Berichten

Familiegeschiedenis van Van der Tang. (2)

Aad van der Tang beschrijft zijn familie  na de Bataafse vrijheid te beginnen met Jan de Smet en Rachel Somerwil. De dochter daarvan is geboren in 1739, die trouwde met Bastiaan van der Tang.

door Aad van der Tang

NIEUWSBLAD 9 nummer 3, juli 2010

Het vorige Nieuwsblad eindigt de familiegeschiedenis met de  Bataafsche Vrijheid. We vervolgen met:

Stamboom met o.a. Jacoba de Smet. Met haar vervolgen we dit deel 2

De erfenis van tante Jacoba

Jacoba de Smet woonde bij haar zus en zwager. Zo bracht Bastiaan van der Tang na haar dood een bedrag in rekening “ter saake van een jaar kostgeld en oppassing van wijlen mevrouw Meerhout”. Toen het met Jacoba hard achteruitging en de plaatselijke chirurgijn weinig voor haar kon doen werd de voerman Vreeburg naar Leiden gestuurd om een dokter te halen. Op de late avond van 8 mei 1796 gingen enkele leden van het dorpsbestuur naar haar toe voor het opstellen van haar testament. Haar neven en nichten, onder wie Kees en Naatje van der Tang, legateerde ze elk een groot bedrag,terwijl ze haar broer Jan en haar zus Aaltje (en bij plaatsvervulling dek inderen van haar overleden zus Maria) tot haar erfge namen benoemde. Haar zwager Bastiaan van der Tang en diens schoonzoon Leendert van der Werff benoemde ze tot haar executeurs testamentair. De volgende dag overleed Jacoba, 53 jaar oud. Ze werd bij haar eerste man in de kerk begraven. Bastiaan van der Tang en zijn schoonzoon gingen aan de slag om de boedel van Jacoba de Smet te redderen. Ook al had ze inmiddels veel verkocht (zoals een huis in Leiden, landerijen en obligaties) er was nog genoeg over: veel land in Lisse, de buitenplaats Meer en Hout (met een stal, een koetshuis en een theekoepel), de boerderij, een herenhuis in Lisse en drie kleinere huizen, die alle werden verhuurd. Ook bezat ze een huis inLeiderdorp.

In enkele kranten verscheen de volgende advertentie:

Alzo het den Heer van Leven en Dood behaagt heeft, na een aansteekende Ziekte van 8 dagen, Mevrouw de Weduwe MEERHOUD, gebooreJACOBA DE SMET, in den ouderdom van 53 Jaaren, het Tydelyke met het Eeuwige heeft doen  verwisselen door den alverslindende Dood; zo geevenwy aan all e Vrienden en Bekenden hier van kennis, door deeze thanseb gruikelyken weg, verzoeke van Rouwbrieven verschoond te blyven.

Actum Lisse BASTIAAN VAN DER TUNG den  9 Mai, 1796 LEENDERT VAN DER WERFF

Het plaatsen van familieadvertenties in kranten was in het begin van de Franse tijd een nieuw verschijnsel, vandaar de opmerking “door deeze thans gebruikelyken weg”. Alleen jammer van die lelijke drukfout: Van der Tung… In november 1796 werden in het rechthuis van Lisse (De Witte Zwaan) de meeste onroerende goederen van Jacoba de Smet verkocht. In het Nationaal Archief te Den Haag bevindt zich een uitgebreide “rekening en verantwoording” van Bastiaan en zijn schoonzoon. Zo declareerden ze een bedrag wegens “verteringen” tijdens bezoeken aan onder andere Leiden en Amsterdam, waarbij ik me afvraag wat ze “ter bevordering van ‘t intrest des boedels” in Amsterdam te zoeken hadden.

Wordt vervolgd

Klik hier voor aflevering 3

 

 

Familiegeschiedenis van Van der Tang (1)

De Lissese geschiedenis van Van der Tang vangt eind 18e eeuw aan met Bastiaan van der Tang. Hij was oorspronkelijk boer in Hazerswoude, waar hij op 28 oktober 1742 werd gedoopt. In 1773 duikt hij op in Lisse. Hij was gelinieerd aan landgoed Meer en Hout. Hij was in 1790 regerend burgemeester van Lisse en bezat flink wat land. De geschiedenis van Lisse in die periode wordt beschreven.

Door Aad van der Tang

NIEUWSBLAD 9 nummer 2, april 2010

Lisse in de 18e eeuw
“Het Vierkant” heet het Lisser dorpspleintje. De verkleurde geveltjes groepen er samen als afgeleefde oudjes, stil-glimlachend op een feestelijke dag. De zomer straalt uitbundig over de wereld; windloos is de lucht en zelfs onder de zware iepenbomen, die het pleintje beschaduwen, hangt de warmte, benauwd en loom.” Zo begint In de schaduw der
Molenwieken. Lisser familieroman uit de Patriotten-tijd van Joh. Dekker. Het verhaal (overde familie Van der Zaal, in de roman Van der Bijl genoemd) begint in 1774 en eindigt in 1796. In dezelfde periode speelt zich het eerste deel af van de Lisser familiegeschiedenis Van der Tang, met Bastiaan van der Tang in de hoofdrol.

Het huidige Lisse lijkt niet meer op het dorp zoals Bastiaan van der Tang het gekend heeft. Lisse was toen omringd door duinen, bossen en weilanden en grensde aan het Haarlemmermeer. In de omgeving bevonden zich fraaie buitenplaatsen, waar in de zomermaanden vooral rijke Amsterdammers verblijf hielden. Het was de tijd waarin de mannen driekantige steken en gepoederde pruiken droegen en hun dames hoepelrokken.

Het was ook de tijd waarin de patriotten en de prinsgezinden met elkaar overhooplagen. Het rechthuis van Lisse was de herberg De Witte Zwaan. Hier stopte de postkoets en vergaderden de dorpsbestuurders. De adellijke ambachtsheren van Lisse woonden in Duitsland en bemoeiden zich nauwelijks met dorpse zaken. Daar hadden zij hun schout voor, die samen met de burgemeesters en de schepenen het dorpsbestuur vormde. Van de vier burgemeesters, ook wel gezworenen genoemd, werden er jaarlijks twee vervangen door nieuwe. Het college van schout en burgemeesters oefende het gezag over het dorp uit en hield toezicht op de openbare orde.

Meer en Hout

“Ik wil liever zacht naar Meerenhout gaan wandelen In ‘t groen geboomt’, als dat ik steeds zou handelen Met dezen god [Neptunus]. Geen groter vreugd voor mij, Alsdat ik hier zie deez’plaats aan alle zij Omsingeld van de schone klaverweiden En welig vee. De uitzicht, waard te melden, Verstrekt tot op het Haarlemmer Spaar, Aan d’andre zij tot in het dorp voorwaar. Het zuiderend oogt tot ‘t vermaarde Leiden, Zodat men kan veranderen op drie zijden”.

Een van de buitenplaatsen was Meer en Hout, die circa 1770 door  Jan de Graaff in het bovenstaande gedicht werd bezongen. Aan deze buitenplaats herinnert het Meer en Houtplein, waar in Lisse ‘s maandags de markt wordt gehouden. Meer en Hout was in de eerste helft van de 18e eeuw eigendom van de vermogende Amsterdammer Cornelis Meerhout, die in Lisse ook huizen en landerijen bezat. Hij was gehuwd met Adriana Poock, telg van een vooraanstaande Leidse familie. Na de dood van Meerhout (hij was haar derde man) hertrouwde Adriana Poock met haar zwager Frans Robidé, koopman te Amsterdam en afstammeling van een naar Nederland gevluchte hugenoot, en ging wonen op diens buitenplaats Oud-Meerburg in Zoeterwoude. Adriana’s enige zoon en erfgenaam was Arnout Meerhout. Hij was in 1740 te Leiden geboren en werd in 1762 aangesteld tot notaris van Zoeterwoude, maar het is de vraag of hij die functie werkelijk heeft uitgeoefend. Mogelijk beheerde hij al tijdens het leven van zijn moeder de bezittingen van de Meerhouts in Lisse, die hij in 1772 van haar erfde. Toen zijn moeder stierf wasdeze laatste nazaat van het geslacht Meerhout ongehuwd.

Bastiaan van der Tang
Bastiaan van der Tang stamde uit een familie van landbouwers en tuinders uit Hazerswoude, die in de 17e eeuw tot de remonstrantse kerkgemeenschap behoorde. Bastiaan werd op 28 oktober 1742 in de dorpskerk van Hazerswoude gedoopt. Hij was het jongste kind van Cornelis Leendertse van der Tang en diens tweede vrouw Lijsbeth Vassen de Groot. In 1767 trouwde hij met de drie jaar oudere Aaltje de Smet, dochter van een baggerman uit Leiden, en vestigde zich in haar woonplaats Leiderdorp. Mogelijk was Bastiaan in dienst bij of pachter van Frans Robidé, wiens buitenplaats zich weliswaar te Zoeterwoude bevond maar die in Leiderdorp ter kerke ging. Frans Robidé overleed in december 1773. Niet lang daarna duikt Bastiaan met zijn gezin, zijn schoonzus Jacoba de Smet en zijn zwager Jan de Smet in Lisse op. Als hij en zijn vrouw in 1776 hun testament laten opmaken, wonen ze op de buitenplaats Meer en Hout van Arnout Meerhout, waarschijnlijk op de boerderij die bij de buitenplaats hoorde. Notaris Sennepart (tevens schout van Lisse) komt zelf naar de hofstede want Bastiaan is “door een zwaare beenbruik pijnelijk ende zwakkelijk van lichaam”, zodat de voorlezing en de ondertekening van het testament “voor de leegersteede” van de zieke plaatsvinden. In 1778 koopt Bastiaan met geleend geld van Meerhout zijn eerste land in Lisse. Zocht Arnout Meerhout toenadering tot de familie van Bastiaan van der Tang? Dat moet haast wel want op een goede dag vroeg
Meerhout Jacoba de Smet, Bastiaans schoonzus, ten huwelijk. In december 1782 werd Jacoba de Smet “vrouwe” Meerhout en werd Arnout Meerhout de zwager van Bastiaan van der Tang. Mede door de familieband met Meerhout begon Bastiaans ster in Lisse te rijzen.

Bastiaan in het dorpsbestuur
In het najaar van 1787 viel een Pruisisch leger Nederland binnen om Prins Willem V weer in het zadel te helpen. Vele patriotten vluchtten naar het buitenland, onder andere naar Frankrijk waar ze twee jaar later getuige waren van de Franse Revolutie. Ook Van Lutsenburg, de patriotse schout van Lisse, moest vluchten. In et hele land kregen de prinsgezinden het weer voor het zeggen, dus ook in Lisse. Ongetwijfeld behoorde Bastiaan van der Tang tot deze groep, want in 1788, kort na de omwenteling, werd hij schepen van Lisse en nog later één van de vier burgemeesters. In de jaren tussen 1787 en 1795 komen we in officiële stukken zijn naam vaak tegen. Ook zijn zoon Kees
trad, zo jong als hij was, dikwijls als schepen op. Hetzelfde gold voor Leendert van der Werff, een uit Zandvoort afkomstige broodbakker, die in 1789 met Bastiaans dochter Naatje trouwde. Toen Arnout Meerhout in 1789 stierf liet hij zijn vrouw – hun huwelijk was kinderloos gebleven – als zijn enige erfgenaam achter. Bastiaan van der Tang gaf het overlijden van zijn zwager bij de gaarder aan in het hoogste tarief van dertig gulden. Op 15 juni 1789 werd Meerhout met veel ceremonie in het familiegraf in de kerk van Lisse bijgezet. Jacoba de Smet bleef niet lang weduwe: nog hetzelfde jaar hertrouwde ze met de heer Gillis van IJsselsteijn, baljuw van Zierikzee.

Gillis van IJsselsteijn
Was de omwenteling van 1787 in Lisse vrij rustig verlopen, in Zierikzee was ze gepaard gegaan met een hevig oproer waarbij de huizen van patriotten werden geplunderd; er vielen zelfs doden. Gillis van IJsselsteijn, lid van een oud Zierikzees geslacht, had als baljuw (een soort officier van justitie) de moeilijke taak om de rust te herstellen. (Deze zwarte bladzijde uit de geschiedenis. van Zierikzee is uitvoerig beschreven in het boek Zeeland in de Patriottentijd van A.M. Wessels.) Van IJsselsteijn mocht, hoe wel hij patriots was, van de Prins zijn ambt blijven uitoefenen. Zijn financiële positie wasec hter niet best. Zo was hij niet in staat zijn herenhuis af te laten bouwen. In 1788 was hij weduwnaar geworden en een huwelijk met een welgestelde dame zou hem goed uitkomen. In december 1789 trouwde hij in het verre Lisse met Jacoba de Smet, nadat ze bij een notaris in Leiden hun huwelijkse voorwaarden hadden laten opstellen. Bastiaan van der Tang had nu een zwager die weliswaar met patriotse sympathieën was behept, maar die gezien zijn afkomst en positie toch een aanwinst voor de familie zou moeten zijn. Van IJsselstein liet zich in Lisse vrijwel niet zien. Wel liet hij vanuit Zierikzee een pachter van zijn vrouw vervolgen wegens achterstallige huur. In 1790 legde hij zijn ambt neer en vertrok hij naar Holland. Wegens zijn financiële problemen werd hij in Amsterdam gegijzeld. Pas nadat hij aan zijn verplichtingen had voldaan (zijn herenhuis in Zierikzee werd ten bate van zijn schuldeisers verkocht) vertrok hij, blijkbaar zonder van zijn vrouw en schoonfamilie in Lisse afscheid te hebben genomen, naar de westkust van Afrika, waar hij tot fiscaal was benoemd. In 1791 werd Jacoba de Smet “gesepareerde” huisvrouw van Van IJsselsteijn genoemd en nadien heette ze weer de weduwe Meerhout. Toen Van IJsselsteijn begin 1794 te Sint George del Mina (in het huidige Ghana) overleed was hij in Lisse allang vergeten.

Bastiaan van der Tang was in 1790 regerend burgemeester van Lisse. Hij bezat  flink wat land, dat hij onder meer van zijn schoonzus had gekocht. In 1794 kocht hij het veer van Lisse op Haarlem en Leiden, de zogenaamde schipperij.
De Bataafsche Vrijheid In januari 1795 trokken Franse troepen over de dichtgevroren rivieren ons land binnen. De patriotten die in 1787 waren uitgeweken keerden naar Nederland terug en namen met hun medestanders de macht over. Prins Willem V vluchtte met zijn gezin naar Engeland en Nederland heette nu de Bataafse Republiek. Bastiaan van der Tang zal beslist niet om de vrijheidsboom hebben gedanst, net zomin als die andere dorpsgenoten met wie hij de afgelopen jaren in Lisse de diensthad  uitgemaakt. Jan de Graaff, die de buitenplaats Meer en Hout zo mooi had bezongen, verzette zich in Leiden tegen de nieuwe machthebbers. Hij stierf in de gevangenis aan zijn verwondingen. Ofschoon de Van der Tangs – en anderen die in Lisse na de omwenteling van 1787 op het kussen geraakten – sedert “het eerste jaar van de Bataafsche Vrijheid” geen deel meer uitmaakten van het dorpsbestuur,
behoorden ze nog wel tot de “bovenlaag” van het dorp. Kees van der Tang had trouwplannen met Teuntje van Tol, een stiefdochter van de winkelier Barend van der Bron, met wie zowel Bastiaan als Kees van der Tang het dorp had bestuurd. Teuntje had haar vader Dirk van Tol (eveneens een winkelier) niet gekend want hij was al in 1775 overleden, het jaar waarin zij was geboren. Door zijn huwelijk (in juli 1796) raakte Kees van der Tang verzwagerd met bekende Lisser families zoals Van Parijs en Tromp.

Wordt vervolgd

Zie deel 2

Dynastie Lefeber

Joseph Willem Lefeber, geboren in 1860, werkte bij Gebroeders Segers. Omstreeks 1885 begint hij een bloembollenkwekerij met Van Kampen. Later ging hij alleen verder. Zijn oudste zoon J.W.A. Lefeber begon een eigen kwekerij. Hij ging hyacinten en narcissen veredelen. De belevenissen van de zoons van J.W.A.  worden beschreven.

door Liesbeth Brouwer

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 1, januari 2009

De bollenteelt in de omgeving van Lisse is betrekkelijk nieuw. Zij ontstond hier zo’n 1 á 1 ½ eeuw geleden. Soms hadden kwekers een agrarische achtergrond, bijv. van boer of groenteteler. Maar hoe zat dat met de familie Lefeber? In dit artikel willen we ingaan op het gezin Lefeber. D.W. Lefeber, de bekende veredelaar aan wie ons nieuwsblad een viertal artikelen wijdde, is telg van deze familie. De geschiedenis geeft een mooi tijdsbeeld weer. We gaan terug naar 1809. Naar Den Haag. Daar trouwt J.M. Lefeber, die bakker is, met de weduwe van een bakker. Een economisch huwelijk, want zo worden twee bakkerswijken samengevoegd.
Korenmolenaars en bakkers zijn in die tijd hechte groepen (soort kartels) met een sterke sociale controle. Zij beschermen elkaar tegen tegenslagen, de gevolgen van ziekte en de zorgen van ouderdom. De kartels beperken de concurrentie, onderling en van buitenstaanders. Brood is tot ongeveer het midden van de negentiende eeuw uitsluitend gebakken door bakkers in kleine bedrijven. Een meester-bakker met één of meer leerling-gezellen (soms zoon des huizes) doen het werk. Er zijn afspraken over de verdiensten en over de prijzen. Dat heeft tot gevolg dat de broodprijzen in de steden en daarmee ook de kosten van levensonderhoud hoog zijn. Sinds de tweede helft van de 18e eeuw is de industriële bereiding van meel en brood bekend. Dat zou de kosten voor een brood aanzienlijk kunnen drukken. In Nederland staat echter de ’wet op het gemaal’ het ontstaan van meel- en broodfabrieken in de weg. De strenge ’wet op het gemaal’ is afgestemd op het traditionele kleinbedrijf. Zo belast de wet de eerste levensbehoeften van de bevolking. Brood behoort immers, met aardappelen, tot het hoofdbestanddeel van de dagelijkse voeding. Dat wordt ook erkend door regering en parlement. Maar hoewel de wet regelmatig onder vuur ligt, komt het maar niet tot een afschaffing ervan.
Bakker Lefeber wacht de concurrentie van fabrieken niet af. Het bakkersechtpaar besluit uit te zien naar een dorp waar plaats is voor een bakker. Dat wordt Lisse, waar zij zich in 1826 vestigen aan de Heereweg 195.

J.W. Lefeber (1813- 1898) J.W. Lefeber (1860- 1952)

Dat J.M. Lefeber een vooruitziende blik heeft blijkt uit het feit dat Den Haag de stad wordt met de meeste en de meest geavanceerde broodbedrijven. Zoon J.W. Lefeber (geb. 1813) is dan leerling-bakker en zet later de bakkerij van zijn vader in Lisse voort. In die tijd hebben de mensen nog niet zo’n hoge levensverwachting. J.W. Lefeber trouwt zelfs 3 keer. Zijn eerste twee echtgenotes sterven op jonge leeftijd. Uit alle huwelijken worden kinderen geboren, 14 in totaal. Een zoon uit het laatste huwelijk, met Maria van Loon, wordt de stamvader van een echte bollendynastie. Deze zoon, Joseph Willem (geb.1860), gaat niet in de bakkerij van zijn vader werken, maar hij toont interesse voor het bloembollenvak. Hij gaat in de leer bij de firma Gebroeders Segers en na een aantal jaren besluit hij voor zichzelf te beginnen. Omstreeks 1885 begint hij met compagnon Van Kampen een bloembollenkwekerij. Van de firma Segers ontvangt hij bij zijn vertrek een horloge met inscriptie voor bewezen diensten. De samenwerking met Van Kampen duurt niet zo lang en Lefeber zet de kwekerij alleen voort. Niet onverdienstelijk overigens. In 1888 wordt een stuk land van ruim 7 hectaren gekocht voor een prijs van 7100 gulden. Ook in 1888 treedt hij in het huwelijk met Jacoba van Ruiten (geb.1863) en komen zij te wonen aan de Achterweg 14.

Achterweg 5. De villa werd in 1975 afgebroken t.b.v. de uitbreiding van de huishoudschool

In dit gezin worden 8 jongens en 1 meisje geboren. In 1902 verhuist de familie naar de overkant, naar Achterweg 5. Bij het huis is ook een grote boomgaard met alle mogelijke soorten fruitbomen en achter het huis loopt een menagerie van eenden, pauwen, duiven en zwanen. J.W. Lefeber is een kweker die zich met hart en ziel inzet voor zijn vak. In die tijd is er nog geen sprake van een voorlichtingsdienst of vaktechnisch onderwijs. De kwekers komen bij elkaar om over het vak te spreken. Ziektebestrijding, behandeling van plantgoed, bemesting, waterhuishouding, allemaal onderwerpen die ter sprake komen. De Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur ter behartiging van de algemene vakbelangen bestaat al en er wordt door deze vereniging gepleit voor het oprichten van een tuinbouwschool. Haarlem maakt grote kans de school te krijgen. Lisser kwekers ijveren voor een school in Lisse. Ook J.W. Lefeber speelt daarbij een rol en uiteindelijk wint Lisse de strijd van Haarlem.
In die tijd is meester Ch. De Meulder hoofd van de R.K. jongensschool, de Josephschool.

Ingekleurde kaart van de fi rma J.W. Lefeber uit 1913 voor de Russische markt

Meester De Meulder (vader van Frederique, de oprichter van de ruim 100-jarige bloembollenfi rma De Meulder) is een natuurliefhebber en hij leert zijn leerlingen, waaronder de zonen Lefeber, het hybridiseren, het winnen van zaad, het kruisen van bolbloemen. Meester Beumer, hoofd van de lagere school in Sassenheim speelt ook een speciale rol. J.W.A. Lefeber(geb. 1890) heeft dat in 1962 beschreven in een artikel voor Kwekerij en Handel. Meester Beumer maakt in 1906 een aantal kwekers attent op een betere methode om nieuwe hyacinten te winnen. Tot die tijd werd bij een bed gemengde bloeiende hyacinten een bijenkorf geplaatst en de bijen zorgden voor de bestuiving. Gevarieerde kleuren waren het resultaat. Meester Beumer leerde de kwekers een gerichtere methode. Enkele voor de bestuiving geschikte cultivars werden onder een kooi van vliegengaas geplaatst zodat ze elkaar konden bestuiven. “Dit voorstel werd graag aanvaard en de heer Beumer liet zien hoe de bestuiving moest worden volbracht”, schrijft J.W.A. Lefeber.
Vader Lefeber is een strenge leermeester voor zijn zonen. Na de lagere school moet er worden aangepakt. Met avondcursussen worden de vakkennis en de talen bijgeleerd. Dat hij trots kan zijn op al zijn kinderen wordt hieronder wel duidelijk.

Gezin Lefeber 1908 Vlnr. Arie, Dirk, Annie, Marinus, mevr. Lefeber-van Ruiten, Willem, Koos, hr. J.W. Lefeber, Toon, Paul, Theo

Joseph Willem Antonius (J.W.A. 1890-1973)

Oudste zoon Willem is voorbestemd om thuis op de kwekerij te komen. Maar in 1912 begint hij een eigen kwekerij. Hij legt zich ook toe op kruisen en is vooral bezig met zaadwinning van hyacinten en narcissen. In januari 1922 is er een bloembollenbeurs in Haarlem en kan hij vol trots een potje Pink Pearl tonen. Pink Pearl is sindsdien een heel belangrijke handelssoort waaruit diverse mutaties zijn ontstaan met goede broei-eigenschappen zoals White Pearl, Violet Pearl en Blue Pearl. De Pink Pearl is nu nog de hyacint met de grootste opgeplante oppervlakte. In 1944 volgt weer een belangrijke aanwinst voor de hyacintencultuur. Met de naam Delfts Blauw.
Het winnen van nieuwe soorten narcissen is een grote hobby. Nieuw gewonnen soorten, ook nu nog aanwezig in het handelsassortiment, zijn Barret Browning, Professor Einstein en Johan Strauss. Maatschappelijk maakt Willem zich zeer verdienstelijk, zowel in zijn vakgebied als in de politiek. In 1932, tijdens de crisisjaren, moet er bijvoorbeeld een oplossing gevonden worden voor de overproductie. Het kost nogal wat moeite de kwekers er van te overtuigen dat het noodzakelijk is om maatregelen te treffen. Het Bloembollen Surplusfonds komt van de grond. Als wethouder is Willem betrokken bij de oprichting van de bloemententoonstelling Keukenhof in 1949.

Antonius (1892-1980)

In 1911 wordt zoon Toon naar de Duits-Russische grens gestuurd om de beide talen te leren. In 1913 gaat hij naar Rusland om daar bloembollen te verkopen. Met nomaden trekt hij ook de bergen van Turkistan in. Gevonden bijzondere bolgewassen worden naar Nederland gestuurd om daar uit te planten en verder mee te kruisen. Op zijn verkoopreizen komt hij regelmatig in St. Petersburg. Hij bezoekt daar, met zijn Friese doorlopers, een ijsbaan en oogst veel bekijkt met deze, voor de Russen, vreemde schaatsen. Zo maakt hij kennis met zijn toekomstige bruid.en schoonfamilie. Midden in de revolutie trouwen zij in St. Petersburg en ontvluchten Rusland. Na maanden reizen via Finland, Zweden en Noorwegen komen ze aan in Lisse waar ze het oude huis op Achterweg 14 kunnen betrekken. De handel met het communistische Rusland is daarna afgelopen. Vader Lefeber verliest daarbij heel veel geld want de openstaande rekeningen voor geleverde bollen worden natuurlijk nooit meer betaald. Ook Antoon wint een belangrijke nieuwe hyacintensoort. De witte Carnegie (1935). In 1948 emigreert het gezin van Antoon naar de Verenigde Staten. Daar wordt met succes een gladiolenfarm gesticht.

Marinus (1893-1982)

De derde zoon van vader J.W. beproeft al snel zijn geluk in Amerika. In 1923 start hij aan de westkust, in Mount Vernon, een bloembollenbedrijf. In deze omgeving zitten meerdere Nederlandse bollenkwekers. De geschiedenis herhaalt zich: in Mount Vernon is ook een kwekerij van de gebroeders Segers. Kreeg vader J.W. zijn eerste lessen in het bollenvak bij deze fi rma, nu is het zoon Marinus die gebruik kan maken van hun goede kennis. Na het einde van de tweede wereldoorlog komen er bij de familie in Holland, dank zij de Amerikaanse oom en tante, heel wat pakketen aan met kleding, levensmiddelen en schoeisel. Een feest in het net bevrijde Holland! Bij gebrek aan opvolging wordt het bedrijf Lefeber Bulb Company in 1997 opgeheven.

Dirk Willem Lefeber (D.W. 1894-1979)

Over D.W. zijn in het nieuwsblad een viertal artikelen verschenen. Nadat hij Rusland tijdens de revolutie veilig heeft verlaten keert hij weer naar het ouderlijk huis terug. Daar is het een gezellige boel op de zaterdagavonden. Broer Toon speelt de balalaika, broer Theo de viool en er wordt volop gezongen. In 1923 trouwt hij Jet Nijman en belooft ook dat hij niet meer zal reizen. Samen met een Haarlemse kweker koopt D.W. een partij bolgewassen uit het Oosten. Beide vinden ze een mooie rode tulp. D.W. noemt haar Madame Lefeber, maar de Haarlemse kweker geeft de naam Red Emperor. Deze tulp heeft ook nu nog twee namen.

Theodorus Augustinus (1896-1987)

Deze zoon blijft tot op hoge leeftijd (hij is dan bijna 60) bij zijn vader. In 1956 komt een eind aan zijn vrijgezellenbestaan en trouwt hij Rie van Grieken. Hij is een der eersten die eindexamen doet aan de Rijkstuinbouwschool. Hij is een betrouwbaar bollenkweker en exporteert naar de Scandinavische landen.

Adrianus Hendricus (1897-1982)

Zoon Arie trekt als 18 jarige al naar Engeland en werkt daar bij een Londense hofl everancier. Zo spreekt hij zelfs met Queen Mary bij het arrangeren van bloemstukken in het koninklijk paleis. Tijdens de oorlog verbouwt hij tabak. Tabak is schaars en dus is hij bang voor dieven. De tabak ligt in de schuur te drogen. Arie besluit om het zekere voor het onzekere te nemen en zelf ook in de schuur te overnachten. Wanneer het een aantal nachten gewoon rustig blijft denkt Arie dat hij wel weer in zijn eigen bed kan gaan slapen. Helaas, de volgende ochtend blijkt de hele oogst spoorloos te zijn verdwenen. Arie is een echte bollenhandelaar. Hij maakt vele reizen met de Holland Amerika Lijn en ontmoet tijdens deze reizen de meest interessante personen. Hij heeft er zelfs met president Roosevelt gebridged.

Anna Maria (1898-1981)

Het enige meisje in een gezin met 8 jongens. En dan trouwt ze nog niet eens met een bollenman! In de hongerwinter van ‘44-‘45 gaat ze meerdere keren op de fi ets (met daarachter een slee gebonden) naar Lisse om eten te halen. O.a. bloembollen. Op de terugweg wordt ze een keer bij Leidschendam door de Duitsers aangehouden en moet ze alle etenswaren afstaan. Wat een drama na zo’n zware tocht.

Jacobus (1900-1995)

Zoon Koos heeft ook avonturiersbloed in de aderen. Hij trekt naar vele landen om er bollen te verkopen. In 1939 verkoopt hij bollen in Amerika. Het gaat voortreffelijk, tot de mobilisatie voor WO II uitbreekt. Hij kan niet terug naar huis en gaat noodgedwongen werken bij een bloemenzaak in New York. Van daaruit reist hij naar broer Marinus om in diens bedrijf te werken. In 1941 lukt het hem om via Spanje weer naar Lisse te komen. Na de oorlog wordt de bollenverkoop in Amerika weer hersteld. Al snel wordt besloten om de definitieve overstap naar de States te maken. In 1949 is het zo ver. Het begin is moeilijk. Praktisch de hele bollenkraam gaat het eerste jaar verloren omdat het bollenland onder water loopt. Maar Koos is vindingrijk, zoals ook blijkt uit het volgende: Koos staat met zijn bollenkraam langs de weg, maar helaas, er stopt niemand. Dan krijgt hij een idee. Koos haalt de vlag oplaag en hangt die op zijn kop bij de kraam. En jawel: er stopt iemand om te vertellen dat de ’stars and stripes’ op z’n kop hangt. Er volgt een praatje, bloemen worden verkocht en een bollenordertje is binnen. En opnieuw: de vlag op z’n kop! Ook Koos veredelt bolgewassen. De bekende narcis Flower Record is een van zijn succesvolle zaailingen.

Paulus (1901-1989)

De beide jongste zonen Paul en Koos trekken veel met elkaar op. Samen zorgen ze wel eens voor consternatie. Zoals die keer dat ze bij boer Warmerdam zakken vol mussen vangen. En die in de volière loslaten om een nieuwe soort vogeltjes te kweken. Het kweken zit er al vroeg in. Het bloembollenvak leert hij vroeg. Hij mag vader naar de bollenbeurs (Krelagehuis) in Haarlem brengen. Paul heeft eerst samen met broer Koos een bedrijf en gaat later alleen als kweker door. De kwekerij ligt achter de steenfabriek. In het huis waar zijn vader in 1888 begon is hij tot het einde van zijn leven blijven wonen.
Echte bollenmensen, die Lefebers. Met zorg voor het product en gevoel voor de markt. Ook van de daaropvolgende generaties hebben velen het bollenvak uitgeoefend.

1922 De zoons Lefeber, vlnr. Willem, Antoon, Marinus, Dirk, Theo, Arie, Koos en Paul, in de bollen. Op de achtergrond de villa aan de Achterweg.

 

Aanvulling artikel Lefeber

Naar aanleiding van het artikel in het vorige nieuwsblad over de familie Lefeber ontvingen we van de heer Ignus Maes nog wat aanvullende informatie. Deze gegevens sluiten ook prima aan bij het hierna volgende artikel van Henk Schalk. In het stuk over de familie Lefeber vermeldden we de villa aan de Achterweg 5. In oktober/november 1943 moeten de Keukenhofbewoners, Graaf Carel met dochter Irene en zijn moeder, het kasteel Keukenhof verlaten De reden hiervoor is de annexatie door de Duitsers. De Duitse bezetter gebruikt het huis om Duitse soldaten onder te brengen en op het landgoed wordt een V1 installatie geplaatst. (in het bos langs de stationsweg, tussen de toegang naar het kasteel en de huidige van Lyndenweg). De grafelijke familie vindt onderdak in het woonhuis van J.W.Lefeber, Achterweg 5. De heer Lefeber en zijn huishoudster verhuizen voor de rest van de oorlogsperiode naar het huis van zijn oudste zoon aan de overkant op Achterweg nr. 15. Het verkeer werd in die tijd omgeleid via de Zwartelaan. Dat was voor de kinderen uit Halfweg een heel eindje om naar school!! (info:vrijwilligersblad Kasteel-Nieuws van maart 2008).

Artikel Lefeber, Rectificatie
Van de familie Lefeber kwam een reactie op ons stukje over het verblijf van de graaf van Lynden gedurende de laatste oorlogsjaren. In het vorige nieuwsblad meldden we dat J.W. Lefeber zijn huis afstond aan de grafelijke familie en zelf introk bij zijn oudste zoon. De familie Lefeber meldt: Het zit zo: de Duitsers hebben dat huis van opa Lefeber gevorderd en zijn daar eerst zelf in getrokken. Toen de V 1 installatie in het Keukenhof bos werd geplaatst, moest Graaf van Lynden het kasteel verlaten en is de graaf met zijn moeder en dochter in het huis van Opa Lefeber gaan wonen, tot het einde van de oorlog. Opa Lefeber trok niet in bij zijn oudste zoon, maar bij zijn jongste zoon Paul,
Achterweg 14. (Het huis wat hij in 1888 bouwde en er introk na zijn huwelijk in november 1888.)

Dubbelhoven aan de Achterweg (deel 1)

Het pand en zijn vroegere bewoners wordt beschreven

 door drs. Maarten van Bourgondiën

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 1, januari 2009

Inleiding

Dubbelhoven aan de Achterweg

Het pand “Dubbelhoven” aan de Achterweg dateert in zijn huidige vorm uit de negentiende eeuw. Onlangs is het door de familie Boers fraai opgeknapt. Tijdens de verbouwing werden diverse houtblokjes gevonden met daarop de namen van werklieden die tijdens eerdere verbouwingen in het pand hadden gewerkt. Zo was in 1881 de Lissese timmerman Dirk Schrama bij bouwwerkzaamheden betrokken. Zou hij geweten hebben dat hij toen werkte op exact dezelfde locatie waar eeuwen eerder zijn voorouders woonden? Dirk stamde namelijk af van Quirijn Klaaszn. Schrama, wiens boerderij in de zeventiende eeuw gelegen was op dezelfde plek als het tegenwoordige “Dubbelhoven”. In een serie artikelen wil ik kort stilstaan bij de geschiedenis van de oude boerderij van Schrama en de bouw van het huidige pand Dubbelhoven. Het vormt een onderdeel van het onderzoek naar de buitenplaats Dubbelhoven, waar ik samen met Rob Pex mee bezig ben. Dat doen wij op verzoek van Richard Boers, de eigenaar van Dubbelhoven, die zeer geïnteresseerd is in de geschiedenis van zijn pand (en de directe omgeving). Het onderzoek is nog in volle gang, en bij dezen zou ik graag willen vragen of er mensen zijn die meer kunnen vertellen over de woning Dubbelhoven aan de Achterweg. Zij kunnen daartoe contact opnemen met ondergetekende (maartenvanbourgondien@hotmail.com) of Rob Pex (robpex@planet.nl). Langskomen tijdens één van de inloopavonden of –ochtenden is natuurlijk ook mogelijk. In de door mij bestudeerde bronnen worden de volgende oude maten gebruikt: morgen, hond en roede. Eén morgen was gelijk aan zes hond of 600 roeden. Eén Rijnlandse morgen komt overeen met 0,8516 hectare.

Cornelis Corstiaanszn.

In 1544 was de grond waarop het huidige Dubbelhoven werd gebouwd nog eigendom van Cornelis Corstiaanszn. Vermoedelijk stond er toen nog geen boerderij. Cornelis Corstiaanszn. was de stamvader van de rooms-katholieke Lissese familie Corsteman. Hij trouwde met Geertruida Klaasdr. en trad in de jaren vijftig van de zestiende eeuw onder andere op als kerkmeester van de Agathaparochie. Daarnaast speelde Cornelis in diezelfde tijd als gezworene een rol in het dorpsbestuur van Lisse. De vroegste vermelding dateert van 6 juni 1542, toen Cornelis Corstiaanszn. werd beleend met drie morgen land uit een grafelijk leengoed nabij Ter Spekke (niet ver van het huidige Dubbelhoven aan de Achterweg), dat omstreeks 1500 was afgesplitst van een groter leengoed van in totaal negen morgen land. [1] Later zal dit leengoed van drie morgen land door Adriaan Adriaanszn. Corsteman junior in twee delen worden overgedragen aan zijn oom Quirijn Klaaszn. Schrama. In 1544 was Cornelis Corstiaanszn. eigenaar van een woning met in totaal tien morgen en 292 roeden land aan weerszijden van de Achterweg (in de bronnen ook wel “Lijtwech” of “Buurwech” genoemd). [2] Op een deel van de landerijen aan de westkant van de Achterweg verrees in later tijd de boerderij van de familie Schrama. De woning van Cornelis Corstiaanszn. lag aan de oostkant van de Achterweg, niet ver van de tegenwoordige Vuursteeglaan. Dat gold eveneens voor de 374 roeden, die in 1544 door Cornelis werden gepacht (=gehuurd) van “Maritje Cornelis weduwe”. Op dit kleine stukje land werd in de zeventiende eeuw de buitenplaats Dubbelhoven gebouwd.

De familie Schrama

Boerderij De Wolff, die in de 17e eeuw eigendom was van de familie Corsteman.

De voorouders van Quirijn (Crijn) Klaaszn. Schrama komen oorspronkelijk uit Bennebroek. Zij hebben hun familienaam ontleend aan de ’s-Gravenmade, oftewel het weiland van de graaf. Dit land was gelegen tussen de Rijksstraatweg en de Haarlemmertrekvaart (bij het huidige restaurant Patrick’s – voorheen De Geleerde Man), en werd al in 1464 genoemd. [3] Aanvankelijk was het alleen weiland, maar later werd er ook een hofstede op gebouwd. Deze hofstede – met in totaal 25 morgen land – was in 1557 eigendom van Agatha Jansdr. uit Amsterdam, en werd bewoond door Cornelis Klaaszn. Scravemade. Waarschijnlijk was hij een zoon van Klaas Floriszn., die in de jaren dertig van de zestiende eeuw de hofstede ’s-Gravenmade met bijbehorende landerijen pachtte. [4] Het genealogisch onderzoek is nog in volle gang. Het lijkt er echter sterk op dat Gerrit Klaaszn. Scramaede (die in 1557 in de ambachtsheerlijkheid Heemstede woonde), en Maarten Klaaszn. eveneens zonen waren van de bovengenoemde Klaas Floriszn. In 1553 woonde Maarten Klaaszn. in Bennebroek. Hij pachtte toen van mr. Pieter Isaacs uit Amsterdam een hofstede met 21 morgen land. In 1555 blijkt Maarten Klaaszn. in Hillegom te wonen, alwaar hij van de Dominicanen uit Haarlem een woning huurde met ongeveer zeventien morgen land in Hillegom en drie morgen land in Bennebroek. In Hillegom wist Maarten Klaaszn. na verloop van tijd een uitgebreid landbouwareaal op te bouwen. In 1564 was hij namelijk gebruiker van maar liefst 51 morgen land. [5] Het overgrote deel van dit land werd door hem gepacht. Maarten Klaaszn. had slechts twee morgen en 350 roeden in eigendom. Het is niet bekend wat hij jaarlijks aan pacht betaalde, maar gezien de totale hoeveelheid grond die hij in gebruik had moet dit een aanzienlijk bedrag zijn geweest. Vier jaar later gebruikte Maarten Klaaszn. nog maar 25 morgen en 50 roeden. Hoewel dat nog altijd behoorlijk veel is, was zijn fi nanciële situatie blijkbaar dusdanig verslechterd dat hij de helft van het door hem gebruikte land moest afstoten. De tweede helft van de jaren zestig van de zestiende eeuw werd gekenmerkt door economische achteruitgang. Zo veroorzaakte het slechte weer omstreeks 1565 bijvoorbeeld diverse misoogsten in het graafschap Holland. [6] Vermoedelijk hadden hoge pachtsommen en een lage opbrengst Maarten Klaaszn. tussen 1564 en 1568 in fi nanciële problemen gebracht. Maarten Klaaszn. was de stamvader van een Hillegomse tak van de familie ‘s-Gravenmade, of Schrama. Zijn zoon Klaas Maartenszn. Schrama was getrouwd met Machteld Adriaan Jorisdr. Dit echtpaar bewoonde in 1591 een boerderij in De Zilk. [7] Eén van hun kinderen was Quirijn Klaaszn. Schrama, die later naar Lisse verhuisde.

Van De Zilk naar Lisse

Fragmentgenealogie van de families Corsteman en Schrama

Het is onduidelijk wanneer Quirijn Klaaszn. Schrama naar Lisse is verhuisd. De vroegste vermelding dateert vooralsnog uit 1619, toen Quirijn werd vermeld op de lijst van welgeboren mannen van Lisse. Zijn zus Katharina Klaasdr. Schrama was getrouwd met Adriaan Adriaanszn. Corsteman senior, kleinzoon van de bovengenoemde Cornelis Corstiaanszn. Waarschijnlijk speelden deze familiebanden een rol bij het besluit van Quirijn om in Lisse te gaan wonen. De boerderij van Schrama stond namelijk op land dat in de zestiende eeuw eigendom was van Cornelis Corstiaanszn. Quirijn legde met zijn komst naar Lisse de basis voor een langdurige band tussen dit dorp en de familie Schrama. Een groot deel van de Schrama’s die de afgelopen eeuwen in Lisse hebben gewoond, stamt namelijk van hem af. Tegenwoordig wonen er nog altijd nakomelingen van Quirijn in Lisse. De familie Schrama kan dan ook zeker tot de groep der oude Lissese geslachten worden gerekend. Quirijn Klaaszn. Schrama was getrouwd met Maria Cornelisdr. Op 2 november 1622 hadden zij vijf kinderen: Gerrit, Maria, Alfertje, Joris en Klaas. [8] Later kwam daar ook nog een dochter Katharina bij. Het huishouden werd gecompleteerd door twee inwonende dienstboden, die Quirijn hielpen met alle werkzaamheden op de boerderij. Het betreft Willem Adriaanszn. uit De Zilk en Geertje Jansdr. Het is niet bekend of Willem Adriaanszn. direct met Quirijn Klaaszn. Schrama vanuit De Zilk naar Lisse is verhuisd, of dat hij pas later in dienst is getreden.

De boerderij van Schrama in de Oude Mosveense Buurt

Het gebied waarin de boerderij van Schrama gelegen was, wordt vanouds de “Oude Mosveensche Gebuyerte” genoemd (oftewel de Oude Mosveense Buurt). Dit werd ook wel afgekort tot “de Oude Veen”. In een ver verleden had zich in de laaggelegen strandvlaktes tussen de Oude en Jonge Duinen een veengebied gevormd. Hier en daar bereikte het veen op den duur ook de hoger gelegen duingrond. [9] Blijkbaar gold dat eveneens voor de Oude Mosveense Buurt, waarvan de exacte begrenzing helaas niet bekend is. Vanaf de middeleeuwen werden dergelijke veengebieden ontgonnen en geschikt gemaakt voor agrarische exploitatie. Lisse kent meer van dit soort plekken: het gebied rond de boerderij Middelburg aan de Loosterweg Noord (tegenwoordig bewoont door de familie Van Graven) werd bijvoorbeeld “de Hooge Moschveen” genoemd. [10] Een ander voorbeeld is de Lageveense polder langs de Loosterweg Zuid.
Het is nog onduidelijk wanneer de boerderij van Schrama precies werd gebouwd. In 1544 lagen er langs dit deel van de Achterweg en Spekkelaan alleen enkele landerijen. De boerderij verschijnt voor het eerst op een oude kaart uit ca. 1615. Op het kruispunt van de Spekkelaan, Achterweg en Vuursteeglaan lagen toen in totaal vier woningen. Met de klok mee gaat het om: de buitenplaats Ter Spekke, de boerderij van Schrama (op de plek van het huidige Dubbelhoven), de boerderij van Cornelis Maartenszn. Verdel (= de woning van Cornelis Corstiaanszn.) en de Gasthuiswoning (eigendom van het Sint Elisabethgasthuis uit Haarlem). Naast het ontbreken van een exact bouwjaar, is het op dit moment ook nog niet bekend wie de boerderij van Schrama heeft laten bouwen. Verder onderzoek zal aan moeten tonen of Quirijn Klaaszn. Schrama opdracht tot de bouw heeft gegeven, of dat hij verhuisde naar een reeds bestaande woning. In ieder geval waren de Schrama’s nauw verbonden met deze boerderij aan de Achterweg, aangezien zij er in totaal bijna 100 jaar hebben gewoond en gewerkt.

Klik hier voor het volgende deel

Noten

[1] Ons Voorgeslacht 43e jaargang no. 385 (juli/augustus 1988) 335.

[2] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 305, fol. 126v.

[3] Mr. J.W. Groesbeek, Bennebroek, ‘De geschiedenis van Bennebroek’, in: Dr. Tj.W.R. de Haan (red.) Bennebroek-Vogelenzang. Bijdragen tot geschiedenis en volkskunde van een voormalig blekersdorp (Meppel 1965) 7-39, aldaar 26-27.

[4] Mr. J.W. Groesbeek, Bennebroek, beeld van een dorpsgemeenschap (Zutphen 1982) 53, Nationaal Archief, Archief van de Staten van Holland vóór 1572, inv. nr. 960 (fi lmnummer 1319), Kohier van de Tiende Penning van Heemstede 1557, fol. 1 en 8 en Noord-Hollands Archief, Oud Recht Heemstede, inv. nr. 536, fol. 28v.

[5] Oud Archief van het Hoogheemraadschap Rijnland, Morgenboeken van Hillegom uit 1564 en 1568, inv. nr. 4649.

[6] Leendert Noordegraaf, Hollands welvaren? Levensstandaard in Holland 14501650 (Bergen 1985) 41 en 86-87.

[7] A.M. van Kampen, ‘Behoorde De Zilk vroeger tot Hillegom?’, in: Hangkouserieën (februari 2003) 15-25, aldaar 21.

[8] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 41, fol. 10v. [9] K. van der Meer, De bloembollenstreek. Resultaten van een veldbodemkundig onderzoek in het bloembollengebied tussen Leiden en het Noordzeekanaal (Den Haag 1952) 90.

[10] A.M. Hulkenberg, ‘”Middelburg” te Lisse’, in: Leids Jaarboekje nr. 63 (1971) 143-172, aldaar 146.

De boerderij van Schrama omstreeks 17e eeuw

Oproep: De wagenmakerij Van Riek in Lisse aan de Heereweg

Jacobus van Riek trouwde in 1806 met Maartje van Noord. Zij woonde op Heereweg 112. daar was een wagenmakerij. Diverse vragen over de familie en de wagenmakerij worden gestel

Hans van Riek.

NIEUWSBLAD Jaargang 7 nummer 1, januari 2008

Mijn naam is Hans van Riek. Momenteel ben ik bezig om van de stamboom Van Riek een familiegeschiedenis op papier vast te leggen en in het bijzonder de wagenmakerij en en hun bewoners.

Mijn voorouders hadden vele generaties wagenmakerij en in Lisse, Delft en Hillegom. De stamvader van de wagenmakerij en is Jacobus van Riek, geboren in Rijnsaterwoude en trouwt met Maartje van Noort uit Sassenheim op 12 mei 1806 te Lisse. Het gezin van Jacob en Maartje wonen dan aan de Heereweg 212. Zij hebben zes kinderen, waarvan vier zonen. Waar Jacob het vak van wagenmaker heeft geleerd is mij niet bekend. Zijn zonen Jan, Claas, Gerrit en Cornelis leren het vak van wagenmaker bij hun vader.

Als eerste verlaat zoon Jan het ouderlijk huis en gaat naar Pijnacker om een wagenmakerij te beginnen en zet de wagenmakerij voort in Delft. In 1833 komt Jacob te overlijden en zet zijn vrouw Maartje de wagenmakerij voort tot ca. 1850. Na zijn huwelijk verlaat zoon Gerrit het ouderlijk huis en vertrekt naar Hillegom om een wagenmakerij te beginnen aan de Hoofdstraat. Op 26-jarige leeftijd komt wagenmakersgezel Cornelis te overlijden.

In 1850 koopt zoon Claas de wagenmakerij van zijn vader aan de Heereweg 212 te Lisse. Moeder Maartje overlijdt eenjaar later. Claas en zijn vrouw Alida van Schie hebben een zoon als enig kind, Jacobus Cornelis. Jacob trouwt met Cornelia van Roon uit Warmond en zij krijgen zes dochters en zeven zonen, waarvan zes kinderen binnen een jaar overlijden. Jacobus Cornelis zet de wagenmakerij voort van zijn vader en zoon Nicolaas Petrus leert het vak van wagenmaker van zijn vader. Als Jacobus Cornelis komt te overlijden in 1910 zet Nicolaas Petrus de wagenmakerij voort tot 1956. In 1917 trouwt Nicolaas Petrus met Wilhelmina Anna Damen. Nico van Riek verkoopt het pand in 1972. Zo komt er, na ca. 200 jaar, een einde aan het adres Heereweg 212 voor de vele generaties Van Riek.

Misschien kunt u mij helpen met meer informatie over de wagenmakerij en zijn bewoners aan de Heereweg 212 te Lisse. Elk puzzelstukje is welkom. Ik heb een aantal vragen:

Was bij de wagenmakerij een smederij of werd het smeedwerk

naar een smid in het dorp gebracht; Zo, ja bij wie?

Wie werkten (personeel) er nog meer bij de wagenmakerij;

Wat werd er zoal gemaakt bij de wagenmakerij?

Waren er meer wagenmakers in het dorp Lisse?

Wie heeft er oude foto’s van de wagenmakerij en zijn bewoners aan de Heereweg 212?

Weet iemand of Nico van Riek, de laatste wagenmaker, lid was van een vereniging of andere hobby’s had?

Heeft de familie Van Riek op een ander adres een wagenmakerij gehad in Lisse?

Zijn er verder bijzondere gebeurtenissen over de wagenmakerij bekend?

Verder is alle overige informatie over het pand en zijn bewoners welkom.

Voor informatie kunt u mij mailen op riek0004@planet.nl

Een deel van de wagenmakerij in de Smoufelbeekhoeve (Maldegem). Bemerk achterin de verschillende mallen (sjablonen). Bron Wikipedia

De welgeboren familie Duycker uit Lisse

De familie Duycker woonde in de vijftiende en zestiende eeuw  in Lisse. Zij waren een van de welgeborenen in Lisse. Welgeborenen waren van adellijke afkomst en hadden privileges wat betreft belastingen. De genealogie van de familie wordt besproken.

door Drs. Maarten van Bourgondiën

NIEUWSBLAD Jaargang 6 nummer 4, oktober 2007

Inleiding

In een eerder nummer van dit Nieuwsblad gaf ik aan onderzoek te willen doen naar zeven welgeboren en zeven ‘gewone’ Lissese families. In dit artikel zal ik aan de hand van de familie Duycker enkele aspecten van welgeborenschap behandelen. De familie Duycker woonde in de vijftiende en zestiende eeuw in Lisse en wordt in de bronnen ook wel “Duyker” of “Duker” genoemd. Hoewel zij niet behoort tot de veertien Lissese geslachten die ik voor mijn onderzoek heb geselecteerd, is de welgeboren status van de familie Duycker interessant genoeg om er een apart artikel aan te wijden. Het onderzoek naar de familie Duycker is overigens nog niet afgerond, dus het is mogelijk dat er in de toekomst nieuwe gegevens boven water komen.

Welgeborenschap in de vijftiende en zestiende eeuw

Volgens de meest gangbare opvatting van dit moment hield welgeborenschap in het vroegere graafschap Holland verband met een oude adellijke afstamming. 1. Welgeborenschap vererfde alleen in mannelijke lijn, en iemand werd alleen tot de welgeborenen gerekend als hij kon aantonen dat zijn vader, grootvader en overgrootvader eveneens welgeboren waren. Op maatschappelijk en economisch gebied waren er maar weinig verschillen tussen de welgeborenen en de andere dorpsbewoners (die ook wel ‘huislieden’ werden genoemd). Zo oefenden veel welgeborenen ‘gewoon’ het beroep van landbouwer uit. Hoewel zij niet meer in staat waren om er een adellijke levensstijl op na te houden, hadden welgeborenen vanwege hun adellijke afkomst tot in de zeventiende eeuw nog wel bepaalde voorrechten.

De belangrijkste voorrechten waren van financiële aard. Welgeborenen genoten namelijk diverse belastingvrijstellingen. Belastingen (zoals de buitengewone bede, die ten goede kwam aan de graaf van Holland) werden in deze tijd veelal omgeslagen over de hele dorpsgemeenschap. Hoe meer welgeborenen er in een dorp woonden, hoe zwaarder de financiële lasten voor de andere dorpsbewoners waren. Er werd dan ook scherp in de gaten gehouden dat niemand ten onrechte welgeborenschap claimde. 2 Na verloop van tijd gingen ook de financiële lasten van de welgeborenen omhoog. Vanaf de vijftiende eeuw werden hun voorrechten op financieel gebied namelijk steeds verder ingeperkt.

Een ander voorrecht van de welgeborenen betrof de rechtspraak. Huislieden vielen onder de jurisdictie van zowel de schout als de baljuw. Welgeborenen mochten in de vijftiende en zestiende eeuw daarentegen alleen worden berecht door de baljuw en zijn mannen. Het ging daarbij om berechting door standgenoten, want welgeborenen hadden de plicht om samen met de baljuw recht te spreken. Dat ging niet altijd van harte. Af en toe wordt namelijk melding gemaakt van personen die werden beboet omdat zij zich onttrokken aan deze verplichting. Toch bleven welgeborenen tot in de zeventiende eeuw op deze manier bij de rechtspraak betrokken. Zo zijn er van het baljuwschap van Noordwijkerhout (waartoe ook Lisse behoorde) lijsten bewaard gebleven uit circa 1620 waarop per dorp de volwassen welgeboren mannen worden vermeld. Op basis van deze lijsten werden de personen geselecteerd die samen met de baljuw recht moesten spreken.

Naast voorrechten hadden de welgeborenen ook verplichtingen. De plicht om samen met de baljuw recht te spreken kwam hierboven reeds ter sprake. Daarnaast dienden zij de graaf van Holland militair ter zijde te staan. Deze dienstplicht vormde aanvankelijk de belangrijkste verplichting voor de welgeborenen. De krijgsdienst kon echter worden afgekocht, dus in oorlogstijd hoefde lang niet iedere welgeborene samen met de graaf ten strijde te trekken. Toen de graaf van Holland op den duur steeds meer gebruik ging maken van huurlegers, raakte de militaire rol van de welgeborenen uitgespeeld.

De familie Duycker

In 1582 lieten de broers Jan en Frans Dirkszn. Duycker voor de schout en schepenen van Lisse vastleggen dat hun “bestevader [grootvader] … ende zijne voorouderen gebooren waren van manspersoonen van der zweertzijde [zwaardzijde, d.w.z. in mannelijke lijn] van der maechschappe van Lichtenberch, ende oock altijts voor een welgeboren man gehouden es geweest” 3.  Daarbij lieten zij expliciet aantekenen dat zij vanwege hun welgeborenschap geen helm hoefden te planten in het Keukenduin. De huislieden van Lisse waren daartoe wel verplicht. Blijkbaar hadden sommige huislieden de welgeboren status van de leden van de familie Duycker in twijfel getrokken om hen op die manier ook tot het planten van helm in het Keukenduin te dwingen.

Het kwam vaker voor dat dorpelingen de welgeboren status van iemand in twijfel trokken. De persoon in kwestie diende dan zijn adellijke afkomst te bewijzen via een zogenoemd “edeltuig”. In dit geval lieten Jan en Frans Dirkszn. Duycker enkele Lissenaars opdraven om hun zaak te bepleiten. Jonge (sic!) Dirk Dirkszn. van Larum – die op dat moment ongeveer 97 jaar oud was – verklaarde dat hij de overgrootvader van beide broers nog had gekend. Deze overgrootvader heette Jan Duycker en woonde in Lisse. Hij liet een zoon Cornelis Janszn. Duycker na, die eveneens in Lisse woonde. Daarnaast verklaarde Dirk Dirkszn. van Larum samen met de 53-jarige Jacob Maartenszn. Langeveld dat Cornelis Janszn. Duycker de vader was van oude Jan Corneliszn. Duycker, Dirk Corneliszn. Duycker en jonge Jan Corneliszn. Duycker (zie onderstaande fragmentgenealogie). Volgens Dirk en Jacob hadden zij van Cornelis Janszn. Duycker gehoord dat zijn familie in rechte mannelijke lijn afstamde van de familie Van Lichtenberg. Al met al geen harde bewijzen, maar in deze tijd werd er nog veel waarde gehecht aan de uitspraken van oude, gerespecteerde leden van de dorpsgemeenschap.

Zoals in dit soort gevallen gebruikelijk was, gingen Jan en Frans Dirkszn. Duycker voor het bewijzen van hun welgeborenschap drie generaties terug in de tijd. Zij waren in 1582 reeds meerderjarig (minimaal eenjaar of 25, maar vermoedelijk ouder). Dat betekent dat hun overgrootvader Jan Duycker in de tweede helft van de vijftiende eeuw werd geboren. De vroegste vermelding van de familienaam Duycker in Lisse dateert uit het eerste kwart van de vijftiende eeuw. In een uit 1424 stammend kohier van de 100e penning (een vermogensbelasting) wordt namelijk melding gemaakt van “Willem Duyker”.4

Hij werd in dat jaar tot de welgeboren mannen van Lisse gerekend. Hoewel de familienaam van beide personen wel op verwantschap lijkt te duiden,  zijn de precieze familiebanden tussen Willem en Jan op dit moment niet bekend. Het is zelfs mogelijk dat zij in mannelijke lijn helemaal geen familie van elkaar waren. Familienamen konden in deze tijd namelijk ook in vrouwelijke lijn worden doorgegeven. Dat gebeurde bijvoorbeeld als de familie van de moeder meer aanzien genoot dan de familie van de vader. Daarnaast kregen kinderen die naar een familielid van moederskant werden vernoemd in bepaalde gevallen niet alleen de voornaam, maar ook de achternaam van dat familielid.

De familie Van Lichtenberg

Volgens Cornelis Janszn. Duycker had zijn familie haar welgeborenschap te danken aan verwantschapsbanden met de familie Van Lichtenberg. Mogelijk bedoelde hij de invloedrijke adellijke Utrechtse familie Van Lichtenberg. Op de website van het Centraal Bureau voor Genealogie wordt het wapen van deze familie als volgt omschreven: in rood drie gouden lelies en een getande zilveren schildzoom (zie nevenstaande afbeelding). In dat kader is het interessant om te weten dat twee rentmeesters van het cisterciënzerinnenklooster Leeuwenhorst in Noordwijkerhout, Willem

Bartoen en zijn zoon Ewout, in de tweede helft van de vijftiende eeuw eveneens zegelden met een wapen waarop drie lelies stonden afgebeeld.6 Helaas zijn de heraldische kleuren daarvan niet bekend. Ewout Willemszn. Bartoen had een broer die “Jan Duker” werd genoemd. Jan Duker wordt in 1457/58 voor het eerst vermeld als onderrentmeester van het cisterciënzerinnenklooster Leeuwenhorst

Het cisterciënzerinnenklooster Leeuwenhorst in de eerste helft van de achttiende eeuw (afbeelding uit een manuscript van Andries Schoemaker).

Volgens Geertruida de Moor is het mogelijk dat hij de familienaam ‘Duker’ van zijn moeder heeft overgenomen.7 In dat geval heeft Jan niet alleen de voornaam van zijn grootvader van moederskant gekregen – zijn moeder heette namelijk Diewer Jansdr. -, maar ook diens achternaam (iets wat in deze tijd zoals gezegd wel vaker gebeurde). Een familiewapen vererfde vrijwel altijd in mannelijke lijn. De kans is dan ook groot dat Jan Duker net als zijn vader Willem en zijn broer Ewout zegelde met een wapen dat bestond uit drie lelies.8 Er lijkt dus een verband te bestaan tussen het wapen van de familie Van Lichtenberg en de familienaam Duker/Duycker. De overgrootvader van de broers Jan en Frans heette zoals gezegd Jan Duycker. Hij zou een zoon of kleinzoon kunnen zijn van de onderrentmeester Jan Duker. Helaas is het op dit moment niet bekend of de Lissese familie Duycker eveneens een wapen (of een huismerk) voerde met drie lelies. Het is daarom nog te vroeg om met enige zekerheid te kunnen stellen dat deze familie inderdaad van het adellijke Utrechtse geslacht Van Lichtenberg afstamde. Misschien dat toekomstig onderzoek (vooral naar het voor- en nageslacht van Willem Bartoen) daar meer duidelijkheid over kan verschaffen.

Naschrift

Omstreeks 1600 was een groot deel van de familie Duycker uit Lisse vertrokken. Dirk Corneliszn. Duycker verhuisde naar Haarlem en ook zijn zoons zochten hun heil elders: Jan Dirkszn. Duycker (alias Jan Dirkszn. van Lichtenberg) werkte als schoenmaker in Den Haag, Frans Dirkszn. Duycker verhuisde naar Delft, Cornelis Dirkszn. Duycker werkte als metselaar in Alkmaar en Klaas Dirkszn. Duycker (die vóór 1582 overleed) woonde in Amsterdam.

Jonge Jan Corneliszn. Duycker vertrok net als zijn broer Dirk uit Lisse (hij verhuisde naar Warmond). Oude Jan Corneliszn. Duycker bleef als enige van de drie broers in Lisse wonen, alwaar hij kinderloos overleed. Het is dan ook niet zo vreemd dat er op de uit circa 1620 daterende lijst met welgeboren mannen van Lisse geen leden van de familie Duycker meer worden vermeld.

1 Antheun Janse, Ridderschap in Holland. Portret van een adellijke elite in de late Middeleeuwen (Hilversum 2001) 45.

2 Bert Koene, “Welgeboren in Holland”, in: Jaarboek Centraal Bureau voor Genealogie deel 51 (Den Haag 1997) 3-49, aldaar 11.

3 Ir. A.F. de Graaff, “Wassenaer alias Doncker”, in: De Nederlandsche Leeuw 67e jaargang no. 2 (februari 1950) kolom 57-59, aldaar kolom 58.

4 Ir. A.F. de Graaff, “Ontmoetingen met welgeborenen”, in: Gens Nostra jaargang 8 (Amsterdam 1953) 46-48, aldaar 47.

5 M. Thierry de Bye Dólleman, “Het Haarlemse geslacht Van der Laen”, in: Jaarboek Centraal Bureau voor Genealogie dl. XXII (‘s-Gravenhage 1968) 102-123, aldaar 107.

6 C. Hoek, “Acten betreffende Delfland (deel 1)”, in: Ons Voorgeslacht 52e jaargang no. 486 (oktober 1997) 620-665, aldaar 629 en 630; zie voor beide personen ook: Geertruida de Moor, Verborgen en geborgen. Het cisterciënzerinnenklooster Leeuwenhorst in de Noordwijkse regio (1261-1574) (Hilversum 1994).

7 Drs. Geertruida de Moor, “De controverse tussen Jan van Noortich tot Noortigerhout en Ewout Willemsz. Bartoen”, in: Ons Voorgeslacht 49e jaargang no. 454 (november 1994) 397-413, aldaar 399.

8 Drs. J.F. Jacobs en M. Thierry de Bye Dólleman, “Het familiekroniekje van Ysbrant van Spaernwoude Gerytsz. (1432-1509)”, in: Jaarboek Centraal Bureau voor Genealogie dl. XVIII (‘s-Gravenhage 1964) 81-116, aldaar 89 en Janse, Ridderschap in Holland, 257. Op 17 december 1481 zegelde er inderdaad een Jan Duycker met drie lelies. Het betrof een akte i.v.m. de verkoop van land in Monster; bron: C. Hoek, “Acten betreffende Schieland en Oost-Delfland c.a. (vervolg van pag. 470 O.V. no. 387)”, in: Ons Voorgeslacht 43e jaargang nr. 389 (december 1988) 570-594, aldaar 590.

Genealogische Werkgroep start met de Lissese ‘welgeboren geslachten’

De genealogische werkgroep van de VOL start met onderzoek naar de geschiedenis van 14 bekende Lissese families.

Maarten van Bourgondiën

NIEUWSBLAD Jaargang 6 nummer 2, april 2007

Het uitgangspunt van de kortgeleden opgerichte Genealogische Werkgroep van uw Vereniging Oud Lisse is het doen van onderzoek naar de geschiedenis van Lissese families. Daartoe zal eerst een genealogische database moeten worden aangelegd.

Het aanleggen van een database kost veel tijd. Daarom is het onderzoek in eerste instantie gericht op veertien bekende Lissese families. Na verloop van tijd zal er ook aandacht worden besteed aan andere Lissese geslachten. Op de lijst met welgeboren mannen van Lisse (uit ca. 1619) staan vermeld de families Van Beieren (en Bergen in Henegouwen), Brederode (alias Jonghout/Hits), Van Heemskerk, Van Langeveld, Schrama, Van Tetterode en Van Wassenaar.

Bekende Lissese families die evenwel niet op die lijst staan zijn De Graaf, Hoogkamer, Van der Klugt, Van Larum (alias Van Stein/Van der Voort), De Roo, De Vlieger en Vreeburg.

De helft van de bovengenoemde families behoorde tot de zogenoemde ‘welgeboren geslachten’. De meest gangbare opvatting is dat het welgeborenschap duidt op een oude adellijke afstamming. Het welgeborenschap vererfde alleen via de manlijke lijn. Iemand werd alleen tot de welgeborenen gerekend als hij kon aantonen dat zijn vader, grootvader én overgrootvader eveneens welgeboren waren.

Gewone landbouwers

Veel weigeborenen waren ‘gewoon’ landbouwer. Zij hadden niet meer de middelen om er een adellijke levensstijl op na te houden, maar vanwege hun adellijke afkomst hadden ze tot het eind van de zestiende eeuw nog wel bepaalde voorrechten (met name op belastinggebied). Het is interessant om na te gaan of er wezenlijke verschillen zijn aan te tonen tussen de zeven welgeboren families en de zeven ‘gewone’ families: bijvoorbeeld hun sociale positie, de ambten die ze vervulden en hun huwelijkspolitiek (als daar sprake van was).

Inventariseren

Allereerst is het van belang om te inventariseren wat er zoal over de te onderzoeken Lissese families is geschreven. Deze informatie kan natuurlijk worden gebruikt, maar bij twijfel dient altijd een extra controle te worden uitgevoerd aan de hand van de originele archiefbronnen. Daarnaast dient te worden nagegaan welke archiefbronnen er al zijn gepubliceerd, of op een andere manier toegankelijk gemaakt. Er zal dus logischerwijs veel archiefonderzoek gedaan moeten worden. Om te beginnen dient daarbij aandacht geschonken te worden aan belastingkohieren, notariële en rechterlijke archieven en de Burgerlijke Stand.
Meedoen?                                                                                               
Wie wil meedoen in de Genealogische Werkgroep kan zich aanmelden bij Maarten van Bourgondiën,

Wie kent Aart van der Boon (1833-1890)?

Aad van der Tang is geïnteresseerd in Aart van der Boon en zijn familie. Aart is geboren in Lisse op 4 november 1833

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 1, januari 2006

Post

Ik ben geïnteresseerd in Aart Jacobus van der Boon (wiens voornamen ik draag) en zijn familie. Aart van der Boon werd op 4 november 1833 te Lisse geboren als zoon van Jan van der Boon en Alida van Klaveren. Zijn grootvader van moederszijde was Gerrit van Klaveren, eertijds schepen van Lisse. Via deze kant van de familie was hij verwant aan de families Van der Meij en Tibboel. Hij groeide op in de boerderij – huis 185 – van zijn grootouders op de hoek van de Dorpsstraat en de Broekweg. In 1859 trouwde hij met Gouda van der Tang, een dochter van Dirk van der Tang (zandbaas – opzichter van de zanderij – op het landgoed Veenenburg) en Jacoba Magdalena Visser.

Nadat hun zwager Albert (Jansen) van Mantgem – sedert 1864 eigenaar van “De Witte Zwaan” – in 1869 failliet was gegaan, kochten Aart van der Boon en Cornelis Jongbloed de herberg. In 1877 verkochten ze “De Witte Zwaan” aan Anthonie van Ruiten. Aart van der Boon was kort na het over­lijden van zijn eerste vrouw in 1874 hertrouwd met zijn negentien jaar jongere schoonzusje Teuntje van der Tang. In 1880 verkocht hij zijn laat­ste landerijen in Lisse (onder andere aan de Gebroeders Blokhuis) en ver­trok hij met zijn gezin naar Abcoude-Baambrugge. Hij overleed in 1890 te Amsterdam.

Zijn zwagers van vrouwszijde waren Bastiaan (1828-1882), Gijsbert (1830-1895), Cornelis (1837-1913) en Dirk van der Tang (1845-1925). Cornelis van der Tang was toeziend voogd over de kinderen uit Van der Boons eerste huwelijk. Schoonzuster Anna van der Tang (1832-1908) was gehuwd met Albert Alders, de eerste brugwachter van de rolbrug in Lisserbroek. Hun zoon Aart Jacobus Alders volgde zijn vader als brug-wachter op. Na de dood van Albert Alders hertrouwde Anna van der Tang met bovengenoemde Cornelis Jongbloed, weduwnaar van Gerarda van der Boon en Wytske Slottje. Net als Albert Alders vernoemden ook Albert van Mantgem en Cornelis Jongbloed een van hun kinderen naar Aart Jacobus.

Schiedam, Aad van der Tang

e-mail: aad.vandertang@cbg.nl

Dirk van der Tang was zandbaas – opzichter van de zanderij – op het landgoed Veenenburg

Katholiek naslagwerk doop-, huwelijks- en overlijdensboeken

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 3, juli 2003

Nieuwsflits

De Archiefgroep van de Agathaparochie, bestaande uit de heren P. de Ridder, J.L. van Diemen en P.A.M. Wassenaar, heeft een register samengesteld op de doop-, huwelijks- en overlijdensboeken van de parochie over de periode van 1687 tot aan de invoering van de bur­gerlijke stand in 1812. Hiermee is de groep zeven jaar doende geweest! Maar het resultaat is er naar. Het naslagwerk van 375 blad­zijden bevat alle namen van katholieke Lissenaren die in de parochie in bovengenoemde periode zijn gedoopt, gehuwd en/of overleden. Het boek is uitgegeven in samenwerking met de afdeling Rijnland van de Nederlandse Genealogische Vereniging. Het eerste exemplaar is in het Kerkelijk Centrum in de Poelpolder uitgereikt aan pastor J.H. van Leeuwen.