Berichten

HALFWEG DE TREKVAART VAN LEIDEN NAAR HAARLEM

Aad van Kampen heeft een artikel geschreven over de historie en plaats van de Halfscheidpaal, de grenspaal van Halfweg.  Tot op de dag van vandaag markeert een eeuwenoude, in de berm van de Leidsevaart, de trekvaart, stenen paal het punt halfweg tussen Leiden en Haarlem

door Aad van Kampen

Geo-Info, meinummer 2010

Stenen paal uit 1820 markeert ‘halfscheid’

. Toen de trekschuit nog voer, stond hier een herberg waar ook de paarden werden gewisseld. De pleisterplaats was eigendom van de gemeente Haarlem. Eerst kortgeleden is dit stukje grond teruggegeven aan Lisse

De 29 kilometer lange trekvaart tussen Leiden en Haarlem werd in 1657 in een recordtijd gegraven. Al in 1640 had een aantal Leidse textielhandelaren een verzoek ingediend voor een directe verbinding over water met Haarlem. Tot 1656 kon de aanvraag worden tegengehouden, bang als de concurrentie was voor andere vormen van vervoer. Maar de trekvaart was vooral bedoeld voor passagiersvervoer.
Waarom was de trekschuit zo’n populair vervoermiddel? Dat had te maken met het comfort van deze vorm van vervoer. De schuit – een lange, smalle boot met kajuit waarin zo’n vijfendertig passagiers konden worden vervoerd – had een constante snelheid van 7 kilometer per uur. De zitplaatsen waren voorzien van kussens en een ijzeren pot met brandende turf zorgde voor wat warmte. Vrouwen konden hun stoofjes gebruiken en de mannen konden een pijpje opsteken. Gespuugd werd er in een gezamenlijk potje of kwispedoor, dat op een gemeenschappelijke tafel stond.

Dampige reizen

Er werd overigens stevig gerookt tijdens de reis, dus het moet een dampige atmosfeer zijn geweest in het ruim. Ter ventilatie zaten er vier raampjes in de roef, bij regen en wind afgedekt met zeildoek. De reis nam overdag zeven en ’s nachts negen uur in beslag en kostte, omstreeks 1750, zeventien stuivers. Doordat bij iedere boerderij, bij elk dorp en iedere buitenplaats werd gestopt om passagiers in en uit te laten stappen of om goederen uit of in te laden, was deze vorm van vervoer niet altijd even efficiënt. Diligences en postkoetsen waren echter duurder en gingen minder frequent. En er waren ook nog weinig verharde wegen. Dat werd pas beter na 1806 tijdens de Franse bezetting, toen Lodewijk, de broer van Napoleon, tot koning van Holland werd benoemd. Iedereen lachte om zijn gevleugede woorden: ‘Iek ben Konijn van Olland.’
Halverwege lange trajecten werd even halt gehouden. De passagiers konden dan de stramme ledematen strekken, het gemak (toilet) bezoeken of een hapje eten. Dat deden ze op de route Haarlem-Leiden in Halfweg, een huisje dat vlak aan de vaart lag. Het is helaas is afgebroken.
Iedere trekschuit had drie man personeel: een schipper, een knecht en een jagertje. Dit jagertje, een jong ventje, mende het trekpaard dat over het smalle jaagpad liep en de boot voort trok. Alleen wanneer de boot een brug naderde werd het paard losgekoppeld. De schipper boomde dan de schuit door de openstaande brug, waarna het paard aan de andere kant weer werd ingespannen.

Weilanden en duinen

Omstreeks 1750 ging de trekschuit om de twee uur. Om half zeven ’s avonds vertrok de laatste boot. De reis was niet zo boeiend. Volgens de Engelse toerist avant la lettre Robert Cooper stonden er bijna geen buitenhuizen langs het traject, hooguit wat kalkovens. Daarna hoofdzakelijk lage weilanden met op de achtergrond de duinen. In de buurt van Haarlem werd het terrein weer wat hoger, maar door de rijen knotwilgen, elzen en beuken had je vanaf de trekvaart nauwelijks uitzicht.
Door verharding van de doorgaande wegen, de betere diligences, maar vooral door de komst van de spoorlijn in 1842 werd de trekschuitdienst steeds minder rendabel. Dat leidde in 1860 tot het opheffen ervan. In het topjaar 1677 werden 148.397 personen vervoerd. In 1811 waren het er 32.520 en in 1844 maakten slechts 5.128 personen gebruik van de trekschuit.

Jubileum in 2007

Volgend jaar bestaat de Trekvaart 350 jaar. Het Cultuur Historisch Genootschap Duin- en Bollenstreek werkt aan een boek en een expositie. Ook Uw vereniging wil samen met Museum de Zwarte Tulp een tentoonstelling inrichten. Er bestaan ook plannen om een oude trekschuit opnieuw te laten varen tussen Haarlem en Leiden.

 

Leidsevaart: Grenspaal is gemeentelijk monument geworden

Het kan verkeren! De gemeente Noordwijkerhout heeft de grenspaal bij de Leidse trekvaart aangemerkt als gemeentelijk monument.  De VOL is blij met de aanwijzing als gemeentelijk monument. De geschiedenis van de paal bij Halfweg wordt beschreven.

Nieuwsflitsen

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 3, juli 2009

Het kan verkeren!” Door een verkeerde verplaatsing van de bekende grenspaal te Halfweg wordt deze paal nu door de Gemeente Noordwijkerhout als Gemeentelijk Monument aangewezen!

(Halfscheidspaal gemaakt in 1820. Monumentnummer o575/5, bij Leidsevaart 29, opmerking Webmaster)

Uit betrouwbare bron (lid van de Monumentencommissie van Noordwijkerhout), heeft de Vereniging Oud Lisse onlangs (mei 2009) vernomen, dat de bekende grenspaal te Halfweg op de grens van Noordwijkerhout en Lisse door de Gemeente Noordwijkerhout voorgedragen wordt als gemeentelijke monument, hoewel de Gemeente Lisse deze paal in 2007 (waarvan men toen aannam dat deze op het grondgebied van Lisse stond), niet wilde waarderen als gemeentelijk monument! Deze grenspaal is een fraai versierde steen aan de Leidsevaart, welke in 2007 in verband met de 350 jarige herdenking al meer in het nieuws is gekomen.
Deze grenspaal of beter “Halfscheydtpaal” staat aan de Leidse Trekvaart bij Halfweg en dateert van 1820 toen bleek dat de eertijds speciaal daarvoor in 1656 geslagen elzenhoutenpaal was verrot. De paal is versierd met de wapens van de steden Haarlem en Leiden en de naam Halfweg. Het stuk vaart vandaar naar Leiden was eigendom van Leiden en moest door die stad onderhouden worden. Haarlem was eigenaar van de vaart naar het noorden. Vandaar de prachtige wapens op de paal. In het nabij gelegen huize Halfweg kwamen de commissarissen der steden bijeen en werden o.a. de trekpaarden gewisseld.
De heer Lieverse, voorheen belast met de archiefzorg bij de gemeente Lisse, vertelde dat de paal in de jaren tachtig van de vorige eeuw bij wegwerkzaamheden gebroken in de berm terecht was gekomen. Na een telefoontje van Fons Hulkenberg heeft hij toen actie ondernomen en werden de stukken door Gemeentewerken Lisse afgevoerd en door de Fa.Boot weer gerestaureerd. Om verdere ongelukken te voorkomen met passerende auto’s werd de steen, mede op advies van Hulkenberg iets verder van zijn oorspronkelijke plaats naar achteren gezet. Dhr. Lieverse heeft hierover een rapportje geschreven, dat natuurlijk nog wel in het gemeentearchief terug te vinden is. Iedereen, de gemeente Lisse en ook Fons Hulkenberg gingen er van uit dat de paal op het grondgebied van de Gemeente Lisse stond zoals op diverse oude kaarten ook aangegeven is. Bv. de oude kaart van de aanleg van de Trekvaart uit 1656 geeft duidelijk aan dat de paal oorspronkelijk in het grondgebied van Lisse geslagen werd. Ook een gemeenten kaart van 1850 geeft dit nog duidelijk weer.
Het blijkt dus dat de paal waarschijnlijk op de verkeerde plek is teruggezet, net op het grondgebied van Noordwijkerhout, die deze fraaie paal nu terecht als een gemeentelijk monument wil aanwijzen.
Dr. A.J.Kölker van de Vereniging Oud Lisse heeft in 2007 een inventaris van alle grenspalen in de gemeente Lisse gemaakt, inclusief deze paal en de Monumentencommissie toen voorgedragen deze als gemeentelijk monument aan te wijzen! De Gemeente Lisse had geen interesse daarin en heeft hier helaas van afgezien.
De Vereniging Oud Lisse is daarom verheugd dat de stille verhuizing van deze paal naar het grondgebied van de Gemeente Noordwijkerhout toch als positief resultaat heeft opgeleverd, dat de grenspaal nu als gemeentelijk monument wordt aangewezen en daardoor beschermd wordt voor ons nageslacht!! Waarvan acte!

 

Huidige plaats van de grenspaal bij Halfweg.

Het wapen van de sleutels van de gemeente Leiden staat op de ene kant. die van Haarlem op de andere kant.

Anno 2019 is de info is niet meer te lezen.

De verdwenen geit van Halfweg (1847)

Op 17 november 1847 werd in Halfweg een geit van Koos Marten vermist. De dader werd aangewezen. Het bleek een roddel te zijn.

door R.J. Pex

INHOUD Jaargang 7 nummer 2, april 2008

Uit het politierapport van Lisse, deel 9

Daar de buurtschap Halfweg het afgelopen jaar vaak in de publiciteit is geweest, onder meer vanwege de herdenking van 350 jaar Leidsevaart, leek het mij interessant het hiernavolgende incident, dat zich voor een belangrijk deel in deze buurtschap afspeelt, eens de revue te laten passeren. Het is ook weer ontleend aan de bekende politierapporten in het gemeentearchief van Lisse.

Blik op Halfweg vanuit het oosten, circa 1905/1910. Rechts de brug over de Leidsevaart. Coll. auteur

De ‘vette geit’ van Koos is weg!
Op 17 november 1847 bevond Jacobus Martens zich op het weiland bij zijn huis. Jacobus (1817-1859), in het politierapport ook wel Koos genoemd, woonde waarschijnlijk in de buurtschap Halfweg. Hij was gehuwd met Marytje Mens en wordt in de bevolkingsregisters aangeduid als ‘werkman’. Hij keek die dag dus uit over het weiland en het bleek hem al gauw dat ‘zijnen vette geit’ spoorloos verdwenen was! Korte tijd later vond Martens ‘de huid, de kop en de ingewanden’ terug in een sloot. Wie kon dat op zijn geweten hebben?

Het getuigenis van Cornelis Beijk
Spoedig sprak de hele buurtschap er schande van. Er was één persoon die beweerde van de hoed wel de rand te weten en dat was Cornelis Beijk. Hij wordt ‘arbeider, wonende te Lisse’, genoemd en dat is ook gelijk alles wat we over hem weten. Hij had heel wat te vertellen aan Martens. In aanwezigheid van Gerrit van Opzeeland [1] vertelde hij hem dat hij ‘dien morgen (van 17 november) den geit was tegengekomen’. Op zich wel heel opmerkelijk dat Cornelis zich zo’n goede voorstelling kon maken van deze specifieke geit van Martens. Het exemplaar dat hij zogezegd was tegenkomen kon immers zoveel eigenaren hebben….. Nog merkwaardiger wordt het verhaal als we lezen dat de veronderstelde geit in een zak werd meegevoerd door ‘een man die (…) hem niets dan binnensmonds brommend gegroet had en geschrikt scheen bij de ontmoeting’. Een wat schuchtere man dus die weinig van zich liet horen. Dat was natuurlijk heel verdacht!

Het is vast Jan Baik!
De man met de zak liep weer gauw weg en terwijl Cornelis hem nastaarde viel hem op dat zijn ‘houding, kleeding en omgang alle overeenkomst hadden’ met ….. Jan Baik! Het verhaal ging onmiddelijk als een lopend vuurtje door het buurtschapje en al gauw wist iedereen dat Jan Baik de dader was!

“Ik zal Baik den hals afsnijden!”
Iedereen was natuurlijk verontwaardigd over de vermeende daad van Baik. Ze zouden hem maar wat graag achter slot en grendel willen hebben! Maar er is er natuurlijk altijd één die wat verder wilde gaan. Het was Jan Verhoeven ‘onderopzigter op den spoorweg bij Halfweg’. Na Van Opzeeland dus de zoveelste spoorwegarbeider! Op 29 november, dus 12 dagen nadat de geit van Martens was verdwenen, had hij ‘een vrolijken partij in zijn huis’. In hetzelfde huis, waarschijnlijk gelegen aan de spoorweg, woonde een zekere vrouw Van der Klugt. De weduwe P.H. Molenaar, waarschijnlijk Geertruida van Beek (1801-1868), herbergierster in het latere Spoorzicht op de noordwestelijke hoek van de Delfweg en de Leidsevaart, was juist op bezoek bij haar. Ze kon alles horen wat Verhoeven tegen zijn gasten vertelde. Het ging over Jan Baik. Verhoeven zei letterlijk: “Ik zal een mes nemen en Baik den hals afsnijden, zoo als hij den geit van Koos (Jacobus Martens) gedaan heeft !”. Later kwam de herbergierster Jan Baik tegen en waarschuwde hem met de woorden: “Pas maar op dat hij u niet krijgt, want hij zal u den hals afsnijden, zoo als gij het den geit gedaan hebt !”.

Het is inmiddels wel duidelijk dat Baik zich niet bepaald op zijn gemak gevoeld moet hebben met al die dreigementen en verhalen die over hem de ronde deden…

Een storm in een glas water…
Gelukkig bleek het een storm in een glas water, want op 1 en 2 december zijn bovengenoemde personen voor de veldwachter of de burgemeester verschenen. Cornelis Beijk, van wie het hele verhaal over Jan Baik afkomstig was, moet zich wat schuldig hebben gevoeld, want hij verklaart: ‘Dat hij echter alleen geweest zijnde en de ontmoeting (met de man met de zak) wat onverwacht, hij niet stellig durft te verklaren den persoon van Jan Baik herkend te hebben…’. Op de vraag van de veldwachter of de verdachte persoon die Cornelis tegen het lijf was gelopen ‘niets bepaalds gezegd had, waaruit men het vermoeden tegen J. Baik had opgemaakt’ werd door Cornelis ontkennend geantwoord.

En daarmee was dan de hele zaak afgedaan. Voor Jan Baik echter zal de schrik er goed in gezeten hebben!

Conclusie
Bij het doorlezen van de politierapporten valt steeds weer op dat roddel en achterklap een belangrijke rol gespeeld moeten hebben rond het midden van de negentiende eeuw in een kleine gemeenschap als Lisse en dat de gevolgen daarvan voor de betrokkenen heel vervelend konden zijn. Het was dan destemeer zaak om, wanneer bepaalde feiten boven water kwamen, deze vast te laten leggen door een notaris of (in ons geval) door de veldwachter/burgemeester. Reeds eerder behandelden we een soortgelijke zaak: een hardnekkig roddeltje dat door iemand in de lokale herbergen verspreid was. Het zou je maar overkomen dat je beticht werd van een zaak waar je zelf in het geheel niets van af wist! In het Lisse van rond 1850 was dat echter allemaal mogelijk.

Noten
[1] Gerrit van Opzeeland (1802-1876) was spoorwegarbeider en woonde met zijn vrouw Anna Hoekman aan de huidige Stationsweg in het zogenaamde Lammetje Groen, de oude boerderij uit de zeventiende eeuw die nog altijd bestaat. Zie: A.M. Hulkenberg, “t Lammetje Groen” te Lisse, in: Leids Jaarboekje 1973, p. 156, 157.

Geraadpleegde bronnen:
-Gemeentearchief Lisse inv.nr. 1115 (politierapporten)
-J.L. van Diemen, P. de Ridder, P.A.M. Wassenaar, Lisse, Parochianen van St. Agatha 1813-1903, Reeks Genealogische Bronnen van de dorpen rondom Leiden 10 , pp. 27, 166, 178, 271.
-A.M. Hulkenberg, Lisse in oude ansichten II (derde druk, Zaltbommel 1987), p. 27.
-A.M. Hulkenberg, “’t Lammetje Groen” te Lisse, in: Leids Jaarboekje 1973, p. 156, 157.

Copyright © 2008 Vereniging Oud Lisse

Halfweg nieuwe buurtschap in Lisse

Buurtschap Halfweg staat nu op de kaart met de 5 geplaatste plaatsnaamborden. De onthulling door de burgemeester vond plaats na een lezing van Brigitte Brink over de historie van Halfweg.

Nieuwsflitsen

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 4, oktober 2007

Een deel van Lisse, bij de Leidsevaart, heet binnenkort buurtschap Halfweg. Om dit te onderstrepen worden er op vijf plaatsen borden met deze benaming geplaatst. De feestelijke onthulling hiervan door enkele bewoners van Halfweg is op zaterdag 29 september 2007.

Het college ontving begin dit jaar verzoeken om een deel van de Leidsevaart de naam Halfweg te geven. Die waren afkomstig van de Vereniging Oud Lisse, de Stichting Cultuur Historisch Genootschap Duin- en Bollenstreek en van de heer Aad van Kampen, oud-bewoner van Halfweg. Dit in het kader van het 350-jarig bestaan van de Trekvaart. Het college besloot deze verzoeken te honoreren.

Halfweg
Het gebied bestrijkt in noordwestelijke richting het allerlaatste stukje Stationsweg tot de Delfweg ter hoogte van het Houtvesterslaantje. Op de Leidsevaart begint Halfweg bij de gemeentegrens met Noordwijkerhout en loopt het tot de gemeente- grens met Hillegom. Het fietspad richting Noordwijkerhout hoort bij Halfweg tot het Houtvesterslaantje.

Geschiedenis
Dit jaar is het 350 jaar geleden dat de Trekvaart tussen Haarlem en Leiden werd gegraven. Op 25 april 1656 hebben de heren Andries van der Walle en Joris Gerstecoren, landmeters van de steden Leiden en Haarlem, “op de hoeck van de cromme Vaert, bewesten Lisse, een hondt ende vijftigh roeden besuijden de Delft als halfscheid een elsenpael in de gront gestooken, dienende als baecken ende hoe dat in de jaere 1658 het gemeene landthuijs is gestelt halffwegen de beijde steden aen de Delftwegh”. Dat was het prille begin van de Trekvaart en van de buurtschap Halfweg. Op 1 november 1657 kwam hier de eerste trekschuit langs.

De onthulling van het naambord HALFWEG

Voor meer foto’s zie: picasaweb.google.nl/lecbru

Copyright © 2007 Vereniging Oud Lisse

Herdenking 350 jaar Trekvaart met historie Huize Halfweg (2)

In deel 2 wordt de brand van het commissarishuis (huize Halfweg) in 1696 en de herbouw besproken.

door Drs. Brigitte Rink

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 4, oktober 2007

Huize Halfweg herbouwd na brand in 1696

In september 1696 brak er brand uit in het Commissarissenhuis. Het brandde tot de grond toe af. Snel werd er besloten dat het gebouw hersteld toch zou worden op de oude fundamenten.. De kosten bedroegen ca. 12.000 gulden. Jacob Roman kreeg als stadsarchitect de opdracht om een nieuw ontwerp te maken. Het is dus zeer waarschijnlijk dat de volgende tekeningen van zijn hand zijn. Er zijn twee series niet gedateerde tekeningen; met negen en acht tekeningen.

De eerste serie met acht tekeningen laten een ontwerp zien met een koepeltorentje. Erboven is een flapje geplakt waarop een eenvoudiger puntdak is ontworpen. Hiervan zijn een vijftal afgebeeld.

 

Voor met torentje

Voor zonder torentje

 

 

 

 

 

 

 

Het huis heeft twee verdiepingen en een hoog dak. De sterk naar voren springende middenrisaliet heeft brede raamindelingen naast de deur. In de versiering zijn de wapens van Leiden en Haarlem te herkennen.

Zijaanzicht rechts

achterzijde zonder dak

 

 

Plattegrond met losstaand stalgebouw

 

Het stalgebouw is achter een binnenplein geprojecteerd en staat nu los van het huis. Het binnenplein wordt afgesloten met twee deuren.

De tweede serie bestaat uit 9 tekeningen waarvan er hier vier zijn getoond. Het huis bestaat uit een kelderverdieping, een iets verhoogde begane grond en een zolderverdieping met een groot zadeldak. Het middendeel is bedekt met een fronton waarin een klok is geprojecteerd. Het stalgebouw is voorzien van ronde luchtgaten.

De plattegrond van dit gebouw kwam overeen met de plattegrond op de kadastrale Minuutkaart van 1818 . Uit geen enkele tekening van het huis was echter gebleken hoe de verbouwing van 1695 er uit had kunnen zien.

 

Ontwerp in kleuren voor Huize Halfweg aan de Trekvaart te Lisse Ref.Archief Leiden PV78051

Deze gekleurde tekening waarop twee ontwerpen voor het huis zijn afgebeeld, was wel bekend. Het bleef echter gissen welk ontwerp nu echt was gebouwd. Nu kon dit raadsel opgelost worden.

De derde serie tekeningen bracht namelijk de uitkomst. De ontwerpen zijn eenvoudiger en waarschijnlijk van de hand van de stadstimmerman Leendert de Windt. Het verschil van de bovenste gekleurde tekening en de ongekleurde tekening zit in de plaatsing van de wapenstenen tegen de daklijst aan. En de blindnissen boven de deurpartij in plaats van de guirlandes. Daardoor paste de gekleurde tekening van de achterzijde van het stalgebouw ook bij dit complex.

Voorzijde

Zijaanzicht met losstaand Stalgebouw

 

Plattegronden Halfweg

 

 

Wapenstenen van Leiden en Haarlem uit huize Halfweg

Wapensteen van Haarlem

Wapensteen van Leiden

 

De wapenstenen, gemaakt door de beroemde beeldhouwer Rombout Verhulst, werden na de brand hersteld en aan de achterzijde vlak gemaakt zodat ze dan beter pasten in de muur.

De steen met het wapen van Leiden was merkwaardigerwijze aan de noordkant ingemetseld, en de steen van Haarlem zat in de zuidelijke kant van huize Halfweg. Zie de boven afgedrukte ontwerptekening PV78051.
Daarachter lagen de vergaderkamers van de respectievelijke steden. De grote steen met het wapen van Leiden, rechts, is thans ingemetseld in de muur van de tuin van Keukenhof. Die van Haarlem bevindt zich sinds 1882 in de toegangspoort van het voormalige Magdalenaklooster, Kinderhuisvest 17 te Haarlem. Zie bovenstaande foto’s.

Er is een inventaris gevonden waarin beschreven staat hoe die commissarissenkamers ingericht waren. De kamer van Haarlem was voorzien van een spiegel met een vergulde lijst, goudleer behangsel dat in 1698 door Willem Eyckelenburgh geleverd was voor f. 609.4.0. en een stuk schilderij voor de schoorsteen. In de kamer van de stad Leiden stond hetzelfde en in de kamer boven de keuken hing nog een schilderij waarop een weverij is afgebeeld , waarschijnlijk door de Goudse schilder Christoffel Pierson.

In het archief van Lisse bevindt zich een pentekening van het huis. Nu was het mogelijk de plannen die ooit ingediend waren als ontwerp voor het nieuwe Commissarissenhuis te verbinden met wat er werkelijk was gebouwd. De tekening is gemaakt door J.van der Kloot in 1772. Het huis dat als bovenste tekening van Leendert van der Windt is afgebeeld is blijkbaar gebouwd. Veel is er niet veranderd vergeleken met het oorspronkelijke gebouw van Willem van der Helm. Alleen de stallen vormen geen geheel meer met het huis.

De scène vooraan laat een deel van een trekschuit zien, en op de kant is het jagertje bezig een nieuw paard naar de schuit te leiden. Er wordt wat gepraat, en er plast iemand tegen de boom. De tekening komt aardig overeen met de plattegronden en de andere ontwerpen die we hiervoor gezien hebben.

Huize Halfweg pentekening door J.van der Kloot uit 1772 (Gem.Archief Lisse)

 

De tekening toont echter niet de wapenstenen. Dat bleek te ingewikkeld en bomen ervoor zijn een handige tekentruc om dat te verdoezelen. We zien van de voorzijde dat de deur in het midden is gesitueerd en dat ernaast aan elke kant een halfbreed venster is. Dan ernaast aan beide kanten twee kruisvensters. Ook de zijkant is in beeld gebracht. Daar zaten ook kruisvensters in. Het muurgedeelte met daarin de poort naar de binnenplaats en daarachter de stal. Met één venster, een deur en weer een venster. Daarachter de hooiberg. Aan het einde is een fraai hek te zien. Aan de rechterkant is een omheind stuk waar een kar voor staat, en een koetsje voor de schuur.
Hier is echter geen tolhek te zien. Ook de brug is niet afgebeeld, en dat is toch jammer, want nu is niet goed te plaatsen hoever het huis van de weg af stond.

Met de aanleg van de spoorweg Haarlem-Leiden in 1842 was de tijd van de trekschuiten voorbij. In 1860 werd het huis Halfweg van de hand gedaan , waarna het in 1867 gesloopt.

Copyright © 2008 Vereniging Oud Lisse

Herdenking 350 jaar Trekvaart met historie Huize Halfweg (1)

In een uitgebreid artikel wordt het begin van de Trekvaart beschreven. Daarna wordt de geschiedenis van het Huys Halfwegen beschreven.

door Drs. Brigitte Rink

INHOUD Jaargang 6 nummer 3, juli 2007

IS DIT HUIZE HALFWEG TE LISSE OF ‘T SCHOUWTJE TE AERDENHOUT?

“Half-way House between Leijden & Haerlem”

Deze prent is afgedrukt in het boek “A pittoresque tour through Holland and part of France made in the autumn of 1789″. Het boek werd geschreven door de Engelsman Samuel Ireland en is in 1790 uitgegeven en kwam in 1796 in 2e druk uit. Bovenstaande prent van de trekvaart met een brug en een groot huis is hierin opgenomen. De tekst onder deze prent ‘Half-way House between Leijden & Haerlem’ heeft jarenlang voor de nodige verwarring en dwaling gezorgd. A.M. Hulkenberg vermeldt in zijn boek ” ’t Roemwaard Lisse” al dat het met de afgebeelde prent eigenaardig is gesteld, omdat het huis helemaal niet lijkt op de gemaakte ontwerptekening ten behoeve van de herbouw van het afgebrande huis in 1695 (zie ons Nieuwsblad okt.2007). Ook is de herberg rechts van het huis niet ingetekend en het pad aan deze zijde van de vaart roept ook vraagtekens op. Toch gaat hij er van uit dat de prent het huis Halfweg onder Lisse voorstelt.

Er wordt aan deze aanname van Hulkenberg nu echter getwijfeld door Dhr. Aad van Kampen, amateur historicus. Is dit wel het huis te Halfweg? In de 2e druk van Samuel Irelands boek staat namelijk op blz 106 aangegeven: ‘About two miles from Haarlem the annexed sketch was made, to which the road and canal run parallel and increase in verdure and woody scenery’. Vroeger behoorde dit tot Heemstede. Van Kampen maakt aannemelijk dat dit waarschijnlijk een afbeelding is van de Herberg ’t Schouwtje die nu nog steeds bestaat. Waarvan acte!
Zie ook: www.trekvaarthaarlem-leiden.nl

 

Schilderij van het Tolhuis bij Heemstede, van Jan van Kessel, (particulier bezit in bruikleen bij gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude)

 

VERWARRING OVER HET SCHILDERIJ ‘HET TOLHEK IN HALFWEG’ VAN JAN VAN KESSEL (1656) OPGELOST

 

In 1991 werd voor de toenmalige burgermeester IJsselmuiden van Haarlemmerliede het bovenstaande schilderij Halfweg van Jan van Kessel uit ca 1675 gekocht op een kunstbeurs in Maastricht en in de raadszaal te Haarlemmerliede opgehangen. Van meet af aan was er onduidelijkheid of op dit schilderij wel het tolhek van Halfweg tussen Haarlem en Amsterdam was afgebeeld.
De burgemeester vond echter een bevriende sponsor die bereid was het te betalen en in bruikleen af te staan zodat het schilderij toch in het raadhuis van Haarlemmerliede kon worden opgehangen.
Conservator Biesboer van het Frans Hals museum kwam tot de conclusie dat op het schilderij Halfweg tussen Haarlem en Leiden afgebeeld was, op grond van de op het tolhek aangebrachte wapens van Leiden en Haarlem. Na grondig onderzoek door Dhr. Aad van Kampen in 2006 en ook gezien de afbeelding van de St.Bavo kerk op het schilderij werd terecht door hem geconcludeerd dat het schilderij het tolhek bij Heemstede moest voorstellen. Zie: www.trekvaarthaarlem-leiden.nl

HET VEERHUIS EERDER GENAAMD HERBERG ‘DE BONTE HENGST’ TE HALFWEG, BIJ LISSE

Het Veerhuis wat rechts van de Delfweg aan de Leidsevaart lag, is beschreven door de heer Hulkenberg. Hulkenberg schrijft in zijn boek ” ’t Roemwaard Lisse ” uit 1971 (in 1969 werd het Veerhuis gesloopt) dat er zich omstreeks 1730 ten noorden van de Delfweg reeds een herberg bevond. De naam van deze herberg was toen “De Bonte Hengst”, waarin de schuitepaarden gestald werden die het veer (dus de trekschuiten) van Haarlem op Leiden bedienden. Aan de noordzijde stond tegen de herberg aangebouwd de stal.
In 1741 werd een aanvraag ingediend bij de Burgemeesteren en Regeerders (B. en R.) van de twee steden (Haarlem en Leiden) door hospes Jacobus de Graaff van de Bonte Hengst om op Halfwegen huurpaarden te stallen, voor het traject Halfweg – Haarlem en vice versa. De bestuurders van de steden willen dit alleen inwilligen voor een proefperiode van 5 jaar, ingaande de eerste oktober 1741.
De volgende condities waren eraan verbonden:
De schippers moeten de stalhuur blijven betalen aan de resp. gemeenten.. De benodigde (wei)landen (voor de paarden) kunnen gehuurd worden maar zullen goed onderhouden moeten worden.
Er mag geen schade gedaan worden aan de commissaris op Halfweg wegens het missen van het kostgeld van een stalknecht.
Het veer moet op deselve wijze worden bediend als daarvoor; mocht dit ontbreken dan moeten de schippers weer zorgen voor de eigen paardenstalling zodat het Veer op de oude wijze kan worden bevaren.
Ten alle tijden kunnen de heren B. en R.. de toestemming intrekken.
Overeenkomst is bekrachtigd door D.Guldewaagen, Comm. Van Haarlem en de schippers Cornelis Stellingwerff, Christiaan Yyse G (H) underman, Gerrit Scheerke, Jan Vijgh en Lambert van de Wolff. Hierna werd de concessie voor nog eens 5 jaar verleend. Jacobus de Graaf was hospes van de Bonte Hengst tot 1791

Café Spoorzigt (voorheen het Veerhuis) te Halfweg van ±1920 tot ±1969

In 1840 kocht jonkheer Steengracht uit de boedel van Geertruy van Beek, die tapperij en landbouw daar uitoefende, de losplaats aan de trekvaart, naast de brug voor f. 260.- De vier schippers van het Volksschuitenveer verkochten het huis van de Leidse schippers aan de overkant van het Veerhuis, toen er een eind was gekomen aan de veerdiensten, aan de Keukenhof. Dat huis was toen nog vrij nieuw, maar de schippers verklaarden dat de percelen sinds onheuglijke tijden eigendom waren van de schippers.
In 1909 werd de naam van het café door de toenmalige eigenaar Jan Kaptein omgedoopt in de naam ‘Spoorzicht’ vanwege de aanleg in 1842 van de pal er tegenovergelegen spoorbaan.

Maar wat is de geschiedenis van de Herberg?

Het lijkt onwaarschijnlijk dat dit grote huis omstreeks 1656 is gebouwd. Geen enkele herberg die gebouwd werd bij de aanleg van de Trekvaart was zo groot. Veel gezinnen vonden er onderdak.

Er moet dus tussentijds een vergroting hebben plaats gevonden. Maar wanneer? In 1969 werd het gebouw afgebroken wegens grote bouwvalligheid. Aan een eeuwenoude herberg kwam een roemloos einde.

De familie Kaptein woonde in het café Spoorzicht.
Naast het uitbaten van het café, werkte de heer Kaptein ook als vrachtrijder tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het ging toen slecht in de bollenteelt en veel kwekers stapten over op groenteteelt. Daarom werd in Lisse de tuindersvereniging ‘De Eendracht’ opgericht. Daaraan gekoppeld kwam er ook een groenteveiling naast het café van de familie Kaptein op Halfweg. Zowel de Trekvaart als de spoorwegen hadden daar halteplaatsen. Daarvandaan kon groente onder andere geëxporteerd worden naar België en Duitsland.
Later ging deze groenteveiling samen met de veiling bij de Piet Gijzenbrug. Daar was een station en de trein vervoerde de aardappelen en groente sneller en goedkoper.

Detail kaart ca. 1850

 

Op deze kaart is naast de grens- of scheydtpaal ook het Veerhuis rechts van de Delfweg al aangegeven. De kaart is van 1850 want de spoorlijn staat er immers al op.

Huidige situatie Halfweg

 

Copyright © 2008 Vereniging Oud Lisse

Herdenking 350 jaar Trekvaart met historie Huize Halfweg

In een uitgebreid artikel wordt het begin van de Trekvaart beschreven. Daarna wordt de geschiedenis van het Huys Halfwegen beschreven.

door Drs. Brigitte Rink

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 3, juli 2007

Inleiding
Het vrachtvervoer door Holland ging bijna altijd over het water. De Romeinen gebruikten al de grote rivieren de Rijn en de Maas als de gemakkelijkste waterwegen om goederen over te vervoeren. Goederen zoals tufsteen uit het Eiffelgebergte dat voor kerkenbouw werd gebruikt, wol uit Engeland voor de lakenindustrie van Leiden en Haarlem en hout en graan uit de Scandinavische landen, en wijn uit Frankrijk en Duitsland. In het binnenland ging bier, baksteen en nog veel meerover het water. Al deze goederen worden per zeilschip vervoerd, soms over zee, dat heette dan de soute vaert, maar meestal over de rivieren. Als er gevaren werd, dan konden ook passagiers meegenomen worden. Vaak waren het gevaarlijke tochten, vooral als er over zee gevaren moest worden. Over de rivieren en het IJselmeer werd de soete of gecostumeerde vaart genoemd. Altijd bleef men afhankelijk van de wind.

Over de zandwegen gingen karren en koetsen. Na de tachtigjarige oorlog die eindigde in 1648 met de Vrede van Munster, of zoals het ook wel is genoemd de Vrede van Westfalen, werd het veiliger om te reizen. Het voert hier te ver om alle waterwegen met de daarin gelegen tollen en dammen te bespreken, maar een belangrijke stad als Gouda, was voor zijn welvaart afhankelijk van de tol die geheven werd bij de Donkere sluis, die midden in de stad lag. Dat was onder andere de reden dat deze stad zich erg verzette toen de handelaren van de steden Haarlem en Leiden, een aanvraag indienden bij de Generale Staten om een Trekvaart te mogen graven. Het was ook represaille omdat Leiden en Haarlem erg gekant waren tegen de aanleg van een trekvaart naar Amsterdam. Toen de vroedschap van Gouda echter zelf nogmaals vroeg om een octrooi voor de trekvaart naar Amsterdam, zagen Haarlem en Leiden hun kans schoon om hun eigen aanvraag door te drukken.
In 1656 werd toestemming verkregen en onmiddellijk gingen twee landmeters, te weten Joris Gerstekoren van Leiden en Andries van der Walle van Haarlem een traject uitzetten. Het hele traject besloeg zo’n kleine 30 kilometer. Er zijn 41 tekeningen van het traject gemaakt.
Een aantal voorbeelden van deze kaarten die door hen zijn getekend komen hier aan bod.

Begin van de Trekvaart
De landmeters hadden het hele traject in kaart gebracht en het bleek dat vlak bij de Delffweg, het midden lag van het uitgezette tracée voor de trekvaart.
“Op dinsdag, 25 april 1656 werd door de Heren Andries van der Walle en Joris Gerstecoren, gezworen landmeters van de steden Leiden en Haarlem op de hoek van de ‘cromme vaart’ ten westen van Lisse omtrent één hondt en vijftig roeden ten zuiden van de Delfweg, een paal van elzenhout in de grond gestoken”.
Als eerste baken in het landschap ging deze paal het ‘Halfscheyd’ markeren van de te maken ‘Treck-vaert’ en ‘Treck-wech’ tussen de steden Leiden ende Haarlem.

Op 27 september 1656 werd de eerste spade geslagen voor het graven van de doorgang door strandwal bij Vogelenzang/Bennebroek. Dit was een zware graafklus!!
De officiële aanbesteding vond plaats op 27 februari 1657, waarna het echte werk begon. Het trace van 28,4 km werd verdeeld in 49 stukken van ca 70 tot 200 Rijnlandse roeden of “parcken” ( 1 roede is 3,78 meter), waarop aannemers konden intekenen. 1150 arbeiders hebben in zeven maanden het werk geklaard. Zij kwamen v.n.l. uit West Brabant en Zeeland en verdienden 1 gulden/dag! ! De totale aanlegkosten bedroegen ca 423000 gulden (=200000 Euro). De vaart was 18,5 meter breed en 2,4 meter diep.
Op 1 november 1657 voer al de eerste schuit door de vaart!
Een “onmooglijk wonder” zei men in die tijd!!
Vlak bij bet Halfscheidt moest een brug worden gemaakt voor de Delfweg. Er werd grond gekocht, waarop een Commissarissenhuis werd gebouwd. Het werd Halfwegen genoemd, of zoals het nu heet Halfweg.

* Besteding van ’t graven ende maken van een trekvaart Tussen de steden HAARLEM EN LEIDEN
Op de 27ste februari anno 1657. Nieuwe Stijl/zijnde dinsdag.
(Reg.Archief Leiden PV37550.1)

HALFWEG(EN)
Het midden van de afstand Haarlem Leiden was belangrijk om de inkomsten uit de vaar- en tolgelden te kunnen verdelen. Op de kaarten die de landmeters daarna van het hele traject tekenden kwam als markering een zonneroos en hun handtekeningen.

Kaart t.b.v. aanleg Trekvaart bij Halfweg van Joris Gerstecoren en Advies van de Walle (1656) (Reg.Archief Leiden PV 32553.21)

Huidige Hardstenen paal bij Halfweg met wapens van Haarlem en Leiden (zie foto hiernaast) die de elzenhouten paal ter “Halfscheydt” verving

HET HUYS TE HALFWEG(EN)
De elzenhouten paal is later vervangen door een van hardsteen waarop de wapens van de twee steden is uitgehakt, zoals boven te zien is.

* Kaart van K.Dou, van 1678, herzien in 1746, met Sixenburg naast Halfweg en de paal (Reg.Archief Leiden PV 70295)

Het huis Halfweg ziet u hier staan, naast de buitenplaats Sixenburg van Pieter Six, burgemeester van Amsterdam, die de eerste was die in zijn gebied de duinen liet afgraven om het zand te kunnen verkopen voor de uitleg van de steden Amsterdam, Haarlem en Leiden.

De kosten voor de gronden voor Halfweg bedroeg f. 1070,00, de bouw van het huis en de stallen aan de Delffweg bedroeg f. 7.260, de kosten voor het bouwen van de tolhuizen in Warmond en Heemstede was tezamen f. 5445. – en de aanbesteding van 8 trekschuiten bedroeg f. 48.864. Leiden had 8 schuiten en Haarlem aanvankelijk 6, waar later nog twee bijkwamen.
In een van de eerste verordeningen stond dat de “Schippers mogen niet aanleggen zonder dat iemand betaald heeft, zelfs niet aan de Delfweg, waar van paard wordt gewisseld, “maer sullen de Jongens op de Paerden rydende, gekomen zijn tot op vijftich roeden nae aen de Deffwech/ gehouden syn te blasen op een hoorn/ ten eynde een versch paerd uyt de stalle op de Treckweg ghebracht ende aende lyn daer de schuyt mede getrocken werdt /by den Commissaris op de Delff-wech vast gemaeckt mach werden /sonder dat de schippers aldaer eenighe persoonen sullen vermoghen aen landt te setten /die sy naederhandt wederom inne nemen /maer sullen de voornoemde Schippers gehouden syn sonder vertoeven voort te varen” (op straffe van een boete en, bij recidive, schorsing uit hun ambt).

Voor het huis was eerst een ontwerp gemaakt door de Haarlemse stadarchitect Salomon de Bray. Er waren al twee houten modellen gemaakt, maar zijn ontwerp stuitte echter in Leiden op verzet: ze vonden het daar veel te groot en te imposant. De kosten zouden wel navenant kunnen zijn.
Leiden stelde voor dat hun stadstimmerman, de architect Willem van der Helm een ontwerp zou maken. Het ontwerp ziet u hier.

* Opstand en plattegrond, getekend door Willem van de Helm 1657 (Reg.Archief Leiden PV 78054)

Het is een eenvoudig huis met een vrijwel vierkante plattegrond.
Breed 60 voet = ca. 18.85 m., de hoogte van de pui is 15 voet = ca. 5.65 m. en met het dak mee is het 30 voet = ca. 11.50 m. hoog. De diepte is ca. 58 voet = ca. 18.10 m. Een flink gebouw dus.
De stal is aan het huis gebouwd onder een dak. Het huis had 4 zadeldaken.
In het midden was een binnenplaatsje.
Bij het beschrijven van de plattegrond, kwam naar voren dat de twee kamers links bewoond werden door de commissaris die moest zorgen voor de paarden, voor het tolgeld en voor de “Sael van de heeren” zoals in de rechter ruimte staat geschreven. Achter de entree is het voorhuis, waarachter een open ruimte is, waar de deur van de trap zich bevindt, evenals de deur naar de stallen, de deur naar een pleetje, en de toegang naar de “sael” en een hardstenen wasbak met twee pompen. De trap heeft een bordes, en er lijken twee ramen in de muur van de achterkamer te zitten om licht in het trapgedeelte te krijgen. In de “sael”zijn twee deuren, één naar het voorhuis en één in naar de “lantaem”. In de achterkamer van de beheerder is het bed al aangegeven. De aangegeven trap naar beneden laat zien, dat er ook een soort kelder was onder de linkerachterkamer, en waarschijnlijk ook onder de “sael” De stal bood ruimte aan 24 paarden.

Het huis kon in 1658 bewoond gaan worden.. Twee hardstenen “fruytposten”, die vermoedelijk in de schoorstenen waren verwerkt en een ovaal dat in het fronton zat, en licht in het zoldergedeelte gaf, waren de enige versieringen aan het huis. De kosten ervoor bedroeg de som van f. 13-15-0.
Bij nader inzien wilden de bestuurders toch wat duidelijker aangegeven hebben dat het hier ging om een prestigieus bedrijfspand, en dat er wapenstenen van de beide steden nodig waren om dat te benadrukken.
Rombout Verhulst, de beroemde Vlaamse steenhouwer had op dat moment zijn werkplaats in Leiden. Hem werd gevraagd twee wapenstenen te houwen uit Bentheimer zandsteen. De rekening ervoor is bewaard gebleven, en dateert van 1660.
Rombout Verhulst diende een rekening in van 400 gulden, maar de uitbetaling werd aangehouden omdat daar nog over vergaderd moest worden om te zien of hij er wel alleen aan had gewerkt. Dat bleek niet het geval, er hadden ook stadssteenhouwers aan gewerkt, en die werden al door de stad betaald, dus hun loon dat werd van de rekening afgetrokken.
De betaling kwam op 315 guldens. De wapenstenen zijn dus later in het gebouw aangebracht, evenals een nieuwe vulling voor het frontispice.
Er is een vermoedelijk eenzelfde donkere baksteensoort gebruikt als voor de poortgebouwen van Leiden. Daardoor werd er later over het huis gezegd dat het een verbazend ruim maar akelig gebouw was, en de ligging koud, eenzaam en woest.

Copyright © 2007 Vereniging Oud Lisse