

Dit oude huisje, in de kenmerkende bouwstijl waarvan er zo heel veel in de Haarlemmermeer geweest zijn, is in elk geval in 1967 gesloopt. Daar moest de toegangsweg komen voor het erachter gelegen industrieterrein de Kruisbaak.

Bronnen:

Familiegegevens Bemelman, ProGen VOL;

Erfgoed Leiden – krantenarchief;

WieWasWie,

FamilySearch,

Drents Archief – bronnen Maatschappij van Weldadigheid;

Bevolkingsregister Lisse; Noord-Hollands Archief – beeldbank;

Historisch Archief Lisserbroek – Aart Donker;

Zo was het in Lisserbroek (1978) Nic. Bouwmeester, Maarten Doedes en Aart Donker

Wim Randsdorp, een Lissese jongen tewerkgesteld in Duitsland

Nu zie ik je nooit meer” is een boek, geschreven door Marjon Griffioen over Wim Randsdorp, overleden in 1943 in Duitsland. Van hem zijn er 70 brieven bewaard, geschreven aan zijn zus.

door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 4, oktober 2015

‘Nu zie ik je nooit meer …’ zegt Wims moeder bij het afscheid van haar zoon, als deze in het najaar van 1942 naar Duitsland vertrekt om daar tewerkgesteld te worden. Haar slechte voorgevoel over de afloop ervan wordt helaas werkelijkheid als hij eind november 1943 bij een bombardement om het leven komt. Na het overlijden van de zus van Wim, blijkt zij bijna zeventig brieven van haar broer uit zijn periode in Duitsland te hebben nagelaten. Brieven die Wim heeft geschreven aan zijn ouders, broers en zussen. Schoondochter Marjon Griffioen is ervan overtuigd dat ze een verhaal vormen dat verteld moet worden. Door een boek te schrijven over Wim Randsdorp wil ze hem een stem geven, een stem die het verhaal van zijn laatste levensjaar vertelt. Hoewel er volgens Marjon tussen 200.000 en 300.000 tewerkgestelde Nederlanders geweest zijn, waarvan er ongeveer 29.000 zijn omgekomen, is er weinig over hen bekend geworden. Over onderduikers hebben we geleerd door bijvoorbeeld het dagboek van Anne Frank. In de vele brieven van Wim Randsdorp schrijft ook hij, als in een dagboek, over alledaagse dingen zoals de smaak van het eten en het grote gebrek aan voldoende ervan, over zelf kleding moeten wassen, kapotte sokken en schoenen en zijn behoefte aan warme klompen, over behoefte aan wat geld voor kleine uitgaven. Hij wil echter vooral niet laten zien dat hij het soms zó moeilijk heeft en weigert bij de pakken neer te gaan zitten. Zijn heimwee naar Holland, familie, vrienden, verjaardagen en zijn toenemende angst blijken tussen de regels door steeds duidelijker. Hij put een enorme hoop en steun uit zijn geloof en probeert zo vaak mogelijk troost in de katholieke kerk te vinden. Hoop en wanhoop strijden om een plek, hij blijft proberen de moed erin te houden, telt af naar de jaarwisseling van 1942-1943 en naar zijn verlof, waarvan hij steeds meer gaat inzien dat dit er nooit gaat komen … Het is een aangrijpend en invoelbaar document geworden, met een verhaal dat niet alleen voor de familie belangrijk is, maar ons allemaal een beeld geeft van de worsteling van deze Wim en vele andere tewerkgestelden in Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Absoluut een aanrader. Zie het als een vorm van eerbetoon aan hem en zijn familie dat we in het Nieuwsblad van dit kwartaal zijn Lisses Kwartiertje geplaatst hebben. In onderstaand artikel gaat het vooral om de voorouders van Wim Randsdorp.

Gijsbertus Ransdorp en Jannigje van Zoelen

Waarschijnlijk rond 1810 trouwen Gijsbertus Randsdorp en Jannigje van Zoelen, mogelijk in Jutphaas. Er worden uit dit huwelijk in elk geval zeven kinderen geboren. Aanvankelijk woont het gezin in IJsselstein – waar de eerste vier kinderen geboren worden – en verhuist dan naar Jutphaas. Beide plaatsen liggen onder de rook van Utrecht, niet ver van elkaar vandaan. In Jutphaas overlijden begin 1818 de kleine Jan van vijf jaar en Kaatje van twee jaar oud. In oktober van het jaar daarop, komt als vijfde kind Jan Randsdorp ter wereld. Hij is later de overgrootvader van Wim Randsdorp. Na Jan worden nog twee dochters geboren. Het beroep van vader Gijsbertus is hoepelmaker. Van zijn overlijden in 1839 doet zoon Willem aangifte op het gemeentehuis, ook hij is hoepelmaker.

Overgrootvader Jan Randsdorp en zijn vrouw Barbara

In 1850 trouwt Jan Randsdorp, als dertigjarige kleerbleker in Utrecht met Barbara Maarschalkerweerd, een kleerbleekster van 26 jaar oud. Na zijn vader is nu ook de moeder van Jan overleden, net als beide ouders van de bruid. Als getuigen van het huwelijk zijn alleen een oom en een broer van Barbara en een neef van Jan aanwezig als nauwste verwanten. De bruidegom schrijft zijn naam onder de huwelijksakte, de bruid verklaart niet te kunnen schrijven. Het gezin woont in Utrecht, daar worden de eerste kinderen geboren, waaronder Gijsbertus Johannes in 1852. Tegen het jaar 1860 verhuist het gezin naar Jutphaas. De naam Johannes Gijsbertus moet in het gezin heel belangrijk geweest zijn, want er zijn maar liefst vier kinderen met die voornamen geboren: het eerste kindje in 1851 wordt slechts 10 maanden oud; het jongetje daarna geboren in 1855 wordt maar vier jaar oud; het derde naamgenootje leeft nog geen drie maanden en alleen de zoon die in maart 1866 wordt geboren, is volwassen geworden en pas op middelbare leeftijd overleden. Vader Jan Randsdorp is nog lange tijd kleerbleeker gebleven en wordt later hoepelmaker. Voordat ook hij in 1866 overlijdt, woont en werkt hij als hoepelmaker in Jutphaas.

Grootvader Gijsbertus Johannes Randsdorp

In 1877, trouwt Gijsbertus Johannes Randsdorp met dienstbode Kornelia van Breukelen uit IJsselstein. Vader Jan Randsdorp is al overleden maar moeder Randsdorp is bij de huwelijksvoltrekking aanwezig en geeft haar toestemming. Oom Willem Randsdorp, de broer van vader treedt op als getuige voor de bruidegom, hij is 60 jaar en nog steeds hoepelmaker. Naast de veldwachter zijn er nog twee getuigen, bekenden van het bruidspaar, inwoners van Jutphaas en beiden hoepelmakers. De moeder van de bruidegom, zijn oom Wim en ook de ouders van de bruid verklaren door onkunde niet te kunnen schrijven of hunne namen te teekenen. Het bruidspaar vestigt zich in Jutphaas waar in augustus 1878 het eerste kind geboren wordt. In Jutphaas volgen nog vier kinderen, alleen zoontje Jan wordt slechts 15 maanden oud. Vader Gijsbertus Johannes (Gijs) wordt in de aktes aanvankelijk steeds als arbeider aangeduid – een niet specifieke beroepsnaam – maar staat vanaf 1883 genoteerd als hoepelmaker. Het gezin verhuist naar IJsselstein waar in november 1886 Johanna geboren wordt. Zij overlijdt echter al na drie dagen. Ook haar zusje Cornelia wordt een jaar later maar enkele dagen oud.

Hoepelmakers en griendcultuur

Vooral langs de lagere delen van de rivieren vinden we de hoepelmakers. Het griendhout, of wilgenhout, gedijt heel goed op akkers die regelmatig onder water komen te staan en vochtig blijven. Door de grote toename van de bevolking in de 19e eeuw, is er steeds meer vraag naar levensmiddelen. Die worden dikwijls vervoerd in vaatjes, bijeengehouden door hoepels van wilgenhout. De grote vraag naar deze hoepels leidt tot grootschalige aanplant van grienden en tot een bloei van het beroep hoepelmaker. De hoepelmaker klooft geschilde tenen of stokken wilgenhout in tweeën, en buigt die na het weken tot hoepels, die vooral gebruikt worden rond haring- of botervaatjes. Rond IJsselstein en Jutphaas zijn veel grienden en hoepelmakers geweest.

Houten tonnen met wilgen hoepels in de visverwerking (coll. Het Geheugen van Nederland)

Rond 1900 wordt het aantal hoepelmakers echter zó groot dat dit van negatieve invloed is op de prijs van de hoepels en de lonen van de hoepelmakers blijven daardoor laag. Vlees zou er in hun gezinnen nog maar zelden op tafel komen, de knolraap die ze in plaats daarvan dikwijls eten, wordt dan ook wel hoepmakers spek genoemd. De industrie van het hoepelmaken verdwijnt dan ook meer en meer rond het begin van de 20e eeuw en de grienden zijn weer weilanden geworden.

Familie Randsdorp van kerk naar kerk

De lage lonen voor de hoepelmakers zullen van invloed geweest zijn op het vertrek van de familie Randsdorp uit hun woonplaats IJsselstein. Volgens het Bevolkingsregister van hun oude woonplaats is het gezin in juni 1888 naar Hengelo vertrokken. In 1893 blijkt het gezin in Enschede te wonen. Vader Gijs komt met vrouw en vier kinderen voor in het Bevolkingsregister van deze stad. In juni 1893 wordt op den Berkenkamp, wijk C nog een zoon Gijsbertus Johannes geboren. Vader is dan geen hoepelmaker meer, maar staat als arbeider geregistreerd. Hoewel hij later in documenten voorkomt als timmerman en metselaar, wordt in deze akte geen specifiek beroep genoemd.

St. Agathakerk in Lisse – bouw 1902 -1903

Lisette van der Lans schrijft in haar boek ‘St. Agatha 1903-2003’ over Gijs(bertus) Randsdorp dat hij heeft meegebouwd aan kerken in Enschede, Vilsteren en Den Haag. Het lijkt aannemelijk dat hij eveneens betrokken geweest is bij de bouw van de noodkerk in Hengelo. Deze wordt in 1888 gebouwd in de tuin van de pastorie en wordt gebruikt, voorafgaand aan de bouw van de Sint-Lambertusbasiliek. In 1893-1894 heeft Gijs in Enschede waarschijnlijk bijgedragen aan de bouw van de St. Jozefkerk, een Rooms Katholieke kerk die in die jaren gebouwd is, vooral om kerkruimte te bieden aan de textielarbeiders die zich daar eind 19e eeuw in groten getale vestigden. Heel bijzonder aan het bestek voor de bouw van deze St. Jozefkerk zijn de daarin opgenomen arbeidsvoorwaarden. De werklieden krijgen een verzekering tegen ongelukken op de bouw en er worden schriksteigers aangebracht. Goed drinkwater en behoorlijke privaten moeten op de bouwplaats beschikbaar zijn en er mag niet langer dan elf uur per dag gewerkt worden. Maar er staat óók in de voorwaarden dat het vloeken verboden is!

Familie Randsdorp, middenonder Kornelia van Breukelen met kinderen en aangetrouwde kinderen (coll. Lisette van der Lans)

Later zijn in Vilsteren tussen 1896 en 1897 de Sint Willibrorduskerk gebouwd en in Den Haag is in 1898 de Onze-Lieve-Vrouw van Goede Raadkerk geconsacreerd. Ook aan deze katholieke kerken heeft Gijsbertus Johannes waarschijnlijk meegebouwd. Volgens Lisette van der Lans, in haar bovengenoemde boek, trekken in die periode vaklieden uit alle delen van het land, van plek naar plek om te kunnen meewerken aan de bouw van grote, nieuwe RK kerken. Als je het geluk had te worden aangenomen, dan had je minstens een jaar werk. Zo zou ook Gijs Randsdorp als metselaar met zijn gezin naar Lisse gekomen zijn. Rond 1902 heeft hij zijn woonwagen geparkeerd, naast die van de anderen, op het terrein van de nieuw te bouwen Sint Agathakerk. Op 1 november 1905 staat het gezin volgens het Bevolkingsregister van Lisse op C70 officieel ingeschreven in een ‘echte’ woning, op de Grachtweg nummer 37. Alleen zoon Johannes Gijsbertus is in Jutphaas gebleven en is daar getrouwd, de overige kinderen komen naar Lisse. Barbara, Huibert en Johannes Cornelis trouwen in Lisse, maar de jongste zoon Gijsbertus Johannes blijft voorlopig nog op de Grachtweg wonen. Vader Gijs overlijdt in 1915 en zijn weduwe in 1934. Volgens Erik Vergunst in zijn boek ‘de Geschiedenis van Lisse in oude ansichten en plattegronden’, is het huis in 1959 verkocht aan Franciscus Johannes Hogervorst. Gedurende lange tijd heeft deze een schoenwinkel op dit adres gehad.

Grachtweg 37, na de familie Randsdorp kwam hier Hogervorst schoenen (coll. Beeldbank Lisse)

 

 

 

Johannes Cornelis Randsdorp

Het boek ”Nu zie ik je nooit meer..”, van Marjon Griffioen

Net als zijn vader is Johannes Cornelis metselaar geworden. Hij trouwt in 1908 met Klazina Elisabeth Koelewijn, die met haar ouders al geruime tijd in Lisse woont, op het stukje Heereweg tussen de Nieuwstraat en Julianastraat. Het jonge gezin trekt voor enige tijd in op Grachtweg 37, waar de eerste twee kinderen geboren worden. Daarna woont het gezin enkele jaren in de Van der Veldstraat, waar nog in elk geval vier van de kinderen geboren worden. Uiteindelijk neemt het gezin haar intrek in Julianastraat 113. Over dit gezin waaruit in totaal veertien kinderen geboren zijn, en waarvan helaas één kindje al heel jong is overleden, heeft Marjon Griffioen zelf al een heleboel verteld in haar boek over Wim Randsdorp.

Bronnen:

Nu zie ik je nooit meer – Marjon Griffioen;

St. Agatha 1903-2003 – De glorie en roem van katholiek Lisse – Lisette van der Lans;

Geschiedenis van Lisse in oude ansichten en plattegronden – Erik Vergunst;

Utrechts Archief; Bevolkingsregisters IJsselstein, Enschede, Lisse; Canon van IJsselstein, Hoepelmakers; Monumentenregister Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; Hoepelmakerij P. v.d. Brand en zoon;

Beeldbank Lisse – Genealogie; ProGen VOL;

FamilySearch; Wikipedia, Encyclo – online Encyclopedie Ons erfgoed, oude beroepen

Naschrift

Het boek ”Nu zie ik je nooit meer..”, van Marjon Griffioen is verkrijgbaar bij boekhandel Grimbergen. Prijs € 20,20 Het is te leen in de bibliotheek en bij Vereniging Oud Lisse ter inzage. Ook te bestellen via https://vermeer. mijnbestseller.nl/shop/index.php/historyand-politics/biographies-and-memoirs. html.

ROVERSBROEK, EILAND, POLDER, VEENDERIJ.

De geschiedenis van de Rooversbroek wordt beschreven. Ook de vervening aan het begin van de 20e eeuw komt aan de orde, evenals de middelen van bestaan. Een kasboek van 1888 tot 1923 wordt uitgebreid beschreven. Ook de verkaveling, bemaling en ontpoldering komt aan de orde.

 door Liesbeth Brouwer

NIEUWSBLAD Jaargang 12 nummer 3, juli 2013

Wat vooraf ging

Het is 11 augustus 2012; ’Bollenstreek in Bedrijf’. Vereniging Oud Lisse staat met een kraam bij Het Oude Huis op de Rooversbroekdijk. Daar komt ook de heer J.L. Duivenvoorden, een geboren Roversbroeker en een verteller met een ijzersterk geheugen. Er wordt afgesproken om eens wat verhalen op te tekenen en er iets van te publiceren in het Nieuwsblad.

Kasboek

Bij de eerste afspraak is er al een verrassing. De heer Duivenvoorden laat een oud kasboek zien. Er staat op “Kasboek W. Meyer en P. Huis”. Datering 1888 tot 1923.
Het kasboek kwam bij de familie Duivenvoorden via Kees Huis, zoon van de P. Huis van het kasboek. Kees Huis woonde de laatste jaren van zijn leven in bij de heer en mevrouw Duivenvoorden. De vader van Kees Huis was veender in de Roversbroek. Hij zal de veenderij samen gedaan hebben met W. Meyer. In het kasboek staan, in een mooi handschrift, ontvangsten en uitgaven genoteerd. De moeite waard om nader te bestuderen en de aanleiding om een eerste artikel over de Roversbroek te maken.

Eiland Roversbroek

Het dorp Lisse ontstond op de meest oostelijke strandwal. Oostelijk daarvan lag een groot veen- en plassengebied. In dat veengebied had op grote schaal natte vervening plaatsgevonden (tot onder de waterspiegel). Stormen waren er de oorzaak van dat er een steeds groter wateroppervlak ontstond: het Haarlemmermeer. De Lisser Poel was een water met een open verbinding met de rest van het Meer. Tussen de Poel en het Meer lag het eiland Roversbroek.

Inpoldering

De opbrengsten (vis) van de Lisser Poel waren voor de 3 grote kerken van Leiden: voor de Pieterskerk, voor de Pancras- of Hooglandse kerk en voor de Lieve-Vrouwekerk. Dat bracht echter niet zo veel op en daarom besloot men om De Poel droog te leggen. Dat gebeurde in 1623/24. De Poelpolder werd een feit. Het eiland Roversbroek werd vanaf die tijd omsloten door het (Kager)Meer, door de Greveling, door de ringsloot om de Poelpolder en door het Hellegat. De landen van het eiland Roversbroek liepen al bij een beetje wind onder water en waren dan niet te gebruiken. Reden voor de ingelanden van de Roversbroek om de hoogheemraden van Rijnland te verzoeken of ze hun landen met een kade mochten omgeven en toestemming te krijgen een molen te plaatsen. Die toestemming komt op 10 juli 1632. De Roversbroekpolder was een feit en had een oppervlakte van 177 morgen of 150 hectare.

Haarlemmermeer

Het Haarlemmermeer bleef een bedreiging voor zijn omgeving vormen, maar plannen om deze waterwolf te temmen konden met windmolens niet succesvol uitgevoerd worden. Uiteindelijk lukt het met stoomkracht. In 1852 valt de Haarlemmermeerpolder droog. In de Leydse Courant van 27 nov. 1843 wordt een ‘wetsvoorstelling’ gepubliceerd “houdende vaststelling van de begrooting der kosten voor droogmaking van het Haarlemmermeer. De aanleg van ringvaart en ringdijken, polderkaden en bermslooten wordt begroot op f2,012,300”. In de courant van 4/7/1845 staat dat “de ringvaart overal gegraven is en de bedijking langs dezelve in orde gebragt”. Het ontstaan van de Haarlemmermeerpolder had grote gevolgen voor de Roversbroek. De Ringvaart liep dwars door de Roversbroek en sneed een deel van de polder af. Het eiland verloor ongeveer een kwart van zijn oppervlakte (ruim 31 hectare) aan de Haarlemmermeer. De Roversbroekpolder had hierna als afgrenzing de ringsloot van de Lisserpoelpolder en de ringvaart van de Haarlemmermeerpolder . De polderlasten moesten natuurlijk anders verdeeld gaan worden. Maar tot 1875 betaalden de in de Haarlemmermeerpolder liggende gronden nog mee aan de polderlasten van de Roversbroekpolder!

Middelen van bestaan

Het land in de Roversbroek werd gebruikt als wei- en hooiland. In 1748 staat in de Leydse Courant dat in het Rechthuis in Lisse verkocht zal worden “7 margen 136 Roeden Wey- en Hooyland in Lisserbroek en Roversbroek, alles geleegen onder de Ambargte van Lisse”. Ook in later jaren zijn er aankondigingen dat er wei- en hooiland verkocht gaat worden. Onder de aankondigingen voor “grasverkoopingen” in Hotel “De Witte Zwaan” zien we de Roversbroek ook terug.

Vervening

Tot de 18e eeuw was er hier in de regio sprake van kleinschalige vervening. Eerst was dat turf delven: een landeigenaar groef ieder jaar een deel van een perceel af, de rest bleef bijvoorbeeld in gebruikt als grasland. Later begon men met slagturven. (turf winnen door veen onder water op te baggeren, tot op een klei- of zandlaag). De hoogheemraden van Rijnland hielden min of meer toezicht op de turfwinning. In de 18de eeuw kwam de gereglementeerde veenderij. Rijnland gaf dan vergunning om een aaneengesloten gebied te vervenen, vaak één of twee polders. Op voorwaarde dat het gebied na afgraving meteen moest worden drooggelegd. De aanvragers van de vergunning kregen vaak 30 of 40 jaar de tijd om het gebied uit te venen en droog te maken. Door de verplichting tot droogmaking ging er in de gereglementeerde veenderijen geen land verloren. Ook het polderbestuur van de Roversbroek vroeg zo’n vergunning aan. Daar ging natuurlijk een akkoord van de eigenaren aan vooraf. Op 28/12/1886 staat in het Leidsch Dagblad Door alle eigenaren van den Roversbroekpolder te Lisse, is besloten om tot verveening van dien polder over te gaan, met machtiging aan het bestuur om de daarvoor vereischte concessie aan te vragen Op 24/10 87 vermeldt het Leidsch Dagblad Bij koninklijk besluit is aan het bestuur van den Roversbroekpolder te Lisse, gelegen tusschen de ringvaart van den Haarlemmermeerpolder en de Ringsloot van den Poelpolder, vergunning verleend tot vervening van dien polder, welke ruim 114 HA groot is. In het aanstaande voorjaar zal met het venen een aanvang gemaakt kunnen worden.

Verkopen Veenland

Op 3/12/87 vermeldt het Leidsch Dagblad:

Er volgen nog meer van dit soort veilingen. Van Stockum heeft het druk. Of het land van Meyer en Huis op deze manier verkregen is weten we niet.

De vervening vorderde niet snel. Mogelijk is dat de reden waarom het reglement vervening aangepast werd. Op 10/5/97 wordt door de gedeputeerde staten van Zuid-Holland gemeld: Bepalingen zijn vastgesteld om reeds in het jaar 1898 tot eene gedeeltelijke vervroegde droogmaking te geraken, ten einden alle eigenaren in den polder gelegenheid te kunnen geven om naar verkiezing van af het jaar 1899 droog en nat te kunnen venen. Er zijn nog diverse aankondigingen over verkopingen, aanbestedingen van dijken, schieten van tochten enz. Uiteindelijk is het geheel in 1918 afgerond en was de polder geheel verveend en weer drooggemaakt.

Het kasboek

Het kasboek begint op 4 februari 1888 met “Uitgaven aan arbeidsloonen, riet, gereedschappen enz.” Het arbeidsloon was bedoeld voor: sloten, veldstellen, grond gelijkmaken, grond vletten, steekturf omzetten en aankruien, stroo overbrengen enz.enz. In 1888 was het tarief voor dit soort werk f1.25 per dag. Wanneer je bedenkt dat alles handwerk was dan besef je eens te meer hoe zwaar de mensen het toen hadden. De bovenste laag aarde werd eerst afgegraven. Daaronder zat het veen dat afgegraven en verkocht werd. Daaronder was een slechte veenlaag, darie en daaronder klei. De afgegraven bovenste laag werd teruggebracht en gemengd met de “slechte” veenlaag. Daaruit ontstond de huidige teellaag. In de Roversbroek teelt men dus bollen in zwarte grond, dit in tegenstelling tot de westelijker gelegen bollengronden waar op zand (wittegrond) geteeld wordt. Er moest ook van alles gekocht worden, bijv. baggerpaaltjes en veenschoppen. Een veenschop kostte in 1888 f0,80.
De eerste ontvangsten worden genoteerd vanaf juni 1888, maar dat betreft nog grasland. In oktober worden de eerste meldingen gemaakt over verkochte turf; f4.50 voor turf, voor steekturf f1,15 en f0,20 voor kluiten, alles per 1000. Als we het kasboek moeten geloven waren de opbrengsten in ’88 f449,015 en de uitgaven f2217,44. De kost gaat voor de baat uit. Gelukkig is 1889 fi nancieel beter en staat de teller f1074,02 positief.
In de volgende jaren zijn er hele reeksen van uitgaven voor werklonen. Zo maar een paar namen van veenwerkers: v. Velsen, v. Heide, Opdam, v. Aalst, v. Meer, v.Zeyl, de Vries, v. Poelgeest Ook bij de lange reeks van ontvangsten voor turf staan vele namen. Zo maar een aantal: Akerboom, Olders, vdZwet, Koek, Buretta, Kortenkaas, v. Grieken, Koelenwegen.
In 1901 komen er voor het eerst kostenposten in het kasboek voor als Grondlasten, Polderlasten en Rijnlands Bundergeld. Het kan zijn dat deze heffi ngen de eerste jaren van de turfwinning niet betaald hoefden te worden. Er waren vaak fi scale voordelen: droogmakers konden vele jaren vrijstelling krijgen van betaling van belasting en waterschapslasten. De lange reeks van veenwerkers is dan al fi ks ingekort. Zou het vervenen al bijna klaar zijn geweest? We zien dan bij de ontvangsten posten voor landhuur. Ook hier weer rijen namen zoals: v. Leeuwen, v. Diemen, Cors, Zoet, d. Regt, Mooyenkind enz.enz. Vanaf 1902 wordt er eigenlijk geen opbrengst van turf meer in het kasboek genoteerd. De landhuur moet het nu doen.

Een bericht uit de Leidsche Courant van 8/12/1909 luidt:

De dijk van de Roversbroek was gisteren op een plaats in zoodanigen toestand, dat het polderbestuur het noodig oordeelde om gedurende den nacht met vijf werklieden te waken tegen een eventuele doorbraak. De oorzaak hiervan was een mollenrit, die door het steeds vallende regenwater al grooter en grooter was geworden. Mollen waren blijkbaar ook een jaar eerder een probleem. In het kasboek staat op 28 dec. 08 genoteerd: betaald voor mollenvangen 1.40 In de courant van 13/3/1915 wordt vermeld: Wegens de mobilisatie hebben de verveners in den Roversbroekpolder een zeer voordeelig jaar, want in tegenstelling met andere jaren zijn thans alle voorraden turf verkocht en voor flinke prijzen. Enkele verveners beginnen dan ook reeds in de volgende week weer met turf steken. Helaas, in ons kasboek worden dan al geen turfopbrengsten meer genoteerd, dus dit voordeel zal onze verveners Huis en Meyer voorbij zijn gegaan.
Op 17/9/17 staat een merkwaardig bericht in de courant onder de titel Brandstoffenvoorziening Het betreft een verzoek. Hierin wordt gevraagd “de turfprijs van turf uit de veenderij Rooversbroek te Lisse, te verlagen van nu f12 op hoogstens f6 per duizend, wat volgens de initiatiefnemers (volksb en Hanze te Warmond) wel kan.” Of er aan dit verzoek is voldaan hebben we niet kunnen nagaan. Ter vergelijking: in het kasboek staat in 1901 voor turf de verkoopprijs van f3.50 per 1000 genoteerd.
In de Leidsche Courant stond op 12/2/19 de volgende advertentie: TE KOOP een stalen vletschouw zoo goed als nieuw, lengte 8 M, breedte 1,90 M, diep op de buitenhelling 0,50M. Te bevragen bij P. HUIS Roversbroek, te Lisse Blijkbaar was de boot ook niet meer nodig. In het kasboek staat geen opbrengst van de vlet vermeld. Misschien viel hij ook wel buiten de samenwerking met Meyer. Het kasboek eindigt in 1923 met op 24 dec. een afbetaling aan Petrus vd. Voort van f0,90. Gelukkig staan er in 1923 diverse ontvangsten voor landhuur tegenover.

Verkaveling

Naast het kasboek ontvingen we van de heer Duivenvoorden ook een notarisakte uit 1919. Van G. Spoor. Deze akte is een vervolg op de vervening. We lezen ”dat de Roversbroekpolder n.a.v. de droogmaking en vervening een verkaveling moet ondergaan.”. De landmeter van het kadaster te Leiden heeft de percelen in kaart gebracht, opgemeten en vernummerd. Een onderlinge ruiling is noodzakelijk en de ondergetekenden zijn overeengekomen om bij deze akte tot die ruiling over te gaan. Er staat een lange reeks eigenaren genoemd. Ook hier weer enkele namen: van Lynden, Verdegaal, Blokhuis, van Parijs, Rotteveel enz. enz. Uiteraard ook de namen Huis en Meyer. G. Spoor had blijkens de akte een perceel van 1 ha. 91 are en 70 ca.

Bemaling

De Roversbroek was tot 1898 bemalen door een molen, die zijn water uitsloeg op de ringsloot van de Lisserpoelpolder. Het land van de Roversbroekpolder kwam door de vervening een fi ks eind lager te liggen. Er werden pogingen gedaan om samen met de Lisserpoelpolder een stoomgemaal te stichten maar de tijd was blijkbaar nog niet rijp voor een dergelijke samenwerking. Een eigen stoomcentrifugaalpompgemaal werd opgericht, ongeveer in het midden van de kade langs de Ringvaart. De molen werd voor f 350,00 verkocht aan het bestuur van de Beekpolder.

Bij het afgraven van de Roversbroekdijk in de jaren zestig kwam ook de oude molengang weer boven. In 1924 werd het stoomgemaal vervangen door een dieselgemaal. De samenwerking met de Lisserpoelpolder kwam er uiteindelijk toch: in 1974 nam de Lisserpoelpolder de bemaling van de Rooversbroekpolder over. De bemaling van zowel de Roversbroek als de Poelpolder geschiedt nu door een elektrisch gemaal. Het gemaal gebouw aan de Ringvaart werd verkocht en is inmiddels fraai opgeknapt en wordt particulier bewoond.

Ontpolderd

In 1978 werd het noordelijk deel van de polder ontpolderd. De Roversbroekpolder werd als zelfstandige polder opgeheven. Bij het hoogheemraadschap van Rijnland vond toen een concentratie van polders plaats. Per 1 januari 1979 kwam de Roversbroekpolder onder het nieuw gevormde waterschap De Oude Veenen te vallen.

In de jaren ‘90 was in Lisse meer woningbouw noodzakelijk. De realisatie van het uitbreidingsplan Poelpolder II van de gemeente leidde tot bouw van woningen in het noordelijk deel van de Roversbroek. Waarschijnlijk realiseren de meeste van de bewoners van dit uitbreidingsplan zich niet dat zij op het voormalige eiland Roversbroek wonen.

 

 

Hoe een uitgaansdag in 1845 tragisch eindigde

Na bezichtiging van het nieuwe gemaal de Leegwater sloeg de boot om. Sijmen Barnhoorn, Jacob Koopmanschaap en Cornelis van Riek verdronken  toen.

door Dirk Floorijp

NIEUWSBLAD Jaargang 12 nummer 1, januari 2013

Ze gaan met hun zeilboot richting Buitenkaag om het gemaal de Leeghwater te bekijken. De machtige stoommachines in bedrijf te zien die de Haarlemmermeer moeten leegpompen, en met elke slag 88 m3 water de ringvaart in te lozen. De Leeghwater maakte op 22 juli 1845 zijn eerste slag. In 1849 kwamen de gemalen Cruquius en Lijnden erbij en was de klus in 1852 geklaard. Het was een wonder om te zien en daarvan getuige te zijn. Met vijf man waren ze vertrokken en na een enerverende dag tegen de avond huiswaarts getrokken. Ter hoogte van de Greveling sloeg echter het noodlot toe. We volgen het proces dat door de politie toen is opgetekend. Procesverbaal Op heden 10 augustus 1845 savonds ongeveer 7 ure compareerde voor ons mr. Johannis Cornelis van Rossen Burgemeester van Lisse, Anthonie Beltzer, koetsier oud 33 jaren wonende te Hillegom, en Petrus Johannes Hageman tuinman, oud 56 jaren mede aldaar woonachtig,welke ons verklaarden. Dat zij van eene zeilpartij ter bezichtiging van de leeghwater terugkerende in de ringvaart in de omtrek der Greveling waren omgeslagen en drie der hunnen verdronken waren – als- Sijmen Barnhoorn, jager oud 46 jaren Wonende te Hillegom. Jacob Koopmanschap, timmermansknecht oud 29 jaren wonende te Weespercarspel, thans werkende te Hillegom en Cornelis van Riek oud 26 jaren wagenmakersgezel, bij zijne moeder weduwe wonende te Lisse. Cornelis zijn vader Jacob Jansz van Riek was reeds in 1833 overleden, gehuwd met Maria Ariensdr. van Noort. en woonden bij het Vierkant. Dat zij omgeslagen waren, toen zij den schuit wilden wenden om een haak te krijgen die hun ontschoten was, Denkelijk door eene te hevige windvlaag, of het vast blijven houden der schoot. dat bij het omslaan hij koetsier uit gesprongen was en zwemmende de wal bereikt had. Dat onder zijn zwemmen hij door den wagenmaker was achterhaald en deze zich aan hem vastgeklampt had, dat hij zich echter losgewerkt had en daarna den wagenmaker niet meer gezien had, dat hij tuinman met den jager en de timmermansknecht bovenvermeld op den bodem der schuit waren geklommen dat de schuit daarop gezonken zijnde hij zich andermaal aan den schuit heeft vastgehouden, terwijl hij de andere twee vlak nevens elkander zwemmende gelijkelijk heeft zien zinken, dat na op het geroep van den koetsier eenige poldergasten aan de greveling wonende, waren te hulp gekomen en hem in hunne schuit geholpen hadden, dat zij als nu niets anders bij zich hebbende dan boomen zonder haken en de vermisten reeds om het half uur waren onder geweest en er andermaal teveel tijd moest verloopen eer men zich van haken had voorzien zij gemeend hadden dat aan geen redding meer te denken was en besloten hadden om van het gebeurde slechts aangifte te gaan doen. Van welke aangifte na gedane voorlezing dit relaas is ondertekend. A.Beltzer P.J.Hageman J.C.van Rossen Nog compareerde de gemelde poldergasten Willem van Genderen oud .. tig jaren wonende te Sliedrecht en Jan Gelerblom oud 22 jaren wonende te Hartingveld beiden thans aan gemelde ringvaart werkend- verklarende: dat hij op het geroep van zijn dochtertje was buiten gekomen, eenige menschen in het water had zien worstelen maar dat eer hij een schuit had losgemaakt om er heen te varen niets meer gewaar was geworden dan een man die tegen den dijk opkroop. Dat de tegenwind en stroom het naderen vrij onmogelijk en langdurig gemaakt had en hij ter plaatse komende behalve den man die tegen den dijk geklommen was nog een man even met het hoofd boven water had gevonden zich vasthoudende aan het boord van een omgeslagen schuitje, dat hij overigens uit consideratie als boven besloten dan met de geredden en zijn schuit naar het dorp te vervoeren. De comparanten verzocht dat relaas te ondertekenen verkaarden niet te kunnen schrijven. Op 12 augustus 1845 doen de overlevenden Antonie Theodorus Beltzer, koetsier en Petrus Johannes Hageman, timmerman op het gemeentehuis van Lisse aangifte van het overlijden van hun drie kameraden in de akten nr. 27, 28 en 29.

Bron:

Gemeentearchief Lisse inv.nr.1115 , Bevolkingsregister Lisse

Gemaal de Leeghwater in 1846

BEROEPEN IN HET KOHIER VAN HET FAMILIEGELD UIT 1674

Een lijst met beroepen wordt in 1674 weergegeven in verband met geplande belastinghervormingen. De veranderingen gingen uiteindelijk niet door.

door Maarten van Bourgondiën

NIEUWSBLAD Jaargang 12 nummer 1, januari 2013

Inleiding

De oorlog met Frankrijk, Engeland, Münster en Keulen in 1672 (het zogenoemde ‘Rampjaar’) had de Republiek veel geld gekost. De bodem van de schatkist was in zicht, dus die diende zo snel mogelijk weer te worden gevuld. Onder het motto ‘de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten’ troffen de gebruikelijke belastingen (zoals de 200e penning) vooral het welgestelde deel van de bevolking. Daar was niets op tegen, maar op den duur raakte ook daar de fi nanciële rek er uit. Daarom waren de Staten van Holland in deze fi nancieel hachelijke periode naarstig op zoek naar nieuwe inkomstenbronnen. Zij waren van mening dat iedereen naar rato van inkomen een bijdrage moest leveren. Dat zou tot een gelijkmatiger spreiding van de belastingdruk moeten leiden. Deze nieuwe manier van belastingheffen stuitte op veel weerstand. Er werd fl ink gedebatteerd over de vraag wie moest worden vrijgesteld en wat nu precies onder ‘inkomen’ moest worden verstaan. Uiteindelijk rolde er op 22 en 23 december 1673 een voor iedereen acceptabel compromis uit de bus; dat dacht men tenminste. De Hollandse steden dienden de belastingkohieren op te stellen; niet alleen voor de stad zelf, maar ook voor de omliggende dorpen. In veel gevallen werd die laatste taak overgelaten aan de schouten van de betreffende dorpen. In Lisse stelde de schout mr. Hannard van Gorcum in 1674 de belastinglijst samen. Hij werd daarbij geholpen door de Lissese burgemeesters Albert Janszn van Heemskerk, Jan Janszn Vlaanderen senior, Thomas Mauritszn van Eeden en Jan Jacobszn. Cnottingen. Op de lijst staan de namen van de belastingplichtigen, hun beroep en het bedrag dat zij op basis van hun inkomen dienden te betalen. Het familiegeld werd uiteindelijk niet geïnd omdat Amsterdam (de belangrijkste en invloedrijkste Hollandse stad) niet meewerkte. [1] Het eerder gesloten compromis bleek dus niet voor iedereen acceptabel. Gelukkig is het kohier van Rijnland (waar Lisse onder  viel) wel bewaard gebleven. Het bevindt zich in het Regionaal Archief Leiden (Stadsarchief Leiden, inv.nr. 4029). In de eerste helft van de jaren ’90 van de vorige eeuw is er door een werkgroep van voormalige deelnemers aan een cursus oud schrift een transcriptie van gemaakt. De Lissese gegevens van deze transcriptie zijn inmiddels raadpleegbaar in het servicepunt van onze vereniging. In dit artikel zal ik vooral aandacht schenken aan de beroepen die in het belastingkohier worden vermeld en de bedragen die moesten worden betaald. Voor de namen van de belastingplichtigen verwijs ik graag door naar de transcriptie in ons servicepunt.

Beroepen

In de Lissese bijdrage aan het familiegeld worden in totaal 121 ‘families’ of huishoudens vermeld, en op twee uitzonderingen na (waarvan er één langs andere weg kon worden aangevuld) wordt ook in alle gevallen het beroep van de kostwinner genoemd. Op die manier kan er een mooie inventarisatie worden gemaakt van de beroepen die in 1674 in Lisse werden uitgeoefend en van het aantal personen dat het betreffende beroep uitoefende:

Arbeider, negen personen

Bakker, drie personen

Bakster, één persoon

Biersteker, drie personen (waarvan twee tevens schipper waren)

Chirurgijn, één persoon

Collecteur (van de belastingen), één persoon

Commissaris op Halfweg, één persoon

Grutter (iemand die graan tot grutten of gort maakt), één persoon

Kuiper, twee personen

Landbouwer, eenenveertig personen

Landbouwster, elf personen

Metselaar twee personen

Molenaar, één persoon

Onbekend, één persoon

Schipper, drie personen (waarvan twee tevens biersteker waren)

Schoenmaker, drie personen

Schout en secretaris, één persoon

Smid, één persoon Smid (vrouw), één persoon

Snijder (kleermaker), één persoon

Timmerman, drie personen

Tuinman, één persoon

Turftonder, één persoon

Vlasser, drieëntwintig personen

Wagenmaker, twee personen

Winkelier, één persoon

Winkelierster, één persoon

Schoenmaker, ets uit het boek Spiegel van het Menselyk Bedryf van Jan en Caspar Luyken, eind zeventiende eeuw

Het merendeel van de in het belastingkohier genoemde personen was werkzaam in niet-agrarische beroepen. Toch had Lisse ook een duidelijke agrarische component. In totaal verdiende 43 procent van de belastingplichtigen zijn of haar brood in de landbouw.

Van tuinbouwactiviteiten is in 1674 nauwelijks sprake: er wordt slechts één ‘tuijnman’ genoemd.[2]
De grote bloei van deze agrarische bedrijvigheden moest nog komen: omstreeks 1800 vond bijna 70 procent van de beroepsbevolking in de Duin- en Bollenstreek emplooi in de land- of tuinbouw.[3]
De arbeidsintensieve vlasindustrie vormde in de zeventiende eeuw een andere belangrijke werkgever. In totaal gaf negentien procent van de Lissese belastingplichtigen aan als vlasser werkzaam te zijn. Ongeveer honderd jaar later was er van deze eens zo bloeiende bedrijfstak weinig meer over.[4] Van de in de vijftiende eeuw nog zeer lucratieve turfwinning zijn in het kohier van het familiegeld geen sporen terug te vinden. In de zeventiende eeuw werd in Lisse waarschijnlijk alleen nog op kleine schaal turf gestoken voor de eigen haard. De turfwinning was in deze periode in ieder geval niet zo grootschalig dat de inwoners van Lisse daar hun brood mee konden verdienen. Het grootste deel van het Lissese veengebied was namelijk al afgestoken of ten prooi gevallen aan de ‘Waterwolf’, d.w.z. het (als gevolg van diezelfde turfwinning!) almaar uitdijende Haarlemmermeer. Wel was in Lisse een turftonder actief. Dat was een door het dorpsbestuur beëdigde functionaris die de aangevoerde turf (uit bv. Friesland) in geijkte turftonnen overdeed om na te gaan of het in de juiste hoeveelheid was aangeleverd.[5]

De meeste beroepen in het kohier van het familiegeld spreken voor zich. De bierstekers (of bierbeschooiers) behoeven echter wat extra uitleg. Dat waren personen die tappers en anderen voorzagen van bier.[6] In Lisse ging het in totaal om drie personen, waarvan er twee tevens schipper waren. Blijkbaar was dat een handige combinatie: als schipper waren ze veel onderweg, dus konden ze op hun tochten mooi de tappers in de streek bevoorraden. De beide schipperbierstekers waren overigens de enigen die meerdere beroepen opgaven in het kohier van het familiegeld. Vrouwen traden in deze tijd normaal gesproken niet zelfstandig op: zij werden veelal vertegenwoordigd door hun echtgenoot of door een voogd. Toch was bijna twaalf procent van de Lissese belastingplichtigen vrouw. Hoe kan dat? Bij nadere beschouwing blijken elf van de veertien in het kohier van het familiegeld genoemde vrouwen als weduwe het bedrijf van hun echtgenoot te hebben voortgezet. Dat was vaak de enige situatie waarin vrouwen zelfstandig konden opereren en ze zonder voogd in de archiefstukken opduiken. Mogelijk gold dat ook voor de overige drie vrouwen, maar bij hen wordt niet nadrukkelijk vermeld dat zij weduwen waren. Het is niet bekend wie er van betaling was vrijgesteld in Lisse.

Daar is een veel dieper gravend onderzoek voor nodig. Een direct in het oog springende afwezige is in ieder geval de Lissese predikant Johannes Echtenius. Waarschijnlijk hoefde die vanwege zijn functie geen bijdrage te leveren. Daarnaast zullen ook de allerarmsten van betaling zijn vrijgesteld.

Bedragen

Het kohier van het familiegeld telde wat Lisse betreft vijf verschillende belastingtarieven:
Halve stuiver, zevenenveertig personen (38,8%)

Eén stuiver, vierendertig personen (28%)

Anderhalve stuiver, twaalf personen (10%)

Twee stuivers, zestien personen (13,2%)

Tweeëneenhalve stuiver, twaalf personen (10%)

Deze cijfers zijn te beperkt om een gedetailleerd beeld te schetsen van de welstand van de Lissese dorpsgemeenschap in 1674. Bijna 40 procent van de belastingplichtigen betaalde slechts een halve stuiver. Dan volgt er een soort middengroep die een bedrag betaalde tussen de één en twee stuivers. Zij vertegenwoordigen 51,2 procent van alle Lissese belastingbetalers. En tot slot is er een kleine groep (tien procent van de belastingbetalers) die het hoogste bedrag van tweeëneenhalve stuiver op tafel diende te leggen. Nader onderzoek zal duidelijk moeten maken of deze onderverdeling overeen komt met de werkelijkheid. In ieder geval hoefde tweederde deel van de Lissese belastingbetalers niet meer dan één stuiver te betalen. De laagste twee belastingtarieven waren dus het sterkst vertegenwoordigd.

Verder onderzoek

Door op een vergelijkbare manier belastingkohieren uit andere jaren te ‘ontleden’, kan er een beeld worden geschetst van de economische bedrijvigheden in Lisse en de welstand van de Lissese dorpsgemeenschap door de eeuwen heen. Mochten er lezers zijn die dit onderzoek ter hand willen nemen, dan kunnen ze contact opnemen met de secretaris van de vereniging.

Noten [1]

Zie de transcriptie van het kohier van het familiegeld uit 1674 in het servicepunt van onze vereniging. [2] Met deze term kan zowel een tuinder zijn bedoeld, als iemand die zorg droeg voor de tuinen van de Lissese buitenplaatsen; zie het lemma ‘tuinman’ in het Woordenboek der Nederlandsche Taal (http://gtb.inl.nl). [3] Jan Beenakker en Reinout Rutte (red.), De Duin- en Bollenstreek in vogelvlucht. Landschap, leven en werken omstreeks 1800 (Leiden 2003) 49. [4] Ibidem, 52. [5] Zie de lemma’s ‘turfton’ en ‘turftonner’ in het Woordenboek der Nederlandsche Taal (http://gtb.inl.nl). [6] Zie de lemma’s ‘biersteker’ en ‘bierbeschooier’ in het Woordenboek der Nederlandsche Taal (http://gtb.inl.nl).

Glas-in-lood raampjes in gemeentehuis.

Else Wesseling onthulde de  glas-in-lood raampjes in het gemeentehuis. Zij zijn gerestaureerd door van der Meij. De raampjes komen uit het VVV-gebouw  aan de Grachtweg. Ze verwijzen naar een belangrijke bedrijfstak in Lisse;  de beurtschipperij. De laatste beurtschipper was Martinus van der Linden.

Nieuwsflits

NIEUWSBLAD Jaargang 11 nummer 4, oktober 2012

 

Dit raampje is mooi gerestaureerd.

De glas-in-lood raampjes die op initiatief van Else Wesseling werden gerestaureerd, zijn een maand lang te zien in het gemeentehuis van Lisse. Voor de onthulling zei Else Wesseling: “Ze zijn maar klein, maar best groot waar het de betekenis ervan aangaat; ze verwijzen naar een eens belangrijke bedrijfstak in Lisse; de beurtschipperij.” De laatste beurtschipper was Martinus van der Linden, in wiens huis de raampjes naast de haard zaten. Ze legde uit dat ze heel veel had opgestoken van mevr. Van der Linden en de heer Theo van der Linden. Ook zei ze: “Deze raampjes moesten dus bewaard worden voor het nageslacht; dat stelde de V.V.V. heel nadrukkelijk en dat vond ook de Vereniging Oud Lisse. Het nageslacht ? Wie is dat? Zijn dat de generaties die na ons komen? Ongetwijfeld. Maar, WIJ zijn dat net zo goed; wij zijn het nageslacht van TOEN. Het lijkt mij van het grootste belang dat aspecten van het verleden ook voor onszelf worden bewaard. Als je ouder wordt is HERBELEVEN namelijk steeds waardevoller. De Vereniging Oud Lisse creëert hiervoor een kader en ik hoop dat meerdere dorpsgenoten geïnspireerd worden ook op zo’n manier naar het verleden te kijken en ook actie ondernemen om te behouden voor straks, maar ook voor NU.”

Na de restauratie ziet het schip er weer mooi uit

Nadat ze nog allen die hadden meegewerkt aan dit project bedankte kon ze samen met wethouder De Roon de onthulling verrichten. Restaurateur Van der Meij wees nog op de verschillende kleuren van de zeilen en de golven in de raampjes en vertelde hoe moeilijk het was geweest om voot de restauratie weer het juiste antieke glas te krijgen. De raampjes verluchten dus voor een periode van 4 weken de raadszaal, maar kunnen vanuit de gang prachtig bekeken worden. Je zou er bijna een extra bezoek aan de gemeentewinkel voor gaan afl eggen.

Else Wesseling en Arie de Roon bij de net onthulde raampjes.

ANNA VAN GOGH-KAULBACH 1869-1960

Anna Kaulbach heeft 40 romans en vele andere artikelen. Grootvader Kalbach was vanuit Duitsland naar Nederland gekomen. Na haar huwelijk in 1899 woonden zij en haar man aan de Heereweg 296. Het huis was toen net gebouwd. Vanaf 1903 woonden zij op Hoofdstraat 18 in Sassenheim. In 1906 gingen zij naar Haarlem en daarna in Arnhem.

door Aad van der Geest

NIEUWSBLAD Jaargang 11 nummer 1, januari 2012

Anna van Gogh-Kaulbach.

Wie was deze vrouw die ons zo’n slordige veertig titels (romans), meerdere toneelstukken, hoorspelen, novellen, vertalingen, bundels proza, losse verhalen, kinderboeken, reisverslagen en de nodige krantenartikelen heeft nagelaten? Wie weet nog dat zij en haar man, Willem Jacob van Gogh, aan het begin van de vorige eeuw enige jaren te Sassenheim woonden, alwaar hun beider dochtertjes geboren zijn? In de Lisser Poelpolder is er een straat naar haar vernoemd de ‘Anna Kaulbachstraat’ terwijl wij haar in Sassenheim zo goed als vergeten lijken te zijn. Het leek ons daarom passend enkele hoogte- en dieptepunten uit haar lang en bewogen leven op te halen en deze lang en vervlogen herinneringen voor later veilig te stellen.

Jeugdjaren

Haar vader was Franz Ludwig Eduard Kaulbach en haar moeder Helena Maria Cornelia van Reijn. Grootvader Kaulbach was vanuit Duitsland ooit naar Nederland gekomen en had het Nederlanderschap aangenomen terwijl de voorouders van moederskant afstamden van naar Nederland uitgeweken Hugenoten. Anna Maria werd op 31 december 1869 in Velsen geboren alwaar haar vader arts was. Ondanks dit beroep verloor het gezin maar liefst zes kinderen kort na de geboorte en alleen Anna bleef in leven. ‘De levenskracht, door het lot aan mijn broertjes en zusjes onthouden, had mij een dubbele portie toebedeeld, zo leek het,’ schreef zij later. In 1877, op haar zevende jaar ging zij naar de meisjesschool in Beverwijk, waar een aldaar wonende jonge Willem Royaards destijds al opviel tijdens toneelvoorstellingen op schoolfeestjes. Tot de huisvrienden van haar ouders behoorden o.a. F. Domela Nieuwenhuis, die Luthers predikant te Beverwijk was en die een hond had, een Newfoundlander, op wiens rug zij als kind mocht zitten. Zes jaar later, in 1883, ging zij naar de meisjes-H.B.S. in Haarlem; jongens- en meisjesscholen zouden nog lang gescheiden blijven, daar kon immers niets goeds van komen! Op deze school maakte zij kennis met de Nederlandse en klassieke letterkunde. Dit zou iets in haar wakker maken dat ze nooit meer kwijt zou raken, n.l. het toevertrouwen van haar zielenroerselen, haar diepste gedachten en fantasieën aan het papier Haar moeder was op vijfendertig jarige leeftijd blind geworden en na haar schooltijd hielp Anna thuis in het gezin. In deze periode schreef zij reeds enkele toneelstukken en verschillende novellen. Onder het pseudoniem Wilhelmina Reijnbach, hetgeen een samentrekking van haar moeders en het laatste deel van haar vaders achternaam was, werden in 1894 en 1895 haar eerste twee romans gepubliceerd, ‘Albert Overberg’ en ‘Otto van Lansveldt’. Haar derde roman ‘Het Rijke leven’ werd in 1897 gepubliceerd onder haar meisjesnaam, Anna Kaulbach.

De Bollenstreek/ Sassenheim

In 1892 toen Anna 22 jaar oud was, ontmoette zij Willem Jacob van Gogh, die een neef was van de later zo bekend geworden schilder Vincent van Gogh. Willem was op 18 september 1863 geboren te Krommenie en stond vanaf 22 maart 1892 als bloemist ingeschreven te Sassenheim, wonende aan de Oude Haven en later aan de Vaartkade. Daarvoor woonde hij in Voorhout. Anna en Willem konden het meteen goed met elkaar vinden en kregen al snel verkering. Later in hun verlovingstijd ondernamen zij samen, een voor die tijd progressieve onderneming, een reisje door het land per driewielertandem om zonder chaperonne vrienden en familie te bezoeken. ‘Dat mijn ouders met ons plan instemden was voor mij het verrukkelijkste bewijs van hun vrijheid van denken en opvattingen’, zou zij later zeggen.

Heereweg 294 t/m 298

Zij trouwden op 30 augustus 1899 en de eerste drie weken van hun huwelijk zullen in beslag genomen zijn door de wittebroodsweken en de verhuizing naar Lisse. Aan de Heereweg waren juist enkele nieuwe huizen gebouwd en het kersverse paar betrok vanaf 22 september 1899 het pand wat thans no. 296 is. Willem die zelf dus bloemist was, had naaste buren met bollennamen als Segers, Tromp en de Graaff. Hier werd hun eerste zoon Eduard op 22 juli 1900 geboren en op 30 januari 1902 zag Willem Daniël  hier het levenslicht. Of Willem’s activiteiten in de bollenwereld niet echt zoals gepland verliepen of dat de vooruitstrevende en met socialistische ideeën doorspekte levensvisie van beide echtelieden veel ruimte voor acceptatie binnen de Lissese bollenwereld geboden zal hebben of een combinatie van beiden zal misschien nooit helemaal duidelijk worden. In elk geval vinden we vanaf 25 april 1903 het gezin van Gogh in Sassenheim, wonende aan de Hoofdstraat 18; dit is wat nu Hans Textiel is. Tussen het tegenwoordige Vita Cura en Clairoptiek stonden destijds een paar pandjes en de nummering van de huizen liep toentertijd geheel anders. Op 21 september van dat jaar werd hun eerste dochtertje Magdalena geboren en op 31 mei 1905 zag Maria Cornelia hier het levenslicht. In dat jaar werd eveneens de vereniging van letterkundigen opgericht waarvan zij later lid zou worden. In 1906 hadden de Van Gogh’s het met de bollenwereld helemaal gehad en op 13 september van dat jaar verliet het gezin Sassenheim. Willem ging werken bij kunsthandel Meurs in Amsterdam en Anna verdeelde haar tijd tussen het gezin en schrijfwerk, het gezin verhuisde naar Haarlem en nog later naar Arnhem.

Rika

Deze roman, gepubliceerd in 1905 in haar Sassemse jaren door uitgeverij Loosjes te Haarlem, is een onvermijdelijk bollenstreeks product van haar socialistische denkbeelden en diepgewortelde begaanheid met de medemens. Het is een klaaglied over de ‘bovenkant’ van de samenleving ten opzichte van de erbarmelijke omstandigheden van de gewone arbeider. Het idee was blijkbaar al in Lisse geboren, waarbij de verhalen waarmee Willem uit zijn werk thuis kwam, de inspiratie- en informatiebron geweest zullen zijn en waar Anna’s vrijheidsidealen en bewogen levensdoel zich niet konden vereenzelvigen met de schrijnende tegenstellingen binnen de bollenwereld. Het wordt vaak haar eerste volwassen literaire product met een eigen stijl genoemd, geschreven als een streekroman in een bollenstreeks dialect van zo’n 100 jaar geleden, waar we nu nog steeds iets van kunnen leren. Wie weet b.v. nog wat ‘toeterlof’ is? Het verhaal zelf speelt zich af in een kansarm bollenstreeks gezin waar een weduwe ‘Vrouw Wijzel’ de scepter zwaait. In het oude huisje wonen tevens haar achterlijke broer en een achterlijke dochter, bovendien heeft zij nog een zoon in Amerika. Marie, haar andere dochter komt terug naar huis van een betrekking uit de grote stad met een vaderloos kind op de arm, dit is ‘Rika’. Marie komt op een gegeven moment te overlijden en Rika wordt grootgebracht door haar grootmoeder naar wie zij trouwens vernoemd was. Als Rika ouder is geworden krijgt zij verkering met Gerrit, een jongen uit het volk, een echte socialist maar zij raakt hopeloos verliefd op ene Henri, een jonge man van betere stand, die Rika’s liefde aanvankelijk wel beantwoordt maar uiteindelijk kiest voor iemand uit zijn eigen kring en dan: ‘Zonder aarzeling, als gewoon doorlopend, plompte zij in het water, zonk geluidloos weg onder het rimpelend vlak’.

Naschrift

In 1909 wordt een derde zoon ‘Henri’ geboren (Rika’s Henri?) terwijl in 1910 Magdalena komt te overlijden. In 1934 verliest Anna ook haar echtgenoot Willem Jacob. In 1953 wordt haar laatste roman ‘Zomerland’ gepubliceerd die vertaald wordt in het Russisch in een oplage van 100.000 exemplaren. Op 28 januari 1960, negentig jaar oud, komt Anna in Haarlem te overlijden na een ziekbed van slechts één dag. Op haar bureau vond men een bijna voltooide vertaling en een artikel waaraan zij bezig was. Vanaf haar schooljaren, door haar huwelijk, moederschap en de laatste eenzame jaren heen liep die rode draad, die onuitroeibare drang om te schrijven, die haar zoveel voldoening gaf en haar begeleidde tot het einde aan toe.

Bronnen

Gemeente Archief Teylingen. A.M. Hulkenberg, Lisser Rommeling, Repro, Alphen aan de Rijn 1981. Jaarboek van de Maatschappij der Ned. Letterkunde te Leiden 1961-1962, pag. 100-107.

Verantwoording

De lezing van Stephan de Vos van 20 sept. jl leverde naast een extra stimulans voor de opzet van een Etymologische en Toponymische Werkgroep ook een verhaal voor het Nieuwsblad op. Aad van der Geest wees die avond naar aanleiding van de dialecten in de Bollenstreek op Anna van Gogh- Kaulbach. Een artikel over deze schrijfster, verschenen in de . Aschpotter, tijdschrift van Stichting Oud Sassenheim, van mei 2007 (no. 20 ), mochten wij overnemen.

Anna van Gogh-Kaulbach 1869-1960

Een dienstmeid met teveel noten op haar zang, 1848

Janna van Dijk was dienstmeisje bij Jan van Riessen, tuinman van buitenplaats Wassergeest. Hij woonde recht tegenover de Deverlaan. Het dienstmeisje werd door ten onrechte van diefstal beschuldigd. Toch werd zij ontslagen.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 9 nummer 4, oktober 2010

Uit het politierapport van Lisse, deel 12

Inleiding
In dit verhaal spelen de volgende personen een rol. Allereerst is dat Janna van Dijk. Ze was in dienst bij Jan van Riessen, tuinman op de buitenplaats Wassergeest. De tuinmanswoning bevond zich tegenover de Deverlaan aan de Heereweg. Van Riessen was in 1816 geboren te Beverwijk. In 1841 trad hij in het huwelijk met de uit Lisse afkomstige Johanna Lamberta van der Horst. Van Riessen verhuisde naar Lisse, waar D.P.J. van der Staal van Piershil, eigenaar van de buitenplaats Wassergeest, hem in dienst nam als tuinman. Verder zullen we in dit verhaal nog kennis maken met de tuinknechten Willem Kuneman en Dirk van Biezen.

 

 

De tuinmanswoning van Wassergeest vóór de verbouwing in 1956. De woning bevond zich aan de Heereweg tegenover de Deverlaan. Het was in 1671 gebouwd. Achter de woning tot aan de Achterweg strekten zich boomgaarden uit. In 1956 heeft Van Parijs de woning ingrijpend verbouwd en omgedoopt in villa Lutetia (de Latijnse benaming voor Parijs). De woning is in 1994 afgebroken.

Hoe het begon…

 

Op een dag is de dienstmeid Janna van Dijk bezig met de was. De vrouw des huizes komt langs en haalt uit de wasmand een wantje tevoorschijn die gedragen werd door één van haar kinderen. Vervolgens loopt ze er mee weg. De dienstmeid loopt haar achterna en vraagt of ze het wantje mag hebben, zodat ze verder kan gaan met de was. Tot haar verrassing antwoordt vrouw Van Riessen echter dat zij het zoek gemaakt had en dat zij het moest betalen. Wat nu?

Het kledingstuk is weer terecht
Op de zondag daarna ziet de dienstmeid één van de kinderen met het verloren gewaande wantje rondlopen. De maandag erop ligt het kledingstuk in de wastobbe. Ze nam het wantje uit de tobbe en ging ermee naar vrouw Van Riessen. Ze zei: ‘Vrouw, daar hebt ge nu het wantje dat ge gezegd hebt dat ik weggespoeld had’.

De dienstmeid wordt ontslagen
Vanaf dat moment zijn er meerdere versies van het gebeurde. Janna van Dijk, de dienstmeid, verklaart dat ze meerdere keren op het hoofd was geslagen door zowel Jan van Riessen als door zijn vrouw. Vervolgens zou hij tegen haar gezegd hebben dat ze aanstalten moest gaan maken om te vertrekken, hetgeen ze ook deed.

Het getuigenis van Willem Kuneman
De meid vond dat ze onheus bejegend was en ging naar de burgemeester, J. van Rosse. Daar deed ze haar verhaal. Ze hoopte dat Van Rosse nog iets voor haar kon betekenen. Maar de burgervader kon natuurlijk niet alleen uit gaan van het getuigenis van de dienstmeid en daarom nodigde hij ook de tuinknecht Willem Kuneman uit om getuigenis te geven van de waarheid. Hierbij realiseerde Van Rosse zich echter niet dat de tuinknecht niet helemaal onpartijdig was. En dat gold ook voor de andere tuinknecht, Willem van Biezen en al helemaal voor Johanna Lamberta van der Horst, de echtgenote van Van Riessen.
Maar wat had Willem Kuneman nu precies te vertellen? Welnu, kort nadat de dienstmeid van de zolder weer beneden was gekomen en wilde vertrekken, werd Kuneman met Willem van Biezen naar boven gestuurd om een meubelstuk dat de dienstmeid bij de aanvang van haar werkzaamheden te leen had ontvangen van baas Van Riessen naar beneden te halen. Daarop zou de meid de weg verspert hebben op de trap. De baas heeft haar toen opzij geduwd. Janna van Dijk had eerder verklaart dat Jan van Riessen haar toen een klap op de wang had gegeven. Maar daar kon Kuneman zich (natuurlijk) niets van herinneren.

Willem van Biezen aan het woord
Vervolgens wordt Willem van Biezen gevraagd te vertellen wat er gebeurd was. Hij kwam net binnen om ‘naar de catechesatie te gaan’ (gaf Van Riessen voor het personeel catechese?) toen tuinbaas Van Riessen hem opdroeg om samen met Kuneman het hiervoor vermelde meubelstuk naar beneden te halen. Dit werd inderdaad bevestigd door het getuigenis van Kuneman en de meid. Van Biezen had echter niet gezien dat de tuinbaas en zijn echtgenote de meid hadden geslagen. En ook niet dat de meid op de trap was gaan staan om hem en Kuneman de weg te versperren.

Het getuigenis van vrouw Van Riessen
Tenslotte doet ook vrouw Van Riessen haar verhaal. Zij en haar man zouden de meid niet geslagen hebben. Ze hadden haar wel ontslag aangezegd, aangezien ze een grote mond had gehad. De meid was binnengekomen met het zoekgeraakte wantje en zou hebben gezegd: ‘Daar heb je nu het wantje, daar je zoo’n beweging om gemaakt hebt’. Alles wel overwogen komt dit niet helemaal overeen met de woorden uit het getuigenis van de meid. De versie van de dienstmeid komt heel wat ‘beleefder’ over dan hetgeen vrouw Van Riessen hier beweert. Daarop zou haar man gezegd hebben: ‘Nu is het genoeg, nu moet ge weg’.

Tenslotte…
Tot zover de getuigenissen. De burgervader zat met een probleem. Het was het woord van vrouw Van Riessen en de tuinknechten tegen dat van de dienstmeid. Hij kon dus niets voor haar betekenen.

Conclusie
Daar gaat de meid dan met het kleine beetje bezit dat ze had, hopende dat ze elders nog een betrekking zou kunnen vinden. In deze tijd zou zij waarschijnlijk een beroep op haar bedrijfsvereniging hebben gedaan. Maar dan nog viel er weinig te bewijzen. En de maatschappelijke verhoudingen waren in die tijd zodanig dat de werkgevende partij er altijd beter af kwam. En die werkgevende partij was van mening dat Janna van Dijk een dienstmeid was met teveel noten op haar zang!

Noten
R.J. Pex, Wassergeest te Lisse (Lisse 2004).
Gemeentearchief Lisse, inv.nr. 1115.
Gemeenteachief Lisse, bevolkingsregisters.

Copyright © 2011 Vereniging Oud Lisse

Het ontslag van een rooms-katholieke ambachtsbewaarder in Lisse in de achttiende eeuw.

Vanaf de tachtigjarige oorlog kregen de katholieken in openbare functies vaak ontslag. De katholieke Jacob Floriszn. Van Bourgondiën is geboren in 1680. Hij werd in 1725 ambachtsbewaarder. Uitgelegd wordt wat een ambachtsbeheerder is. In 1726 start een procedure om hem af te zetten omdat hij katholiek was.

door drs. Maarten van Bourgondiën

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 2, april 2009

Inleiding

Als gevolg van de veranderde machtsverhoudingen, werden roomskatholieken vanaf het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog stelselmatig geweerd uit publieke bestuursfuncties. Zo mochten zij op lokaal niveau geen deel meer uitmaken van het dorpsbestuur. Op 29 juli 1654 bepaalden de Staten van Holland dat alle rooms-katholieke bestuurders “geheel buyten geslooten en affgeset” moesten worden. [1] Om bestuursfuncties uit te kunnen oefenen, was lidmaatschap van de Nederduits Gereformeerde Kerk verplicht. Dat was namelijk de offi ciële staatskerk van de Republiek der Verenigde Nederlanden. In de praktijk werd deze bepaling echter niet altijd strikt opgevolgd. In dorpen met een kleine gereformeerde gemeenschap was het bijvoorbeeld moeilijk om steeds voldoende geschikte bestuurders te vinden. Dan kon het gebeuren dat er ook rooms-katholieken in het dorpsbestuur werden opgenomen. Hoewel de rooms-katholieken in Lisse door de eeuwen heen altijd in de meerderheid zijn geweest, was de gereformeerde gemeenschap in dit dorp over het algemeen net groot genoeg om voldoende bestuurders te leveren. De vier burgemeesters waren in de achttiende eeuw bijvoorbeeld steevast van gereformeerde huize. Het is dan ook enigszins opvallend om te zien dat er in het eerste kwart van de achttiende eeuw toch roomsgezinde dorpsbewoners als ambachtsbewaarder in het dorpsbestuur werden opgenomen. Lange tijd leverde dat geen noemenswaardige problemen op, maar in 1726 was de rooms-katholieke achtergrond van de ambachtsbewaarder Jacob Floriszn. van Bourgondiën reden om een ontslagprocedure tegen hem in gang te zetten. [2] Ik zal daar in dit artikel wat dieper op ingaan. Het geeft namelijk een aardig beeld van de invloed van religie en politiek op het dagelijkse leven in een dorp in de Duin- en Bollenstreek.

De kerk van Lisse in 1725. De religieuze spanningen in het dorp hadden in deze tijd vooral een politiek-economische achtergrond (afbeelding uit de Atlas van Schoemaker).

Jacob Floriszn. van Bourgondiën

De hoofdpersoon van dit artikel werd geboren omstreeks 1680. Hij was een kleinzoon van de uit de ambachtsheerlijkheid Heemstede afkomstigeCornelis Janszn. van Bourgondiën. Cornelis trouwde omstreeks 1645 met de Lissese Anna Florisdr. van Wassenaar. Vermoedelijk is hij ook rond datzelfde jaar naar Lisse verhuisd. In ieder geval hebben zijn nakomelingen tot aan het eind van de achttiende eeuw in dit dorp gewoond. In de door mij bestudeerde bronnen worden nergens concrete uitspraken gedaan over het beroep van Jacob Floriszn. van Bourgondiën, maar waarschijnlijk verdiende hij net als zijn vader Floris Corneliszn. van Bourgondiën zijn brood als veehouder. Jacob was eigenaar van een boerderij met zes morgen land in de Westgeest te Lisse (een gebied ten zuiden van de huidige Vuursteeglaan, aan de westkant van de Heereweg). Daarnaast pachtte hij ook nog diverse andere percelen. In 1725 had hij op die manier in totaal vijftien morgen en 200 roeden land tot zijn beschikking. Omgerekend naar huidige oppervlaktematen is dat ongeveer dertien hectare. Jacob Floriszn. van Bourgondiën trad tweemaal in het huwelijk. Eerst in 1707 met Katharina Jacobsdr. Naardenburg (weduwe van Jacob Dirkszn. Uitermeer), en daarna in 1731 met Anna Anthonisdr. van der Libbe (weduwe van Dirk Jacobszn. Ruigrok). De families Van Bourgondiën en Van der Libbe konden blijkbaar goed met elkaar overweg, want Jacobs halfzus Dirkje Florisdr. van Bourgondiën was getrouwd met Jan Anthoniszn. van der Libbe, een broer van Anna. Voor zover bekend zijn beide huwelijken van Jacob Floriszn. van Bourgondiën kinderloos gebleven. Hij overleed op 23 december 1738, waarna Anna Anthonisdr. van der Libbe op de boerderij in de Westgeest bleef wonen. Zij hertrouwde in 1743 met Adriaan Simonszn. Langeveld.

Fragmentgenealogie van Cornelis Janszn. van Bourgondiën

Aanstelling tot ambachtsbewaarder

In 1725 werden Jacob Floriszn. van Bourgondiën en Otto Jacobszn. Kranenburg aangesteld tot ambachtsbewaarders van Lisse. Samen met de schout hielden zowel kroosheemraden als ambachtsbewaarders zich bezig met waterschapszaken binnen het ambacht, waaronder het onderhoud van wegen, bruggen en dijken (taken die tegenwoordig onder de noemer Openbare Werken vallen). De schout en kroosheemraden oefenden de rechterlijke taken uit, terwijl de bestuurlijke taken op de schouders rustten van de schout en de ambachtsbewaarders. [3] In de zeventiende en het eerste kwart van de achttiende eeuw werden de functies van kroosheemraad en ambachtsbewaarder eerlijk verdeeld onder de roomskatholieke en gereformeerde inwoners van Lisse. Zo waren onder andere de vader en oom van Jacob Floriszn. van Bourgondiën in de zeventiende eeuw actief als kroosheemraad. [4] Dat Jacob zich later eveneens met waterschapszaken bezig ging houden, is dus niet zo vreemd.
In Lisse week men op waterschapsgebied lange tijd af van de wettelijke bepaling dat bestuursfuncties alleen door lidmaten van de offi ciële staatskerk mochten worden uitgeoefend. Misschien woonden er in dit dorp toch niet voldoende gereformeerden om alle bestuursfuncties te vervullen. Daarnaast kan de verdeling van de waterschapsfuncties ook in goed onderling overleg zijn gebeurd. De bevolking nam in veel gevallen namelijk een wat gematigder standpunt in ten aanzien van de strenge verbodsbepalingen die van hogerhand werden opgelegd. [5] Dan zou je echter verwachten dat rooms-katholieken in Lisse ook tot andere bestuursfuncties werden toegelaten, en daar zijn vooralsnog geen aanwijzingen voor. De burgemeesters hadden, zoals gezegd, in de achttiende eeuw steevast een gereformeerde achtergrond. Er is dan ook meer onderzoek nodig om duidelijkheid te krijgen over deze bestuurskwestie.

Overzicht van de ambachtsbewaarders van Lisse in de jaren 1700-1725 (NB: over de jaren 1714-1716 en 1723-1724 zijn op dit moment geen gegevens bekend)

Procedure tot afzetting

Gedurende het eerste kwart van de achttiende eeuw had niemand zich echt gestoord aan het feit dat rooms-katholieke inwoners van Lisse tot ambachtsbewaarder werden aangesteld. In 1726 werd er door vertegenwoordigers van de gereformeerde kerk van Lisse echter geklaagd bij de Classis van Leiden. De gereformeerde ambachtsbewaarder Otto Jacobszn. Kranenburg diende in mei van dat jaar af te treden omdat zijn termijn afl iep. Dat betekende dat de roomsgezinde ambachtsbewaarder Jacob Floriszn. van Bourgondiën in dat jaar de oudste in functie en daarmee invloedrijkste ambachtsbewaarder van Lisse zou worden. Het was namelijk de oudste ambachtsbewaarder die de belangrijkste bestuurstaken uitoefende (al overlegde hij daarbij wel met de jongste ambachtsbewaarder). Men vreesde nu “dat bij het bewind van de paepsche [ambachtsbewaarder], de gereformeerde ambaghtslieden als timmerluyden, metselaeren, etc., aen welke thans het werk van het ambagt aldaer aenbesteet was, zoude werden affgedanckt, en het zelve aen paepsche gegeven.” Het draaide bij deze kwestie uiteindelijk dus niet om zuiver religieuze motieven, maar om de vraag wie alle werkzaamheden binnen het ambacht mocht verrichten. In dat licht bezien is het vreemd dat er niet eerder aan de bel werd getrokken. Het kwam namelijk wel vaker voor dat de oudste ambachtsbewaarder van Lisse rooms-katholiek was (zie bovenstaande tabel). Vermoedelijk speelden de problemen die in 1723 waren gerezen tussen de ambachtsheer en de kerkeraad van Lisse een rol bij de afzettingsprocedure. [6] De toenmalige ambachtsheer Frederik Jacob Heereman van Zuydtwijck was namelijk roomsgezind, en het was de kerkeraad een doorn in het oog dat hij als rooms-katholiek ambachtsheer het recht had om de predikant te benoemen. Er volgde een slepend juridisch confl ict, waarbij de ambachtsheer in 1725 uiteindelijk aan het kortste eind trok. De gedesillusioneerde Frederik Jacob Heereman van Zuydtwijck verliet kort daarop de Republiek der Verenigde Nederlanden. Met Lisse heeft hij zich daarna nooit meer bemoeid. Mogelijk heeft de kerkeraad van Lisse deze benoemingskwestie aangegrepen om meteen ook maar korte metten te maken met de laatste rooms-katholieke invloed in het dorpsbestuur. De bovenstaande gegevens wekken in ieder geval sterk de indruk dat er in Lisse gedurende de jaren ’20 van de achttiende eeuw een politiek-economische machtsstrijd gaande was. Hoe het ook zij, uiteindelijk kwamen de klachten over de rooms-katholieke ambachtsbewaarder van Lisse via de “Christelijke Synodus van Zuyd Holland” bij de Staten van Holland terecht. Zij bepaalden op 26 april 1726 dat Jacob Floriszn. van Bourgondiën diende te worden afgezet, en dat in zijn plaats een gereformeerde ambachtsbewaarder moest worden aangesteld. Daarnaast lieten de Staten van Holland weten dat er in het vervolg alleen nog maar gereformeerden tot ambachtsbewaarder mochten worden benoemd. Voor zover ik na kon gaan heeft men zich daar in Lisse vanaf 1726 steeds keurig aan gehouden. De rol van de rooms-katholieken in het dorpsbestuur was daardoor dus helemaal uitgespeeld. Zij moesten wachten tot de Bataafse Revolutie van 1795 voordat zij weer bestuurlijke activiteiten konden ontplooien.

Noten

[1] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 25 (ongefolieerd).

[2] Zie ook A.M. Hulkenberg, De Aagtenkerk van Lisse (Lisse 1960) 78.

[3] Mr. S.J. Fockema Andreae, Het hoogheemraadschap van Rijnland. Zijn recht en zijn bestuur van den vroegsten tijd tot 1857 (herdruk Alphen a/d Rijn 1982) 95 en 100.

[4] Nationaal Archief, DTB Lisse, boek L12A (1687-1699), fol. xii; enkele Lissese rooms-katholieke families die in de achttiende eeuw kroosheemraden leverden, zijn: Van Graven, Kroon, Schrama, Van der Voort en Vreeburg, zie: Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 302.

[5] Mr. H.J.J. Scholtens, Uit het verleden van Midden-Kennemerland (Arnhem 1968) 69. [6] A.M. Hulkenberg, Het Huis Dever te Lisse (Zaltbommel 1966) 200-208

De oude smederij

Op de Heereweg ter hoogte van de Berkhoutlaan was sinds 1622 een smederij gevestigd. De bewoners worden besproken.

door Arie in ‘t Veld

Nieuwsblad Jaargang 4 nummer 4, oktober 2005

In de loop der jaren heeft wijlen A.M. Hulkenberg enorm veel over de geschiedenis van Lisse opgedoken en aan het papier toevertrouwd. Zoals het artikel over de oude smederij. Voor het eerst horen we van een smid in Lisse in het jaar 1580 in de persoon van Jan Dirksz Vogel. Waarschijnlijk stond zijn huis iets meer in de richting van het Vierkant dan het pand op deze foto. Dat werd namelijk in 1622 bewoond door Pieter Willemsz van Moerkerken. Later bouwde Hendrik Valkenaar hierachter het huis Berkhout, juist ter plaatse van het huidige woonzorgcentrum van die naam.
Op 31 januari 1646 heeft de weduwe van Pieter Willemsz Moerkerken huis, erf en kroft (teellandje) voor f. 625,- en een brief van duizend kapitaal jegens en vier en honderd verkocht aan Daniel Adriaensz van Tetterode, wonende te Noordwijkerhout. In 1674, als Tetterode met dit huis als onderpand f.500,- gaat lenen, blijkt bij het krochtje ook nog een boomgaardje te horen. Vanaf 1722 was hier de smederij van Lisse gevestigd, met als eerste smid Herman Janse Schuurman.
Uit de verkoopakte van 1785 blijkt dat de smederij voor die tijd in het bezit is gekomen van Abraham Leendertsz Koevoet, hoefsmid geboren te Bergsehoek. Dat hij een degelijk vakman was moge blijken uit het feit, dat aan hem – ofschoon roomsgezind – in 1755 en de jaren daarop het smidswerk van het Ambacht Lisse werd uitbesteed.
Na hem volgde Jan Schenk die weer werd opgevolgd door zijn schoonzoon Jan Balman. Toen laatstgenoemde overleed, zette zijn vrouw de smidse voort en na haar verscheiden werd dat Pelle. In het huis aan de noordzijde (rechts op het schilderijtje) woonde Ds. Johannes Stoelendrayer, emerituspredikant.

Copyright © 2005 Vereniging Oud Lisse

Dit huis werd in 1622 bewoond door Pieter Willemsz van Moerkerken.