Berichten

OUD NIEUWS: Kwaadaardige honden op Dever

Heer van Dever Jhr. Willem de Wael van Vronesteijn (1648-1699) had veel problemen met zijn windhonden. Zij vielen schapen en zelfs een bezoeker aan, die ernstig aan zijn been verwond werd.

Dirk Floorijp

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 1 januari 2019

De heer van Dever Jhr. Willem de Wael van Vronesteijn (1648-1699), gehuwd met Agatha Adriaansdr. Bijl (1634-1694), heeft heel wat te stellen met zijn liefhebberij, het houden van windhonden. Er lopen er zeker al vier los op zijn erf, van aanlijnen wetenv ze nog niet. Hij gebruikt zijn honden waarschijnlijk voor de jacht en bewaking.
Of er daarvoor ook al problemen zijn geweest weten we niet, maar in 1682 verschijnen er een aantal dorpsgenoten voor schout en schepenen met ernstige klachten. ‘Voor schout mr. Adriaan van Gorcum en de schepenen Jacobus Dirkse van ’t Hoog en Jacob Ottense Cranenburg verschijnen Jacob Dirkse Uijtermeer, oud omtrent 36 jaren (geb. ca 1646 en gehuwd met Marijtje Cors Langevelt), en Cornelis Pieterse desselfs bouwknecht, oud omtrent 20 jaren, beide onze inwoners, en Sijmon Cornelisse Oostdam, (ca 1632-) gehuwd met Jannetje Pietersdr Van der Plas, wonende in Noordwijkerhout, oud omtrent 50 jaren’. Cornelis Pieterse verklaart, op verzoek van de hoogedele heere Willem Benting, houtvester van Holland, dat hij, komend op maandag 8 juni 1682 van de Delftse paardenmarkt, heeft gezien dat twee windhonden waarvan hij later vernam dat zij toebehoorden aan jhr. Willem de Wael van Vronesteijn, heer van Dever, door de wei van zijn baas Jacob Uijtermeer de beesten achterna zaten. Hij heeft gezien dat een schaap in de sloot lag en een lammetje zeer verwond was. Cornelis vertelt dit aan zijn baas Jacob Uijtermeer, die zich naar Dever spoedt en jhr. Willem verzoekt de heer de geleden schade door zijn honden aangedaan te vergoeden. De zaak wordt in der minne geschikt voor vijf gulden en twee stuivers.
De derde getuige Simon Oostdam doet zijn verhaal voor schout en schepenen. Afgelopen september ging hij naar de wei van Willem Ariense in Noordwijkerhout, waar zijn ram liep, die hij naar zijn eigen weide wilde overbrengen. Het dier was echter zo ernstig gebeten dat het moest worden afgemaakt. Ene Cornelis Jacobse uit Noordwijkerhout wist hem te vertellen, dat de windhonden van de heer van Dever de ram zo hadden toegetakeld. Ook hij vervoegt zich bij jhr. Willem, heer van Dever, die prompt de schade voldoet van vier gulden en tien stuivers. Het wordt nog erger. Claas Joosten van Diest, 64 jaar, tuinman van beroep (getrouwd met Grietje Hermans Cuijper), legt een verklaring af. Schout en schepenen moeten ervoor naar het huis van Claas, omdat hij zwaar gewond op bed ligt. Onder ede verklaart Claas het volgende (en mocht hij niet de waarheid spreken, dat God hem dan van deze wereld wegneemt): zijn neef, Mathijs van Bambergen, wijnkoper te Amsterdam, was op 9 augustus j.l. naar jhr. Willem gekomen om een rekening te innen voor geleverde wijn en azijn. Hij trof echter de heer van Dever niet thuis. Daarom was hij naar Claas gegaan en had hem gevraagd voor hem nog een keer naar Dever te gaan met de rekening, omdat Mathijs weer terug naar Amsterdam moest. Claas was zijn neef

Huys Dever door Roeland Roghman (1627-1692.
De windhonden zijn ingezet.

graag ter wille en begaf zich op vrijdag 16 oktober met de rekening naar Huis Dever. Wij laten het opgetekende verslag letterlijk volgen: ‘Ende komende op desselfs werf de vier winthonden van den voornoemde heere van Deveren die los over de werf liepen aanstonts seer furieus op hem sijn aangevallen, ende dat een van de swarte honden hem op drie bijsondere plaatsen in sijn slinkerbeen seer ellendig heeft gebeten, ende de laatste reys een groot stuk vleesch daar uytgerukt, soo dat de kuyt uit sijn been liep ende hij onder de voet viel.’ Waarop hij, om hulp schreeuwende, door Jochem de knecht en twee dienstmaagden van de heer van Dever werd ontzet. Ondanks zijn zware verwondingen heeft Claas het nog een poosje op aarde uitgezongen. In 1688 wordt hij nog in het hoofdgeld aangeslagen.

Bron

ORA nr. 30 scan 55.

EEN OUDER D’EVER?

Op een luchtfoto in een van de vorige Nieuwsbladen waren  op zo’n 400 m. ten zuidoosten van Dever plekken in het gras te zien, die mogelijk duiden op bebouwing in vroegere tijden. Archeologische amtenaren  van de HLT-samen  zijn enthousiast om nader onderzoek te faciliteren. Het terrein is van STEK en de dijk van het Hoogheemraadschap Rijnland. Overleg volgt.

Deen Boogerd

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 1 januari 2019

Gebeurt er nog wat met die vondst van dat verdorde lijnenspel in die nog groene weide? Of raakt het in de vergetelheid? Na die vraag werd ik uitgenodigd om eens kennis te maken met de mensen die voor HLT-samen de dingen op archeologisch gebied in goede banen proberen te leiden.
Folckert van de Veen hoofdbeheerder van D’Ever en tevens afgestudeerd archeoloog had ik gevraagd om mee te gaan. Dat deed hij natuurlijk. Zo waren de twee beheerders van het “Nieuwe D’Ever” bezig om dat “Oudere D’Ever” onder de aandacht en boven het maaiveld te krijgen. Men vertelde ons dat er wel degelijk veel enthousiasme was om te komen tot een verkennend onderzoek bij de archeologische vindplaats. Met zo een vooronderzoek wordt geen schade aangebracht in de vindplek. Wij hopen dat de gesprekken die men wil voeren met het STEK-bestuur positief zullen verlopen. Het gebied D’Ever-Zuid en Geestwater waar bouwplannen voor zijn is
in eigendom van STEK. Het dijklichaam van de Poelpolder valt onder Hoogheemraadschap. Voordat we daar ook maar iets kunnen doen willen we op een goede manier met beide partijen samenwerken. Één van de planologische voorstellen laat op de archeologische vindplek een parkachtige situatie zien. Wat zou het mooi zijn als we in dat park kunnen zien wat er heel vroeger kan hebben gestaan. Wij hopen dan ook dat we bij de volgende meeting in juni een positief geluid mogen horen.

Wordt vervolgd.

DEVER BELICHT

Ommetje van de Poelpolder: De geschiedenis van van donjon Dever wordt beschreven.

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

29 november 2016

door Nico Groen 

We vervolgen de cultuurhistorie langs het Ommetje van de Poelpolder, dat bij de Zemelmolen begon. In vorige columns hebben we aandacht besteed aan het geriefbosje van boerderij Langeveld en aan de Staalsloot hier tegenover. Kijken we op de dijk richting Lisse dan zien we de dominerende donjon Dever liggen aan de andere kant van het water.

De woontoren
Dever is een woontoren, gebouwd omstreeks 1370 als een versterkt woonhuis, waar de bewoner, ridder Reinier d’Ever veilig kon wonen. Reinier is niet de eerste d’Ever in Lisse, zijn vader en grootvader woonden er waarschijnlijk al. Dat Reinier er in 1370 woonde is zeker, want dit staat in een oorkonde uit die tijd.
De achterzijde van de toren is vlak: die was gericht naar het moeras van de Lisser Poel en hoefde niet zo sterk te zijn, omdat van die zijde geen gevaar dreigde.
De andere muren zijn hoefijzervormig gebogen, bijna 2 meter dik en massief gemetseld

Het voorhuis
Op een van de oudste afbeeldingen van Dever uit 1580 is te zien dat de woontoren en het voorterrein van het huis omringd zijn door water en dat een brug toegang verleent tot het voorterrein. Tegen de woontoren is een klein huis gebouwd en op het voorterrein staan stallen en dienstgebouwen.
Johan van Schagen bouwde tussen 1631 en 1634 een royaal voorhuis voor de woontoren. In diezelfde periode werd de gracht vergroot en de poortwachterswoning gebouwd.

Een ruïne
Na 1699 hebben er geen Heren van Lisse en Dever meer gewoond.
Nu de eigenaren geen direct belang meer hadden bij de staat van onderhoud van ’t Huys Dever, trad het verval in. In 1848 stortte een deel van de noordgevel van het voorhuis in. Daarna ging het snel: in 1862 stortten het dak en de gewelven van het middeleeuwse Dever in.
Na Reinier d’Ever bleef de Ridderhofstede tot 1949 via vererving in de familie.
Dat de gemeente Lisse in 1949 eigenaar werd van de ruïne is het gevolg van de eerdere emigratie van de familie naar Duitsland. Na de Tweede Wereldoorlog werd Dever als vijandelijk Duits bezit geconfisqueerd. Het Beheersinstituut verkocht de landerijen aan de pachters en droeg de ruïne voor één gulden over aan de gemeente Lisse. De ‘ontvijandingsprocedure’ die de laatste particuliere eigenaar Max Freiherr Heereman van Zuydtwijck aanspande, vond geen gehoor bij de Raad voor het Rechtsherstel in Den Haag.

Lezing voor VOL
Bovenstaande en nog vele andere leuke, historische anekdotes over Dever vertelde Ignus Maes op 22 november op zijn eigen onnavolgbare, enthousiaste wijze. Dit, tijdens een lezing voor de Vereniging Oud Lisse aan de 1e Havendwarsstraat 4. Maes is voorzitter van de Vrienden van Dever. Voor een volle zaal met zo’n 70 belangstellenden liet hij ook nog foto’s zien van de renovatie in de zeventiger jaren van de vorige eeuw. Ook de  opgraving van de fundering van het kleine huis tegen de toren en het voorhuis kwam aan bod. Hij roemde Fons Hulkenberg, zonder wiens inzet de renovatie niet zou zijn gelukt.
Op de website van Dever staat nog veel meer over de historie van Dever en zijn bewoners.

De ophaalbrug van Dever staat op de plek van eerdere bruggen. Foto: Uit het nieuwe boek ‘Fietsroutes langs bruggen in Lisse’ uitgegeven door VOL

EEN FOTO VAN ’T HUYS DEVER UIT 1847 Stand van het lopende onderzoek

Er is een melding van een genomen foto van Dever met voorhuis in 1847. De foto zelf is nog niet te vinden. Wie weet daar iets van?

Door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 4, oktober 2015

Inleiding

In de periode uit de geschiedenis van Dever dat het Huys in verval stond (ca. 1780-1857) is er een keur aan schetsen, prenten en schilderijen vervaardigd. Dever dat temidden van een bloeiende natuur zijn einde tegemoet ging, raakte de romantische ziel van die tijd. Schetsen, prenten en zelfs schilderijen dus, maar…geen enkele foto? Vreemd zou dat niet zijn, omdat de fotografie nog maar van 1839 dateert. Toch kreeg het vervallen Dever in 1847 bezoek van een fotograaf. Dat weten we omdat er melding van wordt gemaakt in een brief die de bekende restauratiearchitect Corneille F. Janssen in 1953 richtte aan J.W.A. Lefeber (1890-1973), bloemist en wethouder, woonachtig op villa Riesenbeck. De brief kwam te voorschijn tijdens mijn inventarisatiewerkzaamheden aan het archief van de stichting Vrienden van ’t Huys Dever.1 In dit artikel wil ik u op de hoogte brengen van de voorlopige stand van het onderzoek naar deze toch wel heel bijzondere foto.

Portret van Reinier Pieter van den Bosch (1835-1900), RKD (Coll. Iconografisch Bureau), Den Haag.

De brief

In 1953 was er nog niet zoveel bekend over de historie van ’t Huys Dever. Hulkenberg begon pas met het onderzoek daarnaar in de jaren zestig. De bovengenoemde heer Lefeber wilde er wat meer over te weten komen. Met name over de verschillende beleningen en over de stamboom van het geslacht Dever. Hij richtte zich tot de destijds bekende restauratiearchitect Corneille F. Janssen. Janssen ging voor hem op zoek. De resultaten deelde hij mede in een uitvoerige brief. Veel van wat hij daarin mededeelt, is ons nu wel bekend. Maar aan het einde van de brief schrijft hij: ‘Foto van ’t Huys Dever van R.P. van den Bosch te ’s-Gravenhage, 1847’. Deze foto had Janssen kennelijk tijdens zijn onderzoek aangetroffen. Het bevond zich echter niet bij de brieven die Janssen heeft geschreven en die later in het archief van de Vriendenstichting terecht zijn gekomen. Op dit moment is de foto nog niet te voorschijn gekomen. Wél is er een en ander te zeggen over de maker ervan: R.P. van den Bosch.

R.P. van den Bosch (1835-1900)

Reinier Pieter van den Bosch was in 1835 te Rotterdam geboren als zoon van Jacobus Herman (1792-1863) en Aletta Suzanna Elisabeth van de Kasteele (1797-1850).2 Vader Jacobus was Rijksontvanger te Overschie. Zoon Reinier bekleedde het ambt van hoofdcommies van het Departement van Koloniën. Vanuit die functie moet hij geïnteresseerd zijn geraakt in het koloniale verleden van Nederland. Hij liet althans in 1894 een publicatie het licht zien over de Kaap de Goede Hoop tijdens het Nederlandse bewind (1652-1806). Ook zijn genealogische belangstelling was opvallend. Zo komen we hem tegen als bestuurslid van het genealogisch heraldiek genootschap De Nederlandsche Leeuw. Met name in het maandblad van dit genootschap publiceerde hij een aantal artikelen. Na zijn overlijden in 1900 verscheen postuum het boek ‘Neêrlands verleden uit steen en beeld. Gedenkteekenen en grafgestichten uit den vroegeren en lateren tijd’ (Schiedam, 1901). Het boek bevat onder meer een beschrijving van het graf van Willem Adriaen van der Stel en zijn echtgenote Maria de Haase in de Grote Kerk te Lisse.

Huys Dever omstreeks 1845 door P.J. Lutgers. Uit: Hofdijk en Lutgers, ‘Gezigten in de omstreken van ’s-Gravenhagen en Leijden’ (1855). Tijdens het bouwhistorisch onderzoek dat naar aanleiding van de opgravingen van de resten van het voorhuis in de jaren 1985-1987 verricht werd, werd al snel duidelijk dat de hier getoonde steendruk één van de meest betrouwbare weergaven is van het grote voorhuis. Zou Lutgers bij het vervaardigen van deze afbeelding een zogenaamde Camera Obscura gebruikt hebben? Veel kunstenaars werkten in deze tijd daar al mee. Het principe was eenvoudig. Er werd gebruik gemaakt van een donkere ruimte. De enige verbinding met de buitenwereld was een kijker (een lens zouden wij tegenwoordig zeggen) die het beeld omgekeerd projecteerde op de tegenoverliggende wand. Vervolgens behoefte men de afbeelding slechts over te trekken. Later werden de donkere kamers vele malen kleiner en werd er geprojecteerd op een gevoelige plaat: het begin van de fotografie.

Bekendheid met de streek

Reinier moet goed bekend zijn geweest met de omgeving van Lisse. Zo trad hij in 1873 te Sassenheim (eerste link met Lisse e.o.) in het huwelijk met Elisabeth Johanna Kuys (geb. Voorschoten 1842). Zij was weduwe van Gerrit Blokhuis (1841-1870) die in Sassenheim burgemeester was geweest. Hij behoorde tot de Lissese tak van de gelijknamige familie en dat is alweer onze tweede link met Lisse! Verder had Reinier een oom, Willem Bernardus van den Bosch (1802-1868), die net als zijn vader van 1840 tot 1860 Rijksontvanger was in…Lisse! De connecties met Lisse lijken overduidelijk.

Een kink in de kabel

Het schijnt dus allemaal prachtig te kloppen: Reinier Pieter had belangstelling voor het verleden, was bekend met de streek en had waarschijnlijk ook de middelen om zich aan een destijds kostbare hobby als fotografie te wijden.3 Er is echter een probleem: zijn plaats in de tijd! Het zal de lezer misschien al opgevallen zijn dat Reinier Pieter pas in 1835 het levenslicht zag, zodat hij dus in 1847 als jongetje van een jaar of twaalf één van de eerste foto’s nam die van deze streek bekend zijn, namelijk van het leegstaande huis Dever. Toch noemt Corneille Janssen hem duidelijk als maker van de foto. Of zou de kleine Reinier hulp hebben gekregen?

Willem Bernardus van den Bosch (1802-1868)

Degene die wél goed in het ‘plaatje’ past van de mogelijke maker van de foto is Willem Bernardus van den Bosch. We noemden hem zoëven al als oom van Reinier en als Rijksontvanger. Zijn standplaats was van 1840 tot 1860 Lisse. Het jaar van opname van de foto (1847) past daar keurig in. Tot 1846 woonde hij met zijn echtgenote en vijf kinderen aan ’t Vierkant, waarschijnlijk ter plaatse van het restaurant Den Ouden Heere. Vervolgens kocht hij een huis dat er schuin tegenover was gelegen, namelijk in het rijtje huizen dat zich aan de westzijde van ’t Vierkant bevond. Hij verkoopt het weer door in 1857 aan Elisabeth (de) Kruyff, maar blijft nog tot in 1860 in het huis wonen. Op 27 april van dat jaar is hij met zijn gezin naar Culemborg vertrokken, alwaar hij acht jaar later zijn laatste adem uitblies.
Willem Bernardus kan, zeker gezien zijn maatschappelijke positie en dus de middelen waar hij over beschikte, heel goed ‘onze’ fotograaf zijn geweest, die zijn neefje Reinier behulpzaam is geweest bij het maken van zoiets ingewikkelds als een foto. De vraag is echter of zijn oom inderdaad iets van fotografie af wist. Daarover meer in een volgend deel…

Aanslagbiljet van de personele belasting uit 1852. In het midden rechts zien we de naam vermeld staan van ‘De Ontvanger der Directe Belastingen, VAN DEN BOSCH’, ofwel Willem Bernardus van den Bosch, die zijn kantoor/ woning aan ’t Vierkant had. De aangeslagene is D.P.J. van der Staal van Piershil, eigenaar van het landgoed Wassergeest (waarover u meer verneemt in het boek ‘Wassergeest te Lisse’ (Lisse, 2004) van de schrijver van dit artikel). Nationaal Archief, familiearchief Van der Staal van Piershil inv.nr. 115.

Besluit

Het lijkt haast te mooi om waar te zijn: een foto van het vervallen Dever, genomen in een periode dat het voorhuis nog niet gesloopt was. Zou zich dan toch nog ergens een foto bevinden die één van de eersten van de streek is, maar misschien lange tijd op één of andere zolder heeft doorgebracht? Het is met recht zoeken naar de bekende speld in de hooiberg. Maar met geduldig zoeken en wellicht wat suggesties van uw kant, komen we er uit!

Bronvermelding

1. Plaatsingslijst van het archief van de stichting Vrienden van ‘t Huys Dever, voorl. nr. 61.

2. Gegevens betreffende de familie Van den Bosch ontleend aan Nederland’s Patriciaat 1915.

3. Er was zelfs een familielid, Hendrik Johan Christoffel van den Bosch, geboren te Amsterdam, 1845, die enige bekendheid genoot als fotograaf. Helaas is over hem weinig bekend.

 

Eene agtkantige toren diep in den grond

Men is van gevoelen, dat in de Poelpolder een oud ridderlijk stamhuis gelegen heeft, doordien men bij de bedijking van deze poel, onder het uitgraven van de ringsloot diep in de grond, de fundamenten van een agtkantige (achtkantige) toren, van zeer zware moppen aangelegd gevonden heeft.

door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 3, juli 2006

De naam Geestwater zoals die aan een nieuw te ontwikkelen woonwijk in Lisse is gegeven, is niet van deze tijd. En dat dan in de meest letterlijke zin. We vervolgen het verhaal dat Mattheus Brouerius van Nidik, R.G. en Isaac le Long in het “Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche Oudheden” (tweede druk 1792) optekenden.
Daarin wordt onder andere vastgesteld dat Lis in 1725 geheel werd bestraat. Voor wat het waard was dan natuurlijk, want Lis was niet groot en het aantal straten derhalve magertjes. De scribenten schreven: “Onder deszelfs straten loopt er één met een kromme bogt naar eene haven, welke de Gragt genoemd wordt, en zijne uitwatering heeft door de Ringsloot van de Lisserpoel, tot in het Haarlemmermeer, alwaar dit water de naam van de Greveling aanneemt. Ten Zuid-Oosten van het dorp vindt men het Lisserbroek, benevens den bedijkten Lisserpolder, weleer het Geestwater”.
Dus wat is er nieuw onder de zon!
De schrijvers vervolgen: “Men is van gevoelen, dat in dezen polder, ook veeltijds de Lisserpolder genaamd, het huis te Dever een oud Ridderlijk stamhuis der edelen van dien naam, gelegen heeft, doordien men bij de bedijking van dezen poel, onder het uitgraven van de ringsloot, diep in den grond, de fundamenten van eene agtkanten toren, van zeer grote en zware moppen aangelegd gevonden heeft.”
Hoe het precies in elkaar stak en waar de scribenten op doelden is nog niet achterhaald, doch het lijkt onwaarschijnlijk dat bij het inpolderen zo maar ineens de enorme omvang van Dever (ook qua hoogte en meer dus dan alleen de fundamenten) tevoorschijn kwam.

Copyright © 2006 Vereniging Oud Lisse

Zo zag ’t Huys Dever er uit aan het begin van de vorige eeuw. Een holle klomp steen in het bollenland. Twee honderd jaar eerder rept een reisverhaal van de vondst van een achtkantige toren in het Geestwater.

Lisse had al in 1566 een bomenverordening

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 3 nummer 4, oktober 2004

 

‘SCHOUT EN KROOSHEEMRADEN VERKLAREN DE WILLIGE BOOMEN VAN HUYSE DEVER EEN CIERAAD LANGS DEN HEEREWEG’.

Sinds kort heeft Lisse haar bomenverordening. In het verleden waren het de keuren van Rijnland die alles regelden. Wat komen we in het Register op de keuren en ordonnantien van het Hoog-Heemraadschap van Rijnland (Leiden 1823) zoal tegen?

Allereerst worden in de keuren regels gesteld omtrent het planten van bomen op slootkaden. Aan de Zon- of Zuid-Zijde van schouwbare kaden mochten bijvoorbeeld geen bomen geplant worden. Vermoedelijk was deze regel gesteld, aangezien deze bomen anders hun schaduwen zouden werpen op de kaden en dat kon een belemmering vormen bij het schouwen hiervan door Rijnland. Bij zo’n schouw werd onder meer gekeken of de slootkanten wel goed onderhouden werden door de eigenaren. Voor de bomen aan de noordzijde gold slechts dat deze tot zekere hoogte gesnoeid moesten worden.
Ook nabij enige Wind-Watermolens mochten geen bomen geplant worden, waarschijnlijk om een vrije vlucht te garanderen van de wieken.
Wat gold voor de sloten ging ook op voor de wegen binnen het beheersgebied van Rijnland. Langs de wegen – vooral openbare wegen – mochten natuurlijk niet zomaar bomen geplant worden zonder toestemming van het Hoogheemraadschap. Voor de Straatweg tusschen den Haag en Haarlem , tegenwoordig de Rijksstraatweg, Heereweg of ook wel de Hoofdstraat (in Sassenheim) genoemd, gold zelfs een aparte keur, die in 1807 in het leven was geroepen. Het verbood het kappen of planten van bomen waarbij de grond nader geroert werd dan op 20 duim (ongeveer 50 cm) afstand van de kantlage der Straet, dus vanaf de randen van de straat. Trok men zich hier niets van aan, dan was een boete van 25 pond het gevolg. Moest de weg toch worden opgebroken, dan diende men zich te adresseren bij het Departementaal Bestuur van Holland, die (in 1807) als eigenaar en beheerder van de weg optrad. Langs de Heereweg liepen voetpaden, waarlangs in de bermen nogal wat Ruigte, dus onkruid, voorkwam. We lezen: De Ruigte langs de voetpaden zal, vanwege het Departementaal Bestuur, mogen worden geblood (verwijderd), voor zoo verre zulks aan het Plantsoen aldaar, niet schadelijk zij, teneinde op den weg tot dekking te kunnen worden gebruikt. Kennelijk werd dus deze ruigte als wegbedekking gebruikt. Deze nieuwe keur die alleen voor de Heereweg gold, is waarschijnlijk in het leven geroepen, daar in 1807 deze weg werd bestraat.

Minder strukelen
In één van de dingboeken van Lisse die de periode 1681-1699 beslaat en die zich bevindt in het Algemeen Rijksarchief, Rechterlijk Archief Lisse lezen we op fol. 54 de volgende tekst:
Wij Mr. Adriaan van Gorcum, Schout, Claas Maartense van der Poel, Adriaan Aalbertse van den Bos, Willem Adriaanse Steenvoorden, ende Pancras Dammisse Sandvliet, kroosheemraden in Lisse, verklaren ter requisitie van den hoogedelen welgeboren heere Wilhelm de Waal van Vronesteijn, heere van Dever etc. dat de willige boomen bij sijn hoogEd. doen stellen aan’t Voetpad van den heereweg voor den huyse ende Landerijen van dever in den voorsz. ambagte van Lisse in plaatse ende op de Royinge van de palen die de aangelandens aan de Zuydoostzijde van den heereweg tot bewaringe van’t voetpad genootsaakt sijn te houden, na ons oordeel, tot niemands verhinderinge, maar in tegendeel tot Cieraad, ende meerder gemak als palen verstrekken, insonderheijt voor de gene die de weg bij avond moeten passeren, alsoo deselve ’t pad des te beter kunnen royen (begrenzen) ende minder strukelen ende dat de weg ende passage door deselve geensints belemmert of beslijkt word, sijnde aldaar soo ruym ende droog als doorgaans elders tusschen Lisse ende Sassenheim. Aldus gedaen in’t Regthuys van Lisse op den negenden octob. xvi c ’t Negentig….
Ondertekend door bovengenoemden met hun namen.

Voetgangers beschermen
De wilgen werden dus geplaatst langs de oostkant van de Heereweg, aan de Dever-zijde. Ze kwamen in de plaats van palen die daar waren geplaatst om voetgangers te beschermen voor het verkeer. Reeds in 1566 lezen we over de afpaling van een voetpad langs de Heereweg voor eventuele passanten, in het bijzonder de schoolkinderen. Kennelijk gebeurde het echter regelmatig dat sommige nachtelijke passanten de palen niet opmerkten en er dus struikelpartijen plaatsvonden. (Waarschijnlijk waren de palen dus niet zeer hoog). Geen wonder dan ook dat, als de Heer van Dever, Willem de Waal van Vronesteyn, de palen vervangt door wilgen, zowel schout als kroosheemraden er geen enkel bezwaar tegen uiten. In bovengenoemde verklaring kan men dat lezen. Volgens hen strekken de wilgen zelfs tot Cieraad van de weg!
Natuurlijk waren er weer mensen die dachten dat de Heereweg bevuild zou worden door de bladeren van de bomen, maar bovengenoemde personen verklaren dat de Heereweg hier even schoon is als doorgaans elders tusschen Lisse ende Sassenheim. Bovendien belemmeren de bomen de passage ook niet, want de Heereweg is ruym genoeg.
De bomen hebben er uiteindelijk zo’n 74 jaar gestaan. Toen zijn ze tenslotte door de toenmalige Heer van Dever verwijderd en werden er nieuwe geplant: Dirk Jan Ignatius Heereman is op zijn verzoek toegestaan en geconsenteerd dat hij Suppliant alle de Boomen staande langs de Heereweg aant voetpad van de Eerste Poellaan aff tot aen de Brugge van Wassergeest toe (de Staalbrug) mag uytroyen (kappen), de grond omdelven en andere Boomen planten (…). Actum 22 december 1764″.

Bronnen: Bibliotheek Oud Archief Rijnland (keuren), K.J.B. Keuning, Geschiedenis van de wegen tussen Rijn en IJ (Haarlem 2000)

Tekening van Schoemaker

 

VEEL PACHTERS KONDEN HET NIET BOLWERKEN: ARMOE TROEF OP DEVERBOERDERIJ

Volgens Hulkenberg werd de eerste boerderij bij Dever gebouwd aan het einde van de 16e eeuw. De geschiedenis en de bewoning van de boerderij wordt besproken.

door Hans Smulders

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 1, januari 2003

Het is niet bekend wanneer precies de boerderij van het versterkte Huys Dever, dat omstreeks 137O werd gebouwd door Reinier die Ever, is gebouwd op de plaats waar hij nog steeds staat, terzijde en achter het Huys en goed zichtbaar vanaf de Heereweg. Volgens de Lissese historicus A.M. Hulkenberg moet dat geweest zijn aan het einde van de 16e eeuw, dus ruim vijfhonderd jaar geleden. Hij concludeerde dat uit stenen die werden gevonden nadat de boerderij in 1894 afbrandde. Een deel van die stenen is gebruikt voor het vergroten van de stal.

Maar veehouder Jan Rotteveel, die in 1935 op de boerderij geboren werd en er nog steeds woont, betwijfelt de vondst van Hulkenberg. Hij zegt: 7/c heb hier nog nooit een oude steen gezien! Toen de boerderij afbrandde door hooibroei was het een lage rietgedekte stolpboerderij. Daar kunnen nooit veel stenen in gezeten hebben!1

In het begin van het versterkte woonhuis zal, zo neemt ook Hulkenberg aan, de boerderij die de bewoners van het huis van allerlei moest voorzien, gestaan hebben op het voorplein. Een van de casteleyns, de bewoner van een kasteel, was in het begin van de 15e eeuw een zekere Matheus Claes, die waarschijnlijk de vader was van Vranck Matheusz en de groot­vader van Dirk

Vrankez, die hem opvolgden. Leenheer in die tijd was Gysbert van Haeften die op jonge leeftijd stierf aan een beet van een dolle hond. Ze hebben hem op een voor die tijd behulpzame wijze uit zijn lijden verlost door hem ‘tussen twee bedden te smoren’.

Casteleyn

Dirck Vrankesz werd omstreeks 1465 geboren en bewoonde tot 1550 als casteleyn, slotvoogd dus, en als pachter van de 33 morgen en 83 roeden* grond waarschijnlijk het bouwhuis, boerenhuis, op het erf. Op de oudste afbeelding van het Huys

Dever (‘Caertgen van thuys te Dever’) kan men een aantal boerenbouwsels op de voorplaats zien staan. Hulkenberg vermoedt dat aan het einde van de 16e of het begin van de 17e eeuw de boerderij achter het versterkte huis werd gebouwd. De pachter was in die tijd Jacob Jansz van Soertermeer, die getrouwd was met Jannetje Florysdr uit Wassenaar. Ze hadden een hele reeks kinderen. De pachter werd ook wel Jacob Jansz van ’t Slot genoemd of Jacob Jansz op ’t Hof.

In 1658 werd de waarde van de boerenwoning met de erbij behorende landerijen geschat op 20.000 gulden. In het betrokken stuk wordt daar laconiek aan toegevoegd: lhet welcke imers genough is1.

In 1678 werd de boerderij, die bestond uit het ‘bouwhuys, bergh, schuer en een groot aantal percelen gronds, waaronder ook 84 roe bij de boerewoning, van ouds elstland, nu tot boomgaert gemaekf, gehuurd door Jannetien Pieters van Bouwman uit Lisse, die zich omdat vrouwen in die tijd niet zelfstandig mochten handelen, liet vertegenwoordigen door haar voocht Maerten Cornelisz van der Burch die in de Engel woonde. Jannetien had een vijftal bouwmeijts of bouwknechts in huis. Dat wijst er op dat het Jannetien goed ging, maar de geschiedenis wijst uit dat de meeste pachters het zwaar hadden en nauwelijks rond konden komen. Zo best waren de gronden van Dever niet!

Boedel

Zo kon pachter Willibrord Ariusse Akersloot in het begin van de 18e eeuw niet rondkomen. Een hevige storm blies het rieten dak eraf en beschadigde kozijnen en keldervensters. Het land bracht zo weinig op dat hij in 1707 de pacht niet meer kon betalen. Alles wat hij had moest hij via een boedel verkopen: veldvruchten, bouwgereedschap, meubelen, de bruine ruin, 21 koeien, de bonte stier, het hooi, kaas, een vloot, een berie, een melkmouw, een tafel, twee stoelen, koperen ketels, een karrewagen, een kruiwagen, een gierbak, twee emmers, een karn, een pers en een tobbe. De volgende pachter, Pancras Damasse Santvliet, wiens vader nog kroosheemraad was geweest, in welke functie hij moest

Er waren veel liefhebbers. Onder hen Arie Rotteveel die in Lisse een boerderij en een broodbakkerij had (thans bakker Freriks), welke zaken Arie na de dood van zijn vader in 1880 had overgenomen. Hij trad evenwel op voor zijn zoon Jan, die toen 25 was. Zijn tussenkomst slaagde en Jan werd de nieuwe boer; hij trouwde nog dat jaar in oktober met Cornelia Verdegaal uit Groenendijk-Hazerswoude.

Te hoog en te droog

Het zat Jan Rotteveel niet mee. Het land was slecht, op ruim 20 hectare kon hij maar 16 koeien houden. De huidige bewoner van de boerderij Jan Rotteveel vertelt: Het land aan de voorkant van de boerderij was te hoog en te droog en de achterkant, richting Haarlemmermeer, was moeras. Er groeide dus niks. Mijn grootvader heeft het hoge land afgezand en het moeras opgehoogd, zodat het nog wat werd.’  Maar in oktober 1894 ging de boerderij met al het hooi in vlammen op. De familie Rotteveel ging in de schuur wonen Daar werd Anna geboren die later het klooster in ging. Spoedig werd een nieuwe boerderij gebouwd zonder voorhuis en opkamer, maar wel ruim en modern zodat boer Rotteveel er nu voor het eerst rechtop in kon staan. Tot op de dag van vandaag woont de familie Rotteveel op de boerderij. Jan (Johannes Petrus) Rotteveel (1935) zal er voorlopig nog blijven, zegt hij. Hij is veehouder en brengt jongvee groot tot melkvee voor zijn zoon die een veehouderij heeft in Stellendam. Jan Rotteveel is geen pachter meer van de boerderij. Hij is eigenaar.

Duits dus vijandelijk bezit

Dat kwam door de Tweede Wereldoorlog. De eigenaar van Dever en dus van de landerijen was sedert 1720 de familie Heereman van Zuydwijck, een katholieke familie die tijdens de reformatie naar Duitsland was gevlucht. Toen de Tweede wereldoorlog uitbrak, was Max Emmanuel Joseph Maria Aloysius Hubertus baron Heereman van Zuidwijck niet alleen Fideikommiszherr van Surenburg, Nevinghof, Wienburg en Delsen, heer van Maser, Herding en Grevinghof, maar ook heer van Dever en Lisse. Hij kwam in de oorlog af en toe naar zijn bezit kijken, maar was liever reserve-officier dan kasteel­heer.

Na de oorlog kwam het Nederlands Beheersinstituut in werking die voor de Raad van Rechtsherstel het Duits en dus vijandelijk bezit, wat Dever was, onder beheer nam. In 1949 ging het instituut tot liquidatie van de Devergronden over en aangezien de voormalige pachters het eerst in aanmerking kwamen voor koop, geraakt Jan-Piet Rotteveel in het bezit van ongeveer 25 ha land om Dever met de woning en de bedrijfsruimten. Baron Heereman van Zuidwijck bezocht zelf zijn pachter en raadde hem ten sterkste aan de koop te sluiten! Maar al in 1970 moest veehouder Rotteveel 10 ha afstaan aan de gemeente Lisse voor het Bedrijventerrein Dever, in casu voor een vestiging van de autofabriek Nissan.

In 1895 werd de boerderij van ’t Huys Dever opnieuw gebouwd nadat de vorige, een rietgedekte stolpboerderij, was uitgebrand. Het geheel
is thans in bezit van de familie Jan Rotteveel. * Een morgen is 600 Rijnlandse roe. Een hont is 100 Rijnlandse roe. 7 hont is 1 hectare