Berichten

H. De Graaff en Zonen; Opkomst en ondergang van een bollenbedrijf

Inhoud Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 2 juli 2019

door A. in ‘t Veld

In 1978 werd het bollenbedrijf van H. de Graaff en zonen gesloopt voor woningbouw. Het was allemaal begonnen in 1742. Claas symonsz. de Graaff kocht de grond en begon in een bollenteeltbedrijf. De geschiedenis wordt beschreven.

Herman de Graaff 1860-1927

Met het slopen van de bedrijfsgebouwen van de Koninklijke Bloembollenmaatschappij H. de Graaff en Zonen te Lisse, op de hoek Heereweg/Julianastraat werd in 1978 een dikke punt gezet achter een niet onbelangrijk stuk geschiedenis van Lisse. Op deze plaats immers werd voor Lisse de grondslag gelegd van de bloembollenteelt en nog heden ten dage worden we geconfronteerd met de niet onbelangrijke invloeden die de agrarische sector en met name de bloembollenteelt ten toon spreidt. Het is op deze plek inmiddels behoorlijk veranderd, want waar ooit de landarbeiders de ruggen kromden om het product te bewerken, zijn eensgezind woningen en appartementen verrezen. Spelende kinderen namen het gebied in bezit in plaats van de vele duizenden kleurige bloemen en de vele miljoenen bloembollen.

Op zoek naar woonruimte ontkomt de mens er niet aan plekjes in bezit te nemen, die we eigenlijk liever in oorspronkelijke staat zouden laten. De historie van dit stukje grond begint bij de eerste (ontdekte) bloembollencultuur in Lisse en die gaat tot het moment dat de slopershamers het allesvernietigende werk verrichtten en het gebied Planc de Graaff werd gereed gemaakt voor bewoning. Het is een lang verhaal dat nu volgt, opgetekend uit de stukken van A. M. Hulkenberg en de heer Tom Lodewijk, die indertijd het boekje “De Gouden Graaff” schreef.

Dat boek begint met het volgende gedicht van Constantyn Huygens:
,,Die ‘t Ambacht wel vestaet,
waer van hij leven moet,
En die ‘t niet – wel – alleen,
maer – wel en geerne doet,
Beleeft het grootst geluck dat ijemand kan begeeren.”

Dominee Joanis van Blommestein moet een welgesteld man zijn geweest gezien zijn buiten. Natuurlijk was er voor hem in Lisse een pastorie, maar hij verkoos een royaler huis met een grote tuin, welk bezit in de belastingregisters van 1734 als ,,buitenplaats” staat aangemerkt. Te betalen drie gulden en vier stuivers per jaar en dan mocht het ook wel wat wezen!! Daar, iets buiten het dorp, genoot dominee van de kleine vreugden die het buitenleven een ernstig man te bieden hebben; de bloemen en de vogels, de “hortzenijgewassen”, aan de overzijde de duinen met stromende beekjes, af en toe het vertier van een voorbijrollende postkoets en boven alles; de weldadige rust. Toch werden hem de verdrietelijkheden des levens ook niet bespaard. Al de vijf kinderen stierven jong; toen Saartje tenslotte op zevenjarige leeftijd overleed was het echtpaar Van Blommenstein-De Roos weer alleen….misschien is dit de reden dat men toch naar de pastorie bij het Vierkant is getrokken, naar het dorp, tussen de mensen.

De Graaff, Tuynier
In 1742 kwamen zijn huis en tuin in handen van Claas Symonsz de Graaff, “tuynier”, schepen en ambachtsbewaarder van Lisse en dus ook wel een aanzienlijk man. Zijn toen bejaarde vader werd reeds bloemist genoemd en was bovendien een aantal jaren diaken geweest. Claas- of fraaier: Nicolaas de Graaff kan met zijn neef beschouwd worden als de grondlegger van de bloembollenteelt in Lisse. Anders gezegd: op het huidige plan “De Graaff” is de bloembollencultuur geboren!! Op 15 april 1735 werd door Nicolaas de Graaff reeds een zogenaamde Groene Veiling gehouden, waarop hij ten overstaan van Schout en Schepenen “Volgens de gewoonte in de Liefhebberij van Flora van meeninge is te verkoopen een partij hyachinthen”, 238 bollen in een veertigtal soorten, die ƒ139,90 opbrachten. Het jaar daarop wordt een Groene Veiling gehouden op “Pruimenhof”, thans Heereweg 113/115 bij de Nassaustraat. Die van 1739 was voorlopig de laatste. De belangstelling was sterk gedaald; 224 bollen voor 68 gulden. Pas op 15 april 1762 vindt in Lisse weer een grote veiling plaats. Volgens de advertentie in de Opregte Haarlemsche Courant zouden ten verkoop worden gehouden: “De alom Vermaarde, Overheerlijke en considerabele partijen enkelde en dubbelde Hyachinthen en Tulpianen die door een groot Liefhebber bijeen verzameld zijn zedert den jare 1728 en verders alle soorten van nieuwe zaaylingen, roode, witte
en blauwe, welke nog bij niemand in handen en die verwonderlijk fraai en groot zijn. Verders zal ook verkocht worden alle noodige gereetschappen als Tenten, Capjes, Staakjes, Opneembak, Casjes (muysedigt gevlogten) om fijne bollen en zaad te bewaren en verder alles wat tot een volmaakte Bloemenliefhebberij behoort. De koopers zullen niet vermogen voor of na de verkoping een enige bloem af te snijden of te plokken, op verbeurte van drie guldens van iedre bloem”. Op deze veiling kocht onder andere de Oostenrijkse Graaf Locatelli een plant van de, Dubbelde roode Hyacinth ,,Rasse Royaal
Constantinopel” voor 151 gulden. Natuurlijk is Symon Claasz de Graaff, zoon van Nicolaas, onder de kopers. Bollenkweker en later ook Schepen, regerend burgemeester en ambachtsbewaarder van Lisse en verder nog Welgeboren Man van het baljuwschap van Noordwijkerhout. Een wel zeer belangrijke persoonlijkheid. In het jaar 1793 zond de firma De Graaff te Lisse voor het eerst een prijscourant van bloembollen naar liefhebbers in het buitenland. Dat staat er simpel. Ogenschijnlijk een gebeurtenis van weinig importantie. Zeker in verhouding tot andere zaken die zich in die periode afspeelden. Dit laatste decennium van de achttiende eeuw was zowel het oude Europa als het nieuwe Amerika in een staat van heftige beroering. In Parijs bestegen de al te goedige Lodewijk XVI en de schone Marie Antoinette het schavot; in Zweden doodde Anckarström op een gemaskerd bal zijn vorst, de despotische Gustavus III; in het pas vrijgevochten Amerika aanvaardde George Washington zijn tweede ambtstermijn als president en moest zowel de binnenlandse moeilijkheden het hoofd bieden als zijn houding bepalen in een Frans-Engelse oorlog en in Holland nam in 1795 de Prins van Oranje op een vissersboot de wijk naar Engeland voor zijn republikeinsgezinde landgenoten….In die fel bewogen strijd sturen De Graaff en Zn., kwekers van bloembollen te Lisse, een internationale prijscourant het koortsige Europa in…..

Nooit gedacht

Nu zijn kinderen het tuindersvak vaarwel hebben gezegd, heeft Symon Klaasz. de Graaff een paar jaar voor zijn dood in 1802, huis en kwekerij verkocht aan zijn neef Cornelis de Graaff, een zoon van Symon Cornelissen de Graaff, eveneens tuynier, die op de Pruimenhof woonde. Behalve de bloemisterij bedreef hij de kruidenteelt, vlasserij, groenteteelt en drogerij en kweekte hij ook nog bomen en struiken, allemaal op het huidige “Plan de Graaff” en de omliggende landerijen, waaronder het latere “Land van Blokhuis”. Zo vestigde zich nu deze tak van de familie De Graaff op de “buitenplaats”, die “Nooit
Gedacht” werd genoemd. Een laag, breed, witgepleisterd huis met hoge ramen, uitziende naar het verkeer op de Heereweg naar Haarlem. Jan de Graaff raakt in zijn “Lisser Arkadia” over al die schoonheid van zijn “Roem waard dorp” niet uitgezongen:
“Mijne lust, in uwe welvaart verheugd, streeft verder voort, tot ‘d aangename vreugd, der kruiden, die in der beminnaars boven zijn geplant, terwijl de zon van boven zijn stralen zendt en maakt het als bezield. Met geur en kracht, zodat de hof steeds krielt met allerlei gedaantes, geur en smaken, zodat het
oog, de neus en mond kan raken tot haren wens, hier is deez’ hortzenij. De bloemgodin praalt aan d’andre zij met roos, hyachint of violieren, met tulipan of wat haar tuin maar kan versieren, zodat hier is hetgeen dat aangenaam vertoont wordt en voor’t mensdom zeer bekwaam!!”
Het bedrijf van De Graaff heeft een grote vlucht genomen. Aan de noordzijde van de kwekerij stond er ter beschutting tegen de koude wind een stenen muur en daar was een orangerie tegenaan gebouwd, die nog tot 1908 als pakplaats voor het bloembollenbedrijf diende.
In de orangerie stonden ‘s winters de “oranjeboompjes”, sinaasappelboompjes, vandaar de naam, maar ook veel oosterse en vooral veel Kaapse gewassen, die door een kachel voor de vorst werden behoed. Als de plaatsruimte het toeliet werden ook van elders, zelfs uit Amsterdam, potplanten ter overwintering in bewaring genomen, à raison van drie stuivers per pot. Zomers stond alles buiten. Waar nu huizen zijn gebouwd (Constantijnstraat e.a.), zag men jonge eiken en honderden sierheesters. Ook de “10 iepebomen voor het kerkhof” rond de oude dorpskerk vindt men hier vermeldt. Er groeiden tulpen, anemonen, ranonkels en irissen. Wat er nog meer werd gekweekt en verhandeld? Aardappelen, asperges, camelia’s, perebomen, dahlia’s, graszoden, geraniums, mos- en provencerozen met hun heerlijke geur en heel fijne narcissen. Het belangrijkste waren echter toch wel de “nageltakken”, De Graaff’s beroemde hyacinten, die op “parabedden” te pronken stonden en op de uitgestrekte tuinen om “Nooit Gedacht” met veel zorg werden gekweekt. Een Engelsman die enige dagen in Holland doorbracht formuleerde zijn bevindingen als volgt: “Op de welgeslaagde teelt van de Hyacint laten de Nederlandse bloemisten zich meer voorstaan dan op die van enig andere bloem, de Tulp zelfs niet uitgezonderd. Het schouwspel is waarlijk groots en prachtig de regelmaat en rangschikking zijn bewonderenswaardig en de geur is zeer doordringend. Rijen van geel en rood, purper en wit van verschillende schakeringen volgen elkaar op en gehele velden zijn bedekt met een onmetelijke hoeveelheid bloemen. Geen woorden zijn in staat de zelfingenomenheid en voldoening te beschrijven, die een Hollandse bloemist vermeldt op een mooie zon nige aprildag, wanneer hij aan een bloemist of reiziger zijn uitgestrekte bedden van deze sterk geurende bloemen toont, die voor hem tegelijk een bron van verdienste en van genoegen zijn. Zij natuurlijke flegma en onverschilligheid schijnen verdwenen en het koele, het teruggetrokkene van zijn volksaard terzijde gezet. Zijn ogen glinsteren van genoegen, dat ongetwijfeld nog toeneemt door het vooruitzicht om vijftig of honderd van uw guldens te zullen innen…..”. De uitvoer van al deze kleurige en geurige gewassen ging naar vrijwel alle landen.

Naar Duitsland, Amerika en later ook naar Rusland.
Sinds 1840 was de firma De Graaff lid van de “Société Royale d’Horticulture de Paris” en de Franse handel ging een bloeitijd tegemoet. De vertegenwoordiger was de heer Rijfkogel, in 1871 reeds hoogbejaard en stokdoof. Over hem gaat een aardige historische anekdote. Hij verbleef in Parijs juist toen de stad door de Pruisen hevig werd gebombardeerd. Hij bemerkte er echter niets van, totdat het huis van de buurman door granaten werd getroffen en instortte. Toen pas kreeg hij in de gaten dat er iets niet helemaal in orde was… Hoe deze gerenommeerde vertegenwoordiger zijn zaken deed wordt niet
vermeld… Maar dergelijke lieden verdienen een standbeeld zoals onlangs in Lisse is geplaatst. Nu echter terug naar omstreeks 1800. Op “Nooit Gedacht” woonde dus sinds 1802 Cornelis de Graaff. Zijn broer Jan was in 1795 op tragische wijze gestorven. Nog in 1793 hadden “Cornelis en Jan de Graaff” de eerder genoemde prijscourant in drie talen de wereld ingezonden, iets unieks!! Twee jaar later trokken de Franse troepen over de bevroren rivieren ons land binnen. Jan de Graaff had altijd rustig en tevreden in zijn dorp gewerkt. Al zijn liefde voor zijn geboorteplaats had hij verwoord in zijn “Lisser Arkadia”
die omstreeks 1771 in druk verscheen. Werkzaam, tevreden en gelukkig, zo was Jan de Graaff. Nu moet hij met verbittering toezien hoe die Fransen in zijn vaderland jubelend worden binnengehaald en dan nog wel onder aanvoering van een Hollandse generaal. Zo’n verrader mag zijn straf niet ontgaan heeft Jan gedacht… Maar de aanslag mislukt… Jan de Graaff boet voor zijn vaderlandsliefde in de kerker en stierf in 1795 in de gevangenis van Leyden. De wijde ruimten, de bloeiende velden rond zijn geliefde Lisse heeft hij nimmer weergezien. En het heeft zijn vrouw zeshonderd florijnen gekost om hem een eerlijke begrafenis te kunnen bezorgen op het stille kerkhof naast de oude (Ned. Herv.) kerk. Cornelis
de Graaff staat nu alleen voor de zaak. Zijn oudste zoon Simon sterft al vroeg als hij voor zijn vader in Duitsland op reis is en Herman is nog jong. Zo komt dan zijn oudste schoonzoon, Gijsbert Blokhuis uit Barneveld, naar Lisse, omstreeks 1820. Hij gaat wonen op de Pruimenhof. Tot 1 januari 1840 is hij als deelgenoot met de firma De Graaff verbonden gebleven. Toen gingen beiden hun weg. Gijsbert Blokhuis bleef op de Pruimenhof en verwierf het aangrenzende land ter hoogte van de huidige Nassaustraat en het plan Blokhuis, inclusief het winkelcentrum. Zijn jongere zwager Herman stichtte de zaak “H. de Graaff en Zonen” en bleef op “Nooit Gedacht”.
Geleidelijk aan werd het oude huis toch wel erg ouderwets en gebrekkig. Aldus werd het in 1870 gesloopt en vervangen door een moderner en comfortabeler woning, de villa Kweeklust. Intussen steeg de ster der firma De Graaff steeds hoger. H. de Graaff en Zonen exceleerde op iedere tentoonstelling en de naam van De Graaff compareerde in het bestuur van iedere vereniging of commissie. En toch… Heeft de reeds eerder genoemde Mr. G. Kruyff toch weer gelijk gehad, toen hij stelde dat een bloembollenfamilie na enige generaties aan hogere levensvormen gewend geraakt ‘Het Vak’ weer gaat verlaten? Misschien wel. In 1886 stond Herman de Graaff na de dood van vader alleen voor de zaak, 26 jaar oud. Ook hij bezette in “Het Vak” de hoogste posten.

En toch…
n 1908 deed zich het onbegrijpelijke voor. Herman de Graaff treedt op 48-jarige leeftijd terug uit de zaak, bedankt de een na de ander voor al zijn functies en vestigt zich als particulier in de stad Leiden. Men heeft in deze wel eens naar zijn eveneens op Kweeklust geboren broer Simon gewezen. Deze had carrière gemaakt in Indië en werd later tot tweemaal toe Minister van Koloniën. Hij voerde het zeer hoog in het wapen en was zich van de belangrijkheid en waardigheid van zijn persoon altijd volkomen bewust. Hij vond het duidelijk onprettig familie-relaties te hebben met mensen die met werken in schuren en tuinderijen hun brood moesten verdienen en liet niet na dit herhaaldelijk op te merken. Zou dit de
laatste stoot zijn die zijn broer Herman nodig had om het aloude familiebedrijf vaarwel te zeggen? Het heeft er alle schijn van. Wel bleef de naam De Graaff behouden maar de leiding kwam in handen van de heren N. van Til, G. Mastenbroek en B. van der Nat. De oude Simon Cornelisse de Graaff die het fundament legde voor dit bedrijf, zou hij niet menen verdwaald te zijn wanneer hij weer eens een kijkje in Lisse zou kunnen nemen? Het oude kerkje van Lisse met zijn vierkante toren, het ontbreken van het vermaarde etablissement ,,de Witte Zwaan,”……? Niet veel herinnert meer aan de tijd dat hij in de ,Opregte Haarlemse Courant’ het beursnieuws spelde en zijn bloembollenboek volschreef met secure aantekeningen. Hij zou zien hoe inplaats van de smalle postweg door de duinen, thans een brede moderne verkeersbaan een streep dwars door het bollenland trekt….

De Gouden Graaff
De zaak groeide door en bleef een der grootste van het bloembollenvak. In 1927 ging het huis “Kweeklust” waar toen dokter Muller, een dierenarts, woonde tegen de grond en verrees ter plaatse het grote kantoorgebouw, dat de “Graaff” een spade, hoog in de gevel voerde. De zaak leek niet te stuiten in haar vaart. In 1953 vierde men met het talrijke personeel het feit dat 160 jaren eerder de eerste prijscourant de deur uitging. Het 150-jarig bestaan kon wegens de oorlogsomstandigheden niet gevierd worden. Bij gelegenheid van de feestviering benoemde Koning Gustaaf van Zweden H. de Graaff en Zonen tot Hofleverancier en Koningin Juliana verleende haar het recht om het predicaat “Koninklijke” te voeren.: De Koninklijke Bloembollenmaatschappij H. de Graaff en Zonen. Hoger kon het toch niet. 14 personeelsleden die 25 jaar of langer bij het bedrijf werkzaam waren kregen “de Gouden Graaff” op de revers gespeld en de dragers van dit ereteken pose voor het kantoorgebouw. En toch…

Van Kweeklust tot plan De Graaff
De laatste decennia waren voor het bloembollenvak helaas niet gunstig geweest. De prijzen der gewassen wisten zich nauwelijks te handhaven, terwijl de arbeidskosten en de noodzakelijke investeringen sterk stegen. Zo werd het moeilijk. Daar kwam nog bij, dat de gebouwen met hun verdiepingen ouderwets waren en het gebruik zeer arbeidsintensief. Bovendien lagen ze ver van de tuinen. Wat deed het er vroeger toe als een jongen met een handwagen vol manden met bollen tussen vijf uur in de morgen en ‘s avonds zeven uur tien keer naar de kwekerijen heen en weer liep?
Dat kostte een paar stuivers, maar dat was nu wel anders geworden. Ook de stuiver diende in moderner banen geleid te worden. Uiteindelijk werd de handel van de firma overgenomen door De Vroomen Export te Sassenheim en de gebouwen der Koninklijke Bloembollenmaatschappij H. de Graaff en Zonen in Lisse gingen in juli 1977 tegen de grond. ■

Luchtfoto bedrijf De Graaff

 

Waarom heet boerderij De Wolff zo?

De bewoningsgeschiedenis van boerderij de Wolff wordt beschreven.

Sporen van vroeger (LisserNieuws)

12 maart 2019

door Nico Groen

Naar aanleiding van de vorige columns in Sporen van Vroeger over boerderij De Wolff vroegen diverse mensen waarom deze boerderij ‘De Wolff’ genoemd wordt. Van 1823 tot 1850 boerde hier Jan Wolff. De boerderij was vanaf 1797 in bezit van zijn vader, Caspar Wolff.

Op de woning staat een gevelsteen met het jaartal 1603 er op. Vast staat in ieder geval dat op deze plek vóór 1612 een nieuwe boerderij is gebouwd. Dit zou dus heel goed 1603 geweest kunnen zijn. Vóór die tijd staat er echter ook al een bedoening. Deze plek wordt voor het eerst in 1528 genoemd. De eigenaren tussen 1528 en 1779 zijn bekend. Daarbij is echter niemand die De Wolff heet.

Caspar (Casparus Hendricus) Wulff of Wolff is in 1774 geboren bij Osnabrück in Duitsland. In 1792 als hij 17 jaar is, woont hij in Amsterdam en wordt ingeschreven als leerknecht bij een chirurgijn (dokter). Hij wordt later zelf een bekende chirurgijn. Hij trouwt in 1797 met Huberta Verdegaal, die op boerderij Welgelegen aan de Heereweg bij de Vuursteeglaan in Lisse geboren is. Haar vader is Jan Verdegaal en haar moeder is Willemijntje Vreeburg.

Caspar en Huberta krijgen in 1797 ‘bij donatie’ van Jan Verdegaal een bouwmanshuis (de latere boerderij de Wolff) en de landerijen er omheen. Dit bouwmanshuis is al in 1779 gekocht door Jan Verdegaal. Caspar Wolff koopt in 1803 meer grond rondom de boerderij. Het echtpaar heeft daar echter zelf nooit gewoond maar is na hun trouwen aan ’t Vierkant gaan wonen. Hij is hier chirurgijn tot 1828. Dan vertrekken zij naar Oegstgeest.

Jan Verdegaal is in 1823 overleden. Huberta erft dan definitief boerderij De Wolff en de landerijen van haar vader. Huberta’s zus Maryte is getrouwd met Jacob Riggel. Zij erft Boerderij Welgelegen op de hoek van de Heereweg en de Vuursteeglaan.

Johannes (Jan) Wolff

Uit het huwelijk van Caspar en Huberta zijn 14 kinderen geboren, waarvan Jan de oudste zoon is. Hij is geboren in 1799. Hij trouwt in 1823 met Petronella van der Geest en na haar overlijden met Adriana Kester. Hij gaat in 1823 boeren op de latere boerderij De Wolff, maar zijn ouders blijven eigenaar van de boerderij met het woonhuis en de landerijen, die zich uitstrekken van de Stationsweg tot de Speckelaan.

Verkoop aan landgoed Keukenhof in 1850

In 1848 overlijdt Huberta. Caspar besluit zijn landerijen in 1850 te verkopen aan mevrouw Steengracht, de echtgenote van Baron van Pallandt van Keukenhof. Het betreft de woning, de boerderij en alle percelen (28 ha) tussen de Speckelaan en de Stationsweg. Caspar zelf overlijdt in 1856. Zijn zoon Jan Wolff heeft sinds 1823 al die tijd op de boerderij gewoond en gewerkt. Als de boerderij verkocht wordt in 1850, stopt hij met boeren en gaat wonen op ’t Vierkant. Hij overleed in 1867.

De familie Wolff heeft dus van 1797 tot 1850 de boerderij met woonhuis in bezit gehad en het is niet vreemd dat de boerderij naar hen vernoemd is. In de loop der jaren is het echter boerderij ‘De Wolff’ geworden en niet boerderij ‘Wolff’ of ’Van Wolff’. Vóór de tijd van Wolff werd de boerderij ‘Het bouwmanshuis van Berkhout’ genoemd. Daar was toen het bos van Landgoed Berkhout.

De kopgevel van de woning is door het groen bijna niet te zien. Foto: Cultuurhistorisch Genootschap Duin- en Bollenstreek

De woning van De Wolff is een monument

De monumentale status van de woning wordt besproken. In deze woning zit een gewelfde kaaskelder die duidt op de oude stal, die hier vroeger was. 

Sporen van vroeger  (LisserNieuws)

26 februari 2019

door Nico Groen 

Zoals u ongetwijfeld heeft gelezen heeft de eigenaar van de bollenschuur van boerderij De Wolff het plan de bollenschuur, die aan het woonhuis is gebouwd, te slopen. Dit om een nieuwe woning te bouwen los van het bestaande huis. Daartoe moet het bestemmingsplan ter plaatse gewijzigd worden. Het college van B&W van Lisse heeft daar in principe geen bezwaar tegen. Tegen dit plan zijn zienswijzen ingediend om sloop van de bollenschuur te voorkomen. De vraag is of de staat van de schuur en de cultuurhistorische waarde ervan zodanig zijn, dat ook de bollenschuur een gemeentelijk monument kan worden.

 

De woning met een gevelsteen waarop 1603 staat, is al een gemeentelijk monument. Het was vroeger een woning met aangebouwde stal (boerderij De Wolff). Later is de stal bij de woning getrokken om een groter woonhuis te realiseren. Bij de redengevende omschrijving van het monument door de organisatie Dorp, Stad en Land is te lezen, dat het huis zijn waarde ontleend aan 17e eeuwse elementen met 18e eeuwse aanpassingen in de woning. Volgens de beschrijving zijn deze bijzondere elementen en de ouderdom hiervan van bijzonder hoge architectonisch historische en unieke waarde.

Gewelfde kaaskelder

Het oudste gedeelte is een gewelfde kaaskelder met gemetselde trap en gewelf uit het begin van de 17e eeuw. Dit is een overblijfsel van de oude stal. Ook de plavuizenvloer en een alkoof komen uit die tijd. Het tegelwerk in de keuken stamt uit de 18e eeuw. In de kamers zijn tegelplinten met op de tegels een scala aan kinderspelen en dierfiguren. De woning heeft overal kenmerkende balkenplafonds. De bovenverdieping was vroeger in gebruik als hooizolder. Daar zijn nog oude gebinten en spanten met pen en gat verbinding te zien. Dus zonder spijkers of schroeven.

De voorgevel is aan de lange kant van het huis en is te zien vanaf de Stationsweg. Het geheel bestaat uit één bouwlaag met een hoog en steil dak. Nagenoeg in het midden van de voorgevel is de voordeur met daarboven een bovenlicht met een levensboom. Links daarvan zijn 2 hoge raampjes met nog een deur helemaal aan de zijkant. Zijn dit overblijfselen van de aangebouwde stal?

Sinds kort is duidelijk dat de bollenschuur in 1908 tegen de woning is aangebouwd en niet in de zestiger jaren, zoals beschreven staat bij de beschrijving van de monumentale woning. Met dit rapport is men toen op het verkeerde been gezet en daardoor werd de schuur niet monumentwaardig bevonden. Het Cultuur Historisch Genootschap Duin- en Bollenstreek en de VOL streven alsnog toewijzing tot monument na.

In de door hen ingediende zienswijze om behoud van de bollenschuur staat onder andere dat juist de combinatie van groot cultuurhistorisch belang is: de combinatie van de boerenhoeve (huis en aangebouwde stal) uit de 17e eeuw met de bollenschuur uit 1908 en de veranderingen aan het geheel in de loop van tijd. De lage venige strandvlakte tussen de Van Lyndenweg en het vroegere Berkhouterduin (waar nu ongeveer woonzorgcentrum Berkhout is) was vroeger in gebruik als boerengrond met veeteelt (vandaar de kaaskelder). Later werd het zand vanuit de ondergrond naar boven gehaald. Hierdoor ontstond een voor bollenteelt ideale zandgrond Daarom is toen de bollenschuur gebouwd.

Het hele verhaal van verandering van natuur naar kleinschalige landbouw en vervolgens naar onze befaamde bloembollencultuur is bij de woning met de aangebouwde stal, gecombineerd met de bollenschuur goed zichtbaar te maken en mooi te vertellen.

De voorgevel van de woning met 2 deuren.
Foto: Nico Groen

 

 

Foto: Nico Groen

Sloop van de bollenschuur van De Wolff?

Het CHG heeft, samen met de VOL daarom een zienswijze ingediend om de bollenschuur van De Wolff te behouden voor de toekomst. Argumenten worden genoemd.

Sporen van vroeger (LisserNieuws)   

12 februari 2019

door Nico Groen

De eigenaar van de bollenschuur van boerderij De Wolff is van plan de bollenschuur te slopen en een nieuwe woning te bouwen los van het bestaande huis. Het betreft het complex op de hoek van de Stationsweg en de Van Lyndenweg. Daartoe moet het bestemmingsplan ter plaatse gewijzigd worden. Het college van B&W van Lisse heeft daar in principe geen bezwaar tegen. De bollenschuur is aan het huis vastgebouwd.

 

De woning vóór de schuur is een gemeentelijk monument en was vroeger een woning met aangebouwde stal (boerderij De Wolff). Later is de stal bij de woning getrokken voor realisatie van een groter woonhuis. Op een kaart uit 1603 staat op deze locatie al een boerderij getekend. Getuigen van de oude bebouwing zijn een 17de eeuwse gewelfde kaaskelder met gemetselde trap en gewelf, een vloer van plavuizen en een alkoof.

In 1908 is aan boerderij De Wolff een bollenschuur gebouwd voor Bollenbedrijf De Vroomen. Een voor die tijd kenmerkende bollenschuur met openslaande, grote deuren voor natuurlijke ventilatie. Later, waarschijnlijk in de dertiger jaren zijn deze hoge deuren vervangen door kleinere stalen ramen. De gevels zijn daarbij gedeeltelijk dichtgemetseld en er zijn ventilatieroosters aangebracht voor mechanische ventilatie van de bollen. Een logisch gevolg van de technische ontwikkelingen in die tijd.

Aan de noordkant is de schuur in de zestiger jaren uitgebreid met een loods. Deze is niet in de stijl van de bollenschuur zelf gebouwd.

De vraag is hoe de bouwtechnische staat van de bollenschuur is. Zou de schuur eventueel behouden kunnen blijven en een nieuwe bestemming kunnen krijgen? Het lijkt van wel. Van de oorspronkelijke muur aan de noordkant van de bollenschuur zijn bijvoorbeeld nog mooie, oorspronkelijke stalen kozijnen aanwezig. Onderzoek daarnaar is wenselijk.

 

Zienswijze

Het CultuurHistorisch Genootschap Duin- en Bollensteek (CHG) zet zich al jaren succesvol in voor het zoveel mogelijk behouden van oude bollenschuren, al of niet met een nieuwe bestemming. Bijvoorbeeld als woonhuis met cultuurhistorisch gezien zo weinig mogelijk veranderingen aan de buitenkant van de betreffende schuur. Zij zijn tegen de sloop van waardevolle bollenschuren, waarvan bij De Wolff sprake lijkt te zijn.

Het CHG heeft, samen met de VOL daarom een zienswijze ingediend om de bollenschuur te behouden voor de toekomst. Landgoed Keukenhof dient zelf een zienswijze in om de bollenschuur vte behouden.

Bij bollenschuren zijn niet alleen de karakteristieke elementen zoals ventilatiedeuren en -ramen belangrijk, maar juist ook de veranderingen als gevolg van ontwikkelingen in de techniek en logistiek rond de bloembollencultuur. Dat heeft soms minder te maken met schoonheid dan met authenticiteit en ontwikkeling van karakter. Ook is de combinatie van de 17de eeuwse hoeve met de bollenschuur van groot belang. Daar is de ontwikkeling zichtbaar van de agrarische ontwikkeling in de Bollenstreek van de 17de tot de 20ste eeuw. Het gebied is gelegen op een plek met zeer hoge landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Het maakte vroeger een tijdlang onderdeel uit van het historisch Landgoed Keukenhof en omgeving (inclusief boerderij De Wolff met bollenschuur) is aangewezen als kroonjuweel cultureel erfgoed. Volgens het CHG en VOL moet ook om deze redenen de bollenschuur niet worden gesloopt.

Aan de zuidkant zijn de kenmerken van de bollenschuur nog goed te zien vanaf de Van Lyndenweg.. Foto: CHG

 

Sloop van de bollenschuur van De Wolff? EEN ZIENSWIJZE IS INGEDIEND.

De eigenaar van de bollenschuur van boerderij de Wolff  is van plan de bollenschuur te slopen en een nieuwe woning te bouwen los van het bestaande huis.

Het CHG Duin- en Bollenstreek heeft, samen met de VOL en Landgoed Keukenhof een zienswijze ingediend om de bollenschuur te behouden voor de toekomst.

klik op onderstaande link om de hele zienswijze te bekijken.

Zienswijze CHG c.s. Stationsweg 1-3 Hoeve De Wolff Lisse

 

Boerderij De Wolff, vanuit het zuiden gezien. Foto CHG Duin- en Bollenstreek

Bestemmingsplan Stationsweg 1-3 en aanvraag monumentenstatus

Het CHG en de VOL hebben een zienswijze ingediend om de bollenschuur van De Wolff uit 1906 te behouden. Het CHG heeft op 11 februari 1919 een aanvraag ingediend om de bollenschuur van de Wolff aan te wijzen als gemeentelijk monument.

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 1 januari 2019

Nieuwsflitsen

Betreft zienswijze op Voorontwerp bestemmingsplan Stationsweg 1-3 te Lisse. Het Cultuur-Historisch Genootschap Duin- en Bollenstreek (CHG) heeft mede namens onze vereniging haar zienswijze ingediend op het voorontwerp van het bestemmingsplan bij “Hoeve De Wolff”. De gemeente Lisse heeft het voornemen het vigerende bestemmingsplan van de locatie Stationsweg 1-3 te wijzigen om een nieuwe woning te realiseren op en nabij de plaats waar nu een bollenschuur staat. Dit impliceert dat deze schuur zal moeten worden afgebroken. Het CHG en VOL gaan niet akkoord met de voorgenomen bestemmingplanwijziging waarin de aan de “Hoeve de Wolff” aangebouwde historische bollenschuur uit 1908 wordt gesloopt om een nieuwe woning te realiseren. De voorgestelde bestemmingsplan wijziging doet geen recht aan de hoge landschappelijke en cultuurhistorische en toeristische waarden van dit gebied dat pal naast het historisch landgoed en bloemententoonstelling Keukenhof ligt. Ook de beeldkwaliteit van de voorgestelde nieuwe woning levert geen bijdrage aan verbetering en verrijking van deze locatie of het landschap. Daarnaast ontbreekt het aan onderzoek of de historische bollenschuur die in 1908 gebouwd is, niet monumentwaardig is. Dit is in 2007 bij het vaststellen van de gemeentelijke monumentenlijst niet goed onderzocht door Dorp, Stad en Land (DSL). Ook niet in 2011 toen men voornemens was om de bollenschuur te slopen. Het CHG heeft de gemeente toen schriftelijk aangeboden om onderzoek te doen naar de cultuurhistorische waarde van de schuur, om te beoordelen of deze waard is om tot gemeentelijk monument aangewezen te worden. De gemeente ging hier niet op in omdat er nog geen concrete plannen waren met de schuur. Daarom stelt het CHG in zijn zienswijze voor om te onderzoeken of de bollenschuur in aanmerking komt voor de status van gemeentelijk monument.

Aanvraag Monumentenstatus

Het CHG heeft op 11 februari 2019 bij de gemeente Lisse de aanvraag ingediend om de karakteristieke bollenschuur “Hoeve De Wolff”, Stationsweg 1-3 te Lisse aan te wijzen als gemeentelijk monument en daarvoor de benodigde onderzoeken te laten verrichten naar de cultuurhistorische en landschappelijke waarde van de schuur, omdat het dan ook door de Erfgoedcommissie beoordeeld kan worden. Er is nooit onderzoek verricht naar: 1. architectuur, ligging, bouwhistorie en karakteristieke kenmerken van de bollenschuur als bollenerfgoed; 2. de cultuurhistorische waarden van de bollenschuur, zowel lokaal als regionaal, representativiteit, ontwikkelingen door de tijd heen, ensemblewaarde, zichtbaarheid en toeristische waarde; 3. de bouwkundige staat van de verschillende gedeelten van het gebouw, de mogelijkheid tot partiële sloop (bijvoorbeeld van de aangebouwde loods), alsmede advisering naar welke periode de schuur het best kan worden gerestaureerd; 4. de mogelijkheden voor passende herbestemming van de bollenschuur. Gelet op de cultuurhistorische waarde van de schuur, de unieke locatie, midden in het open bollenlandschap vlak bij Keukenhof, en de unieke samenhang met de Hoeve De Wolff, die reeds de status van gemeentelijk monument heeft, is onderzoek naar de cultuurhistorische waarde van de bollenschuur gewenst, waarna een verantwoorde afweging kan plaatsvinden over plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst. De Werkgroep Bollenerfgoed van het CHG heeft het college aangeboden een dergelijk onderzoek graag te willen verrichten. De gemeente Lisse heeft op 22 februari 2019 gereageerd op de inspraakreactie van het CHG en deelde mee dat de gemeente Lisse voornemens is om nader onderzoek uit te voeren naar de bouwtechnische staat van de desbetreffende bollenschuur. Tevens wil de gemeente de cultuurhistorische en landschappelijke waarde van de schuur nader onderzoeken. De uitkomsten van deze onderzoeken gaat de gemeente verwerken in de beantwoording van de inspraakreactie. Dat betekent dat de beantwoording van de inspraakreacties wat langer op zich zal laten wachten. De beantwoording volgt nadat duidelijk is wat de onderzoeken hebben opgebracht en wat dit betekent voor het bestemmingsplan. Wordt vervolgd!

landgoed boerderij

Boerderij “De Wolff” bij Landgoed Keukenhof

Zwarte Tulpprijs voor Heereweg 429

Sporen van vroeger  (Lisser Nieuws)

door Nico Groen

18 december 2018

De Zwarte Tulpprijs 2018 is voor de eigenaren van de woning met bollenschuur op Heereweg 429. De restauratie is eindelijk klaar. De bollenschuur is nu bij het woonhuis getrokken. De schuur heeft dus een goede herbestemming gekregen. De oorkonde werd 30 november jl. uitgereikt aan de familie door wethouder Kees van der Zwet.

 Gemeentelijk monument

Het gebouw is ontworpen door de bekende Lisser architect C.W. Barnhoorn. Dit in opdracht van bollenkweker W.V. van Beek. De bollenschuur is aan de achterkant van het woonhuis gebouwd. Het vormt samen één geheel. Het precieze bouwjaar is niet bekend, maar ligt rond 1927. Het heeft 2 bouwlagen onder een plat dak met een schoorsteen aan de achterkant. Er zijn  rode bakstenen gebruikt, behalve voor de onderste lagen. Deze zijn vanaf de fundering opgebouwd uit een betere kwaliteit klinkers met hardere specie en vormen een zg trasraam. Naast het tegengaan van optrekkend vocht, werkt het ook tegen binnendringen van vocht van bijvoorbeeld opspattend regenwater. Verder is de kans kleiner dat zouten uit het optrekkende water voor witte uitslag op de gewone stenen zorgen.

In de voorgevel is siermetselwerk aangebracht in de vorm van vooruitspringende stenen. Dit geeft een speels uiterlijk aan de bovenkant van de voorgevel. De borstwering aan de bovenkant van de andere gevels heeft ook  naar voren uitkragende  stenen met een betonnen gevelafdekking. Te zien is dat Barnhoorn geïnspireerd was door art deco en baksteenexpressionisme. Art deco was een populaire stijlbeweging van 1920 tot 1939 die bij bouwwerken ook tot uiting kwam in de decoraties. Het belangrijkste bij baksteen-expressionisme is, dat het ontwerp niets voor hoeft te stellen. Alleen de vorm is belangrijk.

De ramen en deuren van het woongedeelte zijn van hout met een bovenlicht onder een  horizontale roede. De ramen op de verdieping hebben geen roeden.

Moderne schuur voor die tijd

De schuur heeft geen openslaande ramen voor de ventilatie, maar ventilatieopeningen voor mechanische afvoer van de lucht. Het was namelijk een vooruitstrevend ontwerp met elektrische ventilatie voor het drogen en bewaren van de bollen. De stalen ramen kunnen  wel open voor extra ventilatie. De schuur is dus een goed voorbeeld van het type bollenschuur met mechanische ventilatie.

CHG Duin- en Bollenstreek

De Zwarte Tulpprijs wordt jaarlijks uitgereikt aan de eigenaar van een voorbeeld bollenschuur in de Bollenstreek. Het gebouw moet op een voorbeeldige manier heeft behouden zijn of een andere bestemming hebben gekregenen. De Werkgroep Behoud en Herbestemming Bollenerfgoed van het Cultuur Historisch Genootschap  voor de Duin- en Bollenstreek (CHG) beoordeelt al sinds 2003 initiatieven op dit gebied om deze prijs te kunnen toekennen.. De Werkgroep zet zich al meer dan 20 jaar in voor de bollenschuren en ander waardevol erfgoed van de bloembollencultuur in de Duin- en Bollenstreek.

Bovenstaande gegevens komen van de website van het CHG Duin- en Bollenstreek en van de website van oudlisse.nl bij het hoofdstuk Monunumenten. Klik hier om er naar toe te gaan

De woning heeft een fraai front met een mooie decoratie aan de bovenkant. Foto: Nico Groen

 

Achterweg-Zuid 86 – Woonhuis met bollenschuur

De bollenschuur is aan het woonhuis vastgebouwd.

Kadaster: B-1338.

Een bollenschuur met een woning er tegen aan

Achterweg 2 - Woonboerderij

Achterweg 02 – Woning

Een woonhuis met 3 voormalige bollenschuren.

Kadaster: C-0962. Bouwjaar: ca 1900.

Het is een karakteristiek woonhuis aan het begin van de Achterweg vanaf ’t Vierkant tegenover de Grote kerk. Het woonhuis met een brede voorgevel bestaat uit één woonlaag met daarboven een zolderverdieping. Het huis heeft een zogenaamd zadeldak met de nok evenwijdig aan de straat en in het midden een kleine dakkapel. ‘De voorgevel in kruisverband is eenvoudig doch stijlvol gedetailleerd’ staat er in de officiële beschrijving. Het huis heeft een asymmetrische indeling met links 3 en rechts 2 ramen, ieder met een 6-ruits houten schuifvenster. De voordeur staat daar tussenin. De bovenkanten van de ramen en de deur zijn licht ‘getoogd’ (gebogen) en mooi versierd in 2 kleuren. Aan de onderkant van de voorgevel is een hoge aangesmeerde plint gemaakt om optrekkend vocht tegen te gaan. Langs de dakgoot bevindt zich een brede sierlijst. De kopgevels aan de zijkanten worden afgesloten met bewerkte houten windveren en een gevelmakelaar. Wat verder opvalt is de houten laaddeur in de rechter zijgevel naar de zolderverdieping.

 

Het bouwjaar is 1878

Bij de officiële beschrijving van het monument staat dat het omstreeks 1900 is gebouwd. In het kadaster staat echter dat de woning in 1878 is gebouwd, maar vóór die tijd stond er ook al wat. Deze oudere woning met een bollenschuur uit 1814 is namelijk in 1876 door Jan Vreeburg verkocht aan Gerrit Vreeburg. Er zat in deze schuur een steen gemetseld met het jaartal 1814. Deze schuur werd altijd, tot de afbraak in 1988, bestempeld als de oudste bollenschuur van Lisse. Die steen is vóór de sloop verwijderd. Mogelijk is deze steen dus nog ergens.

Gerrit is niet lang eigenaar geweest, want in 1878 is Georgius Vreeburg eigenaar geworden. Georgius heeft dus blijkbaar een nieuw huis gebouwd. Het woonhuis is in 1882 al weer verkocht aan Antonie van Ruiten. In 1890 is het pand in bezit van Aris van Ruiten. Er is in 1908 een grotere bollenschuur bij gebouwd, want op een oude foto staat het jaartal 1908.

De woning was van 1911 tot 1945 eerst van Petrus Wilhelmus Verdegaal en later van zijn weduwe Catharina Klijn. Daarna ging het eigendom over naar Maria Theodora Klink. In 1981 werd het huis weer verkocht.

 

Vroeger stond hierachter een boerderij

Foto vanaf de Agathakerk. De schuren zijn rond 1988 gesloopt. De schuur met het grijze dak is uit 1908 en de voorste met het rode dak uit 1814.

 

De oude bollenschuur uit 1814

 

De bollenschuur ui 1814

Achter de later gebouwde rode bollenschuur de grote bollenschuur uit 1908

De grote bollenschuur uit 1908

 

Acacialaan 1 - schuur Lefeber

Acacialaan 1 – Voormalige bollenschuur

Dit was de bollenschuur van de woning van J.W. Lefeber op Achterweg 14

Kadaster: C-3469. Bouwjaar: 1887.

Deze bollenschuur, oorspronkelijk behorend bij Achterweg 14, werd in 1886-1887 gebouwd voor bollenkweker J.W. Lefeber. De schuur kreeg een herbestemming als woonhuis. De schuur is van buiten geheel gerestaureerd en werd van binnen geschikt gemaakt als woonhuis. Daarbij is op een uitstekende manier rekening gehouden met de karakteristieke elementen van de bollenschuur, zoals de openslaande ventilatiedeuren en de naam Lefeber op de gevel. Om de toegang tot de nieuwe wooneenheid te regelen is een speciale brug gebouwd die uitkomt in de Acacialaan. Hoewel dus niet meer gelegen aan dezelfde straat blijft aan het gebouwde geheel de vroegere combinatie van wonen en werken in een bollenbedrijf goed af te lezen De initiatiefnemers kregen in 2003 als waardering voor hun inspanning om dit bollenerfgoed te behouden als eersten de Zwarte Tulpprijs uitgereikt. Deze prijs wordt jaarlijks toegekend en is bedoeld om de aandacht te vestigen op het behouden en herbestemmen van bollenschuren.

Acacialaan 1 - schuur Lefeber

De bollenschuur van bollenteler J.W. Lefeber