Berichten

VAN VER GEKOMEN: Dietmar Müller kwam van achter het IJzeren Gordijn (deel 2)

Ditmar Müller van foto Engel vertelt zijn levensverhaal. Hij is in 1938 geboren in Hilbersdorf in Oost-Duitsland. Hij vluchtte op 18 jarige leeftijd naar het westen.

Door Ria Grimbergen en Annette Heus

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 2 juli 2019

De heer Müller ontving ons hartelijk in zijn mooie appartement boven Fotovak Engel. Vanuit zijn huiskamer overzien we het Vierkant. Dietmar Müller zal ons met zijn charmante Duitse accent zijn levensverhaal verder vertellen.

Hier waren we gebleven

Na twee dagen in een doorgangskamp in Giessen in Noord- Duitsland voor een gezondheidscheck, fietste hij naar Osthofen onder Mainz. Een dag later al had hij een baan als machinebankwerker bij Erdal, de schoensmeerfabrikant die de blikjes schoenpoets aan de man bracht met een gekroonde kikker op het dekseltje.cDe nachten bracht hij door in een katholiek Jugendheim, geleid door nonnen. Zestig jongens – Oost-Duitsers, Polen, Russen – sliepen in driehoge stapelbedden. De nonnen maakten de lunchpakketjes klaar, waar de jongens overigens wél voor betaalden, evenals voor het onderdak. Dietmar Müller: “Op een dag ging ik naar buiten met mijn lunchpakketje en daar lag een non op de grond, met haar gezicht naar beneden, met een mes in haar rug, dat mes stak er nog uit, allemaal bloed. Dat vergeet je je hele leven niet. Ze heeft misschien iets tegen een van die jongens gezegd.” De dader werd niet gevonden. Dietmar wilde nu weg uit het Jugendheim. De sfeer was dreigend. De Russische jongens sliepen met pistolen onder hun kussens.

Rüdesheim en Rüsselsheim.
Zijn werk beviel hem niet en hij verdiende te weinig naar zijn zin. Via een krantenadvertentie kreeg hij werk in Rüsselsheim. Als machinebankwerker kon hij aan de slag bij een bedrijf dat ontluchtingssystemen plaatste in de hallen van de Opel-fabriek.Hij liep door Rüsselsheim, een baan had hij, maar nog geen slaapplek. Bij een willekeurig huis belde hij aan met de vraag of de bewoners kamers verhuurden. Daar kreeg hij het adres van een vriendin des huizes. “Zij kwam uit mijn geboortestreek, had medelijden met mij en gaf mij onderdak. Daar heb ik een paar jaar gewoond, ook nog met mijn vrouw en mijn zoon Paul”. De ontluchtingssystemenfabrikant verplaatste zijn activiteiten vervolgens van Rüsselsheim naar Rüdesheim op het terrein van Asbach Uralt, de wijndistillateur. Hier zou hij nog een aantal jaren blijven werken. Hij bleef wonen in het veertig kilometer verderop gelegen Rüsselsheim.

Bloemendaal
Een bevriende collega, een Duitser uit Erfurt, vroeg hem in 1960 of hij met hun beider vriendinnen mee wilde naar Bloemendaal, naar zijn jarige zus. In twee aparte wagens reisden de paartjes naar de Hollandse kust, de jonge machinebankwerker in een Karmann Ghia, een blitse sportwagen uit de Volkswagenfabriek. In de kamer vol visite flirtte hij met een leuk meisje, een vriendin van de zus van zijn collega. Zijn Duitse vriendin, een bakkersdochter, was daarover zo boos, dat zij de volgende dag zonder een woord te zeggen uit nijd een brandende sigaret op zijn arm uitdrukte. Daarop kon zij haar spullen pakken en reed hij terug naar Rüsselsheim – de stemming in de auto beneden vriespunt – en nadat hij haar bij de bakkerij had afgezet, keerde hij direct om richting Bloemendaal, naar Villa Mignon aan de Duinlustparkweg, naar de familie Engel en vooral naar de aantrekkelijke dochter Cocke.

Dietmar trouwt met een Engel

Dieter Müller en Cocke Engel

Het gezin Engel, vader en moeder Engel, twee zoons en twee dochters, woonde in een van die mooie, grote Bloemendaalse villa’s. De heer Müller laat een foto zien van een kleine Cocke Engel en haar moeder in een besneeuwde tuin voor Villa Mignon. Vader Simon Engel was fotograaf. In 1929 opende hij fotohuis “De Camera’” aan de Spaarnwouderstraat in Haarlem. Later volgden zaken aan de Kleverparkweg, Anegang en Cronjéstraat in Haarlem, en in Santpoort- Zuid, Heemstede en Baarn. Na een verloving van een jaar trouwden Cocke Engel en Dietmar Müller in 1962 in Bloemendaal. Twee dagen later vertrokken ze naar Rüsselsheim. Ze woonden op Dietmars zolderkamer, die inmiddels was verbouwd. Zoon Paul, de man die nu Fotovak Engel runt, werd hier in 1963 geboren. Mevrouw Müller had heimwee naar haar familie en ging met haar zoontje weer bij haar ouders in Bloemendaal wonen. Haar man bleef in Duitsland en bezocht haar elk weekend. In maart 1964 werd zoon Frank geboren. Zijn schoonvader belde hem op zijn werk in Duitsland dat hij er een zoon bij had. Aan deze ongewenste situatie – zijn vrouw en kinderen in Nederland, hij in Duitsland – kwam een einde toen hij van een relatie vernam dat een Duitse firma bij de Hoogovens in IJmuiden plaats had voor een machinebankwerker. Het bedrijf maakte reusachtige walsen, zo groot als een huis, voor de Hoogovens. Müller trok in bij zijn schoonouders in Bloemendaal. Hij werkte in een vierploegendienst en had nu tijd om Nederlands en Engels te leren.

Fotovak Engel
We komen te spreken over de reacties van Nederlanders op zijn Duitserschap. In de jaren zestig sluimerden in Nederland anti-Duitse sentimenten, die bijvoorbeeld bij het huwelijk van Claus en Beatrix in 1966 sterk de kop opstaken.
Voor zijn schoonfamilie was zijn Duitse afkomst geen probleem. Zij begrepen hem, maar zijn schoonvader werd er door familie wel op aangesproken. “Siem, hoe kun je een Duitser in huis halen”, luidde het dan. Dat wij in Lisse een Fotovak Engel hebben in plaats van een Fotovak Müller, heeft te maken met de weerstand die een Duitse naam begin jaren zeventig nog op zou roepen. Inmiddels woonde het gezin boven een klein filiaal van Fotovak Engel in Santpoort-Zuid. Bij de schoonfamilie draaide alles om fotografie. Müller werd meegenomen in hun enthousiasme en haalde in de jaren zestig zijn vakdiploma’s fotohandel en fotografie. Daarnaast volgde hij uit interesse een avondopleiding aan de Zeevaartschool. Hiervan heeft hij later veel plezier gehad en samen met zijnvrouw heeft hij met een eigen schip veel gevaren op de Duitse rivieren.

Op het Vierkant

In 1970 hoorde zijn schoonvader van een vertegenwoordiger dat op het Vierkant in Lisse de zaak van Foto Koning te koop was en het echtpaar Müller waagde de stap naar Lisse. “De beginperiode was erg zwaar. Ik moest toch het vertrouwen van de bevolking zien te krijgen. Er hingen gordijnen voor de ramen, want in het weekend deed de heer Koning alles dicht voor de gereformeerde klanten. De gordijnen verdwenen en de etalage was dus ook in het weekend te bekijken. Daar was niet iedereen even blij mee. De gereformeerde klanten vertrokken massaal naar Foto Mieloo. Er was zware concurrentie!”
Ondanks de concurrentie deed Müller goede zaken in Lisse. In 1970 kreeg hij een perskaart en was hij een paar jaar persfotograaf voor het Witte Weekblad. Lucratief waren de vijf zaken die Fotovak Engel acht jaar lang in Keukenhof
exploiteerde. In samenwerking met Henk Koster, de toenmalige directeur en tuinarchitect van Keukenhof, maakte Müller een film van Keukenhof in vele talen, waarvan er duizenden werden verkocht. Films van het jaarlijkse Corso vonden hun weg naar Frankrijk en Duitsland. Na de introductie van de euro stopte hij met de Keukenhof-zaken. Door de vele aanpassingen die daarvoor gedaan moesten worden, was dat niet meer haalbaar. Veel heeft Müller gefotografeerd voor de gemeente Lisse. Voor bekende Lissese bedrijven als Sierex, Hobaho en CNB maakte hij bedrijfsreportages.

Ramkraak
Fotovak Engel kreeg drie keer te maken met een overval. De schokkendste ervaring was een ramkraak in de vroege ochtend van 10 december 1990. Een bestelbusje ramde de pui en de inbrekers sloegen de vitrines kapot. In een vluchtauto verdwenen ze met een buit van 60.000 gulden aan camera’s. De winkel was een ravage en dat net voor de start van de kerstverkopen. Een zware tegenslag in het persoonlijke vlak in 2009. Samen met haar bouwde hij de zaak uit tot een
bloeiende onderneming.

Dietmar Müller heeft Lisse in een halve eeuw zien veranderen. De landelijke Poelpolder werd volgebouwd. Het kleine dorp werd een grote gemeente die met winkelcentrum Blokhuis een streekfunctie kreeg. De Oost-Duitse tiener die tijdens de Koude Oorlog een tante in West-Berlijn bezocht, in ongenade viel bij de machthebbers en een onmenselijk systeem ontvluchtte, bouwde energiek een nieuw leven op aan het karakteristieke Vierkant. Daar woont hij nog steeds
met veel plezier boven de zaak waar zoveel Lissers zijn lens inkeken. ■

VAN VER GEKOMEN: Dietmar Müller van achter het IJzeren gordijn (deel 1)

Dietmar Müller van foto Engel vertelt zijn levensverhaal. Hij is in 1938 geboren in Hilbersdorf in Oost-Duitsland. Hij vluchtte op 18 jarige leeftijd naar het westen.

Door Ria Grimbergen en Annette Heus

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 1 januari 2019

In de serie VAN VER GEKOMEN voeren we dit keer een gesprek met een man die jarenlang het gezicht was van een bekende fotohandel in Lisse. Een van de winkels op het Vierkant die klanten uit de wijde omgeving trekt. De heer Müller ontvangt ons hartelijk in zijn mooie appartement boven Fotovak Engel. Vanuit zijn huiskamer overzien we via vijf grote ramen, aangebracht over de breedte van het pand, het Vierkant. Voorwaar het mooiste uitzicht dat je je bedenken kunt. En, zo verzekert hij, een belevenis om van hieruit het corso te bekijken. Voor de plaats van het interview kiezen we voor de ronde tafel in de gezellige keuken. Dietmar Müller zal ons met zijn charmante Duitse accent zijn levensverhaal vertellen.

Dietmar Georg Müller werd geboren op 7 juli 1938 in Hilbersdorf, een voorstadje van Chemnitz in het oosten van Duitsland, aan de voet van het Ertsgebergte. In een gezin met drie jongens was hij de middelste. De familie woonde op de tweede verdieping van een driehoge flat. Twee jaar voor de geboorte van Dietmar had vader Paul meegedaan op het onderdeel tienkamp tijdens de fameuze Olympische Spelen in Berlijn, overschaduwd door het nationaalsocialisme. Speerwerpen was het onderdeel waarop hij uitblonk. De heer Müller laat een beeldje zien van een speerwerper dat zijn vader kreeg uitgereikt: “Veel dingen zijn in de oorlog verloren gegaan, deze trofee heb ik nog”. Moeder zorgde thuis voor de kinderen en vader werkte bij de spoorwegen. Hij maakte brandkasten met speciale vergrendelingen, enorme kasten waren dat. Vader was niet veel thuis. Hij werkte als vrijwilliger bij een sportschool als instructeur van een groep van rond de 25 jonge meisjes die gymden met een nieuw apparaat: een Rhönrad. Een groot rad met dubbele hoepels waarin je met gespreide armen en benen alle kanten kunt opdraaien en kunstjes kunt uitvoeren. Een ware hype en een spectaculair gezicht. De meisjes demonstreerden hun kunnen tijdens bedrijfsfeestjes en voor de aanvang van voetbalwedstrijden. En moeder mocht na de voorstelling de kleding van de jongedames wassen. Het gezin was evangelisch-luthers, de kinderen werden gedoopt, de christelijke feestdagen gevierd. Een doorsnee Duitse familie, die geen gebrek kende, totdat het noodlot toesloeg.

Noodlot

Het gezin Müller vlak voor der dood van vader

Chemnitz was en is een belangrijk knooppunt in het Duitse spoorwegnet en Dietmars vader was als instructeur werkzaam bij de spoorwegen bij het RAW, Reichsausbesseringswerk. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zwoegden hier vooral Franse krijgsgevangenen uit het “Arbeitslager” ‘Stammlager IV F’, een kamp vlakbij de werkplek van vader Müller. De resten uit de ketels van de bedrijfsgaarkeuken werden tussen de rails van de spoorbaan gedumpt, waar hongerende Fransen wat eetbaar was van de grond schraapten. Paul Müller kon deze mensonterende toestanden niet aanzien. “En wat deed mijn vader. Hij gaf ze een grote pot en zei, hier, eten jullie hier maar uit”. Deze humane daad kostte hem het leven. “Iemand heeft het gezien en hij werd direct naar het front gestuurd in de laatste week van de oorlog. Voor straf stuurden ze hem naar het OderNeisse-front ten oosten van Berlijn. Mijn vader kreeg geen militaire opleiding. Hij sneuvelde al na een week.” Twee dagen voor zijn vertrek werd een foto van het gezin gemaakt, een soldaat, zijn vrouw, twee opgroeiende jongens, een kleine in een kinderwagen…

Kinderjaren

Dietmar Müller als kind

Op moeder Gertrude rustte de zware taak de kost voor haar en haar drie jongens te verdienen. Ook zij ging werken bij de spoorwegen. De Russen bezetten na afloop van de Tweede Wereldoorlog het oosten van Duitsland. In de ogen van de communisten was zij de weduwe van een “Kriegsverbrecher” en had zij geen recht op ondersteuning. “Mijn grootmoeder ving mij op, mijn oudste broer zorgde voor mijn kleine broertje”. Chemnitz lag inmiddels niet meer in Duitsland, maar in de DDR, de Deutsche Demokratische Republik, de communistische vazalstaat van de Sovjet-Unie, waar de kinderen op school Russisch leerden. De stad zelf werd in 1953 omgedoopt tot Karl-Marx-Stadt, vernoemd naar de grondlegger van het communisme.

De jonge Dietmar Müller ging naar de Grundschule in een nabijgelegen plaats. In de wintermaanden bond hij de skis onder en met zijn rugzakje om skiede hij naar school. Zijn leven lang heeft hij de skisport beoefend, tot twee jaar geleden knieproblemen dat verhinderden. Na de lagere school ging hij naar de Berufsschule voor een theoretisch-praktische opleiding voor machinebankwerker.

Weltfestspielen der Jugend

In 1951 werden in Oost-Berlijn de Weltfestspielen der Jugend gehouden. Doel van de massabijeenkomst van veertien dagen was onderling begrip te kweken tussen jongeren van alle volkeren en zo de wereldvrede te bevorderen. Een ideale propagandagelegenheid voor de piepjonge DDR om internationaal indruk te maken. 26.000 deelnemers uit 104 landen verbleven in tentenkampen en namen deel aan discussies, massale parades, muziek- en dansdemonstraties. De jongeren werden met goederenwagons naar Berlijn getransporteerd. Dietmar Müller was een van hen. Dietmar werd ondergebracht in een tentenkamp aan de Müggelsee, een Berlijns binnenmeer. “Ik had een tante wonen in Charlottenburg, in de Britse sector van Berlijn. Ik wou mijn tante in het Westen bezoeken en ben stiekem met de U-Bahn naar Charlottenburg gegaan. ’s Avonds kwam ik terug in het tentenkamp en iemand had mij gezien. Toen moest ik mijn rugzak inpakken en terug naar Karl-Marx-Stadt. Ik mocht daar niet meer blijven. Ik leerde het vak van machinebankwerker bij een bedrijf met 2500 mensen in dienst. Die werden bijeengeroepen voor een ‘Betriebsversammlung’ speciaal voor mij, omdat ik naar West-Duitsland was gegaan op kosten van de Oost-Duitse staat. Ik was fout geweest. Ik zat op een stoeltje op het podium. En toen trokken ze van leer. Ik moest alles terugbetalen. De reis in de goederenwagon naar Berlijn, de reis terug. Dat geld had ik niet. Dus moest ik de gevangenis in voor drie dagen. Ik was bijna klaar met mijn opleiding, die liep nu een half jaar vertraging op.” Na deze traumatische gebeurtenissen trad Dietmar vervolgens als machinebankwerker in dienst van het laatste bedrijf in Karl-Marx-Stadt dat niet onteigend was. Ook zijn oudere broer werkte daar. Tijdens de lunchpauze sprak hij wel met een jonge collega, een jehova’s getuige. “Zeugen Jehovas” werden vervolgd in de communistische heilstaat en de jongen wilde naar het vrije Westen. Na zijn ervaringen met het DDR-systeem wilde ook Dietmar graag weg en hij vroeg of hij mee mocht.

Gevlucht

Dietmar Müller op de fiets

De tweede dag na zijn 18de verjaardag gingen ze samen op de fiets door heuvelachtig land naar het Oost-Duitse grensstadje Plauen, in het Vogtland. In de rugzak een korte en een lange broek en twee of drie hemdjes. Bij Plauen werden ze opgevangen door hulpjes van de jehova’s. Via sluiproutes werden ze midden in de nacht naar de grensgovergang gegidst. Een gevaarlijke tocht, het gebied lag vol mijnen. Over de grens namen de twee jongens
afscheid en Dietmar meldde zich bij de politie in het plaatsje Hof in West-Duitsland, waar hij vouchers kreeg voor voedsel en overnachtingen in jeugdherbergen. Hij fietste alleen verder, naar Frankfurt am Main – 500 kilometer – en meldde zich ook daar bij de politie, werd verhoord en naar een luxe hotel in Bad Nauheim gebracht. Daar werd hij een week lang verhoord door de bezettende machten van West-Duitsland: de Fransen, Canadezen, Amerikanen en Engelsen. “In het voorstadje van Karl-MarxStadt waar ik woonde, was een Russische kazerne. De Amerikanen projecteerden een kaart op de muur en wezen aan, dáár is uw huis, en dáár is de kazerne. Ze wisten dat ik elke ochtend met de tram naar mijn werk was gegaan. Op een dag was op een kruispunt een Russische vrachtwagen omgekieperd, de straat lag vol munitie. Ik moest beschrijven wat ik allemaal gezien had.” Na twee dagen in een doorgangskamp in Giessen in Noord-Duitsland voor een gezondheidscheck, fietste hij naar Osthofen onder Mainz. Een dag later al had hij een baan als machinebankwerker bij Erdal, de schoensmeerfabrikant die de blikjes schoenpoets aan de man bracht met een gekroonde kikker op het dekseltje. ►

volgend nummer deel 2

Gevolgen van de Eerste Wereldoorlog in Lisse



Ongeveer vijfhonderd Belgische vluchtelingen werden tussen oktober 2014 en januari 2015 ni Lisse opgevangen.

Sporen van vroeger (LisserNieuws)

29 januari 2019

door Nico Groen

In november 1918 werd eindelijk de vrede getekend van de Eerste Wereldoorlog.  Hoewel Nederland neutraal was, had deze oorlog heel veel gevolgen voor Nederland. Wat heeft Lisse van deze oorlog gemerkt? Zoals bekend was er in die tijd veel armoede. Dus ook in Lisse, vooral omdat de bloembollen toen niets waard waren. De werkgroep Genealogie en

Historie van de Cultuur-Historische Vereniging Oud Lisse vroeg zich af welke gevolgen er nog meer waren voor de Lissese gemeenschap. Zij heeft het archiefmateriaal uit het gemeentearchief bestudeerd. Het bleek dat Lisse enige tijd veel Belgische vluchtelingen heeft opgenomen.

Vijfhonderd vluchtelingen in Lisse

Ongeveer vijfhonderd Belgische burgervluchtelingen werden tussen begin oktober 1914 en half januari 1915 in Lisse opgevangen. De Duitse legers waren op 4 augustus 1914 België binnengevallen met het plan om Frankrijk te veroveren. Daarmee begint in dit deel van Europa de Eerste Wereldoorlog. Als gevolg van de inval zoeken Belgische burgervluchtelingen massaal een veilig heenkomen in zuidelijk Nederland. Voor hun opvang wordt ook al snel een dringend beroep gedaan op andere noordelijke gemeentes. Dus ook op de gemeente Lisse. Op zaterdagavond 10 oktober 1914 staan bijna vijfhonderd mannen, vrouwen, opgeschoten jongens, schoolmeisjes en een heleboel kleine kinderen op het winderige station van Lisse. De Lisser dagbladcorrespondent Arie Raaphorst beschrijft de betreurenswaardige aanblik van de stoet Belgische vluchtelingen die Lisse binnenkomt onder andere met: ”…want behalve wat zij aan het lijf hadden, waren ze van alles beroofd. Alles hadden zij achter moeten laten. Slechts een paar dieren zijn meegekomen, zoals een poesje, drie konijntjes in een kistje, een klein smoushondje in de armen van een van de jongetjes”.

Het Steuncomité Lisse draait op dat moment overuren. De eerste noodopvang is vooral in de katholieke jongensschool aan de Heereweg, maar al binnen enkele dagen worden de meeste vluchtelingen ondergebracht bij Lissers thuis. Zij die gastvrijheid bieden, krijgen hiervoor een vergoeding toegezegd. De bewaard gebleven documenten geven een behoorlijk goed beeld van die tijd.

Kort na de val van Antwerpen worden de burgervluchtelingen door hun stadsbestuur opgeroepen weer terug te keren. Daar zou het inmiddels veilig genoeg zijn. De vluchtelingen  willen graag naar huis, maar durven eigenlijk nog niet. Toch keren eind oktober 1914 al achtentwintig vluchtelingen vanuit Lisse naar Antwerpen terug.

Der overheid stimuleerde  opvang in goedkopere centra in plaats van bij particulieren. Daarom werden de overgebleven vluchtelingen uit Lisse naar Gouda overgebracht. Zij vertrokken op zaterdagmiddag 9 januari 1915 per trein vanaf het station van Lisse. Voor ‘vrijen overtocht’ en ‘overbrenging hunner goederen naar het station’ werd gezorgd. Daarmee kwam er een einde aan een korte maar turbulente periode.

Bovenstaande is ontleend aan een uitvoerig artikel van Laura Bemelman in het tijdschrift voor familiegeschiedenis Gen. Magazine, nummer 4 van december 2014. Dit artikel staat ook op de website van de VOL, te bekijken met de volgende link https://oudlisse.nl/historie/7658/ .

De enige foto die herinnert aan het verblijf van de Belgen in Lisse: vluchtelingen op de trap van het Gemeentehuis. Part. Coll Het is voor zover bekend de enig bewaard gebleven beeldherinnering aan de vluchtelingen die tijdelijk in het dorp hebben gewoond.

De opvang van Belgische vluchtelingen in Lisse

Dit jaar is het honderd jaar geleden dan de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Ook in Lisse waren Belgische burgervluchtelingen. Het wel en wee van hen wordt besproken.

Door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 1, januari 2015

De Grote Oorlog in een Hollands dorp

Grote gebeurtenissen leveren veel gespreksstof op. Zo zal het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en de opvang van de grote stroom Belgische vluchtelingen iets zijn geweest waarover indertijd werd gepraat. Ook het Zuid-Hollandse dorp Lisse kreeg op deze manier met de Grote Oorlog te maken.

Dit jaar is het honderd jaar geleden dan de Eerste Wereldoorlog uitbrak. In de aanloop naar de herdenking daarvan zijn in veel archieven documenten boven water gekomen over de opvang van Belgische burgervluchtelingen in Nederland. Dat gebeurde ook in Lisse, waar tussen begin oktober 1914 en half januari 1915 honderden vluchtelingen een veilig heenkomen zochten.

Aankomst
De kranten stonden in 1914 bol van de berichten over de oorlog in Begië en over de stroom vluchtelingen naar het zuiden van ons land. In Lisse werden net als elders in het land collectes gehouden en kleding, dekens en levensmiddelen ingezameld en opgestuurd. Sommige Lissers maakten forse bedragen over. Zo doneerde Jan Maurits Dideric graaf van Lynden, bewoner van Huize Wildlust, tijdens een van deze inzamelingsrondes maar liefst honderd gulden aan het Nationaal Steuncomité. In verband met de opvang werd er al snel een dringend beroep gedaan op gemeenten in het noorden van Nederland. Die boden ruimhartig hulp aan en overal werden plaatselijke steuncomités opgericht. Ook in Lisse.
Op zaterdagavond 10 oktober arriveerde een grote groep van vierhonderd vluchtelingen vanuit Rotterdam in Lisse. Waarschijnlijk hielden nieuwgierige Lissers hun komst goed in de gaten. Die middag was het al topdrukte aan het Maasstation van Rotterdam. ‘Daar kwamen de groote vrachtauto’s, alle onder politiegeleide aandaveren, steeds maar meer vluchtelingen aanbrengend’, aldus het Rotterdamsch Nieuwsblad. Vanuit Rotterdam werden ze verspreid over tal van plaatsen. Voordat ze in de trein stapten, werden de vluchtelingen door ‘brigade van stationsdames’ voorzien van fruit, belegde boterhammen en melk. Om een uur of tien kwamen de Belgen aan op het station van Lisse.
Het zal een heftige ervaring zijn geweest voor de vluchtelingen: daar stonden ze dan op een winderig station bij een onbekend dorpje ergens in Nederland, samen met een paar honderd lotgenoten. In paniek vertrokken uit het dierbare maar zwaar getroffen Antwerpen, gevlucht over de pontonbrug over de Schelde die achter hen werd opgeblazen om de Duitse soldaten tegen te houden.
De Lisserse dagbladcorrespondent Arie Raaphorst beschreef de betreurenwaardige aanblik van de stoet Belgische vluchtelingen die Lisse binnenkwam. ‘Want behalve wat zij aan het lijf hadden, waren ze van alles beroofd. Alles hadden zij achter moeten laten.’

Gevluchte Belgische kinderen krijgen te eten en drinken bij hun aankomst op het station van Roosendaal in oktober 1914. Prentbriefkaart van de Gebr. van Wely. Coll. Gemeentearchief Roosendaal

Wel waren er wat dieren mee gekomen, zoals een hond, een kanarie, een poesje. Een van de jongens had een kistje met drie konijntjes bij zich en een andere jongen hield een klein smoushondje in zijn armen. Het plaatselijke steuncomité draaide op dat moment al overuren. Kopstukken in het Lisserse comité waren huisarts Dirk Blok (voorzitter), de katholieke hoofdonderwijzer Frederik Dankelman (secretaris) en notaris Johannes Tuijmelaar (penningmeester). Het was een Gemêleerd gezelschap van zowel katholieken als protestanten. Dat was in die tijd geen vanzelfsprekendheid. Tijdens de oprichting van het comité had pastoor Klekamp nog voor tumult gezorgd door te verklaren dan alleen katholieken zitting mochten nemen – dit omdat de vluchtelingen ook katholiek waren.
Kort voor de grote groep waren al Antwerpse familieleden van banketbakkeer Weber in Lisse aangekomen. Deels werden zij door de bakker zelf opgevangen, de rest – het ging om een groot gezin – kreeg onderdak in een leegstaand huis ernaast. Het betrof Petrus Johannes Goossens, zijn vrouw en zeven jonge kinderen. In het veilige Lisse werd op 21 oktober hun zoon en broertje Theodore geboren en geregistreerd bij de burgerlijke stand. Van alle anderen vluchtelingen die op 10 oktober binnenkwamen, werden slechts wat kaartjes en lijsten gemaakt met enkele gegevens en summiere notities over hun korte verblijf in Lisse.
Er is wel een foto bewaard gebleven. ‘Uitgeweken Belgen te Lisse Oct. 1914’ staat er in witte inkt op geschreven. Op de foto zijn 32 mensen te zien die poseren op de oude brede trap van het gemeentehuis: enkele kindeeren, parmantig of wat verlegen, twee hele kleine kindjes op de arm, jongvolwassenen, ouderen, mannen, vrouwen.

De enige foto die herinnert aan het verblijf van de Belgen in Lisse: vluchtelingen op de trap van het Gemeentehuis. Part. Coll Het is voor zover bekend de enig bewaard gebleven beeldherinnering aan de vluchtelingen die tijdelijk in het dorp hebben gewoond.

De eerste noodopvang was in de katholieke jongensschool aan de Heereweg, maar al binnen enkele dagen werden de meeste vluchtelingen ondergebracht bij Lissers thuis. Degenen die gastvrijheid boden, kregen hiervoor een vergoeding toegezegd. Dokter Blok en onderwijzer Dankelman van het steuncomité stuurden elkaar korte berichtjes om de opvang goed op de rails te krijgen. De bewaard gebleven documenten geven een aardig beeld van wat hen in deze dagen bezighield.
Veel van de correspondentie heeft te maken met financiën, zoals de aanschaf van kleding en schoenen, de cokes voor de verwarming van het gebouw van de Volksbond of de kosten van het eten. De Christelijke School stond voor onverwacht hoge kosten omdat het beschikbaar gestelde lokaal nu ook op zondag en ’s nachts moest worden verlicht en verwarmd. Voor de opvang van het Witte Huis, een gebouw dat helaas niet kan worden geïdentificeerd, was met regelmaat ‘versch voor de menschen’ nodig. En half december schreef Piet Warmerdam, een van de Lissers die Belgen in zijn huis opnam, dat hij nog niets had vernomen over de uitbetaling van de vergoeding. Hij had niet alleen vluchtelingen gehuisvest en gevoed, maar zelfs schoenen voor hen betaald. De vergoeding kwam hem toe, liet hij aan het steuncominté weten. Hij leed geldgebrek en kon niet begrijpen waarom betaling uitbleef. Door de oorlog was het leven in Lisse duurder geworden. Daarnaast was er veel werkeloosheid. Het weinige dat er wél was, moest ineens met veel buitenlanders worden gedeeld.

In plaats van dankbaarheid te tonen voor de Lisserse opofferingen, maakten enkele vluchtelingen al kort na aankomst een hoop kabaal in een van de cafeetjes in het dorp. De burgemeester besloot daarop dat de cafés in Lisse vanaf negen uur ’s avonds dicht moesten. En al de volgende dag werden ruim veertig vluchtelingen, onder wie de grootste herrieschoppers, op de trein naar Hillegom gezet. Later mochten de cafés weer open, maar het bleef verboden vluchtelingen sterke dank te verstrekken. Er moest worden voorkomen dat zij ‘hun kostelijke centen gaan omzetten in alcoholica’. In de vaak chaotische vlucht waren veel vluchtelingen elkaar kwijtgeraakt. In dagbladen verschenen oproepen, in treinstations werden briefjes opgehangen en op muren en schuttingen schreven duizenden Belgen hun naam en tijdelijk woonadres in Nederland. De in Den Haag zetelende Centrale Commissie tot Behartiging van de belangen van naar Nederland uitgeweken vluchtelingen deed haar best om hierbij te helpen. In Lisserse archiefstukken zijn van al deze opsporingsacties diverse voorbeelden te vinden. Zo deed de Centrale Commissie in Lisse navraag naar Ferdinand Michaux, een 32-jarige schoenmaker, die daar met zijn vader en een broer verbleef. Vanuit Haarlem werd Jules van Dessel, die in zijn eentje in Lisse terecht was gekomen, door zijn moeder gezocht: ‘Laat jongen hier komen’, luidde het telegram. Uit Vlaardingen kwam een bericht dat Frans Wuyts zijn vrouw en drie jonge kinderen zocht. Er verbleven acht Wuytsen in Lisse, maar niet het gezin van genoemde Frans.

Doorreis en terugkeer
Kort na de val van Antwerpen werden de burgervluchtelingen door de autoriteiten weer opgeroepen om terug te keren. Het zou inmiddels veilig genoeg zijn. De oproep riep bij veel vluchtelingen vragen op: was hun huis er nog, maar durfden eigenlijk niet. Toch keerden eind oktober 1914 al 28 vluchtelingen vanuit Lisse naar Antwerpen terug.

De overheid stimuleerde de verhuizing naar vluchtoorden
Belgische mannen die konden en wilden werken, mochten zonder werkvergunning in Engeland aan de slag. Veel mannen waren het nietsdoen en afwachten beu en wilden graag vertrrekken. Toen dokter Blok een lijst met werkwillenden stuurde aan de British Government Commission for Transportation of Belgians to the United Kingdom, die in Nederland vanaf het adres Calandstraat 49 in Rotterdam opereerde, kreeg hij echter een teleurstellend bericht terug, omdat ‘ze mijn Hollandsche epistel niet gesnapt schijnen te hebben’. Uiteindelijke duurde het tot januari 1915 voordat vijftien Belgen uit Lisse vertrokken en via Hoek van Holland de oversteek maakten naar Engeland. Voor ‘slechte elementen’ was regeringskamp Veenhuizen bedoeld. In Lisse had men zoveel last van de familie Helsen, dat dokter Blok hen probeerde over te plaatsen. Eerst kwam daarvoor per telegram toestemming: de mensen konden worden ‘opgezonden’. Toen ging de overplaatsing toch niet door en werd van het steuncomité per brief een motivering verlangd. Dankelman plaatste op deze brief een notitie voor dokter Blok: ‘Ik weet er nu geen eind meer aan, ik wordt er wanhopig van’. Hij gaf aan hierover al zeker drie- tot viermaal gecorrespondeerd te hebben. Begin januari 1915 lijkt de familie Helsen dan toch naar Veenhuizen te zijn vertrokken.
Koningin Wilhelmina had in de troonrede van 1914 opgeroepen de vluchtelingen met open armen te onvangen. De opvang bij particulieren bleek echter erg kostbaar. Onderbrenging in een speciaal vluchtoord was goedkoper. De overheid stimuleerde de verhuizing naar vluchtoorden door simpelweg de geldkraan aan particulieren dicht te draaien. ‘Niemand hoefde zijn Belgische gasten weg te sturen als men dat niet wenste, maar de vergoeding van het Rijk zou niet meer verstrekt worden’, aldus de Lisserse dagbladcorrespondent Raaphorst.
Een deel van de in Lisse verblijvende vluchtelingen kwam zodoende in vluchtoord Gouda terecht. Zij vertrokken op zaterdagmiddag 9 januari 1915 per trein vanaf het station van Lisse. Voor ‘vrijen overtocht’ en ‘overbrenging hunner goederen naar het station’ werd gezorgd. Een week later vertrokken ook de laatste Belgische vluchtelingen uit Lisse. Het ging om de vijftien Belgische mannen die in Engeland wilde gaan werken. Daarmee kwam er een eind aan een korte maar turbulente periode.

Registratie
De plaatsen en steuncomités die Belgische vluchtelingen opvingen, hielden daarvan een administratie bij. In tegenstelling tot diverse andere plaatsen werden de namen van de Belgische vluchtelingen in Lisse niet opgetekend in de plaatselijke bevolkingsregistratie. Er zijn in het gemeentearchief wel namenlijsten, brieven, notities en bijna vijfhonderd kaartjes van het lokale steuncomité bewaard gebleven. De registratie van de vluchtelingen en de mensen die onderdak gaven, is summier. Over doorreis en terugkeer zijn nauwelijks gegevens genoteerd. Krantenberichten geven weliswaar allerlei cijfers, maar de herkomst daarvan is onduidelijk en ze zijn ook moeilijk controleerbaar.

Uit het archiefmateriaal blijkt dat ongeveer een derde van de vluchtelingen bestond uit kinderen jonger dan vijftien jaar. De oudste vluchteling was een man van 78 jaar, de jongste de in Lisse geboren Theodore Goossens. De vluchtelingen kwamen hoofdzakelijk uit Antwerpen of directe omgeving en waren bijna allemaal katholiek. De mannen werkten vooral in de haven en als zeeman. Daarnaast verdienden ze hin brood as ambachtsman, arbeider en diamantslijper.
Met veel inspanning zijn ruim honderdtwintig particulieren achterhaald die onderdak verschaften. Naast enkele notabelen waren dat onder andere de weduwe van logement De Witte Zwaan, een veehouder, negen landbouwers en maar liefst veertig ‘bloemisten’ (bollenkwekers). Het ging in het laatste geval lang niet altijd om rijke kwekers met grote ‘bollenvila’s’: de echte bloei van de bloembollensector moest immers nog komen. Er zaten ook mensen met een modaal inkomen tussen die graag een steentje wilden bijdragen aan de opvang van de Belgische vluchtelingen.

Familiegeheugen
In de aanloop naar de herdenking van de Eerste Wereldoorlog heeft de Werkgroep Genealogie van de Historische Vereniging Oud Lisse oproepen met lijsten van vluchtelingen in kranten en op websites in zowel Nederland als België geplaatst, in de hoop dat zich afstammelingen zouden melden met verhalen en foto’s. Ondanks alle publiciteit en de medewerking van Familiekunde Vlaanderen (Regio Antwerpen) kwamen er geen verhalen of foto’s boven water. Misschien is het te lang geleden, die ‘Grote Oorlog’, of verbleven de vluchtelingen te kort in Lisse om een blijvende indruk achter te laten. Daarnaast kan het familiegeheugen zijn ‘overschreven’ door de veel sterker in de herinnering voortlevende Tweede Wereldoorlog. Dat laatste zorgde er mede voor dat de Belgische vluchtelingen zelfs uit het collectieve geheugen verdwenen in landen waar ze meerdere jaren werden opgevangen, zoals Engeland.
Wellicht dat dit artikel nog respons oplevert. Nu de namen van de in Lisse verblijvende Belgische vluchtelingen aan de vergetelheid zijn ontrukt, zijn er zowel in Nederland als Belgié in ieder geval mogelijkheden voor verder onderzoek. *

Zie nota bene@gen voor de Lisserse lijst met vluchtelingen en een overzicht van de verwantschapsrelaties tussen de Belgische familie Goossens en de Nederlandse familie Weber

Laura Bemelman is lid van de Werkgroep Genealogie van de Historische Vereniging Oud Lisse.

Copyright © Vereniging Oud Lisse

Lees ook het uitgebreide artikel van Laura Bemelman over de Belische vluchtelingen:

Belgische burgervluchtelingen – Lisse WOI (Laura)