Berichten

Waarom heet boerderij De Wolff zo?

De bewoningsgeschiedenis van boerderij de Wolff wordt beschreven.

Sporen van vroeger (LisserNieuws)

12 maart 2019

door Nico Groen

Naar aanleiding van de vorige columns in Sporen van Vroeger over boerderij De Wolff vroegen diverse mensen waarom deze boerderij ‘De Wolff’ genoemd wordt. Van 1823 tot 1850 boerde hier Jan Wolff. De boerderij was vanaf 1797 in bezit van zijn vader, Caspar Wolff.

Op de woning staat een gevelsteen met het jaartal 1603 er op. Vast staat in ieder geval dat op deze plek vóór 1612 een nieuwe boerderij is gebouwd. Dit zou dus heel goed 1603 geweest kunnen zijn. Vóór die tijd staat er echter ook al een bedoening. Deze plek wordt voor het eerst in 1528 genoemd. De eigenaren tussen 1528 en 1779 zijn bekend. Daarbij is echter niemand die De Wolff heet.

Caspar (Casparus Hendricus) Wulff of Wolff is in 1774 geboren bij Osnabrück in Duitsland. In 1792 als hij 17 jaar is, woont hij in Amsterdam en wordt ingeschreven als leerknecht bij een chirurgijn (dokter). Hij wordt later zelf een bekende chirurgijn. Hij trouwt in 1797 met Huberta Verdegaal, die op boerderij Welgelegen aan de Heereweg bij de Vuursteeglaan in Lisse geboren is. Haar vader is Jan Verdegaal en haar moeder is Willemijntje Vreeburg.

Caspar en Huberta krijgen in 1797 ‘bij donatie’ van Jan Verdegaal een bouwmanshuis (de latere boerderij de Wolff) en de landerijen er omheen. Dit bouwmanshuis is al in 1779 gekocht door Jan Verdegaal. Caspar Wolff koopt in 1803 meer grond rondom de boerderij. Het echtpaar heeft daar echter zelf nooit gewoond maar is na hun trouwen aan ’t Vierkant gaan wonen. Hij is hier chirurgijn tot 1828. Dan vertrekken zij naar Oegstgeest.

Jan Verdegaal is in 1823 overleden. Huberta erft dan definitief boerderij De Wolff en de landerijen van haar vader. Huberta’s zus Maryte is getrouwd met Jacob Riggel. Zij erft Boerderij Welgelegen op de hoek van de Heereweg en de Vuursteeglaan.

Johannes (Jan) Wolff

Uit het huwelijk van Caspar en Huberta zijn 14 kinderen geboren, waarvan Jan de oudste zoon is. Hij is geboren in 1799. Hij trouwt in 1823 met Petronella van der Geest en na haar overlijden met Adriana Kester. Hij gaat in 1823 boeren op de latere boerderij De Wolff, maar zijn ouders blijven eigenaar van de boerderij met het woonhuis en de landerijen, die zich uitstrekken van de Stationsweg tot de Speckelaan.

Verkoop aan landgoed Keukenhof in 1850

In 1848 overlijdt Huberta. Caspar besluit zijn landerijen in 1850 te verkopen aan mevrouw Steengracht, de echtgenote van Baron van Pallandt van Keukenhof. Het betreft de woning, de boerderij en alle percelen (28 ha) tussen de Speckelaan en de Stationsweg. Caspar zelf overlijdt in 1856. Zijn zoon Jan Wolff heeft sinds 1823 al die tijd op de boerderij gewoond en gewerkt. Als de boerderij verkocht wordt in 1850, stopt hij met boeren en gaat wonen op ’t Vierkant. Hij overleed in 1867.

De familie Wolff heeft dus van 1797 tot 1850 de boerderij met woonhuis in bezit gehad en het is niet vreemd dat de boerderij naar hen vernoemd is. In de loop der jaren is het echter boerderij ‘De Wolff’ geworden en niet boerderij ‘Wolff’ of ’Van Wolff’. Vóór de tijd van Wolff werd de boerderij ‘Het bouwmanshuis van Berkhout’ genoemd. Daar was toen het bos van Landgoed Berkhout.

De kopgevel van de woning is door het groen bijna niet te zien. Foto: Cultuurhistorisch Genootschap Duin- en Bollenstreek

EEN GENERAAL OP BERKHOUT

De bewoningsgeschiedenis van Huize Berkhout wordt beschreven.Het huis lag waar waar nu woonzorgcetrum Berkhout is gevestigd. De generaal was J.A. von Barner. Hij koopt Berkhout in 1722.

door Dirk Floorijp

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 2 Lente 2018

Voor schout Jacob van Dorp en de schepenen Cornelis Adriaansz van der Saal en Arent Meese van Velsbrugge verkoopt op 17 mei 1722 Pieter Colaard, koopman in Haarlem, aan luitenant generaal Joan Albregt von Barner, Generaal van de Holsteinse troepen in dienst van koning Willem III, een schoone vermakelijke hofstede genaamt Berkhout, met desselfs huijsinge, boomgaarden, tuijnen, bloem en moesperken, binnen en buijtenlanen, bepotingen, beplantingen en al het gene daarin aard en nagelvast is. Begroot op twee morgen en vierhonderd veertien roeden, belend ten noordwesten de landerijen van mr. Isbrand de Bije oud burgemeester der stad Leijden en mr. Pieter Six, oud schepen der stad Amsterdam en ten noordoosten de Veenderlaan. De koop wordt gesloten voor een bedrag van 5000 gulden waarvan de helft gelijk wordt betaald en de wederhelft binnen twee maanden met een wisselbrief. Dit alles zonder bedrog voor schout en schepenen gepasseerd. Hier hoorde nog bij 550 roeden lands recht voor de hofstede gelegen, voorts nog twee morgen land genaamd den hooge Kroft, ende akerenbos met den halven weg.

De Generaal was zo verknocht aan zijn buitenplaats, dat hij op verzoek en met goedkeuring van de Staten van Holland op zijn buitenplaats op Berkhout begraven mocht worden ipv in de kerk waar hij wel grafrechten aan moest betalen. Nog geen jaar voor zijn overlijden kocht hij in december 1724 nog 3 morgen en 130 roeden land van mr. Pieter Six op de oude venen aan de Veenderlaan voor 2600 gulden. Ook koopt hij op 30 januri 1725 nog een huis met 44 roeden land in de oostgeest in de oude mosvenen voor 365 gulden, misschien voor zijn personeel? Hij heeft maar drie jaar van Berkhout mogen genieten. Zijn zoon Siegfried was nog minderjarig, voor hem werden voogden aangesteld, de halfbroers van zijn moeder Dorothea von Plessen. Het totale bedrag van de aankoop van Berkhout werd pas afgelost op 24 maart 1730 bij secretaris Jacob van Dorp, twee jaar nadat Cristiaan Jonk, koopman te Amsterdam de buitenplaats had gekocht. En nog steeds rust zijn gebeente in de buurt van het verzorgingshuis Berkhout.

Bouwer, eigenaars en bewoners

Ligging Volgens de Verponding van 1735 lag buitenplaats Berkhout in de Oude Mosveense buurt, als nr. 60. Ten westen van de Heereweg, ten zuiden van de Veenderweg, ten noorden van het afgegraven Berkhouter Duintje. De huidige locatie is om en nabij woonzorgcentrum Berkhout, Berkhoutlaan 15. Oostelijk van Berkhout lag de moestuin, westelijk het bos van Berkhout, vóór hofstede De Wolff.

Hendrik Valkenaer (Poortugal 1600/1669) ambachtsheer van Duyckenburg en Portengen, schout van de stad Utrecht (van 1633 tot 1662 ambachtsheer van Lisse) getrouwd met Florentina van Mathenesse (Putten 1604/1670), vrouwe van Giessen, dochter van Karel van Mathenesse (Schiedam 1570/1625) en Johanna Piek (Giessen 1568/1625). Bewoner: Adriaen van Gorcum (Lisse 1690), schout en secretaris van Lisse, in 1630 getrouwd met Cornelia Cornelis de Jonge, later met Sijberig van der Horst (Lisse, 1707). Eigenaar: 1669: Carel Valckenaer (1638-1686), heer van Valckenaer en Duyckenburg, ambachtsheer van Valckenaer, Lisse en Giessen, watergraaf van Bies veld, maarschalk van Montfoort en van het Nederkwartier van Utrecht, zoon van Hendrick Valckenaer en Florentina van Mathenesse; Carel Valckenaer reisde in 1660/1661 op het schip “Middelburg“ met een gezelschap hoogwaardigheidsbekleders naar het Koninklijk Hof in Spanje; hij is, evenals zijn vader, ambachtsheer van Lisse (1670-1686), zijn zuster, Florentina Valckenaer volgt hem in 1686 op als ambachtsvrouwe. Bewoner: Hannard van Gorcum (Lisse, 1632-Lisse, 1681); notaris, schout en secretaris van Lisse, zoon van Adriaen van Gorcum en Cornelia Cornelis de Jonge.

Gravure Berkhout door Abraham Rademaker 1732 RHYNLANDS FRAAISTE GEZICHTEN “Een zeer deftige huizing, waarop een torentje staat met klok en uurwijzer. ’t Heeft ook een ruim koetshuis en stalling voor 16 paarden, orangehuis, speelhuizen, grote en kleine hoenderhokken en ook duivenhokken, alsmede een bekwame plaats voor eenden. Alles modern getimmerd, diverse vakken met broeibakken, glazen trekkas, grotten, vijvers, starrebos met lanen daarom henen, daarin een viskom met een terras. Voor de ingang staat een fraai ijzer hek“.

1679 eigenaar/bewoner: Hannard van Gorcum (Lisse, 1632-1681); notaris, schout en secretaris van Lisse, zoon van Adriaen van Gorcum en Cornelia Cornelis de Jonge. Hannard van Gorcum kocht Berkhout van Carel Valckenaer voor “vier duijsent sevenhondert gulden“. Eigenaar/bewoner: 1682 Adriaen van Gorcum (Lisse, 1690), schout en secretaris van Lisse, in 1630 getrouwd met Cornelia Cornelis de Jonge, later met Sijberig van der Horst (Lisse, 1707). Eigenaar: 1698 Pieter Colaert, koopman te Haarlem 1705 herinrichting van de tuin van buitenplaats Berkhout; werklieden: Gerrit Jansz Brero (Lisse, 1666), zoon van Jan Gerritsz Brero en Ariaentje Floris, Cornelis Pietersz Cole (Lisse, 1672), zoon van Pieter Cornelisse Cole en Jaepje van der Codde Jan Jansz Sonneveld, eerst getrouwd met Maria Cornelisdr van Larum (Lisse, 1737), daarna met Aaltje Dirksdr den Dubbelden. Eigenaar/bewoner: 1722 Johan Albrecht von Barner (Lisse, 1725), begraven op zijn buitenplaats, luitenant-generaal van de Holsteinse troepen , in dienst van stadhouder– koning Willem III; Johan Albrecht von Barner is getrouwd met Dorothea Elisabeth von Plessen, dochter van Christian Siegfried von Plessen en Clara Eleonore von Bülow Wedendorf

Berkhout heeft een lange geschiedenis en het verzorgingshuis verwijst naar deze mooie buitenplaats en houdt deze naam in ere. Berkhout stond daar van 1645 tot 1775. Cornelis Pronk tekende het in 1715 zo

1725 Christian Ludwig von Plessen (Schwerin, 1676 -Kopenhagen, 1752) en Carl Adolph von Plessen (1678-1758), geheimraden van de koning van Denemarken en Noorwegen. Beide halfbroers van Dorothea von Plessen krijgen de voogdij over Christiaan Siegfried von Barner, minderjarige zoon van Johan Albrecht von Barner en Dorothea Elisabeth von Plessen. Daghuurders: getuigen inzake een afgedamde en dichtgegooide sloot: Pieter Pietersz Berendregt (1657), getrouwd met Hillegont Korsse, Gerrit Jansz Brero (Lisse, 1666), zoon van Jan Brero en Ariaentje Floris; woont nr. 96/181,Cornelis de Zwart (Lisse, 1669-Lisse, 1732), getrouwd met Baafje van Tol (Lisse, 1734), Willem Willemse van der Meer (1671), getrouwd met Grietje Langevelt (Wassenaar, 1669), Cornelis Persijn (1691), getrouwd met Marijtje van Steijn, Jan Jansz Sonneveld, eerst getrouwd met Maria Cornelisdr van Larum (Lisse, 1737), daarna met Aaltje Dirksdr. den Dubbelden. Eigenaar/bewoner: 1728: Christiaan Jonk,koopman te Amsterdam. Eigenaar/bewoner: 1735 Justus Westerveen (A’dam, 1670), woont aan de Keizersgracht 276, Amsterdam, zoon van Jacobus Westerveen en Elisabeth Nielis, getrouwd met Gloudina Fremeaux. Eigenaar/bewoner: Pieter Jan Fremeaux (A’dam, 1738), zoon van Isaac Fremeaux (Izmir (TR), 1710 A’dam, 1771) en Geertruida Johanna La Clé (1716), getrouwd met Catharina Jacoba Westerveen (A’dam,1712 ), dochter van Justus Westerveen en Gloudina Fremeaux. Eigenaar/bewoner: 1765 Jan Isaac Fremeaux, koopman, woont aan de Keizersgracht 284, A’dam, getrouwd met Johanna Catharina van Velzen. Berkhout wordt in 1775 gesloopt, de gronden worden in percelen publiek geveild. ■

Bronnen

Hulkenberg: ’t Roemwaard Lisse, blz. 20–21

ARA, Rechterlijk Archief Lisse nr. 104 Gemeentearchief Lisse nr. 221

Haardsteegeld Lisse, 1666 Gemeentearchief Lisse, nr. 502 en 365

Rechterlijk Archief Lisse nr. 63, fol. 19. 68

Met dank aan Alfons Verstraeten.

Vereniging Oud Lisse start onderzoek naar ‘Sporen van Six’

In overleg met burgemeester Spruit is een onderzoek gestart naar het wel en wee van de familie Six in Lisse.

DAAR AAN DE HAVEN (deel 2)

Van het transportbedrijf en beurtschipper van der Linden aan de Grachtweg wordt de familiegeschiedenis beschreven.

door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 3 zomer 2017

Waar eens schepen geladen en gelost werden kreeg de Haven na de drooglegging in 1962 een andere functie. Geen schepen maar vrachtauto’s hadden het vervoer overgenomen. De haven werd parkeerterrein met op maandag de markt en eind september de kermis.

 

Beurtschippers Van der Linden

In het vorige Nieuwsblad schreven we over de voorouders van kwartierdrager en beurtschipper Martinus van der Linden. Terwijl dat stuk gebaseerd was op geschreven bronnen gaan we nu via een iets andere route verder met deze familiegeschiedenis. Nu baseren we ons ook op persoonlijke herinneringen. Jan van der Linden, oomzegger van Martinus van der Linden, was zo vriendelijk die met ons te delen.

Start familiebedrijf
We schreven al dat Wilhelmus (Willem) van der Linden een succesvol ondernemer was. Hij startte met het uitventen van schillenmest aan kwekers. Volgens Hulkenberg liep de vrouw van Willem van der Linden nog “in de zeel”. Dus in de tijd dat alleen op windkracht werd gevaren. Met een beetje fantasie zie je het voor je. Het jonge schippersechtpaar met de pas verworven vlet, hardwerkend om een bestaan op te bouwen. Willem is de schipper, maar bij onvoldoende wind om te zeilen of wind uit de verkeerde hoek moet er gejaagd worden, het werk moet tenslotte doorgaan. Dan is de extra trekkracht van zijn vrouw Marijtje nodig. Je ziet haar aan wal zwoegen in een soort draagband om de schuit te trekken. Kleinzoon Jan weet niet anders dan dat er met motorkracht werd gevaren. Over hoe Opa Willem aan het geld voor de vlet en het stuk in de Elsbroekerpolder kwam heeft hij wel eens horen vertellen dat grootmoeder wat geld inbracht. Grootvader Willem was een man die overal kansen zag. Al gauw kwam er naast de vlet ook een motorboot die de naam De onderneming kreeg. De vloot zou uiteindelijk uitgroeien tot 6 schuiten, die allemaal De Onderneming heetten. Willem van der Linden was niet de man van het liedje “als je voor een dubbeltje geboren bent……”, integendeel, hij maakte eerder van ieder dubbeltje een kwartje of liever nog een gulden.

Zoons in het bedrijf

Zoals vaak bij een familiebedrijf kwamen de zoons bij vader in de zaak werken. Oudste zoon Simon beet het spits af. Hij was een echte schipper, sliep niet meer in het huis van zijn ouders, maar aan boord van zijn schip. Het gebruik van een petroleumlamp (onvolledige verbranding) is hem waarschijnlijk fataal geworden. Moeder Marijtje vond haar overleden 16-jarige zoon toen zij hem op zondagochtend wilde gaan wekken. Ook de andere zoons kwamen, wanneer ze daar de leeftijd voor hadden, in de zaak. Kwartierdrager Martinus (Tinus) was de volgende in leeftijd, daarna Theodorus (Dorus, de vader van Jan van der Linden die ons zijn verhalen vertelde) en dan volgt Wilhelmus (Willem). Varen werd de zoons Van der Linden met de paplepel ingegoten. Bloembollen moesten vanaf de kwekers, voor ze verder verscheept werden, eerst naar de Haven worden getransporteerd. Dat gebeurde meestal per vlet. Zo’n platte schuit had voor het vervoer van bollen een dicht dek om het stapelen van de bollenmanden/kisten te vergemakkelijken. (Een vlet voor het vervoer van andere zaken, zoals mest of riet had dat niet). Een vlet werd leeg gebracht bij bollenbedrijven die aan het water lagen en kon ongeveer 10 ton vracht laden. Daarmee manoeuvreren moest je goed kunnen, want varen door die kleine en smalle sloten viel echt niet mee. Op de Haven werd dan gelost en werd gesorteerd naar bestemming. Want er was een geregelde vaart op Amsterdam en dan het zeetransport. Eerst zijn de jongens zetschipper. Vader Willem is eigenaar van het bedrijf en van de zoons wordt verwacht dat ze de zaak mee groot maken. Zij zullen de zaak ooit overnemen. Helaas overkomt ook de jonge Willem een fataal ongeluk. Dat vond plaats in Rotterdam. Het bedrijf was inmiddels al een grote onderneming geworden en de jonge Willem voer op De Onderneming VI. In Rotterdam moest hij onder de Wijnbrug door varen. Door eb en vloed heb je daar hoogteverschillen. Willem was daar niet op bedacht en had het stuurrad niet naar beneden gedaan. Het botste met het brugdek en helaas brak de bevestigingspen niet af, wat eigenlijk had moeten gebeuren. Dat kwam omdat die pen niet van ijzer was gemaakt, maar van staal. Er werd nog wel een rechtszaak van gemaakt tegen de scheepswerf die deze fout begaan had, maar de familie verloor hierdoor in 1925 de jongste zoon.

De schepen

Voor de schipper is zijn schip zijn lust en zijn leven. Op ieder schip was een schipper en een schippersknecht. De laatsten waren vaak Katwijkers. Om in de machinekamer te komen gingen de klompen uit en ging het op de sokken naar beneden. In de machinekamer stonden oude sloffen, die de machinekamer niet uitkwamen. Zo bleef het daar schoon. De leidingen van de motor waren van koper en moesten altijd worden gepoetst. Ze glommen je dan ook tegemoet. Het gewone onderhoud van het schip was voor de schipper. Ieder jaar kregen de schepen een verfbeurt. Dat moest voor eind mei in orde zijn, want dan begon de drukte. De bovenkant van de schepen werd geteerd (Dat ouderwetse teren is al weer lang verboden, maar indertijd was het een terugkerende klus, niet alleen op schepen, maar ook op boerderijen enz.). Een gevleugelde uitspraak uit die tijd: “niet halen met die kwast, maar draaien met die kwast”. (kwam je beter in de nerven). Teerlucht slaat op je ogen en je moet uitkijken voor verbranding. Gelukkig lag aan de overkant van de Haven van Hillegom het Hof, met hoge bomen. Een mooie plek om in de schaduw de teerklus te doen.

De groei aan de Haven

Van der Linden begon in 1900 aan de Hillegomse Haven. Na de vlet werd de eerste grote schuit, Onderneming 1, aangeschaft. Daarmee werd een beurtdienst onderhouden. In Amsterdam was aan ‘t Singel een walhuisje voor de beurtschippers. Vanuit Hillegom, waar toen nog veel tuinders actief waren, werden groenten naar Amsterdam gevoerd. Daar waren de grote markten en kon men deze producten het best slijten. Natuurlijk zorgde je dan dat de schuit niet leeg terugging naar de Bollenstreek. Winkels als AH en dergelijke voeren zo hun artikelen vanuit Amsterdam aan, maar ook wanneer er bijvoorbeeld een fiets van Amsterdam naar de plaatselijke fietsenmaker moest dan werd dat via het walhuisje geregeld. Daarnaast was er het bollenvervoer dat steeds belangrijker werd. De bloembollenteelt werd deels naar ‘de Noord’
verplaatst en dus werden er bloembollen op en neer vervoerd tussen de Bollenstreek en Breezand, Anna Paulowna enz.. Bollenhandelaren kochten bollen op de veiling van Bovenkarspel. Die moesten naar de Bollenstreek. De bollen die ekocht waren door Lisser kwekers werden vervoerd naar de Haven van Lisse, die voor de Hillegomse kwekers werden door de schippers van Hillegom vervoerd. De reis was nog een hele onderneming. Om naar de Noord te komen ging je vanuit de Bollenstreek via de Ringvaart naar Haarlem (daar passeerde je drie bruggen) en via de Mooie Nel naar de sluis van Spaarndam. Daar doorheen en via Buitenhuizen over het Noordzeekanaal naar Amsterdam. Dan door de Oranjesluis de Zuiderzee op (dat was toen nog een binnenzee, de afsluitdijk dateert pas van 1932) en naar Bovenkarspel. Heel veel stuurmanskunst is daarbij nodig en bij slecht weer ook niet zonder gevaar. Tegenwoordig heb je een stuurhut, toen nog niet. Het kon dus spoken en dan was je blij weer op binnenwater te zijn.
Het Leidsch Dagblad van 25 juli 1925 meldt dat Willem van der Linden en zijn vrouw het 25-jarig bestaan van hun bedrijf eigenlijk ongemerkt hadden willen laten passeren (waarschijnlijk vanwege het verlies van hun jongste zoon) maar dat dit niet gebeurde. Het walpersoneel bood een schitterend bloemstuk aan, voorstellend de Motorboot 1 en ook de kinderen boden een model aan van De Onderneming 1. In prachtige zilversmeedkunst meldt de krant, die ook nog vertelt dat het werk die dag gewoon doorging, maar dat er ’s avonds feest werd gevierd. De zaak was dan eenvoudig gestart, maar was inmiddels een grote onderneming geworden.

Copex

Copex is nog steeds een toonaangevende speler op het gebied van logistiek. De Bond van Bloembollenhandelaren richtte dit expeditiebedrijf in Hillegom op. Op de website van het Coöperatief Expeditiebedrijf Copex G.A staat vermeld dat het bedrijf in 1921 werd opgericht ’als tegenwicht tegen de onderlinge prijsafspraken van beurtschippers’. Het vervoer van de bollen werd daarop door Copex per spoor georganiseerd. Voor Van der Linden heel vervelend natuurlijk. Maar zijn kans kwam nog wel, want de afhankelijkheid van het spoor was ook niet alles. Een spoorwegstaking, net in het seizoen dat de bollen op transport moesten, noodzaakte de bollenhandelaren om toch weer met Van der Linden te gaan praten. Dat kon en opnieuw vervoeren kon ook, maar dan moest wel de prijs met fl.5 per ton omhoog en voor 10 jaar contractueel vastgelegd. Dat was schrikken voor de heren van Zanten, van Waveren, van Schooten en anderen en er ontstond natuurlijk gemor bij de bond. Maar de nood was hoog, de bollen moesten weg. Dus gevaren werd er. Overigens werd de verstandhouding tussen Copex en Van der Linden prima! Copex werd een geregelde opdrachtgever.

Koning van de Haven

Het bedrijf Van der Linden groeide. Voor een schuit aan de kade moest liggeld betaald worden. Met de groeiende vloot en de noodzaak om de kade voor het laden en lossen te gebruiken werd daarom met de gemeente een overeenkomst gesloten die inhield dat de kade van de haven rug tot de Havenstraat het terrein van Van der Linden was. Dat werd een contract voor meerdere jaren waar natuurlijk een prijskaartje aan hing. In die periode ontstond de naam Koning van de Haven voor Willem van der Linden. De gebruiksovereenkomst zou op een bepaald moment af gaan lopen en zo gebeurde het dat burgemeester Pont (ambtsperiode 1928-1937) vanuit de Hoftuin tegen Willem van der Linden riep: “we moeten eens praten”. Willem liet zich niet roepen en zei: “als er wat te praten valt dan kom maar op kantoor.” Dat gebeurde, de burgemeester kwam, maar het gesprek verliep stroef, de sfeer werd steeds grimmiger. Tot bij Willem de grens bereikt was, hij sommeerde de burgemeester naar buiten, wees hem de perceelgrens en sprak: “daar heb jij wat te zeggen maar hier bepaal ik het.” Tja, zo krijg je de naam Koning van de Haven.

Twee vestigingen

Een eerdere havenverbreding werd al rond 19 12
gerealiseerd, ±10 jaar later werd de gracht nog nog eens extra verdiept maar toen was de molen al afgeknot.

Lisse had, vergelijkbaar met Hillegom, altijd al een verbinding met het Haarlemmermeer en ook transport over water naar Amsterdam, Leiden enz. was belangrijker dan het transport over land. Toch lijkt de ontwikkeling van de Hillegomse Haven anders te zijn verlopen en eind 19e eeuw ook belangrijker te zijn geweest. Het havengebied in Lisse kreeg een belangrijke impuls toen de veilinggebouwen rond de Gracht werden gesticht. In 1922 werd aan de Haven een Duitse hangar geplaatst die dienst ging doen als veilinggebouw (HoBaHo). Dit was de start van veel bedrijvigheid in het Havengebied. Ook de HBG was al aan de Gracht gevestigd. In augustus 1923 meldt de Leidsche Courant een reisje van het Lisser gemeentebestuur naar de voltooide nieuwe en verbeterde havenslootwerken. Enkele jaren daarvoor werd de Haven al verbreed en op diepte gebracht, maar schepen met wat meer diepgang konden de Haven toen nog niet binnenkomen. In het bedrijf van Willem van der Linden waren zijn zoons inmiddels actief. Zoon Martinus is in 1920 getrouwd. Het bedrijf liep prima en Willem zag de groeiende mogelijkheden in Lisse, zeker nu het havengebied beter bereikbaar was geworden. In het vorige artikel stond al dat Willem van der Linden in 1929 het pand aan de Haven in Lisse kocht van G. van Parijs. Het bedrijf kon hierna georganiseerd worden vanuit 2 vestigingen. Martinus woonde met zijn gezin in hetpand aan de Haven dat later lang dienst deed als VVV en hij leidde de Lisser vestiging. Toen Willem van der Linden de zaak overdeed aan zijn twee zonen ontstonden er feitelijk twee bedrijven. Willem van der Linden trok zich terug, kocht een huis aan de Leidsestraat en liet boven de voordeur een muursteen inmetselen met de symbolische naam “voor anker”. (Het huis staat er nog, nr. 80, maar de naam is niet te vinden). Dorus van der Linden bleef in Hillegom aan de Haven en noemde zijn bedrijf naar zijn schip, ‘De Onderneming’ en Martinus van der Linden huisde als vanouds in Lisse. In 1936 wordt achter het Lisser woonhuis in opdracht van Martinus een loods gebouwd. In 1946 wordt het waaggebouw, dat naast het woonhuis ligt, afgebroken en komt er een garage die Martinus in 1948 koopt.

Vrachtwagens

Het bedrijf van Mart van der Linden voor het plaats ging maken voor de appartementen van de Molenstraat

Het duurde tot na de 2e wereldoorlog voor de schepen echt concurrentie kregen van vrachtwagens. Het vervoer per schip was veel goedkoper omdat er meer lading tegelijk in een keer meegenomen kon worden. Werd ’s avonds een schuit van 80-100 ton met bollen geladen in De Noord dan was die de volgende ochtend weer voor wal in Hillegom of Lisse om te lossen en te bezorgen bij de bollenbedrijven. Per schip was het een hele onderneming, maar denk eens in hoe dat met een vrachtauto zou gaan; er zouden wel 20 vrachtwagen nodig zijn en dat moest dan door Alkmaar, Limmen, Heiloo, Castricum, Beverwijk (geen snelwegen), dan met de pont (tunnel was er niet) en verder door Haarlem en door de dorpen tot de Bollenstreek bereikt was. In de oorlog was vervoer met vrachtauto’s nauwelijks mogelijk, het materiaal  was door de bezetter geconfisqueerd. Het vervoer over water kon, zij het natuurlijk ook met veel moeilijkheden, doorgaan. Daar werd door Van der Linden gebruik van gemaakt en niet alleen voor het reguliere vervoer. Else Wesseling vertelde in haar artikel in het Nieuwsblad van juli 2012 al over de elf piloten die in het ruim van het schip werden verborgen en zo veilig Rotterdam wisten te bereiken. Na de oorlog volgde de wederopbouwtijd. Langzamerhand komen er meer  mogelijkheden voor vrachtverkeer. Het telefoonboek van 1954 spreekt nog van Beurtvaart- en Expeditiebedrijf Mart van der Linden. Het telefoonboek van 1958 vermeldt Intern. Transportbedrijf. De beurtvaart is dan feitelijk geëindigd. In 1961 wordt het gedeelte van de Haven bij het woonhuis van Van der Linden drooggelegd. Het plein voor het huis is nu opnieuw in een nieuw jasje gestoken en een fraai visitekaartje voor Lisse geworden. Wat de toekomst van hethuis van Van der Linden wordt is nog toekomstmuziek.

bronvermelding en dank
Met dank aan de heer Jan van der Linden en leden van Vrienden van Oud Hillegom. Voor het fotomateriaal danken we het Regionaal Archief Leiden en Gemeentelijk Archief Lisse. Veel van de gebruikte foto’s komen uit het archief van Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse” o.a. de fotoserie “de Gracht”, ooit ingebracht door de heer Moerkerken.

Van links naar rechts. IJspret op de gracht, de man in het witte hemd is Martinus van der Linden ±1935. Vrachtauto en schuit met stuurhutje ±1950. Laatste aankomst van de “Goedheiligman” in de Haven nov.1961. Een maand later is de gracht al bijna gedempt. dec. 1961. Kermis 1964. Toch kwam er weer een ‘mart’ op de haven, maar deze was er alleen op maandag.

HET VERHAAL VAN D’EVER

Een samenvatting van de geschiedenis van de familie D’Ever van 1220 tot 1370 wordt weergegeven. De gegevens komen uit het boek Het huis Dever van A. Hulkenberg.

Redactie

Jaargang 16 nummer 3 zomer 2017

Hij is al een hele poos niet meer onder ons. Zijn werken blijven we lezen en raadplegen.
Een korte bewerking uit “HET HUIS DEVER TE LISSE” van A. M. Hulkenberg.

Aper alias d’Ever 1221-1345
Graaf Willem I van Holland is te beschouwen als de stichter van het Hoogheemraadschap “Rijnland”. Zijn Graafschap strekte zich ongeveer uit van Texel tot Dordrecht en van de kust tot en met het Gooi. Veel moerasgebieden werden in zijn tijd ontgonnen, waardoor er bewoonbaar en vruchtbaar land ontstond. Hij vocht mee in de Vijfde Kruistocht waar hij zich samen met de Haarlemmers, in de slag bij Damiate, onderscheidde. In 1220 huwde hij voor de tweede keer, nu met Maria de dochter van de Hertog van Brabant. Een huwelijksgeschenk van de Hertog was de helft van het landgoed Schakerloo bij Tholen. De leenbrief behorende bij dit geschenk is in het latijn geschreven, alsook de namen van de daarbij aanwezige getuigen die de overdracht bijwoonden. Dat waren Wilhelmus de Teiling, Walterus de Egmunda, Philippus de Duvenburg, Gerardus Nordeka, Theodericus de Ostgest, Theodericus de Raphorst en ook Conrardus Aper. Aper betekent everzwijn of gewoon ever en hier is dus sprake van Conrart d’ Ever.

Heren van Lisse

Het geslacht d’Ever wordt in deze akte uit 1221 voor het eerst vermeld. Zwijn was bepaald geen scheldnaam, deze naam moest je verdienen. De ever was het zinnebeeld van dapperheid en onverzettelijke standvastigheid in de strijd. Eerder nog de dood tegemoet treden dan ontrouw zijn aan de zaak. Het moet een dapper man geweest zijn die de titel van Ever met zich mocht voeren. Gezien het feit dat alle getuigen namen uit de streek hadden, mogen we aannemen dat ook d’Ever uit de streek afkomstig was. Woonde Conrart op de plek waar tijdens het graven van de Ringsloot de resten van een “agtkanten torn’ werden gevonden? Het huidige Dever staat er vanaf ±1370. De plek rondom Dever was al heel vroeg bewoond gezien de vondsten van een beiteltje uit het stenen tijdperk, bataafse scherven, kogelpotscherven uit de tijd van Karel de Grote en fragmenten van laat Pingsdorfer aardewerk. In 1269 is er weer melding van een d’Ever namelijk Ysbrandus d’Ever. Ysbrandus koopt van Symon van Teylingen een stuk land bij Boskoop ter ontginning. In 1278 wordt hij “Ysbrandes de Lysse” genoemd. Net als de eerder genoemde Conrart, die in het oude register (1281) van Floris de Vijfde “Conrart die Ever van Lysse” wordt genoemd. Zij waren zo mogen we aannemen de eerst genoemde Heren van Lisse. Ook Reynier d’Ever was Heer van Lisse. Hij liet in 1370 het huidige slot Dever bouwen. ■

Bron: “Het Huis Dever te Lisse” deel uit hfdst. I

DAAR AAN DE HAVEN: Van der Linden (deel 1)

Van de Linden woonde in het voormalige VVV-gebouw aan de Grachtweg. De familiegeschiedenis wordt besproken, evenals de gerestaureerde glas-in-lood raampjes.

door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 2 Lente 2017

Wanneer dit Nieuwsblad verschijnt heeft het Havengebied een ware metamorfose ondergaan. Waar eens schepen lagen en waar geladen en gelost werd kreeg de Haven na de drooglegging van dit gedeelte in 1962 een andere functie. Vrachtauto’s hadden het vervoer over water overgenomen.

Ontwikkeling
Doordat de oude HoBaHo gebouwen leeg kwamen te staan ontstond een mogelijkheid om dit centrumgebied opnieuw te ontwikkelen. De gemeenteraad ging met een plan akkoord, maar uiteindelijk gooide de economische crisis roet in het eten. Zo’n 10 jaar geleden waren er dus al goedgekeurde plannen voor dit centrumgebied. Onderdeel daarvan was het Havenkwartier en de Doorbraak. Het vroegere woonhuis van Martinus van der Linden, onze kwartierdrager van dit Nieuwsblad, zou daarvoor moeten wijken. Reden voor Else Wesseling om in actie te komen. Else Wesseling was in haar kinderjaren het buurmeisje van de familie van der Linden en zij keek altijd gefascineerd neer de beide glas-in-lood raampjes die bij de Van der Lindens in de zijmuur zaten. Raampjes met scheepjes er op. Die raampjes moesten veilig gesteld worden, wat met hulp van Oud Lisse is gelukt. Else Wesseling schreef een heel aardig verhaal over haar herinneringen aan de familie van der Linden ( Nieuwsblad juli, 2012). Het centrumplan ging toen dus niet door, maar inmiddels wordt een nieuw plan voor het Havenkwartier uitgevoerd.

Grachtweg
Het huis van kwartierdrager Martinus van der Linden, staat er nog steeds. Maar herkenbaar als huis aan de Gracht is het al lang niet meer. Lange tijd was het in gebruik als VVV. Ooit was het hier aan het water een drukte van belang. Aan de hand van het kwartiertje hopen we een stukje van de geschiedenis van de familie Van der Linden en de bijzondere bedrijfstak, de binnenvaart, waarin zij actief waren, boven water te krijgen. De binnenvaart is een bijzondere bedrijfstak die zich kenmerkt door veel zelfstandige ondernemers, vaak familiebedrijven. Vandaag de dag telt de bedrijfstak zo’n 3650 zelfstandige ondernemers en een vloot van rond de 6500 binnenvaartschepen. In de tijd van Martinus van der Linden waren er veel meer bedrijven actief in de binnenvaart. Familiebedrijven, die vaak de overstap van vervoer over
water naar vervoer per vrachtwagen maakten. Eind jaren zestig kwam feitelijk een eind aan de beurtvaart.

Voorouders
In Soerendonk Brabant, werd ca. 1753 Anthonie van der Linden geboren. Hij verliet Brabant en we vinden hem terug in Hillegom. Zijn beroep was tapper. Hij trouwde met Aagje Kok en zij kregen een zoon, Abraham, die in 1794 werd gedoopt in de Rooms-Katholieke Kerk van Vogelenzang. In die tijd gingen de rooms-katholieken nog naar de kerk in Vogelenzang. Doopaktes van de katholieke bevolking van Hillegom moeten we nog tot ver in de 19e eeuw in Vogelenzang zoeken. In Hillegom stond wel een grote schuilkerk aan de Bakkemerlaan, maar die was te klein geworden voor de vele parochianen. Tussen 1870 en 1871 werd daarom een nieuwe kerk gebouwd aan de Hoofdstraat, de Martinuskerk. Abraham trouwde in Hillegom in 1823 met Ariaantje Schelings. Deze Ariaantje werd geboren in Berkenrode. Wij kennen
Berkenrode nu alleen nog als een voormalige buitenplaats in Heemstede, ten westen van de Heereweg, waar eens de familie Bomans woonde. Berkenrode heeft een lange geschiedenis en de Heerlijkheid Berkenrode was lang een zelfstandige gemeente. Pas in 1857 ging Berkenrode op in Heemstede. We vinden Ariaantje en Abraham van der Linden terug bij de volkstelling van 1829. Abraham blijkt van beroep dagloner en Ariaantje, van wie als geboorteplaats Heemstede wordt opgegeven, heeft geen beroep. Zoon Martinus is dan 2 jaar oud. Er staat geen handtekening onder het biljet wat er op kan wijzen dat ze het schrijven onvoldoende machtig waren. Ze wonen dan in huis 38, in de Hofstraat. 31 dec. 1859 is er weer een volkstelling. Martinus vinden we dan terug als Tiennes. Hij is getrouwd met Pietje Weijers en als beroep is vermeld arbeider. Ze wonen in de Molensteeg in huis 81C. In 1854 wordt zoon Nicolaas geboren, in 1860 volgt zoon Abraham. Met Nicolaas maken we een stap naar Lisse. Hij overleed namelijk in 1946 in Lisse. De aangifte hiervan werd gedaan door begrafenisondernemer Theodorus Salman die woonde
op Stationsweg 3. Met zijn broer Abraham komen we bij de beroepsgroep van schippers terecht. Hij staat genoemd als schipper/turfhandelaar. In 1905 kreeg Abraham een dochter, Maria. Zij werd geboren in Lisse, aan boord van een vaartuig. Vader Martinus wordt in archieven vermeld als dagloner, meerdere keren als arbeider, maar ook als schipper. Overigens zijn de zoons Nicolaas encAbraham van der Linden geen volle ooms van onze kwartierdrager. De moeder van beide broers overleed bij de geboorte van haar 6e kind in 1866. Vader Abraham ging een tweede huwelijk aan, hij trouwde in 1867 met Kornelia Diependaal.

Wilhelmus

Het dodelijk ongeluk van W. van der Linden

In 1868 werd hun zoon Wilhelmus geboren. Deze Wilhelmus bouwde een prachtig bedrijf op. Maar het schipperswerk eiste ook een zware tol in het gezin van Wilhelmus zoals oude krantenberichten laten zien. Volgens de overlevering begon hij als chillenmestschipper. Hij had  in de Elsbroekerpolder een put (afvalkuil) waar opgehaalde schillen,  groenteafval en dergelijke van de Hillegommers gestort werden.

 

 

Zoon van Van der Linden gestikt

Tegenwoordig weet men bijna niet meer dat er schillenboeren door de straten kwamen om afval op te halen. Misschien denken we nog aan voer voor de varkens. Daar werd het wel voor gebruikt, maar het was blijkbaar ook lucratief om het te laten composteren. Wilhelmus kon
zijn schillenmest prima aan de man brengen. De mest werd van de kuil overgeladen op een vlet en daarmee ging hij de kwekers af.

Afnemers
genoeg in deze streek. Dat de zaken goed gingen kun je ook aflezen aan de “Naamlijst voor den telefoondienst” van 1915 (In Lisse was het Rijkstelefoonkantoor en de naamlijst bevat onder Lisse ook Haarlemmermeer, Hillegom, Nieuw Vennep, Noordwijkerhout, Sassenheim en Voorhout). We vinden daar vier meldingen van een telefoonnummer voor een schipper:
323 Akker, J. v. d., Schipper en mesthandel, Haven 112, Hillegom
327 Trigt, Gebrs., v., Beurtschippers, Hillegom-Amst.-Zaandam, Haven, Hillegom
246 Linden, W. v.d., Beurtschipper, Haven, Hillegom
23 Parijs Jr., G. v., Schipper, Gracht B 200

Bij de laatste, G. van Parijs, wordt geen plaats vermeld, maar dat is Lisse. De andere schippers zitten aan de
Haven in Hillegom. In 1929 verkoopt G. van Parijs een pand aan de Grachtweg aan W. van der Linden. Waarmee we beland zijn bij de locatie van onze kwartierdrager.

Grachtweg 53 waar Martinus in Lisse zijn bedrijf begon

Verantwoording
Veel van bovenstaande feiten zijn in allerlei archieven terug te vinden. Dank daarvoor aan de Vrienden van Oud Hillegom. Ook het internet is een belangrijke bron om geschiedenisvragen op te lossen. Eigenlijk is het een soort puzzelwerk wat, naarmate je verder graaft, steeds boeiender wordt. De mensen van de genealogiegroep van Oud Lisse laten u er graag mee kennis maken en helpen u met vragen over onze voorgeschiedenis. Alleen het verhaal van de start van het bedrijf van Wilhelmus van der Linden kwam van een persoonlijke bron. Kleinzoon Jan van der Linden vertelde dit verhaal.
Hij heeft een ijzersterk geheugen en zal zo vriendelijk zijn om zijn verhalen te delen. Wat ons de mogelijkheid geeft om in een volgend Nieuwsblad door te gaan met “Daar aan de Haven”.

Klok hier voor het volgende deel

Boek Familie Duineveld

Het familieverhaal van Duineveld uit de Engel wordt beschreven door Harrie Duineveld uit Weesp

Nieuwsflitsen

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 1 winter 2017


Op 6 december 2016 kwam Harry Duineveld naar de inloop. Harry is geboren in Lisse, voor aan het Laantje wat beschreven wordt in het stuk over pastoor van der Vlugt. Harry is al in 1968 uit Lisse vertrokken en woont sinds 1977 in Weesp. Daar is hij actief in de Historische Kring Weesp. Het is natuurlijk heel uitdagend om je familieverhaal uit te zoeken, maar zeker ook een immense klus. Gelukkig was er veel materiaal bewaard gebleven en in archieven spitten wordt dan een hobby. Het resultaat mag er dan ook zijn. In september is het boek “150 jaar Duineveld in Lisse, 4 generaties aan de Heereweg” in eigen beheer uitgegeven. Oud Lisse mocht zich gelukkig prijzen om een exemplaar van Harry Duineveld aangeboden te krijgen. Eric Prince nam het boek in ontvangst. Het is een heel fraai uitgegeven, rijk geïllustreerd boek. Er was nog een beperkt aantal exemplaren te koop. Tijdens de inloopochtenden is het boek ook in te zien. Zeker voor de mensen uit de Engel zal het een feest van herkenning zijn.

 

Pastoor Hugo van der Vlugt in Noorwegen (Deel 1: de familiegeschiedenis Van der Vlugt)

Maarten van der Vlugt kwam met zijn gezin in 1820 naar Lisse.Hij pachtte boerderij Middelburg. De familie geschiedenis wordt besproken.


door Laura Bemelman

Jaargang 15 nummer 4, oktober 2016


Het geslacht Van der Vlugt voert een gedeeltelijk ‘sprekend’ familiewapen omdat een gouden ‘vlucht’ in het schild direct naar de geslachtsnaam verwijst. Volgens de registratie van dit wapen zou de geslachtsnaam zijn oorsprong vinden in de provincie Zuid-Holland.
In de familie Van der Vlugt die afstamt van Maarten van der Vlugt, die zich met zijn gezin rond 1820 in Lisse vestigde, is een afdruk met registratiegegevens van dit familiewapen in bezit. Maar nog lang niet alle details over de historie van deze familie zijn echter uitgezocht: er zijn nog veel ‘losse eindjes’.

Pieter Wouterse, Jacob Pieterse en Pieter Jacobse van der Vlugt We komen Pieter Wouterse van der Vlugt voor het eerst in de archieven tegen als hij in april 1710 in Hazerswoude een zoon ‘Waltherus’ laat dopen. De moeder is Martijntje Pieters de Rou(w). Het gezin woont aan de Rijndijk. Er worden in Hazerswoude nog drie kinderen gedoopt, maar uit verschillende bronnen en gegevens van later datum kunnen we reconstrueren dat tot dit gezin ook nog drie – of meer – oudere kinderen behoord moeten hebben. De vermoedelijk oudste van hen is Jacob Pieterse.

Deze Jacob Pieterse van der Vlugt moet rond 1700 geboren zijn, mogelijk in Zoeterwoude. Hij trouwt met de weduwe Leuntje Pieterse Immerzeel en samen krijgen ze twee tweelingen. Van deze vier kinderen blijft alleen de jongste Pieter Jacobse – geboren in 1732 – in leven en hij zet het geslacht voort. Hij trouwt in Voorschoten met Pieternel Abramse Moulijn en uit dit huwelijk worden acht kinderen geboren. De jongste hiervan is Martinus (Maarten), op 19 november 1769 katholiek gedoopt in Voorschoten.

Middelburg een oude boerderij aan de Veenweg in Lisse

De historie van deze boerderij gaat ver terug, tot vóór 1585. Hulkenberg heeft dit uitgebreid beschreven in het Leids Jaarboekje van 1972, voor dit verhaal voert dat allemaal wat te ver. Maar rond 1700 woont Jan Jacobse Naardenburg, geboren in Sassenheim op de oude boerderij. Hij is in Lisse getrouwd met Willempje Jorisdr van der Cluft en uit dit huwelijk worden dertien kinderen geboren, waaronder een dochter Marijtje. In 1727 overlijdt Jan Jacobse Naardenburg en de pacht wordt overgenomen door zijn zoon Jacob. Na diens overlijden hertrouwt zijn weduwe in 1754 met Warbout Jurriaense Vreeburg en in april van dat jaar is een ‘boelhuis’ gehouden op Middelburg.
Mogelijk is het nieuwe huwelijk van de weduwe Naardenburg de reden voor het boelhuis. ‘De Naardenburgs woonden er niet meer’, concludeert Hulkenburg in het jaarboekje. Kort daarna is Wouter van der Zwet uit Noordwijkerhout, in 1755 getrouwd met Aagje van Diest uit Hillegom, de nieuwe pachter van de boerderij. Wouter is een zoon van Pieter van der Zwet en Cornelia Woutersdr van der Vlugt uit Noordwijkerhout, die op haar beurt een dochter is van Wouter Woutersz van der Vlugt en Marijtje Jans Naardenburg, de dochter dus van de eerdere pachter van Middelburg.
Wouter Woutersz van der Vlugt is in 1679 in Vogelenzang gedoopt en in hetzelfde doopboek staat ook Pieter Woutersz als dopeling in 1675. Het is mogelijk dat deze jongens broers zijn. Zou deze Pieter Woutersz dan ook dezelfde man kunnen zijn, die in 1710 in Hazerswoude zijn zoon Waltherus laat dopen? De beschikbare informatie uit die tijd is echter té summier en de aanknopingspunten zijn nog onvoldoende, om dat te kunnen beweren.
In elk geval overlijdt pachter Wouter van der Zwet op Middelburg in november 1806 maar dan zijn er geen kinderen die de pacht willen voortzetten, waardoor in april 1807 opnieuw een ‘boelhuis’ wordt gehouden op Middelburg. Dan komt Jacob Leenslag als pachter op de boerderij. Het eigendom van de boerderij is als onderdeel van de verkoop van Keukenhof met alle toebehoren in 1809 aan jonkheer mr. Johan Steengracht van Oostcapelle gekomen.

Maarten van der Vlugt op boerderij Middelburg

De eerder genoemde Maarten, geboren in 1769, is in 1806 in Stompwijk met de bijna tien jaar jongere Cornelia (Keetje) Veldhoven getrouwd. Ze krijgen vijf kinderen in Noordwijkerhout. Rond 1820 vertrekt het gezin naar Lisse om daar de basis van een grote Lisser familietak te leggen.

Klik hier voor het volgende deel

Boerderij Middelburg, Loosterweg


In 1824 komt Maarten van der Vlugt voor in de Personele Quotisatie en in het tijdvak 1830-1840 in het Bevolkingsregister van Lisse. In het laatste register staat het gezin van Maarten van der Vlugt en Keetje Veldhoven ingeschreven op de Veenweg 66, ze wonen op boerderij Middelburg. Maarten is landbouwer maar al in april 1830 moet zijn zoon Pieter, tweeëntwintig jaar oud, aangifte gaan doen van het overlijden van zijn vader. De ambtenaar tekent in het register aan dat er één meerderjarig kind – Pieter zelf – en nog vier minderjarige kinderen zijn nagelaten. Ruim vijf jaar later overlijdt ook moeder Keetje waarna vier van de vijf kinderen uit Lisse vertrekken: Pieter, Petronella, Maria en Leendert. Alleen Arend blijft op Middelburg, hoewel zijn broer Leendert later wel terug komt naar Lisse.

Arend van der Vlugt pachter op Middelburg

Na de dood van zijn vader Maarten en moeder Keetje en het vertrek van de broers en zussen wordt Arend de pachter van Middelburg. Hij trouwt in 1836 met Jannetje (ook wel Immetje) van Graven, een dochter van Celis van Graven en Clara van Bourgonje, boerendochter van Nieuw-Zandvliet in Lisse. Het eerste kind en de oudste zoon uit dit huwelijk is Maarten, hij wordt in 1837 in Lisse geboren. Na hem worden nog vijf kinderen geboren. Dochter Cornelia overlijdt echter al op zestienjarige leeftijd en haar jongere zusje Clara wordt nog geen jaar oud. De jongste dochter uit het gezin wordt na het overlijden van haar zusje ook Clara gedoopt en trouwt met de smid aan het Vierkant, Johannes Wilhelmus Pelle. Arend van der Vlugt blijft nog vele jaren landbouwer op Middelburg.
De oudste zoon Maarten (1837), waarover meer in de volgende paragraaf, trouwt in 1860 met Cornelia van Ruiten en vertrekt naar de Engel.
De tweede zoon Adrianus (1838) trouwt in 1870 met Maria Jonkheer en wordt bollenkweker in de buurt van de ‘Oude Tol’, bij de kruising van de Heereweg en huidige Oranjelaan. Er worden dertien kinderen geboren uit dit huwelijk. Adrianus en Maria staan aan het hoofd van een uitgebreide nieuwe tak van de familie Van der Vlugt.
De jongste zoon Marcelis (Celis) (1843), ook wel ‘Puk’ genoemd, omdat hij behalve de jongste zoon ook nogal klein van stuk zou zijn geweest, trouwt in 1877 met Hendrika van Rijn uit Voorhout. Celis en Hendrika blijven op Middelburg, waar twaalf van de dertien kinderen uit dit huwelijk geboren zijn. In 1882 overlijdt de oude boerin Jannetje en blijft haar man Arend als weduwnaar in het gezin van zijn zoon en schoondochter achter. Samen wonen ze dan nog tien jaar op de boerderij.
Arends broer Leendert is toch weer teruggekomen naar Lisse en trouwt in 1846 met Wilhelmina van Graven, de jongste zus van Arends vrouw en de jongste dochter van boer Van Graven van Nieuw-Zandvliet. Leendert en zijn vrouw krijgen vijftien kinderen maar daarvan zijn er maar liefst negen op heel jonge leeftijd overleden. In 1878 overlijdt Leendert en Wilhelmina blijft nog geruime tijd op Nieuw-Zandvliet wonen.

Middelburg gaat over naar Van Graven

In 1892 koopt de eigenaar van Keukenhof het huis Wildlust omdat Marinus Temminck daar in grote schulden geraakt is en verkopen moet. Maar de koop gaat alleen door als Keukenhof ook de boerderij Oud-Zandvliet erbij kan kopen.
Op zowel Oud-Zandvliet (aan de huidige Randweg) als Nieuw-Zandvliet (aan de Stationsweg) hebben lange tijd pachters uit de familie Van Graven gewoond. Overgrootvader Arij van Graven is jarenlang pachtboer op OudZandvliet geweest, zijn zoon Manus volgde hem op terwijl de andere zoon Celis naar Nieuw-Zandvliet gaat. Celis’ dochter Jannetje trouwt met Arend van der Vlugt op Middelburg, zijn dochter Wilhelmina trouwt met Leendert van der Vlugt – de opvolgend pachter op Nieuw-Zandvliet – en zoon Cornelis komt na zijn oom Manus op Oud-Zandvliet.

Cornelis wordt opgevolgd door zijn zoon Jacobus van Graven. En hij is de laatste van anderhalve eeuw pachters op Oud-Zandvliet die nu moet vertrekken. Hij kan echter naar boerderij Middelburg, welke al veel langer eigendom van Keukenhof is. Dit is echter wel de boerderij van zijn oom Arend en zijn neef Celis. Jacobus van Graven zou het daar heel moeilijk mee gehad hebben, zo schrijft Hulkenberg in zijn boek over Zandvliet, maar er zit niets anders op.
Ook ruim zeventig jaar Van der Vlugt op Middelburg eindigt hierdoor. Celis moet met zijn gezin verhuizen naar de boerderij bij het kasteel Keukenhof. Vader Arend verhuist mee maar overlijdt in juni 1894. Hulkenberg stelt in zijn bovengenoemde boek dat de kwaliteit van het weiland op het landgoed Keukenhof niet zo best schijnt te zijn. Mogelijk is dat de reden dat Celis met zijn gezin in maart 1895 naar boerderij Laag Teylingen in Voorhout vertrekt. Daar wordt ten slotte de jongste zoon uit het gezin geboren.

Maarten van der Vlugt (1837) en Cornelia van Ruiten.

Aan wat later het ‘laantje van Heemskerk’ zou worden, in De Engel, gaat Maarten van der Vlugt wonen. In de oude boerderij daar is boer Aris Warmerdam in 1858 overleden en zijn de bouwmeiden en -knechten allemaal vertrokken. Aris’ dochter Helena is met Teunis van Ruiten getrouwd en woont op de boerderij bij Ter Beek, maar kleindochter Cornelia van Ruiten trouwt in 1860 met Maarten van der Vlugt en gaat met hem aan het latere ‘laantje’ wonen, in de oude boerderij van haar opa.

Willemshoeve, laantje van Heemskerk

Maarten en Cornelia krijgen maar liefst zestien kinderen. Van de tien kinderen die zullen opgroeien zijn er zowel vijf zoons als dochters. De andere zes kinderen zijn helaas op jonge leeftijd gestorven of levenloos geboren. In juni 1881 is vader Maarten overleden. Hij werd slechts vierenveertig jaar oud. Nog geen drie maanden later komt het allerjongste kind ter wereld. Hij wordt Maarten genoemd hoewel er al een naamgenoot van vader is. De oudere, naar vader genoemde zoon Martinus is dan zes jaar oud, maar een dergelijke vernoeming is niet ongewoon in die tijd en na het overlijden van een van de ouders. Het kleinste jongetje is helaas slechts drie maanden oud geworden.
De oudste zoon Adrianus (1861) trouwt en gaat in Alkemade wonen. De overige vier broers Anthonius (1869), Martinus (1875), Adrianus (1876) en Marcelis (1880) blijven in Lisse en wonen bij het overlijden van hun vader nog aan ’t laantje.
De eerste zoon die dan uitvliegt is Anthonius (Antoon). Hij trouwt in 1899 en vertrekt naar de Achterweg. Dan overlijdt in april 1901 ook moeder Cornelia van Ruiten, ze is drieënzestig jaar geworden. Minder dan twee weken later is zoon Adrianus (1876) getrouwd met Geertruida Zandbergen en wordt hij in het Bevolkingsregister als hoofd van het huisgezin genoteerd in huis D59 aan de Heereweg. Al snel vult het huis zich met kleine kinderen.
Wordt de boerderij dan gesplitst in verschillende woningen of wordt er aan- of bijgebouwd? In elk geval trouwt broer Martinus amper een maand later dan zijn broer met Cornelia Christina Prins en woont met zijn vrouw en hun kinderschaar nog een hele tijd aan het laantje, op adres Heereweg D59a.
Marcelis is enkele jaren jonger dan zijn broers en woont eerst enige tijd in bij het gezin van zijn oudere broer Antoon op de Achterweg. Hij trouwt pas in mei 1904 met Johanna Straathof. Ook zijn adres wordt Heereweg D59a aan het laantje en er komen ook in dit gezin al snel na elkaar een aantal kinderen ter wereld.
De vijf dochters trouwen in Lisse maar vier van hen zijn mogelijk daarna naar elders vertrokken. De vijfde is dochter Cornelia en zij trouwt met Willem Duineveld, landbouwer, veehouder en bloemist in Lisse, in het hart van De Engel. Aan de overkant van de weg is zijn broer Gijsbertus Duineveld tapper of kastelein, op de plek waar later ‘Juffermans’ zal komen.

Anthonius van der Vlugt (1869) en Maria Christina van der Salm

Antoon is geboren aan ‘het laantje’. Hij wordt bloemist en trouwt in 1899 in Zoeterwoude met de daar geboren Maria Christina van der Salm. Aanvankelijk gaan ze wonen in de oude boerderij van Pieter van der Zon op de Achterweg, niet ver van de Akervoordelaan in de Engel. Het huis droeg de naam ‘De Goudmijn’ of werd in elk geval door de familie zo genoemd. Het grootste deel van de kinderen is daar ook geboren.
Op de Heereweg is intussen rond 1910 een nieuw dubbel woonhuis gebouwd. Tegenwoordig heeft het de huisnummers 435/435a-‘Solsidan’. In het rechter deel van het huis woont Martinus van der Vlugt (1875) al enige tijd als, waarschijnlijk begin 1913, zijn broer Antoon in het linkerdeel van het woonhuis komt wonen. Het negende kind uit het gezin van Antoon van der Vlugt en Maria van der Salm is hier in februari 1913 geboren.
Een van de tien kinderen uit het gezin van Antoon is Hugo van der Vlugt, de latere pastoor in Hamar in Noorwegen. In het volgende deel van dit verhaal zal ik meer over hem en het gezin in Lisse waaruit hij geboren is vertellen, en over wat er vooraf ging aan zijn overlijden in Oraniënburg in Duitsland in maart 1943.

Familiefoto Antoon v.d. Vlugt en gezin, Heereweg

Bronnen:

DTB-en BS bronnen Nationaal Archief, Familysearch, WieWasWie, ProGen data VOL Lisse, familiestambomen/gegevens. A.M. Hulkenberg: Leids Jaarboekje 1972, Zandvliet Lisse 1982. Bevolkingregister Lisse

DE FAMILIE MARSEILLE

Hendrik Marseille overleed in 1939. De eerste in Nederland wonende Marseille  is rond 1670 geboren in Clermond in Frankrijk en overleden in Amsterdam in 1734.

door Marius Nieuwenhuis

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 4, oktober 2016

 

Hendrik Marseille

Lisse telde in de loop der jaren onder zijn inwoners een groot aantal belangrijke mensen. Mensen die in Lisse, maar ook ver daar buiten, op veel terreinen van grote betekenis zijn geweest. Zoals bv. in de bollenwereld de heer D(irk) W. Lefeber, in de sport Egbert van ’t Oever en in de bouwwereld de architect Paardekoper. Een lijst die mogelijk met nog veel meer namen is uit te breiden. Allemaal mensen die nog jaren na hun acteren bekend bleven en waar nog lang met respect over gesproken werd en wordt. Lisse kent ook een andere categorie mensen die, hoewel ze van grote betekenis zijn geweest, in de vergetelheid verloren dreigen te gaan. Eén van die mannen was mijn grootvader van moeders zijde, Hendrik Marseille. Ter gelegenheid van zijn overlijden in 1939 verscheen er in de krant een artikel, waarin aldus over hem gesproken werd: ‘De heer Marseille, bij alle ingezetenen bekend, was op zijn 74-jarigen leeftijd nog zeer kras te noemen en was nog dagelijks bezig in allerlei zaken waaraan hij zich met veel ambitie wijdde. Hij was ook Notabel der Ned. Hervormde Gemeente en een lange reeks van jaren Voorzitter van het Burgerlijk Armbestuur en Secretaris van de Gem. Brandweer. In de aannemerswereld had de overledene een klinkenden naam en stond zijn zaak algemeen bekend als een zeer solide’.

U kunt zich voorstellen dat ik met enige trots terugkijk op mijn grootvader, waarover ik helaas alleen heb horen spreken. Hij stierf al in 1939 en ik ben zelf geboren in 1946.

Hugenoot?

Maar waar komen de Marseilles oorspronkelijk vandaan? De eerste in Nederland wonende Marseille die ik in de archieven heb kunnen vinden was Pierre (de) Marseille(y). Hij moet plm. 1670 in Clermont in Frankrijk geboren zijn en is in 1734 in Amsterdam overleden. Hoewel niet zeker is het heel goed mogelijk dat deze Pierre als Hugenoot uit Frankrijk was gevlucht vanwege het feit dat hij als Calvinist (volgeling van Johannes Calvijn) door de Franse regering vogelvrij was verklaard en zijn leven in Frankrijk niet meer veilig was. In de 16e en 17e eeuw hebben honderdduizenden Hugenoten de wijk uit Frankrijk genomen, waarvan er plm. 70.000 in de Nederlanden zijn terecht gekomen.

Familie van huisschilders

Verschillende generaties Marseille hebben het beroep van huisschilder uitgeoefend. De eerste die als zodanig genoemd wordt is Albertus Marselje, in 1805 geboren te Haarlem. Zijn zoon Gerrit Marselje (geboren in 1827, ook huisschilder in Haarlem) is de stamhouder van de Marseilles die in Lisse terecht zijn gekomen. Gerrit had twee zoons: Hendrik en Albertus. Deze Hendrik (1856 – 1939) was mijn grootvader. Hij werd timmerman en had naast een zevental dochters slechts één zoon: Pieter Gerardus (1898). Albertus (1871 – 1939) is de grootvader van de heren Bert en Bram Marseille die nu nog in Lisse woonachtig zijn. Zoals bekend had deze Bert Marseille jarenlang een schildersbedrijf wat hij later overgedaan heeft aan Ype Daudeij.

Timmerman

De 28 jarige Hendrik met zijn eerste knecht Kobus van Biezen. Foto uit 1893

Mijn grootvader Hendrik is waarschijnlijk op het terrein van zijn vader en broer, achter de voormalige bakkerij van Vaneveld, aan de westzijde van de Heereweg, in 1893 aan het timmeren gegaan. In slechts enkele jaren moet dat bedrijf zijn uitgegroeid tot een timmerbedrijf van flinke omvang.

De reden dat ik in de inleiding gezegd heb dat mijn grootvader voor Lisse van grote betekenis is geweest heeft vooral te maken met alles wat hij in Lisse gebouwd heeft.

Bollenvilla’s

Zo werd in 1923 door mijn grootvader het bekende huis ‘In de bocht’ gebouwd in opdracht van de heer Bert van der Nat, toenmalig directeur van de Koninklijke Bloembollenmaatschappij H. de Graaff en Zonen, destijds gelegen op de hoek Heereweg/ Julianastraat. In die tijd bestond de Von Bönninghausenlaan nog niet en stond dat huis inderdaad in de bocht. Van 1937 tot 1979 was deze villa de ambtswoning van de burgemeester. De architect van dit huis was de heer Leen Tol Sr.

 Huize Rutsbo

In 1925 werd door mijn grootvader de villa Rutsbo gebouwd in opdracht van de bloembollenkweker-exporteur Driehuizen. Het huis is vernoemd naar mevrouw Ruth Driehuizen-Heurgren. Mevrouw Driehuizen kwam van oorsprong uit Zweden. De naam Rutsbo betekent ‘woning van Ruth’. Bo is Zweeds en betekent woning. Ook deze woning, inclusief de achterliggende bedrijfsgebouwen, zijn getekend door architect Leen Tol Sr.

Von Bönninghausenlaan

Omstreeks 1935 is mijn grootvader begonnen met de bouw van de huizen aan de Von Bönninghausenlaan. Ik heb niet kunnen achterhalen of mijn grootvader eerst dat land wat waarschijnlijk tot die tijd in eigendom was van G. van der Mey’s Zonen zelf had gekocht. Er werden steeds blokken van vier huizen gebouwd. Kort voor zijn overlijden in 1939 was de Von Bönninghausenlaan gereed. Nog steeds is de Von Bönninghausenlaan een straat met prachtige degelijke en statige huizen, ook gebouwd onder architectuur van Leen tol Sr. Echt iets om trots op te zijn. Het moet, achteraf bezien, toch een hele onderneming geweest zijn om net na de crisis aan de bouw van deze woningen te beginnen. De enige zoon van mijn grootvader, de heer Piet Marseille, betrok na zijn trouwen in 1928 eerst tot 1935 het huis aan de Von Bönninghausenlaan nr. 2 en daarna nr 10. Daar hebben ze gewoond totdat in 1939 mijn grootvader kwam te overlijden. Zijn weduwe, mijn grootmoeder, verruilde toen de ouderlijke woning aan de Heereweg nr. 157 met het huis aan de Von Bönninghausenlaan nr. 10, samen met drie ongetrouwde dochters: Gerda, Rika en Rie (mijn moeder).

1927. Von Bönninghausenlaan moet nog ontwikkeld worden. Huis ‘In de bocht’ staat er al. Vooraan huize Veldhorst van G. van der Mey’s Zonen met omringend bollenland.

Grootmoeder Marseille kwam te overlijden in het voorjaar van 1943 en in december van hetzelfde jaar trouwde mijn moeder met Rudolf Nieuwenhuis. Vanwege het gebrek aan woningen in en kort na de oorlog bleven mijn ouders de eerste jaren bij de andere twee zusters op nr. 10 wonen. Zo kon het gebeuren dat dat huis ook het geboortehuis werd van mijn broer Ruud en van mij De twee overgebleven vrijgezelle zusters van mijn moeder Gerda en Rika waren in de hele streek bekend als de dames Marseille. Zij trokken er vanuit Von Bönninghausenlaan 10 per Solex op uit om menig klant van een eksteroog af te helpen.
De Von Bönninghausenlaan is genoemd naar Jhr. Paulus Frederikus Johannes von Bönninghausen tot Herinkhave (1858 – 1919) die van 1888 tot 1919 burgemeester van Lisse was. In die periode is de Agathakerk gebouwd (1902), de Kathedraal van de Bollenstreek.
Behalve het realiseren van bovengenoemde huizen en straat deed mijn grootvader ook het onderhoudswerk aan Kasteel Keukenhof voor de Graaf van Lynden. Of hij nog meer beeldbepalende bouwwerken in Lisse gebouwd heeft is me niet bekend.

Gefuseerd met Horsman

Mijn oom Piet had twee kinderen. Zoon Hein koos voor het ruime sop en dochter Hans vertrok naar Canada. Bij gebrek aan een opvolger besloot oom Piet in 1959 te fuseren met aannemer Horsman, onder de naam Horsman & Co en Marseille. Horsman was aan de Nieuwstraat uit zijn jasje gegroeid en kon zo gebruik maken van de ruimere locatie aan de Heereweg. Nog steeds meldt de firma Horsman op zijn website dat de zaak in 1893 is begonnen. Dat geldt dan alleen voor het deel Marseille. Horsman zelf werd pas kort voor de oorlog actief in de bouwwereld. Dat neemt natuurlijk niet weg dat de firma Horsman een bouwbedrijf is waar we als Lissers trots op mogen zijn. Net zo trots als ik op mijn grootvader mag zijn. Naast zijn andere sociale activiteiten, zoals genoemd in het krantenartikel, mag ik toch met enige trots zeggen dat mijn grootvader Hendrik Marseille een prachtige bijdrage heeft geleverd aan ons mooie dorp. Dat zijn naam nog tot in lengte van jaren in ere moge blijven.

Stamboom van Marseille

 

Werkgroep Genealogie

Leden van de werkgroep Genealogie zijn druk bezig met een omvangrijk project ‘Bewoningsgeschiedenis van panden in Lisse’.

Redactie

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 4, oktober 2016

Leden van de werkgroep Genealogie zijn druk bezig met een omvangrijk project ‘Bewoningsgeschiedenis van panden in Lisse’. Het begon met het Verpondingsregister van 1735. Onder verponding werdeen belasting op vaste goederen (landerijen en huizen en dergelijke) verstaan. Lisse wordt in het register van 1735 verdeeld in 7 buurten. Het register geeft dus in 1735 de actuele opsomming van de huizen in Lisse weer. Met deze gegevens is de werkgroep aan de slag gegaan om zo veel mogelijk bewonersgegevens van de verschillende huizen te verzamelen. Dit project is natuurlijk nog lang niet afgerond. Er zijn zo veel bronnen die informatie bieden. Berkhout is een van de huizen waar onderzoek naar gedaan is. De wijk waar Berkhout bij hoorde was het ‘OUDE MOSVEENSE GEBUURTE’. Berkhout lag ten westen van de Heereweg, aan de zuidzijde van de Veenderweg (Stationsweg), bij het afgegraven Berkhouter Duintje. Nu ligt op dat gebied het Woonzorgcentrum Berkhout. In 1645 werd Berkhout gebouwd en in 1775 werd het huis afgebroken. Inmiddels zijn al heel wat gegevens van Berkhout verzameld Over eigenaars, pachters, bewoners en personeel. Ook over andere woningen is al heel wat bekend geworden. Het is de bedoeling om in het Nieuwsblad regelmatig verslag te doen van wetenswaardigheden die ontdekt worden. Want er komen bij het bestuderen van de archieven allerhande zaken naar voren. Het navolgende verhaal van Dirk Floorijp is daar een voorbeeld van.