Berichten

Van korenbloem tot zonnepit (Fam de Vroomen-Beelen)

Puck en Dick

De voorgeschiedenis van Puck de Vroomen-Beelen wordt beschreven.  Het verhaal begint bij haar opa, die molenaar was op de Korenmolen van Beelen aan de Grachtweg

Door Liesbeth Brouwer

Jaargang 15 nummer 2, april 2016

Wanneer je de jongste bent van 15 kinderen en je vader is ook nog eens de jongste uit zijn gezin, dan is het niet zo verwonderlijk dat je de opa van vaders kant nooit gekend hebt. Overigens heeft Puck de Vroomen-Beelen, hoofdpersoon van het kwartiertje in dit Nieuwsblad, de grootouders van beide kanten nooit gekend. Haar Lisser grootvader was een bekende dorpsgenoot. Hij was de molenaar op korenmolen de Korenbloem. De familiegeschiedenis van de familie Beelen en de molen is door Bert Kölker uitvoerig beschreven in het boek ‘Kroniek
van de Lisser timmerman en molenaar Cornelis van der Zaal 1762-1839’. Hier start ons verhaal met de opa van Puck, Pieter Beelen, die in 1865 de korenmolen koopt. Bij de koop van de molen is het huis aan de Grachtweg inbegrepen, maar daar kan hij niet meteen over beschikken. Pieter trouwt in 1867 een meisje uit een bekende Hillegomse familie, Geertruida van Dril. Samen krijgen ze 7 kinderen. De jongste is Mattheus, geboren in 1878. Thijs wordt in de molen geboren. Hij is 2 jaar wanneer de familie naar een gewoon huis aan de Grachtweg/hoek Molenstraat verhuist. Thijs is de vader van Puck. Oudste zoon Gerrit van het echtpaar Beelen-van Dril verhuist naar
Rijpwetering en begint daar een maalderij. Tweede zoon Jan begint in DeZilk een graanhandel. Zoons Piet en Frans volgen Pieter Beelen op in de korenmolen in Lisse. Jongste zoonThijs gaat een heel andere wegop. Hij gaat in de leer voor het bollenvak bij de familie Slegtkamp
aan de Heereweg 291.

Feselijkheden ter ere van de troonbestijging door Wilhelmina

In september 1898 zijn in heel Nederland, dus ook in Lisse, grootse feestelijkheden ter ere van de troonopvolging door koningin Wilhelmina. De molen is gepavoiseerd en Thijs doet te paard mee aan de historische optocht. Thijs is bevriend met Cor Langeveld van de kaashandel aan het Vierkant. Diens vrouw heeft familie in Schalkwijk, toen nog een boerengemeenschap, vallend onder de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude. Zo kan het gebeuren dat Thijs met de tilbury regelmatig naar Schalkwijk rijdt. Want via Cor en zijn vrouw leert Thijs een meisje kennen, Anna Horstman, en het klikt meteen. Anna Horstman woont in een boerderij aan het Spaarne. Het is een melkveehouderij. Werk in overvloed en ook Anna moet helpen. Met tegenzin, maar haar vader belooft haar dat ze een naaimachine krijgt wanneer ze tot haar 18e blijft helpen met melken. En daar doe je wat voor! Thijs koopt grond aan de Heereweg, aan het Oostend. Hij laat er een huis annex bollenschuur bouwen. Het adres is Heereweg 67/Nieuwstraat 2.

Trouwfoto van Thijs Beelen en Anna Horstman,

Thijs Beelen en Anna Horstman trouwen in 1906 en een jaar later wordt dochter Truce geboren. Het jaar 1908 is een bewogen jaar. Eerst sterft de vader van Anna, een paar maanden later komt de vader van Thijs te overlijden. Weer een maand later wordt dochter Agaath geboren. Opoe Horstman uit Schalkwijk komt, wanneer de boerderij langs het Spaarne overgenomen is door haar zoon, ook bij haar enige dochter in Lisse wonen. Zij is dolblij met de geboorte van Anny, dochter nr. 5. Daarvoor zagen dochter Nel en zoon Piet al het levenslicht. In de officiële aktes zijn 14 geboortes aangegeven, maar in de familie spreekt men van de geboorte van 15 kinderen. Met nog een aantal miskramen staat de periode van 21 jaar waarin de kinderen worden geboren, voortdurend in het teken van zwangerschap, geboorte en dood. Want een aantal kinderen sterft op zeer jonge leeftijd. Anna Beelen-Horstman draagt zeer regelmatig zwarte kleding vanwege de rouw.

Puck

Het jongste kind is Maria Anna Theresia, die aanvankelijk Ria wordt genoemd, maar al gauw Puck heet. Op school bij de nonnen blijf het Ria. Puck, dat is geen naam. Vader Thijs is een rustige maar ook strenge vader. Hij is ook sportief. Kan goed fietsen en leert dat zijn kinderen ook. Voor de oorlog wordt belasting betaald voor de fiets. Dat doe je door een rijwielplaatje te kopen. Van het eerst verdiende geld met bollenpellen kopen de kinderen Beelen een fietsplaatje. Puck reed toen op een kinderfietsje met houten banden. Moeder Anna Beelen heeft nooit gefietst. Dat wordt niet echt gemist want er is al in de jaren ’30 een auto. Die auto wordt gebruikt om naar de tuin te gaan. Er wordt geteeld in Hillegom bij de Hyacintenlaan, bij de Bavo in Noordwijkerhout en in de“kouwe hoek”, bij het Reigersbos.

De auto in 1930

Bij de boerderij in Schalkwijk. Puck Beelen is het kleinste meisje. Verder haar jongste broer en
Schalkwijkse familie.

Bij die tuin kom je via een lang zandpad vanaf de Loosterweg. De auto loopt er nogal eens vast en dan is het duwengeblazen. Natuurlijk wordt de auto ook gebruikt voor familiebezoek bij de Horstmannen aan het Spaarne. Op maandag gaat vader Beelen naar de beurs in Haarlem. Moeder Beelen
gaat graag mee om dan te winkelen. Ook wanneer Thijs Beelen naar de kwekerij in ’t Zand (bij Breezand) gaat laat moeder Beelen zich graag met haar dochters in Alkmaar afzetten. Winkelen en dan in de lunchroom van V&D wachten op vader. De tunnel onder het Noordzeekanaal is er nog niet vandaar dat de Velser pont een belevenis is. Als je bij de Gracht woont, zoals vader Beelen, dan leer je wel goed zwemmen en schaatsen. Hij leert de kinderen ook schaatsen. Via de sloot van Blokhuis (nu is daar de Keukenhofdreef) wordt geschaatst naar de vijver in Keukenhof. Bij goed ijs wordt vaak een tochtje naar de Rip (Rijpwetering) gemaakt. Koek en zopie bij oom Gerrit Beelen en dan weer terug. Dat schaatsen zal nog een grote rol spelen in het leven van Puck.

De bus naar Lourdes

In 1938 trouwen de beide oudste dochters en al snel worden er kleinkinderen geboren. De familie Beelen hoort wel bij de gegoede families. Er wordt bijvoorbeeld getennist, toch wel een beetje elitair in die tijd. Ook de dochters volgen gedegen onderwijs. In 1939 maken 2 dochters met een groep vrienden een busreisje naar Lourdes. Heen via de lichtstad Parijs. Op de terugweg is Parijs totaal verduisterd vanwege de mobilisatie. Op 3 september ’39 verklaart Frankrijk aan Duitsland de oorlog. Maar dat weten ze in de bus dan nog niet. De oorlogstijd is angstig, vooral omdat de oudste zoons de leeftijd hebben om tewerkgesteld te worden in Duitsland. Er zijn afspraken voor als er een razzia komt. De jongens moeten dan achter luiken op zolder kruipen en de meisjes moeten in de bedden van de jongens gaan slapen.
Tijdens de oorlog wordt de auto op een geheime plaats ingegraven en komt er een oude fiets op zolder te staan. Alles moet verduisterd. Gelukkig heeft het huis blinden. Om toch nog wat licht in huis te hebben moeten de kinderen om beurten fietsen om de accu op te laden.
Zus Nel blijkt in die tijd MS te hebben. Door een verkeerde rug-punctie raakt ze bovendien totaal verlamd en dus geheel afhankelijk. Door de
broers wordt ze, tot haar overlijden, iedere ochtend naar beneden getild en in haar vaste stoel gezet waar ze kan handwerken. ’s Avonds hetzelfde ritueel weer naar boven. Nel wordt maar 42 jaar. Op 4 mei, op de verjaardag van zus Anny, horen ze dat de oorlog voorbij is. Later wordt het een traditie om met de hele familie naar de dodenherdenking op de Oranjelaan te gaan en daarna toch de verjaardag van Anny te vieren. Nog steeds wordt er door de nazaten van Thijs en Anna Beelen regelmatig een “tante Anny dag” gevierd. De laatste keer, in 2013 toen het 100 jaar geleden was dat Anny geboren werd, waren er maar liefst 130 nazaten aanwezig. Zo langzamerhand trouwen de meeste kinderen Beelen en vormen zelf een gezin. Vader en moeder blijven op de Heereweg wonen met Anny.

Op de tennisbaan bij Bloemoord. Puck staat tweede van rechts

Op de tennisbaan bij LTC Lisse

Puck verlooft zich met Dick de Vroomen. Ze kennen elkaar al veel langer maar het wordt pas echt wat op de tennisbaan. Ze tennissen op een baan achter Bloemoord. De baan is van Veldhuijzen van Zanten. Puck tennist dan al vanaf haar 12e jaar. Ze is wel fanatiek en mag dikwijls een trofee mee naar huis nemen. Als ze 84 jaar is vindt ze het welletjes en doet alleen nog aan tennis op de TV. Dick’s vader heeft een bollenbedrijf. Dat wordt later door Dick en zijn 2 broers overgenomen. Voor het bedrijf is Dick veel in het buitenland, vooral in de Vereinigde Staten en Scandinavië. Daar maakt Dick kennis met 2 activiteiten die een rode draad gaan vormen in het leven van Puck en Dick. Vanuit Scandinavië is dat het schaatsen (1951), wat ook al de interesse heeft van de Beelens. Tijdens de reizen trekt Dick er graag op uit en gaat in Noorwegen naar het schaatsen kijken. Zelf is hij geen schaatser, maar er is daar wel een plaatsgenoot, nl. Egbert van ’t Oever. Dick spreekt Zweeds en het is dus erg handig voor de schaatsers om Dick te vragen wanneer er iets georganiseerd moet worden. Want Dick is een echte regelaar. Hij assisteert dan Klaas Schenk, de vader van Ard. In 1955 trouwt Puck met Dick de Vroomen. Ze laten een huis bouwen aan de Laan van Rijckevorsel, die net aangelegd is. Ze kopen daar samen met Corrie en Harry Zwetsloot een kavel waar een dubbel woonhuis gebouwd gaat worden. Maar wie gaat nu links wonen en wie rechts. Dat wordt heel simpel opgelost. Met het trekken van een luciferhoutje. Puck mag trekken en trekt aan het langste end. Het wordt daarop het zuidelijke huis, aan de zonkant dus. De familie mag meedoen om een originele naam voor het huis te verzinnen en zo komt ‘De Zonnepit’ naar voren. De naam komt op een bordje boven de deur te hangen en alle keren dat de familie verhuist wordt het naambord meeverhuisd. Trouwens zonnebloemen zijn wel een beetjede  passie van Puck.
Een dag voor Thijs en Anna Beelen hun gouden bruiloft (29-5-1956) vieren wordt hun 40e kleinkind geboren. Dat is Ank, de oudste dochter van Puck en Dick. In totaal krijgen Thijs en Anna Beelen 53 kleinkinderen.

Na het overlijden van vader en moeder Beelen blijft dochter Anny in het ouderlijk huis op de Heereweg wonen. Tot ze in 1964 van woning ruilt met broer Theo en zijn gezin. Tot 1988 blijft Heereweg 67 (het huis staat er nog steeds) dus een Beelenhuis. De bollenschuur is al voor 1988 gesloopt. Het huis van opa en oma aan de Heereweg is iedere zondag de plaats waar de hele familie naartoe trekt. De mannen spreken dan over bollen, want ook de zoons en de schoonzoons zitten in de bollen. Voor de kleinkinderen is het een spannend huis. Een grote zolder om onveilig te maken ( eigenlijk verboden terrein) en beneden een grote speelgoedkast. In de keuken is nog een pomp met koperen kranen. Al lang niet meer gebruikt. Er is buiten nog een waterput bij de garage. Achter het huis een moestuin en er is nog een klein bollenveldje. Ook zijn er een kippenren en een kas. De Heereweg is niet geschikt voor kinderen om te spelen. Veel te druk, zeker in de tijd voordat de Oranjelaan aangelegd is. Wat de kleinkinderen wel doen, vooral nadat Keukenhof is geopend, is op de stoep kentekens van auto’s tellen. Of van de provincies, want die hebben dan nog hun eigen kenteken. (H voor Zuid-Hollande). En natuurlijk slingers rijgen voor de verkoop aan al die toeristen. Aan de overkant is Van der Putten en het is natuurlijk feest wanneer de paardenkoetsen uitrijden. Voor de diverse huwelijksfeesten van familie Beelen worden de paarden ook van stal gehaald. En steevast volgt een feest in de Nachtegaal. Wanneer de koetsen zo langzamerhand vervangen worden door auto’s is het erf van Beelen aan de overkant tijdelijk in gebruik als koetsenstalling.
Ondertussen is het gezin van Puck en Dick de Vroomen groter geworden. 5 kinderen krijgen ze. Het huis aan de Laan van Rijckevorsel wordt in 1977 verruild voor een huis aan de Achterweg. Gebouwd door architect Aad Paardekooper en ook weer ‘De Zonnepit’ genoemd.

Dick de Vroomen raakt steeds meer betrokken bij de schaatsploeg. De eerste Olympische spelen die hij meemaakt zijn die van 1972 in Sapporo, Japan. Nog niet als chef d’équipe, dat is pas later. Hij gaat mee, zogenaamd als kok, terwijl hij nauwelijks een kopje koffie kan zetten. In die tijd zijn de rollen nog zo dat mannen zich nauwelijks met het huishouden bemoeien, dus in huis zwaait Puck de scepter. Vanaf ‘61 is hij officieel in functie bij de KNSB. vdaarvoor waren zijn diensten vrijwillig en geheel eigen initiatief. Wanneer de kinderen ouder zijn kan Puck ook mee naar belangrijke wedstrijden. Zo is ze bij de winterspelen in Alma Ata. In die tijd een beroemde open baan waar onder goede omstandigheden veel records sneuvelen. Het is een belevenis, maar wel met een negatieve kant. De Russische overheersing van Kazachstan is voelbaar en alles loopt verkeerd. Het is er overdag wel 20 graden, dus heel slechte omstandigheden om te presteren. In Calgary, in 1988, helpt Dick om Willem Alexander, toen nog de kroonprins, de baan op te smokkelen. Met voormalig kampioen Eric
Heiden in het complot. Met generaties kernploegleden bouwen Dick en Puck blijvende, goede contacten op. Vanuit de VS zijn het de Appaloosa paarden waar Puck en Dick een passie voor krijgen. Zo komt ook het contact tot stand met Indianen in Idaho, die deze paarden houden. De paarden danken hun naam aan de Palouse River, die loopt in het gebied waar de indianen deze paarden fokten. Er worden paarden naar Lisse geïmporteerd en Dick fokt met dit ras verder. Het zijn vrij rustige paarden met goede eigenschappen. Vanaf 1973 wordt van manege Puntenburg gebruik gemaakt door Stichting Sport en Recreatie Gehandicapten Bollenstreek. Stichting Puntenburg wordt opgericht om  het fokken en trainen van paarden te bevorderen, speciaal er op gericht om met gehandicapten te kunnen rijden.

Er zijn door Puck en Dick de Vroomen vele ontroerende wensen van zieke en gehandicapte kinderen vervuld, geïnitieerd door organisaties als ‘Stichting Opkikker’ en ’Stichting Doe een Wens’. Vaak is het alleen de organisatie rond de manege, maar soms is het de met naast het bezoek aan de manege nog andere evenementen. Afgelopen februari is Stichting Puntenburg nog een bijdrage toegekend door de ‘Stichting Specsavers Steunt’ voor het goede doel.

Het huis aan de Achterweg wordt zo langzamerhand leeg omdat de kinderen allemaal het huis uit gaan. Wanneer zus Anny in 1989 ziek wordt komt ze in ‘De Zonnepit’ bij Puck en Dick wonen tot haar overlijden in 1992. In 1999 wordt er verhuisd van de Achterweg naar de Spekkelaan. Op een pracht plek naast de manege. Het bordje met ‘De Zonnepit’ verhuist mee. Dick de Vroomen komt helaas al in 2002 te overlijden. Puck woont er gelukkig nog steeds en heeft uitzicht op het perceel waar haar vader vroeger de tuin had in de “kouwe hoek”, waar je via het Reigersbos naar toe ging.

Voor de jaarwisseling werd altijd een speciale kerstkaart ontworpen. De verzameling
weerspiegelt heel mooi hun leven, waarvan we hier een paar voorbeelden laten zien.

EEN PLANKJE OP DE LISSERDIJK

Op een plankje in de woning Lisserdijk 508 staat “Behangen door J.P. Bemelman”, 3 augustus 1882. Er staan ook namen van  timmerlieden op. De geneologie van alle personen wordt besproken.

door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 1, januari 2016

Mijn verre voorouder Johannes Petrus Bemelman is indertijd in Amsterdam neergestreken en zijn nageslacht is er enkele generaties lang gebleven, maar mijn betovergrootvader vestigt zich rond 1839 in Noordwijk. Hij wordt de stamvader van een groot en kleurrijk nageslacht waaronder het aantal schilders heel groot geweest is. Mijn overgrootvader Jan (Johannes Petrus) Bemelman is in 1854 in Noordwijk geboren. Hij was het elfde kind in het gezin van zijn ouders en was de vijfde zoon op rij die schilder werd. Na hem kwamen er nog drie schilders, en een van de dochters trouwde met een schilder.
Jan Bemelman trouwt in 1881 met de Lissese Geertruida Balkenende. Ze wonen in Lisse en samen krijgen ze zes kinderen. Jan is dus zoals zijn broers ook schilder geworden. Hij is echter op heel jonge leeftijd overleden, hij was toen pas 34 jaar oud. Van zijn zes kinderen is dan al één dochtertje heel jong gestorven. Jans weduwe Geertruida staat er ineens alleen voor met vier kleine kinderen en in verwachting van de vijfde. Hun kleine Jan is pas vier jaar oud, zijn jongste broertje wordt vijf maanden na het overlijden van hun vader geboren maar wordt slechts zes weken oud.
Na het overlijden van haar man heeft Geertruida Balkenende de draad voor haar en haar gezin weer opgepakt en gaat aan de slag als winkelierster in manufacturen. Ze hertrouwt met odorus Schrama en krijgt met hem vier kinderen. Maar Theodorus is waarschijnlijk al ziek als zijn jongste kind geboren wordt, want hij is niet in staat om aangifte van de geboorte te doen. Een iets ouder zoontje overlijdt tien dagen na de geboorte van zijn broertje en net nadat kleine Jan Bemelman zijn tiende verjaardag heeft bereikt, overlijdt ook zijn stiefvader. Geertruida staat er weer alleen voor, met zeven kinderen nu.
Kleine Jan, later mijn opa, zou zich in die periode van zijn leven nogal eenzaam en verweesd gevoeld hebben. Dat heeft hij mijn vader indertijd wel verteld op de zondagen wanneer hij met zijn jongste zoon Koos achter op de fiets naar Noordwijk gaat, voor familiebezoek. Kleine Jan is immers zijn vader op heel jonge leeftijd verloren en vervolgens zijn stiefvader maar enkele jaren later. Zijn moeder Geertruida moet het razend druk gehad hebben en kleine Jan is er toen mogelijk een beetje bij in geschoten. Als hij zeventien jaar oud is, vertrekt Jan junior dan maar naar Voorhout om bij zijn vaders broer de fijne kneepjes van het schildersvak te leren. Hij komt in 1907 terug naar Lisse en vestigt zich als schilder en trouwt in 1909.

Een bijzonder berichtje in de krant

Omdat Jan Bemelman senior zo jong is overleden heeft hij slechts weinig historie nagelaten. Dat is voor een onderzoeker van de familiegeschiedenis een gemis. Het is dan ook prachtig als ik in een historische krant een berichtje vind, over een plankje dat vijftig jaar eerder in de Lisserbroek achter het oude behang vandaag gekomen is. Mijn overgrootvader en twee timmerlieden blijken dit plankje te hebben beschreven en dat heeft zestig jaar verstopt gezeten…
In de zomer van 1882, dus zes jaar voordat hij uiteindelijk komt te overlijden, doet Jan een behangklus in de Lisserbroek. Dat wordt pas belangrijk als het zestig jaar later opmerkelijk genoeg is om er een krantenbericht aan te wijden. Het verschijnt zelfs in twee verschillende kranten in de regio Leiden. In 1952 namelijk besluit de bewoner van Lisserdijk 508 de woonkamer opnieuw te behangen. Daarom moet niet alleen het oude behang maar ook het tengelwerk – het houten regelwerk op de muur, waar het oude behang op vastgeplakt zit – worden verwijderd. De kinderen helpen mee en ontdekken een plankje achter het behang, met een opschrift waaruit blijkt dat het zestig jaar lang achter het oude behang gezeten heeft. Twee timmerlieden hebben er hun namen op gezet en een beloning voor de vinder genoteerd: ‘Diegenen die dit vinden, kunnen op onzen naam één kan jenever halen’. Op de andere zijde van het plankje stond: ‘Behangen door J. P. Bemelman, 3 augustus 1882’.

De timmermannen van het plankje

Op het plankje staan de namen van de timmerlieden die de klus hebben ‘afgemaakt’ en zij noteren daarbij voldoende details om met de huidige mogelijkheden hun geschiedenis in beeld te krijgen.
De eerste is: ‘H. Pieterse, geboren te Rijpwetering, den eersten April 1862’: Na enig zoeken blijkt dit Hendricus Pieterse te zijn, geboren 1 april 1862 in de gemeente Alkemade, waar Rijpwetering nu onder valt. Hij is de zoon van Pieter en van Elizabeth Drieman. Hij is dan net twintig jaar oud, als hij op het plankje schrijft en nog niet getrouwd. Enkele jaren later, in 1887, trouwt hij met Petronella van der Fits. Hun kinderen worden in Alkemade geboren, vier ervan worden volwassen. Rond 1913 is Hendricus met zijn gezin naar Den Haag vertrokken. Daar loopt het spoor dood.
De tweede timmerman is: ‘J.B. van Hensbergen, geboren te Noordwolde Friesland, den 5den Januari 1860’. Zijn voornamen blijken Johannes Braun en hij is in de gemeente Weststellingwerf ingeschreven als zoon van Johan Adolf, dan 39 jaar oud, arbeider en wonende te Frederiksoord onder Noordwolde. Zijn moeder is Petronella Wilhelmina Anna Dirkse.
Frederiksoord is een kolonie van de Maatschappij van Weldadigheid bij de grens van de provincies Friesland, Drenthe en Overijssel geweest. De grootouders van Johannes Braun komen eind oktober 1826 met enkele jonge kinderen en een baby in de kolonie aan. Ze komen uit Den Haag en zijn waarschijnlijk arm, dakloos en radeloos en door de Haagse burgemeester opgezonden om te worden heropgevoed.
Zowel Johannes Braun, zijn twee zussen en een broer als zijn beide ouders zijn in die kolonie geboren. Zodra iemand in de opvoedkolonie was opgenomen, kwam deze niet gemakkelijk weer weg, of anders vaak weer terug. De bewoners worden doorgaans als kolonisten aangeduid. Broer Frans wordt timmerman en trouwt in 1874 met Maria Hendrika, eveneens een kolonistenkind uit kolonistenouders. Maar kort na de geboorte van hun eerste kind vertrekt dit jonge gezin naar Lisse waar nog drie kinderen geboren worden. In 1881 verhuist het gezin naar Renkum waar ze nog een aantal kinderen krijgen. Blijkbaar hebben ze het gered in de gewone maatschappij. De jongste zoon brengt het zelfs tot hoofdbesteller bij de PTT.
Is Johannes Braun samen met zijn broer uit de kolonie gestapt? Hij werkt in 1882 dus als timmerknecht in Lisserbroek, maar helaas voor hem is zijn broer met zijn gezin dan alweer uit Lisse vertrokken. Waarschijnlijk kan hij zich in zijn eentje niet staande houden in de harde buitenwereld, of is hij misschien ziek geworden? Hij overlijdt in elk geval in 1885, ongehuwd en pas vijfentwintig jaar oud. De aangifte wordt gedaan in de gemeente Weststellingwerf, precies als bij zijn geboorte, wonende in Frederiksoord, dus toch weer terug in de kolonie …

Te laat voor de kan jenever

Die kan jenever zal het gezin na zestig jaar wel nooit gekregen hebben, zo veronderstelt de journalist in het krantenbericht van 1952. Van Jan Bemelman en van Johannes Braun van Hensbergen staat in elk geval vast dat ze al jaren eerder overleden zijn, van Hendricus Pieterse is dat niet helemaal zeker, echter wel waarschijnlijk.
Door adres in het krantenbericht kom ik via de beeldbank van Noord-Holland en het boek ‘Zo was het in Lisserbroek’ aan een foto van het huisje aan de Lisserdijk 508. Het is echter gesloopt. Een van de schrijvers van het genoemde boek en enthousiast beheerder van een historisch archief over de Lisserbroek, de heer Aart Donker, laat weten dat dit een daggelderswoning bij de kwekerij van Cornelis Adrianus van Leeuwen in Lisserbroek is geweest en dat het heel goed mogelijk is dat het in 1882 gebouwd is. Het huisje heeft in de onderdijk gestaan waar het ooit het adres Achterom 49 had. Hier woonde aan het eind van de Tweede Wereldoorlog een zoon van Dirk van der Tang, de zaadhandelaar uit Lisse die vlak bij het Vierkant woonde. Zoon Kees is bloembollenkweker en hij met zijn vrouw Jannetje en hun gezin zijn de laatste bewoners van dit huis geweest. Hier zullen dus de kinderen van Kees het plankje in 1952 ontdekt hebben waarna hun vader of moeder de krant gebeld heeft om de vondst van het plankje te melden. Misschien hadden ze toch nog een heel stille hoop die jenever nog te kunnen krijgen…?

Lisserdijk 508 Lisserbroek (coll. Historisch Archief Lisserbroek – Aart Donker)

Dit oude huisje, in de kenmerkende bouwstijl waarvan er zo heel veel in de Haarlemmermeer geweest zijn, is in elk geval in 1967 gesloopt. Daar moest de toegangsweg komen voor het erachter gelegen industrieterrein de Kruisbaak.

Bronnen:

Familiegegevens Bemelman, ProGen VOL;

Erfgoed Leiden – krantenarchief;

WieWasWie,

FamilySearch,

Drents Archief – bronnen Maatschappij van Weldadigheid;

Bevolkingsregister Lisse; Noord-Hollands Archief – beeldbank;

Historisch Archief Lisserbroek – Aart Donker;

Zo was het in Lisserbroek (1978) Nic. Bouwmeester, Maarten Doedes en Aart Donker

Wim Randsdorp, een Lissese jongen tewerkgesteld in Duitsland

Nu zie ik je nooit meer” is een boek, geschreven door Marjon Griffioen over Wim Randsdorp, overleden in 1943 in Duitsland. Van hem zijn er 70 brieven bewaard, geschreven aan zijn zus.

door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 4, oktober 2015

‘Nu zie ik je nooit meer …’ zegt Wims moeder bij het afscheid van haar zoon, als deze in het najaar van 1942 naar Duitsland vertrekt om daar tewerkgesteld te worden. Haar slechte voorgevoel over de afloop ervan wordt helaas werkelijkheid als hij eind november 1943 bij een bombardement om het leven komt. Na het overlijden van de zus van Wim, blijkt zij bijna zeventig brieven van haar broer uit zijn periode in Duitsland te hebben nagelaten. Brieven die Wim heeft geschreven aan zijn ouders, broers en zussen. Schoondochter Marjon Griffioen is ervan overtuigd dat ze een verhaal vormen dat verteld moet worden. Door een boek te schrijven over Wim Randsdorp wil ze hem een stem geven, een stem die het verhaal van zijn laatste levensjaar vertelt. Hoewel er volgens Marjon tussen 200.000 en 300.000 tewerkgestelde Nederlanders geweest zijn, waarvan er ongeveer 29.000 zijn omgekomen, is er weinig over hen bekend geworden. Over onderduikers hebben we geleerd door bijvoorbeeld het dagboek van Anne Frank. In de vele brieven van Wim Randsdorp schrijft ook hij, als in een dagboek, over alledaagse dingen zoals de smaak van het eten en het grote gebrek aan voldoende ervan, over zelf kleding moeten wassen, kapotte sokken en schoenen en zijn behoefte aan warme klompen, over behoefte aan wat geld voor kleine uitgaven. Hij wil echter vooral niet laten zien dat hij het soms zó moeilijk heeft en weigert bij de pakken neer te gaan zitten. Zijn heimwee naar Holland, familie, vrienden, verjaardagen en zijn toenemende angst blijken tussen de regels door steeds duidelijker. Hij put een enorme hoop en steun uit zijn geloof en probeert zo vaak mogelijk troost in de katholieke kerk te vinden. Hoop en wanhoop strijden om een plek, hij blijft proberen de moed erin te houden, telt af naar de jaarwisseling van 1942-1943 en naar zijn verlof, waarvan hij steeds meer gaat inzien dat dit er nooit gaat komen … Het is een aangrijpend en invoelbaar document geworden, met een verhaal dat niet alleen voor de familie belangrijk is, maar ons allemaal een beeld geeft van de worsteling van deze Wim en vele andere tewerkgestelden in Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Absoluut een aanrader. Zie het als een vorm van eerbetoon aan hem en zijn familie dat we in het Nieuwsblad van dit kwartaal zijn Lisses Kwartiertje geplaatst hebben. In onderstaand artikel gaat het vooral om de voorouders van Wim Randsdorp.

Gijsbertus Ransdorp en Jannigje van Zoelen

Waarschijnlijk rond 1810 trouwen Gijsbertus Randsdorp en Jannigje van Zoelen, mogelijk in Jutphaas. Er worden uit dit huwelijk in elk geval zeven kinderen geboren. Aanvankelijk woont het gezin in IJsselstein – waar de eerste vier kinderen geboren worden – en verhuist dan naar Jutphaas. Beide plaatsen liggen onder de rook van Utrecht, niet ver van elkaar vandaan. In Jutphaas overlijden begin 1818 de kleine Jan van vijf jaar en Kaatje van twee jaar oud. In oktober van het jaar daarop, komt als vijfde kind Jan Randsdorp ter wereld. Hij is later de overgrootvader van Wim Randsdorp. Na Jan worden nog twee dochters geboren. Het beroep van vader Gijsbertus is hoepelmaker. Van zijn overlijden in 1839 doet zoon Willem aangifte op het gemeentehuis, ook hij is hoepelmaker.

Overgrootvader Jan Randsdorp en zijn vrouw Barbara

In 1850 trouwt Jan Randsdorp, als dertigjarige kleerbleker in Utrecht met Barbara Maarschalkerweerd, een kleerbleekster van 26 jaar oud. Na zijn vader is nu ook de moeder van Jan overleden, net als beide ouders van de bruid. Als getuigen van het huwelijk zijn alleen een oom en een broer van Barbara en een neef van Jan aanwezig als nauwste verwanten. De bruidegom schrijft zijn naam onder de huwelijksakte, de bruid verklaart niet te kunnen schrijven. Het gezin woont in Utrecht, daar worden de eerste kinderen geboren, waaronder Gijsbertus Johannes in 1852. Tegen het jaar 1860 verhuist het gezin naar Jutphaas. De naam Johannes Gijsbertus moet in het gezin heel belangrijk geweest zijn, want er zijn maar liefst vier kinderen met die voornamen geboren: het eerste kindje in 1851 wordt slechts 10 maanden oud; het jongetje daarna geboren in 1855 wordt maar vier jaar oud; het derde naamgenootje leeft nog geen drie maanden en alleen de zoon die in maart 1866 wordt geboren, is volwassen geworden en pas op middelbare leeftijd overleden. Vader Jan Randsdorp is nog lange tijd kleerbleeker gebleven en wordt later hoepelmaker. Voordat ook hij in 1866 overlijdt, woont en werkt hij als hoepelmaker in Jutphaas.

Grootvader Gijsbertus Johannes Randsdorp

In 1877, trouwt Gijsbertus Johannes Randsdorp met dienstbode Kornelia van Breukelen uit IJsselstein. Vader Jan Randsdorp is al overleden maar moeder Randsdorp is bij de huwelijksvoltrekking aanwezig en geeft haar toestemming. Oom Willem Randsdorp, de broer van vader treedt op als getuige voor de bruidegom, hij is 60 jaar en nog steeds hoepelmaker. Naast de veldwachter zijn er nog twee getuigen, bekenden van het bruidspaar, inwoners van Jutphaas en beiden hoepelmakers. De moeder van de bruidegom, zijn oom Wim en ook de ouders van de bruid verklaren door onkunde niet te kunnen schrijven of hunne namen te teekenen. Het bruidspaar vestigt zich in Jutphaas waar in augustus 1878 het eerste kind geboren wordt. In Jutphaas volgen nog vier kinderen, alleen zoontje Jan wordt slechts 15 maanden oud. Vader Gijsbertus Johannes (Gijs) wordt in de aktes aanvankelijk steeds als arbeider aangeduid – een niet specifieke beroepsnaam – maar staat vanaf 1883 genoteerd als hoepelmaker. Het gezin verhuist naar IJsselstein waar in november 1886 Johanna geboren wordt. Zij overlijdt echter al na drie dagen. Ook haar zusje Cornelia wordt een jaar later maar enkele dagen oud.

Hoepelmakers en griendcultuur

Vooral langs de lagere delen van de rivieren vinden we de hoepelmakers. Het griendhout, of wilgenhout, gedijt heel goed op akkers die regelmatig onder water komen te staan en vochtig blijven. Door de grote toename van de bevolking in de 19e eeuw, is er steeds meer vraag naar levensmiddelen. Die worden dikwijls vervoerd in vaatjes, bijeengehouden door hoepels van wilgenhout. De grote vraag naar deze hoepels leidt tot grootschalige aanplant van grienden en tot een bloei van het beroep hoepelmaker. De hoepelmaker klooft geschilde tenen of stokken wilgenhout in tweeën, en buigt die na het weken tot hoepels, die vooral gebruikt worden rond haring- of botervaatjes. Rond IJsselstein en Jutphaas zijn veel grienden en hoepelmakers geweest.

Houten tonnen met wilgen hoepels in de visverwerking (coll. Het Geheugen van Nederland)

Rond 1900 wordt het aantal hoepelmakers echter zó groot dat dit van negatieve invloed is op de prijs van de hoepels en de lonen van de hoepelmakers blijven daardoor laag. Vlees zou er in hun gezinnen nog maar zelden op tafel komen, de knolraap die ze in plaats daarvan dikwijls eten, wordt dan ook wel hoepmakers spek genoemd. De industrie van het hoepelmaken verdwijnt dan ook meer en meer rond het begin van de 20e eeuw en de grienden zijn weer weilanden geworden.

Familie Randsdorp van kerk naar kerk

De lage lonen voor de hoepelmakers zullen van invloed geweest zijn op het vertrek van de familie Randsdorp uit hun woonplaats IJsselstein. Volgens het Bevolkingsregister van hun oude woonplaats is het gezin in juni 1888 naar Hengelo vertrokken. In 1893 blijkt het gezin in Enschede te wonen. Vader Gijs komt met vrouw en vier kinderen voor in het Bevolkingsregister van deze stad. In juni 1893 wordt op den Berkenkamp, wijk C nog een zoon Gijsbertus Johannes geboren. Vader is dan geen hoepelmaker meer, maar staat als arbeider geregistreerd. Hoewel hij later in documenten voorkomt als timmerman en metselaar, wordt in deze akte geen specifiek beroep genoemd.

St. Agathakerk in Lisse – bouw 1902 -1903

Lisette van der Lans schrijft in haar boek ‘St. Agatha 1903-2003’ over Gijs(bertus) Randsdorp dat hij heeft meegebouwd aan kerken in Enschede, Vilsteren en Den Haag. Het lijkt aannemelijk dat hij eveneens betrokken geweest is bij de bouw van de noodkerk in Hengelo. Deze wordt in 1888 gebouwd in de tuin van de pastorie en wordt gebruikt, voorafgaand aan de bouw van de Sint-Lambertusbasiliek. In 1893-1894 heeft Gijs in Enschede waarschijnlijk bijgedragen aan de bouw van de St. Jozefkerk, een Rooms Katholieke kerk die in die jaren gebouwd is, vooral om kerkruimte te bieden aan de textielarbeiders die zich daar eind 19e eeuw in groten getale vestigden. Heel bijzonder aan het bestek voor de bouw van deze St. Jozefkerk zijn de daarin opgenomen arbeidsvoorwaarden. De werklieden krijgen een verzekering tegen ongelukken op de bouw en er worden schriksteigers aangebracht. Goed drinkwater en behoorlijke privaten moeten op de bouwplaats beschikbaar zijn en er mag niet langer dan elf uur per dag gewerkt worden. Maar er staat óók in de voorwaarden dat het vloeken verboden is!

Familie Randsdorp, middenonder Kornelia van Breukelen met kinderen en aangetrouwde kinderen (coll. Lisette van der Lans)

Later zijn in Vilsteren tussen 1896 en 1897 de Sint Willibrorduskerk gebouwd en in Den Haag is in 1898 de Onze-Lieve-Vrouw van Goede Raadkerk geconsacreerd. Ook aan deze katholieke kerken heeft Gijsbertus Johannes waarschijnlijk meegebouwd. Volgens Lisette van der Lans, in haar bovengenoemde boek, trekken in die periode vaklieden uit alle delen van het land, van plek naar plek om te kunnen meewerken aan de bouw van grote, nieuwe RK kerken. Als je het geluk had te worden aangenomen, dan had je minstens een jaar werk. Zo zou ook Gijs Randsdorp als metselaar met zijn gezin naar Lisse gekomen zijn. Rond 1902 heeft hij zijn woonwagen geparkeerd, naast die van de anderen, op het terrein van de nieuw te bouwen Sint Agathakerk. Op 1 november 1905 staat het gezin volgens het Bevolkingsregister van Lisse op C70 officieel ingeschreven in een ‘echte’ woning, op de Grachtweg nummer 37. Alleen zoon Johannes Gijsbertus is in Jutphaas gebleven en is daar getrouwd, de overige kinderen komen naar Lisse. Barbara, Huibert en Johannes Cornelis trouwen in Lisse, maar de jongste zoon Gijsbertus Johannes blijft voorlopig nog op de Grachtweg wonen. Vader Gijs overlijdt in 1915 en zijn weduwe in 1934. Volgens Erik Vergunst in zijn boek ‘de Geschiedenis van Lisse in oude ansichten en plattegronden’, is het huis in 1959 verkocht aan Franciscus Johannes Hogervorst. Gedurende lange tijd heeft deze een schoenwinkel op dit adres gehad.

Grachtweg 37, na de familie Randsdorp kwam hier Hogervorst schoenen (coll. Beeldbank Lisse)

 

 

 

Johannes Cornelis Randsdorp

Het boek ”Nu zie ik je nooit meer..”, van Marjon Griffioen

Net als zijn vader is Johannes Cornelis metselaar geworden. Hij trouwt in 1908 met Klazina Elisabeth Koelewijn, die met haar ouders al geruime tijd in Lisse woont, op het stukje Heereweg tussen de Nieuwstraat en Julianastraat. Het jonge gezin trekt voor enige tijd in op Grachtweg 37, waar de eerste twee kinderen geboren worden. Daarna woont het gezin enkele jaren in de Van der Veldstraat, waar nog in elk geval vier van de kinderen geboren worden. Uiteindelijk neemt het gezin haar intrek in Julianastraat 113. Over dit gezin waaruit in totaal veertien kinderen geboren zijn, en waarvan helaas één kindje al heel jong is overleden, heeft Marjon Griffioen zelf al een heleboel verteld in haar boek over Wim Randsdorp.

Bronnen:

Nu zie ik je nooit meer – Marjon Griffioen;

St. Agatha 1903-2003 – De glorie en roem van katholiek Lisse – Lisette van der Lans;

Geschiedenis van Lisse in oude ansichten en plattegronden – Erik Vergunst;

Utrechts Archief; Bevolkingsregisters IJsselstein, Enschede, Lisse; Canon van IJsselstein, Hoepelmakers; Monumentenregister Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; Hoepelmakerij P. v.d. Brand en zoon;

Beeldbank Lisse – Genealogie; ProGen VOL;

FamilySearch; Wikipedia, Encyclo – online Encyclopedie Ons erfgoed, oude beroepen

Naschrift

Het boek ”Nu zie ik je nooit meer..”, van Marjon Griffioen is verkrijgbaar bij boekhandel Grimbergen. Prijs € 20,20 Het is te leen in de bibliotheek en bij Vereniging Oud Lisse ter inzage. Ook te bestellen via https://vermeer. mijnbestseller.nl/shop/index.php/historyand-politics/biographies-and-memoirs. html.

Familie geschiedenis van Van der Tang (20): een korte zijsprong in het familieverhaal

Jan Hovink heeft een negentiende-eeuwse portretfoto. Mensen op de foto’s worden beschreven.

Door Aad van der Tang

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 3, juli 2015

Deze foto is van J Höving

Jan J. Hoving (1923), een achterkleinzoon van Aart van der Boon en Gouda van der Tang, bezit een groot aantal negentiende-eeuwse portretfoto’s. De namen van de afgebeelde personen zijn in veel gevallen niet bekend. Eén van deze “naamloze” foto’s is waarschijnlijk wel thuis te brengen. Geheel links staat een meisje, ongetwijfeld het oudste van de vier geportretteerde kinderen. Haar linkerarm rust op een stoel waarop een veel jonger meisje zit. De jongen en het meisje ter rechterzijde van de kleuter zijn ongeveer even oud.
Op de achterkant van het fotootje (formaat visitekaart) staan de naam van de fotograaf en zijn adres: “C.C. Roskam, Utrechtschestraat tusschen de Keizersgracht en Kerkstraat Z 60 Amsterdam.” Het als adres vermelden van een buurt (in dit geval buurt Z) gevolgd door een huisnummer wijst erop dat de foto vermoedelijk vóór 1875 is gemaakt. (In dat jaar werd in Amsterdam de nog steeds gangbare huisnummering ingevoerd.) In Steven Wachlins tweedelige uitgave Photographers in the Netherland (Den Haag 2011) lezen we dat de fotograaf Coenraad Cornelis Roskam (1829-1892) sedert 1870 op genoemd adres gevestigd was. Gouda van der Tang overleed op 26 februari 1874 te Lisse, 38 jaar oud. “Uit een hoogst gelukkig huwelijk van bijna vijftien jaren laat zij mij vier kinderen na, nog te jong om hun verlies te beseffen”, schreef Aart van der Boon in haar overlijdensadvertentie. De grootmoeder van moederszijde van Jan Hoving was Hendrieka (“Riek”) van der Boon (1870-1946), de jongste dochter van Aart en Gouda. Aangenomen dat zij het meisje op de stoel is dan zou de foto op grond van haar leeftijd rond 1874 kunnen worden gedateerd. Haar oudste zus Alida Gezina (“Alida” of “Aad”) was toen elf jaar en haar broer Dirk Jan (“Jan”) en haar zus Jacoba Magdalena (“Coba) respectievelijk tien en acht jaar Alida van der Boon trouwde in 1889 te Amsterdam met de weduwnaar Hermanus Bernardus Willemsen, eigenaar van een toen zeer vermaard café-restaurant aan de Heiligeweg waar veel bekende schrijvers (de zogenaamde Tachtigers) over de vloer kwamen.

Deze foto is van J. Höving

 

(Ook de arts en letterkundige Dr. Arnold Aletrino, een schoonzoon van de Lissese notaris Mr. Dirk Johannes van Stockum, behoorde tot deze literaire beweging.) Het kleine café dat Willemsen in 1899 in de Begijnensteeg opende heet tegenwoordig “De Engelse
Reet”. Jan van der Boon trouwde in 1894 in het Belgische Etterbeek met een Française en emigreerde in 1917 met zijn gezin naar de Verenigde Staten. Hij stierf in 1944 in New York. Coba trouwde in 1907 met de gepensioneerde
spoorwegambtenaar Hendrik Johannes Walle, die nogal “deftig” sprak. Zij overleed in 1943, haar oudste zus Aad twee jaar later. Wat Riek van der Boon betreft: zij trouwde in 1894 met Johannes George van Driel, die bij zijn zwager Willemsen in dienst trad en na diens dood in 1920 eigenaar van het café in de Begijnensteeg werd. Aan haar jeugd in Lisse bewaarde Riek goede herinneringen: de boerderij van haar vader, zijn landerijen “zover als je kon kijken” en natuurlijk die boerenknecht, die alsmaar scheten liet…..

Familiegeschiedenis van Van der Tang (19)

De periode rond 1860 wordt beschreven. O.a. Jaap van der Boom en Cornelis Jongbloed komen aan de orde.

Door Aad van der Tang

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 2, april 2015

Twee kleinzonen
Jan van der Boon behoorde tot de boerenstand en het is de vraag of hij Gouda van der Tang, die in Amsterdam dienstbode was geweest, wel goed genoeg voor zijn zoon vond. Maar waarschijnlijk had zijn schoonmoeder Geesje Slootheer net zo over hem gedacht, toen hij met haar zwangere dochter moest trouwen. Ruim een maand na haar huwelijk, op 26 mei 1859, beviel Gouda op de boerderij van haar schoonvader van een zoon, die naar opa Van der Boon werd vernoemd.

Zal Jan van der Boon ingenomen zijn geweest met zijn eerste kleinkind, heel anders lag het met het kleinkind dat in december van dat jaar op de boerderij ter wereld kwam en dat bij de burgerlijke stand werd aangegeven als… Aart Jacobus van der Boon. Van de dochters van Jan van der Boon waren na de dood van hun zus Jansje in 1856 alleen Gerarda en Gezina nog in leven. Gerarda vierde op 2 juli 1859 haar dertigste verjaardag, maar veel reden tot feestvreugde was er niet. Wellicht nam ze haar broer als eerste in vertrouwen en was het vervolgens Aart die zijn vader de blijde boodschap overbracht: Gerarda verwachtte een kind. De verwekker was Cornelis Jongbloed, die ook bij Aarts huwelijk getuige was geweest. Of Jan van der Boon deze boerenknecht uit de Haarlemmermeer (dat verderfelijke oord) als ideale schoonzoon zag valt te betwijfelen. Op 5 december werd dokter Thomas Nieuwenhuisen op de boerderij van haar vader ontboden om Gerarda, “ongehuwd en zonder beroep”, te helpen bevallen. Aart was als enige familielid getuige toen zijn zus en Cornelis Jongbloed enkele weken later in het huwelijk traden en bij die gelegenheid hun zoontje Aart Jacobus van der Boon (die van nu af de achternaam Jongbloed zou dragen) erkenden en wettigden.

Met Jongbloed zou Aart nog veel te maken krijgen: in 1869 werden ze eigenaar van De Witte Zwaan nadat de vorige
eigenaar, Aarts andere zwager Albert van Mantgem, failliet was gegaan.

Klik hier voor het volgende deel

HOOGKAMER, een familie in Lisse

De voorouders van Cornelis Martinus Hoogkamer worden weergegeven. Zijn voorvader overleed in Lisse in 1708.

door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 2, april 2015

De kwartaalbijdrage van onze genealogie-groep heet dan wel het Lisses Kwartiertje, maar het is elke keer weer een uitdaging om een kwartierdrager te kiezen die een echte binding met Lisse heeft gehad en waarvan ten minste een deel van de voorouders echt geworteld is geweest in de gemeenschap van Lisse. Dit keer de familie Hoogkamer.
Anna Schrama Het ligt misschien niet voor de hand, maar Anna Schrama uit dit Kwartiertje heeft echt Lisserse Hoogkamer-wortels. Voorvader Hendrik Jansz Hoogkamer is overleden in Lisse in 1708. In leven was hij behalve bouwman ook ambachtsbewaarder van Lisse. Zijn zoon Gerrit Hendriksz Hoogkamer trouwde in 1699 met de dochter van Jan Jansz van der Fits. In het boek ‘De Aagtenkerk van Lisse’ beschrijft A.M. Hulkenberg de boedelscheiding in 1708 waarbij een boerderij met 92 roeden grond bij het Mallegat, uit de nalatenschap van schoonvader Van der Fits, gebruikt is voor het huisvesten van de katholieke schuurkerk aan de Achterweg. Gerrit Hendrikz was rooms armmeester in Lisse en uiterst gelovig. Hij voorzag zijn kerk en haar parochianen van alles wat hij zich kon veroorloven. Zijn zoon Jan Gerritz Hoogkamer trouwt in 1730 met Maria van Beijeren en voor dit huwelijk moeten zij maar liefst dertig gulden aan impost – een soort inkomstenbelasting – betalen. Bij het passeren van een langstlevende testament, bij notaris Jacob van Dorp, worden zij samen aangeduid als ‘bou(w)lieden tot Lisse’. In 1742 wordt Jan Gerritz aangeslagen voor twaalf gulden belasting op een inkomen in de derde klasse, van 800 tot 1000 gulden per jaar! Drie jaar later is dat weliswaar verminderd tot acht gulden in de tweede klasse, maar hij wordt in het betreffende belastingkohier nog wel aangeduid als ‘bouwman’ met twee dienstboden in huis. Hij  overlijdt op 45-jarige leeftijd.

Dochter Agatha Jansdr Hoogkamer wordt in februari 1732 in Lisse katholiek gedoopt en zij trouwt in 1755 met Gijsbertus Gerritz Schramade uit Vogelenzang. Hij is houtkoper op Dever in Lisse. Er worden in Lisse zeven kinderen Schramade geboren uit dit huwelijk. De familienaam Hoogkamer verdwijnt daarmee voor de duur van slechts twee generaties. Hun zoon Johannes Gijze Schrama(de) wordt in 1758 gedoopt in Lisse. Hij trouwt in Sassenheim met Catharina Klaasze Hoogeveen. Zij overlijdt echter al in 1801 op 30-jarige leeftijd, nadat ze vijf kinderen het leven geschonken heeft. En hún zoon Cornelis Schrama geboren in 1800 in Sassenheim trouwt in Hillegom met Agatha Kromhout. Het tweede van de tien kinderen uit dit huwelijk is hun dochter Anna Schrama. Met haar huwelijk met Johannes Hoogkamer in 1847 komt de oude familienaam Hoogkamer weer in de stamboom terug. Maar als deze beide families al aan elkaar verwant zijn geweest, dan moet dat in elk geval vele generaties terug geweest zijn. Het gezin verhuist naar Lisse, waar hun twaalf kinderen ter wereld komen.

Johannes Hoogkamer

De stamvader van Johannes is dan wel degelijk een Hoogkamer maar deze is in het geheel geen Lisser, hij woont in Rijnsburg. Deze Crijn Pietersz Hoogkamer is in 1678 geboren. Hij trouwt in Oegstgeest en krijgt met zijn vrouw Neeltje Dirksdr Reijers vijf kinderen. De jongste is zoon Reijer Crijnsz. Reijer Crijnsz Hoogkamer is in 1713 gedoopt in Oegstgeest. In de ‘Lyste van zodaanige Weerbare Mannen van 15 tot 60 jaaren oud’ binnen het gebied Rijnsburg wordt hij als nummer 138 vermeld. Hij overlijdt in Rijnsburg op 64-jarige leeftijd en uit de ‘Staat en Inventaris’ van zijn boedel, goederen, schulden en lasten, blijkt dat hij Meester Rietdekker is geweest. Hij trouwde met Leuntje Pietersdr van der Burg en kreeg met haar zeven kinderen. Zoon Petrus Reijersz Hoogkamer, gedoopt in 1757 in Katwijk, is rietdekker, net als zijn vader. Hij trouwt met Mareitje Hendriks van Houten en woont daarna in Noordwijk. Zij krijgen twee zoons. Samen met zijn twee jaar oudere broer Crijn komt hij voor op de lijst van weerbare mannen in 1784. Vermeld wordt dat sommigen op de lijst van een eigen geweer voorzien zijn terwijl anderen, zodra erom verzocht wordt, in staat zijn er op eigen kosten een aan te schaffen. Pieter (Petrus) staat op nummer 104 op die lijst. Hij overlijdt echter al op 31-jarige leeftijd. Zijn weduwe hertrouwt met een andere rietdekker uit Noordwijk.

De jongste van de twee zoons is Hendri(c)k. Hij wordt geboren in Noordwijk en trouwt daar al op 19-jarige leeftijd, met Jaapje (Jacoba) Hoogeveen. Hendri(c)k wordt rietdekker, net als zijn vader geweest was. Hun tien kinderen zijn allemaal in Lisse geboren. De eerste in februari 1810. Vanaf toen werd ook deze familietak Hoogkamer een Lissese geschiedenis.

Hendrik Hoogkamer en Jacoba Hoogeveen

Rietdekker Hendrik en zijn vrouw en kinderen wonen in 1830 op de Delfweg 103, later werd dat de Stationsweg. Hun oudste zoon Pieter werd slechts tien dagen oud en de tweeling van enkele jaren later is op de dag van geboorte overleden. Dochter Niesje (Agnes) woont als dienstmeisje op een boerderij vlak bij Dever, de overige kinderen wonen nog bij hun ouders. De tweede zoon Pieter is in 1842 in het ouderlijk huis gestorven. Dochter Niesje is getrouwd met Cornelis Beijk en gaat op de Heereweg wonen zo ongeveer tegenover de huidige Julianastraat. Zoon Jacobus trouwde Antje Ruigrok maar is slechts enkele jaren later overleden. Zijn weduwe is kort daarna met hun zoontje naar Lisse gegaan en daar bevallen van hun tweede zoontje. Ze hertrouwt met schipper Smakman en gaat wonen in het huis naast schoonzuster Niesje Hoogkamer. Inmiddels is uit het nieuwe huwelijk een zoontje geboren, twee volgende kinderen overlijden echter al heel jong. Twee maanden na de laatste bevalling overlijdt Antje Ruigrok zelf ook. Moeder Jacoba overlijdt in 1846 waarna vader Hendrik Hoogkamer al snel hertrouwd is. Begin april 1848 wordt hun zoon Henricus geboren maar hij overlijdt al na drie dagen en eind april overlijdt ook Hendrik Hoogkamer zelf waarna zijn weduwe naar Alkemade verhuist. De nog thuis wonende kinderen van Jacoba en Hendrik Hoogkamer gaan allen het huis uit en weduwnaar Smakman trekt met de twee zoontjes Hoogkamer van zijn overleden vrouw en zijn eigen zoontje van nu vier jaar oud naar het leeggekomen huis op 103, inmiddels Halfwegsteeg genoemd. Dochter Maria is begin september 1845 met Cornelis Berkhout getrouwd en gaat op het Vierkant wonen, in een huis dat tussen het latere huis van Pijnacker en de boekhandel Van der Klugt gestaan moet hebben. Hun eerste kind wordt eind september al geboren, maar is naamloos overleden. En Johannes die eerst nog thuis woonde, rietdekker was zoals zijn vader, trekt uit het ouderlijk huis en gaat naar huis 198 aan het ‘Oostend’ op de Heereweg, naast het latere huis van de familie Blokhuis op de hoek van de Nassaustraat. Johannes trouwt met Antje (Anna) Schrama uit Hillegom. Hij staat als (land)arbeider genoteerd als baby Jaapje (Jacoba) Hoogkamer op de Heereweg geboren wordt.

Boerderij Hoogkamer

In de Kanaalstraat moet een boerderij Hoogkamer hebben gestaan

Lang geleden is er al een boerderij Hoogkamer in het gebied richting Voorhout geweest, maar ook in Lisse moet een boerderij Hoogkamer gestaan hebben, op de Broekweg, nu Kanaalstraat. Ernaast was de boerderij van Hulsbosch. Na de sloop van boerderij Hoogkamer is er een nieuw pand gekomen waar tegenwoordig het bedrijf van Paul Windt gevestigd is. Cornelis Berkhout en Maria Hoogkamer trekken rond 1850 in het ene deel van deze boerderij terwijl broer Johannes Hoogkamer en zijn vrouw Antje in de andere helft gaan wonen. Daar worden ook de overige kinderen geboren. Deze boerderij wordt later, vlak vóór zijn overlijden in februari 1859, door Cornelis Berkhout aan zijn zwager Johannes Hoogkamer verkocht. Op de boerderij overlijdt Antje Schrama in januari 1900 en in november ook Johannes Hoogkamer. Schoonzoon Jan Nulkes, echtgenoot van dochter Jacoba Hoogkamer, neemt de boerderij in 1901 over.

Cornelis Hoogkamer en Marijtje Langeveld

De Halfwegsteeg. Het is niet bekend waar de familie woonde.

Johannes Hoogkamer’s zoon Cornelis wordt bloemistknecht en trouwt in 1880 met Marijtje Langeveld en samen gaan zij op de Halfwegsteeg wonen. Ze krijgen zeven kinderen., Alleen dochtertje Anna wordt slechts vier maanden oud, zoon Petrus Johannis is in 1882 geboren. Marijtjes vader komt bij hen in huis wonen en overlijdt daar in 1899. Cornelis’ zus Catharina trouwt met een broer van Marijtje en zij wonen nog enige tijd op boerderij Hoogkamer, tot de verkoop in 1926 waarna sloop volgt en vervanging door het huidige pand. De Halfwegsteeg krijgt de naam Stationsweg. Cornelis en Marijtje wonen op nummer 104. Naast hen woont het gezin Salman. Hun dochter Maria Wilhelmina trouwt in 1907 met de zoon van de buren, Petrus Johannis Hoogkamer. Cornelis’ vrouw Marijtje Langeveld overlijdt in 1916. Ze werd 59 jaar. Haar weduwnaar Cornelis, is op 73-jarige leeftijd overleden in de Pius, het toenmalige katholieke bejaardenhuis naast de Agathakerk.

Petrus Johannis en Maria Salman

Na hun huwelijk in 1907 gaan Petrus Johannis en zijn vrouw Maria eveneens op de Stationsweg wonen, schuin tegenover de (schoon)ouders, op nummer 35. Petrus Johannis verdient de kost als bloemistknecht of landarbeider. Hun oudste zoon is al overleden toen hij pas tien dagen oud was, uiteindelijk bestaat het gezin uit vier kinderen. De jongste van het stel is Cornelis Martinus Hoogkamer, hij wordt in 1917 geboren. Maar dan overlijdt in 1919 de 35-jarige moeder van de vier kleine kinderen Hoogkamer. Petrus Johannis blijft als weduwnaar achter om de kinderen groot te brengen. Zijn jongste zoon wordt uiteindelijk bloemistknecht, net als zijn vader, en ten minste twee van de drie dochters trouwen met een echtgenoot die eveneens in de bloembollen werkt. Als Petrus Johannis 73 jaar oud is, overlijdt hij net als zijn vader bijna dertig jaar eerder in de Pius in Lisse. Zoon Cornelis Martinus trouwt als hij 21 jaar is in Bloemendaal met Johanna Maria Warmerdam. Ze hebben op de Emmastraat in Lisse gewoond en uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren. Zowel Cornelis Martinus Hoogkamer als zijn vrouw zijn meer dan tachtig jaar oud geworden en in Lisse overleden.

Familiegeschiedenis van Van der Tang (18)

De trouwerij van Aart van der Boon en Gouda van der Tang in 1859 wordt beschreven.

door Aad van der Tang

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 1, januari 2015

Aart en Gouda
Toen Gouda van der Tang haar vader vertelde dat ze zwanger was van de zoon van Jan van der Boon zal dat voor Dirk van der Tang geen schokkend nieuws zijn geweest. Aart van der Boon was een goede partij en bovendien kenden beide families elkaar al heel lang. En wat Dirks oudste zoon betreft: Bas van der Tang zag zijn vriend graag als zijn zwager. Hij was dan ook de aangewezen persoon om bij diens huwelijk getuige te zijn.

Burgemeester J.C. van Rosse.

Aart Jacobus van der Boon en Gouda van der Tang werden op zondag 17 april 1859 door burgemeester Van Rosse in de echt verbonden. Ofschoon alle blangstelling op die dag naar het bruidspaar uitging was het ook een mooie gelegenheid om de nieuwe vrouw van Dirk van der Tang en haar dochter te leren kennen. Omdat ze ver van het dorp af woonden hadden Elisabeth en Henriette nog maar weinig Lissers ontmoet. Dat was inmiddels wel het geval met de jonge bosbaas Marinus Veldhuijsen van Zanten, die met zijn gezin eveneens op Veenenburg woonde. En wat veldwachter Zijlmans betreft: wie in Lisse kende hem niet? Ook hij had vandaag als “goede bekende” zijn handtekening onder de huwelijksakte gezet, iets wat hij nog heel vaak voor Lisser bruidsparen zou doen. En net als nu zou hem dan tijdens het bruiloftsfeest als dank een borrel worden aangeboden. Kees van der Tang legde Henriette uit wie de andere gasten op het huwelijksfeest waren. Die wat drukke vrouw was tante Aaltje van der Tang, een zus van zijn vader. De man die haar vergezelde was niet haar zoon maar haar echtgenoot. Ome Klaas Kok, de tweede man van tante Aaltje, was ruim twintig jaar jonger dan zij. Aaltjes dochter Grietje Zonderwijk was er ook. Ze wierp haar neef een kus toe en Henriette wendde geërgerd haar hoofd af. Haastig hervatte Kees zijn uitleg. Daar waren tante Metje van der Tang uit Bennebroek (haar man Simon Galjaard was wegens ziekte verhinderd) en tante Elisabeth Renst van der Tang, een kinderloze weduwe uit Haarlem die na de dood van haar man bij haar ouders in Lisse was gaan wonen. De oude vrouw op wie de tantes een oogje hielden was hun moeder Teuntje van Tol, sedert vorig jaar weduwe van Kees van der Tang. Naast Teuntje zat de even oude Dirkje Tibboel van Klaveren, een tante van de bruidegom. Haar zoon, de zadelmaker Aart Tibboel, bevond zich ook onder de gasten evenals de broers Willem en Jan van der Meij. Hun zus Keetje Dona van der Meij was uit Den Haag overgekomen samen met een jonge man, die door zijn artistiek uiterlijk Henriettes belangstelling trok. Kees’ broers en zussen kende ze al, maar Anna, de brugwachtersvrouw, keurde haar geen blik waardig. Dat gold ook voor de vrouw van Gijsbert van der Tang. Jan van der Boon groette Henriette en haar moeder beleefd maar tot een gesprek kwam het niet. Bezorgd keek hij naar zijn zoon, die door de hoeveelheid sterke drank die hij had genuttigd steeds luidruchtiger werd. Aart trachtte zijn hoogzwangere vrouw tot een dansje te verleiden, tot grote ergernis van zijn zussen. Toen dat niet lukte wenkte hij de kleine Teuntje, met wie hij zich op de dansvloer waagde. Tot grote hilariteit van de aanwezigen bracht ze het er beter vanaf dan haar zwager, die zich maar met moeite staande kon houden.
Terwijl er op de bruiloft flink werd gedanst en gezongen zat Teuntje van Tol, gekleed in ouderwetse boerinnendracht, stil voor zich uit te kijken. Als meisje was ze er bij geweest toen haar zus Gouda van Tol met Jacob Gabel trouwde. Toen droegen de mannen nog pruiken en waren er overal paterjotten, die plaaggeesten van de Prins. Een halve eeuw later was ze aanwezig op het trouwfeest van haar dochter Gouda van der Tang en Hendrik Kramm (er verscheen een pijnlijke trek rond haar mond) en nu, weer vele jaren later, was ze eregast op de trouwerij van haar kleindochter Gouda van der Tang en de kleinzoon van Geesje Slootheer. Niet alleen Geesje groette haar maar ook andere dierbaren, die alleen zij waarnam. Haar halfzusje Grietje van der Bron had gelukkig weer blos op haar wangen
en hun vader Barend van den Bron, wiens pruik scheef op zijn hoofd stond, glom van tevredenheid. En hoe heette die Franssprekende heer ook al weer? Maar toen ze haar schoonvader Bastiaan van der Tang in het gezelschap meende te ontwaren keerde ze met een schok tot de werkelijkheid terug. Ze had zich vergist: het was niet haar schoonvader maar haar zoon Dirk. En bij hem bevonden zich die Amsterdamse vrouw en haar dochter. Aaltje van der Tang en Elisabeth van der Linden praatten met elkaar alsof ze elkaar al jaren kenden. Aaltje boog voorover om aan haar nieuwe schoonzus haar achterhoofd te tonen. Maar Elisabeth kon Aaltje verzekeren dat van de wond op haar hoofd niets meer te zien was. Ook al was het nu bijna negen jaar geleden dat Aaltje in het dorp door een onverlaat was
gemolesteerd, het zat haar nog steeds erg hoog. Van Kees had Henriette begrepen dat die artistieke jongeman uit Den Haag Johannes Dona heette en kunstschilder was. Hij en zijn moeder vertrokken al vroeg op de avond, wat Henriette wel jammer vond. Ze hoopte dat zij snel hun voorbeeld zou kunnen volgen. Ze had onderhand genoeg van die feestende plattelanders! Toen Teuntje van der Tang van haar grootmoeder afscheid nam hield Teuntje van Tol de hand van haar jongste kleindochter even vast en keek haar diep in de ogen. Vervolgens richtte ze haar blik op Aart van der Boon en schudde mismoedig haar hoofd. Op de terugweg naar Veenenburg spraken Dirk van der Tang en Elisabeth van der Linden zacht met elkaar. Ze hadden het er al vaker over gehad: Elisabeth en Henriette hadden het niet naar hun zin op het landgoed en wilden graag terug naar Amsterdam. Maar Dirk zag er tegenop zijn mooie baan als zandbaas op te zeggen. Er viel een ongemakkelijke stilte.\

Klik hier voor het volgende deel

Familiegeschiedenis Van Van der Tang(17)

Elisabeth van der Linden ging met Dirk van der Tang mee naar Lisse. Haar kinderen uit haar eerste huwelijk Hariëtte en George Haselbach worden beschreven.

door Aad van der Tang

NIEUWSBLAD Jaargang 13 nummer 3, juli 2014

Naar Lisse

Nadat bekend was geworden dat Haselbach was overleden werd er geen rente meer uitgekeerd. In financieel opzicht kwam een nieuw huwelijk Elisabeth dus goed uit. En wat ook belangrijk was: de sterke en oudere Dirk van der Tang – met wie ze ruim veertig jaar lief en leed zou delen – leek in geen enkel opzicht op haar eerste man, die er blijkbaar met een andere vrouw vandoor was gegaan. Terwijl Elisabeth van der Linden met Dirk, Henriette en Kees naar Lisse reisde spookten allerlei gedachten door haar hoofd. Hoe zou haar nieuwe schoonfamilie haar ontvangen? En wat zouden Dirks andere kinderen van hun stiefmoeder vinden, met name zijn dochtertjes? Ze was realistisch genoeg om te beseffen dat het leven op het landgoed Veenenburg heel anders zou zijn dan in de Jordaan. De natuur was er mooi en de lucht schoon. Maar kon je daar als stadsmens aarden?

Lisse zou in haar levensboek een kort hoofdstuk blijken te zijn.

Henriette Haselbach

Ook voor Henriette Haselbach zal de overgang groot zijn geweest. Je vraagt je af waarom ze met haar moeder meeging en niet in Amsterdam bleef wonen. Ze was tenslotte een jonge vrouw van eenentwintig jaar die best voor zichzelf kon zorgen. Of had ze een lichaamsgebrek waardoor ze van haar moeder afhankelijk was?

Ze benijdde haar broer George, die de wereldzeeën bevoer en verre, vreemde landen bezocht. Op het landgoed Veenenburg viel niet veel te beleven, of het moesten de zandafgravingen zijn waaraan haar stiefvader leiding gaf.

Jan Leembruggen, de eigenaar van het landgoed en de broodheer van Dirk van der Tang, was na de zomer in Amsterdam teruggekeerd, zodat Henriette met deze heer van stand geen kennis kon maken. Met diens zoon Gerard Leembruggen, die in Hillegom woonde, zou dat wel kunnen. Maar na de dood van zijn vrouw was de man in somberheid vervallen en liet hij de opvoeding van zijn kinderen aan een strenge Engelse gouvernante over. Geen gezellige man dus.

Nu het weer nog redelijk was kon Kees van der Tang zijn stiefzuster de omgeving laten zien, net als Keetje van der Meij zo’n dertig jaar eerder had gedaan met haar vriend Eduard Asser. Er waren plannen om het grote huis op het aangrenzende landgoed Keukenhof om te toveren tot een heus kasteel. Maar Kees kon Henriette daarvan nog niets laten zien, behalve dan het inmiddels gereedgekomen koetshuis. En het huis Dever, dat andere “kasteel” in Lisse, bleek tot Henriettes teleurstelling een ruïne te zijn. Toen november 1858 koud uitviel kwam er een eind aan deze uitstapjes.

Henriette had nu alle tijd om na te denken. Vooral haar vader verscheen vaak voor haar geestesoog. Hoe goed had ze hem en zijn familie gekend? Haar vader, toen nog lid van de Firma Hanrath en Haselbach, was in 1846 getuige geweest bij het huwelijk van zijn halfzusje Elisabeth Meder met Gerard Davijt. Henriette en George waren al geboren maar hun ouders waren nog niet getrouwd. Die schande is de oude heer Meder tenminste bespaard gebleven, dacht Henriette bitter. Tante Constantia Haselbach, de enige zus van haar vader, had wel een goed huwelijk gedaan. Haar schoonvader Joannes Petrus van Rossum was een rijke koopman en eigenaar van enkele buitenplaatsen in Naarden. Ook Constantia’s zwager Abraham Everardus Dudok van Heel behoorde tot een welgestelde familie.

Arme tante Elisabeth Meder… Het had haar in het leven niet meegezeten. In hetzelfde jaar dat ze haar man verloor stierven twee van haar kindertjes en bezweek zij zelf aan de tering. Henriette was toen net veertien. Hoe zat het ook al weer met grootmoeder Constantia Rahder? Christiaan Haselbach was haar tweede man en Meder haar derde. Maar hoe luidde de naam van haar eerste man? Het schoot Henriette weer te binnen: Jan Hendrik Wencker. Haar vader was naar hem vernoemd. De zoon van grootmoeder Rahder en Wencker trouwde met een dochter uit Meders eerste huwelijk. Tante Elisabeth Meder was in hun huis in Den Haag overleden.

Hoe zou Henriettes leven er hebben uitgezien als haar moeder tot dezelfde stand had behoord als haar vader? Ze schrok uit haar overpeinzingen op doordat iemand aan haar mouw trok.  Het was de kleine Teuntje die om haar aandacht vroeg. Zuchtend nam Henriette haar stiefzusje op schoot.

George Haselbach

Ofschoon de zeevarende broer van Henriette in het bevolkingsregister van Lisse stond ingeschreven heeft hij er waarschijnlijk nooit gewoond. Misschien was hij niet eens in het land toen zijn moeder met Dirk van der Tang trouwde. Op een dag vroeg een vreemdeling aan de waard van De Witte Zwaan de weg naar het landgoed Veenenburg. De jongeman droeg, net als de boerenjongens, ringen in zijn oor (ook Kees van der Tang droeg ze) maar gezien zijn Amsterdams accent kwam hij niet van het platteland.

Henriette verkeerde weer in een gemoedsstemming waarbij het adagio espressivo uit Schumanns tweede symfonie toepasselijke muziek zou zijn geweest. Terwijl grauwe wolken overdreven verlangde ze meer dan ooit naar de drukte van de stad. Leunend tegen een boom keek ze naar de modderige zandweg die vanuit het dorp naar Veenenburg leidde. Er liep een man. Toen hij dichterbij kwam herkende ze hem. Wellicht met enige jaloezie zag Kees van der Tang hoe Henriette en de vreemdeling elkaar innig omhelsden. Of de eerste kennismaking tussen Kees van der Tang en zijn stiefbroer werkelijk zo is verlopen weten we niet. In elk geval waren Henriette en haar moeder maar wat blij hem weer te zien. Tussen Kees en George zal het wel goed hebben gezeten: Kees van der Tang vernoemde later een van zijn kinderen naar hem. Teuntje van der Tangs oudste zoon heette ook George.

Als chef-hofmeester op de Holland-Amerika Lijnschepen Rotterdam en Statendam zou George van der Boon, net als George Haselbach, een groot deel van zijn leven op zee doorbrengen. Maar dat lag nog in de schoot der toekomst verborgen. Nu had Teuntje andere dingen aan haar hoofd. Haar grote zus Gouda zou binnenkort gaan trouwen met Aart van der Boon en ze keek erg naar hun huwelijksfeest uit.

Klik hier voor het volgende deel

Landhuis Veenenburg

Van Waveren, koopman in brandstoffen

Pieter van Waveren (1799-1885) werd marktschipper en koopman. Hij werd handelaar in brandstoffen. Zijn zoon Cornelis nam dit over. Zijn opslagplaats lag aan de Grachtweg waar nu de ingang van de 1e havendwarsstraat is. In 1964 ging WAVO naar de Nassaustraat.

Laura Bemelman

NIEUWSBLAD Jaargang 13 nummer 3, juli 2014

 

Aan de Weser, een rivier in Duitsland, ligt het kleine plaatsje Hahlen. Het ligt zo’n vijf kilometer van de grotere stad Minden, en circa vijftig kilometer van Enschede vandaan. Pieter (Hendrik) von Wefer, zoals zijn naam oorspronkelijk gespeld zou zijn, is daar rond 1755 geboren. Hij trok naar Holland en vestigde zich in Hillegom, waar al twee van zijn ooms bekend waren. Zijn naam is mede daardoor vermoedelijk al snel via ‘Waever’ vernederlandst tot (van) W(a)averen. Pieter trouwde in 1782 in Hillegom. Uit zijn eerste huwelijk werden vier kinderen geboren, zijn vrouw overleed en Pieter hertrouwde niet lang daarna en kreeg nog tien kinderen. Zoon Pieter is uit dit tweede huwelijk geboren in Hillegom, in 1799.

Pieter van Waveren 1799 – 1885

Kroniek van de Lisser timmerman en molenmaker Cornelis van der Zaal

Kroniek van de Lisser timmerman en molenmaker Cornelis van der Zaal

Veel van zijn broers werden tuinder, zoals hun vader, of bloemist, maar Pieter werd marktschipper en koopman. Hij trouwde in 1826 met Maria van der Zaal. Haar vader is de bekende Lissese timmerman, molenmaker en kroniekschrijver, Cornelis van der Zaal. Haar moeder is Maartje Binnendijk. Er zijn twaalf kinderen uit het huwelijk van Pieter en Maria geboren. Het achtste kind was Cornelis van Waveren, geboren in 1835. Maria van der Zaal is in 1863 overleden. Twee jaar na haar overlijden, is de weduwnaar Pieter op 65-jarige leeftijd hertrouwd, een huwelijk dat nog ruim twintig jaar geduurd heeft. Uit het tweede huwelijk zijn geen kinderen geboren. Pieter werd vijfentachtig jaar en zijn tweede vrouw zelfs zesennegentig. Bij haar overlijden wordt in het ‘Register van begraven’ in Lisse genoteerd: ‘Maaike Anne de Boer is de stiefmoeder van C. van Waveren’. Een opvallende opmerking en dat maakt nieuwsgierig naar de achtergrond ervan. Dan blijkt dat van de twaalf kinderen uit het eerste huwelijk van Pieter van Waveren, er maar liefst zes tussen het eerste en derde levensjaar gestorven zijn. De oudste zoon Pieter overlijdt twee jaar eerder dan zijn stiefmoeder. De dochters Gesina, Maartje en Maria, trouwen en vertrekken uit Lisse.

Zoon Simon leeft in 1898 nog en woont in Lisse, net als zijn broer Cornelis, als hun stiefmoeder in Lisse wordt begraven. Waarom alleen Cornelis als stiefzoon genoemd wordt, laat zich mogelijk verklaren uit de woon- en werksituatie van vader Pieter en zoon Cornelis van Waveren. Cornelis heeft de zaken van zijn vader overgenomen, na het overlijden van zijn moeder, en hij trekt weer in het ouderlijk huis, als zijn vader bij zijn tweede huwelijk op de Heereweg gaat wonen. Hun leven is daardoor misschien meer verweven geweest, dan dat tussen vader Pieter en zoon Simon, die bloemist word.

Vader Pieter en zoon Cornelis van Waveren

Aan de haven van Lisse, een eindje van de kade af en daardoor op oude foto’s niet goed traceerbaar, zou het huis van Pieter van Waveren gestaan hebben. Pieter woonde daar met zijn gezin, hij was schipper en koopman. Als zijn eerste vrouw overlijdt, hertrouwt Pieter en gaat op de Heereweg wonen, waar later bakker Freriks zich zou vestigen. Zijn tweede vrouw woont daar al, een weduwe met een dochter, als Pieter met zijn twee jongste kinderen bij haar intrekt. Zoon Cornelis is al in 1858 getrouwd en woont aanvankelijk op de Broekweg – nu Kanaalstraat – naast de (latere) boerderij van melkboer Hulsebosch. Hij is dan marktschipper. Als zijn moeder overlijdt en zijn  vader naar de Heereweg vertrekt, komt Cornelis met zijn gezin terug naar de Grachtweg en neemt de zaken van zijn vader over. In 1885 overlijdt Pieter. Ook de jongste kinderen wonen dan allang op zichzelf en de tweede vrouw – weduwe Maaike de Boer – vertrekt uit Lisse en gaat naar ’s Gravenhage. Ze wordt uiteindelijk wel, in 1898, in Lisse begraven.

Cornelis van Waveren 1835 – 1899

Cornelis van Waveren is in 1835 in Lisse geboren, als achtste kind in het gezin. Hij wordt (markt)schipper en koopman. Hij trouwt in 1858 met Hendrika Telkamp uit Hillegom, de dochter van een tuinier/bloemist. Na het overlijden van zijn moeder trekt hij met zijn gezin dus weer in het ouderlijk huis aan de haven van Lisse, terwijl zijn vader zijn oude dag slijt op de Heereweg. Hij gaat verder met de zaak die zijn vader begonnen is als handelaar in brandstoffen. Na het overlijden van zijn vader worden huis en schuur op de Grachtweg eigendom van Cornelis. Dichter bij de kade van de Gracht wordt een nieuw woonhuis gebouwd. Met zijn vrouw krijgt hij maar liefst negentien kinderen. Daarvan zijn er zes al heel jong gestorven en drie in een leeftijd tussen tien en twintig jaar oud. Het zesde kind in het gezin is Pieter (Cnz), geboren in l865 in Lisse. In 1899 is Cornelis van Waveren in Lisse overleden. Zijn achtergebleven weduwe Hendrika Telkamp zet na het overlijden van haar man als de ‘weduwe C. van Waveren, handelaarster in brandstoffen’, de onderneming van haar overleden man voort, maar kan het blijkbaar toch niet bolwerken. In oktober 1904 wordt het faillissement in Haarlem uitgesproken en in de krant gepubliceerd. In augustus van het jaar daarop iszij op 68-jarige leeftijd in Lisse overleden. Het huis aan de haven van Lisse wordt dan verkocht aan de gebroeders Van Parijs. De handel in brandstoffen wordt op dat adres gestaakt. Cornelis’ zoon Pieter is dan elders in Lisse al enige tijd in zijn eigen onderneming bezig.

Pieter Cnz van Waveren 1865 – 1935

Cornelis’ zoon Pieter heeft het ouderlijk huis ruim voor het overlijden van zijn vader al verlaten. Hij is in 1895 in Lisse getrouwd met Johanna Margaretha Marseille. Haar vader en grootvader waren van de bekende familie van huisschilders Marseille in Lisse. Johanna is een kind uit het tweede huwelijk van haar vader, met Geertrui Damiaans. Pieter is brandstoffenhandelaar, net als zijn vader. Hij koopt twee oude huizen op de Heereweg, laat deze huizen slopen en bouwt op die plek een nieuw dubbel woonhuis. Al in 1915 komt hij in de telefoonlijst van de regio Lisse voor als ‘P. Cz. van Waveren, brandstoffen, Dorpsstraat 93B, later werd dit adres bekend als Heereweg 118. Pieter van Waveren en Johanna krijgen slechts twee kinderen. De oudste zoon, Cornelis, is geboren in 1897 en zijn broer Gerrit een jaar later, In 1921 overlijdt Johanna Marseille op 53-jarige leeftijd. Geen van beide kinderen hebben de handel in brandstoffen voortgezet, hun vader Pieter vindt een compagnon voor zijn steenkolenhandel.

Van Waveren & Van der Voort – brandstoffenhandel

Tankwagen van Wavo.
Mimiatuur van Chris Balkenende

Begin twintiger jaren van de vorige eeuw gaat Pieter van Waveren een vennootschap aan met Johannes Petrus van der Voort, ze handelen aanvankelijk in steenkolen. De vennoot is in Vinkeveen geboren, trouwt in 1912 in Lisse en blijft er met zijn gezin wonen. In 1935 overlijden beide vennoten kort na elkaar en de weduwe Van der Voort wordt dan eigenaar van het huis aan de Heereweg. Zij verkoopt het aan haar zoon Simon Johannes van der Voort. Deze zet de handel in brandstoffen voort onder de ‘oude’ firmanaam Van Waveren & Van der Voort, later ook ‘Wavo’ genoemd. Als in 1941 de brandstoffen ‘op de bon’ gaan, wordt deze firma een van de beperkte groep officiële leveranciers. Nog zes andere bedrijven in Lisse, waaronder Slottje op de Kanaalstraat, horen tot die groep die brandstoffen mag leveren, weliswaar onder strikt bepaalde voorwaarden. In 1951 stijgen de prijzen van de steenkolen aanzienlijk en worden er maximumprijzen ingevoerd. Eerste kwaliteit antraciet-nootjes kosten dan ƒ 8,80 per hectoliter, maar de eierbriketten zijn voordeliger, daarvoor betaal je ƒ 5,60. De prijzen voor gas en elektriciteit zijn aan de kolenprijzen gekoppeld en worden per kubieke meter c.q. per kilowattuur met ƒ 0,01 verhoogd. De opslagplaats voor kolen van de firma Wavo is dan aan de haven van Lisse, tussen de Hobahohallen en de huidige Basso in. Rond 1964 is het bedrijf verhuisd van Heereweg 118 naar een perceel aan de Nassaustraat, tussen de hoek van de Heereweg en de Wagenstraat. Wavo ontwikkelt zich tot een brandstoffen- en garagebedrijf en is tijdens de ‘benzineoorlog’ van 1966 de eerste in Lisse met een ‘witte’ benzinepomp met concurrerende prijzen.

Cornelis en Gerrit van Waveren

Cornelis van Waveen

Gerrit van Waveren is kantoorbediende geworden. Zijn oudere broer Cornelis trouwt met Lena van Eendenburg en werkt bij een bank in Lisse. Hij specialiseert zich in buitenlandse valuta. Daar is in Lisse behoefte aan, want het dorp bloeit in die tijd, door de bloembollenhandel en de export ervan, letterlijk en figuurlijk op. Het ouderlijk huis van de broers Cornelis en Gerrit aan de Heereweg is in de zeventiger jaren van de vorige eeuw gesloopt. En begin negentiger jaren moeten alle bedrijven die zich binnen het gebied aan de kop van de Nassaustraat tot aan de Wagenstraat bevinden, plaatsmaken voor woningbouw. Van Waveren & Van der Voort is er dan al niet meer.

Bronnen:

ProGen VOL,

Thijs van Dop – home.versatel.nl/vanwaveren;

DTB – Nationaal Archief Den Haag;

Bevolkingsregisters en Belastingkohier Lisse 1920-1921 -Gemeente Lisse;

Erik Vergunst – Lisse in oude ansichten en plattegronden,

Erfgoed Leiden – Historische kranten;

Telefoonlijst 1915 en 1950,

adresboekje 1972-1973 Lisse;

A.M. Hulkenberg – Lisse in Oude Ansichten (deel 2).

Foto haven: coll. in t’ Veld,

foto miniatuurvrachtwagen Wavo: coll. Chris Balkenende

 

 

 

 

Familiegeschiedenis van Van der Tang (16)

De periode rond 1850 wordt besproken. Elisabeth van der Linden, dirk van der Tang en de familie Hasselbach komen aan de orde.

Door Aad van der Tang

NIEUWSBLAD Jaargang 13 nummer 2, april 2014

Elisabeth van der Linden

Elisabeth van der Linden was twaalf jaar jonger dan Dirk van der Tang. Ze woonde in de Tweede Leliedwarsstraat te Amsterdam en had twee kinderen van rond de twintig, Henriette en George. Haar zoon zag ze niet vaak omdat hij zeevarend was. Haar man was twee jaar tevoren in Duitsland overleden en het duurde vrij lang eer ze over een afschrift van zijn overlijdensakte kon beschikken. En toen dat document er eindelijk was moest het nog door een beëdigd vertaler uit het Duits worden overgezet.

Op 21 oktober 1858 gaven Dirk van der Tang (met zijn 54 jaar niet zo jong meer) en Elisabeth van der Linden elkaar in het stadhuis van Amsterdam het jawoord. Dirks zoon Kees trad voor zijn vader als getuige op. Kees van der Tang, die bij het 6e Regiment Infanterie had gediend en sedert een jaar met groot verlof was, was nog minderjarig. Om hem toch als getuige bij zijn huwelijk te kunnen laten optreden had Dirk bij de ondertrouw opgegeven dat zijn zoon al 25 jaar was. Was Kees de enige van de broers Van der Tang die zijn vader steunde in diens partnerkeuze?

Nadat Dirk zijn verloving had bekendgemaakt was Kees in de gelegenheid geweest om Elisabeth van der Linden en haar dochter (hij en Henriette waren even oud) in Amsterdam te ontmoeten – een kennismaking die hem zo goed kan zijn bevallen, dat hij graag met zijn vader meeging.

De huwelijksafkondigingen hadden in Lisse plaatsgevonden. Heel het dorp meende dus te weten dat Dirks verloofde de weduwe van een Duitser was, een zekere Johann Heinrich Hasselbach.  Dat was niet juist. De vader van Henriette en George heette Jan Hendrik Haselbach en was in 1818 in Amsterdam geboren. In Wiesbaden, waar hij was overleden, hadden ze zijn voornamen verduitst. Zijn overlijdensakte vermeldde dat hij Rentner (rentenier) was. Was Elisabeth van der Linden met een rijke heer getrouwd geweest, die om gezondheidsredenen de warme zoutwaterbronnen van Wiesbaden had bezocht?

Een mesalliance

Elisabeth van der Linden was op 28 augustus 1816 te Amsterdam geboren in de Pencelengang, een steeg van de Prinsengracht tegenover de Noordermarkt. Haar jeugd speelde zich grotendeels in de Jordaan af, wat aan haar accent waarschijnlijk wel te horen was. Op 13 september 1837 werd ze moeder van een dochter, Henriette Elisabeth, en twee jaar later, op 13 augustus 1839, van een zoon die ze George Henry noemde. Aangezien ze niet gehuwd was kregen haar kinderen de achternaam Van der Linden. Hun vader Jan Hendrik Haselbach, een man met een lang gelaat, een smal voorhoofd en bruine ogen, was een stiefzoon van Johan Jakob Meder, een rijke koopman en scheepsreder en oprichter van de Schiedamse distilleerderij J.J. Meder & Zn.

De vader van Jan Hendrik Haselbach woonde op Knapenhof bij Heemstede.

In Berkenrode bij Heemstede bezat Meder de buitenplaats Knapenburg. De door hem aangelegde tuin was volgens tijdgenoten een lust voor het oog. De moeder van Jan Hendrik Haselbach heette Constantia Gesina Rahder. Ook zij was afkomstig uit een welgestelde familie die, net als de Haselbachs en de Meders, haar wortels in Duitsland had.

Het was niet ongewoon dat een jonge heer van goeden huize een relatie had met een vrouw die niet tot zijn stand behoorde. Dat er uit zulke relaties kinderen werden geboren kwam ook voor. De vader was dan niet ongenegen de moeder van zijn buitenechtelijke kinderen financieel bij te staan. Maar een mesalliance (een huwelijk beneden je stand) was uitgesloten. Maar nadat hun relatie meer dan tien jaar had geduurd vroeg Haselbach (of was het andersom?) Elisabeth dan toch ten huwelijk. Op 27 april 1848, kort nadat hij zijn kroost officieel had erkend, verliet hij zijn woning in de Kalverstraat, kocht een bos bloemen en wandelde vervolgens naar het stadhuis. Daar zat Elisabeth op hem te wachten, zich bezorgd afvragend of hij zich misschien op het laatste moment had bedacht.

Meders testament

Haselbachs moeder overleed in 1842, Meder ruim eenjaar later. Beiden werden op het lutherse kerkhof te Muiderberg begraven. Meder had in zijn testament bepaald dat hun graf na zijn begrafenis “ten Eeuwigen dage” gesloten moest blijven en dus niet mocht worden geruimd. Vandaar dat het graf nog steeds bestaat. Meder had zijn testament kort voor zijn dood opgesteld toen hij al ernstig ziek was. In de uitgebreideen gedetailleerde uiterste wilsbeschikking lezen we dat hij zijn stiefzoon het vruchtgenot van twintigduizend gulden legateerde. Met andere woorden: Jan Hendrik Haselbach mocht van dit kapitaal jaarlijks rente genieten. Aan diens zuster Constantia Gesina van Rossum-Haselbach vermaakte Meder het vruchtgenot van dertigduizend gulden, zodat ze uitgebreider kon gaan rentenieren dan haar broer. (Ter vergelijking: Meders fraaie buitenplaats Knapenburg werd na zijn dood voor 24.700 gulden verkocht.) Meder maakte nog een ander onderscheid: als Constantia zou overlijden dan zou het vruchtgenot op haar kinderen – die ze niet kreeg – overgaan. Bij Jan Hendrik Haselbach ontbrak die bepaling. Elisabeth van der Linden zou na zijn dood met de gevolgen ervan worden geconfronteerd.

Haselbach verlaat zijn gezin

Na enkele verhuizingen binnen Amsterdam waren de Haselbachs in mei 1856 op de Prinsengracht neergestreken. Dan blijkt Jan Hendrik Haselbach met onbekende bestemming te zijn vertrokken. We komen hem weer tegen in Den Haag. Hij verblijft daar in een huis aan de Pieterstraat samen met Christina Schneider, een ongehuwde jonge vrouw. Christina Schneider kwam uit Badenheim, Duitsland. Mogelijk reisde Haselbach met haar daarheen om uiteindelijk in Wiesbaden terecht te komen. Daar overleed hij op 27 augustus 1856, 38 jaar oud. Precies twee jaar na zijn begrafenis, op 30 augustus 1858, zette de geestelijke L.W. Eibach zijn handtekening onder het afschrift van de overlijdensakte van Johann Heinrich Hasselbach, waar het Nederlandse gezantschap te Frankfurt om had verzocht. Via het ministerie van Buitenlandse Zaken kwam het stuk, voorzien van indrukwekkende stempels, in Amsterdam terecht. Daar moest het, zoals we weten, eerst nog uit het Duits worden vertaald. Toen kon Elisabeth van der Linden met haar zandbaas uit Lisse trouwen.

Klik hier voor het volgende deel