Berichten

Familiegeschiedenis van Van der Tang (15)

Allerlei perikelen  in de periode rond 1850 worden beschreven.

door Aad van der Tang

NIEUWSBLAD Jaargang 12 nummer 4, oktober 2013

Teuntje van der Tang

Op donderdag 7 oktober 1852, om drie uur in de ochtend, kwam in het huisje van de zandbaas van Veenenburg een meisje ter wereld. Dirk van der Tang en zijn vrouw gaven hun dochter de naam Teuntje. Dirks oude moeder, Teuntje van Tol, was ontroerd toen ze dit nieuws vernam, al liet ze dat misschien niet blijken. Eindelijk had Dirk dan toch een kind naar haar vernoemd. Precies een maand na haar geboorte werd Teuntje van der Tang door dominee Jacobus Kooy gedoopt in de dorpskerk van Lisse.

Teuntje van der Tang woonde New York rond 1930

Vele jaren later – in een ander werelddeel en in een ander tijd­perk – zou Teuntje van der Tang als Mrs. Vanderboon het silhouet van de stad New York ingrijpend zien veranderen en in 1931 de voltooiing nog meemaken van het Empire State Building, destijds het hoogste gebouw ter wereld.

Gijsbert en Bastiaan

Gijsbert van der Tang was de eerste van Dirks kinderen die in het huwe­lijksbootje stapte. In januari 1856 trouwde hij te Voorhout met Sara Maria van Pruissen, enig kind van Cornelis van Pruissen. Gijsberts schoonvader had in 1815 als huzaar onder Boreel te Quarte Bras en bij Waterloo gevoch­ten en was daarna met zijn regiment naar Frankrijk gemarcheerd. Later werd Cornelis van Pruissen veldwachter en gemeentebode in Voorhout en na zijn pensionering landbouwer.

Gijsberts oudere broer Bastiaan trouwde het jaar daarop te Lisse met Bartha Gerarda (“Batje”) de Graaff, een kleindochter van de inmiddels overleden Simon Adrianus de Graaff. Aart van der Boon en Albert Alders waren als “goede bekenden” bij dit huwelijk getuigen. Albert Alders was de eerste brugwachter van de rolbrug in Lisserbroek.

Dirks vrouw overlijdt

Het jaar 1858 bracht voor Dirk van der Tang grote veranderingen. Zijn oudste dochter Anna trouwde in februari met Albert Alders. Dirks vrouw kon “uit hoofde van ziekte” niet bij hun huwelijk aanwezig zijn. Een maand later kwamen hun meerderjarige kinderen in het huisje van hun ouders bijeen om hun handtekening te zetten onder een belastingformulier betref­fende het overlijden van hun in 1856 geboren broertje Herman van der Tang. Ook Dirks vrouw ondertekende het stuk. Dat was op 17 maart. Een dag later stierf ze, 45 jaar oud. In mei zouden zij en Dirk hun dertigjarig huwelijk hebben gevierd.

Een weduwnaar met kleine kinderen kon het zich niet veroorloven lang ongetrouwd te blijven Dirks grootste zorg betrof de opvoeding van zijn jongste kinderen: de twaalfjarige Dirk junior, de zevenjarige Coba en haar twee jaar jongere zusje Teuntje. Dochter Anna, sinds kort mevrouw Alders, had zelf nog geen kinderen en kon dus de moederrol vervullen totdat haar vader een nieuwe vrouw had gevonden.

In juli stierf Dirks vader. Kees van der Tang, die zijn oom Arnout Meerhout en diens buitenplaats nog had gekend en vóór de komst van de Fransen al lid van het dorpsbestuur was geweest, had een mooie leeftijd bereikt: negentig j aar.

Enkele weken later zag burgemeester Van Rosse Dirk van der Tang op­nieuw verschijnen, nu niet om een overlijden aan te geven maar om een af­schrift van zijn doopinschrijving en een uittreksel uit de overlijdensakte van zijn vrouw aan te vragen. Had de heer Van der Tang soms trouwplannen?

Klik hier voor het volgende deel

Familiegeschiedenis van Van der Tang (14)

De periode rond 1850 wordt beschreven. Onder andere wordt van Klaveren en Kramm worden genoemd.

Door Aad van der Tang,

NIEUWSBLAD Jaargang 12 nummer 3, juli 2013

Droogmaking Haarlemmermeer

In januari 1848, enkele maanden na zijn veertiende verjaardag, overleed Aarts moeder. Alida van Klaveren liet haar man met vijf kinderen achter. Jan van der Boon was niet in staat om zelf haar overlijden aan te geven. Dat deden zijn vrienden Siem de Graaff en Willem van der Meij voor hem. Het jaar daarop viel er in het gezin van Jan van der Boon weer een dode te betreuren. Hendrika van der Boon, de oudste zus van Aart die na het overlijden van hun moeder het huishouden had waargenomen, stierf op 24 jarige leeftijd. Sterfte was er ook onder het rundvee van Jan van der Boon, veroorzaakt door de gevreesde longziekte. Inmiddels was de ringvaart gereedgekomen en kon met het droogmaken van het Haarlemmermeer worden begonnen. In juni 1848 trad het stoomgemaal de Leeghwater in werking en een jaar later de Lynden en de Cruquius. Het afsterven van de Waterwolf betekende voor veel mensen die in zijn nabijheid hadden geleefd het einde van een tijdperk. De visserij op het meer behoorde nu tot het verleden en in De Witte Zwaan werden geen Lisser baarzen meer geserveerd. Wel had Aart van der Boon zijn goudvissen nog, die in het wintervertrek van de boerderij rondjes zwommen in hun glazen kom.

Nadat de drie stoomgemalen enige jaren hun werk hadden gedaan en ontelbare liters water in de ringvaart hadden gepompt, begon de bodem van het meer zichtbaar te worden. Toen deze op sommige plaatsen begaanbaar werd ondernamen de jongens uit de omliggende dorpen speurtochten over het met slib en rottende vis bedekte land in de hoop er waardevolle zaken te vinden. Er kwamen inderdaad belangwekkende voorwerpen tevoorschijn, zoals een grote hoeveelheid oude munten, sommige uit de Spaanse tijd, en de restanten van een verdronken dorp. Maar veel tijd om te zoeken was er niet, want al spoedig veranderde het nieuwe land in een uitgestrekte wildernis met planten van “ongewone grootte”, die de ontginning en bebouwing bemoeilijkten. Zeker in de eerste jaren na de droogmaking, toen er van enige beschaving in de nieuwe polder nog geen sprake was, zullen velen met weemoed aan de Waterwolf hebben teruggedacht.

De dood van Hendrik Kramm

Niet alleen bij de Van der Boons vonden droevige gebeurtenissen plaats. In februari 1850 overleed Gouda, de jongste dochter van Kees van der Tang en Teuntje van Tol. Jan van der Boon was in 1837 getuige geweest bij haar huwelijk met zijn vriend Hendrik Kramm en nu ging hij met Hendrik mee om haar overlijden aan te geven. Kramm – vader van twee schoolgaande kinderen – kon dit verlies niet verwerken.

Enkele maanden na het overlijden van hun dochter, in de vroege ochtend van de 4e mei, werden Teuntje van Tol en haar man gewekt door de dienstmeid van Kramm, die bij hem inwoonde. Ze was bezorgd om haar meester want ze kon hem nergens vinden. Samen met de wagenmaker Jan van Rossen begaf Kees van der Tang zich naar het huis van zijn schoonzoon om daar een schokkende ontdekking te doen: Kramm had zich aan een balk verhangen! Ze maakten zijn lichaam los en de inmiddels gearriveerde dokter Thomas Nieuwenhuizen verrichtte nog een aderlating, maar het mocht niet baten. Vervolgens was het dochter Aaltje van der Tang die voor de nodige opschudding zorgde. Aaltje had zich, komend uit ’s Gravendeel, in 1835 met haar man Hendrik Zonderwijk en hun kinderen in Lisse gevestigd. Waren haar ouders blij dat de Zonderwijks twee jaar later naar Hillegom verhuisden, halverwege de jaren veertig trok Aaltje met haar kinderen weer bij hen in en was het met de rust van de twee oude mensen gedaan. Hendrik Zonderwijk overleed in 1845 in Den Haag. Had hij zijn gezin verlaten? Aaltje, die als werkster de kost verdiende, liep op 6 juni 1850 op het Oosteinde van Lisse een zekere H. van Opzeeland tegen het lijf, die haar begon uit te schelden voor hoer en dief. Op de Gracht ontmoette ze hem opnieuw. Ze dook een steeg in, waar hij haar schopte en tot bloedens toe sloeg. Een kleine wond in het achterhoofd was daarvan het bewijs. Van Opzeeland rukte ook de ketting van haar hals en scheurde haar jas, terwijl hij haar nogmaals van diefstal beschuldigde, onder andere van vlees bij slager Van der Meij. Aaltje maakte dezelfde verwijten tegen haar belager. Gelukkig kwam de veldwachter tussenbeide en kon Aaltje gaan uithuilen bij haar ouders aan de Heereweg.

Zandbaas Van der Tang

Dit schilderij van Jan Willem Pieneman, mevr. Elisabeth Leembruggen-Reijnvaan met haar dochter Elisabeth Johanne, hangt in de trouwzaal van ’t Hof te Hillegom. Ook hangt in die zaal het portret van Johannes Leembruggen, geschilderd door Jan Willem
Pieneman.

In het voorjaar van 1851 vestigde Dirk van der Tang zich met zijn vrouw en hun acht kinderen op Veenenburg, een grote buitenplaats onder Lisse en Hillegom. De bij de zanderij gelegen dienstwoning, die de Van der Tangs op de Ie mei van dat jaar betrokken, bevond zich – net als het huis Veenenburg – op het grondgebied van de gemeente Lisse, zodat Dirk na vele jaren weer inwoner van zijn geboorteplaats was. Maar hij bleef waarschijnlijk meer op Hillegom georiënteerd. Dirk had nu een echte baan: hij was zandbaas (opzichter van de zanderij) in dienst van de heer Johannes Leembruggen. Leembruggen behoorde tot een gefortuneerde Leidse familie, waarvan een tak zich met de fabricage van wollen dekens bezighield (Clos en Leembruggen). In 1833 kocht hij de buitenplaats Veenenburg, die ook Hillegomse landerijen omvatte. Leembruggen woonde in Amsterdam. Dirk zag zijn baas voornamelijk in de zomermaanden, wanneer de Leembruggens op Veenenburg verbleven.

Leembruggens zoon Gerard, die met zijn gezin de buitenplaats Het Hof van Hillegom bewoonde, was een verdienstelijk amateurschilder. Dankzij zijn topografische werk kunnen we ons een beeld vormen van de fraaie omgeving van Lisse en Hillegom van vóór de zandafgravingen. Gerard was bevriend met de destijds bekende kunstschilder Jan Willem Pieneman, die van Gerards ouders portretten schilderde. In 1865 zou Gerard Leembruggen tijdens een jachtpartij op Veenenburg verongelukken.

Haarlemmermeer droog

In juli 1852 was de droogmaking van het Haarlemmermeer een feit en kon je de polder oversteken zonder natte voeten te krijgen. De belangstelling van de boerenbevolking voor het drooggelegde meer was groot en uit het hele land trokken kolonisten naar de polder. Maar ook volk van laag allooi zocht er zijn toevlucht. Militairen – die in de omliggende dorpen werden ingekwartierd,onder anderen bij Jan van der Boon – moesten in de polder de orde zien te handhaven.

Vanaf de duinen van Veenenburg keek Dirk van der Tang over het uitgestrekte land, dat eens de bodem van het Haarlemmermeer had gevormd. Nu glinsterde er geen zonlicht meer in het rimpelende water, maar hingen er rookwolken boven een naargeestig landschap, waarin onkruid en riet welig groeiden. De dragonders   wier paarden in de modder wegzakten   staken de schamele hutten van de achtergebleven polderjongens in brand om zo de weg vrij te maken voor de kolonisten. In de polder heerste in die beginperiode bittere armoede, terwijl diefstal en drankmisbruik er veelvuldig voorkwamen.

Reactie

Op blz. 18 stond bij de familiegeschiedenis een schilderij van Veenenburg afgedrukt dat wij ten onrechte toeschreven aan Leembruggen.

Deen Boogerd meldt dat het gaat hier om een schil­derij van A.J. Eymeruit 1830. De linker molen is de molen aan “der Beeck” en de grote molen is de molen van Beelen aan de Gracht. Het schilderij is gemaakt vanaf het landgoed Veenenburg ongeveer vanaf waar nu de Bloembol-lenKeurings Dienst op de Zwartelaan zit.

Klik hier voor het volgende deel

Landhuis Veenenburg

 

 

 

 

Familiegeschiedenis van Aad van der Tang (13)

De periode rond 1831 wordt besproken. Gouda van der Teng en Hendrik Kramm, Simon de Graaff komen voorbij.

Door Aad van der Tang

NIEUWSBLAD Jaargang 12 nummer 2, april 2013

Gouda van der Tang en Hendrik Kramm

Nadat Elisabeth van der Tang in 1831 te Haarlem was getrouwd met de blikslager Abraham Renst, was Gouda, de jongste dochter van Kees van der Tang en Teuntje van Tol, als enige van hun kinderen nog ongehuwd. Met Gouda kon Dirk van der Tang het goed vinden. Zo vernoemde hij zijn tweede dochter niet naar zijn moeder die volgens de regels van de naamgeving toen aan de beurt was maar naar zijn zus. Toen men begon te vrezen dat Gouda niet meer aan de man zou komen, verscheen Heinrich Andreas Gramm in haar leven. Deze uit Duitsland afkomstige vleeshouwer (slager) had zijn naam vernederlandst tot Hendrik Andries Kramm.

De oude Gramm was in de Franse tijd dragonder

Hoewel hij bijna veertig jaar was vroeg hij zijn vader in Duitsland om toestemming voor zijn huwelijk. De oude Gramm, die in de Franse tijd dragonder was geweest, gaf schriftelijk zijn vaderlijke toestemming maar voegde er wel aan toe “dat het mij geheel onverschillig zal zijn, hoe deszelfs bruid ook heeten moge”.

Kramm was bevriend met Jan van der Boon en Willem van der Meij. Op zijn verzoek waren beiden getuigen bij zijn huwelijk, dat op 20 augustus 1837 te Lisse plaatsvond. Voor Gouda traden haar broer Dirk van der Tang en haar zwager Simon Galjaard als getuige op.

Op de trouwdag van zijn zus ontmoette Dirk ook zijn ouders, wat niet vaak gebeurde. Teuntje van Tol zag dat haar kleinkinderen flink waren gegroeid. Bastiaan was nu negen, zijn broer Gijsbert zeven en hun zusje Anna vijfjaar. Goutje, de jongste van het stel, was nog een peuter. Teuntjes schoondochter Coba Visser, in verwachting van haar vijfde kind, was nu een volwassen vrouw en leek niet meer op het meisje waarmee Dirk negen jaar geleden moest trouwen.

Evenals het echtpaar Van der Tang hadden ook Jan van der Boon en Alida van Klaveren vier kinderen. Jansje, hun jongste dochter, was vorig jaar geboren. De oudste twee meisjes, Hendrika en Gerarda, waren respectievelijk twaalf en acht jaar. Hun enige zoon Aart van der Boon was een jaar ouder dan Goutje van der Tang.

Met grootmoederlijke belangstelling zagen Teuntje van Tol en Geesje Slootheer hoe de kinderen van Dirk van der Tang en Jan van der Boon tijdens het trouwfeest van Gouda en Hendrik met elkaar omgingen. Hendrika en Gerarda van der Boon hadden weinig oog voor de broertjes Van der Tang. Op hun beurt hadden Bastiaan en Gijsbert geen aandacht voor de kleuter Aart van der Boon. Die moest zich maar zien te vermaken met Anna of Goutje. Omdat Anna nogal bazig was dribbelde Aart uiteindelijk naar Goutje, die   dat kon hij natuurlijk toen niet weten   net als zijn moeder op 23 november jarig was en ooit zijn vrouw zou worden. Teuntje van Tol en Geesje Slootheer glimlachten veelbetekenend naar elkaar.

Ome Siem

Simon Adrianus de Graaff woonde sedert het begin van de jaren veertig met zijn vrouw Aartje Koger bij de Van der Boons in. Siems vader Jan de Graaff was de vervaardiger van de Lisser Arkadia, een reeks dichterlijke voorstellingen van Lisse uit omstreeks 1770, waarin onder meer de buitenplaats van de familie Meerhout wordt bezongen. Na de inval van de Fransen in 1795 zou Jan de Graaff een mislukte aanslag op de “landverrader” generaal Daendels hebben gepleegd en in een Leidse gevangenis aan zijn verwondingen zijn overleden. Het kostte zijn weduwe zeshonderd gulden om zijn lijk naar Lisse te mogen vervoeren om het daar in de kerk te laten begraven. Haar financiële situatie werd zo zorgelijk, dat ze zichzelf onder curatele liet stellen.

Siem de Graaff was op kosten van zijn rijke ongehuwde oom Meindert de Graaff opgevoed en door hem in diens testament goed bedacht. Maar Siem was geen goed zakenman en zijn grote gezin ondervond daar de gevolgen van. Toen hij bij de Van der Boons woonde werd hij door zijn familie ondersteund, met name door zijn schoonzoon Gijsbert Blokhuis.

Gijsbert Blokhuis was eerder gehuwd geweest met een nicht van Siem de Graaff. Met zijn zwager Hermanus de Graaff (de man van Adriana van der Bron) was Blokhuis tot 1840 deelgenoot in de firma Cornelis de Graaff en Zonen, die het tuinbouwbedrijf uitoefende. Bijna twintig jaar na de dood van zijn eerste vrouw hertrouwde Gijsbert Blokhuis in 1839 met Neeltje, een dochter van Siem de Graaff en diens eerste vrouw Bartha van der Zaal.

Gijsbert Blokhuis was de stamvader van een familie die een burgemeester (van Sassenheim) en enkele wethouders (van Lisse) heeft voortgebracht, maar die toch vooral naam verwierf in de bollenkwekerij. Aart van der Boon verkocht in 1880 zijn laatste landerijen in Lisse aan twee kleinzonen van Gijsbert Blokhuis. Wie tegenwoordig door Lisse wandelt kan niet om het winkelcentrum Blokhuis heen.

Hoewel Siem de Graaff geen directe familie van Aart van der Boon was, zal de jongen in hem een gezellige ouwe oom hebben gezien, die mooie verhalen kon vertellen over het Lisse van vroeger. Siem had ze allemaal gekend, mensen als Aarts grootvader Gerrit van Klaveren, de winkelier Barend van der Bron (die samen met Aart van der Meij het testament van Siems suikeroom had uitgevoerd), de oud burgemeesters Cornelis Tromp en Bastiaan van der Tang, wiens bejaarde zoon Kees en zijn vrouw – de grootouders van Goutje van der Tang – vlakbij woonden. En als zijn geheugen hem in de steek liet dan kon Siem de Graaff altijd nog terugvallen op de kroniek van zijn zwager Cornelis van der Zaal. Maar het verhaal – wat daarvan ook waar mag zijn geweest – over de tragische dood van de vader van ome Siem zal op Aart van der Boon toch de meeste indruk hebben gemaakt.

Toen de grootouders van Aart van der Boon waren gestorven (Geesje Slootheer in maart 1844 en Jacob van der Boon in december van dat jaar) ging Siem de Graaff met Aarts vader mee om hun overlijden bij de burgerlijke stand aan te geven.

Klik hier voor het volgende deel

DE FAMILIES HULSBOSCH EN VAN GRAVEN

Melkboer Hulsbosch woonde in de Kanaalstraat 22 en was gehuwd met Cornelia van Graven. De voorouders worden beschreven.

door Laura Bemelman

NIEUWSBLAD Jaargang 12 nummer 4, oktober 2013

Bevolkingsregister van de gemeente Lisse van 1880 tot 1890

Het Bevolkingsregister van de gemeente is niet anders dan een reeks oude boeken met rijen voor- en achternamen van Lissers die hier hebben gewoond tussen 1830 en 1920. In tijdvakken van tien jaar staan de bewoners en hun gezin ingeschreven, in principe gerangschikt op adres, met enkele aanvullende gegevens ter herkenning. Op het eerste gezicht taaie koek maar er zijn veel bijzonderheden in te ontdekken wanneer iemand daar de tijd en een dosis geduld in steekt. Je kunt erin lezen met wie iemand getrouwd was, welke kinderen, stief- of kleinkinderen tot het gezin behoorden, en of er nog andere personen inwoonden zoals familie of personeel. De geboortedatum en –plaats geven houvast en het beroep een idee van het leven van de bewoners. Het adres in het register geeft de voorouder of familie een plek op de kaart, binnen het dorp. Met dergelijke gegevens komt deze voorouder als het ware weer een beetje tot leven.
Maar de meeste boeken van het Bevolkingsregister geven geen duidelijke adressen. Aanvankelijk werden alle huizen gewoon genummerd als langs een lint van het eerste huis in het dorp tot aan het allerlaatste. In de eerste boeken worden wel straten of wegen genoemd maar die bestaan tegenwoordig vaak niet meer en de nummering van toen is niet gelijk aan die van nu. In latere boeken staan geen straatnamen meer, alleen een nummer van het huis. Toen het dorp nog verder uitgroeide werden de nummers vervangen door wijkletters met een nieuw nummer, later gevolgd door een nog veel groter aantal wijkletters en weer andere volgnummers. Pas na 1920 werden adressen zoals wij die nu kennen gebruikelijk.

Maar waar woonde die voorouder in 1890 in huis C17 in Lisse nu eigenlijk? Dit huis dat kort ervoor nog als huis 140 in wijk C bekend stond, en dáárvoor als huis 335 op de Broekweg en in 1910 weer als G18 werd aangeduid, blijkt tegenwoordig Kanaalstraat 22/22a. Dit was het huis van melkboer Hulsbosch, van wie de voorouders in het ‘Lisses Kwartiertje’, na dit artikel in dit blad staan. De wat oudere Lissers kennen hem vast nog wel, de melkslijter die met melkbussen door de wijk trok om de losse melk uit te venten. Zelf zie ik de witte melkkring op de stoeptegel naast onze voordeur nog heel goed voor me. Daar zette de melkboer steeds de met verse melk vol geschepte melkkan neer. Pas veel later kwamen de glazen melkfl essen met hun zilverpapieren dopjes – die we voor de Missie spaarden – en pas daarna kwamen de kartonnen melkpakken zoals we die nu hebben. Deze oude boerderij van Hulsbosch is nu bekend als pizzeria en pannenkoekenhuis.
Dit voorbeeld geeft aan hoe ingewikkeld het is om uit het Bevolkingsregister af te leiden waar iemand woonde, maar dat het wel heel leuk kan zijn om erachter te komen. Kent u in dit verband het boek van Erik Vergunst: ‘Geschiedenis van Lisse in oude ansichten en plattegronden’? Dit boek geeft een schat aan informatie over panden, over eigenaren en overdracht van bezit vanaf circa 1832 – soms eerder – en over bewoners tussen 1890 en 1920. De gegevens van Vergunst gebruik ik graag als een soort wegwijzer door het Bevolkingsregister. De informatie uit dit boek helpt om het grotere verhaal te ontdekken. De werkgroep Genealogie van de Vereniging Oud Lisse legt de laatste hand aan de bewerking van het Bevolkingsregister in een digitaal bestand. Daarna kunnen veel van die oude gegevens misschien ‘vertaald’ worden naar adressen van nu. Laat ik u meenemen in de geschiedenis van de families Hulsbosch en Van Graven en naar hun plekken op de kaart van Lisse.

Gerrit Hulsbosch

Vóór 1826 komt Gerardus (Gerrit) Hulsbosch uit Noord-Brabant naar Lisse. Hij is koopman in vee en trouwt Helena Riggel. Het gezin woont aanvankelijk op de Grachtweg, in de buurt van de oude korenmolen. Rond 1840 koopt Gerrit een boerderij, aangeduid als Huis nummer 96, op de hoek van de ‘Heere- of Straatweg’ met de ‘Delfweg’. De laatste werd later de ‘Halfwegsteeg’ genoemd, vervolgens ‘Stationsweg’ en tegenwoordig is dit de ‘Berkhoutlaan’. Moeder Helena overlijdt jong en in 1864 overlijdt vader Gerrit. Zijn zoon Jacobus Hulsbosch, hij is veehouder, krijgt de ouderlijke boerderij in eigendom. Behalve een inwonende veehoudersknecht en een dienstbode, blijft alleen zijn zus Jacoba met hem op de boerderij wonen. Het adres is nu Huis 137 op het Oosteinde, maar het is dezelfde plek en dezelfde boerderij. In 1874 trouwt Jacobus met Maria van Bregt. Zus Jacoba vertrekt en de eerste twee kinderen van de nieuwe generatie Hulsbosch worden geboren in Oosteinde 164, een nieuwe aanduiding voor de oude plek. Jacobus Hulsbosch bouwt een huis en een schuur achter de boerderij. In 1886 wordt het laatste van de vier kinderen in dit gezin geboren. Er zijn twee zoons en twee dochters.
Rond 1890 wordt de wijk waarin de boerderij ligt aangeduid als wijk A en het huis is nu genummerd 160. Op nummer A161 is de kuiperij van Daudey, op A162 de bakkerij van Lefeber, slagerij Bauer zit op A167 en bakker Vaneveld op A168. Aan het eind van dit decennium moet de boerderij echter plaats maken voor nieuwbouw en daarom verkoopt Jacobus Hulsbosch zijn bezit aan de Gemeente Lisse. Die sloopt de boerderij en bouwt op deze plek het postkantoor. Het gezin Hulsbosch verhuist naar Huis 140 in wijk C, dat rond die tijd wordt omgenummerd naar C17. Dit is dus de boerderij die we tegenwoordig kennen als de pizzeria en het pannenkoekenhuis. Nu is dat de Kanaalstraat, maar vroeger was dit de Broekweg. Op de hoek met de Heereweg zit dan Schuts, de smid, en op Broekweg C14 tappen de heren Dorrepaal en Wensveen een biertje in Café ’t Loosje, ongeveer waar nu een speelgoedwinkel zit. Rond 1900 wordt Gerardus Theodorus, de zoon van Jacobus, de volgende eigenaar van de boerderij. Hij trouwt met Cornelia van Graven in 1905 en samen krijgen ze vier kinderen: drie dochters en een zoon. Hoewel ze nu in G18 wonen, zijn ze nooit verhuisd. Vader Jacobus Hulsbosch vertrekt met de rest van zijn gezin naar een ander adres in Lisse. Dan overlijdt Gerardus Theodorus Hulsbosch in 1942 en zijn zoon Jacobus Hendrikus Hulsbosch is zijn opvolger op de boerderij. In 1950 is het mogelijk, volgens de Telefoonlijst van Lisse, om de melkhandelaar thuis, op Kanaalstraat 22, op te bellen. Bijna vijfentwintig jaar later is de boerderij, volgens het adresboekje van 1972/1973 van de Gemeente Lisse, gesplitst in twee adressen. Melkboer J.H. Hulsbosch woont op Kanaalstraat 22a, zijn zussen Maria Helena en Jacoba Cornelia Maria delen het adres Kanaalstraat 22.

Cornelis van Graven

Cornelis van Graven verhuist rond 1840 naar Huis 74 op de Heerenweg, naar de boerderij van zijn overleden oom waar nog enkele neven en nichten wonen. Cornelis is landbouwer ofwel bouwman en trouwt in 1842 met Cornelia van Tol. De boerderij ligt dan ergens tussen Huize Wildlust met Jacobus Coenraad Temminck in Huis 71 en De Tol in Huis 76 waar de ‘ontvanger aan de tolboom’ woont. De oude Tol lag ongeveer waar nu de Mendeldreef begint. In het Bevolkingsregister van 1860-1870 wordt Cornelis van Graven als veehouder ingeschreven, hun boerderij is omgenummerd naar Heerenweg Huis 105. Het gezin telt zeven kinderen, waaronder Jacobus, Maria en Hugo. In het volgende tijdvak is het adres opnieuw omgenummerd tot Heerenweg Huis 128. Hun buurman Maarten Driehuizen woont in Huis 129 en in Huis 130 wonen Arie van der Vlugt met zijn vrouw Maria Jonkheer. Daar gaat de Heerenweg over in het Oosteinde. In Huis 131 wonen de tolgaarders. Cornelis van Graven koopt in 1876 een boerderij aan de Broekweg. De vorige bewoner, Georgius Vreeburg, vertrekt daarvandaan naar de woning naast De Witte Zwaan en Cornelis van Graven verhuist naar de Broekweg. Huis 335 is dan de aanduiding voor het adres van de pizzeria met pannenkoekenhuis in de Kanaalstraat nu. Na het overlijden van zijn vrouw Cornelia, verkoopt Cornelis van Graven het complex aan zijn zoon Hugo. Hij blijft daar zelf nog met zoon Hugo en dochter Maria wonen. Cornelis’ zoon Jacobus van Graven blijft achter op de oude boerderij aan de Heereweg. Hij is landbouwer, trouwt met Helena van Ruiten en krijgt met haar vijf kinderen. Een daarvan is zijn dochter Cornelia van Graven, zij trouwt dus later, in 1905, met Gerardus Theodorus Hulsbosch.

Hugo van Graven

Hugo, de andere zoon van Cornelis van Graven, is ook veehouder. Hij trouwt en blijft met vader Cornelis, zus Maria, zijn vrouw en hun kinderen op boerderij Huis 335 op de Broekweg wonen. In 1890 is dat dus eerst Huis 140 in wijk C en daarna aangeduid als C17. In 1892 splitst Hugo het perceel waarop de boerderij staat en hij bouwt op het kleinere, linker perceel een huis met schuur. Dit wordt aangeduid als Huis 139a en daarna als C16. Hugo blijft met zijn gezin op de boerderij wonen, maar zijn vader en zus Maria verhuizen naar het nieuwe huis ernaast. Daar overlijdt dan eerst vader Cornelis en enkele jaren later ook zus Maria. Hugo verkoopt hun huis op C16 aan timmerman Van Zelst, hij koopt voor zichzelf het huis ‘Dubbelhoven’ aan de Achterweg en verhuist met zijn gezin daarheen, en hij verkoopt de boerderij op Broekweg C17 aan Jacobus Hulsbosch, veehouder en de echtgenoot van zijn nichtje Cornelia van Graven, in verband met de bouw van het postkantoor aan de Heereweg.

Bronnen:

Bevolkingsregister Gemeente Lisse – Inv.nrs. 1048 t/m 1073; Erik Vergunst – Lisse in oude ansichten en plattegronden; Het Lisses Kwartiertje van J.H. Hulsbosch – VOL 2013/ nr. 4; Telefoonlijst van Lisse – 1950; Adresboekje Gemeente Lisse 1972/1973.

Kanaalstraat 22/22a, midden rechts de boerderij van Hulsbosch

VAN EEN NAZAAT VAN DE TIMMERMAN-MOLENMAKER

De schrijver heeft aanvullingen op het boek Kroniek van een molenaar. Hij heeft oudere foto’s en een beschrijving van de genealogie van zijn voorouders van der Zaal en A. van Grotenhof.

door Robert van der Zaal

NIEUWSBLAD Jaargang 12 nummer 1, januari 2013

Het moet zijn geweest toen achterneef Herman Buurman “de familiebijbel” van de familie Van der Zaal schonk aan het Museum voor de Bollenstreek “De Zwarte Tulp”. Mijn vader Barend (1926-2009, van Ary van het Kuykehuis) stelde me voor aan onze achternicht Penny Raggers-van der Zaal. Nu wist ik al van mijn vader en zijn broer Albertus “Bert” (19232005) dat Penny documentatie over molens had van één van onze voorvaderen, een molenbouwer. Met een vrijwillig molenaar onder mijn studievrienden was mijn belangstelling voor molens al in de jaren ’80 aangewakkerd en nu had ik de kans Penny te vragen naar de documentatie van onze voorvader. Maar Penny was, terecht, wat terughoudend de handgeschreven documentatie uit te lenen. Ze kon me wel vertellen dat er wat met de documentatie ging gebeuren.
Een jaar of twee geleden, pappa was inmiddels overleden, belde ik Penny eens om te vragen hoe het was met de documentatie. Ze vertelde me dat de manuscripten inmiddels bij een historicus van de Vereniging Oud Lisse lagen om ze te “transcriberen” en te verwerken in een boek. Later kwam ik erachter dat de historicus Bert Kölker was. Heb sindsdien de mensen bij Grimbergen de kop gek gezeurd over wat “Kroniek van de Lisser Timmerman en Molenmaker” zou gaan heten, waarvoor nogmaals mijn excuses.
Toen het felbegeerde boek dan eindelijk afgelopen oktober in mijn bezit was heb ik er van zitten smullen! Uit een onderzoek van de Zwarte Tulp naar drie oude Lisser families van een jaar of 15 geleden had ik al een vrij complete stamboom vanaf het moment dat we in Lisse neerstreken en met de Kroniek heb ik alle vaders tot en met Claes uit Aarlanderveen rond 1460!
In de Kroniek zag ik foto’s waaronder de “oudst bekende foto’s van een Van der Zaal”. Nu vond ik het jammer dat ik (via Penny?) niet eerder met Bert Kölker in contact ben gekomen want oom Bert had GLASPLATEN met foto’s van de ouders van deze Van der Zalen, samen en met een hele schare aan kinderen! Van deze glasplaten heeft oom Bert rond 1989 op papier diverse afdrukken gemaakt plus een interessante beschrijving van het hoe en waarom van deze foto’s. V.O.L. heeft een kopie van deze beschrijving die publicatie in het Nieuwsblad meer dan waard is…. We zien Cornelis, aannemer/eigenaar van het bedrijf aan het Vierkant sinds 1853 (geboren 9 november 1823 in Lisse, overleden 10 maart 1897 te Lisse; zie XIII-1 in Genealogie van der Zaal in Kroniek), kleinzoon van de timmerman-molenmaker van de Kroniek, en zijn vrouw Maria, geboren Marseille, uit Haarlem. Ook zien we Arie van Grotenhof en mijn overgrootvader Albertus, de latere aannemer van het Vierkant met hun broertje Cornelis en zusje Maria op schoot bij hun ouders. De foto van de ouders, Cornelis en Maria, is uit 1853, de foto van het gezin toen kleine Maria een peuter en kleine Cornelis een baby was dus ergens rond 1857. De glasplaat uit 1853 is nog in ons bezit, waar die uit 1857 is gebleven weet ik helaas niet.
Waar pas ik in het verhaal en in Oud Lisse? Om te beginnen was timmerman-molenmaker Cornelis overgrootvader van mijn overgrootvader Van der Zaal. Enkele generaties later trouwde Barend van het Kuykehuis in juli 1957 met Cornelia “Cocky” Wesselo (1932), dochter van de kruidenier op de Herenweg en kleindochter van “Meester Wesselo”, hoofd van de Openbare Lagere School en oprichter van Harmonie Eensgezind, later Trou moet Blycken. Haar opa Wesselo overleed in 1903, een jaar na de geboorte van haar vader. Haar andere opa was Marinus Hekkers, voor de oorlog uitbater van de Witte Zwaan! De plannen van het jonge stel de werkplaats naast het Kuykehuis te verbouwen tot een bungalow werden door toenmalig burgemeester De Graaf gedwarsboomd, ze kochten maar een nieuwbouwhuis in het Nassaupark. Goedbeschouwd weggepest door de burgemeester kochten ze uiteindelijk een huis aan de Parklaan in Sassenheim.

VERHAAL ACHTER DE GLASPLATEN uit 1989 nagelaten door Bert van der Zaal.

In maart 1851 beschreef de engelse beeldhouwer/amateurfotograaf Frederic Scott-Archer in “The Chemist” een nieuwe methode van fotografi e, waarbij collodium werd gebruikt. Deze nieuw ontdekte stof werd gevormd door schietkatoen (nitrocellulose) op te lossen in ether of een mengsel van alcohol en ether. Het collodium, dat kaliumjodide bevat, werd gelijkmatig over een zorgvuldig gereinigde glasplaat gegoten,. Wanneer de ether bijna verdampt was en de collodumlaag nog kleverig werd de plaat in een oplossing van zilvernitraat gedompeld. In natte toestand werd de plaat in een camera belicht. (in droge toestand is de plaat veel minder lichtgevoelig). Na belichting werd het negatief direct ontwikkeld in een pyrogallus ontwikkelaar, gefi xeerd in hypo en gespoeld. De verbeterde lichtgevoeligheid van deze platen betekende, dat de belichtingstijd werd teruggebracht van 1 à 2 min. naar 1 á 2 sec.
In een in 1852 verschenen boekje beschreef Scott-Archer een variatie op zijn vinding, waarbij het collodium negatief werd gebleekt door een behandeling met kwikbromide. Wanneer dit gebleekte negatief op een ondergrond van zwart fl uweel werd gelegd, gaf het een positief beeld te zien. Omdat Archer zijn uitvinding niet gepatenteerd had en het procédé veel eenvoudiger was dan oudere werkwijzen, kon men nu voor een luttel bedrag kwalitatief uitstekende foto’s maken, met weinig kennis van chemie.
In de grote steden maakten kappers, sigarenwinkeliers, kruideniers en zelfs tandartsen als hobby portretten voor een paar stuivers. Op het platteland en in de dorpen werd de portretfotografi e bedreven als kermisattractie.
Toen eind september 1853 op de Lisser kermis de tent van een fotograaf door een windvlaag instortte, had mijn overgrootvader Cornelis van der Zaal met de man te doen en stutte de tent met een paar kapsparren. De fotograaf bood toen aan een portret te maken van hem en zijn vrouw, Maria Marseille. Misschien dacht de fotograaf ‘Als er één schaap over de dam is, volgen er meer’, want het laten maken van een foto was in die tijd een onderneming., die verstrekkende gevolgen kon hebben, zoals overtreding van het 2e gebod, excommunicatie uit de kerk en verlies van klanten enzomeer. Gelukkig was overgrootvader Cornelis voor zijn tijd zeer vooruitstrevend en had lak aan vooroordelen. Toch blijkt uit zijn gezichtsuitdrukking, dat zijn verwachtingen van de moderne techniek niet bijzonder hoog gespannen zijn. Toen een paar jaar later de fotograaf weer op de kermis stond, werd de 2e foto gemaakt, nu van het hele gezin. De kinderen v.l.n.r. Arie, Albertus (mijn grootvader), Cornelis Jr. en het enige zusje Maria.

Het tussen de oude pastorie en de voormalige bank gelegen Kuykehuis

Familiegeschiedenis van Van der Tang (12)

Op 4 november 1833 beviel Alida van Klaveren van een zoon, Aart Jacobus van der Boon was zijn naam . Zijn toekomstige schoonvader was Dirk van der Tang.

Aad van der Tang

NIEUWSBLAD Jaargang 12 nummer 1, januari 2013

Geesjes kleinzoon

Sinds het huwelijk van haar dochter was Geesje Slootheer ver­scheidene keren grootmoeder geworden. Op 4 november 1833 beviel Alida van Klaveren op de boerderij van een zoon en mochten Hendrika en Gerarda van der Boon, aan de hand genomen door hun grootmoeder, hun pasgeboren broertje bewonderen. De boreling werd Aart Jacobus genoemd. Zijn roepnaam dankte hij aan zijn overleden oom Aart van Klaveren, die in Suriname fortuin dacht te maken. Zijn tweede voornaam was afkomstig van zijn grootvader van vaderszij­de, Jacob van der Boon. Aart werd op zondag 17 november 1833 in de dorpskerk gedoopt door dominee Pagenstecher van Groin. Deze neef van de vroegere schout en burgemeester Pagenstecher was toen al twintig jaar predikant in Lisse en zou dat ambt er nog ruim tien jaar bedienen.

Evenals zijn toekomstige schoonvader Dirk van der Tang groeide Aart van der Boon op als enige jongen tussen vier meisjes – Dirk als het jongste en Aart als het middelste kind. Misschien zag Geesje Slootheer in hem de zoon die ze verloren had en wiens gedachtenis ze koesterde. Aart van der Boon moet goede herinneringen aan zijn grootmoeder hebben gehad, want zijn eerste dochter vernoemde hij niet alleen naar zijn moeder maar ook naar haar. De voornamen Alida Gesina komen in de familie nog voor.

Gerrit van Klaveren was lang voor Aarts geboorte overleden. Toch kon Aart van der Boon zich van zijn grootvader een beeld vormen dankzij de mensen die hem van nabij hadden gekend, zoals diens weduwe en zijn tante Dirkje Tibboel, de oudste dochter van Van Klaveren. Met de familie van zijn moeder, zoals de Van der Meij’s en de Tibboels, had Aart van der Boon waarschijnlijk een betere band dan met de familie van vaderskant, die niet in Lisse woonde. Wel heeft Aart grootvader Van der Boon nog gekend want de oude man trok kort voor zijn dood bij hen in.

Cholera

In juli 1832 werd Dirk van der Tang voor de derde keer vader. Nadat Coba Visser hem twee zoons had geschonken – Bastiaan en Gijsbert -bracht ze een dochter ter wereld die Anna werd genoemd, naar Dirks schoonmoeder Anna van Teijlingen. Als hij nog de baldadige Dirk van vroeger was geweest zou het nieuws dat er dit jaar – in Hillegom op 26 augustus – geen kermis mocht worden gehouden hem vreselijk hebben opgewonden. Er heerste cholera in ons land. Ook openbare vermakelijkheden en drinkgelagen werden verboden. Dit leidde bij caféhouders tot protesten omdat zij daardoor inkomsten misliepen. Het gemeentebestuur van Hillegom was bang voor relletjes. Daarom kreeg de oude veldwachter Cornelis Verschoor tijdelijk hulp van een andere ordehandhaver. Met Verschoor had Dirk van der Tang het zes jaar geleden aan de stok gehad. Toen de veldwachter Dirk tegen­kwam was hij dan ook op zijn hoede. Maar Dirk groette hem beleefd en Verschoor tikte tegen zijn pet. Dirk had blijkbaar zijn wilde haren verloren en of het nu daardoor kwam of niet, in Hillegom bleef het rustig.

De Waterwolf

Door de grote overlast die het Haar­lemmermeer soms veroorzaakte werd het meer ook wel de Waterwolf ge­noemd. Twee hevige stormen in het najaar van 1836, de Lissese bakker Rotteveel maakte er in zijn journaal melding van, voerden het water van het Haarlemmermeer gevaarlijk dicht bij Amsterdam. Leiden liep gedeelte­lijk onder water en ook de dorpen rond het meer werden door het watergeweld geteisterd. Er bestonden al heel lang plannen om het Haarlemmermeer droog te maken, maar in 1837 werd daartoe definiet besloten. Leiden lag dwars omdat ze op een groot deel van het meer het visserijrecht be­zat. De stad eiste bijna een miljoen gulden aan schadevergoeding als de inkomsten uit de verpachting van viswater zouden wegvallen. Het besluit tot droogmaking was er dan wel, maar het zou nog ruim tien jaar duren eer daarmee werd begonnen.

Aanleg van de ringrijk om het Haarlemmermeer

Op 5 mei 1840 werd in het “schoone dorp” Hillegom onder veel belangstelling het startsein gegeven tot het graven van de ring vaart rond het Haarlemmer­meer en het opwerpen van de ringdijk. De voorzitter van de commissie die toezicht hield op de droogmaking stak een sierlijk bewerkte spade in de grond, waarmee “de eerste der millioenen steken gronds ter droogma­king van het Haarlemmermeer” een feit was.

Voor de aanleg van de ringvaart en de dijk moesten veel landerijen, schuren en huizen worden onteigend. Vaak was de onteigening oorzaak van processen. Ook van Jan van der Boon werd grond ont­eigend. Later beklaagde hij zich erover dat hij over zijn onteigende landerijen ook nog geacht werd belasting te betalen.

Klik hier voor het volgende deel

 

 

Familiegeschiedenis van Van der Tang (11)

Aad van der Meij woonde op landgoed Roosendaal naast de boerderij van Geesje Slootheer. Van der Meij overleed in 1827. In 1832 werd Roosendaal verkocht aan Ernst Joseph van den Berg.

Door Aad van der Tang

NIEUWSBLAD Jaargang 11 nummer 4, oktober 2012

Idylle op Rosendaal

Aart van der Meij was bijna dertig jaar ouder dan zijn nichtje Alida van Klaveren, over wie hij na de dood van haar vader toeziend voogd was geworden. Ofschoon Aart een volle neef van haar was beschouwde Alida – nu mevrouw Van der Boon – hem vanwege het grote leeftijdsverschil als een oom en diens vier kinderen als haar neven en nichten. Met zijn gezin bewoonde Van der Meij de buitenplaats Rosendaal aan de Straatweg, vlakbij de boerderij van Geesje Slootheer. Hij was stalhouder en verhuurde paarden. oor de zomermaanden bood hij kamers te huur aan,”met een vrije wandeling in een groote Bloemrijke Tuin.” Jan van der Boon heeft Aart van der Meij maar kort gekend want deze stierf “na langdurig sukkelen van twee jaren” in de zomer van 1827. Met diens oudste zoon Willem van der Meij zou Jan de rest van zijn leven bevriend blijven.

Op Rosendaal woonde ook nicht Keetje, de twee jaar jongere zus van Willem van der Meij. Over haar zijn we goed geïnformeerd door de dagboeken die Eduard Isaa’c Asser (1809-1894) in zijn jonge jaren bijhield en die, tezamen met dagboekaantekeningen van zijn zus Netje, door de Amsterdamse archivaris Dr. Isabella H. van Eeghen werden bewerkt en gepubliceerd.

Foto door Eduard Isaac Asservan de 3 kinderen van Netje Asser,
ca 1846, coll. Rijksmuseum

Eduard Asser behoorde tot een vooraanstaande joodse familie uit Amsterdam. Omdat zijn moeder moest herstellen van een ziekte werd in het voorjaar van 1827 gezocht naar een geschikt zomerverblijf. De keuze viel op de buitenplaats Rosendaal van Aart van der Meij, waar ze op l mei introkken. l Ook de piano van Netje Asser ging mee. Eduard Asser, op dat tijdstip achttien jaar, l schrijft kort na zijn aankomst in Lisse in zijn dagboek “Er is in het huisje, waar wij wonen, eene dochter van 20 jaren, die er gansch niet lelijk uitziet, een lief blank  boerinnegezichtje.” Weldra geeft hij Keetje “frissche zoenen”, mag hij haar ring bewaren, schildert hij haar portret en zien we hen op een warme julidag (kort na het overlijden van Keetjes vader) onder de grote perenboom in de boomgaard zitten.”Keetje heeft vele Hollandsche schrijvers en  voornamelijk dichters als Helmers, Tollens, Feith, enz. gelezen. Wie had dat bij een meisje van Lisse gezogt?”

Als de familie Asser zich na enkele maanden opmaakt om naar Amsterdam terug te keren, maakt Eduard een gedicht voor Keetje (“Ik denk aan ’t meisje dat ik kuste”), dat ze overschrijft en aanvult met een eigen afscheidsgedicht.” Onbeschrijfelijk was ik daarvan verrast en getroffen. Een dorpsmeisje zulke lieven verzen te maken en dat voor mij!” Na hun laatste wandeling schrijft Eduard: “Deze avondwandeling zal mij lang in het geheugen blijven. Ik ging met Keetje gearmd. Het is zoo een lief goedig aardig meisje. Ach, waarom is zij niet wat jonger, waarom heeft zij niet eene andere stand? En het grootste, waarom heeft zij eene andere godsdienst?”

Op l september schrijft Eduard in zijn dagboek: “Heden ochtend ben ik zelve vertrokken van het aangename Lisse. Ik kan niet beschrijven, hoe ik daar aangedaan van was. Jufvrouw van der Mey en Keetje hebben zwaar over ons vertrek geweend. Wat zullen die menschen het nu eenzaam hebben. Tegen 3 uren ben ik te Amsterdam gearriveerd. Mijn ligchaam was er toen, maar mijne gedachten waren nog geheel en al op Keetje en Lisse gevestigd.”

Naar Duitsland

De familie Asser bracht vier jaar lang de zomermaanden op Rosendaal door, met uitzondering van de zomer van 1830. Toen reisde Eduard Asser met zijn moeder en zijn zus Netje voor familiebezoek naar Duitsland. Onder de verwanten die ze daar ontmoetten waren de ouders van de componist Felix Mendelssohn Bartholdy. In Weimar zagen ze de beroemde dichter Goethe in een rijtuig voorbijrijden. De oude heer had volgens Eduard “iets goedigs” in zijn gezicht en leek op het beeldje dat Netje van een tante had gekregen. Eduard had zijn vriendin in Lisse weer heel wat te vertellen!

Portret van een oudere Eduard Isaac Asser.
Coll. Joods Hist. Museum

In de zomer van 1831 verbleven de Assers voor het laatst in Lisse. Eduard Asser en Keetje van der Meij gingen nog goed met elkaar om maar hun relatie was niet meer zo innig als in het begin. Keetje logeerde soms in het statige huis van de familie Asser aan het Singel in Amsterdam, waar haar zus Jansje dienstbode was. Ook haar broer Willem van der Meij wist huize Asser te vinden, zoals die keer toen zijn moeder in verlegenheid zat en hij – waarschijnlijk met grote tegenzin – bij de Assers geld voor haar kwam lenen. Jan van der Boon kende ze wel, de mensen die de zomers op Rosendaal doorbrachten. Ze ontvingen er vaak bezoek. Hun deftige gasten uit Amsterdam namen dan de gelegenheid te baat om de mooie omgevingvan Lisse te verkennen en wandelingen te maken naar bezienswaardigheden, zoals het vervallen kasteel Huis Dever, of vanaf de duinen te genieten van het uitzicht op het Haarlemmermeer. En dan naar herberg De Witte Zwaan van Gerrit Veldhorst om er een Lisser baars te verorberen en er vervolgens, met een goed glas binnen handbereik, de indrukken van de dag te laten bezinken.

Prinselijk bezoek

De familie Asser had met enkele vooraanstaande inwoners van Lisse vriendschap gesloten, zoals dokter Van Dieren (wiens vrouw aan dezelfde ziekte leed als mevrouw Asser) en de vrederechter Entinck en zijn vrouw. Ook met de familie De Bronovo stonden de Assers op goede voet. Jetje, de jongste zus van Eduard Asser, mocht samen met haar even oude vriendin Catootje de Bronovo (naar wie in Den Haag een ziekenhuis zou worden genoemd) acte de précense geven toen op zaterdag 17 september 1831 de Prins van Oranje (de latere Koning Willem II) met zijn gevolg door Lisse ging. De kroonprins reisde van Den Haag naar Amsterdam en werd op de tussenliggende dorpen met veel enthousiasme ontvangen vanwege diens optreden tijdens de Tiendaagse Veldtocht. Heel Lisse was met guirlandes, bloemen en vlaggen versierd. In het Vierkant was een erepoort opgericht, waarbij de prins even stopte. Burgemeester Lucas van Arxhoek was volgens ooggetuigen behoorlijk zenuwachtig toen hij de prins toesprak. (Dat was hij niet toen hij enige jaren eerder op ongeveer dezelfde plek Dirk van der Tang een uitbrander gaf.) Jetje en Catootje, beiden in het wit gekleed en oranje sjerpen dragend, boden de prins vervolgens een lauwerkrans met een versje aan.

Studie van een meisje

In 1832 verkocht moeder Van der Meij de buitenplaats Rosendaal (met zijn vele vertrekken, stalling, koetshuis en grote tuin) aan Ernst Joseph van den Bergh, de nieuwbenoemde burgemeester van Lisse. Driejaar later trouwde Keetje van der Meij in Lisse met Johannes Dona, een weduwnaar uit Den Haag met drie kleine kinderen. In 1862 stierf Keetjes zoon, de kunstschilder Johannes Dona junior. Dit verlies greep haar zo erg aan dat ze volgens een familieoverlevering een einde aan haar leven maakte.

Eduard Asser trouwde in 1834 met de dochter van een joodse bankier uit Keulen en vestigde zich als advocaat te Amsterdam. Hij is vooral bekend geworden als een van de pioniers van de fotografie in Nederland de oudst bekende foto’s van Amsterdam zijn van zijn hand). In zijn jeugd beoefende hij de schilderkunst als liefhebberij. Het portret dat hij in Lisse van Keetje van der Meij maakte werd later in Amsterdam en in Keetjes bijzijn door Eduards tekenmeester op gelijkenis beoordeeld. Misschien was dit hetzelfde schilderij, dat in 1845 op een tentoonstelling van Eduards werk in Den Haag – waar Keetje sinds haar huwelijk woonde – als “studie van een meisje” was te zien.

Klik hier voor het volgende deel

Rosendaal Ie helft 18e eeuw. Uit Rhynlands gezichten.

Kroniek van de Lisser timmerman en molenmaker Cornelis van der Zaal

Kroniek Van der Zaal in boekvorm verschenen.

De kroniek van de Lisser timmerman en molenmaker Van der Zaal (1762-1839) is uitgekomen. Kölker heeft eerst de dagboeken van Van der zaal getranscribeerd. Later heeft hij een lopend verhaal gemaakt van alle in onderhoud zijnde molens. Ook het archief van de familie Beelen, molenaars van de korenmolen in Lisse werd gebruikt in het boek. Een genealogie van Van der Zaal ontbreekt niet in het boek.

Nieuwsflits

NIEUWSBLAD Jaargang 11 nummer 4, oktober 2012

Bert Kölker

Het ei is gelegd (maar dan in het West-Fries). Zo opende Bert Kölker zijn toespraakje bij de aanbieding van het eerste exemplaar van de ‘Kroniek van de Lisser Timmerman en Molenmaker Cornelis van der Zaal, 1762-1839′. Dat “het ei” een lange draagtijd had gehad werd in de rest van zijn toespraak maar al te duidelijk. Bert was vanaf 2007 met dit project bezig. Eerst zette hij het manuscript, dat vaak moeilijk te lezen was, om in verstaanbaar Nederlands met respect voor de authentieke tekst. Zo werd leye dus Leiden en aapenis werd Abbenes. En zo zijn er ontelbare voorbeelden te noemen. Een gigantisch karwei, ook omdat Van der Zaal geen leestekens gebruikt. Maar met alleen het transcriberen van de tekst stelde Bert zich niet tevreden. Een genealogie van de Van der Zaals hoorde in dit boek thuis evenals wat basiskennis over molens. Vervolgens ging hij op zoek naar nadere historische gegevens van alle molens waar Van der Zaal aan gewerkt had. Meestal waren het poldermolens en werd ook gezocht naar de geschiedenis van de polders. Hoeveel uren in het archief zijn doorgebracht met navorsingen? Onnoemelijk veel! Een geluk was dat hij tijdens het onderzoek in contact kwam met de familie Beelen, van de korenmolen in Lisse, en hun archief mocht onderzoeken. Dat leverde een schat aan aanvullende informatie op. Bert deed in zijn toespraak dan ook een oproep aan iedereen die over een (bedrijfs)archief in de familie beschikt om daar heel zorgvuldig mee om te

gaan en de gegevens beschikbaar te stellen voor onderzoek. Eind 2011 was Bert’s onderzoek klaar en stond alles in concept. Toen kwam de periode van de vormgeving. Buurman Ron Stolk, pas gepensioneerd, kreeg er bijna een nieuwe job aan. Het werd een rijk geïllustreerd boek, met meer dan 100 illustraties die uit een veelvoud daarvan werden geselecteerd. Mevrouw Penny Raggers, (de overgrootvader van haar overgrootvader schreef de kroniek) zei blij te zijn dat er nu zo’n mooie uitgave ligt. In 1998 was er in Museum de Zwarte Tulp een expositie over ‘Wie zijn die Lissers’ waarbij ook de familie Van der Zaal centraal stond. In de expositie was een schaaf te zien uit 1736. En dat wekte de belangstelling van een lid van de Vereniging Ambacht & Gereedschap. Via de oude schaven uit de familie kwam het logboek ter sprake. Waarschijnlijk zijn de aantekeningen uit de Kroniek opgetekend op basis van andere, uitgebreidere, aantekeningen. Een oud krantenartikel vertelt hier ook over. Daarin zouden uitgebreider persoonlijke aantekeningen gezet zijn. Het heeft er alle schijn van dat deze aantekeningen de basis zijn geweest van het boek ‘In de schaduw der Molenwieken’. Jammer dat deze uitgebreidere aantekeningen spoorloos zijn. Kölkers oproep om familiegeschriften te behouden zal mevr. Raggers uit het hart gegrepen zijn. Bij Ambacht&Gereedschap werd de eerste transcriptie van het handschrift gemaakt. Maar omdat het handschrift meer bevat dan molenmakerswerk (tenslotte was Van de Zaal ook timmerman en komen zaken als de kerk, woningen, de school enz. ook aan bod) paste het beter om in de eigen regio een uitgave te realiseren. Zo kwam het manuscript bij Oud Lisse en vervolgens bij Bert Kölker. Wethouder Arie de Roon roemde het monnikenwerk dat verricht is om deze fraaie uitgave tot stand te brengen. Maar ook de durf van Oud Lisse om zo’n project aan te pakken. De uitgave was natuurlijk niet mogelijk geweest zonder de hulp van de in het boek genoemde sponsors. Wim Bosch heeft hiervoor de zolen uit | zijn schoenen gelopen. Maar dat had wel als resultaat dat er een betaalbare prijs voor dit schitterende boek gerekend kan worden. Het boek zal in de winkel te koop zijn voor €17,50. Onze leden wordt het boek voor de speciale prijs van €15,-.

Kroniek van de Lisser timmerman en molenmaker Cornelis van der Zaal

Kroniek van de Lisser timmerman en molenmaker Cornelis van der Zaal

Familiegeschiedenis van Van der Tang (10)

Alida van Klaveren trouwde in 1825 met Jan van de Boon. De belevenissen van Dirk van der Tang in 1825 tot 1828 worden beschreven.

door Aad van der Tang

NIEUWSBLAD Jaargang 11 nummer 3, juli 2012

Jan van der Boon

Geesje Slootheer bleef met haar dochter wonen op de boerderij die haar man vele jaren terug had gekocht en die in de 19e eeuw in de bevolkingsadministratie van Lisse bekend stond als huis 185. Behalve de boerderij had Gerrit van Klaveren zijn vrouw en kinderen veel land nagelaten. Alida van Klaveren was een goede huwelijkskandidaat. Degene die haar trouwde zou in een gespreid bedje terechtkomen. Ofschoon ze zijn ouders goed kende zal Geesje in dit verband niet aan Dirk van der Tang hebben gedacht. Dirk was niet alleen zeven jaar jonger dan haar dochter, hij was ook een wildebras. En als doopsgezinde had ze de levenswijze van Dirks grootvader Bastiaan van der Tang, op wie de jongen erg gesteld was, niet zo kunnen waarderen.

Op een dag vertelde Alida haar moeder dat ze een kind verwachtte. De man die haar had bezwangerd was Jan van der Boon, een boerenzoon uit Hazerswoude die daar 27 oktober 1798 ter wereld was gekomen. Jan (rond voorhoofd, blauwe ogen, een kleine neus) was ongeschikt bevonden voor de militaire dienst. Ten tijde van zijn huwelijk oefende hij geen beroep uit, maar uit zijn mooie handtekening valt op te maken dat hij geen ongeletterde was. Jan en Alida trouwden op 17 april 1825 in Hazerswoude. Als getuigen traden alleen familieleden en bekenden van de bruidegom op. Geesje Slootheer had door middel van een notariële akte haar “formele toestemming” tot het huwelijk gegeven en schitterde op de plechtigheid zelf door afwezigheid.

Jan van der Boon trok bij zijn schoonmoeder in. Zal in het begin hun relatie koel zijn geweest, toen er op de boerderij (klein)kinderen werden geboren – als eerste Hendrika van der Boon in september 1825 – moest Geesje wel bijtrekken. Maar tot haar dood bleef ze de baas op de boerderij en stond Jan van der Boon in haar schaduw.

Teuntje van Tol vond dat Geesje Slootheer het had getroffen met haar schoonzoon. Jan van der Boon stak op de boerderij van Geesje de handen flink uit de mouwen en begon in Lisse vrienden te maken, zoals met de Van der Meij’s en Siem de Graaff, de enige erfgenaam van diens rijke oom Meindert de Graaff. Op 16 mei 1828 was Jan als goede vriend bij Siems derde huwelijk getuige. Een week later zou Dirk van der Tang, pas ontslagen uit de gevangenis, in Hillegom trouwen met een meisje van vijftien. Teuntje had haar besluit al aan Geesje meegedeeld: ze zou op de bruiloft van haar zoon verstek laten gaan.

Dirks schoonfamilie

Of Teuntje van Tol het inderdaad bij het huwelijk van haar zoon liet afweten valt uit Dirks huwelijksakte niet op te maken. Haar handtekening ontbreekt onder de akte, maar dat geldt ook voor de handtekening van Anna van Teijlingen, Dirks schoonmoeder. De beide vaders, Kees van der Tang en Gijsbert Visser, waren er wel bij, evenals Dirks zwager Simon Galjaard en Jacobus van Teijlingen, een oom van Coba Visser. Ofschoon de aanleiding tot dit huwelijk Kees van der Tang niet aanstond, moest hij toegeven dat zijn zoon het met zijn schoonfamilie niet slecht had getroffen. De familie Visser stond in Hillegom goed aangeschreven. Frederik Visser, de grootvader van Coba Visser, was schepen van Hillegom geweest. In 1823 verkocht hij zijn boerderij en landerijen aan zijn zoon Gijsbert, onder voorbehoud dat Frederik en zijn vrouw tot hun dood drie vertrekjes in het voorste gedeelte van het huis mochten blijven bewonen zonder daarvoor iets te hoeven betalen. Deze bepaling bleef van kracht nadat Gijsbert driejaar later zijn boerderij en land verkocht aan de timmerman Johannes Guldemond en zijn zwager Jacobus van Teijlingen, tuinman in Vogelenzang. De kopers verhuurden het perceel vervolgens aan Gijsbert.

Na de dood van zijn vrouw in 1830 verhuisde Gijsbert Visser naar Haarlem waar hij nog twee maal trouwde. Gijsbert overleed in 1850 en zijn weduwe Maria Catrina Blad in 1877. Misschien heeft Teuntje van der Tang, toen ze dienstbode was in Haarlem, grootmoeder Visser nog opgezocht.

Was Dirk van der Tang oudere zussen gewend geweest, nu had hij twee schoonzussen die jonger waren dan hij. Trijntje, de oudste van de zusjes Visser, trouwde met de voerman Teunis Maaskant. Beiden overleden kort na elkaar in juni 1845. Engeltje Visser, de tweede zus, was een jaar ouder dan Dirks vrouw. Omdat ze een van hun dochters Engeltje noemden mogen we aannemen dat Dirk en zijn vrouw hun (schoon)zus een warm hart toedroegen. Engeltje Visser woonde het grootste deel van haar leven in Amsterdam waar ze in 1871 ongehuwd overleed, twee buitenechtelijke kinderen nalatend.

Blijkbaar ging Dirk niet direct bij zijn vrouw in Hillegom wonen want toen hij enkele maanden na zijn huwelijk de geboorte van zijn zoon Bastiaan aangaf, schreef burgemeester Jan Huyser in de geboorteakte dat Dirk in Lisse woonde. Al met al zou Dirk het jaar 1828 niet snel vergeten. De Lissese broodbakker Johannes Rotteveel noteerde in zijn journaal dat er in de winter van 1828 van Lisse naar Amsterdam kon worden geschaatst. Wellicht bond ook Dirk van der Tang de ijzers onder om tijdens de lange tocht – handen op de gekromde rug en zijn grote neus recht vooruit – de enerverende gebeurtenissen van het afgelopen jaar van zich af te zetten.

klik hier voor het volgende deel

Familiegeschiedenis van Aad van der Tang(9)

Art van Klaveren emigreerde in 1817 naar Suriname. In 1818 overleed hij daar. Geertje Slootweg, zijn moeder regelde de nalatenschap.

door Aad van der Tang

NIEUWSBLAD Jaargang 11 nummer 2, april 2012

Blankofficier

Geesje Slootheer hoopte dat haar zoon in zijn vaders voetsporen zou treden en de leiding over de boerderij van haar zou overnemen. Maar in augustus 1817 – hij is dan nog zeventien – bevindt Aart van Klaveren zich aan boord van het schip De Goede Hoop van kapitein Dogger. Het schip is uit Amsterdam vertrokken met bestemming Suriname. Aart is in het gezelschap van Jan Lodewijk Malmberg, diens vrouw, hun kind en een gouvernante. Malmberg, afkomstig uit een Surinaamse plantersfamilie, is met zijn gezin op terugreis, evenals de meeste andere passagiers, zoals de heer J. W. Frauenhoff, die op een Surinaams paspoort reist. Malmberg is mede-administrateur van de plantage Annaszorg aan de Warrappakreek, waar Aart van Klaveren als blankoflficier is aangesteld.

In een oude beschrijving van Suriname lezen we: “De tweede blanke persoon op de plantage [naast de directeur] is de blankofficier, waarvan grotere effecten (plantages) er twee of drie, kleinere slechts een hebben. Hun bezoldiging is gering en bedraagt zelden meer dan 250 gulden. Het zijn meestal jonge lieden, die uit Europa komen om fortuin te maken en die, wanneer zij protectie hebben en zich goed gedragen, het in 3-4 jaren insgelijks tot directeur kunnen brengen. In den beginnen echter is hun toestand alles behalve aangenaam, want zij worden door de meeste directeurs als een soort schepsels van mindere rang behandeld, en zelden met een toespraak vereerd. In hun vrije uren zijn zij geheel aan zichzelf overgelaten en brengen de avonden somtijds in armzalige woningen door. Men verbeelde zich hoe een beschaafd jong mens te moede moet zijn wanneer hij, onbekend met de gewoonten en gebruiken, zowel als met de negertaai, zijn leertijd op een plantage aanvangt, waar de directeur hem nauwelijks met een groet verwaardigt, en hem een ellendig vertrek wordt aangewezen, waar hij geen ander gezelschap vindt, als milioenen muskieten of hopen vledermuizen, die in de daksparren kwetterend hun aanmerkingen over hem schijnen te maken. “

De Goede Hoop kwam op 20 augustus 1817 te Suriname aan, negen dagen voordat Aart van Klaveren zijn achttiende en laatste verjaardag zou vieren. Kort voor zijn overlijden werd hij aangesteld als blankofficier op de plantage Meerzorg bij Paramaribo, zodat hij zich nu wat dichter bij de bewoonde wereld bevond. In de nacht van 20 juli 1818 stierf hij te Paramaribo ten huize van de heer Frauenhoff, met wie hij aan boord van De Goede Hoop had kennisgemaakt. Hij werd op diens kosten begraven. Drie dagen later bracht de heer F. Taurnay, administrateur van de plantage Meerzorg en destijds een omstreden figuur in Suriname, de bezittingen van de overledene aan de Wees- en Boedelkamer te Paramaribo. Deze bezittingen waren goeddeels op de plantage Annaszorg achtergebleven en bestonden onder meer uit een schrijfkistje, schoeisel, kleding en een hoofddeksel.

In een serie waterverftekeningen over het leven van een blankofficier (“Jij Hollands Koebeest” sneert zijn baas) komt een afbeelding voor waarop we de ongelukkige jongeling zien: geknield, hand voor het betraande gelaat en wijzend naar een wolk waarin enkele gedaanten opdoemen, die zijn dierbaren in het verre vaderland verbeelden. “Ramspoed, leed, vernedering voor mij, en ginds reeds lang vergeten… “

Vanuit Suriname lichtte Jan Lodewijk Malmberg de familie in Lisse in over het overlijden van de jonge blankofficier. Op 18 oktober 1818 ontbood Geesje Slootheer notaris Cramerus om voor Malmberg een volmacht op te stellen, waarmee hij in Paramaribo de afwikkeling van de nalatenschap van haar zoon kon regelen.

Klink hier voor het volgende deel

Onder toezicht van een blankofficier wordt suikerriet gekapt.
Getekend Bray 1850