Berichten

LISSER BAARZEN!; De rommeling. (73)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Lisse is nu alom bekend vanwege haar “Keukenhof”. Al eerder waren er de bloeiende bloemenvelden en eeuwen lang sprak men over Lisse vanwege het uitge­breide turfsteken op de veenderijen. Tot aan het droogleggen van het Haarlemmer Meer was Lisse ook befaamd wegens de beroemde Lisser baarzen, die je ook ner­gens zo lekker als in Lisse zelf kon eten. A.W. Kroon schrijft daarover in de “Te­genwoordige staat van Zuid-Holland” van omstreeks 1860.

“Langs een aangenamen weg bereiken wij het naburige dorp Lisse, dat bijna gelijke voortbrengselen oplevert als het pas verla­ten Hillegom. Vroeger was de veenderij hier een der voornaamste takken van be­staan, thans echter beoefent men er voor­namelijk den landbouw, de veeteelt en be­reidt men er boter en kaas, welke tot de Leidsche soorten worden gerekend; voorts teelt men er bloemzaden, kruiden, veler­lei groenten, terwijl de afgezande streken zijn bepoot met aardappelen en de duingronden met houtgewas. Wordt Hillegom om zijne bevallige ligging en verscheidenheid, welke de natuur ons aanbiedt, door zeer velen bezocht, grooter stellig was het aantal vreemden, dat zich vroeger gedurende het zomerseizoen naar Lisse begaf. Het dorp had den roem ver­worven, dat nergens een zoo smakelijk geregt van geschubde waterbewoners kon worden genoten als hier in deze plaats. Geen baars in het gansche land was zoo blank van visch, zoo fijn van smaak, geen kok ter wereld in staat zoo het juiste ogenblik te bepalen, waarop de visch aan het ziedend vocht moest worden onttogen om hem dien graad van hardheid te doen verkrijgen, waarvoor de baars van Lis­se zoo heinde en verre was beroemd. Dui­zenden bij duizenden begaven zich elken zomer als in bedevaart herwaarts. Onuit­puttelijk was de bron, welke dit smakelijk geregt in den ruimsten overvloed tot in de verwijderste tijdperken scheen te zullen opleveren. Maar hoe wuft en onbestemd is alle menschelijke grootheid! Hoe zwak de grondslag van het gebouw, hetwelk men hier voor het laatste nageslacht scheen te hebben opge­trokken en dat, ter naauwernood voltooid, reeds tot een puinhoop werd! Het onaf­zienbare meer in de nabijheid van het dorp gelegen, was de onuitputtelijke bron, welke gedurende eeuwen onberekenbare winsten aan deze nederige landelijke gemeente be­loofde. Met het oog der verbeelding had welligt menigeen het dorp de grootste herscheppingen zien ondergaan. Reeds waren ten gevolge daarvan gebouwen verrezen, gelijk Lisse vroeger nimmer had aan­schouwd. En de naburige hoogeschool te Leiden gevestigd, welke ruime voordeelen bragt zij het stille dorp, vooral sommige zijner bewoners niet aan! Waren deze bei­de rijke bronnen niet in staat het dorp een ongekenden, voorbeeldeloozen trap van welvaart te doen bereiken, en dit te meer dewijl elk op zich zelve niet slechts onuit­puttelijk scheen, maar allengs ruimer cijns beloofde? Maar het Haarlemmermeer werd met een hoogen ringwal omsingel, de gol­vende vlakte in een starren bodem her­schapen en de geschubde bewoners, waar­op Lisse zo trotsch was, verdwenen schier geheel. Andere oorzaken oefenden gelijken invloed uit op de andere, vroeger zoo mildelijk vloeiende bron. Wat baat het den bewo­ners eener verwijderde streek, vroeger ruim besproeid door het kristalheldere vocht eener beek, of zij later nabij haren oor­sprong of op een geringen afstand van daar in den grond wegsijpelt? Het gevolg is toch voor hen hetzelfde”. Enz., enz.

Ik denk, dat de heer Kroon met Gerrit Veldhorst, de waard in “De Witte Zwaan”, heeft gesproken. Hij had van de “geschubde waterbewoners” en de liefhebbers daarvan en tevens ook van de Leidse stu­denten het meeste voordeel!

HEREN STUDENTEN IN LISSE; De rommeling. (58)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Lisse is om twee redenen eene der merk­waardigste dorpen van Rijnland. Vooreerst, zoo boschrijk als het daar in natura staat, zoo kaal en verlaten in script/’s1 staat het tusschen de tallooze dorpen in den omtrek, overrijk die zij allen zijn in legenden en historische bijzonderheden. Zulks in be­trekking tot den ouden tijd. Voor den toe-komstigen oudheidvorscher zal Lisse ech­ter rijker zijn in overleveringen dan eenig ander Bataafsch, Saxisch of Romeinsch Nederlandsch dorp, want aldaar leefde en leeft nog mijne tweede reden, thans het sieraad, de weldoener, later voorzeker de held van Lisses kronijken, onder wiens vijfendertigjarig gastvrij jong en oud die­nend bestuur, tooneelen voorvielen vol opgewondenheid en joligheid, wier herin­nering den versufden grijsaard sneller het bloed in de aderen zal doen stroomen, en hem de beste jaren zijns levens, de geurige en kleurige Studententijd herinne­ren.

  1.  In geschriften

Daar stond hij vader VELDHORST mijne tweede reden, zijn nederig petje in de hand in de deur der van ouds beroemde Zwaan1 te wachten tot de aanrollende Sociable2 blijkens het, boven het ratelen der wielen uit hoorbare gesprek, met zijne gewone gasten met Studenten gevuld, stilgehou­den had. De zachte lentewind deed de lokken van zijn vlasparuikje toen hij met verweerde hand het portier opende, even zoo wel rondzwieren, als die van den vrolijken jon­geling, toen deze met den gullen uitroep “dag Vadertje! den ouden man bijna in de armen vloog.” En hoewel het van een wind hij moge dan uit het noorden of zuiden komen, volstrekt niet aardig is, een grijsaard zoo onmeedoogend te plagen, op dat oogenblik zou het zelfs den teergevoeligsten aanschou­wer niet gehinderd hebben, want hij maak­te dien grijsaard, voor één oogenblik van buiten wat hij altoos van binnen was, jeug­dig. Zoo spoedig zulks mogelijk, door al­lerhande tombades en sauts per/l/ieux3, had zich het halve dozijn uit het rijtuig ge­werkt, en stond in een cirkel om Lisse’s juweeltje, den ouden man de handende drukkende, op den schouder kloppende, of omhelzende.

  1. “De Witte Zwaan”, evenals “De Deijl” te Wassenaar bij de studenten zeer geliefd.
  2. Een wagen, waarin men tegenover elkaar zit. –
  3. Valpartijen en gevaarlijke sprongen.

“Welkom Heeren op Lisse!” was de gulle ontvangst van VELDHORST. “Zoo vroeg in het jaar had ik nog geen bezoek ver­wacht, ik wil ’t wel bekennen: maar kom binnen! de Madera en Port staan te wach­ten, en geene onvrienden met hen, hoor! want het zijn geurige klantjes. Ik heb expres de oudsten en stevigsten boven doen komen, want de eerste partij van dit jaar, dient feestelijk ingewijd te worden.” ” ’t !s zoo mijne gewoonte,” vervolgde de oude, toen hij op aandringen den jongelui ook mede aan tafel hoewel iets ter zijde was gaan zitten, ” ’t is zoo mijne gewoon­te — de eerste partij in het jaar krijgt voor Doctor Snel altijd mijne oudste fleschjes. Vijfendertig jaar was zulks mijn gebruik, en zal zulks, zoo lang Leyden mij niet ver­geet, blijven.” Een luid bravo! loonde den goedhartigen oude, die zich echter spoedig daarop ver­wijderde, onder voorwendsel van de tafel in orde te brengen, en in de keuken een waakzaam oog te houden. Het uurtje vóór het diner in jolig gezel­schap, en onder een glas oude Port doorgebragt, is niet ongelijk aan een éclaireur1 zoo snel vliegt het voort, ten minste zoo vond het het zestal, toen de knecht kwam zeggen dat de tafel gereed was. Niet zonder weerzin scheidden zij van de benedenkamer en hare portwijn. De hoop echter, van boven, bij de hartige Rosbeaf eene tweede editie het licht te doen zien, versterkte bij het trappen klimmen hunne reeds eenigzins wankele schreden. Het diner was goed en het gesprek opgewonden, meer dan anders gewoonlijk het eerste uurtje te beurt valt.

  1. Verkenner. Misschien is bedoeld “éclair”, bliksem­schicht.

Geen meisje echter zoo schoon, of zij heeft eene groote mond of zomersproeten, of het een of ander negatief sieraad, hetzij van boven of beneden, uiterlijk of innerlijk, geen paard zoo gitzwart of er is niet een wit vlekje aan, geene tafel zoo keurig, of de een of andere schotel is niet zoo als het behoort. Ook de eetzaal van de Zwaan bevestigde deze waarheid. Want de zoo lekker schij­nende haas, lekkerder nog dewijl een ge­dienstige genius of jagtopziener hem, tot groote verwondering van Vader VELD­HORST, den vorigen avond in de keuken scheen vergeten te hebben, (want den ouden man die gedurende zijn leven zoo vele Juristen bij zich aan tafel zag, durven wij van geene overtreding der jagtwetten verdenken) was oneetbaar. Niet dat het ver gevorderd saisoen, de smakelijkheid der ver­boden vrucht vermindert, au contraire, maar de jongelui vielen niet in de categorie van menig Hoog Edel Gemaakt Heer, bij wien de meeste aanbeveling is, volle zestien kwartieren in zijn wapen te voeren.1 Overigens was er niets dat het materiele of immateriële van den maaltijd stoorde, en toen de laatste schotel rondgediend was, en allen moede waren van het strijden te­gen een’ weltoegerusten pikanten vijand2, zeldzaam verschijnsel voorwaar aan de Leydsche tafels, maakte het woordeken pause een einde aan den tweeuurigen tafelkamp, en gaf de moede strijders in het doorwandelen van Lisse’s omstreken gelegenheid nieuwe krachten te verzame­len, en de gedienstige geesten uit de Zwaan, de doorhakt en doorkerfde verschansingen te vernieuwen, de lijken te begraven, en versche benden in de plaats te stellen.3 Onder de weinige toestanden waarin de mensch zijn waarde als mensch gevoelt, waarin, ik wil niet zeggen zijne hooge be­stemming, maar zijn zedelijk overwigt als het ware in zonnehelderheid voor zijn geest zigtbaar wordt, is voorzeker het uurtje na een lekker diner.

  1. In deze zinnen is een woordspeling verborgen. Iemand “met zestien kwartieren in zijn wapen” moet wel een hoog-adellijk persoon zijn. Zo iemand geniet het meest van “het haas” als het reeds enige tijd gelegen heeft en “adel(l)ijk is. Naar de smaak der studenten had dit haas echter al te lang gelegen.
  2. De drank, de versufdheid, de slaap?
  3. Ze hebben de gerechten duchtig “aangevallen”. Er worden nieuwe spijzen gereed gemaakt. De “lijken”, lege flessen, worden geruimd en volle in de plaats gesteld.

De waarheid hiervan welke door de oude Philosophen reeds als axioma werd gehul­digd, en waarop tot in den tegenwoordigen tijd toe, (vid. 1) Geleerd. Genoot­schappen, Nutten etc. etc. in voce2) im­mer voortgebouwd wordt, aan u practische zoo wel als theoretische beoefenaars en be­wonderaars aan te toonen zou onnoodig zijn. En toch is het een onderwerp te rijk aan studie en door mij con maggiore amore 3) herdacht, dan dat ik het zoo maar zou wegwerpen, evenals een uitgerookte cigaar of het volumineuse middeleeuwsche dic­taat van Prof. X te …… niet te Leyden. Het ligchaam niet alleen, maar ook de geest ondergeschikt die zij is, geniet een zeker bien être 4) men gevoelt zich zoo wel, zoekt vrede met alle menschen en zou zijn ergsten vijand vergiffenis schenken. En wanneer de Manilla dan ontstoken wordt, en hare blaauwe geurige rookwolkjes, met de zenuwtepeltjes van uw reukorgaan darte­len — zie! ik geloof dat er niets noodig is dan het sluiten der oogen om den ouden Solon in zijn antwoord aan Croesus tot een leugenaar te maken 5). Ook het zestal gevoelde dezen invloed.

  1. Videlicet, namelijk.
  2. Om ze te noemen.
  3. Met grote liefde.
  4. Een zich welbevinden.
  5. Volgens Herodotus heeft de wijsgeer Solon uit Athene aan koning Croesus van Lydië, beroemd door zijn rijkdom, en mildheid, een bezoek gebracht. Hij sprak hem over de vergankelijkheid van het aardse geluk

Ongemerkt toch had zich de korte voorgenomene wande­ling rondom Lisse uitgestrekt, en toen zij het regte pad naar de Zwaan dachten in te slaan, droomerig, sentimenteel of opge­wonden zoo als zij, naarmate hun karakter medebragt daar rond — soesden — dwaal­den of – zwierden, zagen zij zich eensklaps verplaatst door de overblijfselen van het vroeger zoo bekende, thans vergeten Huys Deveren, éénmaal door een der edelste ge­slachten van vorige tijden bewoond, thans het eigendom van een vreemdelingMathias A. Baron Heereman van Zuydtwijck) , on­bewoond en verlaten. En reeds was de zon achter Noordwijks duinen in zee gezon­ken.

De roode tint waarmede het landschap als overgoten was, begon dra in een donker vaal over te gaan. Aan den Oostelijken hori­zon was het laatste zonnerood reeds geheel verdwenen en had voor een grijsachtig blaauw plaats gemaakt, waartegen de om­trekken van den Leeghwater4 zich spook­achtig zwart afteekenden. Zoo ééne is zulk eene gelegenheid gunstig, idealen en herin­neringen in het voor indrukken zoo ont­vankelijke jongelings gemoed op te wekken, de sluimerende vonk der poëzij en van het genie in eene zon te herscheppen, verwar­mend en koesterend, lichtend in het tegen­woordige en in de toekomst. “Gelukkig die één oogenblik zulk een genot mag smaken.” Daar klonk op vleugelen van den wind ge­dragen, verwijderd, de toonen van een hoorn. De postillon naauwgezet opvolger van het bevel om wanneer het dessert ge­reed was, het sein te geven, was de tooneelschel die voor eene korte doch aange­name scène het gordijn doet vallen. “Alles op zijn tijd,” sprak KEES, zich ge­weld aandoende, terwijl hij in twee spron­gen op de chaussee 5) stond. — “Allons jongens! wees geen stiefpapa’s voor je aardsche tabernakel 6) het wordt reeds duister, het dessert roept ons, de flesschen en toasten smachten het licht te zien, “helaas het kan niet anders, zoo als Napo­leon zei — op den terugtogt!”

  1. Het stoomgemaal is van 1843-45 gebouwd bij De Kaag. Alleen de Cruquius heeft zijn oorspronkelijke vorm bewaard.
  2. Straatweg.
  3. Je buik.

O! het was een schoon gezicht eene groep onzen TROOST3 waardig, van de partij toen de Lissertoren hare elf slagen galmde eens een kijkje te nemen. Niet op het tafellinen dat een ligt matroos4 voor een zeekaart zou aanzien, noch op die gebroken flesschen en glazen, noch op die vier bleeke jongelui in verschillende positien ingeslagen, noch op die verdachte hoopen zand ais of er eene executie zou plaats hebben, zou zijn oog blijven rusten5 — maar op die groep, waar grijsheid en jeugd, rustige ouderdom en levenslustige jongelingsjaren, broederlijk vereenigd het schuimende glas bedaard bleven ledigen. Op verzoek der beide jongelui, eenigzins gehavend maar toch levend uit den bloedeloozen tafelslag overgebleven, zat de waardige oude — wiens welwillend karak­ter niets, zijn kladboek misschien eenig­zins, in grootheid evenaart — een glas champagne tot afscheid te drinken. “Maar Vadertje,” — sprak een der twee die zoo hij in een meer uitgewerkt verhaal dan in deze vlugtige schets voor mogt komen, voorzeker het karakter van een’ menschen-kenner zou ontwikkelen. — Maar Vadertje! we zijn nu al zulke oude kennissen en je weet dat ik magtig veel van je hou, en toch heb ik nog nooit van je vorig leven iets hooren vertellen.

  1. Cornet is Troost (1696-1750), bekendste Hollandse schilder van de 18de eeuw. Hij schilderde voorname­lijk portretten en komische genrescènes.
  2. Lichtmatroos, aankomend matroos.
  3. Op de plaats der terechtstelling bevond zich altijd zand of zaagsel om het bloed op te vangen. Als er ge­morst was of overgegeven strooide men zand op de vloer.

Mij dunkt je moet al zoo wat gezien en bijgewoond hebben. “Ja wat zal ik zeggen Meneer, goed en kwaad heb ik ondervonden zoo als ieder mensch te beurt valt. Het weinige kwade ben ik vergeten, en het goede, zie! dat houd mij de lange winteravonden als de Zwaan leeg en verlaten is gezelschap.” — Maar Vadertje! hoe is het mogelijk dat je dat alles nog herinnert? “Wel,” antwoordde de oude, “U denkt toch niet dat VELDHORST geen verbeel­ding meer heeft? Neem Meneer, op dit oogenblik zie ik U daar niet zitten, maar Uw Papa in zijn tijd een olijke snaak, hoe klein of hij was, en die ook de Zwaan, meer dan van hooren zeggen, kende. En kijk! de volgende dag, ik herinner het mij nog als of het gister gebeurd was, had ik een deftige partij van een geleerd Ge­nootschap. Er waren ook verscheiden’ Professoren — ik geloof dat er onder de Heeren zijn, die nog bij sommige collegie houden, — Ja ja! maar daarom niet minder vrolijke gasten, natuurlijk zulke wilde par­tijen niet zoo als die van de Jagers in 311, alles bedaarder, want onderscheid moet er wezen, maar toch van binnen, in het hart want daar zit de regte vrolijkheid, even warm als in hun studententijd.”

  1. Tijdens de Belgische opstand trokken in de Tiendaagse Veldtocht in 1831 ook Leidse studenten mee. “Jagers”, krijgsvolk te voet, dienende als lichte troe­pen. Ook C.A.A. baron van Pallandt, die in 1837 de erfdochter van Keukenhof trouwde, was met de Ja­gers opgetrokken. Trommel en wapen hangen nog in kasteel Keukenhof.

Ge spraakt daar juist van die partij in 31, wat was dat Vadertje? “Ja Meneer, om dat alles te vertellen zou ik U drie avonden kunnen bezig houden. Ik zou dan beginnen met de morgen waarop mijne Leydsche vrienden naar België ver­trokken. Mijne vrienden — want al ben ik maar een kastelein, daarom hou ik toch ook wezenlijk en opregt van de jongelui — ja en dat weten ze ook wel, anders zou ik niet op een kouden Novembermorgen in 30 te Leyden gekomen zijn, om van hen op de Ruïne,1 gepakt en gezakt zoo als ze daar klaar stonden om naar Braband te marcheren, nog eens afscheid te nemen. Toen ik daar aankwam, en allen mij verwel­komden, en ik de lange reijen doorging en ieder de hand drukte, — zie Meneeren, toen wierden mijne oogen vochtig, en ik was bang dat ik mij niet goed zou houden. Maar een jaar daarna werd het in de half verlaten Zwaan weer levendig; mijne kin­deren, mijne Studenten waren terug, en nooit of nimmer heeft de Zwaan vrolijker dagen doorleeft.” Het gelaat van den ouden man blonk van genoegen bij deze woorden, maar eensklaps was het als of eene wolk hetzelve verduis­terde toen hij op weemoedigen toon voort­ging: “Allen, zeide ik zoo even, waren terug, neen!

  1. Open ruimte in de stad, ontstaan door de beruchte explosie van het kruitschip in 1806

Een die, hoewel niet lang Student, en ik hem dus minder goed dan vele ande­ren kende, mij reeds lief geworden was, zag ik niet in hun midden. — Naauw ne­gentien jaren, zag BEECKMAN2 den Vaderlandschen grond en het geliefde Leyden nooit weder. In den bloei zijner jaren, in den vreemde, wreed vermoord, moest hij sterven. O, geloof mij Meeren, de dronk dien avond ter zijner gedachtenis gedron­ken, was bitter.” De oude man, door aandoening overmand, hield op met verhalen. Ook zijne beide hoorders, door de smart van den grijsaard geroerd, zwegen. “Schenken-JAN!” Deze, lang als het postludium3 van een or­gel uitgerekte kreet, door een der ontwakenden geuit, verbrak eensklaps op een prozaïsche manier het poëtische zwijgen. – “Ah! VELDHORST, ouwe jongen! dat ’s bij mijn ziel goed dat je daar zit, — wil­len we eens drinken zeg? daar ga je!” En uit het verleden weer in het tegenwoor­dige teruggeroepen, vulde de oude man zijn glas en voltooide glimlagchend het onver­wachte lijntje. “Zeg, waar had jullie het over?” — vervolg­de de ontwaakte, door een uurtje slapens weer half nuchter geworden, en schoof zijn stoel bij het drietal. “Ik geloof jullie soest daar met je driën.”

  1. L.J.G. Beeckman uit Kampen, student in de Theolo­gie, gesneuveld in België.
  2. Naspel.

— “Neen, maar VELDHORST vertelde daar……” — “Vertellen, dat ’s goed; Allons vadertje, daar ga je! eerst nog een bekertje zamen drinken, en dan een verhaal uit je ouwe, heel ouwe Studentijd, zoo van ……” Och ja vadertje,” ondersteunden de beide anderen, “nog een enkel uurtje tot de flesch leeg is, en dan laten we je naar bed gaan.” — “Als het de Heeren niet verveelt wil ik met plezier wat vertellen, maar waarover? want ik zou wel een verhaal kunnen doen van verschillende partijen die hier zijn ge­weest — van ontgroenpartijen, daar tusschen ( ) gezegd altijd een boel kwaad van gesproken is, maar dat lang zoo erg niet was — of hoe ’n vrolijke gast Prof. WEY-ERS1 aan tafel was — of hoe Prof. v.d. PALM2, die altijd veel van mij hield, korten tijd nog voor zijn dood in een sleepkoetsje3 uit oude betrekking bij mij kwam, verlan­gend mij nog eens te zien; maar ook van die laatste tijden zullen de Heeren wel meer hebben hooren spreken. — Maar ja! daar valt mij juist een historie te binnen, in de eerste jaren toen ik hier woonde gebeurd, en die zeker geen van de Heeren zal ken­nen: “Het was in de Fransche tijd in ’t jaar 12..”

  1. H.E. Weijers (1805-1844), prof. in de Bespiegelende Wijsbegeerte en letteren. Hebreeuws, Arabisch en Syrisch.
  2. J.H. van der Palm, (1763-1840), prof. als boven. Oosterse talen.
  3. Een sleepkoetsje had i.p.v. wielen gladde ijzers en werd door een paard over de keien voortgesleept.

— “Dat ’s ferme tijd voor histories/’ viel de soes in. — “Houd je mond,” gromden de twee ande­ren. “Kom vadertje drink eerst eens, we hopen dat Meneer je niet weer lastig zal wezen.” De lastige Meneer beloofde beterschap, schoof drie stoelen naar de tafel, wikkel­de een ongelukkige meloen, doorluchtig overschot enz. in de nog bruikbare servet­ten, en legde hierop, na op alle mogelijke manieren het geïmproviseerde kussen ge­makkelijk gemaakt te hebben, zijn hoofd neder. De eerste stoel kreeg de eer het bovenstuk van zijn corpus te dragen, de tweede de andere helft, en de derde werd als overtollig weggeschopt. Langzamerhand werden de reeds zoo kleine en vischachtige oogjes nog kleiner en flaauwer, tot in het volgende oogenblik de gordijntjes neer­vielen, en een specie van muzijk, niet onge­lijk aan de Chinesche Tjor-tjong zijne zedelijke absentie te kennen gaf. Nadat dit klein intermezzo voorgevallen, de glazen geleegd en gevuld, en nieuwe cigaren opgestoken waren, vervolgde VELDHORST: “Het was dan zoo als ik zeide in het jaar 12. Dien dag was het weer schrikkelijk koud, want hoewel pas in het laatst van November, vroor het reeds dat het knapte. Onze Burgemeester en zijn Secretaris, mijn eenigste gasten dien avond, hadden reeds een smousjasje1 meer gespeeld, in hope dat de storm wat zou gaan liggen, en het sneeuwen ophouden; maar toen het tien uur begon te worden, en in plaats van te bedaren het weer nog hoe langer hoe wilder werd, waren ook zij heenge­gaan. Ik had de deur gesloten, want buiten sneeuwde en woei het zoo, dat men geen tien passen vooruit zien kon, en er geen nood was dat er nog volk zou komen. Daar ik nog weinig zin had om naar bed te gaan en het vuur zoo lekker brandde, dacht ik, kom! Ik heb de vorige week “een oprecht en waarachtig verhael van ’t Belech” gekocht, daar wil ik op mijn gemak een uurtje in lezen. Ik was juist aan de opeisching der stad in naem van de konink van Spangien, toen ik mij verbeeldde aan de buitendeur te hooren kloppen. Ik luisterde — alles was stil, uitgenomen dat het stormde alsof de Zwaan weg wil­de vliegen. Het zal de wind zijn, zei ik bij mijnzelven en las verder.Dan, een oogen­blik daarna hoorde ik weer kloppen, en nu duidelijker, zoo als geen wind, maar een ordentelijke menschenhand doet. Boek en pijp legde ik weg, was in twee sprongen bij de deur, nieuwsgierig wie daar nog zoo laat zijn mogt. Bang was niet, want ik had een paar stevige knechts in de keuken, en de Gensdarmes1 die toen in ons dorp lagen, waren dag en nacht in de weer.

  1. Smousjassen, kaartspel voor twee personen, waarbij de jas of boer de hoogste troef is.
  2. Gendarmes, politiesoldaten.

Pas had ik open gedaan, of een felle windvlaag blies het licht uit, zoo dat ik niet zien kon wie er was, maar eene stem die ik meende te herkennen, fluisterde mij toe: “Wie zitten bij je?” “Niemand Meneer,” antwoorde ik, “maar kom binnen, het is daar beter dan buiten of hier.”— “Stil!” viel hij mij in, “wach teen oogenblik, ik kom dadelijk terug.” Wip was hij de deur uit, en kwam zóó daarna met nog iemand terug, sloot en grendelde zelf de deur, en trad daarop met den ander de gelagkamer binnen, ook hier de deur sluitende. Ik begreep van de heele historie niets en was juist van plan mijne knechts te roepen, toen zij beiden hunne mantels afdeden en ik twee bekende gezichten zag. Het waren Studenten, twee Zeeuwen, die nog de vo­rige week op een ontgroenpartij bij mij ge­weest waren. Ze zagen doodsbleek, en ik merkte wel dat het niet zoo was als be­hoorde. “Om Godswil VELDHORST, help ons! er is in Leyden iets gebeurd dat de schrikkelijkste gevolgen zal hebben, den geheelen avond hebben wij reeds rondgedwaald, en zoo men ons vindt zijn wij verloren,” zeide DONNIUS2, een van hen, een ferme jongen, en anders voor geen kleintje ver­vaard.

2, Waarschijnlijk Dirk Jonker Curtius uit Den Bosch, 19 jaar oud.

Ik begreep er nog niets van, en wist niets beters te doen dan stoelen bij den haard te zetten, en een groot glas warme Grog in te schenken, want waarachtig, ik had mede­lijden met de arme jongens, zoo miserabel en doornat zagen zij er uit. VERBURG1, de ander, die tot nog toe geen woord had gesproken, maar tegen den schoorsteenmantel leunende onbewegelijk in het vuur bleef staren, greep met beide handen eensklaps de Grog, en hoewel hij het zonder op te houden leeg dronk, kon ik duidelijk zijne tanden tegen het glas hooren klapperen. — “Wil ik de doctor halen,” vroeg ik, want ik begon werkelijk ongerust te worden. “Doe geene moeite VELDHORST,” zeide Meneer DONNIUS haastig, “geen doctor maar alleen gij kunt helpen. Hoor wat er gebeurd is, en red ons dan zoo gij kunt. Fluisterend en snelsprekend vervolgde hij: “Je weet VELDHORST, hoe alles sedert eenige dagen veranderd is. Onze Academie, ons Leyden, is bij Keizerlijk Decreet opge­heven. We zijn nu geen studenten meer, maar Elèves de /’Academie, zoo als ze ons in hun Fransch poespas gelieven te noemen. Om collegie te houden, moeten wij altijd naar de Academie, en vinden de een of an­der Francoos, die ons daar onze toekomsti­ge moedertaal zal leeren, of onze geliefde SMALLENBURG2 schandelijk gedwongen. als een hansworst opgedirkt, de Pandecten3 in een fransch pakje te steken. We zijn onder het opzicht der hooge Prefecture de Police 4 geplaatst, en het geringste tee­ken van ontevredenheid wordt streng ver­volgd. Dat stuitte ons, en alle jongelui die het Hollandsche hart op de regte plaats dragen, tegen de borst; want zie je! uiter­lijk mogen zij onze Academie franchisseren, innerlijk blijft het nog de oude van vader WILLEM. Mijn vriend daar, die arme jongen, was, zoo als je misschien vroeger gehoord hebt, verloofd aan een meisje uit Utrecht. De laatste weken, was hij stil en peinzend geworden, hij anders de vrolijkheid zelve. Ik vroeg hem de reden, in het begin wilde het niet, doch eindelijk kreeg ik het er uit. De brieven van zijn meisje waren ongemerkt, sedert eenigen tijd, hoe langer hoe koeler geworden, toen eensklaps gisteren terwijl ik bij hem was, een laatste brief formeel zijn afscheid, en hare verloving met een ander aankondig­de. Nu moet gij weten, dat sinds eenigen tijd, bij ons studeert een zekere Franschman, sinds lang in Leyden voor spion van het Fransche bestuur gehouden, en wiens oude Prefect van Policie of zoo iets, in Utrecht is. Deze nu, op welke manier dan ook, dat ik nog niet weet, schijnt hiervan de oorzaak te wezen, ten minste heden middag in de Buiten kolfbaan, beroemde hij zich bij een paar zijner landgenooten, den dommen Hollander, zoo als hij VER­BURG noemde, uit den zadel geligtte heb­ben.

  1. Misschien H. van der Burgh uit Den Haag, 20 jaar. De namen Verburg en V.d. Burg werden vaak door elkaar gebruikt.
  2. Prof. N. Smallenburg, jurist, onderwees de Code Napo­léon.
  3. Een systematische verzameling van uittreksels uit de werken van Romeinse rechtsgeleerden.
  4. Hoofdcommissariaat van politie.

— Wij kwamen juist binnen.— Bleek van woede ging mijn vriend naar hem toe, uitlegging dezer woorden verzoe­kende. “Bruidegom zonder Bruid — was het ter­gende antwoord — waar een zoon der Groote Natie1 verschijnt, moet ten minste een lompe Hollander …… Hij had nog niet uitgesproken, of de zware kolf door VER­BURG van den wand gerukt, verhief zich snel als het weêrlicht in de hoogte, en voor een onzer het beletten kon, lag daar de snoever in zijn bloed badende. De beide Franschen wilden ons te lijf, maar eenige jongelui, die met ons binnen gekomen waren, vlogen tusschen beide, sloten de deuren, om het ongelukkige ge­val zoo lang mogelijk geheim te houden, en ons gelegenheid te geven tot ontvlugten. Met moeite kreeg ik VERBURG, die nog altijd met de bebloede kolf in de hand, bij het lijk van zijn slachtoffer stond, de herberg uit. Zwijgend, want tot nu toe heb ik geen woord uit hem kunnen krijgen, hebben wij door bosch en heg in de diepe sneeuw rondgedwaald, tot wij hier zijn gekomen; Gij VELDHOIST zijt onze hoop, altijd hebt gij getoond het wel met de jongelui te meenen, en ook nu vertrouw ik zult gij ons in den nood niet verlaten.

  1. Frankrijk.

— Ik wilde juist antwoorden, toen er hevig op de buitendeur werd geklopt. “Zie daar zijn ze reeds om den moorde­naar te vatten,” gilde VERBURG, eens­klaps uit zijne wezenloosheid ontwakende, “hier is hij, ik ben het.” DONNIUS werd zoo wit als een doek, ook ik was als verbijsterd, ik moest hen ver­bergen, dat was zeker, doch waar? mijn God! -waar? Daar was het als gaf de hemel het mij in. Ik vatte het licht, opende de deur van den wijnkelder, en drong hen mij te volgen. Ver in het uiterste gewelf, was eene plaats afgezonderd van de vorige, een soort van laag hokje in de muur gemetseld, waar ik nog een enkel oud fleschje liggen had. Aldaar duwde ik ze, meer halfdood dan levend in, wierp een hoop stroo over hen, en voor den ingang, en spoedde mij hoewel mijne beenen zoo zwaar als lood wogen, zoo gaauw ik kon naar boven, de kelder­deur achter mij sluitende. Ik opende. Het was hoog tijd, want het viertal Gendar­mes dat zich buiten bevond, begon onge­duldig te worden. Zonder een woord te spreken, een paar sacré nom’s1 die ik naar den kop kreeg uitgezonderd, vlogen zij binnen, doorzochten alles van kamer tot kamer, tot zij mij eindelijk riepen de kel­der open te sluiten.

  1. Letterlijk “heilige namen”, vloeken.

Het koude zweet stond op mijn gezicht. Ik vermande mij echter, draaide met vaste hand de deur open, en ging zelf met het licht vooruit. De localiteit kenden zij niet, en ik hield ongemerkt de lantaarn steeds zoo, dat het licht op alle plaatsen, slechts op die eene niet scheen. Een der Gendar­mes trad toevallig naar dien kant uit, maar de propositie die ik deed, een glas echte bordeaux op des Keizers gezondheid te ledigen, maakte een einde aan het onder­zoek. Een uur daarna was de Zwaan ledig. De Gendarmes waren de weg naar Sassenheim opgetrokken, en de beide vlugtelingen, na van mij andere kleèren bekomen te hebben, in mijne sjees op weg naar Am­sterdam, waar zij behouden aankwamen.” Hier hield VELDHORST op, en stak zijne cigaar aan, die onder het vertellen was uit­gegaan. — “Maar hoe liep het met hun af Vader­tje?” vroegen zijne beide toehoorders te gelijk. — “Ja,” antwoordde de oude, “gelukkig beter dan de Heeren zullen denken, want na verloop van korten tijd was de geheele zaak in orde. De drift namelijk, waarmede Meneer VERBURG den Franschman aan­viel, deed de kolf in zijn hand draaijen, en door het platte bovenste gedeelte, niet door de scherpe punt, getroffen stortte hij neer. Langzamerhand kwam hij weder bij, tot hij na verloop van eenige dagen weer zoo goed als hersteld was. Het ge­heele voorval bleef overigens geheim zoodat hunne ontvlugting gelukkig eigenlijk onnoodig was, en zij dan ook na verloop van een paar dagen uit Amsterdam naar Leyden terugkeerden. — “Maar hoe werd het met zijn meisje in Utrecht,” vroeg een der beide toehoor­ders, “trouwde zij ook met den Francoos?” – “Ja Meneer,” antwoordde VELDHORST de schouders ophalende — “maar het regte van de zaak ben ik nooit te weten geko­men, men zegt dat zij om de wille van haar vader die onder zware verdenking lag van in eene zamenzweering tegen het bestuur betrokken te zijn, den zoon van den Pre­fect van Politie hare hand niet dorst wei­geren. Wat er echter van zij, dit weet ik alleen, dat later in tegenwoordigheid van VERBURG nimmer haar naam genoemd werd. “En nu Meeren!” vervolgde VELDHORST, terwijl hij de flesch leeg schonk, “ge hebt daar een ouden man op zijn stokpaardje gebragt, en als ik u wat lang ben gevallen neem het dan den ouden praatvaar niet kwalijk: Meneeren U aller gezondheid! – “VELDHORST daar ga je!” — “Maar mijn juweeltje — sprak de een, wiens knippende oogjes en zwakbeenigheid, terwijl hij opstond om het slapend klaverbladje1 wakker te maken, duidelijk bewezen dat hij onder het verhaal de flesch niet vergeten had — zeg eens wat de­den dan eigenlijk die nachtwachts, ik meen die Gendarmes zoo laat bij je?”

  1. Het betrof hier vier studenten.

“Ja,” was het antwoord, “ik heb de Heeren nog vergeten te zeggen dat dien nacht een heel partij koloniale waren bij Noordwijk werd aangehouden, en dat ook de Zwaan van sluikerij verdacht was, doch geloof me, ten onregte! want ik zeg altoos, eerbied aan de wet. Ja dat zei ik ook nog laatst tegen Sire, toen hij hier even stil hield.” “Wat! benje zoo familair met de Koning.”2 VELDHORST zeide niets, maar lachtte en dronk zijn glas ledig. Een volgende gele­genheid — als de Heeren mij de eer aan willen doen hun bezoek te hervatten, het is reeds laat en U weet een oud man is als een kind, hij moet vroeg naar bed. — “Maar die schaakhistorie daar ik laatst eens van heb hooren spreken?” — “Waar drie paarden bij dood gereden werden, en Meneer HARDENBERG 3 die op de bok reed, van het hanteerden der teu­gels en zweep, veertien dagen lang, lamme handen had zoodat hij op collegie niet kon schrijven, en zijn oppasser hem het eten in den mond moest steken — allemaal bij gezondheid een volgende keer Heeren.” En nog eens werd de plegtige gezondheid van VELDHORST vijfendertig jaren lang de geliefde kastelein, gedronken, en een luid lovivat waarin de herlevenden als ook Vadertje zelf, trots de beste student in choro invielen, kondigde het vertrek aan.

  1. Het is bekend, dat koning Willem II door het land zeer lange ritten te paard maakte.
  2. Deze student is op zo korte termijn niet te traceren. Gegoede studenten hadden een eigen “oppasser”, een persoonlijke bediende.

Met groote moeite werd de Sociable we­der vol. De koetsier klom op den bok, de paarden grinnikten, en schenen het eens voorgenomen te hebben spoedig te huis te wezen. De lantaarn waarmede VELD­HORST het woelige inpakkingstooneel bijlichtte moest worden weggezet, en toch kwam hij handen te kort. Alles klaar Hee..e..ren? “Ja!” antwoordde VELDHORST nadat hij voor de tiende keer zijn handen uit en in het rijtuig gestoken had. Daar schalde de hoorn van den postillon, de stalling dreun­de onder de hoeven der paarden, het zware rijtuig, en het bulderende afscheidskoor, en toen vijf minuten daarna VELDHORST buiten kwam, om de lantaarn boven de deur uit te doen, klonk het nog flaauw in de verte, eindelijk stierf het geheel weg, en het werd weder eenzaam en stil binnen Lisse.

Sedert zijn eenige jaren verloopen. Verdient een oud militair op zijn ouden dag, eene zorgelooze rust te genieten, tot belooning voor zijne aan den lande gewij­de beste levensjaren, ook zonder den lande gediend te hebben, was het VELDHORST niet kwalijk te nemen, dat hij zijne vermoeijende betrekking nederlegde, en in een klein lief gelegen huisje zijne laatste dagen dacht te eindigen. De Zwaan ging in andere handen over. Met den vrolijken gullen grijsaard, scheen echter alle leven en vrolijkheid te zijn ge­weken, promotiepartijen en feesten werden hoe langer hoe zeldzamer, tot de Zwaan nogmaals van bestuur wisselde. Nu veranderde het wel eenigzins. Bij bij­zondere gelegenheden verlaat VELD­HORST wel zijn kamertje, dirigeert dan keuken en kelder, en staat als vroeger op zijn post in de eetzaal, maar toch is het niet het regte. Dat ziet VELDHORST ook in, en daarom zal, wanneer de lieve God leven en gezondheid schenkt, het jaar 1847 hem weder op zijn ouden troon terug­vinden.En wanneer dan nu de winter zal zijn voor­bijgegaan, en de lente gekomen, de maag­delijke levenwekkende lente, wanneer de knoppen ontspruiten, het groen kleuriger wordt en de lucht met balsemgeuren ver­vuld tot genieten noopt, dan vroeg in den ochtend de vier schimmels voor de deur, het oude gemakkelijke jasje aan, de ligte pet op een oor, alle zorgen ampart gezet en dan – “voort koetsier naar VELD­HORST in de Zwaan te LISSE!” Volgens Alexander VerHuelI’s “Eerste en Laatste Studentenschetsen” was de schrij­ver van bovenstaand “juweelig prozastukje” de student Willem Fockens Meijer, de­zelfde die met enige andere Heren Studen­ten in 1848 de hertekop uit Dever heeft gestolen, zoals men in ” ’t Huys Dever” beschreven vindt.

  1. Veldhorst verkocht zijn herberg in 1845 aan Leonard Uljée, die hem twee jaar later weer doorverkocht aan J.P. Rotteveel, logementhouder. Of de bejaarde Veldhorst toen weer “op zijn oude troon” is terugge­keerd?? Zijn “klein liefgelegen huisje” stond omtrent de latere villa Veldhorst, waarnaar de Veldhorst­straat is genoemd.

Hij woonde in Leiden op het Rapenburg en is in 1848 op stellingen gepromoveerd. In hetzelfde boek van VerHuell leest men ook hoe de studenten in Lisse “schildpad­soep, fesant en zwijnskop voor niks” kon­den eten. Er was de dag te voren een “pro­motiepartij” geweest. En koelkasten be­stonden nog niet; het consumeren der restanten was altijd een aangename zaak. Het stuk over de studenten in Lisse is geno­men uit de “Studenten Almanak voor het jaar 1847”. Hoe “het eerste exemplaar van den nieuwen almanak op de sociëteit” werd ontvangen, toont VerHuell U op bij­gaande tekening.

OudNieuws: C.P. van der Codden, eerste herbergier van de Swaen

Cornelis Pietersz van der Codden was eigenaar van de Swaen, de latere Witte Zwaan. Na zijn ovelijden laten zijn weduwe en zijn zoon het voornemen van verkopen en andere afspraken in 1612 officieel vastleggen. Deze afspraken worden behandeld.

Door Dirk Floorijp

Nieuwsblad Jaargang 21 nummer 3, 2022

Afspraken na zijn heengaan, opgesteld in 1612

Leentgen Jansdr en haar zoon Pieter Cornelisz van der Codden lieten hun voornemen voor verkoop en verdere afspraken, alle samenhangend met het overlijden van Cornelis Pietersz van der Codden, in 1612 officieel vastleggen. De verkoop is bekrachtigd in 1613.

Het staat er zo:
Leentgen Jansdr weduwe van wijlen Cornelis Pietersz van der Codden vergeselschapt bij Maarten Jacobsz van Langevelt als haar voogt daartoe vercoren ter eenre, ende Pieter Cornelisz van der Codden, haar zoon tegenwoordig waert in de Swaene ter anderen zijden, beijde onse inwonende, dewelke voor hen ende haren erfen zo zij openbaarlijk bekenden ende verclaerden seckere schriftelijke contracte van de coop handelinge tussen henlieden opgericht, ende alhier van woorde te woorde gesustereert ofte geinterpereert zijnde, luijdende den inhouden aldus.

De Swaen
Cornelis Pietersz van der Codden was waard in De Swaen, hij is zelfs de eerst bekende waard van De Swaen in Lisse. Meerdere eerdere meldingen daarover zijn in de archieven terug te vinden. Hij kwam oorspronkelijk uit Noordwijk waar hij bakker was. In 1587 vinden we hem in Lisse, ook als bakker. Maar in 1589 is hij waard in De Swaen. In februari 1612 is hij overleden. Leentgen, voluit Magdalena, was zijn weduwe. Zijn zoon is daarna, zoals in de acte staat, tegenwoordig waert in de Swaene. Na het overlijden van Cornelis Pietersz van der Codden moest de nasleep van de erfenis natuurlijk afgehandeld worden. Wat opvalt is dat de weduwe er met een voogd, Van Langevelt, is. Dat was in die tijd gewoon en ook noodzakelijk. Het recht was gebaseerd op bijbelse gronden en de vrouw was ondergeschikt aan haar man. Weduwen hadden voor juridische zaken nog altijd een voogd nodig. Langevelt is vast een goede bekende die als voogd optrad, hij is daartoe vercoren (uitverkoren).

Verkoop
Leentgen en haar zoon verklaren, in het bijzijn van Gertruijt, de dochter van Leentgen: dat zij luijden in presentie ende ten overstaen van Gertruijt Cornelisdr hare respective dochter ende suster, hiermede present sijnde verdragen ende veraccordeert waeren dat de voors: Leentgen Jansdr ten behouve van haren voors: soon, in vollen eijgendomme  vercopen ende opgedragen soude, gelijk sij vercopen mitsdesen ende ten eerster gelegender tijt voor schout ende schepenen van Lisse opdragen sal, hare huijsinge ende erve
genaempt De Swan.De Swaen komt dus in eigendom van zoon Pieter Cornelisz  van der Codden. In de acte wordt beschreven waarover het gaat: De Swaen, staende ende gelegen in den voors: dorpe van Lisse, mitsgaders de schuur barch ende gebouwen daer strekkende van den heereweg tot achteraen den breckhouts duijn toe, belendt aan de noordwestzijde Harman de Vries van Onninga aen de zuijdwestzijde Maritge Engelsdr weduwe van Jacob Florisz van Heemskerck.Door deze omschrijving weten we vrij zeker dat het om dezelfde locatie gaat  als waar het latere vermaarde etablissement  herberg. Waarom die naam steeds gekozen werd, daar zijn vele verklaringen voor te geven. Feit is dat het vaak voorkwam.

Een 17e -eeuws gedichtje zegt het zo:

Swaen voert ieder kroeg

So wel in dorp als stad

Omdat hij altijd graag

Is met den bek in`t nat!

 

 

Waarom ons vermaarde etablissement “De Witte Zwaan” die naam droeg weten we niet. In de eerste akten wordt er alleen gesproken over De Swan.

Lasten en overige bezittingen
Aan de te verkopen bezittingen zijn nog wel wat lasten verbonden, een erfhuur van drie groten (oude munteenheid) per jaar bestemd voor de ambachtsheer van Lisse, en nog een losrente van twaalf gulden en tien stuiversper jaar en ter aflossing de penninck zestien die aan d e erfgenamen van Catharina Gerritsdr. toekomen. Dit
vraagt wel een beetje uitleg. Vroeger was het niet ongebruikelijk om geld te lenen tegen ‘de penning zestien’. Dat betekende dan 1/16 deel van het geleende geld als rente betaald moest worden. Best veel in onze ogen. Er is in onze tijd nog een gezegde dat daar op slaat. Iets ‘tegen penning zestien’ verkopen is iets heel duur van de hand doen. Bij de verkoop is inbegrepen: huijsraedt van linnen, ende verder toebehoren mitsgaders houdtwerck, ijserwerck, ende alle tgene Int voors:huijs, aert ende nagelvast is, uitgesei jteenige kleine dingen, die sij daeruit tot haer eijgen gemack ende nootdruft gerefereert heeft. De uitdrukking aard- en nagelvast zal iedereen kennen die wel eens een huis gekocht heeft. Dat moeder Leentgen enige kleine dingen die ze nodig heeft behoudt, spreekt voor zich. Volgens de acte ging dat in goed overleg.

Rechten tot haar overlijden
Kleine dingetjes zou Leentgen dus houden. Er werden ook afspraken gemaakt over hoe Leentgen verder zou kunnen wonen en waar zij van zou kunnen leven. Leengen zal de kamer houden waar ze op dat momentslaapt en ze mag ook haar 6 á 7 (of meer) koeien blijven stallen. Haar dochter Adriaentge mag bij haar blijven wonen, omme haer te assisteren en de voors: koeiengaede te slaen. Over wanneer ze zou komen te overlijden  zijn ook afspraken gemaakt. Alles wat Leentgen op dat moment in pacht heeft en de opbrengst daarvan gaat dan over op haar zoon. Daar mag niemand bezwaar tegen maken of zoals het is verwoord; sonder tegenspreken. Zoon Pieter Cornelisz zorgt dan voor de verdere afhandeling zoals verkoop van de spullen die er dan zijn.

Schulden
Pieter Cornelisz belooft ook de schulden die er zijn af te handelen. Er volgt in het verbaal een opsomming van wat de schulden inhouden. als eerst de somme van seshondert drie entwintig gulden, toecomende Cornelis Claesz van Rijn brouwer tot Haarlem, her comende van geleverde bieren, Jan Fredericxzoon wijncoper tot Leijden die somme van hondertvijftien gulden vier stuijvers, over coop ende leveringe van wijnen, Haarlem stond in die tijd bekend als een echte bierstad. De dan bekende dominee-schrijver Ampzing (1590-1632) schrijft zelfs dat het bier de ‘eerste Hoofdneringe’ van de stad is: de sector groeit, er komen steeds meer brouwerijen en de kwaliteit van het Haarlems bier is onovertroffen. De biernering is de tak van bedrijvigheid waardoor Haarlem ‘so deeglijk is vermaerd’ en waardoor de stad ‘so dapper wel ook vaert’. Vooral het zware bier uit Haarlem is vermaard. Dat er meer schulden waren bij de bierbrouwer lijkt logisch.Bier dronk iedereen maar wijn was toch meer een luxe artikel. Dan was er nog een schuld bij de kerk van Lisse. Die krijgt: de hooftsomme van twee ende tachtig gulden acht stuijvers. Daarover moet rente betaald worden. Tegen den penninck sestien. Dan een rente van twaalf gulden. De erfhuur komt daar nog bij: van drie grooten sjaars daermede de voors: huijsinge ende erve beswaert is, die tsijne laste sullen nemen, na meidach deses jaars 1612. Het meifeest luidde het nieuwe seizoen in. Met een meiboom en feesten. Het was heel gebruikelijk om bij het begin van mei, Meidach dus, allerlei officiële, en financiële zaken te regelen. Nieuwe huurcontracten bijvoorbeeld of erfhuur betalen. Pieter Cornelisz moest ook zijn zusters, Geertruijt en Adriaentgen Cornelisdochters, elk driehonderdvijftig gulden betalen voor hun vaders erfdeel en de uitzet en aan Jan Bastiaensz, getrouwd met Maritgen Cornelisdr, honderdachtentwintig gulden uit vaders erfdeel. Over Jan Bastiaensz staat er: als hem van sijne huijsvrouwen vaders erfenisse sijnd opterende. Maritgen was als getrouwde vrouw niet handelingsbevoegd, haar man is daartoe bevoegd. Alles moet betaald worden op sulcke dagen ende termijnen, als bij het contract van uijtcoop in date als boven sijn belooft. Afgesproken dus.

Gelden
Pieter Cornelisz moet zijn moeder betalen, de somme van veertienhondert carolus gulden te XL grooten t stuck, te weten drie hondert gulden te mei toecomende, gereet als wanneer hij de voors:huuringge ende erve sal ontfangen, en de resterende elfhondert gulden, op hondert gulden sjaars, waarvan mei anno XVI C dertien, d’eerste hondert gulden verschenen sullen worden, ende voorts alle meidagen daaraen volgende gelijke hondert gulden ter volre betalinge toe. We zien hier weer dat mei het moment van (af)betaling is, in dit verband te beginnen in 1613 (er staat anno XVI C dertien). Het toch al lastige begrijpen van oude teksten wordt bemoeilijkt doordat wij gewend zijn aan allerlei eenduidige aanduidingen. In 1612 is dit noch voor schrijfwijzen, noch voor becijferingen het geval. Bedragen zijn voor ons helemaal lastig te duiden. (zie kader)

Het slot
In de acte volgt aan het eind opnieuw een opsomming van waar moeder tot het einde van haar leven recht op heeft. De opzet van het wonen en het vee wordt herhaald en er wordt nog aan toegevoegd moeder haer leven lanck buijten hare costen te voorsien van brant turf ende hout, so veel sij van noode sal hebben soowel in siekte als gesontheijt. Voor alle toegezegde overeenkomsten moeten deugdelijk schuldbrieven passeren bij schout en schepenen van Lisse. Ondertekenaar bij deze acte was van rechtswegen Cornelis Vesmer, notaris bij het Hof van Holland. Het stuk werd ingeschreven ten huize van Joost van Rijn, procureur van het Hof van Holland. Bovendien zijn er nog de geloofwaardige getuigen Jacob Florisz van Wijngaerden, ende Adriaen van Sorijen. De afspraken voor Leentgen waren keurig opgesteld. Haar oude dag was bij wijze van spreken veiliggesteld. Helaas heeft ze niet lang kunnen genieten van haar kamer, de koeien en van de dingen die sij tot haer eijgen gemack ende nootdruft mocht houden. Zij overleed in augustus 1614.

Bron:

Transportregister nr.4 , 1608-1621

De carolusgulden bestond zowel in een gouden als zilveren uitvoering. De gouden carolusgulden werd voor het eerst in 1517 geslagen, de zilveren in 1543. Beide vertegenwoordigden bij de invoering van de zilveren carolusgulden dezelfde waarde. Deze bedroeg 20 stuivers.

GELDSTELSEL
De Zeventien Provinciën kregen in 1582 hun eerste eenheidsmunt. Maar elk gewest had nog wel zijn eigen munt. Daarvoor was er al een gouden carolus. In de tekst staat veertienhondert carolus gulden te XL grooten t stuck. Die XL grooten t stuck gaf de waarde van de gulden aan. Er waren namelijk verschillende guldens in omloop. Ze rekenden niet met een tientallig stelsel. Het geldstelsel uit de tijd van onze acte leek sterk op het stelsel dat tot voorn kort in Engeland in gebruik was. Een gulden had de waarde van 20 stuivers van 16 penningen. In oude geschriften wordt een bedrag vaak weergegeven met 3 cijfers. Bijv. 6 – 12 – 4. Te lezen als 6 gulden, 12 stuiver en 4 penning. Wil je dat in het tientallig stelsel uitdrukken dan wordt dat 6 + 12/20 + 4x((1:20):16), dus 6 + 0,60 + 0,0125 = 6,6125 gulden. Er waren in die tijd ook nog veel buitenlandse munten in omloop. Om dat in goede banen te leiden werden wel speciale boekjes uitgegeven. De notarisomschrijvingen, (waar het in dit verhaal om gaat) moesten natuurlijk maar op één manier uitgelegd kunnen worden.

 

RUZIE IN DE WITTE ZWAAN

Een slaande ruzie in 1640 is helemaal uit de hand gelopen. De rechtzaak wordt beschreven.

Door Dirk Floorijp

Nieuwsblad jaargang 21 nummer 1, 2022

We horen door de eeuwen heen mooie verhalen rondom de herberg De Witte Zwaan. Er zijn echter ook minder mooie verhalen te vinden. Slaande ruzie die helemaal uit de hand loopt.

Marijn Jansz zit met een gezelschap jonge lieden in de herberg De Witte Zwaan en zij worden bediend door de waard Lenart Pietersz van der Codde. Het is op 28 mei 1640, Tweede Pinksterdag. Of hij zich ergerde aan de luidruchtigheid van de jongelui staat er niet bij, maar plotseling staat achter Marijn Jansz baljuw mr. Quirijn van der Maes, schout van Voorhout en wonende in Lisse op het Vierkant op nr. 222. Hij woonde dus in het crimineel raadhuis, daar waar later het Kuikenhuis en weer later de bank was, naast het poortje naar Museum de Zwarte Tulp. Volgens omstanders slaat hij: met een seker geweer genaamt een houwer, in op Marijn die daarna half invalide blijkt te zijn. Er volgt een proces voor de Vierschaar. Eischer. Marijn Jansz. Gedaegde. Quirijn van der Maes. Door de houw in zijn linkerhand zijn enige leden verminkt, “ zulks dat hij zijn handarbeid niet hebbende kunnen plegen, ook niet geslapen, dat hij gedurende zijn leven t selve niet meer zal kunnen doen en door de quetsure vervallen is in grote dessolatie, hij zijne cost niet kan verdienen ook geen middelen heeft om daarvan te leven”. Dat de gedaagde bij vonnisse van deze geregte zal worden gecondemneert, eerst af te houden het meesterloon volgens de notitie van de chirurgijn. Ten 2e de eis te betalen voor smart en pijn door hem geleden en het teken dat hij zijn hele leven gedurende moet dragen, een somme van één hondert caroli gulden voor de verminkte leden en het benemen van desselfs gezondheid daardoor hij zijn kost niet zal kunnen verdienen, en een somme van 300 gulden gedurende zijn leven niet meer kan verdienen. Naast één honderd gulden ook de verzuimde tijd van een arbeidsman, iedere week zes gulden. Nu tien weken. Getekend voor het geregt op 7 aug.1640.

Nergens lees je het weerwoord van Quirijn van der Maes, of hij het eens is met het vonnis of het aanvecht. Hoe kon het zo uit de hand lopen? Had de baljuw zo’n kort lontje? Zou hij ook met zo’n oordeel wel schout in Voorhout en baljuw kunnen blijven. Bij het vonnis kwam hij niet opdagen. Blijkbaar is het buiten het gerecht om geregeld en bleef hij schout van 1639 tot 1664. Hij overleed te Lisse in 1672.

Oud Nieuws: Ruzie in de Witte Zwaan

Een slaande ruzie in 1640 is helemaal uit de hand gelopen. De rechtzaak wordt beschreven.

Dirk Floorijp

Nieuwsblad jaargang 21 nummer 1, 2022

We horen door de eeuwen heen mooie verhalen rondom de herberg De Witte Zwaan. Er zijn echter ook minder mooie verhalen te vinden. Slaande ruzie die helemaal uit de hand loopt.

Marijn Jansz zit met een gezelschap jonge lieden in de herberg De Witte Zwaan en zij worden bediend door de waard Lenart Pietersz van der Codde. Het is op 28 mei 1640, Tweede Pinksterdag. Of hij zich ergerde aan de luidruchtigheid van de jongelui staat er niet bij, maar plotseling staat achter Marijn Jansz baljuw mr. Quirijn van der Maes, schout van Voorhout en wonende in Lisse op het Vierkant op nr. 222. Hij woonde dus in het crimineel raadhuis, daar waar later het Kuikenhuis en weer later de bank was, naast het poortje naar Museum de Zwarte Tulp. Volgens omstanders slaat hij: met een seker geweer genaamt een houwer, in op Marijn die daarna half invalide blijkt te zijn.

Er volgt een proces voor de Vierschaar.
Eischer. Marijn Jansz.
Gedaegde. Quirijn van der Maes.
Door de houw in zijn linkerhand zijn enige leden verminkt, “ zulks dat hij zijn handarbeid niet hebbende kunnen plegen, ook niet geslapen, dat hij gedurende zijn leven t selve niet meer zal kunnen doen en door de quetsure vervallen is in grote dessolatie, hij zijne cost niet kanverdienen ook geen middelen heeft om daarvan te leven”.
Dat de gedaagde bij vonnisse van deze geregte zal worden gecondemneert, eerst af te houden het meesterloon volgens de notitie van de chirurgijn. Ten 2e de eis te betalen voor smart en pijn door hem geleden en het teken dat hij zijn hele leven gedurende moet dragen, een somme van één hondert caroli gulden voor de verminkte leden en het benemen van desselfs gezondheid daardoor hij zijn kost niet zal kunnen verdienen, en een somme van 300 gulden gedurende zijn leven niet meer kan verdienen. Naast één honderd gulden ook de verzuimde tijd van een arbeidsman, iedere week zes gulden. Nu tien weken. Getekend voor het geregt op 7 aug.1640.
Nergens lees je het weerwoord van Quirijn van der Maes, of hij het eens is met het vonnis of het aanvecht. Hoe kon het zo uit de hand lopen? Had de baljuw zo’n kort lontje? Zou hij ook met zo’n oordeel wel schout in Voorhout en baljuw kunnen blijven. Bij het vonnis kwam hij niet opdagen. Blijkbaar is het buiten het gerecht om geregeld en bleef hij schout van 1639 tot 1664. Hij overleed te Lisse in 1672.

 

Oud Nieuws: Een gokje wagen met Spaanse matten

Bij een weddenschap in 1616 was de inzet 3 Spaanse matten. Een Spaanse mat was een gangbaar zilverstuk van 8 realen. Het proces voor de Vierschaar, die 3 jaar duurde, wordt beschreven.

Dirk Floorijp

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 4 Herfst 2017

Ook in Lisse is gokken al een oud begrip, zo blijkt uit “Oud Rechtelijke Archieven”, ORA.

Zilvere en Spaanse matten, voor en achterkant.

Reeds lang voordat de Witte Zwaan in beeld kwam als rechthuis was de herberg aan het kerkhof de zetel van het gerecht, later genoemd “Het wapen van Lisse”. In 1616 had de Witte Zwaan die taak reeds overgenomen. Men kwam echter nog graag samen bij de oude herbergierster Maertge Engelsdr., de weduwe van Jacob Florisz. van Heemskerck. Zelfs boven in de huiskamer, daar kwamen de gezworenen ende geburen bij elkaar om een pintje te drinken of eentje meer, en waar onder andere zekere woorden vielen over een zeker proces dat daar gaande was voor de hove van Holland tussen de gezworens van Lisse en die gemeene buijren, alwaar deze seide, dat de gebuijren ‘t proces winnen zouden. Waartegen Cornelis Sijmonsz. wonende tot Noordwijkerhout seijde, ick zoude wel daarom wedden dat de gezworens winnen zouden, waarop Harmen de Vries mede namens hem seijde, geef mij daarop een Spaanse mat, op drije wederom, dat op die conditie, soo het die buijren ‘t proces winnen zouden die Spaanse mat voor niet hebben, en winnen de gezworens zo moesten zij drie Spaanse matten daarvoor geven. Waar het proces over ging werd niet uit de doeken gedaan, het ging tenslotte over de weddenschap en de gevolgen daarvan. Een Spaanse mat was een gangbaar zilverstuk van 8 realen. Het komt voor de vierschaar van Lisse in 1616. Harmen de Vries als gemachtigde van Cornelis Sijmonsz. van Noordwijkerhout, als eiser, contra Claes Jacobsz. van Oosten geb. Lisse 1550. Gedaagde, Harmen de Vries heeft nu lang genoeg gewacht, er zijn drie jaar overheen gegaan en nog steeds hebben ze geen geld gezien van hun weddenschap. Eiser vraagt de drie zilveren Spaanse matten voor de vierschaar die hij heeft gewonnen. Tot heden zijn de gebuijren in gebreke gebleven om te betalen. Hij zegt: het is nu geleden omtrent drie jaren, dat hij gezeten heeft bij de herberg in gezelschap ten huizen van Maertgen Engelsdr. Weduwe bij haar leven aan ’t kerkhof, om met malcanderen een pintje of meer te drinken. Harmen de Vries is ook niet de eerste de beste, hij was geboren in 1545 in Joure, was waard in “het rode hart” aan het Vierkant en was schout in Voorhout. De herberg was omgedoopt in “De drie Woudfriesen”, naar hem en zijn twee broers vernoemd. De schepenen vonnissen gedaagde om de drie Spaanse realen plus de kosten te betalen. Bij het lezen van deze akte moest ik gelijk denken aan een vaderlands lied wat we vroeger op school zongen over Piet Hein. Wie kent het nog?

Het portret van Piet Pietersz. Heyn (Piet Hein) is een kopie uit 1629 naar een verloren gegaan origineel uit 1625 van Jan Daemen Cool. Piet Hein was een Nederlands luitenant-admiraal en West-Indische Compagnie-commandant. Vooral bekend door de verovering van de Spaanse zilvervloot in 1628, maar vond zelf dat hij voor zijn eerdere wapenfeiten te weinig erkenning kreeg.

Heb je van de zilveren vloot wel gehoord,
De zilveren vloot uit Spanje,
Die had er veel Spaanse matten aan boord,
En appeltjes van Oranje, (dan volgde het refrein)
Piet Hein, Piet Hein, Piet Hein zijn naam is klein…..

Zouden het soms de Spaanse matten zijn van de veroverde Spaanse Vloot? Die waren echter al langer in omloop en klopt dus niet. Piet Hein veroverde de zilvervloot jaren later in 1628. Hij veroverde 20 schepen met goud en zilver op de Spanjaarden aan de stranden van Cuba en kwam met miljoenen terug in Holland. Pieter Pietersz. Hein is als Luitenant-admiraal van Holland begraven 1629 in een praalgraf in de oude of Hypolituskerk van Delft. ■

Bron: ORA invnr. 45

De ´verplaatsing´ van het gemeentehuis, 1848 (2)

In 1848 vergadert de gemeenteraad niet meer in de Witte Zwaan, maar in het Oude Raadhuis, waar voorheen de Baljuw vergaderde en waar een gevangenis was. Het Oude Raadhuis werd in 1921 gesloopt. Hier kwam toen de ABN in de noordoosthoek van het Vierkant.

Door Rob Pex

NIEUWSBLAD Jaargang 12 nummer 2, april 2013

Inleiding

In een vorige aflevering vernamen we dat de verhouding tussen de logementhouder van de Witte Zwaan en het gemeentebestuur te wensen over liet. In 1848 bereikte dat zijn hoogtepunt. Reden genoeg voor de burgemeester om aan de gemeenteraad voor te stellen de vergaderingen voortaan niet meer in De Witte Zwaan te houden, maar elders. Een belangrijke traditie dreigde te worden verbroken: De Zwaan als rechthuis van Lisse. Hier eindigde de vorige aflevering. In dit tweede deel pakken we de draad weer op en verneemt de inmiddels nieuwsgierig geraakte lezer wat er op die bewuste vergadering van 26 september 1848 werd besloten.

Het Oude Raadhuis komt in beeld

Het voorstel van burgemeester J.C. van Rosse aan de gemeenteraad luidde om “bijprovisie”, dus voorlopig, het zogenaamde Oude Raadhuis te gebruiken als gemeentehuis. Het Oude Raadhuis bevond zich aan het Vierkant ter plaatse van de latere Algemene Bank Nederland, dus waar nu Oud Raadwijk in aanbouw is. Het was sedert 1765 van het Baljuwschap van Noordwijkerhout, Voorhout, Hillegom en Lisse. Baljuw en welgeboren mannen vergaderden hier en er was ook een gevangenis. Mogelijk was het vanwege de vergaderingen van genoemde raad van de baljuw en welgeboren mannen dat men het gebouw later Het Oude Raadhuis is gaan noemen. In ieder geval fungeerde het vóór 1848 zeker niet als gemeentehuis, wat de naam wél doet vermoeden. In 1848 was er echter allang geen baljuw meen We lezen dan ook dat “reeds sedert bijna eene halve eeuw ” de gemeente belast was met het onderhoud van het bewuste gebouw aan het Vierkant. Ook wist men niet beter of de gemeente Lisse trad als eigenaar op. Toch besloot men in de gemeenteraadsvergadering van 27 oktober 1848 om “af te wachten wat door gemelde ambachten of gemeenten’ wegens mede eigendom mogt gepretendeerd worden “, maar er kwamen geen reacties binnen.

Hoe zal de logementhouder reageren…?

Inmiddels had men het “afkondigingskastje ” waaraan huwelijks afkondigingen e.d. op aangeplakt werden, overgebracht van De Witte Zwaan naar Het Oude Raadhuis. Ook was men overgegaan tot aankoop van meubilair “en het verder laten repareren en in orde brengen ” van het gebouw. Verder ging men niet.. .Men was namelijk benieuwd hoe de logementhouder, J.P. Rotteveel, zou reageren! Een beetje kat en muis spel spelen dus. Aangezien het logement De Witte Zwaan altijd al als raadhuis had gefungeerd, verwachtte men dat de logementhouder een genoegdoening zou eisen voor de inkomsten die hij nu mis zou gaan lopen. Maar het bleef akelig stil aan deze zijde van het Vierkant. Rotteveel gaf geen kik! Hij vond het kennelijk best dat de gemeenteraad, waarmee hij immers slecht door één deur kon, nu elders vergaderde. Reden temeer dus om verder te gaan op de ingeslagen weg. Er moest nog veel gebeuren aan het nieuwe Oude Raadhuis voordat het in gebruik kon worden genomen, waaronder “het aanbrengen van licht in de benedenvertrekken “, de reeds aanwezige tafel “appropriëren ” (verbeteren/herstellen) – want in deze zorgelijke tijd was men zéér zuinig! (Zie ook het kader) – en het aanbrengen van “eene balie”.

Conclusie

Zo was er dus in 1848 een einde gemaakt aan een lange traditie, waarbij De Witte Zwaan fungeerde als rechthuis. En dat alleen, omdat logementhouder en gemeentebestuur niet met elkaar konden samenwerken… Het gebouw met de opvallend voorspellende naam Het Oude Raadhuis ging nu fungeren als gemeentehuis. Dat is zo gebleven tot in het jaar 1905, toen er een nieuw raadhuis in gebruik werd genomen.

De geschiedenis van De Witte Zwaan, deel 3 en slot

De feesten in de Witte Zwaan worden besproken. De belevenissen van de herbergiers vanaf 1742 worden weergegeven.

door Arie in’t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 5 nummer 4, oktober 2006

RUYME, HEGTE EN STERKE HUYSINGHE MET SAATSOLDERE N PEERDESTALLE’

In veel pennenvruchten over de geschiedenis van Lisse wordt vaak gesproken over het restaurant ,De Witte Zwaan1. Een oergezellige uitspanning aan de rand van het dorpsplein ’t Vierkant dat overigens nooit vierkant was, maar driehoekig. De Witte Zwaan stond ongeveer op de plek waar nu een supermarkt is gevestigd.

In De Witte Zwaan werd vertier gezocht en gevonden. Het was de herberg waar studenten uit Leiden wilde feesten vierden, waar men kon genieten van de kostelijke en beroemde schotels van baars die werd gevangen in het Haarlemmermeer, waar de postkoets van paarden verwisselde en waar schout en schepenen recht spraken. En ook waar Vadertje Veldhorst prachtige verhalen vertelde.

De Witte Zwaan was ook het etablissement waar menige Lissese vereniging werd opgericht en al dan niet gebruik maakte van de sfeervolle vergaderlokalen en waar de Hobaho in 1921 voor het eerst bloembollen ging veilen. Kortom De Witte Zwaan nam een belangrijke plaats in het dorpsleven in.

Maar belangrijk of niet: de herberg werd, na zo’n vierhonderd jaar zowel letterlijk als figuurlijk in het middelpunt van Lisse gestaan te hebben, aan het begin van de zeventiger jaren van de afgelopen eeuw afgebroken. En hoe jammer men dat achteraf allemaal heeft gevonden bleek tijdens de viering van het 800-jarige bestaan van Lisse in 1998, toen speciaal vanwege het bereiken van deze mijlpaal de gevel van De Witte Zwaan compleet werd herbouwd… Maar ook toen weerklonk de zwanenzang, want na een halfjaar werd de kunstige gevel opgedoekt, om elders goede sier te maken. In eerdere edities van de story over het reilen en zeilen van De Witte Zwaan is Rob Pex vier eeuwen in de tijd teruggegaan. In het Morgenboek van Rijnland waarin de grote landerijen en de namen van hun eigenaars werden opgetekend komt de naam van ,De Zwaan’ voor de eerst maal in 1544 voor. In de tweede aflevering is Pex gekomen tot ongeveer 1709 en bij de vraag waar de toenmalige uitbater Joris Van den Bos uiteindelijk is gebleven, nadat zijn spulletje was verkocht aan Maria van der Maarsche. Het leven en de tijd gaan door en de concurrentie wordt zwaar. Lisse heeft bepaald geen tekort aan uitspanningen. “Het roode hart onder den groenen Eyck” diende zich aan. Verder herberg “Het wapen van Lis ” (later de stopplaats van de postwagens) en de, Gouden Over’ tastten de klandizie van De Witte Zwaan aan. Onder het bewind van Cornelis Janse Onnosel gaat het op den duur hopeloos mis. In 1742 wordt het etablissement publiekelijk geveild en Hendrik van Leeuwen is de koper. Volgens de koopakte krijgt hij de beschikking over een ,ruyme, hegte en de sterke huysinge met eene groote en hegte hoorn en saatsolder, twee peerdestalle, een koestal en een welbeplante tuyn’.

Herbergier Onnosel ook Geregtsbode

Leidse studenten aan het feesten in De Witte Zwaan. Het etablissement was heel populair onder de studenten omdat ze vaak bederfelijke resten mochten opeten, zoals fazanten, varkensvlees en pasteien. (Foto Lisse Rommeling)

Onnosel had overigens genoeg omhanden, want hij was ook Geregtsbode en er viel het nodige te doen en te beleven in wat het rechthuis van Lisse was. Zoals de verkoop van insolvente boedels. Zo’n boedel was niet meer solvent doordat er schulden op rustten die hoger waren dan de waarde van de goederen. Om nu te bepalen wie als eerste recht op de opbrengsten had, publiceerde de bode het voornemen tot de verkoop. De proclamatie werd dan voor het rechthuis van Lisse voorgelezen op het moment dat de kerken uitgingen en er dus veel mensen in de onmiddellijke omgeving op de been waren. Vervolgens werd de proclamatie ook opgeplakt op het publicatiebord bij het etablissement.

Op 29 maart 1742 wordt De Witte Zwaan (weer) verkocht. Hendrik Cornelis Onnosel, zoon van de in 1740 overleden Cornelis Janse Onnosel, verkoopt het aan Thomas de Vries “wonende onder den vrijdom van de Stad Haerlem, een Huys, Stallinge voor Paerden ende een Koestal, daar annex met de verdere Timmeragie me een Erve, ende kroften Lands daar agter aan, in desen Dorpe, sijnde een Herberge genaamd de Witte Swaan “.

Een volgende eigenaar was Hermanus Blom uit Amsterdam die in Lisse wel bekend was omdat hij ook een tijdje eigenaar van het huis Ter Specke was geweest. De jaren gaan voort en De Witte Zwaan ontwikkelt zich tot een herberg van standing. De rekeningen van het dorp worden er ter inzage gelegd en de schout en schepenen spreken er recht. Met goed weer buiten en als het regent binnen. Desondanks breekt een slechte tijd aan voor de herbergiers. De pinten en tinnen kroezen worden minder frequent gevuld en ook ruiters houden hun paard op de Heereweg niet meer in om het inwendige van man en paard te versterken. De herbergiers volgen elkaar snel op.

Veldhorst

In 1806 staat Anthony van Keulen achter de tapkast en wordt korte tijd later opgevolgd door Jan Lemmers. De Witte Zwaan krijgt de wind weer in de zeilen. Het wordt een van de meest bezochte herbergen in de omgeving van Leiden. Het zijn vooral de studenten die er hun feesten en partijen beleggen. De eigenaar in 1810, Gerrit Veldhorst, is zelfs zo’n populaire waard, dat zij een lofdicht op hem schrijven. Wijlen A.M. Hulkenberg heeft uitgebreid over Veldhorst en het reguliere bezoek van de Leidse studenten geschreven in het boek ‘Lisse rommeling’. In 1831 verkoopt Veldhorst het etablissement met kolfbanen, koeien en paardenstallen voor welgeteld tweeduizend guldens aan Cornelis A. Bakhuyzen uit Leiden. Enkele jaren later is Veldhorst opnieuw eigenaar. Het vermoeden bestaat dat zijn tijdelijke afscheid heeft te maken met de dienstplicht en de “Belgische opstand”.

Waranda

Lisse – Langs de Witte Zwaan”. Op deze halve zeldzame ansicht uit circa 1900 zien we links De Witte Zwaan. 

In 1845 verkoopt de roemruchte waard het etablissement definitief. De nieuwe eigenaar wordt Leonard Uljee waarvan wordt vermoed dat hij degene is die in 1846 de karakteristieke waranda liet bouwen. Leuk natuurlijk, maar burgemeester Eenhuis dacht daar anders over. Hij was fervent voorstander van de trottoirs langs de Heereweg en het Vierkant. Al wandelende kreeg hij met de noodzaak om aan zijn wens invulling te geven te maken, want hij stootte op een gegeven moment neus aan de serre van de Witte Zwaan, die brutaal naar voren stond te staan. Geen trottoir te zien en dat vond de burgervader maar niks. Daar moest verandering in komen, maar hij had buiten de waard gerekend. Niet die van De Witte zwaan, maar in de vorm van de gemeenteraad van Lisse want die eiste dat de warande overeind bleef. “Deze waranda is het gezicht van het hotel, ” aldus de gemeenteraad van Lisse die daarmee een streep door de rekening van de burgemeester haalde. Eenhuis heeft uiteindelijk toch nog zijn zin gekregen…….. maar dat kwam pas vele, vele jaren later aan de orde…

Familie Van Ruiten

In 1877 komt de herberg in het bezit van de rijtuigverhuurders A. J. van de Bom en Cornelisz Jongbloed, die de zaak datzelfde jaar doorverkopen aan de familie Van Ruiten. 42 Jaar zwaaien ze de horecascepter. In 1921 gaat het driemanschap, Homan, Bader en Hogewoning (Ho Ba Ho) de herberg gebruiken als bloembollenveiling. Op 21 april van dat jaar wordt de eerste bollenveiling in het etablissement gehouden. De Hobaho breidde echter uit en verhuisde naar de Haven. De familie Hekkers liet De Witte Zwaan zijn vleugels weer uitslaan. De herberg van weleer werd omgetoverd tot een nette gelegenheid waar de heren van de sociëteit zich in gepaste stijl onderhielden achter de vergadertafel. In de oorlogsjaren werd de uitspanning gepacht door de familie van Duinen en in latere jaren was Cornelia van Haasteren eigenaar van zowel het etablissement als de bioscoop die er achter gelegen was.

Waar is de Zwaan?

De Witte Zwaan en ook de bioscoop (het Luxortheater) hadden echter hun langste tijd gehad. De eigenaren moesten steeds grotere bedragen gaan besteden aan herstel van het interieur. De familie van der Ploeg ondernam vanaf 1969 de laatste ultieme pogingen om het restaurant en de zalenaccommodatie te behouden. Tevergeefs. Een teleurgestelde Van der Ploeg indertijd tegen een plaatselijk journalist: “We hebben dag en nacht ^ gewerkt om er iets behoorlijks van te maken, maar steeds weer opnieuw komen we voor zeer hoge onderhoudskosten en het is economisch gezien niet meer verantwoord om nog geld in de Witte Zwaan te steken. ” Op 26 februari 1971 was het definitief gebeurd. De Witte Zwaan zong zijn zwanenzang en er is niets meer dat nog aan die roemruchte tijd herinnert. Hoewel …. de zwaan schijnt nog ergens te zijn.

F00629 – Hotel de Witte Zwaan in 1915. Hier werd de eerste veiling van de Hobarho in 1921 gehouden.

Het logement De Witte Zwaan en zijn bewoners (deel 2)

De periode van 1544 tot 1709 wordt besproken. Onder anderen worden de belevenissen van Joris van den Bos besproken. Hij pleegde fraude.

door R.J.Pex

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 3, juli 2006

Deel II: 1544-1709 (2)

Zomer 1689: Joris, onze herbergier, had inmiddels lucht gekregen van de hele affaire met zijn dochter. Daar Anna haar gedoodverfde vriend kennelijk vaak ontmoette op weg naar school (wachtte hij haar ergens op?), besloot Joris zijn dochter zelf naar school te brengen. Op een dag in de zomer van bovengenoemd jaar, toen Van den Bos zijn dochter ôhad uyt den huys ter schole besteltö was Jan Kroes op bezoek bij Cornelia Claasdr. van Parlevliet.

Jan Kroes was “geheel misnoegt” en trok zich “het voorszegde schoolleggen” erg aan. Wat moest hij nu? Stel dat Anna met iemand anders zou trouwen? En met “groote hevigheijt” dreigde hij dan ook “dat soo de voornoemde Anna van den Bos tot eenigen tijde met ymand anders kwam te trouwen, hij Jan Meijnardse den gene die haar getrout mogt hebben het leven soude benemen”. Onze charlatan moet wel diep gefrustreerd zijn geweest (en daarnaast ook wel wat bezitterig). Nog in 1690 was Kroes bij Adriaan Mathijse van den Berg te Amsterdam geweest. Daar had hij onder meer “geseijt, dat hij na haar (Anna van den Bos) niet meer soude sien, maar wagten tot datse kwam te trouwen, ende dat hij alsdan haar eerst soude aanranden, ende soo de man voor haar wilde spreken, gesworen had, dat hij de Man in riemen soude snijden”. We kunnen ons voorstellen dat de angst er bij zowel Anna als haar ouders diep in zat.

Het Vierkant, waar zich een belangrijk deel van het dorpse leven afspeelde. Links de serre van De Witte Zwaan. De stoomtram is juist gearriveerd. Coll. auteur.

Eerlijk en betrouwbaar
Inmiddels was al duidelijk met wie Anna binnenkort zou gaan huwen, namelijk met Abraham Jacobse Kok, vlasser van beroep. Veel minder begiftigd weliswaar met het aardse slijk, maar tenminste een eerlijke en betrouwbare echtgenoot. En daar ging het in deze toch maar om. In mei 1692 traden ze in het huwelijk. Anna kreeg een zeer rijke uitzet mee. Helaas, het huwelijk heeft niet lang geduurd. Slechts zo’n kleine vijf maanden later is Abraham begraven. We lezen in het rooms-katholiek begrafenisregister: “Abraham Jacobsz. obiit 9 octob.” (1692). Had Jan Kroes zijn woorden waargemaakt, waarmee hij ruim anderhalf jaar geleden had beweerd dat hij degene met wie Anna in het huwelijk zou treden “in riemen” zou snijden? Hoe dan ook, het moet wel een bijzonder onplezierige tijd zijn geweest voor de familie Van den Bos.

Fraude!
Jarenlang bleef “d’eersame” Joris van den Bos een eenvoudige, eerlijke herbergier, die gewoon, net als iedereen, met hard werken de kost moest zien te verdienen. Een eenvoudige, eerlijke herbergier?
Al gauw gingen er roddels in het kleine dorpje Lisse rond. Van den Bos had fraude gepleegd! Zo zou hij op 23 augustus 1689 vijf vaten bier besteld hebben bij Cornelis Hugens van der Kluft, biersteker van beroep, maar aan de belastingpachter Maarten van’t Hoog slechts vijf halve vaten opgegeven hebben. Dat liet Joris niet zomaar over zijn kant gaan. Hij liet op 23 november van hetzelfde jaar een getuigeverklaring afleggen bij de secretaris Jacob van Dorp. Op die datum verschenen voor laatstgenoemde, Cornelis Hugens van der Kluft, Willem Hugense van Velsen, Gerrit Franse, Jannetje Adriaens Doorneveld en Jannetje Willems. Willem Hugense verklaarde pertinent dat hij op 23 augustus 1689 ’s morgens ten huize van Maarten van’t Hoog, belastingpachter “van de Bieren over Lisse”, vijf halve vaten bier had aangegeven die alle voor Joris van den Bos bestemd waren. Vervolgens zou hij samen met de eerste “deposant”, Cornelis Hugense, drie halve vaten bij Joris van den Bos “in de kelder gewerkt hebben”, waarna de twee resterende vaten later op de dag zijn bezorgd. Twee deurwaarders en de ontvanger van de belastinggelden, Maarten van’t Hoog, zouden zelfs de vaten gepeild hebben! Dat peilen hield vermoedelijk in dat de vaten bier op inhoud gecontroleerd werden, teneinde te bepalen of er inderdaad zoveel bier was besteld als opgegeven bij de belastingpachter of “collecteur”. Ze stelden vast dat Joris inderdaad vijf halve vaten bier had liggen in zijn kelder.
Voorlopig zal Joris van den Bos wel buiten vervolging zijn gebleven met deze verklaring. Doch reeds verzamelden zich donkere wolken boven het hoofd van onze herbergier. In 1702 zou hij tenslotte voor de tweede maal betrapt worden “op fraude” door een van zijn eigen dorpsgenoten. Toen kwam hij er minder goed vanaf…

Nog meer aantijgingen, 1702
Dertien jaar later deden er opnieuw verhalen de ronde over de hospes in De Witte Zwaan, Joris van den Bos. Op een kwade dag had Gerrit Willemse Oudshoorn ontdekt dat Van den Bos opnieuw de belasting ontdoken had. Hij zou hem zelfs hebben aangebracht bij de belastingpachters die over deze streek gingen. Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje door het dorp en spoedig wist iedereen het. Er verscheen zelfs een liedje over, geschreven door enige fanatieke Lissenaren! Helaas is de inhoud van het liedje niet bekend, maar het kwam erop neer dat Gerrit Oudshoorn de hospes “had verklikt ende aen de Pagters (belastingpachters) aengebragt soude hebben”. Vreemd genoeg werd Oudshoorn hierdoor met de nek aangekeken. Het werd hem te warm onder de voeten en hij zag zich zelfs genoodzaakt uit Lisse te vertrekken, zijn vrouw en kinderen achterlatende, zodat die “onderstand” moesten krijgen van de diaconie. Een en ander zou zich in de winter van 1702 afgespeeld hebben. Heeft toen ook Joris van den Bos Lisse verlaten? In 1703 probeert hij zijn aandeel in De Witte Zwaan, gekocht op 9 maart 1698, te verkopen, waarin hij echter niet slaagde. In 1704 hield hij bovendien boelhuis op de Zwaan, wat hem zo’n f 400 opleverde en het jaar erop verkocht hij een perceel gelegen aan de Gracht aan korenmolenaar Lenard Willemse Oote voor f 1525. Er wordt dan reeds in de akte vermeld dat Van den Bos te Haarlem woonachtig was, waarschijnlijk in het huis dat even buiten de stadsmuren van Haarlem gelegen was en dat hij vermoedelijk had geërfd van zijn in 1686 overleden neef Johannes Dankerts.

Insolvent, 1709
Van den Bos heeft nog een aantal jaren in zijn huis bij Haarlem gewoond, doch het ging kennelijk met hem financieel steeds verder bergafwaarts. Al spoedig kon hij ook de belastingen niet meer opbrengen. De schulden liepen dus op en in 1708 was Van den Bos insolvent. Dit hield in dat de schulden groter waren dan zijn vermogen. In zo’n geval moest er een curator worden benoemd. Dat werd op 19 december 1708 Hendrik Hardenberg. Hij heeft in 1709 een lijvige rekening laten opstellen. Er is heel wat verkocht. Allereerst is “den Opstal van een huysmans ofte Boere Woninge (…) staande even buyten de klijne houtpoort in de Poellaen”, in welk huis Joris van den Bos de laatste jaren woonde, verkocht voor f 455. Verder werd nog wat mest verkocht en een partij hooi. Bovendien was op 6 februari 1709 in Haarlem het aandeel dat Van den Bos had in “de herreberge” De Witte Zwaan verkocht aan Maria van der Maarsche, weduwe van Johan van Bergum, die het overige gedeelte van de herberg bezat. Opbrengst van deze veiling was f 500. Alle veilingen tezamen leverden zo’n f 1044 op, genoeg om de schulden mee af te lossen.

De jaren na 1709
In de periode na 1709 komen we de naam van Joris van den Bos niet meer tegen in de Lissese archieven. Ongetwijfeld is hij naar elders vertrokken, maar waarheen is onbekend. Hij lost dus na 1709 volkomen op in de mist. Zijn zoon Jan komen we nog wél een aantal malen tegen. Zo legt hij als inwoner van Lisse op 8 augustus 1713 getuigenis af over Pieter Colaert, eigenaar van Berkhout. Hij is dan achtendertig jaar oud en moet dus geboren zijn in 1675. In 1714 wordt Jan Jorisse van den Bos genoemd in verband met een aanstelling in de stille nachtwacht. De jongste vermelding dateert uit 1747. Jan is dan tweeënzeventig jaar oud. Hij moet dus op vrij hoge leeftijd gestorven zijn.

Conclusie
Aldus blijven er aangaande Joris van den Bos nog heel wat vragen over. Vanwaar zijn vertrek uit Lisse? Werd ook hem de grond te heet onder de voeten, nadat bekend was geworden dat hij fraude had gepleegd? En waarom ging het financieel zo snel bergafwaarts na die tijd? Waar is hij na 1709 gaan wonen? Allemaal vragen waar we vooralsnog geen antwoord op hebben kunnen vinden.
Inmiddels was er in De Witte Zwaan een nieuwe logementhouder gekomen: Cornelis Janse Onnosel. Meer over zijn reilen en zeilen in het volgende deel.

Klik hier voor het volgende deel

Bronvermelding
– Nationaal Archief, Rechterlijk Archief Lisse, inv.nr. 10, 13, 30, 31, 62
– Gemeentearchief Haarlem, Oud Rechterlijk Archief, inv.nr. 90.67.
– Streekarchief Rijnlands-Midden, Notarieel Archief Alphen, inv.nr. 174.
– Gemeentearchief Lisse, inv.nr. 229.
Gebruikte literatuur
– A.M. Hulkenberg, ’t Roemwaard Lisse (tweede druk, Lisse 1998), pp. 40, 44.

Copyright © 2006 Vereniging Oud Lisse

Het logement De Witte Zwaan en zijn bewoners, deel 1

In deel I wordt 1544 tot 1709 besproken. Het was het sociaal-cultureel trefpunt van Lisse. De eigenaren worden besproken. Ook was het rechthuis. In 1680 is het verkocht. In 1713 is de Witte Zwaan verbrand.

door R.J.Pex

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 2 april 2006

Deel I: 1544-1709 (1)

Logement/café/restaurant/partycentrum De Witte Zwaan aan het Vierkant was een sociaal-cultureel trefpunt, een plek waar mensen elkaar ontmoetten voor vergaderingen of gewoon om nieuwtjes uit te wisselen. Bovendien fungeerde De Witte Zwaan ook als rechthuis en had de logementhouder er dus nog een baantje bij, namelijk die van gerechtsbode. De geschiedenis van dit vermaarde etablissement begint in de 16e eeuw.

 

Een oude ansight van omstreeks het begin van de twintigste eeuw die ons duidelijk De Witte Zwaan laat zien. Er was een hele hoop mensen aan komen lopen, want zo’n fotograaf was toch iets bijzonders! Op de achtergrond de hervormde kerk. Foto: Coll. auteur.
Deze artikelenreeks beoogt een beknopt overzicht te geven van de geschiedenis van De Witte Zwaan vanaf 1544 tot de sloop in 1971: bijna 430 jaar geschiedenis dus. Er heeft zich in deze periode op dit plekje van Lisse heel wat afgespeeld. Dat betreft natuurlijk niet alleen het pand zelf, maar ook de bewoners ervan. Meer nog dan in onze tijd konden ze getroffen worden door ziektes die de dood als gevolg hadden, de kindersterfte was hoog en minstens één keer in zijn geschiedenis (namelijk in 1713) is de herberg getroffen door brand. Dit laatste was in vroeger tijden nog eens extra betreurenswaardig, daar mensen hier niet voor verzekerd waren, zoals tegenwoordig. Je was dan gewoon alles kwijt en je kon dus weer helemaal opnieuw beginnen.

Gerrit Jacobsz. en de familie Van der Codde
Reeds in 1544 bevond zich op de plek waar we in later tijden De Witte Zwaan tegenkomen, een huisje, dat op dat moment van Gerrit Jacobsz. is. Of het toen al fungeerde als herberg is de vraag. Vlakbij bevond zich bovendien al een herberg, namelijk op de hoek van de Heereweg en de Achterweg, in oude akten ook wel de “herberg aan’t kerkhof” genoemd. En meer noordelijk, ter plaatse waar zich tegenwoordig sigarenwinkel De Bruin bevindt, was de herberg “Het Rode Hart (Hert) onder den groenen Eik” gevestigd. Werd onder die groene eik soms recht gesproken, zoals gebruikelijk was?
Later, in 1597, blijkt er wel degelijk sprake te zijn van een herberg. Het logement is dan in handen van Cornelis Kuyper (van der Codden). In laatstgenoemd jaar heeft men ten zijnen huize dansbal gehouden, wat streng verboden was. De baljuwsbode ging er dan ook op af, maar hij werd door Aelbert Dignumsz. de Roo hardhandig naar buiten gewerkt.

Verkoop, 1680
Nu slaan we bijna een eeuw over. We bevinden ons dan in het jaar 1680. In dat jaar hebben de erfgenamen van Cornelis Willemsz. van der Codden “de witte Swan” verkocht aan Johannes van Bergum. Het ging hierbij echter om een gedeeltelijke overdracht. Een kwart van het bezit bleef namelijk in handen van de familie Van der Codden.
Van Bergum was gehuwd met Maria van der Maarsche en woonde in Haarlem. Aldaar was hij lid van de vroedschap. Hij was een welgesteld bierbrouwer. Misschien dat hij vanuit deze hoedanigheid reeds eerder, namelijk in 1672, een huis aan ’t Vierkant had gekocht waar bier werd getapt: op deze wijze kon hij gemakkelijk zijn bier kwijt. Ook in De Witte Zwaan werd natuurlijk heel wat van dit gerstenat verkocht. Op deze wijze werd Van Bergum eigenaar van een keten van herbergen, waar hij vervolgens zijn eigen bier aan de man kon brengen: slim bekeken dus. Van Bergum woonde niet zelf als logementhouder in de Zwaan. Dat was vanaf circa 1680 Joris van den Bos. Met betrekking tot deze persoon staat in de archieven heel wat vermeld.

Herbergier Joris van den Bos
Van den Bos was getrouwd met Anna Maartens en had twee kinderen, namelijk een dochter Anna (geboren omstreeks 1668) en een zoon Jan (geboren in 1675). In 1682 zijn deze nog zeer jong. In dat jaar is Joris getaxeerd ten behoeve van het zout- zeep-, heren- en redemptiegeld. Dit was een belasting over verbruikt zout en zeep, terwijl het herengeld werd geheven naar rato van het aantal personeelsleden dat in dienst was. Joris had op dat moment twee dienstboden in huis: een Quirientje en Floris Cornelisz. de Vlieger. Hij werd ingedeeld onder de tariefgroep die men de “Halve Kapitalisten” noemde: over het algemeen gegoede ambachtslieden. Onze Joris was dus redelijk welgesteld. Bovendien kwam daar enige jaren later nog een erfenis bovenop.

De erfenis, 1686/87
Op 7 augustus 1686 verscheen voor schout Adriaen van Gorcum op diens buiten Berkhout “den E. Joannes Dankerts, konstig schilder”, ofwel kunstschilder. Hij woonde in Haarlem. Wat deed hij dan precies in Lisse? Welnu, in Lisse woonde een neef van hem, onze herbergier Joris van den Bos, en hij wilde hem tot zijn universeel erfgenaam benoemen. Vandaar dus zijn komst naar Lisse. Van den Bos hoefde de erfenis niet lang af te wachten, want reeds in hetzelfde jaar verwisselde de kunstschilder het tijdelijke met het eeuwige. Hij bleek enige goederen in Engeland nagelaten te hebben, waar neef Dankerts blijkbaar een soort tweede huis bezat. Nu had Dankerts in zijn testament geen executeurs benoemd. In zulke gevallen kon blijkbaar de bisschop van Canterbury tussenbeide komen, indien de nagelaten goederen zich natuurlijk ook in zijn bisdom bevonden. Daar Joris echter in de Nederlanden woonde ging dit recht over op “d’Eersame magistraten ende regtsprekers der Steede (!) Liss, in den Lande van Holland”. In een fraaie akte wordt de overdracht van dit recht nog eens plechtig in het Latijn bevestigd.
Of Van den Bos echt veel wijzer van deze erfenis is geworden, is niet bekend. We weten namelijk niet wat de erfenis precies behelsde. Hoogstwaarschijnlijk waren er ook goederen bij betrokken die gewoon in Holland lagen, zoals een huis met bijbehorende landerijen gelegen even buiten de stadsmuren van Haarlem.

De geschiedenis van Anna van den Bos, 1688-1694
De jaren na 1688 zijn om meerdere redenen voor Joris en zijn gezin moeilijk geweest. Zo bleek al gauw dat zijn dochter Anna aan de haak geslagen was door Jan Meijnardse “geseijt Jan Kroes”. Hij werd door verscheidene dorpsgenoten beticht als een “kaarl (kerel) van een los, roukenloos (roekeloos) ende ongebonden leven” en hij zou zelfs met “verscheijde vrouwspersonen van een kwaat gerugt” omgang hebben, zo werd beweert. Jan Kroes trachtte dan ook de relatie met Anna zoveel mogelijk voor de ouders verborgen te houden. Echter Floris Cornelisse de Vlieger, die samen met een Quirientje in dienst was bij Joris van den Bos in “De Swan”, kreeg al gauw lucht van de relatie van Anna met de losbol Jan Kroes. Laatstgenoemde had daarop Floris en Quirientje bedreigd. Indien zij met het nieuws naar de ouders van Anna gingen, zou “hij Jan Meijnardse hem deposant, ofte de voornoemde quiryntje (…) den Bek open ende de kleederen van’t Lijf (…) snijden”. Vanwege dit laatste achtten Floris en Quirien het beter om maar helemaal niets aan de ouders van Anna te vertellen.

Verzoekschrift van Joris van den Bos d.d. 27 juni 1695 inzake aanstelling tot wijntapper.

“Aan de Edele Agtbare Heeren Schout ende Burgemeesteren van Lisse,
Geeft met behoorlijke Eerbiedigheijt te kennen Joris van den Bos, Wijntapper tot Lisse, dat hij Suppliant van meeninge soude sijn wijn met de kleene maat te verkoopen ende gelagen te setten. Dan overmits hij volgens den xlv (45ste) ende xlvi (46ste) articulen van de particuliere ordonnantie van haar Edele groot Mogende op de wijnen sulks niet en soude mogen doen, sonder daar van verklaringe gedaan, suffisante Cautie (borg) voor de verantwoordinge van den impost van drie oxhoofden (een inhoudsmaat) gestelt, ende ook behoorlijke admissie (toestemming) te hebben. Soo keerde den Suppliant (Joris van den Bos) hem tot uEdele agtbare, ootmoedelijk versoekende dat deselve hem Suppliant voor wijntapper gelieven aan te stellen ende admitteren, alsoo hij bereijd is het regt van den impost volgens den ordonnantie ten minsten tot het voorszegde getal van oxhoofden wel meerder maar niet minder te betalen, ende daar voren tot Cautionaris (borg) te stellen Engel Jacobse van Heemskerk, ofte soodanige andere, als suffisant genoeg sullen worden geoordeeld. T’welk doende &c. Overgegeven den xxvii Juny xvic xcv (27 juni 1695). Joris van den Bosch”.

Klik hier voor het volgende deel

De Witte Zwaan

Copyright © 2006 Vereniging Oud Lisse