Berichten

ORDEHANDHAVING EN BRANDBESTRIJDING IN DE ACHTTIENDE EEUW. DEEL 3

Besproken wordt hoe de preventie en de brandbestrijding georganiseerd was. Het brandgevaar door kaarsen en olielampen was groot. Lange tijd wed gebruik gemaakt van emmers, die werden doorgegeven. In 1743 had Lisse een slangbrandspuit met 4 spuitvoerders, 16 pompers, 12 waterdragers om water naar de pomp te brengen, 4 watergieters en 2 oppassers.

door drs. Maarten van Bourgondiën

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 4, oktober 2008

Dorpen hadden vanwege de meer verspreid staande bebouwing over het algemeen minder vaak last van grote branden dan steden, waar de huizen dicht op elkaar stonden. Toch konden branden bij tijd en wijle ook op het platteland veel schade aanrichten. Brandpreventie en brandbestrijding behoorden daarom tot de belangrijkste taken van het dorpsbestuur van Lisse. In dit derde en laatste deel van mijn artikelenserie wil ik bekijken hoe de brandbestrijding in Lisse was georganiseerd.

Brandbestrijding/Brandpreventie
Brandbestrijding begint natuurlijk met brandpreventie. Het bestuurders van Lisse drukten de dorpelingen dan ook regelmatig op het hart om voorzichtig te zijn met vuur. Zo kreeg de gerechtsbode van Lisse op 27 oktober 1767 de opdracht om “Dirk Heemel aan te zeggen dat hij zorg moet draagen om van nu voortaan voorzigtig met vuur en ligt te zijn, ende dat hij geen vulnis of waater op straat zal hebben te werpen”. [1]
Tijdens feestelijkheden was het gebruikelijk om de huizen met kaarsen en olielampen te verlichten. Op dat soort momenten was het brandgevaar natuurlijk groot. [2] Het dorpsbestuur probeerde de risico’s dan ook zoveel mogelijk te beperken. Tijdens de viering van het stadhouderschap van Prins Willem V van Oranje-Nassau op zaterdag 8 maart 1766 stonden de schout en burgemeesters van Lisse de inwoners toe om “hunne huyzen ten zelven daage te illumineeren [verlichten] en daar meede te beginnen des avonds 8 uuren, zullende daar meede moogen eyndigen des nagtsten twaalf uuren, in agt neemende alle moogelijke preecautien tot voorkooming van brand, verbiedende wel expresselijk aan alle en een iegelijk, geduurende de voorszeyde illuminatien eenige voetsoekers off diergelijke soort van brandende machines te werpen, off met snaphaanen, pistoolen off ander schietgeweer te schieten”. Overtreders kregen per overtreding een boete opgelegd van 42 stuivers. Het geld dat hiermee in de dorpskas vloeide, kwam ten goede aan de Heilige Geestarmen van Lisse.

Detail van een prent van de brand van het oude stadhuis te Amsterdam op 7 juli 1652. Mensen helpen met blussen en dragen water en ladders aan.

Slangbrandspuit
Lange tijd kon voor het blussen van branden alleen gebruik worden gemaakt van emmers. Pas in 1614 werd er door de Staten-Generaal van de Republiek der Verenigde Nederlanden voor het eerst een octrooi verleend voor een brandspuit. Deze brandspuit was niet erg praktisch in het gebruik. De bak met water moest bijvoorbeeld nog steeds met behulp van emmers worden gevuld en met de spuit kon men niet echt dicht bij de brand komen. Er volgden vele verbeteringen op dit eerste ontwerp, maar de echte doorbraak vond pas plaats toen de in Amsterdam woonachtige glazenier, spiegelfabrikant en kunstschilder Jan van der Heijden (1637-1712) in 1672 de slangbrandspuit ontwierp. Met dit handzame apparaat konden branden veel beter worden geblust. Voor de brandbestrijding was deze uitvinding dus een grote stap voorwaarts. Lisse had in de achttiende eeuw eveneens de beschikking over een slangbrandspuit.
Voor het bemannen van een slangbrandspuit waren gemiddeld 36 personen nodig, die elkaar om het kwartier aflosten bij het pompen. In Lisse waren in 1743 in totaal 38 personen betrokken bij het bedienen van de slangbrandspuit: vier “spuitvoerders”, zestien “pompers”, twaalf “waterdragers”, vier “wateringieters” en twee “oppassers”. [3] Jan van der Heijden ontwierp voor zijn slangbrandspuit ook een zogenoemde zuigbuis, waarmee water kon worden aangezogen. Op die manier had men geen emmers meer nodig om de slangbrandspuit van water te voorzien. De aanwezigheid van twaalf waterdragers en vier wateringieters laat zien dat de slangbrandspuit van Lisse in 1743 waarschijnlijk nog niet was uitgerust met een buis om water aan te zuigen.

Voorbeeld van een ouderwetse langbrandspuit.

In de achttiende eeuw was er in Lisse nog geen sprake van een vrijwillige brandweer. Brandbestrijding werd namelijk beschouwd als een burgerplicht. [4] Net als bij de stille nachtwacht stelden de schout en burgemeesters van Lisse ieder jaar lijsten samen met daarop de namen van de mannen die brandspuitdienst hadden. Iedereen was verplicht om tijdens zijn dienst in het dorp aanwezig te zijn (op straffe van een fikse boete).
Op 30 juni 1767 vonden de schout en burgemeesters van Lisse het nodig om een nieuwe slangbrandspuit aan te schaffen. Het brandspuithuisje diende eveneens vervangen te worden. De daartoe uitgevaardigde collecte onder de inwoners van Lisse bracht voldoende geld in het laatje: op 1 december 1767 werd de nieuwe slangbrandspuit geleverd, en na inspectie door de schout en burgemeesters in het brandspuithuisje geplaatst. De oude brandspuit was hierdoor overigens niet overbodig geworden. Hij werd namelijk ondergebracht in de schuur van Hendrik van Leeuwen, hospes in het rechthuis van Lisse (de Witte Zwaan in het Vierkant). Sindsdien beschikte Lisse dus over twee slangbrandspuiten.

Onderhoud en testen
De slangbrandspuiten moesten natuurlijk goed worden onderhouden. Ieder jaar werden ze daarom volledig uit elkaar gehaald en opnieuw in elkaar gezet om op die manier eventuele mankementen aan het licht te brengen. De noodzakelijke werkzaamheden en reparaties werden daarbij normaal gesproken door één van de plaatselijke ambachtslieden verricht. Zo kreeg de schoenmaker Johannes van der Jagt in 1771 een vergoeding van het dorpsbestuur van Lisse voor het “maaken van een leeren riem aan de brandspuyt”. [5] Soms was het echter noodzakelijk om specialisten naar de slangbrandspuit te laten kijken. In 1781 werd Govert van Parijs betaald “voor verdiend vragtloon van de oude spuyt heen en weder na en van Amsterdam”. Dankzij de brandspuitenfabriek van Jan van der Heijden was Amsterdam in deze tijd hét kenniscentrum voor wat betreft slangbrandspuiten. De reden voor de reis naar Amsterdam wordt niet vermeld, maar vermoedelijk waren er in 1781 problemen met de slangbrandspuit geconstateerd waar men in Lisse geen raad mee wist. Iets vergelijkbaars deed zich namelijk ook al in 1743 voor. Op 28 augustus van dat jaar was een groot deel van het aan de Grachtweg gelegen huis van Otto Jacobszn. Cranenburg, alsmede een grote hoeveelheid vlas, hooi en gekloofd hout in vlammen opgegaan. De slangbrandspuit werd tijdens het blussen van deze brand “seer gebrekkelijk” bevonden. Na het inwinnen van advies in Leiden en het bestuderen van de brandkeuren van Nieuwkoop en Amsterdam, besloten de schout en burgemeesters tijdens de vergadering van 1 september 1743 daarom burgemeester Bart Janszn. Klinkenberg naar Amsterdam te sturen om bij de “maker ende leveraar van de brandspeuten” een leren slang en een slang van zeildoek te bestellen. [6]
De Lissese slangbrandspuiten werden ook regelmatig getest. Volgens een verslag van de vergadering van de gemeenteraad uit 1817 gebeurde dat vanouds op de eerste dinsdag na Pinksteren vóór het rechthuis van Lisse. [7] Dat zal wel een vrolijke bedoening zijn geweest, want in 1771 kreeg Govert van Parijs tien gulden en negen stuivers betaald “over leverantie van twee vaaten bier op ’t probeeren van de twee brandspuyten”.

 

 

Zoals hierboven al even ter sprake kwam, werd de slangbrandspuit van Lisse in de achttiende eeuw opgeborgen in een zogenoemd brandspuithuisje (dat net als het wachthuis door middel van een slot kon worden afgesloten). De exacte locatie van dit huisje is niet bekend, maar mogelijk stond het in de achttiende eeuw min of meer op dezelfde plek als het nieuwe brandspuithuisje dat in 1822 aan de noordwestkant van de toren van de dorpskerk in het Vierkant werd gebouwd.

Brandgereedschap
Tot het brandgereedschap behoorden brandemmers, brandladders en brandhaken (lange stokken met een ijzeren haak, waarmee onder andere brandend riet van daken kon worden afgetrokken). Regelmatige inspectie door de schout en secretaris diende er voor te zorgen dat dit brandgereedschap steeds in goede staat verkeerde.
De brandemmers werden opgeslagen in het brandspuithuisje. Na een brand leverde echter lang niet iedereen zijn emmer weer keurig in. Het was de taak van de gerechtsbode van Lisse
Detail van een ansichtkaart, met direct achter de kinderen het puntdak van het brandspuithuisje.

om alle brandemmers op te zoeken “die tot uytblussinge van ontstane branden” waren gebruikt, en die vervolgens terug te brengen naar het brandspuithuisje.Voor het opbergen van de brandladders en brandhaken was het brandspuithuisje te klein. Deze zaken werden daarom opgeslagen in de kerktoren van de dorpskerk in het Vierkant: “betaald aan kerkmeesteren van Lisse een jaar recognitie van ’t plaatsen van des dorpsbrandladders en brandhaaken in den toorn”. [8]

Noten
[1] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 4, fol. 208v.
[2] In 1747 brandde de buitenplaats Berkenrode bij Heemstede bijvoorbeeld volledig af na een ongeluk met vetpotjes en kaarsen, die door de eigenaar waren aangestoken om het stadhouderschap van Prins Willem IV van Oranje-Nassau te vieren: G. van Duinen, De geschiedenis van de heerlijkheid Berkenrode (Heemstede 1957) 35.
[3] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 3, fol. 257v.
[4] J.C.N. Raadschelders, Lokale bestuursgeschiedenis (Zutphen 1992) 16.
[5] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 40, rekening van de omslag van de bede uit 1771, fol. 13v.
[6] Ibidem, inv. nr. 3, fol. 266.
[7] Dat wordt onder andere bevestigd door een uit 1743 daterende passage in het resolutieboek van de schout en burgemeesters van Lisse: Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 3, fol. 259.
[8] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 40, rekening van de omslag van de bede uit 1771, fol. 13v-14.

 

ORDEHANDHAVING EN BRANDBESTRIJDING IN DE ACHTTIENDE EEUW. DEEL 2

 

De klapwaker en de stille nachtwacht begonnen in de 18e eeuw hun rondes bij het wachthuis. Dit wachthuis stond net ten zuiden van het Vierkant. De nieuwe gevangenis werd gevestigd in een bestaand huis aan het Vierkant. Er was toen één dorpslantaarn. Lisse kreeg het schavot van Noordwijkerhout. Bovenstaande wordt uitvoerig besproken.

door drs. Maarten van Bourgondiën

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 3, juli 2008

In het eerste deel van deze artikelenreeks werd aandacht besteed aan de klapwaker en de nachtwacht in Lisse. Nu wordt de draad weer opgepakt bij het wachthuis van waaruit de klapwaker en de stille nachtwacht hun dagelijkse rondes deden.

De grote kerk met achter de personen het wachthuisje van de brandweer

Wachthuis
De klapwaker en de stille nachtwacht deden hun rondes door het dorp vanuit het wachthuis. Volgens een kaart uit 1771 was dit wachthuis gelegen aan de Heereweg, even ten zuiden van het Vierkant (tegenover de woning van de Lissese schout Willem Jacobus Sennepart). In het winterseizoen werd het wachthuis verwarmd door middel van een op turf gestookte kachel. Het was de taak van de schoolmeester om deze kachel brandend te houden. Daarnaast was diezelfde schoolmeester ook verantwoordelijk voor het schoonmaken van het wachthuis. Hij werd hiervoor betaald door het dorpsbestuur. [1]

Omdat er wapens in werden opgeslagen, moest het wachthuis door middel van een degelijk slot ook afgesloten kunnen worden. Af en toe diende dat slot gerepareerd of vernieuwd te worden: in 1727 werd Herman Schuurman bijvoorbeeld betaald voor het “vermaken van ’t slot aan ’t wagthuys”.

Detail van een kaart uit 1771 met het wachthuis aan de Heereweg

Dorpslantaarn(s)
In de eerste helft van de achttiende eeuw telde Lisse slechts één dorpslantaarn. Deze lantaarn brandde op olie en hing vermoedelijk aan het wachthuis. In 1771 blijken er drie dorpslantaarns aanwezig te zijn: één aan het wachthuis, één op de hoek van de beek en één bij de dorpswaag (aan de gracht in de buurt van de korenmolen). De olielantaarns werden in het winterseizoen aangestoken. De personen die daar verantwoordelijk voor waren, werden betaald uit de dorpskas.
Zoals gezegd brandden de lantaarns op olie. Ieder jaar zijn er in de dorpsrekeningen dan ook betalingen terug te vinden voor de levering van olie, katoen en “swafelstopsel”. Het onderhoud van de lantaarns kostte eveneens geld. In 1771 werd Cornelis Rouwens, schilder en glazenmaker, betaald voor “het verven van een lantaarn en het maaken van glasen daar in, alsmede over het stoppen van ruyten in de andere overige lantaarns”. Daarnaast ontving Albert Bots in datzelfde jaar een vergoeding voor het maken van een nieuwe dorpslantaarn bij het waaggebouw.

Staande man met piek en zwaard op een weg nabij Lisse, detail van een prent uit de 17e eeuw. In de 18e eeuw waren leden van de stille nachtwacht eveneens bewapend met een piek.

Gevangenis
In mijn artikel over de welgeboren familie Duycker gaf ik aan dat er onderscheid werd gemaakt tussen lage en hoge rechtspraak (Nieuwsblad jaargang 6 nummer 4, oktober 2007). De hoge rechtspraak was voorbehouden aan de baljuw en zijn welgeboren mannen. Zij mochten dus als enigen halsmisdrijven berechten en gevangenisstraffen opleggen. De ambachtsheerlijkheid Lisse bezat alleen de lage rechtspraak. [2] Toch kreeg het dorp in de achttiende eeuw een gevangenis. Dat hield verband met het feit dat Lisse samen met Noordwijkerhout, Hillegom en Voorhout één baljuwschap vormde. Aanvankelijk werden arrestanten en veroordeelden uit dit baljuwschap opgesloten op Teylingen. [3] Dit kasteel viel echter niet onder jurisdictie van het baljuwschap. Dat leidde nog wel eens tot problemen. Daarom hadden Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout zich sinds 1724 sterk gemaakt voor een eigen gevangenis. Lange tijd liep dat op niets uit, maar uiteindelijk stemden de Staten van Holland en West-Friesland in 1763 toch toe. Als locatie voor de nieuwe gevangenis werd gekozen voor het centraal gelegen Lisse. Voor de bouw reserveerde men een bedrag van 1000 gulden. De jaarlijkse onderhoudskosten van de gevangenis werden begroot op 21 gulden en voor het salaris van de cipier moest ieder jaar eveneens 21 gulden worden opgebracht. Al deze kosten werden in gelijke mate verdeeld over de vier betrokken dorpen. De baljuw diende er als inner van de bedragen op toe te zien dat alle dorpen hun betalingsverplichtingen nakwamen. [4]
De nieuwe gevangenis werd gevestigd in een reeds bestaand huis in het Vierkant, dat op 13 mei 1765 onderhands was gekocht door de baljuw Elbert Testart. Dit pand behoorde destijds toe aan de erfgenamen van de Lissese timmerman Cornelis Adriaanszn. van der Zaal, die het op zijn beurt in 1717 had verkregen uit de boedel van Maarten Dirkszn. van ’t Hoog. [5] Een half jaar later was de gevangenis klaar voor gebruik. Tijdens de vergaderingen van de schout en burgemeesters van Lisse werden ieder jaar ook lijsten opgesteld van alle afgebroken, verbeterde en nieuw gebouwde huizen. Het bovengenoemde pand in het Vierkant werd op 29 maart 1766 als volgt omschreven: “Een huys staande in het quohier der verpondinge ten naame van de erfgenaamen van Maarten Dirkse van ’t Hoog ende Dirkje Jacobs van der Mark…welk perceel wel is verbeeterd, dog geapproprieert [=ingericht] tot een gevangenhuys”. [6] Volgens A.M. Hulkenberg stond deze gevangenis op de plek waar in later tijd de Algemene Bank Nederland was gevestigd, oftewel op de plek waar straks het appartementencomplex ‘Oud Raadwijk’ zal verrijzen. [7]

De jaarlijkse betalingen van Lisse voor het onderhoud van de gevangenis zijn terug te vinden in de rekeningen van de omslag van de bede, bijvoorbeeld die uit 1771: “Betaald aan den heer bailliuw van Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout voor een jaar onderhout van het gevangenhuys, voor de portie van die van Lisse, volgens quitantie 5:5:0 [=vijf gulden, vijf stuivers en 0 penningen]”. Hierna volgt ook de betaling voor de cipier: “Aan den cipier van het gemelden bailliuwschap, Sijbrand Schaap, voor een jaar tractement [=salaris] voor de portie van denselven dorpe 5:5:0”.
De hierboven genoemde Sijbrand Schaap werd op 31 oktober 1765 beëdigd tot cipier. Mogelijk vervulde hij deze functie als een soort bijbaantje, want hij was eigenlijk meester-metselaar van beroep. Sijbrand woonde oorspronkelijk in Purmerend, maar verhuisde naar Lisse toen zijn vrouw Alida van Une daar op 14 augustus 1764 werd aangesteld als dorpsvroedvrouw. [8] Als cipier was hij verplicht om in de gevangenis te wonen. Tot zijn taken behoorde onder andere het schoonmaken van de gevangenis. Over het schoonhouden van de straat vóór de gevangenis werd niet gesproken. Dat had men beter wel kunnen doen, want in 1768 werd Sijbrand Schaap door de schout en burgemeesters van Lisse op de vingers getikt over het storten van as en vuilnis “op des dorpsgrond en houttuyn voor de huyzen bij hem bewoond [=de gevangenis in het Vierkant]”. Een eerdere mondelinge vermaning van de Lissese gerechtsbode had niet het gewenste effect. Daarom verklaarden de schout en burgemeesters op 11 februari 1768 dat Sijbrand zijn troep binnen 24 uur moest opruimen. Deed hij dat niet, dan diende de gerechtsbode samen met twee of drie andere mannen de as en het vuilnis naar een geschikte plaats aan de gracht te transporteren. De daarmee gemoeide kosten zouden vervolgens worden ingehouden op het salaris dat de vrouw van Sijbrand Schaap als vroedvrouw van het dorpsbestuur van Lisse ontving. Verdere aantekeningen over deze zaak ontbreken. Blijkbaar heeft Sijbrand Schaap uiteindelijk eieren voor zijn geld gekozen en zelf de as en het vuilnis weggehaald.

Schavot
Zoals gezegd kreeg het baljuwschap van Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout in 1763 toestemming om een nieuwe gevangenis te bouwen. Er werd toen tevens bepaald dat alle terechtstellingen voortaan in Lisse plaats moesten vinden (voorheen gebeurde dat in Noordwijkerhout). Daartoe was een schavot nodig, dat door Lisse bewaard en onderhouden diende te worden. Het dorpsbestuur weigerde daar echter aan mee te werken. Zo kon het gebeuren dat er geen schavot aanwezig was, toen Jan den Otter na zijn arrestatie op 30 oktober 1765 wegens stroperij werd veroordeeld tot geseling en brandmerken. De zaak werd voorgelegd aan de Staten van Holland en West-Friesland, maar die stelden Lisse in het gelijk. Uiteindelijk kwam men tot een compromis: net als bij de gevangenis en de cipier werden de kosten voor het schavot in het vervolg door alle vier de dorpen van het baljuwschap gezamenlijk opgebracht.

Het Kuijkehuis en de ABN-bank in het Vierkant. Op de plek van het bankgebouw stond vroeger de gevangenis van het baljuwschap van Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout.

Op donderdag 12 december 1765 kwamen vertegenwoordigers van de dorpsbesturen van Noordwijkerhout, Hillegom en Lisse in het rechthuis van Lisse (herberg De Witte Zwaan) bijeen om verder te praten over het schavot. Lisse was niet van plan om het oude schavot zomaar over te nemen. Het dorp wilde eerst de burgemeesters Reinier van Leeuwen en Maarten van der Jagt naar Noordwijkerhout sturen om het schavot aldaar te inspecteren. Pas nadat het door beide heren in orde was bevonden, zou het naar Lisse mogen worden overgebracht. De afgevaardigden van Noordwijkerhout en Hillegom gingen daarmee akkoord. Het dorpsbestuur van Voorhout was niet aanwezig bij deze vergadering, maar zou (op nadrukkelijk verzoek van de secretaris van Voorhout) door de schout van Lisse op de hoogte worden gesteld van de gemaakte afspraken.
Precies een week later (op donderdag 19 december 1765) werd er in Lisse alweer een vonnis van de baljuw ten uitvoer gebracht. Op last van de plaatsvervanger van de baljuw had Jacob van der Jagt, schoolmeester en koster te Lisse, toen de klok van de dorpskerk in het Vierkant geluid. Hij werd hierover op 30 december 1765 door het dorpsbestuur op de vingers getikt. Er werd toen namelijk verklaard dat alleen de schout en burgemeesters van Lisse opdracht mochten geven om de kerkklok op buitengewone tijden te luiden. De baljuw had daarover helemaal geen zeggenschap. In het vervolg diende Jacob van der Jagt voor het luiden van de dorpsklok dus toestemming te vragen aan het dorpsbestuur van Lisse, “uytgezondert het luyden op gewoone kerktijden, cathegisatien, bij het sterven en begraven der dooden”.
Het schavot stond overigens niet continu in het Vierkant. Het werd daar alleen neergezet als er executies uitgevoerd moesten worden. Daarna werd het schavot weer uit elkaar gehaald en opgeborgen in de toren van de dorpskerk aan het Vierkant. In 1781 werden de kerkmeesters van Lisse namelijk door het dorpsbestuur betaald “voor ’t plaatsen van ’t schavot inden toorn”. [9]

wordt vervolgd

Noten
[1] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 40, rekening uit 1771, fol. 11v en fol. 12.
[2] Lisse had als ambachtsheerlijkheid wel een schandpaal, zie artikel van dr. A.J. Kölker in het Nieuwsblad van de Ver.Oud Lisse, jaargang 2, nr 4 (oktober 2003).
[3] Theo van der Poel, “Uyt den Vierschaer geknipt. Het nieuwe ‘Gevangenhuys’ in 1765”, in: Hangkouserieën Jaargang 16 (februari 2008) 40-43, aldaar 40.
[4] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 4, fol. 148v.
[5] Van der Poel, “Het nieuwe ‘Gevangenhuys’ in 1765”, 40-43, aldaar 40.
[6] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 4, fol. 189v.
[7] A.M. Hulkenberg, ’t Roemwaard Lisse (2e druk Lisse 1998) 44.
[8] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 4, fol. 156v en fol. 212v.
[9] Ibidem, inv. nr. 40, rekening van de omslag van de bede uit 1781, fol. 14v.

ORDEHANDHAVING EN BRANDBESTRIJDING IN DE ACHTTIENDE EEUW. DEEL 1.

Om in de nachtelijke eeuwen toezicht te houden had Lisse een klapwaker in dienst. Zijn belevenissen worden beschreven. Er was ook een stille nachtwacht.

door drs. Maarten van Bourgondiën

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 2, april 2008

Inleiding
Het gemeentearchief van Lisse herbergt een schat aan gegevens met betrekking tot het dagelijks leven in vroeger tijden. Ik heb daar voor deze artikelenreeks over ordehandhaving en brandbestrijding dan ook dankbaar gebruik van gemaakt. Tijdens de achttiende eeuw behoorden de handhaving van de openbare orde en brandbestrijding tot de belangrijkste taken van het dorpsbestuur van Lisse. De bestuurlijke taken werden in die tijd waargenomen door een schout, vier burgemeesters, zeven schepenen en twee ambachtsbewaarders. De schout en burgemeesters waren onder andere betrokken bij het opstellen van de zogenoemde ‘rekeningen van de omslag van de bede’. Daarin zijn diverse betalingen terug te vinden die betrekking hebben op ordehandhaving en brandbestrijding. De navolgende artikelen zijn voor een belangrijk deel gebaseerd op informatie die afkomstig is uit deze dorpsrekeningen. Daarnaast werd ook veelvuldig gebruik gemaakt van enkele verordeningen en instructies van het Lissese dorpsbestuur.

Ordehandhaving door de klapwaker
Om in de nachtelijk uren toezicht te houden had Lisse een klapwaker of “klapperman” in loondienst. Deze klapwaker liep rond met een houten klepper die ook wel “klap” werd genoemd. [1] De klap bestond uit een houten bord dat aan een handvat kon worden vastgehouden. Op dit houten bord was een scharnierende hamer bevestigd, die een klepperend geluid maakte als de klapwaker de klap heen en weer bewoog.

Ieder uur moest de klapwaker de klap driemaal slaan en luid en duidelijk aangeven hoe laat het was. Bij onraad of brand diende hij de klap ‘verkeerd te slaan’ en direct het dorpsbestuur en de opzichters van de brandspuiten op de hoogte te stellen. De klapwaker moest er ook op toezien dat alle huizen goed waren afgesloten, de bewoners geen spullen buiten hadden laten staan, er door niemand meubels of soortgelijke zaken werden vervoerd, en er geen mensen met ladders of stokken over straat liepen. [2] De klapwaker had een baan met veel verantwoordelijkheid. Daarom werd van hem verwacht dat hij van “goeder naam en faam” was. Daarnaast moest hij ten overstaan van het dorpsbestuur een eed afleggen waarin hij verklaarde dat hij zijn functie op een correcte manier zou uitoefenen. In 1785 werd tijdens de aanstelling van de nieuwe klapwaker benadrukt dat hij altijd nuchter en bekwaam moest zijn. [3] A.M. Hulkenberg associeerde dit meteen met alcoholmisbruik, maar het zou net zo goed ook betrekking kunnen hebben op de persoonlijkheid van de klapwaker (verstandig, kalm, niet makkelijk van de wijs te brengen). Er zijn in ieder geval nog geen verhalen opgedoken over Lissese klapwakers die in beschonken toestand hun ronde deden. De werktijden verschilden per seizoen: tussen 1 mei en 1 oktober werkte de klapwaker van elf uur ’s avonds tot vier uur ’s morgens, en tussen 1 oktober en 1 mei van tien uur ’s avonds tot vijf uur ’s morgens. Was hij ziek, of kon hij om een andere reden zijn functie niet uitoefenen, dan diende de klapwaker in overleg met de schout van Lisse (en op eigen kosten!) te zorgen voor een vervanger.
Iedere nacht liep de klapwaker een vaste route door het dorp: van de huizen van Cornelis Tromp en Hendrik Mens in het zuiden (aan de Heereweg, nabij de huidige Zwanendreef) tot aan de woning genaamd ‘Vianen’ in het noorden, vervolgens de Grachtweg op tot aan de korenmolen, en ten slotte het Hop of de Kapelsteeg (=Kapelstraat) door tot aan het laatste huis aan de Halfwegse weg (de huidige Berkhoutlaan). Jaarlijks legde hij op die manier heel wat kilometers af. Het is niet bekend hoeveel schoenen hij daardoor versleet, maar in ieder geval kreeg de klapwaker elk jaar op kosten van het dorpsbestuur één paar nieuwe schoenen. [4] Daarnaast betaalde het dorpsbestuur ook het uniform van de klapwaker: zo kreeg de Lissese kleermaker Willem Filipszn. Kouwenhoven in 1705 een vergoeding voor het verstellen van de “klappermansrok”. [5]
De klapwaker moest zich volledig concentreren op zijn ronde door het dorp. In de praktijk kwam het echter wel eens voor dat hij werd gevraagd om iemand te begeleiden naar of af te halen van de trekschuit bij Halfweg. Het dorpsbestuur van Lisse achtte dat niet wenselijk. Daarom werd hier in de functieomschrijving van de klapwaker expliciet een verbod tegen uitgevaardigd.
Zodra hij tijdens zijn ronde iets onrechtmatigs ontdekte, diende de klapwaker de schout of (afhankelijk van de ernst van het misdrijf) de baljuw te waarschuwen. Kleine overtredingen mochten ook de volgende dag worden gemeld, maar spoedeisende zaken behoorden natuurlijk direct te worden afgehandeld. Lagen de schout en baljuw op dat moment al te slapen, dan moest de klapwaker hen “met de meeste voorzigtigheid doen ontwaaken”.

Stille nachtwacht
In Lisse waren ook onbezoldigde nachtwakers actief. Zij liepen rond zonder ratel en werden daarom de ‘stille nachtwacht’ genoemd. De stille nachtwacht werd gerekruteerd uit de mannelijke Lissese bevolking. Dat gebeurde op basis van lijsten die in het wachthuis werden opgehangen. Deelname aan de stille nachtwacht was verplicht: personen die zich hieraan onttrokken, werden daarvoor door het dorpsbestuur bestraft. [6] Tijdens de vernieuwing van de keur van de stille nachtwacht op 31 december 1764 werd deze verplichting als volgt omschreven: “Dat tot het doen van de stille nagtwagt in Lisse verpligt zullen zijn alle zodaanige burgers en ingezeetenen van Lisse onder de 60 jaaren oud zijnde, welke jaarlijks door schout en burgermeesteren zullen werden genoemdt, te beginnen en te eyndigen met zodanige tijd als bij gemelde lijste zal werden uytgedrukt, die ook jaarlijks in ’t dorpswagthuys zal werden opgehangen”. Van een complete vernieuwing was overigens geen sprake. De keur uit 1764 is qua inhoud namelijk voor een groot deel gelijk aan de keur van de stille nachtwacht die op 19 juli 1699 door het dorpsbestuur van Lisse werd uitgevaardigd. [7] Wel is hier en daar de tekst enigszins aangepast en gemoderniseerd.
Uit de periode 1714-1749 zijn enkele lijsten bewaard gebleven met daarop de namen van de leden van de stille nachtwacht en de nachten waarop zij dienst hadden. In de eerste jaren worden er per nacht steeds vier namen genoemd, maar vanaf 1720 staan er nog maar twee namen vermeld (zie afbeelding ).

Om kwaadwillende lieden af te schrikken of te overmeesteren waren de leden van de stille nachtwacht bewapend: in 1727 werd de timmerman Harmen Andrieszn. Tijdeman betaald voor het maken van twee stokken ten behoeve van de nachtwacht, terwijl de smid Tieleman Stroom een vergoeding kreeg voor het vervaardigen van ijzeren punten op deze stokken. Blijkbaar werden deze pieken soms wat al te onbesuisd gebruikt, want in 1764 bepaalden de schout en burgemeesters van Lisse dat iedereen die één of meerdere pieken brak, of daarmee schade toebracht aan het wachthuis, de reparatiekosten zelf zou moeten betalen. De stille nachtwacht was tevens bewapend met geweren, die na afloop van de dienst moesten worden overgedragen aan de volgende nachtwakers (of als die niet thuis waren, aan één van hun gezinsleden).
De leden van de stille nachtwacht dienden, “na dat hem de wagt des smorgen sal werden aangesegt ende bekend gemaakt”, om tien uur ’s avonds te verschijnen bij het wachthuis, om vervolgens tot drie uur’s ochtends te patrouilleren door het dorp (net als bij de klapwaker gebeurde dat over het algemeen volgens een vaste route). Daarbij moesten ze goed letten op brand en diefstal. Soms ontstond er tijdens hun ronde een handgemeen. In dat geval waren alle inwoners van Lisse (maar vooral diegenen voor wiens huis het handgemeen plaatsvond) verplicht om de nachtwakers te hulp te schieten. Na afloop van hun dienst moesten de leden van de stille nachtwacht hun opvolgers in de loop van de ochtend persoonlijk ‘de wacht aanzeggen’. Op die manier kon niemand zich verschuilen achter het excuus dat hij niet wist dat hij die avond nachtwachtdienst had.
Uit het bovenstaande verhaal kan worden opgemaakt dat de klapwaker en de stille nachtwacht niet alleen verantwoordelijk waren voor het handhaven van de orde, maar ook een belangrijke rol speelden bij de brandbestrijding. Beide taken waren in deze tijd nog nauw met elkaar verbonden. Dat wordt bevestigd door de rekeningen van de omslag van de bede, waarin alle uitgaven voor de klapwaker en de stille nachtwacht zijn genoteerd onder het kopje “Uytgeef wegens de brandgereedschappen”.

Buitengewone stille nachtwacht
Naast de gewone stille nachtwacht, kon er door het dorpsbestuur van Lisse ook een buitengewone, of extraordinaire, stille nachtwacht in het leven worden geroepen. Dat gebeurde bijvoorbeeld op 1 februari 1765, toen de schout, burgermeesters en schepenen verklaarden “dat de gewoone stille nagtwagt voor deesen saayzoene een eynde zal neemen, ende dat in plaatse van dien is aangesteld een extraordinaire stille nagtwagt”. Alle mannelijke inwoners van Lisse die ouder waren dan achttien jaar, waren verplicht om hier aan deel te nemen (wederom op basis van lijsten die in het wachthuis werden opgehangen).
Er werden in totaal vier groepjes gevormd van vier tot zes personen, die ieder “met behoorlijk geweer voorsien” een deel van Lisse onder hun hoede hadden. Het ging daarbij om de grens met Hillegom (vier man), de weg tussen Berkhout en Halfweg (zes man), de Achterweg vanaf de woning van Cornelis Huibertszn. Zandvliet tot aan de grens met Sassenheim en Voorhout (vier man), en de Heereweg vanaf de woning van Cornelis Tromp tot aan de grens met Sassenheim (zes man). De leden van de eerste twee groepjes bepaalden via loting of zij wacht moesten lopen aan de grens met Hillegom, of op de weg tussen Berkhout en Halfweg. Uit hun midden werd één korporaal gekozen die de leiding had. Uit de andere twee groepjes werd eveneens één korporaal gekozen. De twee groepjes die wacht liepen in het noordelijke deel van Lisse dienden zich iedere avond om tien uur te verzamelen bij het wachthuis, om vervolgens tot drie uur ’s ochtends te patrouilleren. Dat gold ook voor de andere twee groepjes, met dien verstande dat zij zich elke avond om tien uur moesten melden bij de woning van de schout. Daarmee werd het huis Dever bedoeld, dat tussen 1763 en 1771 werd bewoond door de Lissese schout Willem Jacobus Sennepart.

Het is niet bekend waarom het dorpsbestuur van Lisse besloot tot het instellen van deze buitengewone stille nachtwacht. Het lijkt te gaan om een verhoogde staat van paraatheid, maar van reële oorlogsdreiging was op dit moment geen sprake. Misschien was de criminaliteit sterk toegenomen, en probeerde het dorpsbestuur dat op deze manier weer in te dammen. In ieder geval lijkt er in deze tijd in de directe omgeving van Lisse wel wat aan de hand te zijn geweest. Al op 18 januari 1765 had de baljuw namelijk een brief geschreven aan Pieter van Ommen en Johannes Oldenzeel, welgeboren mannen van Lisse, met het verzoek om zes man uit Lisse 24 uur lang paraat te houden. Zij moesten de baljuw helpen door ’s nachts te patrouilleren “door het afgeleegentste van Lisse” en overdag de wegen in Lisse te bezetten. Daarbij dienden zij alle personen te arresteren “die haar suspect zullen voorkomen”.
wordt vervolgd

Noten
[1] J.B. Glasbergen, 1000 Jaar Rijnsburg (Leiden z.j.) 72.
[2] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 31 (ongefolieerd).
[3] A.M. Hulkenberg, Het Huis Dever te Lisse (Zaltbommel 1966) 239.
[4] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 38, rekening uit 1727, fol. 13.
[5] Ibidem, inv. nr. 36, rekening uit 1705, fol. 14.
[6] Ibidem, inv. nr. 4, fol. 159v en 160.
[7] Ibidem, inv. nr. 252.

Voorbeeld van een houten klep

 

Eerste blad van de lijst met namen van de leden van de stille nachtwacht in het jaar 1746 (waarvan destijds een kopie werd opgehangen in het wachthuis).