Berichten

Waarom heet boerderij De Wolff zo?

De bewoningsgeschiedenis van boerderij de Wolff wordt beschreven.

Sporen van vroeger (LisserNieuws)

12 maart 2019

door Nico Groen

Naar aanleiding van de vorige columns in Sporen van Vroeger over boerderij De Wolff vroegen diverse mensen waarom deze boerderij ‘De Wolff’ genoemd wordt. Van 1823 tot 1850 boerde hier Jan Wolff. De boerderij was vanaf 1797 in bezit van zijn vader, Caspar Wolff.

Op de woning staat een gevelsteen met het jaartal 1603 er op. Vast staat in ieder geval dat op deze plek vóór 1612 een nieuwe boerderij is gebouwd. Dit zou dus heel goed 1603 geweest kunnen zijn. Vóór die tijd staat er echter ook al een bedoening. Deze plek wordt voor het eerst in 1528 genoemd. De eigenaren tussen 1528 en 1779 zijn bekend. Daarbij is echter niemand die De Wolff heet.

Caspar (Casparus Hendricus) Wulff of Wolff is in 1774 geboren bij Osnabrück in Duitsland. In 1792 als hij 17 jaar is, woont hij in Amsterdam en wordt ingeschreven als leerknecht bij een chirurgijn (dokter). Hij wordt later zelf een bekende chirurgijn. Hij trouwt in 1797 met Huberta Verdegaal, die op boerderij Welgelegen aan de Heereweg bij de Vuursteeglaan in Lisse geboren is. Haar vader is Jan Verdegaal en haar moeder is Willemijntje Vreeburg.

Caspar en Huberta krijgen in 1797 ‘bij donatie’ van Jan Verdegaal een bouwmanshuis (de latere boerderij de Wolff) en de landerijen er omheen. Dit bouwmanshuis is al in 1779 gekocht door Jan Verdegaal. Caspar Wolff koopt in 1803 meer grond rondom de boerderij. Het echtpaar heeft daar echter zelf nooit gewoond maar is na hun trouwen aan ’t Vierkant gaan wonen. Hij is hier chirurgijn tot 1828. Dan vertrekken zij naar Oegstgeest.

Jan Verdegaal is in 1823 overleden. Huberta erft dan definitief boerderij De Wolff en de landerijen van haar vader. Huberta’s zus Maryte is getrouwd met Jacob Riggel. Zij erft Boerderij Welgelegen op de hoek van de Heereweg en de Vuursteeglaan.

Johannes (Jan) Wolff

Uit het huwelijk van Caspar en Huberta zijn 14 kinderen geboren, waarvan Jan de oudste zoon is. Hij is geboren in 1799. Hij trouwt in 1823 met Petronella van der Geest en na haar overlijden met Adriana Kester. Hij gaat in 1823 boeren op de latere boerderij De Wolff, maar zijn ouders blijven eigenaar van de boerderij met het woonhuis en de landerijen, die zich uitstrekken van de Stationsweg tot de Speckelaan.

Verkoop aan landgoed Keukenhof in 1850

In 1848 overlijdt Huberta. Caspar besluit zijn landerijen in 1850 te verkopen aan mevrouw Steengracht, de echtgenote van Baron van Pallandt van Keukenhof. Het betreft de woning, de boerderij en alle percelen (28 ha) tussen de Speckelaan en de Stationsweg. Caspar zelf overlijdt in 1856. Zijn zoon Jan Wolff heeft sinds 1823 al die tijd op de boerderij gewoond en gewerkt. Als de boerderij verkocht wordt in 1850, stopt hij met boeren en gaat wonen op ’t Vierkant. Hij overleed in 1867.

De familie Wolff heeft dus van 1797 tot 1850 de boerderij met woonhuis in bezit gehad en het is niet vreemd dat de boerderij naar hen vernoemd is. In de loop der jaren is het echter boerderij ‘De Wolff’ geworden en niet boerderij ‘Wolff’ of ’Van Wolff’. Vóór de tijd van Wolff werd de boerderij ‘Het bouwmanshuis van Berkhout’ genoemd. Daar was toen het bos van Landgoed Berkhout.

De kopgevel van de woning is door het groen bijna niet te zien. Foto: Cultuurhistorisch Genootschap Duin- en Bollenstreek

Pastoor Hugo van der Vlugt in Noorwegen (Deel 1: de familiegeschiedenis Van der Vlugt)

Maarten van der Vlugt kwam met zijn gezin in 1820 naar Lisse.Hij pachtte boerderij Middelburg. De familie geschiedenis wordt besproken.


door Laura Bemelman

Jaargang 15 nummer 4, oktober 2016


Het geslacht Van der Vlugt voert een gedeeltelijk ‘sprekend’ familiewapen omdat een gouden ‘vlucht’ in het schild direct naar de geslachtsnaam verwijst. Volgens de registratie van dit wapen zou de geslachtsnaam zijn oorsprong vinden in de provincie Zuid-Holland.
In de familie Van der Vlugt die afstamt van Maarten van der Vlugt, die zich met zijn gezin rond 1820 in Lisse vestigde, is een afdruk met registratiegegevens van dit familiewapen in bezit. Maar nog lang niet alle details over de historie van deze familie zijn echter uitgezocht: er zijn nog veel ‘losse eindjes’.

Pieter Wouterse, Jacob Pieterse en Pieter Jacobse van der Vlugt We komen Pieter Wouterse van der Vlugt voor het eerst in de archieven tegen als hij in april 1710 in Hazerswoude een zoon ‘Waltherus’ laat dopen. De moeder is Martijntje Pieters de Rou(w). Het gezin woont aan de Rijndijk. Er worden in Hazerswoude nog drie kinderen gedoopt, maar uit verschillende bronnen en gegevens van later datum kunnen we reconstrueren dat tot dit gezin ook nog drie – of meer – oudere kinderen behoord moeten hebben. De vermoedelijk oudste van hen is Jacob Pieterse.

Deze Jacob Pieterse van der Vlugt moet rond 1700 geboren zijn, mogelijk in Zoeterwoude. Hij trouwt met de weduwe Leuntje Pieterse Immerzeel en samen krijgen ze twee tweelingen. Van deze vier kinderen blijft alleen de jongste Pieter Jacobse – geboren in 1732 – in leven en hij zet het geslacht voort. Hij trouwt in Voorschoten met Pieternel Abramse Moulijn en uit dit huwelijk worden acht kinderen geboren. De jongste hiervan is Martinus (Maarten), op 19 november 1769 katholiek gedoopt in Voorschoten.

Middelburg een oude boerderij aan de Veenweg in Lisse

De historie van deze boerderij gaat ver terug, tot vóór 1585. Hulkenberg heeft dit uitgebreid beschreven in het Leids Jaarboekje van 1972, voor dit verhaal voert dat allemaal wat te ver. Maar rond 1700 woont Jan Jacobse Naardenburg, geboren in Sassenheim op de oude boerderij. Hij is in Lisse getrouwd met Willempje Jorisdr van der Cluft en uit dit huwelijk worden dertien kinderen geboren, waaronder een dochter Marijtje. In 1727 overlijdt Jan Jacobse Naardenburg en de pacht wordt overgenomen door zijn zoon Jacob. Na diens overlijden hertrouwt zijn weduwe in 1754 met Warbout Jurriaense Vreeburg en in april van dat jaar is een ‘boelhuis’ gehouden op Middelburg.
Mogelijk is het nieuwe huwelijk van de weduwe Naardenburg de reden voor het boelhuis. ‘De Naardenburgs woonden er niet meer’, concludeert Hulkenburg in het jaarboekje. Kort daarna is Wouter van der Zwet uit Noordwijkerhout, in 1755 getrouwd met Aagje van Diest uit Hillegom, de nieuwe pachter van de boerderij. Wouter is een zoon van Pieter van der Zwet en Cornelia Woutersdr van der Vlugt uit Noordwijkerhout, die op haar beurt een dochter is van Wouter Woutersz van der Vlugt en Marijtje Jans Naardenburg, de dochter dus van de eerdere pachter van Middelburg.
Wouter Woutersz van der Vlugt is in 1679 in Vogelenzang gedoopt en in hetzelfde doopboek staat ook Pieter Woutersz als dopeling in 1675. Het is mogelijk dat deze jongens broers zijn. Zou deze Pieter Woutersz dan ook dezelfde man kunnen zijn, die in 1710 in Hazerswoude zijn zoon Waltherus laat dopen? De beschikbare informatie uit die tijd is echter té summier en de aanknopingspunten zijn nog onvoldoende, om dat te kunnen beweren.
In elk geval overlijdt pachter Wouter van der Zwet op Middelburg in november 1806 maar dan zijn er geen kinderen die de pacht willen voortzetten, waardoor in april 1807 opnieuw een ‘boelhuis’ wordt gehouden op Middelburg. Dan komt Jacob Leenslag als pachter op de boerderij. Het eigendom van de boerderij is als onderdeel van de verkoop van Keukenhof met alle toebehoren in 1809 aan jonkheer mr. Johan Steengracht van Oostcapelle gekomen.

Maarten van der Vlugt op boerderij Middelburg

De eerder genoemde Maarten, geboren in 1769, is in 1806 in Stompwijk met de bijna tien jaar jongere Cornelia (Keetje) Veldhoven getrouwd. Ze krijgen vijf kinderen in Noordwijkerhout. Rond 1820 vertrekt het gezin naar Lisse om daar de basis van een grote Lisser familietak te leggen.

Boerderij Middelburg, Loosterweg


In 1824 komt Maarten van der Vlugt voor in de Personele Quotisatie en in het tijdvak 1830-1840 in het Bevolkingsregister van Lisse. In het laatste register staat het gezin van Maarten van der Vlugt en Keetje Veldhoven ingeschreven op de Veenweg 66, ze wonen op boerderij Middelburg. Maarten is landbouwer maar al in april 1830 moet zijn zoon Pieter, tweeëntwintig jaar oud, aangifte gaan doen van het overlijden van zijn vader. De ambtenaar tekent in het register aan dat er één meerderjarig kind – Pieter zelf – en nog vier minderjarige kinderen zijn nagelaten. Ruim vijf jaar later overlijdt ook moeder Keetje waarna vier van de vijf kinderen uit Lisse vertrekken: Pieter, Petronella, Maria en Leendert. Alleen Arend blijft op Middelburg, hoewel zijn broer Leendert later wel terug komt naar Lisse.

Arend van der Vlugt pachter op Middelburg

Na de dood van zijn vader Maarten en moeder Keetje en het vertrek van de broers en zussen wordt Arend de pachter van Middelburg. Hij trouwt in 1836 met Jannetje (ook wel Immetje) van Graven, een dochter van Celis van Graven en Clara van Bourgonje, boerendochter van Nieuw-Zandvliet in Lisse. Het eerste kind en de oudste zoon uit dit huwelijk is Maarten, hij wordt in 1837 in Lisse geboren. Na hem worden nog vijf kinderen geboren. Dochter Cornelia overlijdt echter al op zestienjarige leeftijd en haar jongere zusje Clara wordt nog geen jaar oud. De jongste dochter uit het gezin wordt na het overlijden van haar zusje ook Clara gedoopt en trouwt met de smid aan het Vierkant, Johannes Wilhelmus Pelle. Arend van der Vlugt blijft nog vele jaren landbouwer op Middelburg.
De oudste zoon Maarten (1837), waarover meer in de volgende paragraaf, trouwt in 1860 met Cornelia van Ruiten en vertrekt naar de Engel.
De tweede zoon Adrianus (1838) trouwt in 1870 met Maria Jonkheer en wordt bollenkweker in de buurt van de ‘Oude Tol’, bij de kruising van de Heereweg en huidige Oranjelaan. Er worden dertien kinderen geboren uit dit huwelijk. Adrianus en Maria staan aan het hoofd van een uitgebreide nieuwe tak van de familie Van der Vlugt.
De jongste zoon Marcelis (Celis) (1843), ook wel ‘Puk’ genoemd, omdat hij behalve de jongste zoon ook nogal klein van stuk zou zijn geweest, trouwt in 1877 met Hendrika van Rijn uit Voorhout. Celis en Hendrika blijven op Middelburg, waar twaalf van de dertien kinderen uit dit huwelijk geboren zijn. In 1882 overlijdt de oude boerin Jannetje en blijft haar man Arend als weduwnaar in het gezin van zijn zoon en schoondochter achter. Samen wonen ze dan nog tien jaar op de boerderij.
Arends broer Leendert is toch weer teruggekomen naar Lisse en trouwt in 1846 met Wilhelmina van Graven, de jongste zus van Arends vrouw en de jongste dochter van boer Van Graven van Nieuw-Zandvliet. Leendert en zijn vrouw krijgen vijftien kinderen maar daarvan zijn er maar liefst negen op heel jonge leeftijd overleden. In 1878 overlijdt Leendert en Wilhelmina blijft nog geruime tijd op Nieuw-Zandvliet wonen.

Middelburg gaat over naar Van Graven

In 1892 koopt de eigenaar van Keukenhof het huis Wildlust omdat Marinus Temminck daar in grote schulden geraakt is en verkopen moet. Maar de koop gaat alleen door als Keukenhof ook de boerderij Oud-Zandvliet erbij kan kopen.
Op zowel Oud-Zandvliet (aan de huidige Randweg) als Nieuw-Zandvliet (aan de Stationsweg) hebben lange tijd pachters uit de familie Van Graven gewoond. Overgrootvader Arij van Graven is jarenlang pachtboer op OudZandvliet geweest, zijn zoon Manus volgde hem op terwijl de andere zoon Celis naar Nieuw-Zandvliet gaat. Celis’ dochter Jannetje trouwt met Arend van der Vlugt op Middelburg, zijn dochter Wilhelmina trouwt met Leendert van der Vlugt – de opvolgend pachter op Nieuw-Zandvliet – en zoon Cornelis komt na zijn oom Manus op Oud-Zandvliet.

Cornelis wordt opgevolgd door zijn zoon Jacobus van Graven. En hij is de laatste van anderhalve eeuw pachters op Oud-Zandvliet die nu moet vertrekken. Hij kan echter naar boerderij Middelburg, welke al veel langer eigendom van Keukenhof is. Dit is echter wel de boerderij van zijn oom Arend en zijn neef Celis. Jacobus van Graven zou het daar heel moeilijk mee gehad hebben, zo schrijft Hulkenberg in zijn boek over Zandvliet, maar er zit niets anders op.
Ook ruim zeventig jaar Van der Vlugt op Middelburg eindigt hierdoor. Celis moet met zijn gezin verhuizen naar de boerderij bij het kasteel Keukenhof. Vader Arend verhuist mee maar overlijdt in juni 1894. Hulkenberg stelt in zijn bovengenoemde boek dat de kwaliteit van het weiland op het landgoed Keukenhof niet zo best schijnt te zijn. Mogelijk is dat de reden dat Celis met zijn gezin in maart 1895 naar boerderij Laag Teylingen in Voorhout vertrekt. Daar wordt ten slotte de jongste zoon uit het gezin geboren.

Maarten van der Vlugt (1837) en Cornelia van Ruiten.

Aan wat later het ‘laantje van Heemskerk’ zou worden, in De Engel, gaat Maarten van der Vlugt wonen. In de oude boerderij daar is boer Aris Warmerdam in 1858 overleden en zijn de bouwmeiden en -knechten allemaal vertrokken. Aris’ dochter Helena is met Teunis van Ruiten getrouwd en woont op de boerderij bij Ter Beek, maar kleindochter Cornelia van Ruiten trouwt in 1860 met Maarten van der Vlugt en gaat met hem aan het latere ‘laantje’ wonen, in de oude boerderij van haar opa.

Willemshoeve, laantje van Heemskerk

Maarten en Cornelia krijgen maar liefst zestien kinderen. Van de tien kinderen die zullen opgroeien zijn er zowel vijf zoons als dochters. De andere zes kinderen zijn helaas op jonge leeftijd gestorven of levenloos geboren. In juni 1881 is vader Maarten overleden. Hij werd slechts vierenveertig jaar oud. Nog geen drie maanden later komt het allerjongste kind ter wereld. Hij wordt Maarten genoemd hoewel er al een naamgenoot van vader is. De oudere, naar vader genoemde zoon Martinus is dan zes jaar oud, maar een dergelijke vernoeming is niet ongewoon in die tijd en na het overlijden van een van de ouders. Het kleinste jongetje is helaas slechts drie maanden oud geworden.
De oudste zoon Adrianus (1861) trouwt en gaat in Alkemade wonen. De overige vier broers Anthonius (1869), Martinus (1875), Adrianus (1876) en Marcelis (1880) blijven in Lisse en wonen bij het overlijden van hun vader nog aan ’t laantje.
De eerste zoon die dan uitvliegt is Anthonius (Antoon). Hij trouwt in 1899 en vertrekt naar de Achterweg. Dan overlijdt in april 1901 ook moeder Cornelia van Ruiten, ze is drieënzestig jaar geworden. Minder dan twee weken later is zoon Adrianus (1876) getrouwd met Geertruida Zandbergen en wordt hij in het Bevolkingsregister als hoofd van het huisgezin genoteerd in huis D59 aan de Heereweg. Al snel vult het huis zich met kleine kinderen.
Wordt de boerderij dan gesplitst in verschillende woningen of wordt er aan- of bijgebouwd? In elk geval trouwt broer Martinus amper een maand later dan zijn broer met Cornelia Christina Prins en woont met zijn vrouw en hun kinderschaar nog een hele tijd aan het laantje, op adres Heereweg D59a.
Marcelis is enkele jaren jonger dan zijn broers en woont eerst enige tijd in bij het gezin van zijn oudere broer Antoon op de Achterweg. Hij trouwt pas in mei 1904 met Johanna Straathof. Ook zijn adres wordt Heereweg D59a aan het laantje en er komen ook in dit gezin al snel na elkaar een aantal kinderen ter wereld.
De vijf dochters trouwen in Lisse maar vier van hen zijn mogelijk daarna naar elders vertrokken. De vijfde is dochter Cornelia en zij trouwt met Willem Duineveld, landbouwer, veehouder en bloemist in Lisse, in het hart van De Engel. Aan de overkant van de weg is zijn broer Gijsbertus Duineveld tapper of kastelein, op de plek waar later ‘Juffermans’ zal komen.

Anthonius van der Vlugt (1869) en Maria Christina van der Salm

Antoon is geboren aan ‘het laantje’. Hij wordt bloemist en trouwt in 1899 in Zoeterwoude met de daar geboren Maria Christina van der Salm. Aanvankelijk gaan ze wonen in de oude boerderij van Pieter van der Zon op de Achterweg, niet ver van de Akervoordelaan in de Engel. Het huis droeg de naam ‘De Goudmijn’ of werd in elk geval door de familie zo genoemd. Het grootste deel van de kinderen is daar ook geboren.
Op de Heereweg is intussen rond 1910 een nieuw dubbel woonhuis gebouwd. Tegenwoordig heeft het de huisnummers 435/435a-‘Solsidan’. In het rechter deel van het huis woont Martinus van der Vlugt (1875) al enige tijd als, waarschijnlijk begin 1913, zijn broer Antoon in het linkerdeel van het woonhuis komt wonen. Het negende kind uit het gezin van Antoon van der Vlugt en Maria van der Salm is hier in februari 1913 geboren.
Een van de tien kinderen uit het gezin van Antoon is Hugo van der Vlugt, de latere pastoor in Hamar in Noorwegen. In het volgende deel van dit verhaal zal ik meer over hem en het gezin in Lisse waaruit hij geboren is vertellen, en over wat er vooraf ging aan zijn overlijden in Oraniënburg in Duitsland in maart 1943.

Familiefoto Antoon v.d. Vlugt en gezin, Heereweg

Bronnen:

DTB-en BS bronnen Nationaal Archief, Familysearch, WieWasWie, ProGen data VOL Lisse, familiestambomen/gegevens. A.M. Hulkenberg: Leids Jaarboekje 1972, Zandvliet Lisse 1982. Bevolkingregister Lisse

DE FAMILIE MARSEILLE

Hendrik Marseille overleed in 1939. De eerste in Nederland wonende Marseille  is rond 1670 geboren in Clermond in Frankrijk en overleden in Amsterdam in 1734.

door Marius Nieuwenhuis

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 4, oktober 2016

 

Hendrik Marseille

Lisse telde in de loop der jaren onder zijn inwoners een groot aantal belangrijke mensen. Mensen die in Lisse, maar ook ver daar buiten, op veel terreinen van grote betekenis zijn geweest. Zoals bv. in de bollenwereld de heer D(irk) W. Lefeber, in de sport Egbert van ’t Oever en in de bouwwereld de architect Paardekoper. Een lijst die mogelijk met nog veel meer namen is uit te breiden. Allemaal mensen die nog jaren na hun acteren bekend bleven en waar nog lang met respect over gesproken werd en wordt. Lisse kent ook een andere categorie mensen die, hoewel ze van grote betekenis zijn geweest, in de vergetelheid verloren dreigen te gaan. Eén van die mannen was mijn grootvader van moeders zijde, Hendrik Marseille. Ter gelegenheid van zijn overlijden in 1939 verscheen er in de krant een artikel, waarin aldus over hem gesproken werd: ‘De heer Marseille, bij alle ingezetenen bekend, was op zijn 74-jarigen leeftijd nog zeer kras te noemen en was nog dagelijks bezig in allerlei zaken waaraan hij zich met veel ambitie wijdde. Hij was ook Notabel der Ned. Hervormde Gemeente en een lange reeks van jaren Voorzitter van het Burgerlijk Armbestuur en Secretaris van de Gem. Brandweer. In de aannemerswereld had de overledene een klinkenden naam en stond zijn zaak algemeen bekend als een zeer solide’.

U kunt zich voorstellen dat ik met enige trots terugkijk op mijn grootvader, waarover ik helaas alleen heb horen spreken. Hij stierf al in 1939 en ik ben zelf geboren in 1946.

Hugenoot?

Maar waar komen de Marseilles oorspronkelijk vandaan? De eerste in Nederland wonende Marseille die ik in de archieven heb kunnen vinden was Pierre (de) Marseille(y). Hij moet plm. 1670 in Clermont in Frankrijk geboren zijn en is in 1734 in Amsterdam overleden. Hoewel niet zeker is het heel goed mogelijk dat deze Pierre als Hugenoot uit Frankrijk was gevlucht vanwege het feit dat hij als Calvinist (volgeling van Johannes Calvijn) door de Franse regering vogelvrij was verklaard en zijn leven in Frankrijk niet meer veilig was. In de 16e en 17e eeuw hebben honderdduizenden Hugenoten de wijk uit Frankrijk genomen, waarvan er plm. 70.000 in de Nederlanden zijn terecht gekomen.

Familie van huisschilders

Verschillende generaties Marseille hebben het beroep van huisschilder uitgeoefend. De eerste die als zodanig genoemd wordt is Albertus Marselje, in 1805 geboren te Haarlem. Zijn zoon Gerrit Marselje (geboren in 1827, ook huisschilder in Haarlem) is de stamhouder van de Marseilles die in Lisse terecht zijn gekomen. Gerrit had twee zoons: Hendrik en Albertus. Deze Hendrik (1856 – 1939) was mijn grootvader. Hij werd timmerman en had naast een zevental dochters slechts één zoon: Pieter Gerardus (1898). Albertus (1871 – 1939) is de grootvader van de heren Bert en Bram Marseille die nu nog in Lisse woonachtig zijn. Zoals bekend had deze Bert Marseille jarenlang een schildersbedrijf wat hij later overgedaan heeft aan Ype Daudeij.

Timmerman

De 28 jarige Hendrik met zijn eerste knecht Kobus van Biezen. Foto uit 1893

Mijn grootvader Hendrik is waarschijnlijk op het terrein van zijn vader en broer, achter de voormalige bakkerij van Vaneveld, aan de westzijde van de Heereweg, in 1893 aan het timmeren gegaan. In slechts enkele jaren moet dat bedrijf zijn uitgegroeid tot een timmerbedrijf van flinke omvang.

De reden dat ik in de inleiding gezegd heb dat mijn grootvader voor Lisse van grote betekenis is geweest heeft vooral te maken met alles wat hij in Lisse gebouwd heeft.

Bollenvilla’s

Zo werd in 1923 door mijn grootvader het bekende huis ‘In de bocht’ gebouwd in opdracht van de heer Bert van der Nat, toenmalig directeur van de Koninklijke Bloembollenmaatschappij H. de Graaff en Zonen, destijds gelegen op de hoek Heereweg/ Julianastraat. In die tijd bestond de Von Bönninghausenlaan nog niet en stond dat huis inderdaad in de bocht. Van 1937 tot 1979 was deze villa de ambtswoning van de burgemeester. De architect van dit huis was de heer Leen Tol Sr.

 Huize Rutsbo

In 1925 werd door mijn grootvader de villa Rutsbo gebouwd in opdracht van de bloembollenkweker-exporteur Driehuizen. Het huis is vernoemd naar mevrouw Ruth Driehuizen-Heurgren. Mevrouw Driehuizen kwam van oorsprong uit Zweden. De naam Rutsbo betekent ‘woning van Ruth’. Bo is Zweeds en betekent woning. Ook deze woning, inclusief de achterliggende bedrijfsgebouwen, zijn getekend door architect Leen Tol Sr.

Von Bönninghausenlaan

Omstreeks 1935 is mijn grootvader begonnen met de bouw van de huizen aan de Von Bönninghausenlaan. Ik heb niet kunnen achterhalen of mijn grootvader eerst dat land wat waarschijnlijk tot die tijd in eigendom was van G. van der Mey’s Zonen zelf had gekocht. Er werden steeds blokken van vier huizen gebouwd. Kort voor zijn overlijden in 1939 was de Von Bönninghausenlaan gereed. Nog steeds is de Von Bönninghausenlaan een straat met prachtige degelijke en statige huizen, ook gebouwd onder architectuur van Leen tol Sr. Echt iets om trots op te zijn. Het moet, achteraf bezien, toch een hele onderneming geweest zijn om net na de crisis aan de bouw van deze woningen te beginnen. De enige zoon van mijn grootvader, de heer Piet Marseille, betrok na zijn trouwen in 1928 eerst tot 1935 het huis aan de Von Bönninghausenlaan nr. 2 en daarna nr 10. Daar hebben ze gewoond totdat in 1939 mijn grootvader kwam te overlijden. Zijn weduwe, mijn grootmoeder, verruilde toen de ouderlijke woning aan de Heereweg nr. 157 met het huis aan de Von Bönninghausenlaan nr. 10, samen met drie ongetrouwde dochters: Gerda, Rika en Rie (mijn moeder).

1927. Von Bönninghausenlaan moet nog ontwikkeld worden. Huis ‘In de bocht’ staat er al. Vooraan huize Veldhorst van G. van der Mey’s Zonen met omringend bollenland.

Grootmoeder Marseille kwam te overlijden in het voorjaar van 1943 en in december van hetzelfde jaar trouwde mijn moeder met Rudolf Nieuwenhuis. Vanwege het gebrek aan woningen in en kort na de oorlog bleven mijn ouders de eerste jaren bij de andere twee zusters op nr. 10 wonen. Zo kon het gebeuren dat dat huis ook het geboortehuis werd van mijn broer Ruud en van mij De twee overgebleven vrijgezelle zusters van mijn moeder Gerda en Rika waren in de hele streek bekend als de dames Marseille. Zij trokken er vanuit Von Bönninghausenlaan 10 per Solex op uit om menig klant van een eksteroog af te helpen.
De Von Bönninghausenlaan is genoemd naar Jhr. Paulus Frederikus Johannes von Bönninghausen tot Herinkhave (1858 – 1919) die van 1888 tot 1919 burgemeester van Lisse was. In die periode is de Agathakerk gebouwd (1902), de Kathedraal van de Bollenstreek.
Behalve het realiseren van bovengenoemde huizen en straat deed mijn grootvader ook het onderhoudswerk aan Kasteel Keukenhof voor de Graaf van Lynden. Of hij nog meer beeldbepalende bouwwerken in Lisse gebouwd heeft is me niet bekend.

Gefuseerd met Horsman

Mijn oom Piet had twee kinderen. Zoon Hein koos voor het ruime sop en dochter Hans vertrok naar Canada. Bij gebrek aan een opvolger besloot oom Piet in 1959 te fuseren met aannemer Horsman, onder de naam Horsman & Co en Marseille. Horsman was aan de Nieuwstraat uit zijn jasje gegroeid en kon zo gebruik maken van de ruimere locatie aan de Heereweg. Nog steeds meldt de firma Horsman op zijn website dat de zaak in 1893 is begonnen. Dat geldt dan alleen voor het deel Marseille. Horsman zelf werd pas kort voor de oorlog actief in de bouwwereld. Dat neemt natuurlijk niet weg dat de firma Horsman een bouwbedrijf is waar we als Lissers trots op mogen zijn. Net zo trots als ik op mijn grootvader mag zijn. Naast zijn andere sociale activiteiten, zoals genoemd in het krantenartikel, mag ik toch met enige trots zeggen dat mijn grootvader Hendrik Marseille een prachtige bijdrage heeft geleverd aan ons mooie dorp. Dat zijn naam nog tot in lengte van jaren in ere moge blijven.

Stamboom van Marseille

 

VAN KORENBLOEM NAAR ZONNEPIT

De voorgeschiedenis van Anna Beelen wordt beschreven.Het verhaal begint bij haar opa, die molenaar was op de Korenmolen van Beelen aan de Grachtweg

VAN KORENBLOEM NAAR ZONNEPIT

door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 2, april 2016

Wanneer je de jongste bent van 15 kinderen en je vader is ook nog eens de jongste uit zijn gezin, dan is het niet zo verwonderlijk dat je de opa van vaders kant nooit gekend hebt. Overigens heeft Puck de Vroomen-Beelen, hoofdpersoon van het kwartiertje in dit Nieuwsblad, de grootouders van beide kanten nooit gekend. Haar Lisser grootvader was een bekende dorpsgenoot. Hij was de molenaar op korenmolen de Korenbloem. De familiegeschiedenis van de familie Beelen en de molen is door Bert Kölker uitvoerig beschreven in het boek ‘Kroniek van de Lisser timmerman en molenaar Cornelis van der Zaal 1762-1839’.
Hier start ons verhaal met de opa van Puck, Pieter Beelen, die in 1865 de korenmolen koopt. Bij de koop van de molen is het huis aan de Grachtweg inbegrepen, maar daar kan hij niet meteen over beschikken. Pieter trouwt in 1867 een meisje uit een bekende Hillegomse familie, Geertruida van Dril. Samen krijgen ze 7 kinderen. De jongste is Mattheus, geboren in 1878. Thijs wordt in de molen geboren. Hij is 2 jaar wanneer de familie naar een gewoon huis aan de Grachtweg/hoek Molenstraat verhuist. Thijs is de vader van Puck.
Oudste zoon Gerrit van het echtpaar Beelen-van Dril verhuist naar Rijpwetering en begint daar een maalderij. Tweede zoon Jan begint in De Zilk een graanhandel. Zoons Piet en Frans volgen Pieter Beelen op in de korenmolen in Lisse. Jongste zoon Thijs gaat een heel andere weg op. Hij gaat in de leer voor het bollenvak bij de familie Slegtkamp aan de Heereweg 291.

Thijs Beelen te paard met de molen, die gepavoiseerd is

In september 1898 zijn in heel Nederland, dus ook in Lisse, grootse feestelijkheden ter ere van de troonopvolging door koningin Wilhelmina. De molen is gepavoiseerd en Thijs doet te paard mee aan de historische optocht. Thijs is bevriend met Cor Langeveld van de kaashandel aan het Vierkant. Diens vrouw heeft familie in Schalkwijk, toen nog een boerengemeenschap, vallend onder de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude. Zo kan het gebeuren dat Thijs met de tilbury regelmatig naar Schalkwijk rijdt. Want via Cor en zijn vrouw leert Thijs een meisje kennen, Anna Horstman, en het klikt meteen. Anna Horstman woont in een boerderij aan het Spaarne. Het is een melkveehouderij. Werk in overvloed en ook Anna moet helpen. Met tegenzin, maar haar vader belooft haar dat ze een naaimachine krijgt wanneer ze tot haar 18e blijft helpen met melken. En daar doe je wat voor!
Thijs koopt grond aan de Heereweg, aan het Oostend. Hij laat er een huis annex bollenschuur bouwen. Het adres is Heereweg 67/Nieuwstraat 2. Thijs Beelen en Anna Horstman trouwen in 1906 en een jaar later wordt dochter Truce geboren. Het jaar 1908 is een bewogen jaar. Eerst sterft de vader van Anna, een paar maanden later komt de vader van Thijs te overlijden. Weer een maand later wordt dochter Agaath geboren. Opoe Horstman uit Schalkwijk komt, wanneer de boerderij langs het Spaarne overgenomen is door haar zoon, ook bij haar enige dochter in Lisse wonen. Zij is dolblij met de geboorte van Anny, dochter nr. 5. Daarvoor zagen dochter Nel en zoon Piet al het levenslicht. In de officiële aktes zijn 14 geboortes aangegeven, maar in de familie spreekt men van de geboorte van 15 kinderen. Met nog een aantal miskramen staat de periode van 21 jaar waarin de kinderen worden geboren, voortdurend in het teken van zwangerschap, geboorte en dood. Want een aantal kinderen sterft op zeer jonge leeftijd. Anna Beelen-Horstman draagt zeer regelmatig zwarte kleding vanwege de rouw.
Het jongste kind is Maria Anna Theresia, die aanvankelijk Ria wordt genoemd, maar al gauw Puck heet.

De rest van het verhaal kunt u lezen in het Nieuwsblad van april 2016

EEN PLANKJE OP DE LISSERDIJK

Op een plankje in de woning Lisserdijk 508 staat “Behangen door J.P. Bemelman”, 3 augustus 1882. Er staan ook namen van  timmerlieden op. De geneologie van alle personen wordt besproken.

door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 1, januari 2016

Mijn verre voorouder Johannes Petrus Bemelman is indertijd in Amsterdam neergestreken en zijn nageslacht is er enkele generaties lang gebleven, maar mijn betovergrootvader vestigt zich rond 1839 in Noordwijk. Hij wordt de stamvader van een groot en kleurrijk nageslacht waaronder het aantal schilders heel groot geweest is. Mijn overgrootvader Jan (Johannes Petrus) Bemelman is in 1854 in Noordwijk geboren. Hij was het elfde kind in het gezin van zijn ouders en was de vijfde zoon op rij die schilder werd. Na hem kwamen er nog drie schilders, en een van de dochters trouwde met een schilder.
Jan Bemelman trouwt in 1881 met de Lissese Geertruida Balkenende. Ze wonen in Lisse en samen krijgen ze zes kinderen. Jan is dus zoals zijn broers ook schilder geworden. Hij is echter op heel jonge leeftijd overleden, hij was toen pas 34 jaar oud. Van zijn zes kinderen is dan al één dochtertje heel jong gestorven. Jans weduwe Geertruida staat er ineens alleen voor met vier kleine kinderen en in verwachting van de vijfde. Hun kleine Jan is pas vier jaar oud, zijn jongste broertje wordt vijf maanden na het overlijden van hun vader geboren maar wordt slechts zes weken oud.
Na het overlijden van haar man heeft Geertruida Balkenende de draad voor haar en haar gezin weer opgepakt en gaat aan de slag als winkelierster in manufacturen. Ze hertrouwt met odorus Schrama en krijgt met hem vier kinderen. Maar Theodorus is waarschijnlijk al ziek als zijn jongste kind geboren wordt, want hij is niet in staat om aangifte van de geboorte te doen. Een iets ouder zoontje overlijdt tien dagen na de geboorte van zijn broertje en net nadat kleine Jan Bemelman zijn tiende verjaardag heeft bereikt, overlijdt ook zijn stiefvader. Geertruida staat er weer alleen voor, met zeven kinderen nu.
Kleine Jan, later mijn opa, zou zich in die periode van zijn leven nogal eenzaam en verweesd gevoeld hebben. Dat heeft hij mijn vader indertijd wel verteld op de zondagen wanneer hij met zijn jongste zoon Koos achter op de fiets naar Noordwijk gaat, voor familiebezoek. Kleine Jan is immers zijn vader op heel jonge leeftijd verloren en vervolgens zijn stiefvader maar enkele jaren later. Zijn moeder Geertruida moet het razend druk gehad hebben en kleine Jan is er toen mogelijk een beetje bij in geschoten. Als hij zeventien jaar oud is, vertrekt Jan junior dan maar naar Voorhout om bij zijn vaders broer de fijne kneepjes van het schildersvak te leren. Hij komt in 1907 terug naar Lisse en vestigt zich als schilder en trouwt in 1909.

Een bijzonder berichtje in de krant

Omdat Jan Bemelman senior zo jong is overleden heeft hij slechts weinig historie nagelaten. Dat is voor een onderzoeker van de familiegeschiedenis een gemis. Het is dan ook prachtig als ik in een historische krant een berichtje vind, over een plankje dat vijftig jaar eerder in de Lisserbroek achter het oude behang vandaag gekomen is. Mijn overgrootvader en twee timmerlieden blijken dit plankje te hebben beschreven en dat heeft zestig jaar verstopt gezeten…
In de zomer van 1882, dus zes jaar voordat hij uiteindelijk komt te overlijden, doet Jan een behangklus in de Lisserbroek. Dat wordt pas belangrijk als het zestig jaar later opmerkelijk genoeg is om er een krantenbericht aan te wijden. Het verschijnt zelfs in twee verschillende kranten in de regio Leiden. In 1952 namelijk besluit de bewoner van Lisserdijk 508 de woonkamer opnieuw te behangen. Daarom moet niet alleen het oude behang maar ook het tengelwerk – het houten regelwerk op de muur, waar het oude behang op vastgeplakt zit – worden verwijderd. De kinderen helpen mee en ontdekken een plankje achter het behang, met een opschrift waaruit blijkt dat het zestig jaar lang achter het oude behang gezeten heeft. Twee timmerlieden hebben er hun namen op gezet en een beloning voor de vinder genoteerd: ‘Diegenen die dit vinden, kunnen op onzen naam één kan jenever halen’. Op de andere zijde van het plankje stond: ‘Behangen door J. P. Bemelman, 3 augustus 1882’.

De timmermannen van het plankje

Op het plankje staan de namen van de timmerlieden die de klus hebben ‘afgemaakt’ en zij noteren daarbij voldoende details om met de huidige mogelijkheden hun geschiedenis in beeld te krijgen.
De eerste is: ‘H. Pieterse, geboren te Rijpwetering, den eersten April 1862’: Na enig zoeken blijkt dit Hendricus Pieterse te zijn, geboren 1 april 1862 in de gemeente Alkemade, waar Rijpwetering nu onder valt. Hij is de zoon van Pieter en van Elizabeth Drieman. Hij is dan net twintig jaar oud, als hij op het plankje schrijft en nog niet getrouwd. Enkele jaren later, in 1887, trouwt hij met Petronella van der Fits. Hun kinderen worden in Alkemade geboren, vier ervan worden volwassen. Rond 1913 is Hendricus met zijn gezin naar Den Haag vertrokken. Daar loopt het spoor dood.
De tweede timmerman is: ‘J.B. van Hensbergen, geboren te Noordwolde Friesland, den 5den Januari 1860’. Zijn voornamen blijken Johannes Braun en hij is in de gemeente Weststellingwerf ingeschreven als zoon van Johan Adolf, dan 39 jaar oud, arbeider en wonende te Frederiksoord onder Noordwolde. Zijn moeder is Petronella Wilhelmina Anna Dirkse.
Frederiksoord is een kolonie van de Maatschappij van Weldadigheid bij de grens van de provincies Friesland, Drenthe en Overijssel geweest. De grootouders van Johannes Braun komen eind oktober 1826 met enkele jonge kinderen en een baby in de kolonie aan. Ze komen uit Den Haag en zijn waarschijnlijk arm, dakloos en radeloos en door de Haagse burgemeester opgezonden om te worden heropgevoed.
Zowel Johannes Braun, zijn twee zussen en een broer als zijn beide ouders zijn in die kolonie geboren. Zodra iemand in de opvoedkolonie was opgenomen, kwam deze niet gemakkelijk weer weg, of anders vaak weer terug. De bewoners worden doorgaans als kolonisten aangeduid. Broer Frans wordt timmerman en trouwt in 1874 met Maria Hendrika, eveneens een kolonistenkind uit kolonistenouders. Maar kort na de geboorte van hun eerste kind vertrekt dit jonge gezin naar Lisse waar nog drie kinderen geboren worden. In 1881 verhuist het gezin naar Renkum waar ze nog een aantal kinderen krijgen. Blijkbaar hebben ze het gered in de gewone maatschappij. De jongste zoon brengt het zelfs tot hoofdbesteller bij de PTT.
Is Johannes Braun samen met zijn broer uit de kolonie gestapt? Hij werkt in 1882 dus als timmerknecht in Lisserbroek, maar helaas voor hem is zijn broer met zijn gezin dan alweer uit Lisse vertrokken. Waarschijnlijk kan hij zich in zijn eentje niet staande houden in de harde buitenwereld, of is hij misschien ziek geworden? Hij overlijdt in elk geval in 1885, ongehuwd en pas vijfentwintig jaar oud. De aangifte wordt gedaan in de gemeente Weststellingwerf, precies als bij zijn geboorte, wonende in Frederiksoord, dus toch weer terug in de kolonie …

Te laat voor de kan jenever

Die kan jenever zal het gezin na zestig jaar wel nooit gekregen hebben, zo veronderstelt de journalist in het krantenbericht van 1952. Van Jan Bemelman en van Johannes Braun van Hensbergen staat in elk geval vast dat ze al jaren eerder overleden zijn, van Hendricus Pieterse is dat niet helemaal zeker, echter wel waarschijnlijk.
Door adres in het krantenbericht kom ik via de beeldbank van Noord-Holland en het boek ‘Zo was het in Lisserbroek’ aan een foto van het huisje aan de Lisserdijk 508. Het is echter gesloopt. Een van de schrijvers van het genoemde boek en enthousiast beheerder van een historisch archief over de Lisserbroek, de heer Aart Donker, laat weten dat dit een daggelderswoning bij de kwekerij van Cornelis Adrianus van Leeuwen in Lisserbroek is geweest en dat het heel goed mogelijk is dat het in 1882 gebouwd is. Het huisje heeft in de onderdijk gestaan waar het ooit het adres Achterom 49 had. Hier woonde aan het eind van de Tweede Wereldoorlog een zoon van Dirk van der Tang, de zaadhandelaar uit Lisse die vlak bij het Vierkant woonde. Zoon Kees is bloembollenkweker en hij met zijn vrouw Jannetje en hun gezin zijn de laatste bewoners van dit huis geweest. Hier zullen dus de kinderen van Kees het plankje in 1952 ontdekt hebben waarna hun vader of moeder de krant gebeld heeft om de vondst van het plankje te melden. Misschien hadden ze toch nog een heel stille hoop die jenever nog te kunnen krijgen…?

Lisserdijk 508 Lisserbroek (coll. Historisch Archief Lisserbroek – Aart Donker)

Dit oude huisje, in de kenmerkende bouwstijl waarvan er zo heel veel in de Haarlemmermeer geweest zijn, is in elk geval in 1967 gesloopt. Daar moest de toegangsweg komen voor het erachter gelegen industrieterrein de Kruisbaak.

Bronnen:

Familiegegevens Bemelman, ProGen VOL;

Erfgoed Leiden – krantenarchief;

WieWasWie,

FamilySearch,

Drents Archief – bronnen Maatschappij van Weldadigheid;

Bevolkingsregister Lisse; Noord-Hollands Archief – beeldbank;

Historisch Archief Lisserbroek – Aart Donker;

Zo was het in Lisserbroek (1978) Nic. Bouwmeester, Maarten Doedes en Aart Donker

Wim Randsdorp, een Lissese jongen tewerkgesteld in Duitsland

Nu zie ik je nooit meer” is een boek, geschreven door Marjon Griffioen over Wim Randsdorp, overleden in 1943 in Duitsland. Van hem zijn er 70 brieven bewaard, geschreven aan zijn zus.

door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 4, oktober 2015

‘Nu zie ik je nooit meer …’ zegt Wims moeder bij het afscheid van haar zoon, als deze in het najaar van 1942 naar Duitsland vertrekt om daar tewerkgesteld te worden. Haar slechte voorgevoel over de afloop ervan wordt helaas werkelijkheid als hij eind november 1943 bij een bombardement om het leven komt. Na het overlijden van de zus van Wim, blijkt zij bijna zeventig brieven van haar broer uit zijn periode in Duitsland te hebben nagelaten. Brieven die Wim heeft geschreven aan zijn ouders, broers en zussen. Schoondochter Marjon Griffioen is ervan overtuigd dat ze een verhaal vormen dat verteld moet worden. Door een boek te schrijven over Wim Randsdorp wil ze hem een stem geven, een stem die het verhaal van zijn laatste levensjaar vertelt. Hoewel er volgens Marjon tussen 200.000 en 300.000 tewerkgestelde Nederlanders geweest zijn, waarvan er ongeveer 29.000 zijn omgekomen, is er weinig over hen bekend geworden. Over onderduikers hebben we geleerd door bijvoorbeeld het dagboek van Anne Frank. In de vele brieven van Wim Randsdorp schrijft ook hij, als in een dagboek, over alledaagse dingen zoals de smaak van het eten en het grote gebrek aan voldoende ervan, over zelf kleding moeten wassen, kapotte sokken en schoenen en zijn behoefte aan warme klompen, over behoefte aan wat geld voor kleine uitgaven. Hij wil echter vooral niet laten zien dat hij het soms zó moeilijk heeft en weigert bij de pakken neer te gaan zitten. Zijn heimwee naar Holland, familie, vrienden, verjaardagen en zijn toenemende angst blijken tussen de regels door steeds duidelijker. Hij put een enorme hoop en steun uit zijn geloof en probeert zo vaak mogelijk troost in de katholieke kerk te vinden. Hoop en wanhoop strijden om een plek, hij blijft proberen de moed erin te houden, telt af naar de jaarwisseling van 1942-1943 en naar zijn verlof, waarvan hij steeds meer gaat inzien dat dit er nooit gaat komen … Het is een aangrijpend en invoelbaar document geworden, met een verhaal dat niet alleen voor de familie belangrijk is, maar ons allemaal een beeld geeft van de worsteling van deze Wim en vele andere tewerkgestelden in Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Absoluut een aanrader. Zie het als een vorm van eerbetoon aan hem en zijn familie dat we in het Nieuwsblad van dit kwartaal zijn Lisses Kwartiertje geplaatst hebben. In onderstaand artikel gaat het vooral om de voorouders van Wim Randsdorp.

Gijsbertus Ransdorp en Jannigje van Zoelen

Waarschijnlijk rond 1810 trouwen Gijsbertus Randsdorp en Jannigje van Zoelen, mogelijk in Jutphaas. Er worden uit dit huwelijk in elk geval zeven kinderen geboren. Aanvankelijk woont het gezin in IJsselstein – waar de eerste vier kinderen geboren worden – en verhuist dan naar Jutphaas. Beide plaatsen liggen onder de rook van Utrecht, niet ver van elkaar vandaan. In Jutphaas overlijden begin 1818 de kleine Jan van vijf jaar en Kaatje van twee jaar oud. In oktober van het jaar daarop, komt als vijfde kind Jan Randsdorp ter wereld. Hij is later de overgrootvader van Wim Randsdorp. Na Jan worden nog twee dochters geboren. Het beroep van vader Gijsbertus is hoepelmaker. Van zijn overlijden in 1839 doet zoon Willem aangifte op het gemeentehuis, ook hij is hoepelmaker.

Overgrootvader Jan Randsdorp en zijn vrouw Barbara

In 1850 trouwt Jan Randsdorp, als dertigjarige kleerbleker in Utrecht met Barbara Maarschalkerweerd, een kleerbleekster van 26 jaar oud. Na zijn vader is nu ook de moeder van Jan overleden, net als beide ouders van de bruid. Als getuigen van het huwelijk zijn alleen een oom en een broer van Barbara en een neef van Jan aanwezig als nauwste verwanten. De bruidegom schrijft zijn naam onder de huwelijksakte, de bruid verklaart niet te kunnen schrijven. Het gezin woont in Utrecht, daar worden de eerste kinderen geboren, waaronder Gijsbertus Johannes in 1852. Tegen het jaar 1860 verhuist het gezin naar Jutphaas. De naam Johannes Gijsbertus moet in het gezin heel belangrijk geweest zijn, want er zijn maar liefst vier kinderen met die voornamen geboren: het eerste kindje in 1851 wordt slechts 10 maanden oud; het jongetje daarna geboren in 1855 wordt maar vier jaar oud; het derde naamgenootje leeft nog geen drie maanden en alleen de zoon die in maart 1866 wordt geboren, is volwassen geworden en pas op middelbare leeftijd overleden. Vader Jan Randsdorp is nog lange tijd kleerbleeker gebleven en wordt later hoepelmaker. Voordat ook hij in 1866 overlijdt, woont en werkt hij als hoepelmaker in Jutphaas.

Grootvader Gijsbertus Johannes Randsdorp

In 1877, trouwt Gijsbertus Johannes Randsdorp met dienstbode Kornelia van Breukelen uit IJsselstein. Vader Jan Randsdorp is al overleden maar moeder Randsdorp is bij de huwelijksvoltrekking aanwezig en geeft haar toestemming. Oom Willem Randsdorp, de broer van vader treedt op als getuige voor de bruidegom, hij is 60 jaar en nog steeds hoepelmaker. Naast de veldwachter zijn er nog twee getuigen, bekenden van het bruidspaar, inwoners van Jutphaas en beiden hoepelmakers. De moeder van de bruidegom, zijn oom Wim en ook de ouders van de bruid verklaren door onkunde niet te kunnen schrijven of hunne namen te teekenen. Het bruidspaar vestigt zich in Jutphaas waar in augustus 1878 het eerste kind geboren wordt. In Jutphaas volgen nog vier kinderen, alleen zoontje Jan wordt slechts 15 maanden oud. Vader Gijsbertus Johannes (Gijs) wordt in de aktes aanvankelijk steeds als arbeider aangeduid – een niet specifieke beroepsnaam – maar staat vanaf 1883 genoteerd als hoepelmaker. Het gezin verhuist naar IJsselstein waar in november 1886 Johanna geboren wordt. Zij overlijdt echter al na drie dagen. Ook haar zusje Cornelia wordt een jaar later maar enkele dagen oud.

Hoepelmakers en griendcultuur

Vooral langs de lagere delen van de rivieren vinden we de hoepelmakers. Het griendhout, of wilgenhout, gedijt heel goed op akkers die regelmatig onder water komen te staan en vochtig blijven. Door de grote toename van de bevolking in de 19e eeuw, is er steeds meer vraag naar levensmiddelen. Die worden dikwijls vervoerd in vaatjes, bijeengehouden door hoepels van wilgenhout. De grote vraag naar deze hoepels leidt tot grootschalige aanplant van grienden en tot een bloei van het beroep hoepelmaker. De hoepelmaker klooft geschilde tenen of stokken wilgenhout in tweeën, en buigt die na het weken tot hoepels, die vooral gebruikt worden rond haring- of botervaatjes. Rond IJsselstein en Jutphaas zijn veel grienden en hoepelmakers geweest.

Houten tonnen met wilgen hoepels in de visverwerking (coll. Het Geheugen van Nederland)

Rond 1900 wordt het aantal hoepelmakers echter zó groot dat dit van negatieve invloed is op de prijs van de hoepels en de lonen van de hoepelmakers blijven daardoor laag. Vlees zou er in hun gezinnen nog maar zelden op tafel komen, de knolraap die ze in plaats daarvan dikwijls eten, wordt dan ook wel hoepmakers spek genoemd. De industrie van het hoepelmaken verdwijnt dan ook meer en meer rond het begin van de 20e eeuw en de grienden zijn weer weilanden geworden.

Familie Randsdorp van kerk naar kerk

De lage lonen voor de hoepelmakers zullen van invloed geweest zijn op het vertrek van de familie Randsdorp uit hun woonplaats IJsselstein. Volgens het Bevolkingsregister van hun oude woonplaats is het gezin in juni 1888 naar Hengelo vertrokken. In 1893 blijkt het gezin in Enschede te wonen. Vader Gijs komt met vrouw en vier kinderen voor in het Bevolkingsregister van deze stad. In juni 1893 wordt op den Berkenkamp, wijk C nog een zoon Gijsbertus Johannes geboren. Vader is dan geen hoepelmaker meer, maar staat als arbeider geregistreerd. Hoewel hij later in documenten voorkomt als timmerman en metselaar, wordt in deze akte geen specifiek beroep genoemd.

St. Agathakerk in Lisse – bouw 1902 -1903

Lisette van der Lans schrijft in haar boek ‘St. Agatha 1903-2003’ over Gijs(bertus) Randsdorp dat hij heeft meegebouwd aan kerken in Enschede, Vilsteren en Den Haag. Het lijkt aannemelijk dat hij eveneens betrokken geweest is bij de bouw van de noodkerk in Hengelo. Deze wordt in 1888 gebouwd in de tuin van de pastorie en wordt gebruikt, voorafgaand aan de bouw van de Sint-Lambertusbasiliek. In 1893-1894 heeft Gijs in Enschede waarschijnlijk bijgedragen aan de bouw van de St. Jozefkerk, een Rooms Katholieke kerk die in die jaren gebouwd is, vooral om kerkruimte te bieden aan de textielarbeiders die zich daar eind 19e eeuw in groten getale vestigden. Heel bijzonder aan het bestek voor de bouw van deze St. Jozefkerk zijn de daarin opgenomen arbeidsvoorwaarden. De werklieden krijgen een verzekering tegen ongelukken op de bouw en er worden schriksteigers aangebracht. Goed drinkwater en behoorlijke privaten moeten op de bouwplaats beschikbaar zijn en er mag niet langer dan elf uur per dag gewerkt worden. Maar er staat óók in de voorwaarden dat het vloeken verboden is!

Familie Randsdorp, middenonder Kornelia van Breukelen met kinderen en aangetrouwde kinderen (coll. Lisette van der Lans)

Later zijn in Vilsteren tussen 1896 en 1897 de Sint Willibrorduskerk gebouwd en in Den Haag is in 1898 de Onze-Lieve-Vrouw van Goede Raadkerk geconsacreerd. Ook aan deze katholieke kerken heeft Gijsbertus Johannes waarschijnlijk meegebouwd. Volgens Lisette van der Lans, in haar bovengenoemde boek, trekken in die periode vaklieden uit alle delen van het land, van plek naar plek om te kunnen meewerken aan de bouw van grote, nieuwe RK kerken. Als je het geluk had te worden aangenomen, dan had je minstens een jaar werk. Zo zou ook Gijs Randsdorp als metselaar met zijn gezin naar Lisse gekomen zijn. Rond 1902 heeft hij zijn woonwagen geparkeerd, naast die van de anderen, op het terrein van de nieuw te bouwen Sint Agathakerk. Op 1 november 1905 staat het gezin volgens het Bevolkingsregister van Lisse op C70 officieel ingeschreven in een ‘echte’ woning, op de Grachtweg nummer 37. Alleen zoon Johannes Gijsbertus is in Jutphaas gebleven en is daar getrouwd, de overige kinderen komen naar Lisse. Barbara, Huibert en Johannes Cornelis trouwen in Lisse, maar de jongste zoon Gijsbertus Johannes blijft voorlopig nog op de Grachtweg wonen. Vader Gijs overlijdt in 1915 en zijn weduwe in 1934. Volgens Erik Vergunst in zijn boek ‘de Geschiedenis van Lisse in oude ansichten en plattegronden’, is het huis in 1959 verkocht aan Franciscus Johannes Hogervorst. Gedurende lange tijd heeft deze een schoenwinkel op dit adres gehad.

Grachtweg 37, na de familie Randsdorp kwam hier Hogervorst schoenen (coll. Beeldbank Lisse)

 

 

 

Johannes Cornelis Randsdorp

Het boek ”Nu zie ik je nooit meer..”, van Marjon Griffioen

Net als zijn vader is Johannes Cornelis metselaar geworden. Hij trouwt in 1908 met Klazina Elisabeth Koelewijn, die met haar ouders al geruime tijd in Lisse woont, op het stukje Heereweg tussen de Nieuwstraat en Julianastraat. Het jonge gezin trekt voor enige tijd in op Grachtweg 37, waar de eerste twee kinderen geboren worden. Daarna woont het gezin enkele jaren in de Van der Veldstraat, waar nog in elk geval vier van de kinderen geboren worden. Uiteindelijk neemt het gezin haar intrek in Julianastraat 113. Over dit gezin waaruit in totaal veertien kinderen geboren zijn, en waarvan helaas één kindje al heel jong is overleden, heeft Marjon Griffioen zelf al een heleboel verteld in haar boek over Wim Randsdorp.

Bronnen:

Nu zie ik je nooit meer – Marjon Griffioen;

St. Agatha 1903-2003 – De glorie en roem van katholiek Lisse – Lisette van der Lans;

Geschiedenis van Lisse in oude ansichten en plattegronden – Erik Vergunst;

Utrechts Archief; Bevolkingsregisters IJsselstein, Enschede, Lisse; Canon van IJsselstein, Hoepelmakers; Monumentenregister Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; Hoepelmakerij P. v.d. Brand en zoon;

Beeldbank Lisse – Genealogie; ProGen VOL;

FamilySearch; Wikipedia, Encyclo – online Encyclopedie Ons erfgoed, oude beroepen

Naschrift

Het boek ”Nu zie ik je nooit meer..”, van Marjon Griffioen is verkrijgbaar bij boekhandel Grimbergen. Prijs € 20,20 Het is te leen in de bibliotheek en bij Vereniging Oud Lisse ter inzage. Ook te bestellen via https://vermeer. mijnbestseller.nl/shop/index.php/historyand-politics/biographies-and-memoirs. html.

HOOGKAMER, een familie in Lisse

De voorouders van Cornelis Martinus Hoogkamer worden weergegeven. Zijn voorvader overleed in Lisse in 1708.

door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 2, april 2015

De kwartaalbijdrage van onze genealogie-groep heet dan wel het Lisses Kwartiertje, maar het is elke keer weer een uitdaging om een kwartierdrager te kiezen die een echte binding met Lisse heeft gehad en waarvan ten minste een deel van de voorouders echt geworteld is geweest in de gemeenschap van Lisse. Dit keer de familie Hoogkamer.
Anna Schrama Het ligt misschien niet voor de hand, maar Anna Schrama uit dit Kwartiertje heeft echt Lisserse Hoogkamer-wortels. Voorvader Hendrik Jansz Hoogkamer is overleden in Lisse in 1708. In leven was hij behalve bouwman ook ambachtsbewaarder van Lisse. Zijn zoon Gerrit Hendriksz Hoogkamer trouwde in 1699 met de dochter van Jan Jansz van der Fits. In het boek ‘De Aagtenkerk van Lisse’ beschrijft A.M. Hulkenberg de boedelscheiding in 1708 waarbij een boerderij met 92 roeden grond bij het Mallegat, uit de nalatenschap van schoonvader Van der Fits, gebruikt is voor het huisvesten van de katholieke schuurkerk aan de Achterweg. Gerrit Hendrikz was rooms armmeester in Lisse en uiterst gelovig. Hij voorzag zijn kerk en haar parochianen van alles wat hij zich kon veroorloven. Zijn zoon Jan Gerritz Hoogkamer trouwt in 1730 met Maria van Beijeren en voor dit huwelijk moeten zij maar liefst dertig gulden aan impost – een soort inkomstenbelasting – betalen. Bij het passeren van een langstlevende testament, bij notaris Jacob van Dorp, worden zij samen aangeduid als ‘bou(w)lieden tot Lisse’. In 1742 wordt Jan Gerritz aangeslagen voor twaalf gulden belasting op een inkomen in de derde klasse, van 800 tot 1000 gulden per jaar! Drie jaar later is dat weliswaar verminderd tot acht gulden in de tweede klasse, maar hij wordt in het betreffende belastingkohier nog wel aangeduid als ‘bouwman’ met twee dienstboden in huis. Hij  overlijdt op 45-jarige leeftijd.

Dochter Agatha Jansdr Hoogkamer wordt in februari 1732 in Lisse katholiek gedoopt en zij trouwt in 1755 met Gijsbertus Gerritz Schramade uit Vogelenzang. Hij is houtkoper op Dever in Lisse. Er worden in Lisse zeven kinderen Schramade geboren uit dit huwelijk. De familienaam Hoogkamer verdwijnt daarmee voor de duur van slechts twee generaties. Hun zoon Johannes Gijze Schrama(de) wordt in 1758 gedoopt in Lisse. Hij trouwt in Sassenheim met Catharina Klaasze Hoogeveen. Zij overlijdt echter al in 1801 op 30-jarige leeftijd, nadat ze vijf kinderen het leven geschonken heeft. En hún zoon Cornelis Schrama geboren in 1800 in Sassenheim trouwt in Hillegom met Agatha Kromhout. Het tweede van de tien kinderen uit dit huwelijk is hun dochter Anna Schrama. Met haar huwelijk met Johannes Hoogkamer in 1847 komt de oude familienaam Hoogkamer weer in de stamboom terug. Maar als deze beide families al aan elkaar verwant zijn geweest, dan moet dat in elk geval vele generaties terug geweest zijn. Het gezin verhuist naar Lisse, waar hun twaalf kinderen ter wereld komen.

Johannes Hoogkamer

De stamvader van Johannes is dan wel degelijk een Hoogkamer maar deze is in het geheel geen Lisser, hij woont in Rijnsburg. Deze Crijn Pietersz Hoogkamer is in 1678 geboren. Hij trouwt in Oegstgeest en krijgt met zijn vrouw Neeltje Dirksdr Reijers vijf kinderen. De jongste is zoon Reijer Crijnsz. Reijer Crijnsz Hoogkamer is in 1713 gedoopt in Oegstgeest. In de ‘Lyste van zodaanige Weerbare Mannen van 15 tot 60 jaaren oud’ binnen het gebied Rijnsburg wordt hij als nummer 138 vermeld. Hij overlijdt in Rijnsburg op 64-jarige leeftijd en uit de ‘Staat en Inventaris’ van zijn boedel, goederen, schulden en lasten, blijkt dat hij Meester Rietdekker is geweest. Hij trouwde met Leuntje Pietersdr van der Burg en kreeg met haar zeven kinderen. Zoon Petrus Reijersz Hoogkamer, gedoopt in 1757 in Katwijk, is rietdekker, net als zijn vader. Hij trouwt met Mareitje Hendriks van Houten en woont daarna in Noordwijk. Zij krijgen twee zoons. Samen met zijn twee jaar oudere broer Crijn komt hij voor op de lijst van weerbare mannen in 1784. Vermeld wordt dat sommigen op de lijst van een eigen geweer voorzien zijn terwijl anderen, zodra erom verzocht wordt, in staat zijn er op eigen kosten een aan te schaffen. Pieter (Petrus) staat op nummer 104 op die lijst. Hij overlijdt echter al op 31-jarige leeftijd. Zijn weduwe hertrouwt met een andere rietdekker uit Noordwijk.

De jongste van de twee zoons is Hendri(c)k. Hij wordt geboren in Noordwijk en trouwt daar al op 19-jarige leeftijd, met Jaapje (Jacoba) Hoogeveen. Hendri(c)k wordt rietdekker, net als zijn vader geweest was. Hun tien kinderen zijn allemaal in Lisse geboren. De eerste in februari 1810. Vanaf toen werd ook deze familietak Hoogkamer een Lissese geschiedenis.

Hendrik Hoogkamer en Jacoba Hoogeveen

Rietdekker Hendrik en zijn vrouw en kinderen wonen in 1830 op de Delfweg 103, later werd dat de Stationsweg. Hun oudste zoon Pieter werd slechts tien dagen oud en de tweeling van enkele jaren later is op de dag van geboorte overleden. Dochter Niesje (Agnes) woont als dienstmeisje op een boerderij vlak bij Dever, de overige kinderen wonen nog bij hun ouders. De tweede zoon Pieter is in 1842 in het ouderlijk huis gestorven. Dochter Niesje is getrouwd met Cornelis Beijk en gaat op de Heereweg wonen zo ongeveer tegenover de huidige Julianastraat. Zoon Jacobus trouwde Antje Ruigrok maar is slechts enkele jaren later overleden. Zijn weduwe is kort daarna met hun zoontje naar Lisse gegaan en daar bevallen van hun tweede zoontje. Ze hertrouwt met schipper Smakman en gaat wonen in het huis naast schoonzuster Niesje Hoogkamer. Inmiddels is uit het nieuwe huwelijk een zoontje geboren, twee volgende kinderen overlijden echter al heel jong. Twee maanden na de laatste bevalling overlijdt Antje Ruigrok zelf ook. Moeder Jacoba overlijdt in 1846 waarna vader Hendrik Hoogkamer al snel hertrouwd is. Begin april 1848 wordt hun zoon Henricus geboren maar hij overlijdt al na drie dagen en eind april overlijdt ook Hendrik Hoogkamer zelf waarna zijn weduwe naar Alkemade verhuist. De nog thuis wonende kinderen van Jacoba en Hendrik Hoogkamer gaan allen het huis uit en weduwnaar Smakman trekt met de twee zoontjes Hoogkamer van zijn overleden vrouw en zijn eigen zoontje van nu vier jaar oud naar het leeggekomen huis op 103, inmiddels Halfwegsteeg genoemd. Dochter Maria is begin september 1845 met Cornelis Berkhout getrouwd en gaat op het Vierkant wonen, in een huis dat tussen het latere huis van Pijnacker en de boekhandel Van der Klugt gestaan moet hebben. Hun eerste kind wordt eind september al geboren, maar is naamloos overleden. En Johannes die eerst nog thuis woonde, rietdekker was zoals zijn vader, trekt uit het ouderlijk huis en gaat naar huis 198 aan het ‘Oostend’ op de Heereweg, naast het latere huis van de familie Blokhuis op de hoek van de Nassaustraat. Johannes trouwt met Antje (Anna) Schrama uit Hillegom. Hij staat als (land)arbeider genoteerd als baby Jaapje (Jacoba) Hoogkamer op de Heereweg geboren wordt.

Boerderij Hoogkamer

In de Kanaalstraat moet een boerderij Hoogkamer hebben gestaan

Lang geleden is er al een boerderij Hoogkamer in het gebied richting Voorhout geweest, maar ook in Lisse moet een boerderij Hoogkamer gestaan hebben, op de Broekweg, nu Kanaalstraat. Ernaast was de boerderij van Hulsbosch. Na de sloop van boerderij Hoogkamer is er een nieuw pand gekomen waar tegenwoordig het bedrijf van Paul Windt gevestigd is. Cornelis Berkhout en Maria Hoogkamer trekken rond 1850 in het ene deel van deze boerderij terwijl broer Johannes Hoogkamer en zijn vrouw Antje in de andere helft gaan wonen. Daar worden ook de overige kinderen geboren. Deze boerderij wordt later, vlak vóór zijn overlijden in februari 1859, door Cornelis Berkhout aan zijn zwager Johannes Hoogkamer verkocht. Op de boerderij overlijdt Antje Schrama in januari 1900 en in november ook Johannes Hoogkamer. Schoonzoon Jan Nulkes, echtgenoot van dochter Jacoba Hoogkamer, neemt de boerderij in 1901 over.

Cornelis Hoogkamer en Marijtje Langeveld

De Halfwegsteeg. Het is niet bekend waar de familie woonde.

Johannes Hoogkamer’s zoon Cornelis wordt bloemistknecht en trouwt in 1880 met Marijtje Langeveld en samen gaan zij op de Halfwegsteeg wonen. Ze krijgen zeven kinderen., Alleen dochtertje Anna wordt slechts vier maanden oud, zoon Petrus Johannis is in 1882 geboren. Marijtjes vader komt bij hen in huis wonen en overlijdt daar in 1899. Cornelis’ zus Catharina trouwt met een broer van Marijtje en zij wonen nog enige tijd op boerderij Hoogkamer, tot de verkoop in 1926 waarna sloop volgt en vervanging door het huidige pand. De Halfwegsteeg krijgt de naam Stationsweg. Cornelis en Marijtje wonen op nummer 104. Naast hen woont het gezin Salman. Hun dochter Maria Wilhelmina trouwt in 1907 met de zoon van de buren, Petrus Johannis Hoogkamer. Cornelis’ vrouw Marijtje Langeveld overlijdt in 1916. Ze werd 59 jaar. Haar weduwnaar Cornelis, is op 73-jarige leeftijd overleden in de Pius, het toenmalige katholieke bejaardenhuis naast de Agathakerk.

Petrus Johannis en Maria Salman

Na hun huwelijk in 1907 gaan Petrus Johannis en zijn vrouw Maria eveneens op de Stationsweg wonen, schuin tegenover de (schoon)ouders, op nummer 35. Petrus Johannis verdient de kost als bloemistknecht of landarbeider. Hun oudste zoon is al overleden toen hij pas tien dagen oud was, uiteindelijk bestaat het gezin uit vier kinderen. De jongste van het stel is Cornelis Martinus Hoogkamer, hij wordt in 1917 geboren. Maar dan overlijdt in 1919 de 35-jarige moeder van de vier kleine kinderen Hoogkamer. Petrus Johannis blijft als weduwnaar achter om de kinderen groot te brengen. Zijn jongste zoon wordt uiteindelijk bloemistknecht, net als zijn vader, en ten minste twee van de drie dochters trouwen met een echtgenoot die eveneens in de bloembollen werkt. Als Petrus Johannis 73 jaar oud is, overlijdt hij net als zijn vader bijna dertig jaar eerder in de Pius in Lisse. Zoon Cornelis Martinus trouwt als hij 21 jaar is in Bloemendaal met Johanna Maria Warmerdam. Ze hebben op de Emmastraat in Lisse gewoond en uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren. Zowel Cornelis Martinus Hoogkamer als zijn vrouw zijn meer dan tachtig jaar oud geworden en in Lisse overleden.

VAN EEN NAZAAT VAN DE TIMMERMAN-MOLENMAKER

De schrijver heeft aanvullingen op het boek Kroniek van een molenaar. Hij heeft oudere foto’s en een beschrijving van de genealogie van zijn voorouders van der Zaal en A. van Grotenhof.

door Robert van der Zaal

NIEUWSBLAD Jaargang 12 nummer 1, januari 2013

Het moet zijn geweest toen achterneef Herman Buurman “de familiebijbel” van de familie Van der Zaal schonk aan het Museum voor de Bollenstreek “De Zwarte Tulp”. Mijn vader Barend (1926-2009, van Ary van het Kuykehuis) stelde me voor aan onze achternicht Penny Raggers-van der Zaal. Nu wist ik al van mijn vader en zijn broer Albertus “Bert” (19232005) dat Penny documentatie over molens had van één van onze voorvaderen, een molenbouwer. Met een vrijwillig molenaar onder mijn studievrienden was mijn belangstelling voor molens al in de jaren ’80 aangewakkerd en nu had ik de kans Penny te vragen naar de documentatie van onze voorvader. Maar Penny was, terecht, wat terughoudend de handgeschreven documentatie uit te lenen. Ze kon me wel vertellen dat er wat met de documentatie ging gebeuren.
Een jaar of twee geleden, pappa was inmiddels overleden, belde ik Penny eens om te vragen hoe het was met de documentatie. Ze vertelde me dat de manuscripten inmiddels bij een historicus van de Vereniging Oud Lisse lagen om ze te “transcriberen” en te verwerken in een boek. Later kwam ik erachter dat de historicus Bert Kölker was. Heb sindsdien de mensen bij Grimbergen de kop gek gezeurd over wat “Kroniek van de Lisser Timmerman en Molenmaker” zou gaan heten, waarvoor nogmaals mijn excuses.
Toen het felbegeerde boek dan eindelijk afgelopen oktober in mijn bezit was heb ik er van zitten smullen! Uit een onderzoek van de Zwarte Tulp naar drie oude Lisser families van een jaar of 15 geleden had ik al een vrij complete stamboom vanaf het moment dat we in Lisse neerstreken en met de Kroniek heb ik alle vaders tot en met Claes uit Aarlanderveen rond 1460!
In de Kroniek zag ik foto’s waaronder de “oudst bekende foto’s van een Van der Zaal”. Nu vond ik het jammer dat ik (via Penny?) niet eerder met Bert Kölker in contact ben gekomen want oom Bert had GLASPLATEN met foto’s van de ouders van deze Van der Zalen, samen en met een hele schare aan kinderen! Van deze glasplaten heeft oom Bert rond 1989 op papier diverse afdrukken gemaakt plus een interessante beschrijving van het hoe en waarom van deze foto’s. V.O.L. heeft een kopie van deze beschrijving die publicatie in het Nieuwsblad meer dan waard is…. We zien Cornelis, aannemer/eigenaar van het bedrijf aan het Vierkant sinds 1853 (geboren 9 november 1823 in Lisse, overleden 10 maart 1897 te Lisse; zie XIII-1 in Genealogie van der Zaal in Kroniek), kleinzoon van de timmerman-molenmaker van de Kroniek, en zijn vrouw Maria, geboren Marseille, uit Haarlem. Ook zien we Arie van Grotenhof en mijn overgrootvader Albertus, de latere aannemer van het Vierkant met hun broertje Cornelis en zusje Maria op schoot bij hun ouders. De foto van de ouders, Cornelis en Maria, is uit 1853, de foto van het gezin toen kleine Maria een peuter en kleine Cornelis een baby was dus ergens rond 1857. De glasplaat uit 1853 is nog in ons bezit, waar die uit 1857 is gebleven weet ik helaas niet.
Waar pas ik in het verhaal en in Oud Lisse? Om te beginnen was timmerman-molenmaker Cornelis overgrootvader van mijn overgrootvader Van der Zaal. Enkele generaties later trouwde Barend van het Kuykehuis in juli 1957 met Cornelia “Cocky” Wesselo (1932), dochter van de kruidenier op de Herenweg en kleindochter van “Meester Wesselo”, hoofd van de Openbare Lagere School en oprichter van Harmonie Eensgezind, later Trou moet Blycken. Haar opa Wesselo overleed in 1903, een jaar na de geboorte van haar vader. Haar andere opa was Marinus Hekkers, voor de oorlog uitbater van de Witte Zwaan! De plannen van het jonge stel de werkplaats naast het Kuykehuis te verbouwen tot een bungalow werden door toenmalig burgemeester De Graaf gedwarsboomd, ze kochten maar een nieuwbouwhuis in het Nassaupark. Goedbeschouwd weggepest door de burgemeester kochten ze uiteindelijk een huis aan de Parklaan in Sassenheim.

VERHAAL ACHTER DE GLASPLATEN uit 1989 nagelaten door Bert van der Zaal.

In maart 1851 beschreef de engelse beeldhouwer/amateurfotograaf Frederic Scott-Archer in “The Chemist” een nieuwe methode van fotografi e, waarbij collodium werd gebruikt. Deze nieuw ontdekte stof werd gevormd door schietkatoen (nitrocellulose) op te lossen in ether of een mengsel van alcohol en ether. Het collodium, dat kaliumjodide bevat, werd gelijkmatig over een zorgvuldig gereinigde glasplaat gegoten,. Wanneer de ether bijna verdampt was en de collodumlaag nog kleverig werd de plaat in een oplossing van zilvernitraat gedompeld. In natte toestand werd de plaat in een camera belicht. (in droge toestand is de plaat veel minder lichtgevoelig). Na belichting werd het negatief direct ontwikkeld in een pyrogallus ontwikkelaar, gefi xeerd in hypo en gespoeld. De verbeterde lichtgevoeligheid van deze platen betekende, dat de belichtingstijd werd teruggebracht van 1 à 2 min. naar 1 á 2 sec.
In een in 1852 verschenen boekje beschreef Scott-Archer een variatie op zijn vinding, waarbij het collodium negatief werd gebleekt door een behandeling met kwikbromide. Wanneer dit gebleekte negatief op een ondergrond van zwart fl uweel werd gelegd, gaf het een positief beeld te zien. Omdat Archer zijn uitvinding niet gepatenteerd had en het procédé veel eenvoudiger was dan oudere werkwijzen, kon men nu voor een luttel bedrag kwalitatief uitstekende foto’s maken, met weinig kennis van chemie.
In de grote steden maakten kappers, sigarenwinkeliers, kruideniers en zelfs tandartsen als hobby portretten voor een paar stuivers. Op het platteland en in de dorpen werd de portretfotografi e bedreven als kermisattractie.
Toen eind september 1853 op de Lisser kermis de tent van een fotograaf door een windvlaag instortte, had mijn overgrootvader Cornelis van der Zaal met de man te doen en stutte de tent met een paar kapsparren. De fotograaf bood toen aan een portret te maken van hem en zijn vrouw, Maria Marseille. Misschien dacht de fotograaf ‘Als er één schaap over de dam is, volgen er meer’, want het laten maken van een foto was in die tijd een onderneming., die verstrekkende gevolgen kon hebben, zoals overtreding van het 2e gebod, excommunicatie uit de kerk en verlies van klanten enzomeer. Gelukkig was overgrootvader Cornelis voor zijn tijd zeer vooruitstrevend en had lak aan vooroordelen. Toch blijkt uit zijn gezichtsuitdrukking, dat zijn verwachtingen van de moderne techniek niet bijzonder hoog gespannen zijn. Toen een paar jaar later de fotograaf weer op de kermis stond, werd de 2e foto gemaakt, nu van het hele gezin. De kinderen v.l.n.r. Arie, Albertus (mijn grootvader), Cornelis Jr. en het enige zusje Maria.

Het tussen de oude pastorie en de voormalige bank gelegen Kuykehuis

Het ontslag van een rooms-katholieke ambachtsbewaarder in Lisse in de achttiende eeuw.

Vanaf de tachtigjarige oorlog kregen de katholieken in openbare functies vaak ontslag. De katholieke Jacob Floriszn. Van Bourgondiën is geboren in 1680. Hij werd in 1725 ambachtsbewaarder. Uitgelegd wordt wat een ambachtsbeheerder is. In 1726 start een procedure om hem af te zetten omdat hij katholiek was.

door drs. Maarten van Bourgondiën

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 2, april 2009

Inleiding

Als gevolg van de veranderde machtsverhoudingen, werden roomskatholieken vanaf het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog stelselmatig geweerd uit publieke bestuursfuncties. Zo mochten zij op lokaal niveau geen deel meer uitmaken van het dorpsbestuur. Op 29 juli 1654 bepaalden de Staten van Holland dat alle rooms-katholieke bestuurders “geheel buyten geslooten en affgeset” moesten worden. [1] Om bestuursfuncties uit te kunnen oefenen, was lidmaatschap van de Nederduits Gereformeerde Kerk verplicht. Dat was namelijk de offi ciële staatskerk van de Republiek der Verenigde Nederlanden. In de praktijk werd deze bepaling echter niet altijd strikt opgevolgd. In dorpen met een kleine gereformeerde gemeenschap was het bijvoorbeeld moeilijk om steeds voldoende geschikte bestuurders te vinden. Dan kon het gebeuren dat er ook rooms-katholieken in het dorpsbestuur werden opgenomen. Hoewel de rooms-katholieken in Lisse door de eeuwen heen altijd in de meerderheid zijn geweest, was de gereformeerde gemeenschap in dit dorp over het algemeen net groot genoeg om voldoende bestuurders te leveren. De vier burgemeesters waren in de achttiende eeuw bijvoorbeeld steevast van gereformeerde huize. Het is dan ook enigszins opvallend om te zien dat er in het eerste kwart van de achttiende eeuw toch roomsgezinde dorpsbewoners als ambachtsbewaarder in het dorpsbestuur werden opgenomen. Lange tijd leverde dat geen noemenswaardige problemen op, maar in 1726 was de rooms-katholieke achtergrond van de ambachtsbewaarder Jacob Floriszn. van Bourgondiën reden om een ontslagprocedure tegen hem in gang te zetten. [2] Ik zal daar in dit artikel wat dieper op ingaan. Het geeft namelijk een aardig beeld van de invloed van religie en politiek op het dagelijkse leven in een dorp in de Duin- en Bollenstreek.

De kerk van Lisse in 1725. De religieuze spanningen in het dorp hadden in deze tijd vooral een politiek-economische achtergrond (afbeelding uit de Atlas van Schoemaker).

Jacob Floriszn. van Bourgondiën

De hoofdpersoon van dit artikel werd geboren omstreeks 1680. Hij was een kleinzoon van de uit de ambachtsheerlijkheid Heemstede afkomstigeCornelis Janszn. van Bourgondiën. Cornelis trouwde omstreeks 1645 met de Lissese Anna Florisdr. van Wassenaar. Vermoedelijk is hij ook rond datzelfde jaar naar Lisse verhuisd. In ieder geval hebben zijn nakomelingen tot aan het eind van de achttiende eeuw in dit dorp gewoond. In de door mij bestudeerde bronnen worden nergens concrete uitspraken gedaan over het beroep van Jacob Floriszn. van Bourgondiën, maar waarschijnlijk verdiende hij net als zijn vader Floris Corneliszn. van Bourgondiën zijn brood als veehouder. Jacob was eigenaar van een boerderij met zes morgen land in de Westgeest te Lisse (een gebied ten zuiden van de huidige Vuursteeglaan, aan de westkant van de Heereweg). Daarnaast pachtte hij ook nog diverse andere percelen. In 1725 had hij op die manier in totaal vijftien morgen en 200 roeden land tot zijn beschikking. Omgerekend naar huidige oppervlaktematen is dat ongeveer dertien hectare. Jacob Floriszn. van Bourgondiën trad tweemaal in het huwelijk. Eerst in 1707 met Katharina Jacobsdr. Naardenburg (weduwe van Jacob Dirkszn. Uitermeer), en daarna in 1731 met Anna Anthonisdr. van der Libbe (weduwe van Dirk Jacobszn. Ruigrok). De families Van Bourgondiën en Van der Libbe konden blijkbaar goed met elkaar overweg, want Jacobs halfzus Dirkje Florisdr. van Bourgondiën was getrouwd met Jan Anthoniszn. van der Libbe, een broer van Anna. Voor zover bekend zijn beide huwelijken van Jacob Floriszn. van Bourgondiën kinderloos gebleven. Hij overleed op 23 december 1738, waarna Anna Anthonisdr. van der Libbe op de boerderij in de Westgeest bleef wonen. Zij hertrouwde in 1743 met Adriaan Simonszn. Langeveld.

Fragmentgenealogie van Cornelis Janszn. van Bourgondiën

Aanstelling tot ambachtsbewaarder

In 1725 werden Jacob Floriszn. van Bourgondiën en Otto Jacobszn. Kranenburg aangesteld tot ambachtsbewaarders van Lisse. Samen met de schout hielden zowel kroosheemraden als ambachtsbewaarders zich bezig met waterschapszaken binnen het ambacht, waaronder het onderhoud van wegen, bruggen en dijken (taken die tegenwoordig onder de noemer Openbare Werken vallen). De schout en kroosheemraden oefenden de rechterlijke taken uit, terwijl de bestuurlijke taken op de schouders rustten van de schout en de ambachtsbewaarders. [3] In de zeventiende en het eerste kwart van de achttiende eeuw werden de functies van kroosheemraad en ambachtsbewaarder eerlijk verdeeld onder de roomskatholieke en gereformeerde inwoners van Lisse. Zo waren onder andere de vader en oom van Jacob Floriszn. van Bourgondiën in de zeventiende eeuw actief als kroosheemraad. [4] Dat Jacob zich later eveneens met waterschapszaken bezig ging houden, is dus niet zo vreemd.
In Lisse week men op waterschapsgebied lange tijd af van de wettelijke bepaling dat bestuursfuncties alleen door lidmaten van de offi ciële staatskerk mochten worden uitgeoefend. Misschien woonden er in dit dorp toch niet voldoende gereformeerden om alle bestuursfuncties te vervullen. Daarnaast kan de verdeling van de waterschapsfuncties ook in goed onderling overleg zijn gebeurd. De bevolking nam in veel gevallen namelijk een wat gematigder standpunt in ten aanzien van de strenge verbodsbepalingen die van hogerhand werden opgelegd. [5] Dan zou je echter verwachten dat rooms-katholieken in Lisse ook tot andere bestuursfuncties werden toegelaten, en daar zijn vooralsnog geen aanwijzingen voor. De burgemeesters hadden, zoals gezegd, in de achttiende eeuw steevast een gereformeerde achtergrond. Er is dan ook meer onderzoek nodig om duidelijkheid te krijgen over deze bestuurskwestie.

Overzicht van de ambachtsbewaarders van Lisse in de jaren 1700-1725 (NB: over de jaren 1714-1716 en 1723-1724 zijn op dit moment geen gegevens bekend)

Procedure tot afzetting

Gedurende het eerste kwart van de achttiende eeuw had niemand zich echt gestoord aan het feit dat rooms-katholieke inwoners van Lisse tot ambachtsbewaarder werden aangesteld. In 1726 werd er door vertegenwoordigers van de gereformeerde kerk van Lisse echter geklaagd bij de Classis van Leiden. De gereformeerde ambachtsbewaarder Otto Jacobszn. Kranenburg diende in mei van dat jaar af te treden omdat zijn termijn afl iep. Dat betekende dat de roomsgezinde ambachtsbewaarder Jacob Floriszn. van Bourgondiën in dat jaar de oudste in functie en daarmee invloedrijkste ambachtsbewaarder van Lisse zou worden. Het was namelijk de oudste ambachtsbewaarder die de belangrijkste bestuurstaken uitoefende (al overlegde hij daarbij wel met de jongste ambachtsbewaarder). Men vreesde nu “dat bij het bewind van de paepsche [ambachtsbewaarder], de gereformeerde ambaghtslieden als timmerluyden, metselaeren, etc., aen welke thans het werk van het ambagt aldaer aenbesteet was, zoude werden affgedanckt, en het zelve aen paepsche gegeven.” Het draaide bij deze kwestie uiteindelijk dus niet om zuiver religieuze motieven, maar om de vraag wie alle werkzaamheden binnen het ambacht mocht verrichten. In dat licht bezien is het vreemd dat er niet eerder aan de bel werd getrokken. Het kwam namelijk wel vaker voor dat de oudste ambachtsbewaarder van Lisse rooms-katholiek was (zie bovenstaande tabel). Vermoedelijk speelden de problemen die in 1723 waren gerezen tussen de ambachtsheer en de kerkeraad van Lisse een rol bij de afzettingsprocedure. [6] De toenmalige ambachtsheer Frederik Jacob Heereman van Zuydtwijck was namelijk roomsgezind, en het was de kerkeraad een doorn in het oog dat hij als rooms-katholiek ambachtsheer het recht had om de predikant te benoemen. Er volgde een slepend juridisch confl ict, waarbij de ambachtsheer in 1725 uiteindelijk aan het kortste eind trok. De gedesillusioneerde Frederik Jacob Heereman van Zuydtwijck verliet kort daarop de Republiek der Verenigde Nederlanden. Met Lisse heeft hij zich daarna nooit meer bemoeid. Mogelijk heeft de kerkeraad van Lisse deze benoemingskwestie aangegrepen om meteen ook maar korte metten te maken met de laatste rooms-katholieke invloed in het dorpsbestuur. De bovenstaande gegevens wekken in ieder geval sterk de indruk dat er in Lisse gedurende de jaren ’20 van de achttiende eeuw een politiek-economische machtsstrijd gaande was. Hoe het ook zij, uiteindelijk kwamen de klachten over de rooms-katholieke ambachtsbewaarder van Lisse via de “Christelijke Synodus van Zuyd Holland” bij de Staten van Holland terecht. Zij bepaalden op 26 april 1726 dat Jacob Floriszn. van Bourgondiën diende te worden afgezet, en dat in zijn plaats een gereformeerde ambachtsbewaarder moest worden aangesteld. Daarnaast lieten de Staten van Holland weten dat er in het vervolg alleen nog maar gereformeerden tot ambachtsbewaarder mochten worden benoemd. Voor zover ik na kon gaan heeft men zich daar in Lisse vanaf 1726 steeds keurig aan gehouden. De rol van de rooms-katholieken in het dorpsbestuur was daardoor dus helemaal uitgespeeld. Zij moesten wachten tot de Bataafse Revolutie van 1795 voordat zij weer bestuurlijke activiteiten konden ontplooien.

Noten

[1] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 25 (ongefolieerd).

[2] Zie ook A.M. Hulkenberg, De Aagtenkerk van Lisse (Lisse 1960) 78.

[3] Mr. S.J. Fockema Andreae, Het hoogheemraadschap van Rijnland. Zijn recht en zijn bestuur van den vroegsten tijd tot 1857 (herdruk Alphen a/d Rijn 1982) 95 en 100.

[4] Nationaal Archief, DTB Lisse, boek L12A (1687-1699), fol. xii; enkele Lissese rooms-katholieke families die in de achttiende eeuw kroosheemraden leverden, zijn: Van Graven, Kroon, Schrama, Van der Voort en Vreeburg, zie: Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 302.

[5] Mr. H.J.J. Scholtens, Uit het verleden van Midden-Kennemerland (Arnhem 1968) 69. [6] A.M. Hulkenberg, Het Huis Dever te Lisse (Zaltbommel 1966) 200-208

Dynastie Lefeber

Joseph Willem Lefeber, geboren in 1860, werkte bij Gebroeders Segers. Omstreeks 1885 begint hij een bloembollenkwekerij met Van Kampen. Later ging hij alleen verder. Zijn oudste zoon J.W.A. Lefeber begon een eigen kwekerij. Hij ging hyacinten en narcissen veredelen. De belevenissen van de zoons van J.W.A.  worden beschreven.

door Liesbeth Brouwer

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 1, januari 2009

De bollenteelt in de omgeving van Lisse is betrekkelijk nieuw. Zij ontstond hier zo’n 1 á 1 ½ eeuw geleden. Soms hadden kwekers een agrarische achtergrond, bijv. van boer of groenteteler. Maar hoe zat dat met de familie Lefeber? In dit artikel willen we ingaan op het gezin Lefeber. D.W. Lefeber, de bekende veredelaar aan wie ons nieuwsblad een viertal artikelen wijdde, is telg van deze familie. De geschiedenis geeft een mooi tijdsbeeld weer. We gaan terug naar 1809. Naar Den Haag. Daar trouwt J.M. Lefeber, die bakker is, met de weduwe van een bakker. Een economisch huwelijk, want zo worden twee bakkerswijken samengevoegd.
Korenmolenaars en bakkers zijn in die tijd hechte groepen (soort kartels) met een sterke sociale controle. Zij beschermen elkaar tegen tegenslagen, de gevolgen van ziekte en de zorgen van ouderdom. De kartels beperken de concurrentie, onderling en van buitenstaanders. Brood is tot ongeveer het midden van de negentiende eeuw uitsluitend gebakken door bakkers in kleine bedrijven. Een meester-bakker met één of meer leerling-gezellen (soms zoon des huizes) doen het werk. Er zijn afspraken over de verdiensten en over de prijzen. Dat heeft tot gevolg dat de broodprijzen in de steden en daarmee ook de kosten van levensonderhoud hoog zijn. Sinds de tweede helft van de 18e eeuw is de industriële bereiding van meel en brood bekend. Dat zou de kosten voor een brood aanzienlijk kunnen drukken. In Nederland staat echter de ’wet op het gemaal’ het ontstaan van meel- en broodfabrieken in de weg. De strenge ’wet op het gemaal’ is afgestemd op het traditionele kleinbedrijf. Zo belast de wet de eerste levensbehoeften van de bevolking. Brood behoort immers, met aardappelen, tot het hoofdbestanddeel van de dagelijkse voeding. Dat wordt ook erkend door regering en parlement. Maar hoewel de wet regelmatig onder vuur ligt, komt het maar niet tot een afschaffing ervan.
Bakker Lefeber wacht de concurrentie van fabrieken niet af. Het bakkersechtpaar besluit uit te zien naar een dorp waar plaats is voor een bakker. Dat wordt Lisse, waar zij zich in 1826 vestigen aan de Heereweg 195.

J.W. Lefeber (1813- 1898) J.W. Lefeber (1860- 1952)

Dat J.M. Lefeber een vooruitziende blik heeft blijkt uit het feit dat Den Haag de stad wordt met de meeste en de meest geavanceerde broodbedrijven. Zoon J.W. Lefeber (geb. 1813) is dan leerling-bakker en zet later de bakkerij van zijn vader in Lisse voort. In die tijd hebben de mensen nog niet zo’n hoge levensverwachting. J.W. Lefeber trouwt zelfs 3 keer. Zijn eerste twee echtgenotes sterven op jonge leeftijd. Uit alle huwelijken worden kinderen geboren, 14 in totaal. Een zoon uit het laatste huwelijk, met Maria van Loon, wordt de stamvader van een echte bollendynastie. Deze zoon, Joseph Willem (geb.1860), gaat niet in de bakkerij van zijn vader werken, maar hij toont interesse voor het bloembollenvak. Hij gaat in de leer bij de firma Gebroeders Segers en na een aantal jaren besluit hij voor zichzelf te beginnen. Omstreeks 1885 begint hij met compagnon Van Kampen een bloembollenkwekerij. Van de firma Segers ontvangt hij bij zijn vertrek een horloge met inscriptie voor bewezen diensten. De samenwerking met Van Kampen duurt niet zo lang en Lefeber zet de kwekerij alleen voort. Niet onverdienstelijk overigens. In 1888 wordt een stuk land van ruim 7 hectaren gekocht voor een prijs van 7100 gulden. Ook in 1888 treedt hij in het huwelijk met Jacoba van Ruiten (geb.1863) en komen zij te wonen aan de Achterweg 14.

Achterweg 5. De villa werd in 1975 afgebroken t.b.v. de uitbreiding van de huishoudschool

In dit gezin worden 8 jongens en 1 meisje geboren. In 1902 verhuist de familie naar de overkant, naar Achterweg 5. Bij het huis is ook een grote boomgaard met alle mogelijke soorten fruitbomen en achter het huis loopt een menagerie van eenden, pauwen, duiven en zwanen. J.W. Lefeber is een kweker die zich met hart en ziel inzet voor zijn vak. In die tijd is er nog geen sprake van een voorlichtingsdienst of vaktechnisch onderwijs. De kwekers komen bij elkaar om over het vak te spreken. Ziektebestrijding, behandeling van plantgoed, bemesting, waterhuishouding, allemaal onderwerpen die ter sprake komen. De Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur ter behartiging van de algemene vakbelangen bestaat al en er wordt door deze vereniging gepleit voor het oprichten van een tuinbouwschool. Haarlem maakt grote kans de school te krijgen. Lisser kwekers ijveren voor een school in Lisse. Ook J.W. Lefeber speelt daarbij een rol en uiteindelijk wint Lisse de strijd van Haarlem.
In die tijd is meester Ch. De Meulder hoofd van de R.K. jongensschool, de Josephschool.

Ingekleurde kaart van de fi rma J.W. Lefeber uit 1913 voor de Russische markt

Meester De Meulder (vader van Frederique, de oprichter van de ruim 100-jarige bloembollenfi rma De Meulder) is een natuurliefhebber en hij leert zijn leerlingen, waaronder de zonen Lefeber, het hybridiseren, het winnen van zaad, het kruisen van bolbloemen. Meester Beumer, hoofd van de lagere school in Sassenheim speelt ook een speciale rol. J.W.A. Lefeber(geb. 1890) heeft dat in 1962 beschreven in een artikel voor Kwekerij en Handel. Meester Beumer maakt in 1906 een aantal kwekers attent op een betere methode om nieuwe hyacinten te winnen. Tot die tijd werd bij een bed gemengde bloeiende hyacinten een bijenkorf geplaatst en de bijen zorgden voor de bestuiving. Gevarieerde kleuren waren het resultaat. Meester Beumer leerde de kwekers een gerichtere methode. Enkele voor de bestuiving geschikte cultivars werden onder een kooi van vliegengaas geplaatst zodat ze elkaar konden bestuiven. “Dit voorstel werd graag aanvaard en de heer Beumer liet zien hoe de bestuiving moest worden volbracht”, schrijft J.W.A. Lefeber.
Vader Lefeber is een strenge leermeester voor zijn zonen. Na de lagere school moet er worden aangepakt. Met avondcursussen worden de vakkennis en de talen bijgeleerd. Dat hij trots kan zijn op al zijn kinderen wordt hieronder wel duidelijk.

Gezin Lefeber 1908 Vlnr. Arie, Dirk, Annie, Marinus, mevr. Lefeber-van Ruiten, Willem, Koos, hr. J.W. Lefeber, Toon, Paul, Theo

Joseph Willem Antonius (J.W.A. 1890-1973)

Oudste zoon Willem is voorbestemd om thuis op de kwekerij te komen. Maar in 1912 begint hij een eigen kwekerij. Hij legt zich ook toe op kruisen en is vooral bezig met zaadwinning van hyacinten en narcissen. In januari 1922 is er een bloembollenbeurs in Haarlem en kan hij vol trots een potje Pink Pearl tonen. Pink Pearl is sindsdien een heel belangrijke handelssoort waaruit diverse mutaties zijn ontstaan met goede broei-eigenschappen zoals White Pearl, Violet Pearl en Blue Pearl. De Pink Pearl is nu nog de hyacint met de grootste opgeplante oppervlakte. In 1944 volgt weer een belangrijke aanwinst voor de hyacintencultuur. Met de naam Delfts Blauw.
Het winnen van nieuwe soorten narcissen is een grote hobby. Nieuw gewonnen soorten, ook nu nog aanwezig in het handelsassortiment, zijn Barret Browning, Professor Einstein en Johan Strauss. Maatschappelijk maakt Willem zich zeer verdienstelijk, zowel in zijn vakgebied als in de politiek. In 1932, tijdens de crisisjaren, moet er bijvoorbeeld een oplossing gevonden worden voor de overproductie. Het kost nogal wat moeite de kwekers er van te overtuigen dat het noodzakelijk is om maatregelen te treffen. Het Bloembollen Surplusfonds komt van de grond. Als wethouder is Willem betrokken bij de oprichting van de bloemententoonstelling Keukenhof in 1949.

Antonius (1892-1980)

In 1911 wordt zoon Toon naar de Duits-Russische grens gestuurd om de beide talen te leren. In 1913 gaat hij naar Rusland om daar bloembollen te verkopen. Met nomaden trekt hij ook de bergen van Turkistan in. Gevonden bijzondere bolgewassen worden naar Nederland gestuurd om daar uit te planten en verder mee te kruisen. Op zijn verkoopreizen komt hij regelmatig in St. Petersburg. Hij bezoekt daar, met zijn Friese doorlopers, een ijsbaan en oogst veel bekijkt met deze, voor de Russen, vreemde schaatsen. Zo maakt hij kennis met zijn toekomstige bruid.en schoonfamilie. Midden in de revolutie trouwen zij in St. Petersburg en ontvluchten Rusland. Na maanden reizen via Finland, Zweden en Noorwegen komen ze aan in Lisse waar ze het oude huis op Achterweg 14 kunnen betrekken. De handel met het communistische Rusland is daarna afgelopen. Vader Lefeber verliest daarbij heel veel geld want de openstaande rekeningen voor geleverde bollen worden natuurlijk nooit meer betaald. Ook Antoon wint een belangrijke nieuwe hyacintensoort. De witte Carnegie (1935). In 1948 emigreert het gezin van Antoon naar de Verenigde Staten. Daar wordt met succes een gladiolenfarm gesticht.

Marinus (1893-1982)

De derde zoon van vader J.W. beproeft al snel zijn geluk in Amerika. In 1923 start hij aan de westkust, in Mount Vernon, een bloembollenbedrijf. In deze omgeving zitten meerdere Nederlandse bollenkwekers. De geschiedenis herhaalt zich: in Mount Vernon is ook een kwekerij van de gebroeders Segers. Kreeg vader J.W. zijn eerste lessen in het bollenvak bij deze fi rma, nu is het zoon Marinus die gebruik kan maken van hun goede kennis. Na het einde van de tweede wereldoorlog komen er bij de familie in Holland, dank zij de Amerikaanse oom en tante, heel wat pakketen aan met kleding, levensmiddelen en schoeisel. Een feest in het net bevrijde Holland! Bij gebrek aan opvolging wordt het bedrijf Lefeber Bulb Company in 1997 opgeheven.

Dirk Willem Lefeber (D.W. 1894-1979)

Over D.W. zijn in het nieuwsblad een viertal artikelen verschenen. Nadat hij Rusland tijdens de revolutie veilig heeft verlaten keert hij weer naar het ouderlijk huis terug. Daar is het een gezellige boel op de zaterdagavonden. Broer Toon speelt de balalaika, broer Theo de viool en er wordt volop gezongen. In 1923 trouwt hij Jet Nijman en belooft ook dat hij niet meer zal reizen. Samen met een Haarlemse kweker koopt D.W. een partij bolgewassen uit het Oosten. Beide vinden ze een mooie rode tulp. D.W. noemt haar Madame Lefeber, maar de Haarlemse kweker geeft de naam Red Emperor. Deze tulp heeft ook nu nog twee namen.

Theodorus Augustinus (1896-1987)

Deze zoon blijft tot op hoge leeftijd (hij is dan bijna 60) bij zijn vader. In 1956 komt een eind aan zijn vrijgezellenbestaan en trouwt hij Rie van Grieken. Hij is een der eersten die eindexamen doet aan de Rijkstuinbouwschool. Hij is een betrouwbaar bollenkweker en exporteert naar de Scandinavische landen.

Adrianus Hendricus (1897-1982)

Zoon Arie trekt als 18 jarige al naar Engeland en werkt daar bij een Londense hofl everancier. Zo spreekt hij zelfs met Queen Mary bij het arrangeren van bloemstukken in het koninklijk paleis. Tijdens de oorlog verbouwt hij tabak. Tabak is schaars en dus is hij bang voor dieven. De tabak ligt in de schuur te drogen. Arie besluit om het zekere voor het onzekere te nemen en zelf ook in de schuur te overnachten. Wanneer het een aantal nachten gewoon rustig blijft denkt Arie dat hij wel weer in zijn eigen bed kan gaan slapen. Helaas, de volgende ochtend blijkt de hele oogst spoorloos te zijn verdwenen. Arie is een echte bollenhandelaar. Hij maakt vele reizen met de Holland Amerika Lijn en ontmoet tijdens deze reizen de meest interessante personen. Hij heeft er zelfs met president Roosevelt gebridged.

Anna Maria (1898-1981)

Het enige meisje in een gezin met 8 jongens. En dan trouwt ze nog niet eens met een bollenman! In de hongerwinter van ‘44-‘45 gaat ze meerdere keren op de fi ets (met daarachter een slee gebonden) naar Lisse om eten te halen. O.a. bloembollen. Op de terugweg wordt ze een keer bij Leidschendam door de Duitsers aangehouden en moet ze alle etenswaren afstaan. Wat een drama na zo’n zware tocht.

Jacobus (1900-1995)

Zoon Koos heeft ook avonturiersbloed in de aderen. Hij trekt naar vele landen om er bollen te verkopen. In 1939 verkoopt hij bollen in Amerika. Het gaat voortreffelijk, tot de mobilisatie voor WO II uitbreekt. Hij kan niet terug naar huis en gaat noodgedwongen werken bij een bloemenzaak in New York. Van daaruit reist hij naar broer Marinus om in diens bedrijf te werken. In 1941 lukt het hem om via Spanje weer naar Lisse te komen. Na de oorlog wordt de bollenverkoop in Amerika weer hersteld. Al snel wordt besloten om de definitieve overstap naar de States te maken. In 1949 is het zo ver. Het begin is moeilijk. Praktisch de hele bollenkraam gaat het eerste jaar verloren omdat het bollenland onder water loopt. Maar Koos is vindingrijk, zoals ook blijkt uit het volgende: Koos staat met zijn bollenkraam langs de weg, maar helaas, er stopt niemand. Dan krijgt hij een idee. Koos haalt de vlag oplaag en hangt die op zijn kop bij de kraam. En jawel: er stopt iemand om te vertellen dat de ’stars and stripes’ op z’n kop hangt. Er volgt een praatje, bloemen worden verkocht en een bollenordertje is binnen. En opnieuw: de vlag op z’n kop! Ook Koos veredelt bolgewassen. De bekende narcis Flower Record is een van zijn succesvolle zaailingen.

Paulus (1901-1989)

De beide jongste zonen Paul en Koos trekken veel met elkaar op. Samen zorgen ze wel eens voor consternatie. Zoals die keer dat ze bij boer Warmerdam zakken vol mussen vangen. En die in de volière loslaten om een nieuwe soort vogeltjes te kweken. Het kweken zit er al vroeg in. Het bloembollenvak leert hij vroeg. Hij mag vader naar de bollenbeurs (Krelagehuis) in Haarlem brengen. Paul heeft eerst samen met broer Koos een bedrijf en gaat later alleen als kweker door. De kwekerij ligt achter de steenfabriek. In het huis waar zijn vader in 1888 begon is hij tot het einde van zijn leven blijven wonen.
Echte bollenmensen, die Lefebers. Met zorg voor het product en gevoel voor de markt. Ook van de daaropvolgende generaties hebben velen het bollenvak uitgeoefend.

1922 De zoons Lefeber, vlnr. Willem, Antoon, Marinus, Dirk, Theo, Arie, Koos en Paul, in de bollen. Op de achtergrond de villa aan de Achterweg.

 

Aanvulling artikel Lefeber

Naar aanleiding van het artikel in het vorige nieuwsblad over de familie Lefeber ontvingen we van de heer Ignus Maes nog wat aanvullende informatie. Deze gegevens sluiten ook prima aan bij het hierna volgende artikel van Henk Schalk. In het stuk over de familie Lefeber vermeldden we de villa aan de Achterweg 5. In oktober/november 1943 moeten de Keukenhofbewoners, Graaf Carel met dochter Irene en zijn moeder, het kasteel Keukenhof verlaten De reden hiervoor is de annexatie door de Duitsers. De Duitse bezetter gebruikt het huis om Duitse soldaten onder te brengen en op het landgoed wordt een V1 installatie geplaatst. (in het bos langs de stationsweg, tussen de toegang naar het kasteel en de huidige van Lyndenweg). De grafelijke familie vindt onderdak in het woonhuis van J.W.Lefeber, Achterweg 5. De heer Lefeber en zijn huishoudster verhuizen voor de rest van de oorlogsperiode naar het huis van zijn oudste zoon aan de overkant op Achterweg nr. 15. Het verkeer werd in die tijd omgeleid via de Zwartelaan. Dat was voor de kinderen uit Halfweg een heel eindje om naar school!! (info:vrijwilligersblad Kasteel-Nieuws van maart 2008)