Berichten

Wegen in Lisse al eeuwenoud

Sporen van vroeger  (LisseNieuws)                                                          

2 maart 2021

 door Nico Groen

In ieder geval waren de oude wegen in Lisse al voor 1615 bekend. Op een landkaart van Balthasar Florisz. uit dat jaar staan onderstaande wegen al aangegeven. Maar hoe oud zijn deze wegen of paden nu werkelijk? Dat is niet zo makkelijk aan te geven en is afhankelijk van archeologische vondsten of oude documenten.

Noord-zuid verbindingswegen

De Heereweg of Heer Weg is de doorgaande weg van Oegstgeest via Haarlem en Velsen naar Castricum en verder. Gezien de archeologische Romeinse vondsten bij Dever, is de Heereweg uit de Romeinse tijd. De vondsten in Veenenburg vlak bij de Heereweg suggereren dat de weg nog veel ouder is. In 1589 en 1591 kreeg Johan van Matenesse toestemming om in de buurt van Dever de Heereweg af te zanden en te verlagen.

De Achterweg, Buurwegh of Lijt Weg loopt van Lisse naar Valkenburg en ligt op een smalle strandwal. In 1560 is de Achterweg afgezand en verlaagd vanaf de Vennesloot tot de Essenlaan. Buurtschap Daerrode aan de Achterweg bestond al in 1284.

De Loosterwegen of Lijtwegen lopen van voorbij Bennebroek via de Jacoba van Beierenweg en  de Herenweg in Voorhout naar Rijnsburg. In Voorhout, achter de huidige Rijnsburgerweg nr. 8, is een grote archeologische vondst gedaan van bronzen bijlen en beitels (Bronsdepot) uit de Bronstijd. De Loosterwegen zouden dus wel eens duizenden jaren oud kunnen zijn.

De oost-west lanen

In 1285 wordt Akervoorderlaan of Akervoort geschreven als Agghenvort. In 1551 is de weg afgezand en verlaagd. Waarschijnlijk betekende Agghenvort ‘Doorwaadbare weg door het water’. Er liepen hier diverse beken van noord naar zuid.

De Essenlaan heette vroeger de Tijnenlaan. Hiervandaan liep de Catharijnelaan of Trijnen Laen naar de 2e Poellaan. De eigenaar van Wassergeest had grond aan de zuidkant van deze weg gekocht. Om de tuinen uit te breiden, is de weg daarom naar het zuiden verlegd.

De Spekkelaan of Specken Laen liep van de Achterweg rechtdoor naar de Loosterweg. Voor 1918 had de weg al zijn huidige traject. Specke betekende moeras. De natte strandvlakte tussen Keukenduin en Achterweg liep hier dus nog door vanuit het zuiden.

De Vuursteeglaan, Vuursteeg, Viersteeg of Vijversteeg is het verlengde van de Spekkelaan en loopt tot de Heereweg. In het verlengde hiervan liep een pad, nu Marconilaan genoemd, naar boerderij Zwanendrift met een grote vijver er voor.

Over de Stationsweg of Den Delff wordt al in 1409 geschreven door HHR Rijnland. Het gedeelte tot de Van Lyndenweg heeft Veender Wech geheten. Toen heette het verderop Den Delff en dit liep door tot de Ruigenhoek.

De Kanaalstraat, Breg Wech, (Brugweg) of Broekweg liep door tot de huidige Broekweg. Na de drooglegging van het Haarlemmermeer in 1852 noemde men het de Kanaalstraat en werd de weg verlengd tot de Ringvaart. Evenwijdig aan de weg lag een knuppelpad van vóór de jaartelling dat een paar meter diep in het veen lag en er is tevens een pijlpunt uit de IJzertijd gevonden.

 

Bovenstaande gegevens zijn ontleend aan de digitale Cultuurhistorische Atlas van de Bollenstreek, die momenteel voor Lisse herzien wordt.

 

 

Bronsdepot in Voorhout

 

De kaart uit 1615 van Balthasar Florisz. van Berckenrode in opdracht van Rijnland Kaart. HHR Rijnland

De kaart uit 1615 van Balthasar Florisz. van Berckenrode in opdracht van Rijnland Kaart. HHR Rijnland

Waar liggen de strandwallen en de strandvlakten?

Sporen van vroeger                                                            

16 februari 2021

 door Nico Groen

De meeste Lissers weten wel dat Lisse op een van de oude strandwallen ligt. Maar waar waren deze strandwallen in het verleden en waar waren de gebieden daar tussenin, die strandvlakten werden genoemd? Doordat veel strandwallen zijn afgezand, is er tegenwoordig geen verschil te zien tussen de strandwallen en strandvlakten, met uitzondering van het terrein Keukenhof en het gebied langs de Leidsevaart. De rest is allemaal bollenland geworden.

Strandwallen zijn van oorsprong zandbanken, die in de lengte van de kust zijn ontstaan. Door het smeltwater na de laatste ijstijd, zo’n 10.000 jaar geleden, steeg de zee. Langs de kusten ontstonden zandbanken. Vanaf de laatste ijstijd is de zeespiegel alleen maar gestegen. Daardoor werden de  zandbanken ofwel strandwallen of binnenduinen steeds hoger opgeworpen. Tussen de strandwallen liepen geulen, die onder invloed van eb en vloed stonden.

De Oude Rijn bij Rijnsburg kon door de hoge stand van de zee zijn water niet meer kwijt. Daardoor ontstonden in noordelijke en zuidelijke richting ook diverse geulen. De invloed van de noordelijke geulen waren tot Lisse merkbaar. Al deze geulen, die soms heel breed waren, worden strandvlakten genoemd.

De strandwallen in Lisse kunnen in twee delen worden gesplitst. Het noordelijke gebied loopt vanaf de Stationsweg noordwaarts. Tussen de Heereweg en de  Loosterweg Noord is het één grote brede strandwal. Dit in tegenstelling tot het zuidelijk deel.

De Heereweg, vanouds de wegverbinding tussen Haarlem en Oegstgeest, ligt op de oudste strandwal, waarop ook Hillegom, Lisse en Sassenheim liggen. De Heereweg ligt net op de oostelijke rand van de strandwal.

Vóór boerderij Wassergeest loopt nog steeds een sloot van noord naar zuid. Aan de zuidkant van De Engel loopt ook een sloot in zuidelijke richting. Deze twee stukken sloot behoorden vroeger tot één sloot, die liep van zo ongeveer in de buurt van de Vuursteeglaan tot de Beek bij de boerderij van Bergman. Deze sloot, die de Bansloot of Banzijp werd genoemd, waterde af op de Beek. Het hele gebied tussen deze Bansloot en de Heereweg behoorde tot de strandwal en werd Westgeest genoemd. Het gebied tussen de Bansloot en de Achterweg was een strandvlakte en werd  gedeeltelijk Liesbroek genoemd.

De Achterweg is een deel van de oude verbindingsweg tussen Lisse en Valkenburg. De Achterweg ligt op een strandwal die slechts tientallen meters breed is. Ten westen van de Achterweg kom je weer in een strandvlakte. Deze strandvlakte loopt door naar het westen tot boerderij De Phoenix en de houtwal richting Essenlaan.

Dan komt er weer een strandwal, die het Keukenduin werd genoemd. Die loopt vanaf de Van Lyndenweg, langs De Phoenix en genoemde houtwal tot de voorbij Voorhout. De westgrens van het Keukenduin wordt gevormd door de Loosterweg Zuid. Ten westen van de Loosterwegen ligt een strandvlakte: de Lage Venen.

 

Uitzicht op Lisse vanuit het noordwesten laat allemaal duinen zien.
Schilderij van A.J. Eijmer 1803

 

“TULPOMANIA” DE WINDHANDEL IN TULPEN EEN “GOUDEN TIJD”

In de 17e eeuw werden de meest waanzinnige prijzen voor tulpenbollen betaald. Het schilderij De Floaes Gecks-kap , dat op de hartpagina staat, wordt beschreven. Het beeld van de windhandel wordt op een fantastische manier weergeven. De windhandel wordt uitgebreid beschreven.

Door Arie in ‘t Veld

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 1 januari 2019

Nog even dan gaan de bloembollen in volle glorie bloeien. Daarna breekt de tijd aan dat de handel er flink op los gaat. Uiteraard om veel bollen te verkopen maar meer nog om daar zelf of de klant financieel beter van te worden. Er zijn ook nu nogal eens partijtjes die voor fikse prijzen van de hand gaan omdat de handelaar daar zeer beslist zijn zinnen op heeft gezet en dus voor een hoge prijs gaat. Niet goed voor de prijsstatistiek natuurlijk, maar wel goed voor de kweker van die bollen. Wordt die prijs ondanks alles redelijk goed in de gaten gehouden en worden voor de bloembollen wisselende prijzen betaald die veelal op een redelijk niveau liggen; er is een periode geweest waarin de meest uitzinnige bedragen voor een enkele bloembol op tafel werden gelegd.

Dat was in de 17e eeuw. De periode die de geschiedenis zou ingaan als de periode van de Windhandel in bloembollen, ofwel “Tulpomania”. Mensen die perse een bepaalde bol (eentje dus) wilden hebben boden daar hun gehele bezit voor. Soms gingen er zelfs complete grachtenhuizen van de hand, maar ook veestapels, inboedels en noem maar op. En dat alleen om die enkele bol in bezit te krijgen. Een ding dat goud waard was en voor een nog grotere opbrengst zou kunnen zorgen dan de aankoopwaarde. Handelsgeest ten top dus, maar in werkelijkheid was het pure hebzucht die met een doffe dreun de grond werd ingeboord toen er plotsklaps meer dan voldoende bollen te koop bleken en niemand
meer oog had voor een enkele bol die vele honderden guldens zou moeten kosten. Velen raakten
dan ook aan de bedelstaf en hadden inplaats van een gouden bollenhandeltje, helemaal niets meer (dan alleen die bol) waarop ze in financieel opzicht konden steunen. En de droeve constatering was weggelegd, in zeer korte tijd gemeen goed was geworden, want iedereen die bollen wilde hebben kon die tegen een redelijke prijs kopen…

De grote gekte breekt los

e Semper Augustus, de duurste tulp ooit, had een virusinfectie die de DNA expressie verandert.

En dat ging allemaal om de tulp, die aanvankelijk nog maar spaarzaam in Nederland voorhanden was. Door dat unieke ervan waren het dan ook alleen de allerrijksten, met klinkende namen en nog luider klinkende munten die dit product konden bemachtigen. Zoals Doctor Adriaen Pauw, Ridder, Heer
van Heemstede, Bennebroek, Nieuwerkerk enzovoorts, Pensionaris der Stadt Amsterdam,  Bewindhebber der Oostindische Compagnie,Presiderend raad en Rekenmeester der Domeinene enzovoorts, enzovoorts. Hij had zich ontfermd over onder andere de tulp Semper Augustus, die aanvankelijk in zijn schitterende tuin onder de rook van Haarlem bloeide, maar uiteindelijk verkocht voor vele duizenden guldens. En nog was hij bekocht, want de goede man ontdekte te laat dat hij van die ene bol enkele jonge bollen had kunnen verwachten die hem nog enkele duizenden guldens zouden hebben opgebracht. Voor tien van deze bollen werden in die tijd maar liefst twaalfduizend keiharde guldens neergeteld en enkele jaren later was de prijs zelfs opgelopen tot 1200 gulden per stuk en nog wat later werden er biedingen van tweeduizend en zelfs drieduizend gulden afgeslagen. In de (bollen)geschiedenisboeken staat het verhaal geschreven van de verkoop van een enkele tulpenbol van een langzaam groeiende soort. Deze bol werd verkocht voor twee vrachten tarwe, vier vrachten rogge, vier vette ossen, vijf varkens, twaalf schapen, twee okshoofden wijn, vier tonnen bier, twee tonnen boter, duizend pond kaas, een bed met toebehoren, een pak kleren en een zilveren beker en een schip waarin alles vervoerd zou kunnen worden. Het betrof dan ook een kostbaar product. Zo kostbaar dat het tegen goud werd afgewogen. Het bezit van een tulpenbol gaf de bezitter aanzien en dat was hem (als hij het geld in de knip had tenminste) heel wat waard. Menigeen deed in de jacht op grote winsten zijn bedrijf op slot, stuurde het personeel naar huis en toog met zijn geld naar plaatsen waar de floristen, de handelaars, bij elkaar kwamen. Als het allemaal een beetje wilde meezitten, kon je zomaar zestigduizend gulden per maand verdienen. Ook nu en in Euro’s verschrikkelijke bom duiten en dat was in de 17e eeuw nog vele malen meer. En ja hoor, daar ging er weer eentje van de hand. Vijf pons Gheele Kroonen voor 1875 Gulden en betaald met een pert met zijn cales ende honderdvijftich Gulden. Het liep uiteindelijk finaal uit de hand. Begin 1637 roken de floristen kennelijk onraad, want ze gingen ertoe over om de producten per veiling aan te bieden. Aanvankelijk was de prijs nog riant, maar spoedig zakte deze als een baksteen en binnen de kortste keren lag de handel in tulpen totaal in de goot. Met voor menigeen desastreuze gevolgen, want aan een bankroet viel niet meer te ontkomen.

Spotternij
En aan spotternij was natuurlijk geen gebrek. Zo ontstond er de “Saemenspraeck tussen Warmondt ende Gaergoedt” over de opkomst en ondergang van Flora. In 1637 verscheen de eerste druk van dit geestige werkje, in 1643 leverde de drukker opnieuw een serie af en in 1734 was dat nog een keer het geval op het moment dat eenzelfde soort windhandel in hyacinten de kop dreigde op te steken.
Crispijn van de Passe (1594-1670) maakte in 1636 een gravure die als titel kreeg “De Mallewagen”, het
falen der Bloemisten. In deze gravure zijn praktisch alle elementen uit de periode van de windhandel in
beeld gebracht. Het geheel bestaat uit een zeilwagen (zie rechtsboven en cover) die door de wind wordt voortgedreven. Op de wagen zit de bloemengodin Flora met in haar hand de tulpen Semper Augustus, Generaal Bol en Admirael van Hoorn. De drie mannen op de wagen dragen Flora’s zotskap en hebben de namen Leegwagen, Graegerick en Leckerbaerd. In hun gezelschap ziet men de twee dames Vergaeral en Ydel Hope, waarvan laatstgenoemde een vogel aan een draad in haar hand had, doch de vogel is gevlogen. En de kunstenaar liet aan duidelijkheid niets te wensen over, want hij graveerde erbij: “Ydel hope ontflogen”. De wagen waarop het gezelschap zich bevindt lijkt zwaar gesponsord te worden, doch de borden die aan de zijkanten zijn aangebracht bevatten de namen van een aantal herbergen waar de
Floristen hun bijeenkomsten hielden. Inclusief een vlag met drie tulpen en een aap die in de mast klimt en zijn behoefte laat schieten, daarmee klaarblijkelijk uiting gevend aan zijn mening over de bollenhandel. Achter de wagen lopen mannen en vrouwen die roepen ‘mee te willen vaeren’. Aan
hun voeten liggen allerlei weversgereedschappen, waaruit blijkt dat velen uit het weversgilde meer in de tulpenhandel zagen dan in de weverij en op de grond naast de wagen liggen tulpen die stuk voor stuk van een naam zijn voorzien. Op de hoeken van de prent is nog iets te zien van het interieur van de herbergen waarin zich de handel afspeelde en als onderschrift wordt meegegeven: “Als is geschiet een sotte daet, zoo wordt gesocht een wijsser raet”. En ook Piete  Nolpe kon er wat van. Die maakte een tekening van een enorme zotskap en zette daaronder een samenspraak tussen twee passanten. Het lezen van die samenspraak vergt de nodige concentratie, maar is desalniettemin alleen in de oude stijl het meest aansprekend. Floraes Gecks-Kap (zie hartpagina) of Afbeeldinge van ‘t wonderlijcke Iaer van 1637
doen d’eene Geck d’ander uytbroyde, de Luy Rijck zonder goet, en wijs zonder verstant waeren.

Aenden Nieus-gierigen

Lezer Onlangs met zekeren vrint tot Haarlem zynde vonden wy in ‘t voorbygaen
voor een Schilderswinckel een frommeltien volckx staen die aent uytwendighe gebaer het vrij drock mette praet schenen te hebben, twelck ons beweeghe uyt nieusgiericheyt (die de Amsterdammers gelyk aangeboren is) wat naeder bij te comen alwaer wy hoorden dat eenen die daar inde wandeling Fop Huysecooper hiet, tegen een ander Cryn Duyvenmelker genoempt hoogewoort voerden en de omstanders met wyze oogen en open monden staende hielt doort hobollige snackie datze over een schildery op den geckelyken handel van de Floristen gemaeckt samen hadden, welcke afbeeldinge als chlugtigen praat van deze twee ick de Liefhebbers als waardich om in eewige geheughenis te blyven hier voor oogen stellen en naer onthoudt soo wat dat Fop met deze woorden eerst begon: Fop Huysecooper “Wat is dit voor coddery? ay Cryn maet kyck een reys.” Crijn Duyvemelker: “Wel zie je dat niet Fop, ‘t is ee schilderij van de ryke Coopluy van ‘t Iaer 1637 doeder mier dysenden in een maent verhandelt wierden alser nu is zes iaeren ‘tAmsterdam opde beurs.” Fop: “Waer zittenze daer aen een taeffelken met een goutschaeltien en weegert? Crijn: “In een groote Geckskap maer alser al in souwen die aen die Coeuel gereet hebben ick mien daer vrij grooter als half Haarlem sou moeten wesen.” Fop:“Wel dits kluchtich zitmen nu met heele gezelschappen ineen Cap van outs plechtmense opt hooft op de mantel en heel cleyntjes opde Tabberts te draegen maer daer steeckt den vaendel uyt. ister kermis?” Crijn:”Neen of iaa. ‘t is ‘t uythangbort daer twee domme gehersenlooze malkaer stoten willen en zie je dat er onder slaet in de 2 zottebollen. ”Fop:“Iaak weerentich maer wie zit daer op een Ezel die van een deel fatsoenlyk volckje egieselt wort?” Crijn: “Dat is Flora zehier die Floristen eerst schier te kacken droegen en nu uyt
spyt om haer hoerachtige lichtvaerdigheyt van haer uytgeboent wort.” Fop: “Die daer zyn hooft staet en
klauwt wat is dat voor een?” Crijn:“Deen of dander Cales die Flora al mee op hoop ryk gemaeckt hadt en nu slecht staet en ziet dat zyn spullen in d’as leggen en zyn goetyen inde Lommert staet om opde  omparitje te comen en armen bloet nu weer aent wercken moet.” Fop: “Wel dats zo een beusenhandel nu hou ick noch mier Crijn altemiets in de Execusi te gaen om een plockjen.” Crijn: “Jaa Fop Huysecooper daer cant mee wel slecht afloopen want daer worden de menschen licht in schaepen verandert en naer een koy geleyt.” Fop: “Dat het nou gin prykel dehuysen zijn te te zeer aent rijsen maer daer staeter jen en lacht dat lyckt wel jen kluchtigen haen te wesen. ”Crijn: “Dats een waert die heeft vetpot byde bloemisten gespeelt want niemant isser beter bij gevaren als dat volckje en die daer inde andre hoeck staen praeten en zien datmen dat hoflycke goet als dreck opden vullishoop brenght, dat lijcken wel Tuynlui en hoverniers te weezen die haer vast verwonderen over dezen wonderlijken handel en vruchtbare tyden van Gecken, want ick loof dater in dat wonderlycke jaer meer Gecken uytgebroeyt zijn alser in duisend jaer van Vrouwen geboren worden.” Fop: “Maer nae ick sie zoo is Heyntjeman daer mee in ‘t spul geraeckt dat is een quaet Geck daer hou ‘k niet of.” Crijn: “t Is maer in Schildery, die lyckt we dat al de briefjes aen een snoer heeft die de Floristen malkander gaeven en een Nachtglas in d’ander hant
als of hy seggen wilde de tyt is om.” Fop: “Hoe waeren die briefjens daer soo veel luy ryck mee waren doch als gestelt dat lusten my wel te weten.” Crijn: “Daer weet ickje mee te helpen. Ick hebber een deel nageschreven wilje die lezen hier heb ikze.” Fop: “Jazeker, uyt niewicheyt.” Verkocht aen N.N. een vierendeel Witte Kroonen voor de somma van 525. Guldens als de leverantie geschiet ende vier koeyen ghereet die men dadelyck van de stal zal mogen halen ende tot deze Verkopers huyse leyden.  Overgenomen van N.N. twee pont Swifters welck hy gekocht hadde 1200 Guldens die ick tot mynen last nemende daerenboven een Quartel Pruymen die ick hem daadelyck leveren ende noch binnen veertien daghen 1400 Guldens tetellen ofte in Backe af te schryven. Gekocht van N.N. een pont Centen voor 1800 Guldens mits haer ghevende myn beste Weerschyne Rock een oude Risenmobel ende een Pennicken met een silvere Kettingtje om aen een kints hals te hanghen. Overghenomen van N.N. een Verbeterde  spinnekop van 400 Azen (20 azen was ongeveer 1 gram-red.) gheplant dien hy voor zeven hondert Guldens ghekocht hadde mits hem vereerende hondert Schippont Edamse kaes…

Moraal van het verhaal
…Hiermee ontstond onder de toehoorders zulck gelach dat Fop niet voort kon lezen hoewel hy noch een lange rol hadt waar door elck zijns weeghs liep en wy naar Schuytjes om sinds te vaeren. Vaert wel lezer en denckter op….. hebberigheid zou wel eens kunnen leyden tot een diepe val in de afgrond.. ■

Bronvermelding
De Mallewagen alias het valete de Bloemisten, gravure, (toegeschreven aan) Crispijn van de Passe (II), 1637.
Rijksmuseum. Florae’s Gecks-kap, kopergravure van Cornelis Danckerts naar Pieter Nolpe, 1637.

Flora’s Mallewagen, schilderij van Hendrik Gerritz. Pot, ca. 1640. Frans Hals Museum.
Allegorie der Tulpomanie, schilderij van Jan Breughel de Jonge, ± 1640.

Privébezit. Satire op de Tulpomania, anoniem schilderij, Frans Hals museum.
Beeldmateriaal – Publiek Domein.

Verdwenen straatbeeld keert terug: standbeeld de bollenreiziger

Op het parkeerterrein van de Haven komt een bronzen beeld van Frans en Truus van der Veld met als titel ‘De bollenreiziger’.

Nieuwsflitsen

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 2 Lente 2018

Op 5 en 8 mei brachten vrijwilligers van de CHVOL een bezoek aan het atelier van Frans en Truus van der Veld. Frans en Truus werken aan “de Bollenreiziger” een beeld dat herinneringen oproept aan de tijd dat men op pad ging om in het buitenland de bollen aan de man te brengen. Daarvoor hebben zij zoveel mogelijk inspiratie opgedaan in het eigen familiearchief van Frans en door foto’s en afbeeldingen uit het verleden te bestuderen. De vrijwilligers kregen zo een mooi inkijkje in het proces van bedenken, ontwerpen en uitvoeren. Met behulp van koperdraad en was werken Truus en Frans net zo lang tot zij tevreden zijn, er mallen gemaakt kunnen worden zodat het beeld naar de gieterij kan. Daarna worden de onderdelen weer gepolijst en in elkaar gezet. De “bollenreiziger” zal in november 2018 zijn plek krijgen op een plek tussen de voormalige CNB en het voormalige HOBAHO-terrein. Zo blijft er, dankzij deze gedreven kunstenaars, weer een stukje geschiedenis van Lisse bewaard!

Frans en Truus in hun atelier