Berichten

De schatten in de bibliotheek van Kasteel Keukenhof.

Dr. Gerard Jaspers deed belangrijke vondsten; Nicolaas ten Hove stierf jong, maar was braaf en godsdienstig.

Gerard Jaspers heeft in de bibliotheek van Keukenhof een oud bijbeltje uit 1846 gevonden. De tekst op het schutblad wordt besproken. Diverse andere boekwerken worden besproken .Er zijn in de bibliotheek 330 titels in meer dan 1000 banden.

door Hans Smulder

Foto’s Rob Kind

NIEUWSBLAD Jaargang 5 nummer 3, juli 2006

 

In 1846 werd in Londen een kleine bijbel gedrukt en uitgegeven: The Holy Bible. Oom Harry gaf een exemplaar vers van de pers cadeau aan zijn nicht Cornelia Johanna van Pallandt (1840-1923), toen zij acht jaar werd. Dat blijkt uit een aantekening op het schutblad die luidt: ‘Cornélie, received from uncle Harry. 8 years old. Steengracht. March 4th 1848’.
Het was in die tijd onder de gegoede mensen in Nederland niet ongewoon om kleine kinderen boeken in het Engels of Frans of Italiaans ten geschenke te geven. Leerzaam en chic!
Wat het bijbeltje dat Cornélie van haar oom kreeg, heel betekenisvol en bijzonder maakt is een aantekening op een ander schutblad, geschreven in het Frans door haar moeder, Cecilia Maria van Pallandt-Steengracht en het is een ‘goede raad’ van een moeder aan haar dan 20-jarige dochter die op het punt staat in het huwelijk te treden met Jan Carel Elias graaf van Lynden (spreek uit: Linden).

Ta mère!

Het nijdige briefje van een moeder aan haar frivole dochter vlak voor haar huwelijk

De tekst luidt vertaald als volgt: ‘Het leven is geen pretje, geen simpel vermaak. Het bestaat allerminst alleen uit vreugdevolle gebeurtenissen. Het is veeleer een reeks moeilijke opgaven, een onafgebroken offergang. Daar komt het op neer. Daarin ligt ook de oplossing van het raadsel van het leven. Het gaat er niet om je eigen wensen te vervullen, hoe edel ze ook mogen zijn. Het gaat erom je plicht te doen. Dat is de taak waaraan ieder mens zich dient te onderwerpen. Ta mére (je moeder)’.

Dr. Gerard Jaspers die de bibliotheek van Kasteel Keukenhof kortgeleden heeft gecatalogiseerd en vele van de 330 titels in meer dan duizend banden heeft bestudeerd, vertelt dit verhaal gaarne en voegt er aan toe: ‘In zo’n uitgebreide en oude familie-bibliotheek zijn het niet zozeer de boeken die inzicht geven in de familie, maar vooral de extra’s die je de mensen doen leren kennen. Neem Cornélie! Kennelijk een eigengereid type. Haar moeder was er kennelijk niet helemaal gerust op dat het met haar huwelijk zou lukken. Vandaar wellicht haar harde woorden in dat bijbeltje. Cornélie was, zo lijkt het, een moeilijke meid, niet erg volgzaam.’
Dat blijkt ook nog sterker uit wat Fons Hulkenberg, de Lissese historicus, over Cornélie schreef. Hij kende de tekst van haar moeder uit het bijbeltje niet, maar hij schreef: ‘Een vreemd soort ongemakkelijkheid is jonkvrouw Cornélie altijd eigen geweest. Zij was vanwege haar grillen altijd gevreesd doch niet bemind. Haar portret zocht men bij haar kinderen en kleinkinderen vergeefs.’

Laat mij uw boekenkast zien!
‘Voor de bewoners van Kasteel Keukenhof,’ zo vertelt Gerard Jaspers, ‘gold wat voor iedereen geldt, namelijk: Laat mij uw boekenkast zien en ik zal zeggen wie u bent!’ Hij catalogiseerde de meer dan duizend boeken, variërend van een eenvoudig schoolschriftje tot aan kostbare oude bijbels en zeldzame folianten. De bewoners van het kasteel hadden door de eeuwen heen een brede belangstelling. Vandaar dat Jaspers de boeken kon indelen in niet minder dan 16 interessegebieden. Van natuurlijke historie en aardrijkskunde tot landbouw en veeteelt, filosofie, sprookjes en geschiedenis.
En hij deed bijzondere vondsten. Zo trof hij de complete 35-delige, wereldberoemde encyclopedie aan van Diderot, d’Alembert en anderen: 23 banden met teksten en 12 banden met in totaal 2000 prenten, samengesteld tussen 1765 en 1780. Alsook 28 in kalfsleder gebonden banden over Natuurlijke Historie van Buffon.

Onooglijk schriftje
Maar volgens Jaspers was de meest fantastische vondst een klein, onooglijk schriftje waarin een tante aan haar twee neefjes, zoontjes van haar zojuist overleden broer, over een lengte van niet minder dan 48 pagina’s vertelt wat voor een prachtige man hun vader was geweest. De tante was Catharina Petronella ten Hove. De jongetjes waren Cornelis Michael, 7 jaar, en Nicolaas van 11. Hun vader was Nicolaas ten Hove, bepaald niet de minste, want hij was secretaris van de Raad van State en Thesaurier-generaal (minister van Financiën – een Zalm avant la lettre). Op 44-jarige leeftijd vatte hij kou op de wallen van Den Bosch, die je niet moet vergelijken met die van Amsterdam. Hij kreeg longontsteking en werd zorgzaam verpleegd in zijn huis aan de Lange Vijverberg in Den Haag. De beste dokter van de stad werd erbij gehaald, dokter Schwencke, die ook nog aan het ziekbed van Mozart was geweest toen die eens in Den Haag ziek werd. Mozart genas onder zijn bekwame handen voorspoedig, maar Nicolaas stierf.

Brave Nicolaas
Zijn zuster Catharina Petronella die niet getrouwd was, beschrijft in het schriftje omstandig het leven van haar broer, de vader van de twee jongetjes, haar neefjes. Hoe goed hij was, hoe mooi, hoe sociaal, hoe godsdienstig. Tijdens zijn studie bijvoorbeeld weigerde hij eens een medestudent te vergezellen naar de kroeg voor een glas brandewijn, want die student had een kwalijke reputatie. In plaats daarvan repte hij zich naar zijn kamer, greep zijn viool en speelde zo mooi dat tientallen medestudenten zich op zijn kamer verzamelden en daarna, zo schreef tante, heeft hij nooit meer brandewijn gedronken. Een braverd dus die Nicolaas, althans in de visie van zijn zus.
Zijn liefdesleven verliep niet vlekkeloos. Zijn eerste liefde was heel mooi, maar had geen geld, wat een einde maakte aan de prille verhouding omdat Nicolaas zelf ook niet erg bemiddeld was. Zijn tweede liefde was zo mogelijk nog mooier, maar omdat hij geen vermogen had of familiebezit, weigerde haar vader toestemming. Tenslotte werd, driemaal is scheepsrecht, Maria Francoise Fagel zijn echtgenote. Haar vader volgde, zo vertelt Gerard Jaspers met een knipoog, waarschijnlijk het indertijd in zwang zijnde gezegd: Wilt gij Gode welgevallig zijn, huw dan uw dochter uit aan een godvrezende man. Maria Francoise was geen schoonheid, maar ook niet lelijk en bovendien, de Fagels behoorden tot de rijkste en invloedrijkste families van die tijd. Nicolaas maakte dankzij zijn schoonfamilie schitterend carrière: secretaris van de Raad van State en Minister van Financiën, voorwaar geen dunne baantjes. Helaas werd hij maar 44 jaar.

Het raadsel van de dochter
Zijn zus Catharina Petronella bleef ook na zijn overlijden ongetrouwd. Ze schreef haar lange brief aan haar neefjes als logé op het buiten Noordervliet in Voorburg waar haar broers schoonvader woonde, Cornelis Fagel. Uiteindelijk moet het schriftje met haar verhaal over haar dode broer in de bibliotheek op Kasteel Keukenhof beland zijn via Johan Maurits van Lynden.
Wel blijft merkwaardig dat zij haar verhaal schreef voor de twee zoons van haar broer Nicolaas. Die had immers ook nog een dochter, Maria Francoise, vernoemd naar haar moeder. Waarom het verhaal niet tevens voor haar bestemd was, is een raadsel.
Dr. Gerard Jaspers is van plan over zijn vondsten in de bibliotheek van Kasteel Keukenhof een boek te publiceren dat, naar hij hoopt, nog dit jaar uitkomt.

* Dr. Gerard Jaspers hield in april 2006 voor de Vereniging Oud Lisse een lezing met lichtbeelden over zijn werk in de bibliotheek van Kasteel Keukenhof. Dit verhaal is een neerslag van die lezing.

Copyright © 2006 Vereniging Oud Lisse

Oorlogsdoden herdacht in nieuw boek van Ed Olivier

 

Onder de titel ‘Wat toch een tijd!’ verschijnt medio april een nieuw boek van Ed Olivier, journalist. Een verzameling van dertig opmerkelijke levensverhalen van Lissenaren die in de oorlog omkwamen.

Redactie

NIEUWSBLAD Jaargang 4 nummer 2, april 2005

Het kostte de schrijver weinig moeite om te achterhalen dat Lisse niet minder dan zestig oorlogsslachtoffers telt. Maar alle nabestaanden vinden en interviewen was een stuk lastiger. Niettemin is het gelukt om zestig jaar na dato toch nog dertig opmerkelijke levensverhalen te reconstrueren. Olivier sprak o.a. met de weduwe van assistent-kassier Piet van Egmond van de toenmalige Boerenleenbank en de weduwe van politieagent Bastiaan Romeijn. Van Egmond sneuvelde tijdens de meidagen van 1940.

Romeijn werd verdacht van medeplichtigheid aan de overval op het bevolkingsregister in februari 1944. Hij is in november 1944 omgekomen in het concentratiekamp Neuengamme.

Naast de interviews leverde ook archiefonderzoek opmerkelijke feiten op. Het boek bevat veel achtergrondinformatie, omdat er nu eenmaal veel uit te leggen valt aan de jongere generaties. Maar ‘Wat toch een tijd!’ (de laatste woorden van Willem Heemskerk uit De Engel die op 8 mei (!) 1945 door dronken Duitse soldaten werd doodgeschoten) is in de eerste plaats geschreven om de herinnering aan de slachtoffers levend te houden en de lotgevallen van hun nabestaanden vast te leggen. Een fragment uit het interview met Maria Reijerkerk – weduwe van Piet van Egmond – waarin ze vertelt dat ze huurders in de kost moest nemen om haar huis niet te worden uitgezet: “De Duitse soldaat die bij me ingekwartierd zat, was geen kwaaie. Hij kwam alleen naar huis om te slapen, ’s Avonds zat hij in de kroeg bier te zuipen. Dan zei ik wel eens: ‘Ach jongen, als je het maar niet in je bed doet’, ’s Morgens kreeg hij een kopje thee van me. ‘U komt vast in de hemel’, zei hij dan.” De prijs van het boek is € 9,95.

Een de bom boven op huizen aan de Broekweg in Lisse kostte op l november 1940 aan vier mensen het leven. (Foto: Ed Olivier)

In de schaduw der Molenwieken

NIEUWSBLAD Jaargang 3 nummer 4, oktober 2004

In de schaduw der Molenwieken, Joh. Dekker

Ledenprijs EUR 10,00
Prijs niet-leden  EUR 12,50

Uw Vereniging Oud Lisse heeft de hand kunnen leggen op een voor­raadje exemplaren van het boek In de schaduw der Molenwieken, Lisser familie-roman uit de Patriotten-tijd door Joh. Dekker. Dit prachtig gebonden boekwerk waarin een familiegeschiedenis wordt verteld die zich afspeelt in het Lisse van het laatste kwart van de 18e eeuw, is verkrijgbaar door € 12,50 over te maken op rekening­nummer 37 65 34 400 ten name van de Vereniging Oud Lisse onder vermelding van In de schaduw.

Verzendkosten: Bollenstreek gratis, daarbuiten in Nederland EUR 4,50 (1 boek) of EUR 6,75 (meer dan 1 boek). Onder Bollenstreek wordt verstaan: Lisse (inclusief Lisserbroek), Sassenheim, Voorhout, Noordwijk, Noordwijkerhout, Hillegom

Jan Bader verkocht bollen in alle staten van Amerika

Jan Bader verkocht bollen in alle staten van Amerika. Over zijn werkzame leven in de bollen heeft hij een boek gemaakt. Het boek is goed leesbaar en voorzien van talloze illustraties.

NIEUWSBLAD Jaargang 3 nummer 4, oktober 2004

door Arie in ’t Veld

Wie een generatie lang alle ups en downs in het bloembollenvak mee­maakte en bovendien ook nog veel reisde, heeft veel te vertellen. Zo iemand is Sassenheimer Jan Bader die in het boek Jan Bader vertelt…, de wereld van de bloembollen vertelt over zijn leven in de turbulente bloembollenwereld. Het boek is goed leesbaar geschreven en voorzien van talloze illustraties.

 

Op de vraag aan Bader waarom hij zijn herinneringen te boek heeft gesteld antwoordt hij dat het idee ontstond toen hij 65 jaar was geworden. “Ik heb in de jaren dat ik in de bloembollenbemiddeling werkte ongelooflijk veel meegemaakt en dacht dat het wel de moeite waard zou zijn om die beleve­nissen vast te leggen en daarmee tevens de ontwikkelingen van de streek, maar vooral ook die van het bloembollenvak te schetsen.” Bader heeft het goed gezien want de belangstelling voor zijn boek is groot.

Start

Was het bloembollenleven Jan Bader met de paplepel ingegoten en moest hij als kleuter al de handjes uit de mouwtjes steken om bloembollen te rapen, toen hij op dertienjarige leeftijd aan de bak moest om te helpen ertoe bij te dragen dat zijn moeder (vader Henk Bader overleed op zeer jeugdige leeftijd) haar acht kinderen kon grootbrengen, startte hij bij de toenmalige drukkerij de Gruiter in Sassenheim als loopjongen. Of eigenlijk meer als fietsjongen, want jonge Jan bracht per transportfiets (met zo’n mand op het voorwiel…) het drukwerk naar de klanten. Nog voordat Jan vijftien jaar werd ging hij terug in de bollen en kwam in dienst van bloem-bollenhandelaar Gerard Meyer. Geen prettig persoon om voor te werken, maar ja voor een loon van zeven gulden vijftig per week (ca. 1949) klaag je niet. Op de bloembollenbeurs in het Krelagehuis lonkte echter en andere wereld in de persoon van Herman Schouten van de firma J. Onderwater en Co te Lisse. Hij bood Bader een baan als inkoper aan en om zijn aanbod kracht bij te zetten bood hij hem het dubbele salaris aan. Zo’n kans pakje natuurlijk met beide handen aan, maar dat het niet van een leien dakje ging

wordt door Bader in zijn boek ook uit de doeken gedaan. Het is ook de periode waarin Bader er blijk van gaf de ambitie te hebben om in het bui­tenland aan de gang te gaan. In die jaren een hele operatie, maar in het bollenvak niet zo heel erg vreemd, want de bollenreizigers zwierven toen al over de hele wereld uit. Boeiend vertelt Bader in het boek over zijn periode in Engeland om eerst de taal machtig te worden en vervolgens zijn reizen (hij was inmiddels 19 jaar) door z’n beetje alle staten van Amerika. Met zeer wisselend succes. Zijn eerste reis ging per vrachtboot. Twee weken op volle zee, met soms metershoge golven. Nadat hij zich had bewezen werd per vliegtuig gereisd. En altijd weer was er die keiharde opdracht om met zo gering mogelijke kosten zoveel mogelijk orders in het boek te krijgen. Soms lukte dat bijzonder goed, soms ook niet of nauwe­lijks. Natuurlijk werden er in die tijd ook veel mensen ontmoet en toont Bader met gepaste trots de foto waarop hij samen met de legendarische Louis Armstrong is te zien.

Regio

Uitgebreid vertelt Bader over zijn werk bij de CNB (de toenmalige HBG) in Lisse, de oprichting en ondergang van het bemiddelingsbedrij f ABM en het bemiddelingsbedrij f Bader en doorspekt zijn tekst met talloze anekdo­tes. In het boek wordt tevens uitgebreid aandacht besteed aan de ontwikke­ling van het bloembollenvak tot aan de dag van vandaag. Een tijdsbeeld, waarin de lezer niet alleen een goede indruk krijgt van de manier waarop de bloembollenbedrijven, zowel teelt als export, zich hebben ontwikkeld, maar waaruit tevens een goed beeld is op te maken over het wonen, leven en werken in de duin- en bollenstreek. Als je met Bader over zijn boek praat, belandt hij spoedig op het puntje van zijn stoel en lijkt een tweede boek al in de maak omdat het vastleggen van de herinneringen nieuwe her­inneringen heeft opgeroepen. Maar het is nog niet zo ver dat hij opnieuw de pen ter hand neemt om zijn vervolgherinneringen aan het papier toe te vertrouwen. “Eerst maar eens afwachten hoe goed dit boek aanslaat, voor­dat ik weer zo’n klus oppak”, aldus Jan Bader die intussen tevreden kan constateren dat de belangstelling voor zijn boek groot is.

Jan Bader vertelt…, de wereld van de bloembollen. Prijs €25,-

 

PARELTJE met zwart randje

De onderwijzer Joh. Dekker schreef in 1952 de streekroman “Onwaardig” over de werkloosheid en armoede onder de bollenarbeiders in de crisisjaren. Het verhaal speelt zich in Lisse af.

Door Ria Grimbergen

Nieuwsblad jaargang 19 nummer 1 2020

Uit de bibliotheek van de VOL dit keer een pareltje over het leven van een bollenarbeider in Lisse in de jaren dertig. Johan Dekker beschreef in de roman Onvolwaardig de tijd die hij als onderwijzer aan de Hervormde School in Lisse was verbonden. Het zijn de crisisjaren, de tijd van grote werkloosheid en armoede onder de arbeiders. Een parel met een zwart randje dit keer

De doodzieke Driekus Wijer slaat tijdens zijn werk tegen de grond op ceen bed “laaiend-rode Bartigontulpen”. Driftig komt bedrijfsleider Vermarck aangelopen en moppert of de man niet in het pad had kunnen vallen. De arme sloeber en de meedogenloze baas zijn twee van de hoofdfiguren in deze roman. Wijer, een los arbeider, woont met zijn gezin in “het straatje van zeven”, een slopje waar het eens aardig wonen was: huisjes met een lapje grond, maar in de loop der jaren waren de eenkamerwoninkjes verworden tot vale, vervallen krotten. Een grote bollenschuur, daar neergezet door de machtige bollenkweker Van Tuinen, ontneemt het straatje alle licht. Wijer is een loser, een weinig weerbaar figuur, gekweld door hevige maagpijnen. Zijn kinderen heeft hij niet in de hand, zijn slonzige vrouw bestookt hem met verwijten, zijn collega’s nemen hem in de maling. In zijn zorgelijk leven is zijn geloof in God zijn grote troost; God én zijn bedlegerige zoontje, van wie hij zielsveel houdt.
Tegenover deze tobber zet de schrijver de figuur van Vermarck, de zelfbewuste procuratiehouder en bedrijfsleider van Van Tuinen, van wie Wijer als arbeider afhankelijk is. Vermarck, in zijn regenjas met opgezette kraag en omgeslagen broekspijpen, die de arbeiders opjaagt en afbekt, heeft Wijer in zijn macht. In de lange wintermaanden trekt Wijer van de steun en is de armoede in het gezin groot. De vrouw van Vermarck bezorgt het gezin dan koude aardappels of een stuk brood, afgedankte kleren, gedragen ondergoed, een versleten japon. Wijer draagt een streepjespak van Vermarck, dat slobbert om zijn magere lichaam. Een andere gulle gever is de juffrouw van de openbare school, die met afleggertjes Wijer en zijn vrouw probeert te paaien, zodat zij hun kinderen niet van school halen.

Roman

Achter de bollenschuur bij die hoge boom zou het straatje van zeven geweest kunnen zijn. In het kadasterkaartje zie je dat het onderdeel uitmaakte van het “Rottenest”. Deze zeven huisjes had- den een straatje achterom met achter de schuurtjes nog een stukje grond. De huizen hadden ook nog een klompenhokje bij de deur. Dit is een detail van een foto uit 1954, op een foto van P. Jonker uit 1914 staat nog een hoge muur achter de bollenschuur.

Dekker schetst in deze roman het leven op het bollenland en in de bollenschuur. De grappen en de humor van de arbeiders; de vrolijke, maar ook broeierige sfeer van de bollenschuur in de peltijd, waar jonge pelsters blootgesteld worden aan begerige blikken en handen. We lopen met Wijer mee door het Lisse van de jaren dertig, met op de achtergrond de bollenvelden en het bos; langs bekende winkels als boekhandel “De volharding”, met in de etalage leesboeken, postpapier, prentenboeken en kleurboeken, en Van der Mark, de kruidenierswinkel met de nette vakken met erwten en bonen.

Wij gaan met hem op bezoek bij zijn broer in de Narcissenstraat in “de nieuwe uitleg van het dorp”.

Schoolstrijd

Vermarck en bollenkweker Van Tuinen zijn aanhangers van de Protestantenbond, die een vrijzinnig christendom propageert. Deze vrijzinnige protestanten waren voorstanders van openbaar onderwijs. In 1920 was het bijzonder lager onderwijs, waaronder de katholieke en christelijke scholen vielen, financieel gelijkgesteld aan het openbaar onderwijs. Het Rijk betaalde de schoolbesturen van de bijzondere scholen rechtstreeks de salarissen van de onderwijzers. De leerkrachten van de openbare scholen werden uitbetaald via de gemeenten. De gemeenten dienden voor bijzonder en openbaar onderwijs eenzelfde bedrag uit te trekken voor bouw en onderhoud van de schoolgebouwen en voor de aanschaf van leermiddelen. Als gevolg van hun sterk verbeterde financiële situatie groeide het leerlingenaantal bij het bijzonder onderwijs explosief ten koste van het openbare. De economische neergang na de Beurskrach van 1929 noodzaakte de overheid te bezuinigen op het onderwijs. Zieltogende openbare scholen werden gesloten of samengevoegd, leerkrachten werden op wachtgeld gezet. Een paar leerlingen minder kon al het verschil uitmaken of een school werd gesloten. Deze maatregelen golden niet voor het bijzonder onderwijs, de overheid had hier geen bevoegdheid.
Achter de bollenschuur bij die hoge boom zou het straatje van zeven geweest kunnen zijn. In het kadasterkaartje zie je dat het onderdeel uitmaakte van het “Rottenest”. Deze zeven huisjes had- den een straatje achterom met achter de schuurtjes nog een stukje grond. De huizen hadden ook nog een klompenhokje bij de deur. Dit is een detail van een foto uit 1954, op een foto van P. Jonker uit 1914 staat nog een hoge muur achter de bollenschuur. In de jaren waarin Onvolwaardig zich afspeelt, bezuinigde de overheid op het onderwijs. Zo kregen in 1931 in Lisse alle scholen een brief van burgemeester en wethouders met de opdracht in “deze donkere tijden” te bezuinigen op het onderwijs. “Voor zooveel het bijzonder onderwijs betreft, ligt deze bezuiniging evenwel niet in onze macht”. De Lissese schoolbesturen van het bijzonder onderwijs kregen op 13 december 1933 een oproep naar het gemeentehuis te komen. Het gemeentebestuur sprak de overtuiging uit dat de scholen geen misbruik maakten van hun gunstige positie, maar wilde wel overleg over sterke bezuinigingen op het onderwijs. Het teruglopende leerlingenaantal op de openbare school leidde tot noodmaatregelen. In 1933 besloot de gemeenteraad van Lisse de openbare ULO-school te sluiten en de leerlingen over te plaatsen naar Hillegom (Algemeen Handelsblad, 26.08.1933). Met de gemeente Sassenheim werd een regeling getroffen. De openbare school daar werd gesloten en tegen een vergoeding uit de gemeentekas van Sassenheim, konden de kinderen uit de buurtgemeente de openbare lagere school in Lisse bezoeken (De banier, 15.09.1933). De na-ijver tussen de bijzondere en openbare scholen was groot en ouders werden soms omgekocht bij hun schoolkeuze. Ook in de roman spelen deze problemen tussen de scholen.

Uit de bestuursvergadering van 18 maart 1935
Door het hoofd der school, de heer Dekker,
wordt een opgave gedaan van het aantal leerlingen en de indelingen naar de verschillende kerken:

Volgens Vermarck spelen de vrome heren vuil spel om de openbare school kapot te krijgen. Als Wijer zijn kinderen van de openbare school afhaalt en opgeeft voor de christelijke school tegen de wil van Vermarck, chanteert de bedrijfsleider hem. Bang zijn baan kwijt te raken, bezwijkt de arbeider onder de druk. “Tot me spijt ken ik de kindere niet bij uwes op ’t school sture, omrede ik anders in me brood getroffe word. Beleefd groetent, D. Wijer”. Een dergelijk briefje zal ook meester Dekker in zijn brievenbus hebben gekregen; de schrijver baseerde zich op de werkelijkheid

Johan Dekker

De schrijvende schoolmeester werd in 1897 geboren in Schiedam, waar hij zijn loopbaan als onderwijzer
begon. Op 22 september 1930 solliciteerde hij naar de functie van hoofd van de Nederlandsch Hervormde School voor L.O. en U.L.O in Lisse, nu de christelijke basisschool “De Lisbloem”. Volgens zijn sollicitatiebrief had hij drie aktes in de moderne talen Frans, Duits cen Engels en studeerde hij voor de akte Frans. MO A. Dekker werd aangenomen. Met zijn vrouw en zoontjes Daan en Johannes, geboren in 1929 en 1930, verhuisde hij 31 december 1930 naar Lisse. Transportfirma H. Eigenbrood & Zonen verzorgde het vervoer van Rotterdam naar het bollendorp. In 1933 werd een dochtertje geboren, Cornelia Tjitske. Dekkers oudste zoon Daan herinnert zich dat zij woonden op de Kanaalstraat 88, met een achtertuin die grensde aan het schoolgebouw in de Lischbloem straat. Daar fietste en speelde hij met zijn driewieler en vliegende hollander. Verdere herinneringen aan Lisse heeft Daan Dekker niet. De panden Kanaalstraat 88 en 90 waren het eigendom van de Nederlands Hervormde Schoolvereniging, die ze 1921 had gekocht. Dekker betaalde voor deze ambtswoning f 37,50 huur per maand. 29 mei 1936 diende hij zijn ontslag in en werd hoofd van een Christelijke school in Utrecht en daarna ambtenaar op een distributiekantoor en tot slot leraar aan een HBS in Amersfoort, de plaats waar hij in 1972 overleed. In het archief van basisschool de Lisbloem, dat voor een deel is ondergebracht bij de VOL, bevindt zich een brief van Dekker van 10 januari 1936. Hij beklaagt zich bitter over zijn opvolger Themmen, die schriftelijk en ongevraagd een “vernietigend oordeel uitspreekt over mijn werk en persoon te Lisse.
Daar deugt letterlijk niets van: orde – tucht – leiding – onderwijs – inkopen – administratie, niets – niets – niets goed”. Themmen dreigt op de ouderavond een doekje open te doen over “hoe de zaken ervoor staan in de Herv. School, die door mijn toedoen in een deplorabele toestand is geraakt!!!”, schrijft een gegriefde Dekker. Toch stond de school er goed voor met een sterk gegroeid leerlingenaantal.

Johan Dekker

 

Onvolwaardig is geschreven in een streektaal, die dan de taal van de Bollenstreek in de jaren dertig zou zijn. Het zou wel eens aardig zijn dit nader te onderzoeken. Ook de in het boek voorkomende figuren lijken gebaseerd op bestaande personen. Dekker zelf als meester Demmers die zo mooi kan vertellen, Vermarcks tegenpool de goede meneer Louis van der Zande, achter wie een Veldhuyzen van Zanten zal schuil te gaan, dominee Van Tegelen als de hervormde predikant G. Tichelaar. Zo krijgt de lezer een beeld van het leven in Lisse in deze crisisjaren. Dekker schreef daarnaast de historische roman In de
schaduw der molenwieken, die zich afspeelt in Lisse in de Patriottentijd en die gebaseerd is op het dagboek van de Lissese timmerman Van der Zaal.

Illustraties
De eerste druk van Onvolwaardig verscheen in 1952. Het boek behoort tot het genre van de protestants-christelijke streekromans, niet te verwarren met familieromans, die zich tot een vrouwelijk publiek richten. De christelijke uitgeverij Zomer en Keuning publiceerde het boek in de Spiegelserie met houtsneden van Rein Snapper (1907-988), een bekende houtsnijder die ook het stofomslag ontwierp in een expressionistische stijl. Heel anders zijn de realistische illustraties van Reint Tonnis de Jonge in de tweede druk, die in 1991 bij uitgeverij Den Hertog verscheen. De Jonge kende de Bollenstreek goed. Hij woonde in De Zilk, waar hij in 1993 overleed. Hij maakte omslagen en tekeningen voor een groot aantal christelijke boeken, zoals de bekende kinderbijbel van Evert Kuyt. Zijn grote liefde ging uit naar het schilderen van woeste zeeën, kusten en zeilschepen.

Uit het boek “Onvolwaardig”

 

Gebruikte literatuur:
Ned. Herv. School voor L.O. en U.L.O. Chr. Basisschool” De Lisbloem” 1922-1982. Lisse, Eigen beheer.

Inleiding: Ph. van Hoven.

Bron: Archief van basisschool De Lisbloem, VOL.

Met dank aan Ph. van Hoven voor zijn hulp

Het boel “Omvolwaardig

 

Streek in vogelvlucht

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 4, oktober 2003

nieuwflitsen

Tijdens een conferentie over Regionaal Historische Samenwerking in ’t Huys Dever is het eerste exemplaar uitgereikt van

De Duin- en Bollenstreek in vogelvlucht, Landschap, leven en werken omstreeks 1800

Het boek onder redactie van Jan Beenakker en Reinout Rutte schetst een veelzijdig beeld van de streek tussen Haarlem en Leiden. Eindelijk is er nu een handzame, leesbare en rijk geïllustreerde over­zichtstudie van de streek.

Uitgave: Primavera Pers Leiden. Prijs slechts € 13,50.

 

Duin- en Bollenstreek in vogelvlucht

Post

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 3, juli 2003

In de eerste helft van oktober 2003 verschijnt bij uitgeverij Primavera Pers in Leiden ‘De Duin- en Bollenstreek in vogelvlucht. Landschap, leven en werken omstreeks 1800.’ Dit rijk geïllustreerde boekwerk vult een gapende leemte: eindelijk is daar de handzame en leesbare historische overzichtstudie van de streek tussen Haarlem en Leiden die door haar bollen en bloemen zo beroemd is in binnen- en buiten­land. Verschillende auteurs schrijven over landschap, agrarisch bedrijf, architectuur, middelen van bestaan, kerkelijk leven en beroemde bewoners en bezoekers van de streek. Prijs € 13,50. Hillegom, Reinout Rutte, secretaris Cultuur Historisch Genootschap.