Berichten

Waarom heet boerderij De Wolff zo?

De bewoningsgeschiedenis van boerderij de Wolff wordt beschreven.

Sporen van vroeger (LisserNieuws)

12 maart 2019

door Nico Groen

Naar aanleiding van de vorige columns in Sporen van Vroeger over boerderij De Wolff vroegen diverse mensen waarom deze boerderij ‘De Wolff’ genoemd wordt. Van 1823 tot 1850 boerde hier Jan Wolff. De boerderij was vanaf 1797 in bezit van zijn vader, Caspar Wolff.

Op de woning staat een gevelsteen met het jaartal 1603 er op. Vast staat in ieder geval dat op deze plek vóór 1612 een nieuwe boerderij is gebouwd. Dit zou dus heel goed 1603 geweest kunnen zijn. Vóór die tijd staat er echter ook al een bedoening. Deze plek wordt voor het eerst in 1528 genoemd. De eigenaren tussen 1528 en 1779 zijn bekend. Daarbij is echter niemand die De Wolff heet.

Caspar (Casparus Hendricus) Wulff of Wolff is in 1774 geboren bij Osnabrück in Duitsland. In 1792 als hij 17 jaar is, woont hij in Amsterdam en wordt ingeschreven als leerknecht bij een chirurgijn (dokter). Hij wordt later zelf een bekende chirurgijn. Hij trouwt in 1797 met Huberta Verdegaal, die op boerderij Welgelegen aan de Heereweg bij de Vuursteeglaan in Lisse geboren is. Haar vader is Jan Verdegaal en haar moeder is Willemijntje Vreeburg.

Caspar en Huberta krijgen in 1797 ‘bij donatie’ van Jan Verdegaal een bouwmanshuis (de latere boerderij de Wolff) en de landerijen er omheen. Dit bouwmanshuis is al in 1779 gekocht door Jan Verdegaal. Caspar Wolff koopt in 1803 meer grond rondom de boerderij. Het echtpaar heeft daar echter zelf nooit gewoond maar is na hun trouwen aan ’t Vierkant gaan wonen. Hij is hier chirurgijn tot 1828. Dan vertrekken zij naar Oegstgeest.

Jan Verdegaal is in 1823 overleden. Huberta erft dan definitief boerderij De Wolff en de landerijen van haar vader. Huberta’s zus Maryte is getrouwd met Jacob Riggel. Zij erft Boerderij Welgelegen op de hoek van de Heereweg en de Vuursteeglaan.

Johannes (Jan) Wolff

Uit het huwelijk van Caspar en Huberta zijn 14 kinderen geboren, waarvan Jan de oudste zoon is. Hij is geboren in 1799. Hij trouwt in 1823 met Petronella van der Geest en na haar overlijden met Adriana Kester. Hij gaat in 1823 boeren op de latere boerderij De Wolff, maar zijn ouders blijven eigenaar van de boerderij met het woonhuis en de landerijen, die zich uitstrekken van de Stationsweg tot de Speckelaan.

Verkoop aan landgoed Keukenhof in 1850

In 1848 overlijdt Huberta. Caspar besluit zijn landerijen in 1850 te verkopen aan mevrouw Steengracht, de echtgenote van Baron van Pallandt van Keukenhof. Het betreft de woning, de boerderij en alle percelen (28 ha) tussen de Speckelaan en de Stationsweg. Caspar zelf overlijdt in 1856. Zijn zoon Jan Wolff heeft sinds 1823 al die tijd op de boerderij gewoond en gewerkt. Als de boerderij verkocht wordt in 1850, stopt hij met boeren en gaat wonen op ’t Vierkant. Hij overleed in 1867.

De familie Wolff heeft dus van 1797 tot 1850 de boerderij met woonhuis in bezit gehad en het is niet vreemd dat de boerderij naar hen vernoemd is. In de loop der jaren is het echter boerderij ‘De Wolff’ geworden en niet boerderij ‘Wolff’ of ’Van Wolff’. Vóór de tijd van Wolff werd de boerderij ‘Het bouwmanshuis van Berkhout’ genoemd. Daar was toen het bos van Landgoed Berkhout.

De kopgevel van de woning is door het groen bijna niet te zien. Foto: Cultuurhistorisch Genootschap Duin- en Bollenstreek

Oud nieuws: Meevallertje van het pensioen en eervol ontslag

Johannes Petrus Zijlmans, geboren op 1 november 1819 was politieman in Lisse en gaat op 20 mei 1890 met pensioen. Hij was ook gemeentebode, wijkmeester en aanplakker.

door genealogiegroep

Jaargang 16 nummer 2 Lente 2017

In de gemeenteraadsvergadering van 20 mei 1890 wordt besloten om de gemeente veldwachter Joannes Petrus Zijlmans die door hoogen ouderdom en door de gevolgen van eene ongesteldheid waaraan hij thans lijdende is, voortaan moeilijk het politie toezicht in de gemeente naar eisch zal kunnen uitoefenen, met ingang van 1 october a.s. een pensioen te verlenen van Fl.300,00 per jaaren zulks met met oog op den veertigjarigen trouwen dienst van den genoemde veldwachter, in die betrekking aan de Gemeente bewezen. Met algemene stemming wordt besloten het bovengenoemde pensioen te verlenen, terwijl de titularis tevens in het genot zal blijven van de helft der belooningen,verbonden aan de waarneming der poste van Gemeentebode,wijkmeester en aanplakker welke post tevens door den Gemeente veldwacht worden waargenomen, terwijl de tweeden helft der belooning aan den nieuw te benoemen veldwacht zullen te beurt vallen. In de vergadering van 2 sept.1890 komt de raad hier op terug en wordt het pensioen op Fl.400,00 gebracht. Blijkens een ingekomen stuk van Gedeputeerde Staten is dat college genegen om uit de Provinciale fondsen een bedrag van Fl.200.00 te verstrekken. Tevens wordt besloten om de veldwachter vanwege 40 jaren trouwe dienst een aandenken te schenken bestaande uit een fauteuil. In het bevolkingsregister staat zijn geboorte op 01-11-1819 en woonde hij op Vierkant nr.248. Ingekomen in Lisse in 1850. Zijn vrouw Cornelia Bank is geboren in Breda 20-03-1818 en overl.Lisse 4-12-1877.(parochie St.Agatha).

Bron:

Gemeente Archief Lisse inv.nr. 518

Oud Nieuws: Cornelis Pieterse van der Saal wilde niet op wacht

Op 23 augustus 1726 krijgt Cornelis Pieterse van der Saal een boete omdat hij niet op wacht wilde. Hij was in ondertrouw gegaan in Lisse op 31 augustus 1730.

door geneologiegroep

Jaargang 16 nummer 2 Lente 2017

Den schout van Lisse, Jacob van Dorp, aan Burgemeesteren hebbende voorgedragen, dat Cornelis Pieterse van der Saal op den 18 augusti 1726 dorpswaakpiek, ten huijse van de schout hadde gebragt, ende daarbij geseijd dat hij niet gehouden was te waken, dat hij schout opdat geen dis orde in de wagtzeel soude komen, een ander hadde aangestelt om de beurt van de voorn. Cornelis Pieterse te waken. Hadden de schout met Burgemeesteren beraadslaagt, wat daarin best diende gedaan,waarop den schout, versogt, ende geautoriseert is om de voorn. Cornelis Pieterse voor schepenen te klagen conden make in de boeten daartoe staande te vorderen, ende de saak uijterlijk te vervolgen, ende t gene daar uijt te mogen ontstaan voor dorps rekeninge te nemen. Aldus gedaan in t regthuijs van Lisse op den 23 augusti 1726. Van Cornelis Pieterse van der Saal is alleen bekend, dat hij gedoopt is in Aarlanderveen en op 31 augustus 1730 te Lisse in ondertrouw is gegaan met Abrama Beijaart. Bron: Gemeente

Archief Lisse inv.nr. 2

Pastoor Hugo van der Vlugt in Noorwegen Deel 2: de verdere familie- en persoonlijke geschiedenis.

De verdere familie wordt besproken, evenals zijn persoonlijke geschiedenis.

Laura Bemelman

Jaargang 16 nummer 1 winter 2017

het vorige deel van dit verhaal vertelde ik vooral over de oude geschiedenis van de familie Van der Vlugt. Jacob Pieterse van der Vlugt is vermoedelijk rond 1700 in Zoeterwoude geboren. Van zijn vader Pieter Wouterse is weinig bekend. Maar zijn zoon Maarten van der Vlugt werd rond 1820 pachter op de boerderij Middelburg. En zíjn zoon Maarten die in 1837 geboren wordt, trouwt met Cornelia van Ruiten. Een van hun zestien kinderen is Antoon van der Vlugt, geboren in 1869. Hij trouwt met Maria Christina van der Salm en zij starten hun huwelijk op de Achterweg, in de boerderij ‘De Goudmijn’. Uit het gezin van Antoon van der Vlugt en zijn vrouw zijn tien kinderen geboren. De jongste zoon komt in september 1914 op de Heereweg ter wereld.

Heereweg 435 en 435a Solsidan
Al die Van der Vlugten in De Engel

Behalve Antoon (1869), blijven ook zijn broers Martinus (1875), Adrianus (1876) en Marcelis (1880) in Lisse wonen. Deze broers worden allemaal bloembollenkwekers in een klein gebied aan de zuidkant van De Engel. Van de tien kinderen die in het gezin van Antoon en Maria Christina geboren zijn, is er één kindje levenloos ter wereld gekomen en is dochtertje Cornelia Agnes nog geen drie jaar oud geworden. De overige acht kinderen worden volwassen. Eén van de dochters trouwt met een onderwijzer, één met een bloemist uit Noordwijkerhout. Van de zes zoons worden er vier bloemist. Eén van de zoons vertrekt als bloemist naar Voorhout. Drie zoons worden bloembollenkweker in Lisse en werken met hun vader samen. En twee zoons worden tot priester gewijd. Hugo gaat uiteindelijk naar Noorwegen en Hugo’s jongere broer Antoon (Cornelis Anthonius) is als missionaris van Mill Hill naar Kameroen in Afrika gezonden. Moeder Maria Christina van der Salm overlijdt in mei 1918, ze is dan pas vijfenveertig jaar oud en laat haar man Antoon achter met een groot gezin met nog vele jonge kinderen. Het jaar daarop overlijdt Antoons broer Martinus (1875) die indertijd iets eerder in het dubbele woonhuis op de Heereweg is komen wonen. Zijn weduwe blijft daar nog enige tijd wonen om daarna te verhuizen naar een nieuwe woning in de Schoolstraat. Adrianus (1876) is rond dezelfde tijd als zijn beide broers Antoon en Martinus naar het huis Rima verhuisd dat halverwege hun huis en het Laantje aan de Heereweg staat. Als er rond 1930 een nieuw huis gebouwd wordt aan de andere kant van de weg, op de hoek van de Akervoordelaan en de Heereweg, verhuist Adrianus vervolgens daarheen. Hun jongste broer Marcelis blijft nog geruime tijd op het Laantje tot de zoon van Adrianus zijn plek daar overneemt. Marcelis gaat dan aan de weg wonen, aan het begin van het Laantje. In juli 1935 is zeer plotseling Antoon van der Vlugt in Lisse overleden. Als bloemist heeft hij samen met een aantal van zijn zoons een bollen-exportzaak van betekenis opgebouwd. Hij kweekte ook tulpen maar heeft vooral naam gemaakt als hyacintenkweker. Hij ijverde voor verbetering en verdere ontwikkeling van deze bol en was erg trots op zijn nieuwe soorten met grotere bloemen in mooie kleuren. De nieuwe bollen moesten ‘aan hooge eischen’ voldoen om voor de handel geschikt te zijn. Antoon zou kort voor zijn dood nog gezegd hebben dat hij bollen zou kunnen laten zien die vooral voor de vroegbroei heel geschikt zouden zijn. De schrijver van het memoriam in de krant verwachtte die bollen dan zelf ook wel te zullen zien, maar het speet hem dat de meest enthousiaste liefhebber, Antoon, daar niet meer bij kon zijn.
Dan is het de volgende bollengeneratie Van der Vlugt die aan het roer komt te staan. Maarten (1900), de oudste zoon van Antoon, vestigt zich op Rima als zijn oom en tante naar de overkant van de Heereweg verhuizen. Broer Cors (1902) trouwt met de enige dochter van een grote bloembollenkweker in Voorhout en vertrekt uit Lisse. Broer Adrie (1913) trekt, na het vertrek van zijn tante, in het andere deel van het dubbel huis aan de Heereweg dat later Solsidan gaat heten. De jongste broer Wim (1914) trouwt en blijft in het deel van het ouderlijk huis dat later het nummer 435 krijgt.

Priesterwijding van Hugo van der Vlugt

‘Paschen is dit jaar te vroeg gekomen’ meldt in 1929 de krant omdat er nog weinig bloembollen op de velden bloeien in de Bollenstreek. Het is slecht weer maar toch is het feest in Lisse. Een ‘zoon van de parochie’ draagt zijn eerste Heilige mis op in de Agathakerk. Het is de weleerwaarde heer Hugo van der Vlugt. De klokken beieren, geel-witte wimpels zijn overal te zien en ook de nationale vlag. In alle vroegte is Hugo van der Vlugt van het station
in Voorhout gehaald door een aantal auto’s met vooraanstaande personen uit Lisse. Pastoor Thomann van Lisse natuurlijk en de zeereerwaarde heer Sentenie van de nieuwe Engelenkerk van de parochie waartoe de familie behoort en nog een auto met familieleden. Een plechtige mis volgt en woorden, ‘allen zoo treffend van toepassing op de toekomst van den jongen priester, die zijn leven gaat wijden aan de bekeering van Noorwegen’. Na de officiële en plechtige gelegenheid rond de priesterwijding is er ook feest. De bewaard gebleven feestgids getuigt van dankbaarheid maar ook van vreugde. Er is door de familie een levensloop in liedvorm geschreven waar in ‘een combinatie van drama en klucht’ een beeld doorklinkt van Hugo en zijn naaste familie. ‘Waar de blanke rij der duinen, sterk de Bollenstreek behoedt, ligt ons Lisse in kleurige velden, door de Rijnsloot fier begroet.’ De liefde voor de Achterweg wordt erin bezongen, het huis van vader Antoon en zijn gezin dat door de jaren groeit. Hier staat de ooievaar op een morgen met in zijn bek een mandje met baby Hugo, bij ‘de Goudmijn’ en de vruchtbare grond, ‘die van kleuren bloost’. Het vertelt het verhaal van een jongensjeugd uit een prentenboek. Van grote zus die op Huugje moest passen maar haar broertje vergat. Het knaapje ging met de hoepel spelen, maar de hoepel trok zijn eigen plan. Al snel lag ventje Hugo brullend in de sloot naar kroos te happen, tot hij er op tijd werd uit gevist. En van een kleine jongen van zeven jaar die met het gezin een dagje naar het Mallegat en Reigersbos ging, maar daar zoek raakte. ‘Ze speurden overal, maar ze waren broertje kwijt’. De voerman met een koetsje trof de kleine jongen langs de weg aan en wilde hem thuis brengen, maar ‘Huugje wist de weg niet meer, maar snikte met een zuchtje, ’t is over een bruggetje, heel ver weg, voorbij een klein gehuchtje’, zo kwam hij toch weer veilig thuis. Een jongetje dat de school ‘een apenhok’ noemt en bang is voor de meester maar zich toch in het schoolleven leert schikken. Hij vult zijn jaren in Lisse met hoepel, knikkers en tol, met knokken, zwemmen en kattenkwaad, maar vooral van voetballen genoot hij enorm. En dan is de tijd van de ‘korte broek’ alweer voorbij en gaat Hugo in ‘een reuzelange broek’ naar het Seminarie Hageveld, toen nog in Voorhout, aan de Vaart. Hij groeit verder op en anekdotes worden aangehaald over autopech in een Fordje met priesterstudenten op weg naar Freiburg en over zeeziek worden als drie jonge studenten een kennismakingsbezoek in Noorwegen afleggen. Aan het eind van deze prachtige revue wordt ernstig en plechtig stilgestaan bij de ouders van Hugo die hem langs veilige paden hebben willen leiden en trouw over hem waakten op zijn pad tussen kwaad en goed, ‘zijn vader hier op aard, zijn moeder in den hemel’. De gasten op zijn priesterfeest beloven in zang voor hem te zullen bidden, om zegen op zijn heilige werk, voor God en zijn Roomse Kerk. Ten slotte wensen ze hem toe: ‘lang zal hij leven …’ Gelukkig maar dat die avond nog niemand kon vermoeden hoe kort het leven van Hugo uiteindelijk zou zijn.

De Roomse droom in Noorwegen

Al rond 1918 verloopt het missiewerk in Noorwegen niet volgens het plan van het Vaticaan in Rome. Er wordt een nieuwe Nederlandse kardinaal benoemd die de vijf Noorse kerkleiders in Denemarken, Zweden, Noorwegen, Finland en IJsland vervangt door vijf Nederlanders. Bij de Noren straalt het begrip ‘missie’ teveel katholieke superioriteit uit en dat botst met een streven naar individualisme in Noorwegen. De aanduiding van Noorwegen als ‘missiegebied’ wordt daar als vernederend ervaren en de houding van de nieuwe kardinaal valt er slecht. De geloofsgemeenschap in Noorwegen groeit nauwelijks en het aantal bekeerlingen dat erbij komt is bijna net zo groot als het aantal dat uit de kerk vertrekt. Vanuit Rome en door de kardinaal blijft de aanmoediging aan missionarissen en missiezusters om naar Noorwegen te gaan onverminderd groot, maar de missionarissen ‘in het veld’ zien al snel heel duidelijk dat de kardinaal het onmogelijke wil bereiken. Er is dan ook een behoorlijk verloop onder missionarissen in Noorwegen die daar met hoge verwachtingen heen gingen. Het is niet eenvoudig voor hen om in contact met de Noorse bevolking te komen en nog moeilijker om dat vanuit katholieke intenties tot bekeren te doen. De Noren staan wantrouwend tegenover het katholieke geloof en niet minder tegenover de priesters zelf. Dat ‘mislukken’ van priesters in Noorwegen blijft ook niet onopgemerkt voor de priesterstudenten die bezig zijn met hun opleiding met de bedoeling naar Noorwegen te gaan. In 1928 zijn er vijf studenten met deze intentie: twee in Rome en drie in het Zwitserse Freiburg. Deze laatste drie studeren in 1929 af.

Hugo van der Vlugt, pastoor in Hamar

Als de laatstgenoemde studenten uit Freiburg in 1929 tot priester gewijd worden, aarzelen ze behoorlijk door wat er verteld is over de Noorse missie, maar ze hebben een belofte gedaan die niet gemakkelijk te verbreken is. Hun studie is mogelijk gemaakt door het vicariaat Noorwegen, dus is er een morele verplichting. Ook is het niet eenvoudig een andere plek te vinden als priester omdat ze tot geen enkel bisdom behoren en de andere bisschoppen hen als ‘deserteurs’ beschouwen en niet bereid zullen zijn hen op te nemen. Toch laat één van de studenten weten het Noorse avontuur niet aan te gaan. Hij heeft gezien dat veel priesters de eenzaamheid niet aangekund hebben en Noorwegen lijkt door dat isolement het moeilijkste missieterrein ter wereld. De twee anderen proberen hun vertrek nog wat uit te stellen maar hen wordt gezegd dat er ‘niets is om bang voor te zijn’, ze hebben tenslotte hun roeping. Ze hoeven ook niet bang te zijn voor de eenzaamheid want ze gaan eerst naar Bergen en pas als ze aan een missionarisleven in Noorwegen gewend zijn, krijgen ze een post in hun eentje. Daarom vertrekken deze twee jonge priesters naar Noorwegen. Een van die twee, Eugène Laudy, geboren in Sittard in 1899, heeft jaren in Noorwegen gewerkt en is daar in 1981 ook overleden. De andere is Hugo van der Vlugt uit Lisse. Hij heeft eerst het Kleinseminarie in het Bisdom Haarlem gevolgd en was aanvankelijk van plan zijn studie aan het Grootseminarie te voltooien, maar besloot in 1924 priester te worden in Noorwegen. In 1929 vertrekt hij dan ook als gewijd priester naar Noorwegen en wordt enkele jaren kapelaan in Bergen om daarna pastoor in Stabbek te worden. In 1932 gaat hij naar het kleine Haugesund en wordt in 1939 benoemd tot pastoor in Hamar. De priesters die in het missiegebied in Noorwegen werken hebben veel verschillende nationaliteiten. In de periode van begin dertiger jaren tot half zestiger jaren van de vorige eeuw zijn er gemiddeld vijftien Nederlandse priesters in Noorwegen, ongeveer een derde van het totaal. In 1939 is in tien van de zestien missiestaties in het Noorse gebied een Nederlandse pastoor benoemd. Hugo zou bij zijn komst in Hamar als bouwpastoor in een jonge parochie niet goed geweten hebben hoe hij zijn taak goed kon aanpakken. Daarom zou hij zijn leven ‘in Gods handen’ hebben gelegd. Door zich goed in te leven in de idealen van de beter geschoolde jeugd in Noorwegen trekt hij hen aan en ook wint hij vertrouwen bij de oudere intellectuelen door zijn grote kennis en ruime visie op de problemen van die tijd.

Kamp Sachsenhausen-Oraniënburg

Als de Nazi’s Noorwegen bezetten, heeft Hugo de vlag omlaag gehaald om zijn ongenoegen met deze bezetting te tonen. Hij heeft gezegd niet opnieuw te willen vlaggen voordat de oorlog in Noorwegen voorbij zou zijn. Deze kans heeft hij niet meer gekregen. In juni 1942 zit in Oslo, in het gevangenenkamp Grini, een groep Noorse jongelui opgesloten die deel uitmaakt van een katholieke actiegroep, maar waar de Noorse priesters tevergeefs geprobeerd hebben contact mee te krijgen. Dan wordt Hugo van der Vlugt in Hamar opgepakt door de Duitsers. De aanleiding is niet meer dan wat onnozele uitlatingen in brieven die bij de censuur zijn opgevallen. Hugo heeft zich opzettelijk kritisch uitgelaten in zijn brieven om een arrestatie uit te lokken, in de hoop daarmee toch met de groep jongelui in contact te komen. De behandeling daar in Grini is heel goed geweest, zo vertelt hij later, maar door erg zwaar tuinwerk te moeten verrichten is hij daar waarschijnlijk ook enige tijd behoorlijk ziek geweest. Daarna zou hij eind november 1942 via Hamburg en Berlijn met een groep andere Noren vanuit het kamp Grini terecht gekomen zijn in Sachsenhausen. Dit kamp ten noorden van Berlijn is in eerste instantie een werkkamp maar beschikt wel degelijk ook over een gaskamer, er hebben massa-executies plaatsgevonden en er zijn medische experimenten uitgevoerd. Vele tienduizenden van de gevangenen hebben hier dan ook de dood gevonden.

Slijtageslag

Alle nieuwelingen in het kamp moeten deelnemen aan een soort wetenschappelijk onderzoek naar een nieuw soort militaire schoenen bestemd voor de Wehrmacht. Daarvoor moeten de gevangenen van ’s morgens vroeg tot laat in de middag, zonder noemenswaardige pauze, in een geprepareerde halve cirkel op de appèlplaats van het kamp blijven lopen. De mars van ongeveer 35 kilometer per dag voert onophoudelijk over vakken met verschillende soorten glad, grof of scherp plaveisel om te ontdekken hoe lang het schoeisel hiertegen bestand blijft.

Tekening van Tethard Hettema, het schoenentest traject


Veel van de gevangenen houden die eindeloze mars niet vol en hebben het leven erbij gelaten. Ook Hugo van der Vlugt heeft aan die test meegedaan. Hij heeft hongerig, slecht gekleed en zonder overjas of handschoenen, veertien dagen lang door het gure, mistige novemberweer gesjouwd voor die proef. Die slijtageslag moet hem beslist een sterk verminderde weerstand bezorgd hebben. Vlak voordat hij tewerk gesteld wordt op ‘Klinker’ een beruchte steen bakkerij buiten het kamp, leert Hugo de kapelaan Hennekens en Franciscaner pater Tethard Hettema kennen, de enige twee priesters in het kamp. Zij kunnen er voor zorgen dat Hugo in hun ‘block’ wordt opgenomen, mede doordat er in Sachsenhausen enige privileges bestaan ten behoeve van geestelijken. Vooral met Tethard Hettema heeft Hugo van der Vlugt zijn laatste tijd in het kamp gedeeld, doordat kapelaan Hennekens al snel buiten het ‘block’ in het ziekenverblijf wordt opgenomen. Tethard heeft later in een uitgebreide brief aan de familie, geplaatst in het tijdschrift ‘Uit het land van St. Olav’, uitvoerig geschreven over hun gezamenlijk verblijf in dit kamp in Duitsland. Ze delen hun ‘block’ met medekampbewoners van gevarieerd pluimage, waaronder asocialen en zigeuners (de ‘Brandweer’), oude tuchthuisgasten (van het ‘Krematorium’), enkele Joegoslavische consuls en een stel prominente ‘berufsverbrechrer’, samen dertig man, die de ‘gezelligste Stube van het Lager’ vormen, later aangevuld met nog eens dertig lieden (van het ‘Orkest’). Ze doen bijna alles samen, zoals brandstof en brood halen, eten, boeken inbinden en Kerstmis vieren. En Kerstmis moet een hoogtepunt geweest zijn. Als het februari is krijgt Hugo last van buikloop, wat heel gewoon is in het kamp. De gewone remedie is vasten en houtskool eten en van een medegevangene die verpleger is, krijgt Hugo Tannalbin-tabletten. Maar hij blijft ziek, verliest dan ook bloed en wordt vervolgens in de typhusbarak opgenomen. Het enige contact met hem verloopt nu via berichten van twee lieden van de ‘Brandweer’, de een via zijn vriend die block-oudste van de ziekenbarak is en de ander omdat hij bij de typhusbarak als tuinman werkt. Maar Hugo’s conditie gaat hard achteruit en de situatie wordt kritiek. Gedurende twee weken komt er voortdurend bloed, hij eet niet en drinkt bijna niet en heeft verschrikkelijke pijn, uiteindelijk is er alleen nog slijm. Maar ze geven geen van allen de hoop op en iedereen doet wat mogelijk is omdat ze Hugo erg graag mogen.

Het einde nadert

Tegen het eind van februari krijgt Tethard Hettema het nog voor elkaar zijn vriend te mogen bezoeken. Ze wisselen kampnieuwtjes uit en praten over het geloof en het al dan niet mogen offeren van je leven uit liefde voor God. De volgende dag bezoekt ook kapelaan Hennekens hem nog. In de week daarna krijgt Hugo een leverpreparaat ingespoten als een vorm van kunstmatige voeding en heeft hij minder pijn. Omdat Hugo zo goed en geduldig was geweest doet iedereen zijn uiterste best. Zelfs de SS dokter laat gebeuren wat anderen niet krijgen. Maar bij het volgende bezoek van zijn vriend Tethard herkent Hugo deze bijna niet meer, is versuft en meent dat God het offer van zijn leven zal aanvaarden. Hij weet dat hij sterven zal. Het valt Hugo’s vriend zwaar dat er geen Heilige Communie is en geen Heilige Olie om de laatste katholieke sacramenten te kunnen toedienen. De volgende avond is kapelaan Hennekens nog bij Hugo geweest, samen met de katholieke onderwijzer Olafsen, die, samen met een aantal andere katholieke jongens uit Oslo, enkele dagen eerder in het kamp

Sachsenhausen was aangekomen. Die avond of de vroege ochtend van de volgende dag is Hugo overleden. Het bericht van zijn overlijden maakt op iedereen veel indruk, zelfs op die van de ‘criminele kamergenoten’: ‘O, die bleke, die goede stille Hollandse pastoor’. Zijn crematie vindt plaats, afzonderlijk, als blijk van piëteit van deze groep totaal verruwde kerels. Pater Tethard en kapelaan Hennekens zijn in 1943 vanuit Sachsenhausen op transport gezet naar Dachau. Zij hebben het er beiden levend afgebracht en menen dat ook aan Hugo te danken te hebben. ‘Een echte priester, eenvoudig, goed, beminnelijk en bemind. Een held en iemand, die ook erg veel hield van zijn zusters en broers en steeds zei: ‘Als ik vrij kom, ga ik eerst naar Holland’. ‘Hij was een voorbeeld in alles’, zoals Tethard Hettema in zijn brief van augustus 1945 aan de familie schrijft, gepubliceerd in het genoemde tijdschrift. Hierin bekent hij een heel klein aandenken aan Hugo bewaard te hebben – alleen een klein ‘stop-ei’ – want enkele andere kleinigheden zijn door het voortdurend verhuizen en door plunderingen verloren gegaan. Het vormt een klein maar gekoesterd aandenken aan een groot voorbeeld en een dierbare vriend.

Gedenken

In Noorwegen zijn plannen voor het plaatsen van een herdenkingssteen ter ere van Hugo van der Vlugt bij de St. Torfinn kerk in Hamar, de parochiekerk waar hij zijn taak als bouwpastoor in 1939 begon. De Stichting Oranjecomité Lisse/ werkgroep Nationale Herdenking 4 mei, wil komend voorjaar de aandacht vestigen op pastoor Hugo, die zijn inzet vanuit zijn geloof met de dood heeft moeten bekopen, als een van de vele slachtoffers die de Tweede Wereldoorlog telt.

Bronnen

DTB-en BS bronnen Nationaal Archief, Familysearch, WieWasWie, Bevolkingregister Lisse, ProGen data/Lisse, familiestambomen, – gegevens, – drukwerk en foto’s, advertenties regionale kranten. De Roomse Droom, Vefie Poels, dissertatie 2005; tijdschrift ‘Uit het Land van St. Olav’.


Boek Familie Duineveld

Nieuwsflitsen

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 1 winter 2017

Het familieverhaal van Duineveld uit de Engel wordt beschreven door Harrie Duineveld uit Weesp.


Op 6 december 2016 kwam Harry Duineveld naar de inloop. Harry is geboren in Lisse, voor aan het Laantje wat beschreven wordt in het stuk over pastoor van der Vlugt. Harry is al in 1968 uit Lisse vertrokken en woont sinds 1977 in Weesp. Daar is hij actief in de Historische Kring Weesp. Het is natuurlijk heel uitdagend om je familieverhaal uit te zoeken, maar zeker ook een immense klus. Gelukkig was er veel materiaal bewaard gebleven en in archieven spitten wordt dan een hobby. Het resultaat mag er dan ook zijn. In september is het boek “150 jaar Duineveld in Lisse, 4 generaties aan de Heereweg” in eigen beheer uitgegeven. Oud Lisse mocht zich gelukkig prijzen om een exemplaar van Harry Duineveld aangeboden te krijgen. Eric Prince nam het boek in ontvangst. Het is een heel fraai uitgegeven, rijk geïllustreerd boek. Er was nog een beperkt aantal exemplaren te koop. Tijdens de inloopochtenden is het boek ook in te zien. Zeker voor de mensen uit de Engel zal het een feest van herkenning zijn.

Pastoor Hugo van der Vlugt in Noorwegen (Deel 1: de familiegeschiedenis Van der Vlugt)

Maarten van der Vlugt kwam met zijn gezin in 1820 naar Lisse.Hij pachtte boerderij Middelburg. De familie geschiedenis wordt besproken.


door Laura Bemelman

Jaargang 15 nummer 4, oktober 2016


Het geslacht Van der Vlugt voert een gedeeltelijk ‘sprekend’ familiewapen omdat een gouden ‘vlucht’ in het schild direct naar de geslachtsnaam verwijst. Volgens de registratie van dit wapen zou de geslachtsnaam zijn oorsprong vinden in de provincie Zuid-Holland.
In de familie Van der Vlugt die afstamt van Maarten van der Vlugt, die zich met zijn gezin rond 1820 in Lisse vestigde, is een afdruk met registratiegegevens van dit familiewapen in bezit. Maar nog lang niet alle details over de historie van deze familie zijn echter uitgezocht: er zijn nog veel ‘losse eindjes’.

Pieter Wouterse, Jacob Pieterse en Pieter Jacobse van der Vlugt We komen Pieter Wouterse van der Vlugt voor het eerst in de archieven tegen als hij in april 1710 in Hazerswoude een zoon ‘Waltherus’ laat dopen. De moeder is Martijntje Pieters de Rou(w). Het gezin woont aan de Rijndijk. Er worden in Hazerswoude nog drie kinderen gedoopt, maar uit verschillende bronnen en gegevens van later datum kunnen we reconstrueren dat tot dit gezin ook nog drie – of meer – oudere kinderen behoord moeten hebben. De vermoedelijk oudste van hen is Jacob Pieterse.

Deze Jacob Pieterse van der Vlugt moet rond 1700 geboren zijn, mogelijk in Zoeterwoude. Hij trouwt met de weduwe Leuntje Pieterse Immerzeel en samen krijgen ze twee tweelingen. Van deze vier kinderen blijft alleen de jongste Pieter Jacobse – geboren in 1732 – in leven en hij zet het geslacht voort. Hij trouwt in Voorschoten met Pieternel Abramse Moulijn en uit dit huwelijk worden acht kinderen geboren. De jongste hiervan is Martinus (Maarten), op 19 november 1769 katholiek gedoopt in Voorschoten.

Middelburg een oude boerderij aan de Veenweg in Lisse

De historie van deze boerderij gaat ver terug, tot vóór 1585. Hulkenberg heeft dit uitgebreid beschreven in het Leids Jaarboekje van 1972, voor dit verhaal voert dat allemaal wat te ver. Maar rond 1700 woont Jan Jacobse Naardenburg, geboren in Sassenheim op de oude boerderij. Hij is in Lisse getrouwd met Willempje Jorisdr van der Cluft en uit dit huwelijk worden dertien kinderen geboren, waaronder een dochter Marijtje. In 1727 overlijdt Jan Jacobse Naardenburg en de pacht wordt overgenomen door zijn zoon Jacob. Na diens overlijden hertrouwt zijn weduwe in 1754 met Warbout Jurriaense Vreeburg en in april van dat jaar is een ‘boelhuis’ gehouden op Middelburg.
Mogelijk is het nieuwe huwelijk van de weduwe Naardenburg de reden voor het boelhuis. ‘De Naardenburgs woonden er niet meer’, concludeert Hulkenburg in het jaarboekje. Kort daarna is Wouter van der Zwet uit Noordwijkerhout, in 1755 getrouwd met Aagje van Diest uit Hillegom, de nieuwe pachter van de boerderij. Wouter is een zoon van Pieter van der Zwet en Cornelia Woutersdr van der Vlugt uit Noordwijkerhout, die op haar beurt een dochter is van Wouter Woutersz van der Vlugt en Marijtje Jans Naardenburg, de dochter dus van de eerdere pachter van Middelburg.
Wouter Woutersz van der Vlugt is in 1679 in Vogelenzang gedoopt en in hetzelfde doopboek staat ook Pieter Woutersz als dopeling in 1675. Het is mogelijk dat deze jongens broers zijn. Zou deze Pieter Woutersz dan ook dezelfde man kunnen zijn, die in 1710 in Hazerswoude zijn zoon Waltherus laat dopen? De beschikbare informatie uit die tijd is echter té summier en de aanknopingspunten zijn nog onvoldoende, om dat te kunnen beweren.
In elk geval overlijdt pachter Wouter van der Zwet op Middelburg in november 1806 maar dan zijn er geen kinderen die de pacht willen voortzetten, waardoor in april 1807 opnieuw een ‘boelhuis’ wordt gehouden op Middelburg. Dan komt Jacob Leenslag als pachter op de boerderij. Het eigendom van de boerderij is als onderdeel van de verkoop van Keukenhof met alle toebehoren in 1809 aan jonkheer mr. Johan Steengracht van Oostcapelle gekomen.

Maarten van der Vlugt op boerderij Middelburg

De eerder genoemde Maarten, geboren in 1769, is in 1806 in Stompwijk met de bijna tien jaar jongere Cornelia (Keetje) Veldhoven getrouwd. Ze krijgen vijf kinderen in Noordwijkerhout. Rond 1820 vertrekt het gezin naar Lisse om daar de basis van een grote Lisser familietak te leggen.

Boerderij Middelburg, Loosterweg


In 1824 komt Maarten van der Vlugt voor in de Personele Quotisatie en in het tijdvak 1830-1840 in het Bevolkingsregister van Lisse. In het laatste register staat het gezin van Maarten van der Vlugt en Keetje Veldhoven ingeschreven op de Veenweg 66, ze wonen op boerderij Middelburg. Maarten is landbouwer maar al in april 1830 moet zijn zoon Pieter, tweeëntwintig jaar oud, aangifte gaan doen van het overlijden van zijn vader. De ambtenaar tekent in het register aan dat er één meerderjarig kind – Pieter zelf – en nog vier minderjarige kinderen zijn nagelaten. Ruim vijf jaar later overlijdt ook moeder Keetje waarna vier van de vijf kinderen uit Lisse vertrekken: Pieter, Petronella, Maria en Leendert. Alleen Arend blijft op Middelburg, hoewel zijn broer Leendert later wel terug komt naar Lisse.

Arend van der Vlugt pachter op Middelburg

Na de dood van zijn vader Maarten en moeder Keetje en het vertrek van de broers en zussen wordt Arend de pachter van Middelburg. Hij trouwt in 1836 met Jannetje (ook wel Immetje) van Graven, een dochter van Celis van Graven en Clara van Bourgonje, boerendochter van Nieuw-Zandvliet in Lisse. Het eerste kind en de oudste zoon uit dit huwelijk is Maarten, hij wordt in 1837 in Lisse geboren. Na hem worden nog vijf kinderen geboren. Dochter Cornelia overlijdt echter al op zestienjarige leeftijd en haar jongere zusje Clara wordt nog geen jaar oud. De jongste dochter uit het gezin wordt na het overlijden van haar zusje ook Clara gedoopt en trouwt met de smid aan het Vierkant, Johannes Wilhelmus Pelle. Arend van der Vlugt blijft nog vele jaren landbouwer op Middelburg.
De oudste zoon Maarten (1837), waarover meer in de volgende paragraaf, trouwt in 1860 met Cornelia van Ruiten en vertrekt naar de Engel.
De tweede zoon Adrianus (1838) trouwt in 1870 met Maria Jonkheer en wordt bollenkweker in de buurt van de ‘Oude Tol’, bij de kruising van de Heereweg en huidige Oranjelaan. Er worden dertien kinderen geboren uit dit huwelijk. Adrianus en Maria staan aan het hoofd van een uitgebreide nieuwe tak van de familie Van der Vlugt.
De jongste zoon Marcelis (Celis) (1843), ook wel ‘Puk’ genoemd, omdat hij behalve de jongste zoon ook nogal klein van stuk zou zijn geweest, trouwt in 1877 met Hendrika van Rijn uit Voorhout. Celis en Hendrika blijven op Middelburg, waar twaalf van de dertien kinderen uit dit huwelijk geboren zijn. In 1882 overlijdt de oude boerin Jannetje en blijft haar man Arend als weduwnaar in het gezin van zijn zoon en schoondochter achter. Samen wonen ze dan nog tien jaar op de boerderij.
Arends broer Leendert is toch weer teruggekomen naar Lisse en trouwt in 1846 met Wilhelmina van Graven, de jongste zus van Arends vrouw en de jongste dochter van boer Van Graven van Nieuw-Zandvliet. Leendert en zijn vrouw krijgen vijftien kinderen maar daarvan zijn er maar liefst negen op heel jonge leeftijd overleden. In 1878 overlijdt Leendert en Wilhelmina blijft nog geruime tijd op Nieuw-Zandvliet wonen.

Middelburg gaat over naar Van Graven

In 1892 koopt de eigenaar van Keukenhof het huis Wildlust omdat Marinus Temminck daar in grote schulden geraakt is en verkopen moet. Maar de koop gaat alleen door als Keukenhof ook de boerderij Oud-Zandvliet erbij kan kopen.
Op zowel Oud-Zandvliet (aan de huidige Randweg) als Nieuw-Zandvliet (aan de Stationsweg) hebben lange tijd pachters uit de familie Van Graven gewoond. Overgrootvader Arij van Graven is jarenlang pachtboer op OudZandvliet geweest, zijn zoon Manus volgde hem op terwijl de andere zoon Celis naar Nieuw-Zandvliet gaat. Celis’ dochter Jannetje trouwt met Arend van der Vlugt op Middelburg, zijn dochter Wilhelmina trouwt met Leendert van der Vlugt – de opvolgend pachter op Nieuw-Zandvliet – en zoon Cornelis komt na zijn oom Manus op Oud-Zandvliet.

Cornelis wordt opgevolgd door zijn zoon Jacobus van Graven. En hij is de laatste van anderhalve eeuw pachters op Oud-Zandvliet die nu moet vertrekken. Hij kan echter naar boerderij Middelburg, welke al veel langer eigendom van Keukenhof is. Dit is echter wel de boerderij van zijn oom Arend en zijn neef Celis. Jacobus van Graven zou het daar heel moeilijk mee gehad hebben, zo schrijft Hulkenberg in zijn boek over Zandvliet, maar er zit niets anders op.
Ook ruim zeventig jaar Van der Vlugt op Middelburg eindigt hierdoor. Celis moet met zijn gezin verhuizen naar de boerderij bij het kasteel Keukenhof. Vader Arend verhuist mee maar overlijdt in juni 1894. Hulkenberg stelt in zijn bovengenoemde boek dat de kwaliteit van het weiland op het landgoed Keukenhof niet zo best schijnt te zijn. Mogelijk is dat de reden dat Celis met zijn gezin in maart 1895 naar boerderij Laag Teylingen in Voorhout vertrekt. Daar wordt ten slotte de jongste zoon uit het gezin geboren.

Maarten van der Vlugt (1837) en Cornelia van Ruiten.

Aan wat later het ‘laantje van Heemskerk’ zou worden, in De Engel, gaat Maarten van der Vlugt wonen. In de oude boerderij daar is boer Aris Warmerdam in 1858 overleden en zijn de bouwmeiden en -knechten allemaal vertrokken. Aris’ dochter Helena is met Teunis van Ruiten getrouwd en woont op de boerderij bij Ter Beek, maar kleindochter Cornelia van Ruiten trouwt in 1860 met Maarten van der Vlugt en gaat met hem aan het latere ‘laantje’ wonen, in de oude boerderij van haar opa.

Willemshoeve, laantje van Heemskerk

Maarten en Cornelia krijgen maar liefst zestien kinderen. Van de tien kinderen die zullen opgroeien zijn er zowel vijf zoons als dochters. De andere zes kinderen zijn helaas op jonge leeftijd gestorven of levenloos geboren. In juni 1881 is vader Maarten overleden. Hij werd slechts vierenveertig jaar oud. Nog geen drie maanden later komt het allerjongste kind ter wereld. Hij wordt Maarten genoemd hoewel er al een naamgenoot van vader is. De oudere, naar vader genoemde zoon Martinus is dan zes jaar oud, maar een dergelijke vernoeming is niet ongewoon in die tijd en na het overlijden van een van de ouders. Het kleinste jongetje is helaas slechts drie maanden oud geworden.
De oudste zoon Adrianus (1861) trouwt en gaat in Alkemade wonen. De overige vier broers Anthonius (1869), Martinus (1875), Adrianus (1876) en Marcelis (1880) blijven in Lisse en wonen bij het overlijden van hun vader nog aan ’t laantje.
De eerste zoon die dan uitvliegt is Anthonius (Antoon). Hij trouwt in 1899 en vertrekt naar de Achterweg. Dan overlijdt in april 1901 ook moeder Cornelia van Ruiten, ze is drieënzestig jaar geworden. Minder dan twee weken later is zoon Adrianus (1876) getrouwd met Geertruida Zandbergen en wordt hij in het Bevolkingsregister als hoofd van het huisgezin genoteerd in huis D59 aan de Heereweg. Al snel vult het huis zich met kleine kinderen.
Wordt de boerderij dan gesplitst in verschillende woningen of wordt er aan- of bijgebouwd? In elk geval trouwt broer Martinus amper een maand later dan zijn broer met Cornelia Christina Prins en woont met zijn vrouw en hun kinderschaar nog een hele tijd aan het laantje, op adres Heereweg D59a.
Marcelis is enkele jaren jonger dan zijn broers en woont eerst enige tijd in bij het gezin van zijn oudere broer Antoon op de Achterweg. Hij trouwt pas in mei 1904 met Johanna Straathof. Ook zijn adres wordt Heereweg D59a aan het laantje en er komen ook in dit gezin al snel na elkaar een aantal kinderen ter wereld.
De vijf dochters trouwen in Lisse maar vier van hen zijn mogelijk daarna naar elders vertrokken. De vijfde is dochter Cornelia en zij trouwt met Willem Duineveld, landbouwer, veehouder en bloemist in Lisse, in het hart van De Engel. Aan de overkant van de weg is zijn broer Gijsbertus Duineveld tapper of kastelein, op de plek waar later ‘Juffermans’ zal komen.

Anthonius van der Vlugt (1869) en Maria Christina van der Salm

Antoon is geboren aan ‘het laantje’. Hij wordt bloemist en trouwt in 1899 in Zoeterwoude met de daar geboren Maria Christina van der Salm. Aanvankelijk gaan ze wonen in de oude boerderij van Pieter van der Zon op de Achterweg, niet ver van de Akervoordelaan in de Engel. Het huis droeg de naam ‘De Goudmijn’ of werd in elk geval door de familie zo genoemd. Het grootste deel van de kinderen is daar ook geboren.
Op de Heereweg is intussen rond 1910 een nieuw dubbel woonhuis gebouwd. Tegenwoordig heeft het de huisnummers 435/435a-‘Solsidan’. In het rechter deel van het huis woont Martinus van der Vlugt (1875) al enige tijd als, waarschijnlijk begin 1913, zijn broer Antoon in het linkerdeel van het woonhuis komt wonen. Het negende kind uit het gezin van Antoon van der Vlugt en Maria van der Salm is hier in februari 1913 geboren.
Een van de tien kinderen uit het gezin van Antoon is Hugo van der Vlugt, de latere pastoor in Hamar in Noorwegen. In het volgende deel van dit verhaal zal ik meer over hem en het gezin in Lisse waaruit hij geboren is vertellen, en over wat er vooraf ging aan zijn overlijden in Oraniënburg in Duitsland in maart 1943.

Familiefoto Antoon v.d. Vlugt en gezin, Heereweg

Bronnen:

DTB-en BS bronnen Nationaal Archief, Familysearch, WieWasWie, ProGen data VOL Lisse, familiestambomen/gegevens. A.M. Hulkenberg: Leids Jaarboekje 1972, Zandvliet Lisse 1982. Bevolkingregister Lisse

DE FAMILIE MARSEILLE

Hendrik Marseille overleed in 1939. De eerste in Nederland wonende Marseille  is rond 1670 geboren in Clermond in Frankrijk en overleden in Amsterdam in 1734.

door Marius Nieuwenhuis

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 4, oktober 2016

 

Hendrik Marseille

Lisse telde in de loop der jaren onder zijn inwoners een groot aantal belangrijke mensen. Mensen die in Lisse, maar ook ver daar buiten, op veel terreinen van grote betekenis zijn geweest. Zoals bv. in de bollenwereld de heer D(irk) W. Lefeber, in de sport Egbert van ’t Oever en in de bouwwereld de architect Paardekoper. Een lijst die mogelijk met nog veel meer namen is uit te breiden. Allemaal mensen die nog jaren na hun acteren bekend bleven en waar nog lang met respect over gesproken werd en wordt. Lisse kent ook een andere categorie mensen die, hoewel ze van grote betekenis zijn geweest, in de vergetelheid verloren dreigen te gaan. Eén van die mannen was mijn grootvader van moeders zijde, Hendrik Marseille. Ter gelegenheid van zijn overlijden in 1939 verscheen er in de krant een artikel, waarin aldus over hem gesproken werd: ‘De heer Marseille, bij alle ingezetenen bekend, was op zijn 74-jarigen leeftijd nog zeer kras te noemen en was nog dagelijks bezig in allerlei zaken waaraan hij zich met veel ambitie wijdde. Hij was ook Notabel der Ned. Hervormde Gemeente en een lange reeks van jaren Voorzitter van het Burgerlijk Armbestuur en Secretaris van de Gem. Brandweer. In de aannemerswereld had de overledene een klinkenden naam en stond zijn zaak algemeen bekend als een zeer solide’.

U kunt zich voorstellen dat ik met enige trots terugkijk op mijn grootvader, waarover ik helaas alleen heb horen spreken. Hij stierf al in 1939 en ik ben zelf geboren in 1946.

Hugenoot?

Maar waar komen de Marseilles oorspronkelijk vandaan? De eerste in Nederland wonende Marseille die ik in de archieven heb kunnen vinden was Pierre (de) Marseille(y). Hij moet plm. 1670 in Clermont in Frankrijk geboren zijn en is in 1734 in Amsterdam overleden. Hoewel niet zeker is het heel goed mogelijk dat deze Pierre als Hugenoot uit Frankrijk was gevlucht vanwege het feit dat hij als Calvinist (volgeling van Johannes Calvijn) door de Franse regering vogelvrij was verklaard en zijn leven in Frankrijk niet meer veilig was. In de 16e en 17e eeuw hebben honderdduizenden Hugenoten de wijk uit Frankrijk genomen, waarvan er plm. 70.000 in de Nederlanden zijn terecht gekomen.

Familie van huisschilders

Verschillende generaties Marseille hebben het beroep van huisschilder uitgeoefend. De eerste die als zodanig genoemd wordt is Albertus Marselje, in 1805 geboren te Haarlem. Zijn zoon Gerrit Marselje (geboren in 1827, ook huisschilder in Haarlem) is de stamhouder van de Marseilles die in Lisse terecht zijn gekomen. Gerrit had twee zoons: Hendrik en Albertus. Deze Hendrik (1856 – 1939) was mijn grootvader. Hij werd timmerman en had naast een zevental dochters slechts één zoon: Pieter Gerardus (1898). Albertus (1871 – 1939) is de grootvader van de heren Bert en Bram Marseille die nu nog in Lisse woonachtig zijn. Zoals bekend had deze Bert Marseille jarenlang een schildersbedrijf wat hij later overgedaan heeft aan Ype Daudeij.

Timmerman

De 28 jarige Hendrik met zijn eerste knecht Kobus van Biezen. Foto uit 1893

Mijn grootvader Hendrik is waarschijnlijk op het terrein van zijn vader en broer, achter de voormalige bakkerij van Vaneveld, aan de westzijde van de Heereweg, in 1893 aan het timmeren gegaan. In slechts enkele jaren moet dat bedrijf zijn uitgegroeid tot een timmerbedrijf van flinke omvang.

De reden dat ik in de inleiding gezegd heb dat mijn grootvader voor Lisse van grote betekenis is geweest heeft vooral te maken met alles wat hij in Lisse gebouwd heeft.

Bollenvilla’s

Zo werd in 1923 door mijn grootvader het bekende huis ‘In de bocht’ gebouwd in opdracht van de heer Bert van der Nat, toenmalig directeur van de Koninklijke Bloembollenmaatschappij H. de Graaff en Zonen, destijds gelegen op de hoek Heereweg/ Julianastraat. In die tijd bestond de Von Bönninghausenlaan nog niet en stond dat huis inderdaad in de bocht. Van 1937 tot 1979 was deze villa de ambtswoning van de burgemeester. De architect van dit huis was de heer Leen Tol Sr.

 Huize Rutsbo

In 1925 werd door mijn grootvader de villa Rutsbo gebouwd in opdracht van de bloembollenkweker-exporteur Driehuizen. Het huis is vernoemd naar mevrouw Ruth Driehuizen-Heurgren. Mevrouw Driehuizen kwam van oorsprong uit Zweden. De naam Rutsbo betekent ‘woning van Ruth’. Bo is Zweeds en betekent woning. Ook deze woning, inclusief de achterliggende bedrijfsgebouwen, zijn getekend door architect Leen Tol Sr.

Von Bönninghausenlaan

Omstreeks 1935 is mijn grootvader begonnen met de bouw van de huizen aan de Von Bönninghausenlaan. Ik heb niet kunnen achterhalen of mijn grootvader eerst dat land wat waarschijnlijk tot die tijd in eigendom was van G. van der Mey’s Zonen zelf had gekocht. Er werden steeds blokken van vier huizen gebouwd. Kort voor zijn overlijden in 1939 was de Von Bönninghausenlaan gereed. Nog steeds is de Von Bönninghausenlaan een straat met prachtige degelijke en statige huizen, ook gebouwd onder architectuur van Leen tol Sr. Echt iets om trots op te zijn. Het moet, achteraf bezien, toch een hele onderneming geweest zijn om net na de crisis aan de bouw van deze woningen te beginnen. De enige zoon van mijn grootvader, de heer Piet Marseille, betrok na zijn trouwen in 1928 eerst tot 1935 het huis aan de Von Bönninghausenlaan nr. 2 en daarna nr 10. Daar hebben ze gewoond totdat in 1939 mijn grootvader kwam te overlijden. Zijn weduwe, mijn grootmoeder, verruilde toen de ouderlijke woning aan de Heereweg nr. 157 met het huis aan de Von Bönninghausenlaan nr. 10, samen met drie ongetrouwde dochters: Gerda, Rika en Rie (mijn moeder).

1927. Von Bönninghausenlaan moet nog ontwikkeld worden. Huis ‘In de bocht’ staat er al. Vooraan huize Veldhorst van G. van der Mey’s Zonen met omringend bollenland.

Grootmoeder Marseille kwam te overlijden in het voorjaar van 1943 en in december van hetzelfde jaar trouwde mijn moeder met Rudolf Nieuwenhuis. Vanwege het gebrek aan woningen in en kort na de oorlog bleven mijn ouders de eerste jaren bij de andere twee zusters op nr. 10 wonen. Zo kon het gebeuren dat dat huis ook het geboortehuis werd van mijn broer Ruud en van mij De twee overgebleven vrijgezelle zusters van mijn moeder Gerda en Rika waren in de hele streek bekend als de dames Marseille. Zij trokken er vanuit Von Bönninghausenlaan 10 per Solex op uit om menig klant van een eksteroog af te helpen.
De Von Bönninghausenlaan is genoemd naar Jhr. Paulus Frederikus Johannes von Bönninghausen tot Herinkhave (1858 – 1919) die van 1888 tot 1919 burgemeester van Lisse was. In die periode is de Agathakerk gebouwd (1902), de Kathedraal van de Bollenstreek.
Behalve het realiseren van bovengenoemde huizen en straat deed mijn grootvader ook het onderhoudswerk aan Kasteel Keukenhof voor de Graaf van Lynden. Of hij nog meer beeldbepalende bouwwerken in Lisse gebouwd heeft is me niet bekend.

Gefuseerd met Horsman

Mijn oom Piet had twee kinderen. Zoon Hein koos voor het ruime sop en dochter Hans vertrok naar Canada. Bij gebrek aan een opvolger besloot oom Piet in 1959 te fuseren met aannemer Horsman, onder de naam Horsman & Co en Marseille. Horsman was aan de Nieuwstraat uit zijn jasje gegroeid en kon zo gebruik maken van de ruimere locatie aan de Heereweg. Nog steeds meldt de firma Horsman op zijn website dat de zaak in 1893 is begonnen. Dat geldt dan alleen voor het deel Marseille. Horsman zelf werd pas kort voor de oorlog actief in de bouwwereld. Dat neemt natuurlijk niet weg dat de firma Horsman een bouwbedrijf is waar we als Lissers trots op mogen zijn. Net zo trots als ik op mijn grootvader mag zijn. Naast zijn andere sociale activiteiten, zoals genoemd in het krantenartikel, mag ik toch met enige trots zeggen dat mijn grootvader Hendrik Marseille een prachtige bijdrage heeft geleverd aan ons mooie dorp. Dat zijn naam nog tot in lengte van jaren in ere moge blijven.

Stamboom van Marseille

 

VAN KORENBLOEM NAAR ZONNEPIT

De voorgeschiedenis van Anna Beelen wordt beschreven.Het verhaal begint bij haar opa, die molenaar was op de Korenmolen van Beelen aan de Grachtweg

VAN KORENBLOEM NAAR ZONNEPIT

door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 2, april 2016

Wanneer je de jongste bent van 15 kinderen en je vader is ook nog eens de jongste uit zijn gezin, dan is het niet zo verwonderlijk dat je de opa van vaders kant nooit gekend hebt. Overigens heeft Puck de Vroomen-Beelen, hoofdpersoon van het kwartiertje in dit Nieuwsblad, de grootouders van beide kanten nooit gekend. Haar Lisser grootvader was een bekende dorpsgenoot. Hij was de molenaar op korenmolen de Korenbloem. De familiegeschiedenis van de familie Beelen en de molen is door Bert Kölker uitvoerig beschreven in het boek ‘Kroniek van de Lisser timmerman en molenaar Cornelis van der Zaal 1762-1839’.
Hier start ons verhaal met de opa van Puck, Pieter Beelen, die in 1865 de korenmolen koopt. Bij de koop van de molen is het huis aan de Grachtweg inbegrepen, maar daar kan hij niet meteen over beschikken. Pieter trouwt in 1867 een meisje uit een bekende Hillegomse familie, Geertruida van Dril. Samen krijgen ze 7 kinderen. De jongste is Mattheus, geboren in 1878. Thijs wordt in de molen geboren. Hij is 2 jaar wanneer de familie naar een gewoon huis aan de Grachtweg/hoek Molenstraat verhuist. Thijs is de vader van Puck.
Oudste zoon Gerrit van het echtpaar Beelen-van Dril verhuist naar Rijpwetering en begint daar een maalderij. Tweede zoon Jan begint in De Zilk een graanhandel. Zoons Piet en Frans volgen Pieter Beelen op in de korenmolen in Lisse. Jongste zoon Thijs gaat een heel andere weg op. Hij gaat in de leer voor het bollenvak bij de familie Slegtkamp aan de Heereweg 291.

Thijs Beelen te paard met de molen, die gepavoiseerd is

In september 1898 zijn in heel Nederland, dus ook in Lisse, grootse feestelijkheden ter ere van de troonopvolging door koningin Wilhelmina. De molen is gepavoiseerd en Thijs doet te paard mee aan de historische optocht. Thijs is bevriend met Cor Langeveld van de kaashandel aan het Vierkant. Diens vrouw heeft familie in Schalkwijk, toen nog een boerengemeenschap, vallend onder de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude. Zo kan het gebeuren dat Thijs met de tilbury regelmatig naar Schalkwijk rijdt. Want via Cor en zijn vrouw leert Thijs een meisje kennen, Anna Horstman, en het klikt meteen. Anna Horstman woont in een boerderij aan het Spaarne. Het is een melkveehouderij. Werk in overvloed en ook Anna moet helpen. Met tegenzin, maar haar vader belooft haar dat ze een naaimachine krijgt wanneer ze tot haar 18e blijft helpen met melken. En daar doe je wat voor!
Thijs koopt grond aan de Heereweg, aan het Oostend. Hij laat er een huis annex bollenschuur bouwen. Het adres is Heereweg 67/Nieuwstraat 2. Thijs Beelen en Anna Horstman trouwen in 1906 en een jaar later wordt dochter Truce geboren. Het jaar 1908 is een bewogen jaar. Eerst sterft de vader van Anna, een paar maanden later komt de vader van Thijs te overlijden. Weer een maand later wordt dochter Agaath geboren. Opoe Horstman uit Schalkwijk komt, wanneer de boerderij langs het Spaarne overgenomen is door haar zoon, ook bij haar enige dochter in Lisse wonen. Zij is dolblij met de geboorte van Anny, dochter nr. 5. Daarvoor zagen dochter Nel en zoon Piet al het levenslicht. In de officiële aktes zijn 14 geboortes aangegeven, maar in de familie spreekt men van de geboorte van 15 kinderen. Met nog een aantal miskramen staat de periode van 21 jaar waarin de kinderen worden geboren, voortdurend in het teken van zwangerschap, geboorte en dood. Want een aantal kinderen sterft op zeer jonge leeftijd. Anna Beelen-Horstman draagt zeer regelmatig zwarte kleding vanwege de rouw.
Het jongste kind is Maria Anna Theresia, die aanvankelijk Ria wordt genoemd, maar al gauw Puck heet.

De rest van het verhaal kunt u lezen in het Nieuwsblad van april 2016

EEN PLANKJE OP DE LISSERDIJK

Op een plankje in de woning Lisserdijk 508 staat “Behangen door J.P. Bemelman”, 3 augustus 1882. Er staan ook namen van  timmerlieden op. De geneologie van alle personen wordt besproken.

door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 1, januari 2016

Mijn verre voorouder Johannes Petrus Bemelman is indertijd in Amsterdam neergestreken en zijn nageslacht is er enkele generaties lang gebleven, maar mijn betovergrootvader vestigt zich rond 1839 in Noordwijk. Hij wordt de stamvader van een groot en kleurrijk nageslacht waaronder het aantal schilders heel groot geweest is. Mijn overgrootvader Jan (Johannes Petrus) Bemelman is in 1854 in Noordwijk geboren. Hij was het elfde kind in het gezin van zijn ouders en was de vijfde zoon op rij die schilder werd. Na hem kwamen er nog drie schilders, en een van de dochters trouwde met een schilder.
Jan Bemelman trouwt in 1881 met de Lissese Geertruida Balkenende. Ze wonen in Lisse en samen krijgen ze zes kinderen. Jan is dus zoals zijn broers ook schilder geworden. Hij is echter op heel jonge leeftijd overleden, hij was toen pas 34 jaar oud. Van zijn zes kinderen is dan al één dochtertje heel jong gestorven. Jans weduwe Geertruida staat er ineens alleen voor met vier kleine kinderen en in verwachting van de vijfde. Hun kleine Jan is pas vier jaar oud, zijn jongste broertje wordt vijf maanden na het overlijden van hun vader geboren maar wordt slechts zes weken oud.
Na het overlijden van haar man heeft Geertruida Balkenende de draad voor haar en haar gezin weer opgepakt en gaat aan de slag als winkelierster in manufacturen. Ze hertrouwt met odorus Schrama en krijgt met hem vier kinderen. Maar Theodorus is waarschijnlijk al ziek als zijn jongste kind geboren wordt, want hij is niet in staat om aangifte van de geboorte te doen. Een iets ouder zoontje overlijdt tien dagen na de geboorte van zijn broertje en net nadat kleine Jan Bemelman zijn tiende verjaardag heeft bereikt, overlijdt ook zijn stiefvader. Geertruida staat er weer alleen voor, met zeven kinderen nu.
Kleine Jan, later mijn opa, zou zich in die periode van zijn leven nogal eenzaam en verweesd gevoeld hebben. Dat heeft hij mijn vader indertijd wel verteld op de zondagen wanneer hij met zijn jongste zoon Koos achter op de fiets naar Noordwijk gaat, voor familiebezoek. Kleine Jan is immers zijn vader op heel jonge leeftijd verloren en vervolgens zijn stiefvader maar enkele jaren later. Zijn moeder Geertruida moet het razend druk gehad hebben en kleine Jan is er toen mogelijk een beetje bij in geschoten. Als hij zeventien jaar oud is, vertrekt Jan junior dan maar naar Voorhout om bij zijn vaders broer de fijne kneepjes van het schildersvak te leren. Hij komt in 1907 terug naar Lisse en vestigt zich als schilder en trouwt in 1909.

Een bijzonder berichtje in de krant

Omdat Jan Bemelman senior zo jong is overleden heeft hij slechts weinig historie nagelaten. Dat is voor een onderzoeker van de familiegeschiedenis een gemis. Het is dan ook prachtig als ik in een historische krant een berichtje vind, over een plankje dat vijftig jaar eerder in de Lisserbroek achter het oude behang vandaag gekomen is. Mijn overgrootvader en twee timmerlieden blijken dit plankje te hebben beschreven en dat heeft zestig jaar verstopt gezeten…
In de zomer van 1882, dus zes jaar voordat hij uiteindelijk komt te overlijden, doet Jan een behangklus in de Lisserbroek. Dat wordt pas belangrijk als het zestig jaar later opmerkelijk genoeg is om er een krantenbericht aan te wijden. Het verschijnt zelfs in twee verschillende kranten in de regio Leiden. In 1952 namelijk besluit de bewoner van Lisserdijk 508 de woonkamer opnieuw te behangen. Daarom moet niet alleen het oude behang maar ook het tengelwerk – het houten regelwerk op de muur, waar het oude behang op vastgeplakt zit – worden verwijderd. De kinderen helpen mee en ontdekken een plankje achter het behang, met een opschrift waaruit blijkt dat het zestig jaar lang achter het oude behang gezeten heeft. Twee timmerlieden hebben er hun namen op gezet en een beloning voor de vinder genoteerd: ‘Diegenen die dit vinden, kunnen op onzen naam één kan jenever halen’. Op de andere zijde van het plankje stond: ‘Behangen door J. P. Bemelman, 3 augustus 1882’.

De timmermannen van het plankje

Op het plankje staan de namen van de timmerlieden die de klus hebben ‘afgemaakt’ en zij noteren daarbij voldoende details om met de huidige mogelijkheden hun geschiedenis in beeld te krijgen.
De eerste is: ‘H. Pieterse, geboren te Rijpwetering, den eersten April 1862’: Na enig zoeken blijkt dit Hendricus Pieterse te zijn, geboren 1 april 1862 in de gemeente Alkemade, waar Rijpwetering nu onder valt. Hij is de zoon van Pieter en van Elizabeth Drieman. Hij is dan net twintig jaar oud, als hij op het plankje schrijft en nog niet getrouwd. Enkele jaren later, in 1887, trouwt hij met Petronella van der Fits. Hun kinderen worden in Alkemade geboren, vier ervan worden volwassen. Rond 1913 is Hendricus met zijn gezin naar Den Haag vertrokken. Daar loopt het spoor dood.
De tweede timmerman is: ‘J.B. van Hensbergen, geboren te Noordwolde Friesland, den 5den Januari 1860’. Zijn voornamen blijken Johannes Braun en hij is in de gemeente Weststellingwerf ingeschreven als zoon van Johan Adolf, dan 39 jaar oud, arbeider en wonende te Frederiksoord onder Noordwolde. Zijn moeder is Petronella Wilhelmina Anna Dirkse.
Frederiksoord is een kolonie van de Maatschappij van Weldadigheid bij de grens van de provincies Friesland, Drenthe en Overijssel geweest. De grootouders van Johannes Braun komen eind oktober 1826 met enkele jonge kinderen en een baby in de kolonie aan. Ze komen uit Den Haag en zijn waarschijnlijk arm, dakloos en radeloos en door de Haagse burgemeester opgezonden om te worden heropgevoed.
Zowel Johannes Braun, zijn twee zussen en een broer als zijn beide ouders zijn in die kolonie geboren. Zodra iemand in de opvoedkolonie was opgenomen, kwam deze niet gemakkelijk weer weg, of anders vaak weer terug. De bewoners worden doorgaans als kolonisten aangeduid. Broer Frans wordt timmerman en trouwt in 1874 met Maria Hendrika, eveneens een kolonistenkind uit kolonistenouders. Maar kort na de geboorte van hun eerste kind vertrekt dit jonge gezin naar Lisse waar nog drie kinderen geboren worden. In 1881 verhuist het gezin naar Renkum waar ze nog een aantal kinderen krijgen. Blijkbaar hebben ze het gered in de gewone maatschappij. De jongste zoon brengt het zelfs tot hoofdbesteller bij de PTT.
Is Johannes Braun samen met zijn broer uit de kolonie gestapt? Hij werkt in 1882 dus als timmerknecht in Lisserbroek, maar helaas voor hem is zijn broer met zijn gezin dan alweer uit Lisse vertrokken. Waarschijnlijk kan hij zich in zijn eentje niet staande houden in de harde buitenwereld, of is hij misschien ziek geworden? Hij overlijdt in elk geval in 1885, ongehuwd en pas vijfentwintig jaar oud. De aangifte wordt gedaan in de gemeente Weststellingwerf, precies als bij zijn geboorte, wonende in Frederiksoord, dus toch weer terug in de kolonie …

Te laat voor de kan jenever

Die kan jenever zal het gezin na zestig jaar wel nooit gekregen hebben, zo veronderstelt de journalist in het krantenbericht van 1952. Van Jan Bemelman en van Johannes Braun van Hensbergen staat in elk geval vast dat ze al jaren eerder overleden zijn, van Hendricus Pieterse is dat niet helemaal zeker, echter wel waarschijnlijk.
Door adres in het krantenbericht kom ik via de beeldbank van Noord-Holland en het boek ‘Zo was het in Lisserbroek’ aan een foto van het huisje aan de Lisserdijk 508. Het is echter gesloopt. Een van de schrijvers van het genoemde boek en enthousiast beheerder van een historisch archief over de Lisserbroek, de heer Aart Donker, laat weten dat dit een daggelderswoning bij de kwekerij van Cornelis Adrianus van Leeuwen in Lisserbroek is geweest en dat het heel goed mogelijk is dat het in 1882 gebouwd is. Het huisje heeft in de onderdijk gestaan waar het ooit het adres Achterom 49 had. Hier woonde aan het eind van de Tweede Wereldoorlog een zoon van Dirk van der Tang, de zaadhandelaar uit Lisse die vlak bij het Vierkant woonde. Zoon Kees is bloembollenkweker en hij met zijn vrouw Jannetje en hun gezin zijn de laatste bewoners van dit huis geweest. Hier zullen dus de kinderen van Kees het plankje in 1952 ontdekt hebben waarna hun vader of moeder de krant gebeld heeft om de vondst van het plankje te melden. Misschien hadden ze toch nog een heel stille hoop die jenever nog te kunnen krijgen…?

Lisserdijk 508 Lisserbroek (coll. Historisch Archief Lisserbroek – Aart Donker)

Dit oude huisje, in de kenmerkende bouwstijl waarvan er zo heel veel in de Haarlemmermeer geweest zijn, is in elk geval in 1967 gesloopt. Daar moest de toegangsweg komen voor het erachter gelegen industrieterrein de Kruisbaak.

Bronnen:

Familiegegevens Bemelman, ProGen VOL;

Erfgoed Leiden – krantenarchief;

WieWasWie,

FamilySearch,

Drents Archief – bronnen Maatschappij van Weldadigheid;

Bevolkingsregister Lisse; Noord-Hollands Archief – beeldbank;

Historisch Archief Lisserbroek – Aart Donker;

Zo was het in Lisserbroek (1978) Nic. Bouwmeester, Maarten Doedes en Aart Donker

Wim Randsdorp, een Lissese jongen tewerkgesteld in Duitsland

Nu zie ik je nooit meer” is een boek, geschreven door Marjon Griffioen over Wim Randsdorp, overleden in 1943 in Duitsland. Van hem zijn er 70 brieven bewaard, geschreven aan zijn zus.

door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 4, oktober 2015

‘Nu zie ik je nooit meer …’ zegt Wims moeder bij het afscheid van haar zoon, als deze in het najaar van 1942 naar Duitsland vertrekt om daar tewerkgesteld te worden. Haar slechte voorgevoel over de afloop ervan wordt helaas werkelijkheid als hij eind november 1943 bij een bombardement om het leven komt. Na het overlijden van de zus van Wim, blijkt zij bijna zeventig brieven van haar broer uit zijn periode in Duitsland te hebben nagelaten. Brieven die Wim heeft geschreven aan zijn ouders, broers en zussen. Schoondochter Marjon Griffioen is ervan overtuigd dat ze een verhaal vormen dat verteld moet worden. Door een boek te schrijven over Wim Randsdorp wil ze hem een stem geven, een stem die het verhaal van zijn laatste levensjaar vertelt. Hoewel er volgens Marjon tussen 200.000 en 300.000 tewerkgestelde Nederlanders geweest zijn, waarvan er ongeveer 29.000 zijn omgekomen, is er weinig over hen bekend geworden. Over onderduikers hebben we geleerd door bijvoorbeeld het dagboek van Anne Frank. In de vele brieven van Wim Randsdorp schrijft ook hij, als in een dagboek, over alledaagse dingen zoals de smaak van het eten en het grote gebrek aan voldoende ervan, over zelf kleding moeten wassen, kapotte sokken en schoenen en zijn behoefte aan warme klompen, over behoefte aan wat geld voor kleine uitgaven. Hij wil echter vooral niet laten zien dat hij het soms zó moeilijk heeft en weigert bij de pakken neer te gaan zitten. Zijn heimwee naar Holland, familie, vrienden, verjaardagen en zijn toenemende angst blijken tussen de regels door steeds duidelijker. Hij put een enorme hoop en steun uit zijn geloof en probeert zo vaak mogelijk troost in de katholieke kerk te vinden. Hoop en wanhoop strijden om een plek, hij blijft proberen de moed erin te houden, telt af naar de jaarwisseling van 1942-1943 en naar zijn verlof, waarvan hij steeds meer gaat inzien dat dit er nooit gaat komen … Het is een aangrijpend en invoelbaar document geworden, met een verhaal dat niet alleen voor de familie belangrijk is, maar ons allemaal een beeld geeft van de worsteling van deze Wim en vele andere tewerkgestelden in Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Absoluut een aanrader. Zie het als een vorm van eerbetoon aan hem en zijn familie dat we in het Nieuwsblad van dit kwartaal zijn Lisses Kwartiertje geplaatst hebben. In onderstaand artikel gaat het vooral om de voorouders van Wim Randsdorp.

Gijsbertus Ransdorp en Jannigje van Zoelen

Waarschijnlijk rond 1810 trouwen Gijsbertus Randsdorp en Jannigje van Zoelen, mogelijk in Jutphaas. Er worden uit dit huwelijk in elk geval zeven kinderen geboren. Aanvankelijk woont het gezin in IJsselstein – waar de eerste vier kinderen geboren worden – en verhuist dan naar Jutphaas. Beide plaatsen liggen onder de rook van Utrecht, niet ver van elkaar vandaan. In Jutphaas overlijden begin 1818 de kleine Jan van vijf jaar en Kaatje van twee jaar oud. In oktober van het jaar daarop, komt als vijfde kind Jan Randsdorp ter wereld. Hij is later de overgrootvader van Wim Randsdorp. Na Jan worden nog twee dochters geboren. Het beroep van vader Gijsbertus is hoepelmaker. Van zijn overlijden in 1839 doet zoon Willem aangifte op het gemeentehuis, ook hij is hoepelmaker.

Overgrootvader Jan Randsdorp en zijn vrouw Barbara

In 1850 trouwt Jan Randsdorp, als dertigjarige kleerbleker in Utrecht met Barbara Maarschalkerweerd, een kleerbleekster van 26 jaar oud. Na zijn vader is nu ook de moeder van Jan overleden, net als beide ouders van de bruid. Als getuigen van het huwelijk zijn alleen een oom en een broer van Barbara en een neef van Jan aanwezig als nauwste verwanten. De bruidegom schrijft zijn naam onder de huwelijksakte, de bruid verklaart niet te kunnen schrijven. Het gezin woont in Utrecht, daar worden de eerste kinderen geboren, waaronder Gijsbertus Johannes in 1852. Tegen het jaar 1860 verhuist het gezin naar Jutphaas. De naam Johannes Gijsbertus moet in het gezin heel belangrijk geweest zijn, want er zijn maar liefst vier kinderen met die voornamen geboren: het eerste kindje in 1851 wordt slechts 10 maanden oud; het jongetje daarna geboren in 1855 wordt maar vier jaar oud; het derde naamgenootje leeft nog geen drie maanden en alleen de zoon die in maart 1866 wordt geboren, is volwassen geworden en pas op middelbare leeftijd overleden. Vader Jan Randsdorp is nog lange tijd kleerbleeker gebleven en wordt later hoepelmaker. Voordat ook hij in 1866 overlijdt, woont en werkt hij als hoepelmaker in Jutphaas.

Grootvader Gijsbertus Johannes Randsdorp

In 1877, trouwt Gijsbertus Johannes Randsdorp met dienstbode Kornelia van Breukelen uit IJsselstein. Vader Jan Randsdorp is al overleden maar moeder Randsdorp is bij de huwelijksvoltrekking aanwezig en geeft haar toestemming. Oom Willem Randsdorp, de broer van vader treedt op als getuige voor de bruidegom, hij is 60 jaar en nog steeds hoepelmaker. Naast de veldwachter zijn er nog twee getuigen, bekenden van het bruidspaar, inwoners van Jutphaas en beiden hoepelmakers. De moeder van de bruidegom, zijn oom Wim en ook de ouders van de bruid verklaren door onkunde niet te kunnen schrijven of hunne namen te teekenen. Het bruidspaar vestigt zich in Jutphaas waar in augustus 1878 het eerste kind geboren wordt. In Jutphaas volgen nog vier kinderen, alleen zoontje Jan wordt slechts 15 maanden oud. Vader Gijsbertus Johannes (Gijs) wordt in de aktes aanvankelijk steeds als arbeider aangeduid – een niet specifieke beroepsnaam – maar staat vanaf 1883 genoteerd als hoepelmaker. Het gezin verhuist naar IJsselstein waar in november 1886 Johanna geboren wordt. Zij overlijdt echter al na drie dagen. Ook haar zusje Cornelia wordt een jaar later maar enkele dagen oud.

Hoepelmakers en griendcultuur

Vooral langs de lagere delen van de rivieren vinden we de hoepelmakers. Het griendhout, of wilgenhout, gedijt heel goed op akkers die regelmatig onder water komen te staan en vochtig blijven. Door de grote toename van de bevolking in de 19e eeuw, is er steeds meer vraag naar levensmiddelen. Die worden dikwijls vervoerd in vaatjes, bijeengehouden door hoepels van wilgenhout. De grote vraag naar deze hoepels leidt tot grootschalige aanplant van grienden en tot een bloei van het beroep hoepelmaker. De hoepelmaker klooft geschilde tenen of stokken wilgenhout in tweeën, en buigt die na het weken tot hoepels, die vooral gebruikt worden rond haring- of botervaatjes. Rond IJsselstein en Jutphaas zijn veel grienden en hoepelmakers geweest.

Houten tonnen met wilgen hoepels in de visverwerking (coll. Het Geheugen van Nederland)

Rond 1900 wordt het aantal hoepelmakers echter zó groot dat dit van negatieve invloed is op de prijs van de hoepels en de lonen van de hoepelmakers blijven daardoor laag. Vlees zou er in hun gezinnen nog maar zelden op tafel komen, de knolraap die ze in plaats daarvan dikwijls eten, wordt dan ook wel hoepmakers spek genoemd. De industrie van het hoepelmaken verdwijnt dan ook meer en meer rond het begin van de 20e eeuw en de grienden zijn weer weilanden geworden.

Familie Randsdorp van kerk naar kerk

De lage lonen voor de hoepelmakers zullen van invloed geweest zijn op het vertrek van de familie Randsdorp uit hun woonplaats IJsselstein. Volgens het Bevolkingsregister van hun oude woonplaats is het gezin in juni 1888 naar Hengelo vertrokken. In 1893 blijkt het gezin in Enschede te wonen. Vader Gijs komt met vrouw en vier kinderen voor in het Bevolkingsregister van deze stad. In juni 1893 wordt op den Berkenkamp, wijk C nog een zoon Gijsbertus Johannes geboren. Vader is dan geen hoepelmaker meer, maar staat als arbeider geregistreerd. Hoewel hij later in documenten voorkomt als timmerman en metselaar, wordt in deze akte geen specifiek beroep genoemd.

St. Agathakerk in Lisse – bouw 1902 -1903

Lisette van der Lans schrijft in haar boek ‘St. Agatha 1903-2003’ over Gijs(bertus) Randsdorp dat hij heeft meegebouwd aan kerken in Enschede, Vilsteren en Den Haag. Het lijkt aannemelijk dat hij eveneens betrokken geweest is bij de bouw van de noodkerk in Hengelo. Deze wordt in 1888 gebouwd in de tuin van de pastorie en wordt gebruikt, voorafgaand aan de bouw van de Sint-Lambertusbasiliek. In 1893-1894 heeft Gijs in Enschede waarschijnlijk bijgedragen aan de bouw van de St. Jozefkerk, een Rooms Katholieke kerk die in die jaren gebouwd is, vooral om kerkruimte te bieden aan de textielarbeiders die zich daar eind 19e eeuw in groten getale vestigden. Heel bijzonder aan het bestek voor de bouw van deze St. Jozefkerk zijn de daarin opgenomen arbeidsvoorwaarden. De werklieden krijgen een verzekering tegen ongelukken op de bouw en er worden schriksteigers aangebracht. Goed drinkwater en behoorlijke privaten moeten op de bouwplaats beschikbaar zijn en er mag niet langer dan elf uur per dag gewerkt worden. Maar er staat óók in de voorwaarden dat het vloeken verboden is!

Familie Randsdorp, middenonder Kornelia van Breukelen met kinderen en aangetrouwde kinderen (coll. Lisette van der Lans)

Later zijn in Vilsteren tussen 1896 en 1897 de Sint Willibrorduskerk gebouwd en in Den Haag is in 1898 de Onze-Lieve-Vrouw van Goede Raadkerk geconsacreerd. Ook aan deze katholieke kerken heeft Gijsbertus Johannes waarschijnlijk meegebouwd. Volgens Lisette van der Lans, in haar bovengenoemde boek, trekken in die periode vaklieden uit alle delen van het land, van plek naar plek om te kunnen meewerken aan de bouw van grote, nieuwe RK kerken. Als je het geluk had te worden aangenomen, dan had je minstens een jaar werk. Zo zou ook Gijs Randsdorp als metselaar met zijn gezin naar Lisse gekomen zijn. Rond 1902 heeft hij zijn woonwagen geparkeerd, naast die van de anderen, op het terrein van de nieuw te bouwen Sint Agathakerk. Op 1 november 1905 staat het gezin volgens het Bevolkingsregister van Lisse op C70 officieel ingeschreven in een ‘echte’ woning, op de Grachtweg nummer 37. Alleen zoon Johannes Gijsbertus is in Jutphaas gebleven en is daar getrouwd, de overige kinderen komen naar Lisse. Barbara, Huibert en Johannes Cornelis trouwen in Lisse, maar de jongste zoon Gijsbertus Johannes blijft voorlopig nog op de Grachtweg wonen. Vader Gijs overlijdt in 1915 en zijn weduwe in 1934. Volgens Erik Vergunst in zijn boek ‘de Geschiedenis van Lisse in oude ansichten en plattegronden’, is het huis in 1959 verkocht aan Franciscus Johannes Hogervorst. Gedurende lange tijd heeft deze een schoenwinkel op dit adres gehad.

Grachtweg 37, na de familie Randsdorp kwam hier Hogervorst schoenen (coll. Beeldbank Lisse)

 

 

 

Johannes Cornelis Randsdorp

Het boek ”Nu zie ik je nooit meer..”, van Marjon Griffioen

Net als zijn vader is Johannes Cornelis metselaar geworden. Hij trouwt in 1908 met Klazina Elisabeth Koelewijn, die met haar ouders al geruime tijd in Lisse woont, op het stukje Heereweg tussen de Nieuwstraat en Julianastraat. Het jonge gezin trekt voor enige tijd in op Grachtweg 37, waar de eerste twee kinderen geboren worden. Daarna woont het gezin enkele jaren in de Van der Veldstraat, waar nog in elk geval vier van de kinderen geboren worden. Uiteindelijk neemt het gezin haar intrek in Julianastraat 113. Over dit gezin waaruit in totaal veertien kinderen geboren zijn, en waarvan helaas één kindje al heel jong is overleden, heeft Marjon Griffioen zelf al een heleboel verteld in haar boek over Wim Randsdorp.

Bronnen:

Nu zie ik je nooit meer – Marjon Griffioen;

St. Agatha 1903-2003 – De glorie en roem van katholiek Lisse – Lisette van der Lans;

Geschiedenis van Lisse in oude ansichten en plattegronden – Erik Vergunst;

Utrechts Archief; Bevolkingsregisters IJsselstein, Enschede, Lisse; Canon van IJsselstein, Hoepelmakers; Monumentenregister Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; Hoepelmakerij P. v.d. Brand en zoon;

Beeldbank Lisse – Genealogie; ProGen VOL;

FamilySearch; Wikipedia, Encyclo – online Encyclopedie Ons erfgoed, oude beroepen

Naschrift

Het boek ”Nu zie ik je nooit meer..”, van Marjon Griffioen is verkrijgbaar bij boekhandel Grimbergen. Prijs € 20,20 Het is te leen in de bibliotheek en bij Vereniging Oud Lisse ter inzage. Ook te bestellen via https://vermeer. mijnbestseller.nl/shop/index.php/historyand-politics/biographies-and-memoirs. html.