Berichten

LISSE TOEN: BLOEMISTKNECHTS STAKEN VOOR 16 GULDEN LOON PER WEEK

Besproken wordt het resultaat van diverse stakingen in 1913 en 1914. Uiteindelijk werden de partijen het eens over een loon van 16 euro. De staking duurde 14 dagen.

Arie in ‘t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 1, januari 2003

De arbeiders in de bloembollen-sector (de bloemistknechts) heb­ben vele jaren op de barricades vertoefd om betere arbeidsvoor­waarden te bereiken. Dat ging lang niet altijd zonder slag of stoot en ook hadden die inspanningen niet altijd succes, maar de arbeiders hadden een machtig wapen ont­dekt en wierpen dat in de strijd. Er werd gestaakt! En voor dat fenomeen hadden de werkgevers begin 1900 respect. En na de staking in 1913 en de bijna-staking in 1914 klauterden de arbeiders opnieuw op de barri­caden. Eerste Wereldoorlog is uit­gebroken. Nederland staat daar buiten, maar aan de omhoog schietende prijzen zou je dat niet zeggen. De lonen zullen dus ook moeten stijgen.

Eis: 17,75 gulden per week

In 1917 componeren de drie landarbeidersbonden een voorstel dat opnieuw een loons­verhoging beoogt. Men wilde een loon van ƒ 17,75 per week. De werkgevers menen dat vijftien gulden genoeg is, maar zijn later bereid tot ƒ 15,50 te gaan. De arbeiders zakken naar ƒ 17,- en als de ondernemers dan verklaren dat ze niet verder wensen te gaan dan ƒ 16,- barst de bom. Op 10 april 1918 is de staking een feit. De werkgevers laten weten dat de staking vóór de 15e april opgeheven dient te zijn, want anders zal men voor het

gehele gewest de ‘uitsluiting’ afkon­digen. Het helpt niet veel. De werk­gevers vormen geen eenheid. De ene firma doet wel mee aan de uit­sluiting van arbeiders die gestaakt hadden en de ander niet. Bij de sta­king zijn ongeveer 1100 arbeiders betrokken.

Twee weken

Uiteindelijk werden de partijen het eens over een loon van ƒ 16,-. Het conflict dat in totaal veertien dagen duurde, behoorde hiermee tot het verleden.

Bloemistknechts aan het werk op het veld. Ze verwijderen kwaadbodems, abnormaal groeiende hyacinthen met een houtje, snotkoker, emmers en afgedekte kruiwagens, (foto: collectie Arie in ‘t Veld, mei 1923)

LISSE TOEN: BLOEMISTKNECHTS VOCHTEN VOOR HOGER INKOMEN BLOEMISTKNECHTS

Omstreeks 1903 verdienden de bloemistknechten weinig. De landarbeidersbond protesteerde hiertegen. Men staakte voor hogere lonen. De arbeiders wonnen

door Arie in ‘t Veld.

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 4, oktober 2002

Omstreeks 1903 bedroeg in de Bloembollenstreek het gemiddel­de loon van de bloemistknechts, de mensen die bij de bloembollen-kwekerij- en handelsbedrijven werkten, ƒ 8,- a ƒ 8,50 per week. Onderscheid was er al, want in Haarlem en omgeving was dat ƒ 10,20 gedurende negen en ƒ 8,10 gedurende drie maanden. De ontevredenheid onder de werk­lieden over hun karig loon werd voortdurend groter en in Hillegom barstte in 1913 de bom bij de fa. Van Til-Hartman en bij de fa. K. van Bourgondiën & Zn. De eerstgenoemde firma haalde snel bakzeil toen men zag dat het de arbeiders ernst was met het dreigement om het werk erbij neer te leggen, maar de firma van Bourgondiën hield het been stijf. Het ging hard tegen hard, want het werk moest doorgaan en er waren geen arbeiders. Elders trachtte men tegen abnormaal hoge lonen

arbeiders te werven. Op het land betaalde men zelfs ƒ 10,- per dag, bijna het salaris van een minister! Diverse werknemers gingen snel overstag. Desalniettemin breidde de sta­king zich uit. Op de 20ste juni van 1913 riep de Landarbeidersbond alle landarbeiders bijeen in Flora terwijl een vertegenwoordiger van de landarbeiders trachtte contact op te nemen met de ‘onderkruipers’ die voor het gouden kalf waren gezwicht. De goede man liep daarbij een der firmanten tegen het lijf en het onderhoud dat toen volgde was aan­vankelijk van beide kanten niet bijster vriendelijk. Toch kwam men tot een voorstel: De werkgever beloofde op handslag dat men met ingang van 1 maart 1914 aan de verlangens van de arbeiders tegemoet zou komen. Tot die datum zou het loon verbeterd worden, maar de arbeidsdag zou dat jaar blijven zoals het was. Met deze bood­schap kwam de afgevaardigde terug in Flora waar de arbeiders het allesbehalve eens waren met zijn voorstel niet te staken. Slechts na veel vijven en zessen lukte het hem om de werknemers te overtuigen. Hoewel van de zijde der werkge­vers was toegezegd dat men tegen de stakers geen represaillemaat­regelen zou nemen, bleken deze werknemers het volgende jaar toch moeilijk aan de slag te kunnen komen. Er werd zelfs een pamflet verspreid waarin werd aangeraden bepaalde arbeiders niet in dienst te nemen.

Uit de inmiddels gevormde ‘strijd-kas’ werden deze arbeiders net zolang gesteund tot ze wel werk hadden. Zo hadden de arbeiders de eerste grote slag gewonnen, maar men had nog een lange weg af te leggen om de omstandigheden aanzienlijk ver­beterd te krijgen.

WAT IS DE TOEKOMST VAN DE TUINBOUWSCHOOL?

De school van de Middelbare Tuinbouwschool blijft behouden als gemeentelijk monument. Over de invulling wordt nagedacht.

door Arie in ‘t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 4, oktober 2002

De voormalige (Rijks) Middelbare Tuinbouwschool aan de Heereweg wacht een nieuwe toekomst. Het ziet er namelijk naar uit dat het schoolgebouw met de klok, ter hoogte van de Jannetjesbrug, door de gemeente wordt overgenomen en als gemeentelijk monument in stand zal worden gehouden. Onderwerp van nadenken en gesprekken is nu nog de invulling van het gebouw, dat thans weliswaar een prima domein vormt voor de Lissese kunstenaars die daar een onderkomen hebben sinds hun atelier in de Ooievaarstraat door brand werd verwoest, maar het is nog maar de vraag of die invulling een definitief karakter krijgt.

Het schoolgebouw blijft in ieder geval bestaan en zal tot in lengte van jaren herinneren aan het feit dat Lisse ook op educatief gebied het centrum van de Bollenstreek vormde. Een gegeven waaraan een einde kwam toen enige jaren
geleden grote Agrarische onderwijsclusters werden gesticht (de AOC’s) en het onderwijs van Lisse werd overgeheveld
naar de agrarische school in Aalsmeer. Het is maar goed dat de initiatiefnemers van weleer dit niet hebben beleefd, want zij hebben hemel en aarde bewogen om deze school te kunnen stichten. Het heeft alles bij elkaar nog geen honderd jaar
mogen duren.

De geschiedenis van de tuinbouwschool begint vóór 1900. Hoewel Nederland in die tijd algemeen bekend stond om haar grote vakkennis op tuinbouwgebied, was het niet ons land, maar België waar men over een behoorlijke vorm van tuinbouwonderwijs beschikte. De Belgen hadden namelijk sinds 1849 een tuinbouwschool in Gentbrugge, die verbonden was aan de kwekerij van de wereldvermaarde Louis van Houtte in de Botanische Tuin van Gent. De school leverde prima vakmensen af en dat zat de Nederlandse tuinbouwwereld toch niet helemaal lekker.

Voor de toenmalige inspecteur van het Middelbaar Agrarisch Onderwijs in ons land, Dr. W.C.H. Staring, was het in elk geval aanleiding om samen met de toonaangevende bollenfirma J.H. Krelage te Haarlem initiatieven te ontplooien die moesten leiden tot de oprichting van een school, waaraan dezelfde formule ten grondslag lag als van die in België. Een school dus die eveneens aan een kwekerij verbonden was en daarbij dacht de inspecteur duidelijk aan het bedrijf van Krelage en niet alleen dat, want zo blijkt uit een zinsnede van een brief uit die tijd ‘Gij moet niet alleen uw etablissement ter dispositie stellen, maar u ook als leraar in de bloemisterij laten benoemen’.

Haarlem kandidaat

Haarlem werd dus kandidaat gesteld, maar naar spoedig bleek dat het initiatief niet alleen aan Haarlem was voorbehouden. Op nagenoeg hetzelfde moment – en we praten dan over 1866 – probeerde een aantal voortvarende lieden via een Amsterdamse combinatie een aandelenkapitaal bijeen te brengen met het doel ook zo’n school te stichten op de voormalige buitenplaats Frankendaal. Die opzet slaagde, hetgeen voor een belangrijk deel te danken was aan het particuliere initiatief, dat aan de Amsterdamse school ten grondslag lag, terwijl Haarlem ondanks de inspanningen van Dr. Staring veel tijd verloor met het bijeenbrengen van de noodzakelijke overheidsgelden. De ambtelijke molens draaiden ook toen al langzaam. Te langzaam in ieder geval om de school in Haarlem spoedig van de grond te krijgen. Amsterdam leek het pleit dus gewonnen te hebben, want in 1868 ging de tuinbouwschool ‘Linnaeus’ van start en daarmee waren de plannen van Haarlem van de baan.

Amsterdam mislukt

Hier staat echter met opzet het woord ‘leek’, want na een aanvankelijk vlotte start kwam er na verloop van tijd toch de klad in de Amsterdamse tuinbouwschool. In 1882 volgde de ontbinding van de maatschappij Linnaeus en hoewel men daarna nog getracht heeft de school nieuw leven in te blazen, viel in 1894 definitief het doek voor het Amsterdamse tuinbouwonderwijs en was men wat dat betreft weer net zover als een kleine halve eeuw eerder.

Haarlem of Lisse

Het Amsterdamse echec betekende geenszins, dat de land­en tuinbouwsector de moed had opgegeven. Steeds vaker en ook luider klonk de roep om een ‘aan den eischen des tijds beantwoordende’ Rykstuinbouwschool en die roep werd door de overheid gehonoreerd met de stichting van de school in Wageningen in 1895. Tevens werd erkend dat de verschillende culturen hun eigen problematiek met zich meebrachten en dat leidde in de daaropvolgende jaren tot de oprichting van de zogenoemde tuinbouw winterscholen. In 1896 verrees in Naaldwijk zo’n school voor de groenten, Aalsmeer volgde een jaar later voor de bloemen, Boskoop kreeg in 1898 zijn bomenschool, maar het bloembollenvak bleef met lege handen staan. Echter, ook uit die sector klonk de roep om vakgericht onderwijs steeds luider en toen duidelijk werd, dat die er ook zou komen, begon tegelijkertijd de stoelendans om de plaats van vestiging.

Beroering

Het gehele bloembollenvak raakte erdoor in beroering, want opnieuw spitste de strijd zich toe tussen twee gemeenten, maar nu Haarlem en … Lisse, terwijl op de achtergrond ook Sassenheim liet blijken er wel wat voor te voelen om de school binnen de dorpsgrenzen te krijgen. Haarlem leek echter de beste papieren te hebben, want zowel het hoofdbestuur van de (toen nog niet Koninklijke) Algemene Vereeniging voor Bloembollencultuur als dat van het Hollands Bloembollen-kwekersgenootschap spraken de voorkeur uit voor Haarlem als vestigingsplaats met als voornaamste argument, dat het een centrale plaats was ten opzichte van Noord en Zuid en dat deze plaats gemakkelijk bereikbaar was met volop gelegenheid tot huisvesting van de leerlingen die niet dagelijks naar huis zouden kunnen terugkeren.

Te vuur en te zwaard

De zaak leek dus zo klaar als een klontje, ware het niet dat Lisse fel in de oppositie bleef en beide partyen niet van zins bleken te zijn om ook maar een druppeltje water bij de wijn te doen. Nicolaas Dames, A. Guldemond en J.W. Lefeber Sr. Alsmede het gemeentebestuur van Lisse bliezen veel en hard in de bus en wisten van geen wijken. Met name Dames verdedigde de argumenten om de school in Lisse te vestigen te vuur en te zwaard.

Tijdens een algemene vergadering moest de uitspraak komen waar het bollenvak de school wenste. Namens de regering was de heer Van Hoek, inspecteur van het Land- en tuinbouwonderwijs, aanwezig, die in opdracht had om de regering verslag te doen van de gevoerde debatten en naar aanleiding daarvan een besluit te nemen. Het hoofdbestuur Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur was in meerderheid voor de vestiging te Haarlem en de woordvoerder daarvan, de heer E.H. Krelage (die ook bepaald geen kinderachtige reputatie had opgebouwd) verdedigde de plaatsing te Haarlem op waardige en welsprekende wijze. Geen argument liet deze ongebruikt om het pleit voor Haarlem te winnen. Het was een mooie gedocumenteerde rede, die niet naliet indruk te maken, hetgeen later ook bleek. Voor de afdeling Lisse was de voornaamste woordvoerder Nicolaas Dames. De eenvoud zelve en helemaal geen redenaar. Op zakelijke gronden trachtte hij de argumenten van Krelage te ontzenuwen. Maar hoe hij ook pleitte, de meerderheid bleef aan de zijde van de Haarlemse ondernemer.

De minister wijst Lisse aan

leder verwachtte dus dat de school te Haarlem gevestigd zou worden. Voor de toenmalige minister A.S. Talsma was  het gekrakeel in de bloembollengelederen aanleiding om tijdens de bloeiperiode eens zelf poolshoogte in de teeltgebieden te gaan nemen en uiteraard ook de betreffende gemeenten te bezoeken. En dat bezoek leidde tot een verrassend besluit. Niet Haarlem maar Lisse werd namelijk als vestigingsplaats aangewezen met als (ministeriële) overweging, dat Het toch
het beste geacht moet worden de school te plaatsen temidden van de practijk der cultuur, opdat en het leerarenpersoneel en de leerlingen zoveel mogelijk daarmede in contact kunnen blijven’. Daar konden de Haarlemmers het mee doen.

Markante gevel

De eerste leraren van de Tuinbouwschool gefotografeerd in 1912 voor de zwaar getraliede deuren van de  hoofdingang.

In 1910 werd het ambtsgebied van de Rijkstuinbouwleraar Ir. K. Volkersz vastgesteld en hem het directoraat van de school in Lisse opgedragen. Toch zou het noch tot 1912 duren eer de school daadwerkelijk van start kon gaan. Met name de fondswerving vergde veel tijd, zodat de reeds opgekomen leerlingen in de eerste instantie moesten worden onder­gebracht in het gebouw van de (thans voormalige) Openbare Lagere School aan de Heereweg in Lisse. Op 14 februari 1912 was het echter zover! Het nieuwe door de Lissese aannemer J. Witsenburg gebouwde schoolgebouw met zijn fraaie, markante gevel in Louis XVIe stijl, ontworpen door de Boskoopse architecten Van Nes en Tol en tot stand gekomen mede dankzij een gemeentelijk krediet van 23 duizend gulden, kon betrokken worden. En op zaterdag 17 februari 1912 vond de officiële opening plaats door de directeur generaal van de Landbouw, dr. R v.d. Hoek.

Vingerwijzing

Dat was dat. Lisse had de strijd definitief gewonnen en wie bij het betreden van de hoofdingang of het voorbijrijden over de Heereweg de moeite neemt omhoog te kijken, ontwaart in het front van het gebouw het in steen uitgehouwen wapen van Lisse. Een vingerwijzing van weleer en aangebracht op verzoek van burgemeester Jhr. Von Bönninghausen tot Herinchhave tot getuigenis van de gewonnen strijd omtrent de plaats van vestiging.

Lesstof

Aan de opleiding van de leerlingen aan de Rijks Middelbare Tuinbouwschool (RMTuS) heeft van meet af aan een uitgebreid programma ten grondslag gelegen, dat veelomvattend van inhoud was. In het cursusjaar 1912/13 kende men bijvoorbeeld al de lessen plantkunde en plant-ziekten, natuur- en weerkunde, scheikunde, kennis van den grond, grondverwerking en -verbetering, bemestingsleer, de talen Nederlandsch, Duits en Engels en de respectievelijke handelscorrespondenties en daarnaast onder andere vakken als groenteteelt, kassenbouw en verwarmingsstelsels. In latere jaren kreeg ook de handelskant de ruimte en werden vakken als handelskennis, handelsrekenen, boekhouden en administratie aan het pakket toegevoegd, alsmede cursussen Zweeds, Frans en zelfs Russisch! De tijd waarin de bollen­reiziger met als enige belangrijk gereedschap een woorden­boekje van het door hem te bezoeken land in de achterzak torste leek voorbij. De school in Lisse bood de gelegenheid om de talenkennis uit te breiden. Voor het opdoen van de noodzakelijke praktijkkennis bestond eveneens volop gelegenheid. Zo valt in het eerste officiële leerprogramma te lezen ‘De lessen zullen in de tweede week van October aanvangen. De leerlingen kunnen aldus een stuk van de planttijd meemaken. Daarna valt er behalve het ‘dekken weinig belangrijks meer mee te maken. Zodra de winter voorbij is en in ‘t vroege voorjaar er weer veel valt waar te nemen, wordt het aantal lesuren belangrijk verminderd waardoor de leerlingen tot het einde van de cursus in staat worden gesteld om tenminste drie halve dagen per week practische waarnemingen te velde te doen, teneinde van de groei der talloze verscheideneden van hyacinten, tulpen, narcissen enz met deugen kwalen en eigenaardigheden op te nemen’. Dat laatste kon overigens ook gebeuren op de in de onmiddellijke omgeving van de school in het leven geroepen schoolproeftuin, die door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog echter pas van de grond kwam nadat de vrede gesloten was en de fondswerving weer ter hand genomen kon worden. Door de  nieuwe ontwikkelingen  zich voordeden werden de daaropvolgende jaren achter de school nog meer gronden aangekocht, maar door het ontbreken van voldoende financiële middelen zou het nog tot 1932 duren voordat de gewenste kassen en gebouwen verrezen.

Gouden jubileum

Het gouden jubileum van de school in 1962 maakte duidelijk dat de tuinbouwschool in Lisse was uitgegroeid tot een instelling, die door het vak niet meer gemist kon worden Naast een computergestuurde schoolkas had de school toen een grote vaste planten sortimentstuin, waarmee ingespeeld Werd op de nieuwe ontwikkelingen in de ‘Zuid’, zoals de Bollenstreek in het bloembollenvak wordt genoemd. Verder bood een uitgebreide stageregeling de garantie dat de leerlingen zeer veel ervaringen konden opdoe in het bedrijfsleven en werd door de school veel aandacht besteed aan een nieuwe poot van het agrarisch onderwijs, het cursusonderwijs. ‘Vorming, zo redeneerde men bij de RMTS, mag niet eindigen met het behalen van het einddiploma, maar moet een continue toetsing en vorming zijn gedurende het hele leven’.

Het voormalig schoolgebouw is al wat rest van de periode waarin Lisse op het gebied van tuinbouw-onderwijs (gespitst op de bloembollen) een unieke plaats innam.

De vraag is nu wat de nieuwe toekomst zal zijn van dit beeldbepalende gebouw langs de Heereweg.

Het was minister Talsma zelf die de beslissing nam in de strijd om de Tuinbouwschool tussen Haarlem en Lisse. Tot ieders verrassing wees hij Lisse aan. En zo werd het majestueuze gebouw opgetrokken aan dev Heereweg ‘te midden van de practijk der cultuur 

Lisse toen: De bloemistknechts op de barricaden

Rond 1900 werden de arbeiders in de Duin- en Bollenstreek steeds mondiger. De nieuwe arbeidsorganisatie Flora in Hillegom werd in 1900 opgericht. Zij hadden diverse eisen, maar men kwam niet overeen met de werkgevers.


Tekst en foto: Arie in ‘t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 3, juli 2002

 


Aan het begin van de twintigste eeuw, rond 1900 dus, werden de arbeiders in de Duin- en Bollenstreek steeds mondiger. Meer en meer durfde men voor de eigen belangen op te komen. Niet altijd met succes overigens en soms zelfs met een desastreuze afloop, omdat de werkgever zo’n opspelende arbeider nogal eens gewoon op de keien zette. De neutrale arbeidsorganisatie Flora, die in 1900 in Hillegom werd opgericht, mocht al gauw enkele successen boeken. Zo kreeg men het voor elkaar dat men zaterdag niet meer tot ‘s avonds zeven uur moest werken, maar tot ‘s middags vier uur. Een hele verbetering. Na dit succes vloeide onmiddellijk meer leden toe en al gauw werd ook in Lisse een afdeling opgericht.
Een en ander had tot gevolg dat ook de werkgevers zich gingen aansluiten. De Patroonsvereniging werd opgericht. Dit had tot gevolg dat er meer kansen tot overleg tussen werkgevers en werknemers kwamen. Tot ernstige moeilijkheden kwam het aanvankelijk niet. Maar toen de werknemersorganisatie in 1913 enkele wensen kenbaar maakte, barstte de bom. De arbeiders wilden dat de nor­male arbeidsdag zou zijn van ‘s ochtends zes tot ‘s avonds zeven uur en in de donkere maanden, waarin men natuurlijk niet om zes uur kon beginnen en men eerder naar huis moest, omdat men niets meer kon zien, wilde men van ‘licht tot donker’ werken. Voor de periode van l november tot l maart vroeg men twee uur en voor de overige maanden twee en een halfuur schafttijd per dag. Bij ziekte zou dertien weken lang min­stens het halve loon doorbetaald moeten worden. Voor overwerk vroeg men een kwartje per uur. Dat was voor de werkgevers alle­maal te veel van het goede. Men bedankte voor de eer. Er zou nog heel wat water door de Rijn stromen voordat men tot elkaar kwam.

Het sorteren van de bollen na de oogst

LISSE TOEN: BARBIER: 5 CENT

Aan het begin van de twintigste eeuw gaf de Federatie van Bloemistwerklieden  Verenigingen een lijst uit, waarop stond wat een gezin  per week kon uitgeven. Het gangbare weekloon was 9-10 gulden.

Tekst en foto: Arie in t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 2, april 2002

Aan het begin van de vorige eeuw gaf de Federatie van Bloemist-werkliedenverenigingen een lijstje uit, waarop stond wat een gezin van een bloemistknecht, bestaan­de uit zes personen, per week kon uitgeven. Het gangbare weekloon was 9-10 gulden.


Huur……                                    2,00

Steenkolen                                0,60

Turf……..                                   0,20

Petroleum…                             0,36

Brood…….                                 2,25

Margarine…                             0,60

Melk, l Itr per dag.                 0,56
Suiker……                                0,25

Koffie……                                 0,40

Aardappels..                           1,00
Vet, l,5ons/p.dag.                 0,80
Zeep………                               0,11

Wasmiddelen..                      0,10
Zout………                              0,06

Garen, band..                        0,15
Schoeisel….                           0,50

Ziekenfonds..                        0,20
Onderst.fonds.                     0,10
Begrafenisfonds                  0,17
Brandverzekering               0,02
Belasting….                          0,08

Schoolgeld (2 kinderen)    0,15

Contributie bond.               0,05

Lectuur…                              0,10

Tabak..                                  0,10

Barbier…                              0,05

Totaal                                   10,96

Op dit uitgezuinigde, beknib­belde, schrale budget was geen enkele post uitgetrokken voor drank, schoonmaakartikelen, boven- en onderkleding, aarde­werk, spek en vlees, groenten, beddengoed, meubelen en kos­ten van ziekte of bevalling! Wanneer er dan ook “iets wezen moest” bezuinigde men maar op het eten. Allemaal maar een snee brood minder, een aardappel minder, wat water bij de jus en bij sommigen een oneindig poffen, lenen bij leen-vrouwen. Ook bij het pandjes-huis was menigeen een bekende.

 
 
 
Bloemistknechts in hyacintenveld (1920)

LIISSE TOEN: SCHRAALHANS IN DE BOLLEN

Rond 1900 werden de vakbonden in de bloembollenteelt opgericht. De arbeiders verdienden erg weinig en konden zo maar ontslagen worden. Er was dus veel werk te doen.

door Arie in ‘t Veld

Nieuwsblad Jaargang 1 nummer 1, januari 2002

In verreweg de meeste gezin­nen van de werkers in de bol­len, de bloemistknechts, was schraalhans indertijd keuken­meester. De enige rijkdom bestond meestal uit een grote kinderschare. Die vele monden vullen was een schier onmoge­lijke taak en zo gauw zoon of dochter “werkensgereed” was, kon deze aan de slag voor de huishoudportemonnee.

Er was dus volop te doen voor de pas (rond 1900) ontsta­ne bonden, die zich middellijk na de oprichting op het fenomeen “Vrouwenarbeid in de zomer” stortten. Dan ging het dus om het bollenpellen.

Daaraan moest een einde komen “om de zedelijkheid zoo veel mogelijk te beschermen….” Wat men zich daarbij nu precies moest voorstellen, is niet duidelijk.

In 1906 zette de Lissese Bond St. Gregorius het onderwerp Jongelingenarbeid hoog op de actielijst. Men kwam tot de conclusie dat het “mest kruien, karre met een kar, rietdragen en dergelijke man’s werk is” en dat “Jongelingenarbeid” pas werd toegestaan als de jongelieden de leeftijd van twaalf jaar hadden bereikt.Wat betreft de lengte van de arbeidsdag, die wilde men beperkt zien van 06.00 tot 19.00 uur en niet meer van zonsop­gang tot zonsondergang!

Arbeiders in de bollen. De foto is omstreeks 1900 gemaakt. Er werden zo goed als geen machines gebruikt. De handen vormden het gereedschap. Foto: Archief A. in ‘t Veld