Berichten

Veel historie langs wandelnetwerkroute

Wat betekenen toch die donkere paaltjes met rode pijltjes met een nummer op een gele achtergrond? Het gaat hier om de wandelknooppuntenroute door de Duin- en Bollenstreek. Veel historie langs het  wandelnetwerk is te vinden in een digitale Atlas.

HUIS HALFWEG 150 JAAR GELEDEN GESLOOPT

Op 1 november 1657 opende men de trekvaartdienst tussen Haarlem en Leiden. Lisse lag precies halverwege beide steden. Daarom zette men in “Halfscheyd” in 1658 een kantoor.

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

10 oktober 2017

door Nico Groen 

Het was in de 17e eeuw beroerd gesteld met de wegen en waterwegen in de Bollenstreek. Vele wegen waren onverhard en zaten vol kuilen. Het reizen per postkoets was dus geen pretje. Als men per boot vanuit Leiden naar Haarlem of Amsterdam wilde, moest men gebruik maken van het Haarlemmermeer. Dat was bij stormachtig weer natuurlijk levensgevaarlijk voor de vaak kleine bootjes.

Daarom werd een trekvaart gegraven en op 1 november 1657 opende men de trekvaartdienst tussen Haarlem en Leiden. Lisse lag precies halverwege beide steden. Daarom zette men in “Halfscheyd” in 1658 een kantoor, een dienstwoning, een paardenstal en een herberg . Het complex stond iets ten zuiden van de Halfwegsebrug in de huidige Stationsweg, ongeveer ter hoogte van Leidsevaart 10. Er hoorden 5 ha land bij, waarop de paarden konden grazen. Hier, halverwege Haarlem en Leiden, werden namelijk de trekpaarden gewisseld en de dieren konden hier uitrusten, eten en drinken. Het buurtschap Halfweg is naar Huize Halfweg of Halfwegen vernoemd.

Gevelstenen in de voorgevel
De kosten van het kopen van de grond, de bouw en het onderhoud waren gelijk verdeeld over  de steden Haarlem en Leiden. Het huis was ontworpen door de Leidse architect Willem van der Helm. In de voorgevel zaten 2 gevelstenen: een van de stad Haarlem en een van de stad Leiden.
Deze gevelstenen waren gemaakt door de bekende beeldhouwer Rombout Verhulst.
De dienstwoning werd bewoond door de trekvaartcommissaris. Hij moest er voor zorgen, dat de dienstregeling  van de trekschuiten goed werd uitgevoerd. Hij moest ook toezicht houden op de gang van zaken wat het wisselen van de paarden betreft. Het was een drukte van belang, want er werden veel passagiers en goederen vervoerd. Zo waren er in 1677 148.000 passagiers. Hetgeen neerkomt op  zo’n 2900 per week.
In 1695 brandde het gebouw af. Op de oude fundamenten werd een jaar later een nieuw huis gebouwd. De gevelstenen werden hersteld en opnieuw ingebouwd in de voorgevel.

In 1842 werd de spoorlijn Haarlem-Leiden gerealiseerd. De komst van de trein betekende het einde van de trekschuiten omdat reizen per trein veel sneller en comfortabeler was. Door de komst van de trein duikelde het aantal passagiers van de trekschuiten door de “Treckvaert” naar 2000 in 1843.
In 1860 waren het pand en de grond overbodig geworden voor de trekvaartdienst. Daarom werd het geheel verkocht aan Baron van Pallandt, eigenaar van Landgoed Keukenhof. Hij liet Halfweg slopen in 1867, dus dit jaar precies 150 jaar geleden. De gevelsteen met het Leidse stadswapen met de 2 sleutels liet hij inbouwen in de muur van de moestuin  om Frederikshof. De gevelsteen van het stadswapen van Haarlem is terecht gekomen in de poort van het Magdalenaklooster aan de Kinderhuisvest 17 in Haarlem.

Bovenstaande gegevens komen uit het boek ‘Blauwe ader van de Bollenstreek, 350 jaar Haarlemmertrekvaart-Leidsevaart, 1657-2007, geschiedenis, betekenis en toekomst’ uit 2007.

Foto: Halfweg met daarachter een binnenhof. Dáár achter de stallen. Op de voorgrond de trekvaart. Foto: Beeldbank Lisse.nl

STORM TIJDENS DE KERMIS IN 1716

In een notariële akte, getekend op 24 oktober 1716 door Notaris/Schout Jacob van Dorp,  wordt melding van de kermis gemaakt.

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

20 september 2016

door Nico Groen    

 De kermis komt er weer aan. Het is een gebeurtenis, waar veel Lissers naar uit kijken en waar vele vrijwilligers aan mee werken. Wanneer zal in Lisse de eerste kermis gehouden zijn? In ieder geval was er 300 jaar geleden al kermis in Lisse. Dat weten we, met dank aan Arie de Koning,  omdat er toen in een notariële akte, getekend op 24 oktober 1716 door Notaris/Schout Jacob van Dorp, melding van de kermis wordt gemaakt. Op de dinsdag van de Lissese kermis op 6 oktober 1716 was er een kleine ramp gebeurd.

Op 6 oktober sprak Cornelis van der Meer met Pieter van der Bent, marktschipper van Lisse op Rotterdam op de werf van Van der Bent. Het was tussen 7 en 8 uur en de twee mannen hadden zorgelijk over het weer gesproken en “sy beyde geoordeeld hadde ende geseyd, dit is voor Jacob Vranckenzn een leggert”. Zij doelden hierbij op Jacob Kats, stiefzoon van Cornelis van der Meer en marktschipper van Lisse op Amsterdam. Zij wisten beiden dat Jacob zich in Amsterdam bevond en vandaag weer zou terug varen naar Lisse. Hij zou hiervoor over het IJ moeten varen om bij Spaarndam het Spaarne op te kunnen zeilen.
Beide mannen bestempelden dit als gekkenwerk en namen aan dat Jacob zou blijven “leggen” aan de kade, in Amsterdam wel te verstaan. Het schip was grotendeels beladen met tarwe dat voor de Lissese bakkers, Aagje Broers en Pieter van der Bijl was bestemd.
Aagje Broers, weduwe van Jacob Cranenburgh had 5 Last besteld. Een Last was een scheepsmaat van ongeveer 1926 kilo. Dus Aagje zou 9630 kilo tarwe moeten krijgen. Bakker van der Bijl had 1½ Last besteld, dus ongeveer 2890 kilo tarwe. Over de andere goederen welke waren geladen, werd niet gerept.

Jacob Kats was een zeer ervaren schipper die al diverse jaren met zijn IJkerschip de vaste route Lisse-Amsterdam visa versa bevoer. Een IJkerschip was een soort turfschip met witte horizontale ijkstrepen aan de zijkanten, waaruit de diepgang en dus de grootte van de lading kon worden afgelezen. Dit was belangrijk bij het passeren van sluizen en bruggen ivm tol.
Het was geen super groot schip volgens de koopovereenkomst: “lang over den steeven 48 voet en 9 voet 3 duijm hol, na advenant hierbij verkogt een mast met de wigt, een staag met twee zijdtaakels alles tot mijn volle genoegen ontvangen”.  Het schip is dus ongeveer 16,5 meters lang en 3,40 meter breed. Een veel voorkomend binnenwaterschip in die dagen.
Kats was niet voor een kleintje vervaard, maar overspeelde nu zijn hand door, ondanks het stormachtige weer, het kolkende IJ op te varen richting Lisse. Was het de kermis die hem deed besluiten toch af te varen?
Hij kwam niet ver op het razende water van het IJ dat door de stormwind over zijn dolboorden sloeg en net voor de Saardammer Ton (Saardam =Zaandam), zonk zijn schip.
Jacob werd direct opgepikt door een schuit die vlak naast hem voer en hield alleen een nat pak over.

Maar daar was het nog niet mee afgelopen. De Lissese bakkers stelden Jacob Kats aansprakelijk voor hun verlies. Hij accepteerde dat. Het schip zou door de Scheepsassuradeur getaxeerd worden en een uitkering zou volgen.
En de tarwe welke zich in het wrak bevond? Daarin zat hem nou nèt de winst. Er werd overeengekomen dat Dirck Uyt den Hemel de tarwe uit de IJker zou lossen, drogen en verkopen. De opbrengst zal worden verdeeld in de verhouding 10/13 en 3/13 aan de beide bakkers.

Een voorbeeld van een ijkschaal op een ijkschip. De grootte van de lading kon worden afgelezen. Foto: www.debinnenvaart.nl

OORLOGSGRAVEN IN LISSE

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)                             3 mei 2016

door Nico Groen

Ieder jaar is er op 4 mei in Lisse aandacht voor de slachtoffers van de tweede wereldoorlog. Deze openbare dodenherdenking wordt afgesloten met de  kranslegging bij het ´Monument voor de gevallenen´. Dit monument staat midden op de kruising van de Oranjelaan en de Heereweg.  Dit is niet de enige herdenking op 4 mei. In de middag is er elk jaar een bezoek aan de oorlogsgraven in Lisse. Deze herdenking is voor nabestaanden en genodigden. Bij elk graf wordt ter nagedachtenis stilgestaan met een herdenkingswoord en een bloemlegging. Lisse telt vier oorlogsgraven met 7 slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog.

Op de begraafplaats van de RK kerk St. Agatha ligt het kerkelijk eregraf met vijf oorlogsslachtoffers. Deze erebegraafplaats bestaat sinds 1992. Toen werden stoffelijke resten van vier gevallenen  herbegraven. Daarvóór lagen de gesneuvelden her en der verspreid over de begraafplaats en bij de Engelenkerk. Het kerkbestuur reageerde daarmee op een voorstel van de Stichting Oorlogsgraven. Op de Algemene Begraafplaats Duinhof liggen nog twee oorlogsgraven.

Een van hen is Teun Kulk, geboren op 11 mei 1915. Teun Kulk overleed als militair bij een bombardement op het vliegveld Valkenburg bij het begin van de oorlog in de nacht van 9 op 10 mei 1940.

Bert Kroon stierf op 1 februari 1944, nog geen 21 jaar oud, in een barakkenkamp voor militairen in Amersfoort. Hij had een gevaarlijke vorm van difterie. Hij was na verraad van NSB’ers in het Groningse Doezum opgepakt door de Duitsers. Hij is ook op Duinhof begraven.

Rinus Warmerdam, is geboren op 25 januari 1918. Op 10 mei 1940, de eerste oorlogsdag, is hij ernstig gewond geraakt. Als militaire koerier is hij van zijn motor geschoten. Hij overleed op 12 mei 1940 in Wassenaar, waar hij eerst is begraven. Op 22 januari 1944 is hij herbegraven op de begraafplaats van de Agathakerk.

Aart van Dijk is geboren op 2 januari 1914 en overleden op 19 januari 1945 Tijdens een razzia in Hillegom werd hij door de SD doodgeschoten.

Jan de Haan was gemeentesecretaris van Lisse. In de oorlog hielp hij vele mensen. Op 19 februari 1944 werd hij gearresteerd en naar het beruchte kamp Vught gebracht. In september 1944 is hij onverwacht vrijgelaten. Hij was volkomen uitgeput en is daar niet meer overheen gekomen. Hij overleed op 9 oktober 1946.

Willem Heemskerk is in de nacht van 2 op 3 mei 1945, net voor de bevrijding, neergeschoten door dronken, gedeserteerde Duitse soldaten bij zijn huis in de Engel. De Duitsers waren op strooptocht. Hij was 55 jaar.

Als laatste staat op de gedenksteen van het eregraf de naam van Frans Snaar. Zijn naam staat ook op het familiegraf van Snaar. Hij is geboren op 20 april 1924 en overleden op 10 november 1943 in Rudisleben, Landkreis Arnstadt. Hij was tewerkgesteld in Duitsland.

Bovenstaande gegevens komen uit het boek ‘Wat toch een tijd’, geschreven door Ed Olivier. Daarin staat nog veel meer over de omstandigheden waaronder bovenstaande en andere oorlogsslachtoffers zijn omgekomen.

Rechts ligt het eregraf met vijf oorlogsslachtoffers. Foto: Nico Groen

Lisse en haar ontwikkeling

Hoe heeft Lisse zich ontwikkeld ten opzichte van vroeger?
Lisse was vroeger een klein dorpje met heel weinig voorzieningen. Naar mate er meer bewoning kwam in dit dorp, kwamen er ook meer voorzieningen voor etenswaren en kookgerei. Er kwam meer ontwikkeling en na enige tijd werd ook alles steeds luxer.

Brit van Kesteren heeft de geschiedenis van Lisse beschreven in ‘Lisse en haar ontwikkeling’.

Nieuwsblad Jaargang 6 nummer 3, juli 2007

door Britt van Kesteren, HAVO 4, leerlinge van het Fioretti college.

Zij maakte in 2006 een fantastisch verhaal over de lokale geschiedenis van Lisse. Ze maakte deze opdracht door verschillende boeken, nieuwsbladen van de Ver.Oud Lisse en bronnen op het internet te raadplegen, naast het inwinnen van adviezen bij cultuur- en landschapsgeograaf Dr.Jan Beenakker en Wim Bosch voorzitter van de Ver.Oud Lisse. Haar complete verhaal incl. afbeeldingen ziet u hieronder.

LISSE EN HAAR ONTWIKKELING

Naam: Britt van Kesteren
Klas: 4H4
Inleverdatum: 10 april 2006
Docent: Dhr. Hinsbergen

Inleiding
Deelvraag 1: Hoe is het landschap van Lisse ontstaan en/of opgebouwd?
Deelvraag 2: Hoe is Lisse ontstaan en hoe heeft Lisse zich ontwikkeld?
Deelvraag 3: Hoe heeft de bollenteelt bijgedragen aan de ontwikkeling van Lisse?
Deelvraag 4: Hoe is Lisse uitgegroeid tot een dorp met het aantal inwoners dat het nu heeft?
Conclusie
Eigen mening
Logboek
Bronvermelding
Vragen aan Dhr. J.J.J.M. Beenakker
Het verhaal als pdf-bestand

Inleiding:

Toen ik een onderwerp voor deze Praktische Opdracht moest kiezen had ik geen idee waaraan ik moest denken. De voorbeelden van andere Praktische Opdrachten die de leraar mij gaf hebben mij hierbij erg goed geholpen. Ik kwam een Praktische Opdracht tegen met het onderwerp Hillegom, vroeger en nu. Het ging in dit werkstuk niet alleen maar over de onderwerpen die ik in mijn Praktische Opdracht behandelt heb, maar dit hielp mij enorm om een keuze te maken voor het onderwerp dat ik moest kiezen voor mijn Praktische Opdracht.

Hoofdvraag:
Hoe heeft Lisse zich ontwikkeld ten opzichte van vroeger?

Deelvragen:
1) Hoe is het landschap van Lisse ontstaan en/of opgebouwd?
2) Hoe is Lisse ontstaan en hoe heeft Lisse zich ontwikkeld?
3) Hoe heeft de bollenteelt bijgedragen aan de ontwikkeling van Lisse?
4) Hoe is Lisse uitgegroeid tot een dorp met het aantal inwoners dat het nu heeft?

Eerst ga ik op internet kijken, zodat ik weet of er op internet veel informatie te vinden is. Al is dat niet het geval, dan ga ik naar de mediatheek of de bibliotheek voor veel boeken en informatie. Ook ga ik naar het museum `De Zwarte Tulp’. Dit is een museum van de Duin- en Bollenstreek. Misschien ga ik nog op zoek naar personen die betrokken zijn met de ontwikkeling van Lisse.
lk ben van plan om elke week aan de Praktische Opdracht te gaan werken, zodat ik niet alles op het laatst of moet maken en dat het dus niet netjes is.

Ik denk dat alle informatie die ik op ga zoeken erg goed gaat uitpakken. Misschien zal er op internet niet zo heel veel te vinden zijn, maar dat zal verder geen consequenties hebben voor het eindresultaat.

Deelvraag 1
Hoe is het landschap van Lisse ontstaan en/of opgebouwd?

Het ontstaan
De laatste ijstijd, het Weichselien wat is vemoemd naar de Poolse rivier de Weichsel, begon ongeveer 75.000 jaar geleden en heeft geduurd tot circa 10.000 jaar voor heden. Gedurende deze periode reikte het landijs tot aan de Elbe. De gletsjers en de landijsbedekking onttrokken water aan de oceanen. De zeespiegel daalde daardoor ongeveer 100 meter zodat ondiepe zeeën zoals de Noordzee droogvielen. In ons land en in het droogliggende Noordzeebekken heerste in die tijd een toendraklimaat. Het was heel koud en droog. ’s Zomers werd de gemiddelde temperatuur niet hoger dan 6 C, terwijl in de winter de gemiddelde temperatuur ver onder het vriespunt bleef.
Door deze klimatologische omstandigheden was er weinig vegetatie tijdens het Weichselien. De toendravlakte was schaars begroeid met mossen en kruiden_ In dit gebied leefden dieren als de mammoet en de wolharige neushoorn. De stormen die over de ijskap en toendra’s heen waaiden konden zand over een groot stuk land verstuiven. Dit zand werd in de vorm van dekzand in hele dikke lagen over oudere lagen afgezet. Deze afzettingen vormden de Formatie van Twente. De bovenzijde van dit oude landoppervlak ligt ter hoogte van Lisse ongeveer 12 tot 15 meter beneden NAP.

Tegen het einde van de ijstijd kwam er een wereldwijde klimaatsverandering. Daardoor begon 10.000 jaar geleden het Holoceen. Dit is het tijdvak waarin wij nu leven. De wereldwijde opwarming van de aarde na het Weichselien is de laatste grote klimaatswisseling die op aarde heeft plaatsgevonden en is in de archeologie de overgang van het Paleolithicum (Oude Steentijd) naar het Neolithicum (Nieuwe Steentijd). In deze tijd was er een grote toendravlakte waar wolharige neushoorns rondliepen. Een toendravlakte is een vlakte waar kruiden en heel erg weinig bomen groeien. Het is een bevroren vlakte wat een beetje smelt in het voorjaar en de zomer. In het voorjaar en de zomer is het land hierdoor een beetje modderig.
De wereldwijde klimaatsverandering was iets heel belangrijks, iets wat in deze tijd ook een belangrijke rol speelt. De gemiddelde jaartemperatuur begon te stijgen met een graad per jaar. Dit betekende dus dat de gletsjers in Groenland, Scandinavië en de Alpen begonnen af te smelten. Dit zorgde voor een stijging van de zeespiegel met meer dan 100 meter. De zee overstroomde het Noordzeebekken en bereikte uiteindelijke de tegenwoordige kuststrook van Nederland.

Door de klimaatsverandering maakte de toendravegetatie plaats voor een bebost landschap. Het gevolg van de stijging van de zeespiegel was dat er in het kustgebied drie verschillende afzettingsmilieus ontstonden die zich in de loop van het Holoceen naar het zuiden en oosten verplaatsten:
1. de zandige zone van strandwallen en duinen
2. de kleiige zone van wadden, kwelders en brakwaterlagunes
3. het verst van de zee af in een verzoetend nat milieu een zone van veenvorming

Het landschap was helemaal droog. Door dit landschap stroomden wat rivieren.
Al dit water stroomde in het Noordzeegebied. Dit Noordzeegebied is de huidige Noordzee. Door deze klimaatverandering verzamelde het smeltwater zich allemaal in het Noordzeebekken. Zo kwam het dat er 9000 jaar geleden eerst maar één meter zee was, daarna twee meter enzovoorts. Kortom op een gegeven moment was er een Noordzee die op sommige plaatsen wel honderd meter diep was. Nu betekende dit, dat de bodem van de Noordzee soms wel honderd of meer dan honderd meter lager ligt dan het land waarop we nu leven.
Terwijl al dit water zich verzamelde in het Noordzeebekken, kwamen er na enkele duizenden jaren allemaal zeestromen. Deze zeestromen zetten zandbanken af. Het afzetten van de zandbanken betekende ook dat er duinvorming kwam. De zandbanken waren eigenlijk duinen. De eerste duinen waren in feite heel lage duinen van ongeveer tien meter hoog. Het Keukenhofbos is een overblijfsel van deze eerste duinen en is hier dan ook een goed voorbeeld van. Deze eerste duinen zetten zich af in verschillende rijen.
Lisse lag bijvoorbeeld ook op een stukje duin, alleen is hier niets meer van te zien. Alle eerste duinen zijn afgegraven. Het overgebleven landschap is bollengrond geworden.
4000 a 5000 jaar geleden zijn er allemaal duinen ontstaan tot aan het Haarlemmermeer. Dit komt omdat het Haarlemmermeer en de Kagerplassen nog allemaal open water was.
De duinen die 4000 a 5000 jaar geleden ontstaan zijn, bestaan nu met meer. Deze duinen zijn allemaal afgegraven en bollengrond geworden. Pas grofweg het jaar 1000 zijn de duinen ontstaan zoals we die nu kennen. Deze duinen liggen aan de zee. Maar voordat deze duinen er waren, zijn er al een heleboel rijen duinen ontstaan. Deze eerste duinen zijn landinwaarts ontstaan, in tegenstelling tot de huidige duinen die zeewaarts zijn ontstaan.

Het ontstaan van de duinen
De zeestromen langs de Noordzeekust vervoerden grote hoeveelheden zand. In rustig water werd dit zand in de vorm van zandbanken evenwijdig aan de kust afgezet. Deze zandbanken waren de zogenaamde strandwallen. Dankzij de grote hoeveelheden afgezet zand samen met een overheersende over het land gaande wind vond er duinvorming plaats. De duinen raakten begroeid met planten die het zand vasthielden en ze werden steeds hoger door het stijgende zandoppervlak. Er ontstond een gesloten kust die slechts onderbroken werd door enkele riviermondingen zoals de Oude Rijn bij Katwijk. De duinen die op deze manier vanaf ongeveer 5000 jaar geleden zijn gevormd, werden de Oude Duinen genoemd. Later zijn op deze oude duinruggen de dorpen in de Duin- en Bollenstreek ontstaan. In de tweede helft van de tiende eeuw vond een belangrijke verandering langs de gehele Noordzeekust plaats. De meest westelijk geleden strandwallen werden door de wind en de golven afgebroken waardoor grote hoeveelheden zand van de zeebodem vrij kwamen. Nadat de stormfrequentie in het kustgebied sterk was toegenomen, werd dit zand het land in verplaatst en afgezet over de bestaande duinruggen. 
In een smalle strook vlak aan de kust vormde zich op deze manier een nieuwe rij duinen van enkele kilometers breedte. Deze duinen waren de Jonge Duinen. De Jonge Duinen liggen dus voor een deel over het oude duinlandschap heen.

Het grondgebruik door de jaren heen
In de Middeleeuwen (toen er bewoning was) waren er grove groenten, zoals rapen en wortelen en heel laagwaardige graansoorten, zoals gierst en spelt. Spelt is een oud tarweras met een opvallend lange en slanke aar.
Vanaf de Middeleeuwen kun je al zien dat het Duin- en Bollenstreek gebied een veeteeltgebied wordt met rundvee en melkvee.
In de zeventiende eeuw werd er hop verbouwd. Hop is een kruidachtige klimplant. De bitterstoffen uit hop zijn een bestanddeel van bier. Er werd ook vlas voor de linnenindustrie verbouwd.
Naarmate de duinen werden ontgonnen zie je dat er steeds meer tuinbouwgronden kwamen. Dit ging dan voornamelijk om de fijne tuinbouw met de fijne groenten, zoals sla en asperges maar ook fruit, zoals appels, peren, kersen en ook kruisbessen en aardbeien. De Bollenstreek was heel beroemd in het telen van kruisbessen en aardbeien. Hillegom had zelfs een hele aparte markt in Amsterdam waar de Hillegomse aardbeien verkocht werden. Lisse had een heleboel kruidentuinen. Kruiden voor geneesmiddelen en voor in de keuken, maar ook kruiden om make-up van te maken.
Rond 1800 kwam er aardappelteelt. Er werden toen ontzettend veel aardappelen verbouwd. Rond 1850 kwam hier de grootschalige bloembollenteelt.

Er wordt vaak vergeten dat Lisse vroeger een heel belangrijk veeteeltgebied was. Tussen 1700 en 1800 leverde Lisse producten zoals boter, kaas en melk aan de markt in Leiden en Haarlem. In die tijd exporteerde Lisse ook kaas naar Indië. Indië was toen ook een kolonie van Nederland. Deze export maakte Lisse een heel belangrijke bron voor Indië.

Deelvraag 2

Hoe is Lisse ontstaan en hoe heeft Lisse zich ontwikkeld?

Het ontstaan en de ontwikkeling van Lisse
Er wordt beweerd dat Lisse niet tot een van de oudste dorpen van de Bollenstreek behoort. De oudste dorpen zijn waarschijnlijk Hillegom en Sassenheim. Lisse is ietwat later ontstaan, maar dat wil niet zeggen dat Lisse geen oud dorp is. Waarschijnlijk is Lisse tussen het jaar 500 en 800 na Christus ontstaan. Dit is namelijk de periode waarin de huidige Duin- en Bollenstreek werd ontgonnen. Hierover zijn geen precieze gegevens te vinden.
In 1198 is er een vermelding van een kapel van de kerk van Sinte Marie in Lisse geweest. Dit is de eerste betrouwbare vermelding van Lisse. Het woord Lisse komt wel vaker voor in oude archieven, maar dan is er geen zekerheid of deze bron wel betrouwbaar is.
Doordat de eerste betrouwbare vermelding van Lisse in 1198 was, werd er besloten dat Lisse vanaf dat jaartal officieel bestond. Lisse zal wel iets langer bestaan hebben dan vermeld, maar dit zal niet veel langer zijn geweest.

Kaart van Lisse van Balthasar uit 1615

Lisse was op dat moment een heel klein dorpje en is dat gebleven tot het midden van de 19e eeuw. Er waren een paar boerderijen en er wonen nog geen honderd mensen. Het hele landschap was bos met hier en daar een akker of een paar koeien op een stuk grasland. Er was een houten kapel wat diende als de Nederlands hervormde kerk zoals we die nu kennen. Lisse is pas een beetje beroemd geworden door de bollenteelt rond het jaar 1840. Voor deze tijd stelden alle dorpen in de Bollenstreek niet zoveel voor. Maar toen de bollenteelt eenmaal begon, ging alles in een razend tempo. Vanaf dat moment werd Lisse en al de dorpen eromheen heel beroemd.

Het ontstaan van de bloembollenteelt

De bollen kwamen vroeger uit Azië. Ver in de 17e eeuw kwam er iemand uit Turkije en ging naar Charles de 1’Escluse (Clusius). Clusius was een professor en de baas van de keizerlijke tuinen in Praag en in Wenen. Hij heeft geleefd van 1526 tot 1609. Hij zorgde ervoor dat de tuinen er mooi uitzagen. Uiteindelijk nam de ambassadeur van Turkije tulpenbollen of tulpenzaad mee, dit is niet helemaal zeker. In Turkije en ook in andere delen van Azië was al een hele tulpencultuur ontstaan. Alle sjeiks hadden al prachtige tuinen vol staan met tulpen en andere bloemen. 
Al die tulpen kwamen bij Clusius. Hij moest weg uit Praag en uit Wenen vanwege godsdienstongeregeldheden. Hierdoor verhuisde hij naar Leiden. In Leiden werd hij professor aan de Universiteit van Leiden. Hier ging hij verder met het planten van zijn tulpenbollen.
In het begin vond men deze bloem maar heel raar, want een bol diende in die tijd als geneesmiddel. De bloembollen werden niet gekweekt voor de sier, maar voor reuma, verkoudheid enzovoorts.

Op een gegeven moment begon men toch anders over deze bloemen te denken. De tulp was toch wel een mooie bloem. Dit was eigenlijk het begin van de bloembollenteelt. De bollen werden vermeerderd en er werden tulpenveldjes aangelegd met allerlei mooie soorten tulpenbloemen.
Na enige tijd was het zelfs zo dat er geen tulpenbollen meer van Azië naar Nederland geëxporteerd werden, maar dat Nederland tulpenbollen naar Azië ging exporteren. Veel bollenboeren gingen zich hier ook specialiseren in nieuwe soorten tulpenbollen. Dit is iets wat nooit gedaan is in het oosten. In de Bollenstreek is men zich dus echt gaan specialiseren op de tulpenteelt. Later ook op de hyacinten- en narcissenteelt.
Rond 1635 deed zich een verschijnsel voor dat ‘tulpomanie’ of ‘tulpemwoede’ werd genoemd. Steeds meer mensen wilden een of meerdere tulpen kopen. Een bloembol werd een beleggingsobject. Tussen 1634 en 1636 vertwintigvoudigden de prijzen zich. Voor één bloembol werd tijdens de tulpomanie 5.000 gulden betaald. Bekend is de transactie waarbij een bol in natura werd betaald:
– twee ladingen graan
– twee ladingen rogge
– vier vette ossen
– acht vette varkens
– twaalf vette schapen
– 5.000 liter wijn
– 35 liter bier
– 1500 kilo boter
– 500 kilo kaas
– Een bed
– Een zilveren beker
– Een pak van lakense stof

Eerst was de bloembollenteelt vooral in Haarlem, aan de randen van Haarlem. En pas rond 1850 kwam de bloembollenteelt meer richting de kant van Lisse en Hillegom. Dit was omdat de vraag naar de bollen heel erg groot werd. De Haarlemse kwekers konden het op een gegeven moment met meer aan. Op datzelfde tijdstip worden ook de duinen afgegraven en er bleek toen dat er van het afgegraven land uitstekende bollengrond overbleef. De Haarlemse kwekers vonden dat zij deze grond erg goed konden gebruiken. Dit is de reden waarom de bloembollenteelt uitgegroeid is van Haarlem naar Lisse en omstreken.

De toekomst van het Lissese landschap en de cultuur
Er is in de loop van de afgelopen jaren ontzetten veel cultuur vernietigd in Lisse. De monumentencommissie in Lisse doet op dit moment best goed werk. Er is dus in Lisse heel erg veel verdwenen aan cultuurhistorische waardevolle zaken. Er wordt dan ook gehoopt dat er van het verleden geleerd is. Dat niet alles zomaar op de schop gegooid moet worden, alleen gebeurt dit natuurlijk nog steeds. 
Maar er zijn heel veel mensen die hun best doen om de bollengrond to bewaren. Deze mensen werken bijvoorbeeld aan kasteel Keukenhof om het mooi te restaureren. Ook Huys Dever, het hervormde kerkje op het Vierkant en de Agathakerk zijn helemaal opgeknapt.
Er gebeuren een heleboel goede dingen. Maar het grote gevaar blijft de opdringende nieuwe bebouwing. Het is natuurlijk noodzakelijk om huizen te bouwen. Maar er moet meer nagedacht worden over hoe je nieuwbouw plant in het bestaande landschap.
Het is erg goed dat er steeds meer mensen gevoel krijgen voor cultuurhistorie. Voor de monumentale gebouwen en het landschap in het dorp

Deelvraag 3
Hoe heeft de bollenteelt bijgedragen aan de ontwikkeling van Lisse?

Lisse stelde vroeger helemaal niets voor. Het was een klein dorpje waar je liever niet wilde wonen. Totdat de bollenteelt kwam. In Lisse waren een aantal goede enthousiaste ondernemer die dachten dat ze heel veel geld zouden kunnen verdienen met de bollenteelt. Die ondernemers hebben de bollenteelt hier in Lisse opgezet.
In de tijd dat de bollenteelt is opgezet begon men ook al met bloembollententoonstellingen. Deze tentoonstellingen werden niet in Lisse maar in Haarlem gehouden. De Lissese bollenkwekers zonden dan gewoon hun materiaal in naar Haarlem, zodat het alsnog getoond kon worden.
Met name toen de tentoonstellingstuin Keukenhof in 1949 werd opgericht, werd Lisse wereldberoemd. De streek zelf was al heel beroemd, want vanaf het begin dat de bloembollen werden geteeld gingen bollenreizigers naar Amerika. Dit was allemaal nog heel primitief, de reizigers gingen met stoomboten naar Amerika en met stoomtreinen naar het oosten enzovoorts.
Langzaam maar zeker werd de streek hier bekend, maar dankzij de oprichting van het tentoonstellingsterrein Keukenhof werd deze streek echt wereldberoemd. Sindsdien is Lisse nog steeds voor de hele wereld het middelpunt van de bollenstreek, terwijl Lisse allang niet meer de plek is waar heel veel bollen geteeld worden. Er worden nu zelfs een heleboel bollen in bijvoorbeeld Noord-Holland geteeld. Maar voor het toerisme zijn Lisse en de Keukenhof nog steeds het centrum van de bollenteelt.

Het ontstaan en de rol van de Keukenhof
De plek van het tentoonstellingsterrein Keukenhof ligt op een heel andere buitenplaats dan Keukenhof. De buitenplaats waarop het tentoonstellinnsterrein Keukenhof zich bevindt is Santvliet. Vroeger had je een heleboel buitenplaatsen en kastelen. Op een gegeven ogenblik kwam er een familie die bedacht om een huis te bouwen op de plek waar nu de Keukenhof is. Dit huis heeft in de loop der tijd een heleboel verbouwingen ondergaan, totdat het kasteel eruit ziet zoals het er nu uitziet. Het was niet direct gebouwd als kasteel, maar in de loop der jaren zijn er steeds stukjes bijgebouwd en afgebroken. Uiteindelijk heeft de familie van Palland ervoor gezorgd dat het kasteel eruit ziet zoals het er nu uitziet.
Momenteel is de laatste kasteelheer overleden, dit is 3 à 4 jaar geleden. Er zijn geen plannen om een nieuwe kasteelheer aan te stellen. Het kasteel is nu in handen van een stichting die het helemaal gaat restaureren en toegankelijk gaat maken voor het publiek.
De rol van de Keukenhof is heel duidelijk. Het is een enorme toeristische trekpleister en is het middelpunt rondom de gehele verkoop van bloembollen.

Deelvraag 4
Hoe is Lisse uitgegroeid tot een dorp met het aantal inwoners dat het nu heeft?

De eerste bewoners van Lisse en omstreken
De eerste bewoners in de Duin- en Bollenstreek waren mensen die opzoek waren naar nieuwe landbouwgrond. Lisse is ontstaan rond het jaar 800 a 900. Officieel is Lisse ontstaan in 1198, maar het zou ook eerder kunnen zijn omdat hier geen definitieve bewijzen van zijn. In de tijd van het ontstaan van Lisse was er een enorme bevolkingsdruk. De bevolking nam toe en zocht naar landbouwgrond.
Het Haarlemmermeer was vroeger allemaal veengebied. Het was er erg nat. Mensen zochten hierdoor naar nieuwe grond om op te wonen en te werken. Ze gingen naar de duinen, want daar was het in ieder geval droog. Bij de duinen konden ze huizen bouwen en grond ontginnen. Dit gebeurde allemaal heel kleinschalig en heel primitief.
Misschien kwamen deze mensen uit het Haarlemmermeergebied of langs de randen van de rivier de Rijn en zochten naar nieuwe grond om voor hun kinderen een bestaan op te bouwen. Die mensen bouwden hier een huis. Het was nog allemaal woest bosgebied dus kapten ze bomen, brandden stukken bos af of spitten de grond om en zaaiden er iets in.
In de beginfase waren deze mensen zelfvoorzienend. In de loop der tijd zie je dat ze met een overschot aan voedsel gingen ruilen. Er kwamen mensen langs, marskramers, die hen zout of potten verkochten. Dit ruilden de marskramers weer voor etenswaren.
In deze beginfase was er met name ruilhandel waarbij de eerste boeren in Lisse agrarische producten gebruikten om te ruilen. Dit was geheel zelfvoorzienend. Ook qua kleding betreft. De bewoners weefden zelf hun kleding. Het wol haalden ze van hun schapen. Er waren niet zoveel schapen, een paar runderen voor wat melk, geiten en kippen. Deze dieren leken totaal niet op hoe ze er nu uitzien. Ze waren veel kleiner een veel magerder.
In de loop der tijd begon er meer handel met Leiden en Haarlem te ontstaan. Vooral in de 16e en 17e eeuw de hopproductie voor de bierbrouwerijen. In Leiden en Haarlem had je een heleboel bierbrouwerijen die hop nodig hadden voor de bierbereiding.
Dan begint er langzaam maar zeker een handel te ontstaan. Op een gegeven ogenblik kwam er via het Haarlemmermeer, dit was toen het nog een grote watermassa was, handel met steden die was verder weg lagen voor groenten en fruit.

Hoe is Lisse uitgegroeid tot een dorp met zoveel inwoners als dat het nu heeft?
In de 15e eeuw woonden er in Lisse nog maar 100 a 150 mensen. Tot ongeveer het jaar 1800 woonden er nog maar heel weinig mensen in Lisse. Je ziet pas een bevolkingsgroei ontstaan met de opkomst van de bollencultuur. Dit is vanaf het jaar 1800.
De groei van de bevolking was een heel langzame trend tot het einde van de Tweede Wereldoorlog. Hiervoor nam de bevolking wel iets toe, maar dit gebeurde echt heel langzaam. Pas na de Tweede Wereldoorlog groeide de bevolking ineens heel hard. Er was natuurlijk na de Tweede Wereldoorlog een geboortegolf, die niet alleen in Lisse maar ook in de rest van Nederland heeft plaatsgevonden.
Hierna begint Lisse ook andere activiteiten aan te trekken. Door de uitbreiding van de bloembollenteelt groeit de hele economie en de bevolking. De echt sterkte groei van de bevolking was tussen 1945 en 1950. Hiervoor ging de bevolkingsgroei druppelsgewijs.

Het ontstaan van de naam Lisse
Het ontstaan van de naam Lisse is eigenlijk niet bekend.
Er wordt wel gesproken over ‘Lis’ als bloem. Sommigen zeggen dat Lisse komt van ‘Liusna’ alleen hiervan is ook niet bekend wat het precies betekent.
Op dit moment is hier verder geen antwoord op te geven.
Enkele naamkundigen zijn hiernaar op zoek, alleen komen zij ook niet verder dan de naam `Liusna’.

De Heereweg
De Heereweg is een weg die er eigenlijk al vanaf bet begin heeft gelegen. Deze weg bestaat al vanaf bet jaar 700. Dit houdt dus in dat hij al meer dan 1500 jaar oud is. Hij heeft niet altijd op dezelfde plek gelegen, maar wel altijd als doorgaande route van Leiden naar Haarlem gediend.
In de franse tijd, de tijd van Napoleon, is de weg bestraat. Het was eerst gewoon een zandweg waar postkoetsen overheen reden. Maar in de Napoleontische tijd maakte deze weg deel uit van een heel belangrijke route van Antwerpen naar Amsterdam. Dan kon je over een bestraatte weg met je postkoets of leger van zuid naar noord en andersom. Niet alleen tussen Leiden en Haarlem heette deze weg ‘Heereweg’, maar ook op andere plekken werd de weg wel Heereweg genoemd. Het woordje Heere heeft waarschijnlijk te maken gehad met het feit dat de weg door iedereen werd onderhouden, het was dus niet de weg van een heer, graaf of koning. Maar het was een weg van de gemeenschap. Het was hard nodig dat de weg werd onderhouden, want ook een paar eeuwen geleden gebeurden er ongelukken op de Heereweg. Deze ongelukken gebeurden dan alleen niet met een auto maar met een postkoets. Er werd toen ook rommel op straat gegooid. Die rommel was dan wel geen plastic, maar mest of as uit de kachels.
Het bijzondere aan deze weg is dat hij over de duinen loopt. Het huidige wegenpatroon in de Duin- en Bollenstreek is van zuid naar noord en er zijn nauwelijks dwarsverbindingen.

Conclusie:

Deelvraag 1:
Hoe is het landschap van Lisse ontstaan en/of opgebouwd?
Het landschap van Lisse is eigenlijk ontstaan door de duinen. Eerst de oude duinen en later de jonge duinen. Hoofdzakelijk zijn dus de duinen die het landschap van Lisse hebben gevormd.

Deelvraag 2:
Hoe is Lisse ontstaan en hoe heeft Lisse zich ontwikkeld?
Lisse ontstond in 1198. Lisse was op dat moment nog een heel klein dorpje met heel weinig inwoners.
Lisse is pas een beetje beroemd geworden door de bollenteelt rond het jaar 1840. Voor deze tijd stelden alle dorpen in de Bollenstreek niet zoveel voor. Maar toen de bollenteelt eenmaal begon, ging alles in een razend tempo. Vanaf dat moment werd Lisse en al de dorpen eromheen heel beroemd.

Deelvraag 3:
Hoe heeft de bollenteelt bijgedragen aan de ontwikkeling van Lisse?
Langzaam maar zeker werd de streek hier bekend, maar dankzij de oprichting van het tentoonstellingsterrein Keukenhof werd deze streek echt wereldberoemd. Sindsdien is Lisse nog steeds voor de hele wereld het middelpunt van de bollenstreek, terwijI Lisse allang niet meer de plek is waar heel veel bollen geteeld worden. Er worden nu zelfs een heleboel bollen in bijvoorbeeld Noord-Holland geteeld. Maar voor het toerisme zijn Lisse en de Keukenhof nog steeds het centrum van de bollenteelt.

Deelvraag 4:
Hoe is Lisse uitgegroeid tot een dorp met het aantal inwoners dat het nu heeft?
In de 15e eeuw woonden er in Lisse nog maar 100 a 150 mensen. Tot ongeveer het jaar 1800 woonden er nog maar heel weinig mensen in Lisse. Je ziet pas een bevolkingsgroei ontstaan met de opkomst van de bollencultuur. Dit is vanaf het jaar 1800.
De groei van de bevolking was een heel langzame trend tot het einde van de Tweede Wereldoorlog. Hiervoor nam de bevolking wel iets toe, maar dit gebeurde echt heel langzaam. Pas na de Tweede Wereldoorlog groeide de bevolking ineens heel hard. Er was natuurlijk na de Tweede Wereldoorlog een geboortegolf, die niet alleen in Lisse maar ook in de rest van Nederland heeft plaatsgevonden.

Hoofdvraag:
Hoe heeft Lisse zich ontwikkeld ten opzichte van vroeger?
Lisse was vroeger een klein dorpje met heel weinig voorzieningen. Naar mate er meer bewoning kwam in dit dorp, kwamen er ook meer voorzieningen voor etenswaren en kookgerei. Er kwam meer ontwikkeling en na enige tijd werd ook alles steeds luxer.

Eigen mening:

Ten eerste wil ik even laten weten dat ik het echt superleuk vond om deze Praktische Opdracht te maken. Ik heb er erg veel energie in gestoken wat dan ook een goed eindresultaat op heeft geleverd. Ik vind het erg leuk om te weten hoe Lisse nou eigenlijk ontstaan is. Helemaal omdat ik zelf ook in Lisse woon en er nu toch een andere kijk op gekregen heb.
Mijn voorspellingen aan het begin van mijn Praktische Opdracht zijn naar mijn mening aardig gelukt. Voordat ik aan het echte werk begon, ging ik eerst even op internet zoeken naar informatie. Hier was toch minder te vinden dan dat ik gedacht had. De informatie die op internet stond was een beetje oppervlakkig, het ging niet wat dieper in op bepaalde punten. Daarom ging ik naar de mediatheek en de bibliotheek van Lisse om op zoek te gaan naar boeken met wel veel informatie over Lisse en de Duin- en Bollenstreek. Hiermee kwam ik al een heel stuk verder. Aan de hand van de boeken heb ik mijn deelvragen bedacht. Zo kon ik mooi mijn informatie sorteren per deelvraag.
In de mediatheek had een vrouw voor mij het nummer van een meneer van Vereniging Oud Lisse opgezocht. Zij vertelde mij dat deze meneer Wim Bosch heette en dat hij mij misschien verder kon helpen. Ik heb Wim Bosch toen opgebeld en hij was zeer enthousiast. Ik maakte met hem een afspraak en kreeg heel veel boeken mee naar huis. Later ben ik nog een keer bij hem langs geweest voor plaatjes van kaarten en het landschap. Deze plaatjes heb ik helaas niet in mijn werkstuk kunnen verwerken, omdat het programma niet werkte.
Doordat ik zoveel boeken had, had ik erg veel keus aan informatie. Wat mij erg opviel tijdens het lezen, was de naam J.J.J.M. Beenakker. Dus bedacht ik deze man op te bellen. Ook deze was erg enthousiast en nodigde mij ook uit om een keer langs te komen. Hij vertelde mij dat hij cultuurlandschapsgeograaf is en dus ook heel veel van het landschap afwist. Ik had een paar vragen gemaakt en die natuurlijk aan hem gesteld. Omdat ik van te voren wist dat het een lang verhaal zou worden, had ik met mijn mp3-speler het ‘interview’ opgenomen. Tijdens het gesprek kreeg ik nog een kopie van een landkaart die gemaakt is in het jaar 1575. deze mocht ik houden. Ook kreeg ik nog een boekje over de bollenstreek.
Ik vond het echt heel erg leuk dat deze mensen mij zo geholpen hebben. Mijn werkstuk is hierdoor erg mooi geworden.
Naar mijn mening zijn er geen dingen fout gegaan. Mijn resultaten zijn erg betrouwbaar. De informatie komt uit boeken en/of personen. Door deze Praktische Opdracht ben ik meteen op een onderwerp voor mijn profielwerkstuk gekomen. Ik wil mijn profielwerkstuk namelijk gaan doen over Huys Dever.

Logboek:

Wanneer
Hoelang
Wat
Week 6
2 uur
Informatie zoeken
Week 7
1 uur
Informatie zoeken

1 uur
Deelvraag 1 + 2
Week 8
2 1/2 uur
Informatie ontstaan landschap
Week 9
2 uur
Boeken doorgelezen en plaatjes gezocht

1/2 uur
Bezoek aan Museum De Zwarte Tulp
Week 10
1/2 uur
Bezoek aan Wim Bosch

2 1/2 uur
Bezoek aan J.J.J.M. Beenakker

1 uur
Gewerkt aan verslag van J.J.J.M. Beenakker
Week 11
1 1/2 uur
Gewerkt aan verslag van J.J.J.M. Beenakker
Week 12
1 uur
Bezoek aan Wim Bosch voor oude kaarten en overige plaatjes
Week 14
3 uur
Gewerkt aan verslag + verwerkt van verslag van J.J.J.M.Beenakker
Week 15
2 uur
Verwerken van alle Informatie

1 1/2 uur
Alle Informatie goed bij elkaar gezocht

2 uur
Gehele werkstuk in elkaar gedraaid

Bronvermelding:

Internet:
– http://www.kustgids.nl/lisse/fr_index.html?/lisse/main.html
– http://www.oudlisse.nl/

Boeken:
– Lisse, op de grens van droog en nat
– Vereniging “Oud Lisse”
– Met ’t oog op de Bloembollenstreek
– De Duin- en Bollenstreek in ‘caert’ gebracht
– De Duin en Bollenstreek in vogelvlucht
– De Duin- en Bollenstreek beschreven
– Kijk, foto-archief Lisse en omstreken foto Mieloo
– Kaartreportage Zuid-Holland

Overige
– uitzending Schooltv 27 maart 2006

Personen:
– Wim Bosch (voorzitter van Vereniging Oud Lisse)
Nassaustraat 1B
2161 RJ Lisse
0252-416373

– J.J.J.M. Beenakker (cultuurlandschapsgeograaf)
Stationsweg 202
2182 BH Hillegom
0252-516477

Vragen aan Dhr. J.J.J.M. Beenakker

1. Hoe is het landschap van Lisse ontstaan en/of opgebouwd?

2. Hoe zijn de duinen ontstaan?

3. Wat is het grondgebruik door de jaren been?

4. Hoe is Lisse ontstaan en hoe heeft Lisse zich ontwikkeld?

5. Hoe is de bollenteelt begonnen en/of ontstaan?

6. Hoe heeft de bollenteelt bijgedragen aan de ontwikkeling van Lisse?

7. Hoe is de Keukenhof ontstaan en wat heeft de Keukenhof voor speciale rol gespeeld voor Lisse?

8. Wie waren de eerste bewoners?

9. Hoe is Lisse uitgegroeid tot een dorp met zoveel inwoners als dat het nu heeft?

10. Hoe is de naam Lisse ontstaan?

11 Wat is er voor bijzonders met de Heereweg?

12. Hoe staat het met de toekomst van het Lissese landschap en de cultuur?

 

Copyright © 2007 Vereniging Oud Lisse

ORDEHANDHAVING EN BRANDBESTRIJDING IN DE ACHTTIENDE EEUW. DEEL 2

 

De klapwaker en de stille nachtwacht begonnen in de 18e eeuw hun rondes bij het wachthuis. Dit wachthuis stond net ten zuiden van het Vierkant. De nieuwe gevangenis werd gevestigd in een bestaand huis aan het Vierkant. Er was toen één dorpslantaarn. Lisse kreeg het schavot van Noordwijkerhout. Bovenstaande wordt uitvoerig besproken.

door drs. Maarten van Bourgondiën

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 3, juli 2008

In het eerste deel van deze artikelenreeks werd aandacht besteed aan de klapwaker en de nachtwacht in Lisse. Nu wordt de draad weer opgepakt bij het wachthuis van waaruit de klapwaker en de stille nachtwacht hun dagelijkse rondes deden.

De grote kerk met achter de personen het wachthuisje van de brandweer

Wachthuis
De klapwaker en de stille nachtwacht deden hun rondes door het dorp vanuit het wachthuis. Volgens een kaart uit 1771 was dit wachthuis gelegen aan de Heereweg, even ten zuiden van het Vierkant (tegenover de woning van de Lissese schout Willem Jacobus Sennepart). In het winterseizoen werd het wachthuis verwarmd door middel van een op turf gestookte kachel. Het was de taak van de schoolmeester om deze kachel brandend te houden. Daarnaast was diezelfde schoolmeester ook verantwoordelijk voor het schoonmaken van het wachthuis. Hij werd hiervoor betaald door het dorpsbestuur. [1]

Omdat er wapens in werden opgeslagen, moest het wachthuis door middel van een degelijk slot ook afgesloten kunnen worden. Af en toe diende dat slot gerepareerd of vernieuwd te worden: in 1727 werd Herman Schuurman bijvoorbeeld betaald voor het “vermaken van ’t slot aan ’t wagthuys”.

Detail van een kaart uit 1771 met het wachthuis aan de Heereweg

Dorpslantaarn(s)
In de eerste helft van de achttiende eeuw telde Lisse slechts één dorpslantaarn. Deze lantaarn brandde op olie en hing vermoedelijk aan het wachthuis. In 1771 blijken er drie dorpslantaarns aanwezig te zijn: één aan het wachthuis, één op de hoek van de beek en één bij de dorpswaag (aan de gracht in de buurt van de korenmolen). De olielantaarns werden in het winterseizoen aangestoken. De personen die daar verantwoordelijk voor waren, werden betaald uit de dorpskas.
Zoals gezegd brandden de lantaarns op olie. Ieder jaar zijn er in de dorpsrekeningen dan ook betalingen terug te vinden voor de levering van olie, katoen en “swafelstopsel”. Het onderhoud van de lantaarns kostte eveneens geld. In 1771 werd Cornelis Rouwens, schilder en glazenmaker, betaald voor “het verven van een lantaarn en het maaken van glasen daar in, alsmede over het stoppen van ruyten in de andere overige lantaarns”. Daarnaast ontving Albert Bots in datzelfde jaar een vergoeding voor het maken van een nieuwe dorpslantaarn bij het waaggebouw.

Staande man met piek en zwaard op een weg nabij Lisse, detail van een prent uit de 17e eeuw. In de 18e eeuw waren leden van de stille nachtwacht eveneens bewapend met een piek.

Gevangenis
In mijn artikel over de welgeboren familie Duycker gaf ik aan dat er onderscheid werd gemaakt tussen lage en hoge rechtspraak (Nieuwsblad jaargang 6 nummer 4, oktober 2007). De hoge rechtspraak was voorbehouden aan de baljuw en zijn welgeboren mannen. Zij mochten dus als enigen halsmisdrijven berechten en gevangenisstraffen opleggen. De ambachtsheerlijkheid Lisse bezat alleen de lage rechtspraak. [2] Toch kreeg het dorp in de achttiende eeuw een gevangenis. Dat hield verband met het feit dat Lisse samen met Noordwijkerhout, Hillegom en Voorhout één baljuwschap vormde. Aanvankelijk werden arrestanten en veroordeelden uit dit baljuwschap opgesloten op Teylingen. [3] Dit kasteel viel echter niet onder jurisdictie van het baljuwschap. Dat leidde nog wel eens tot problemen. Daarom hadden Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout zich sinds 1724 sterk gemaakt voor een eigen gevangenis. Lange tijd liep dat op niets uit, maar uiteindelijk stemden de Staten van Holland en West-Friesland in 1763 toch toe. Als locatie voor de nieuwe gevangenis werd gekozen voor het centraal gelegen Lisse. Voor de bouw reserveerde men een bedrag van 1000 gulden. De jaarlijkse onderhoudskosten van de gevangenis werden begroot op 21 gulden en voor het salaris van de cipier moest ieder jaar eveneens 21 gulden worden opgebracht. Al deze kosten werden in gelijke mate verdeeld over de vier betrokken dorpen. De baljuw diende er als inner van de bedragen op toe te zien dat alle dorpen hun betalingsverplichtingen nakwamen. [4]
De nieuwe gevangenis werd gevestigd in een reeds bestaand huis in het Vierkant, dat op 13 mei 1765 onderhands was gekocht door de baljuw Elbert Testart. Dit pand behoorde destijds toe aan de erfgenamen van de Lissese timmerman Cornelis Adriaanszn. van der Zaal, die het op zijn beurt in 1717 had verkregen uit de boedel van Maarten Dirkszn. van ’t Hoog. [5] Een half jaar later was de gevangenis klaar voor gebruik. Tijdens de vergaderingen van de schout en burgemeesters van Lisse werden ieder jaar ook lijsten opgesteld van alle afgebroken, verbeterde en nieuw gebouwde huizen. Het bovengenoemde pand in het Vierkant werd op 29 maart 1766 als volgt omschreven: “Een huys staande in het quohier der verpondinge ten naame van de erfgenaamen van Maarten Dirkse van ’t Hoog ende Dirkje Jacobs van der Mark…welk perceel wel is verbeeterd, dog geapproprieert [=ingericht] tot een gevangenhuys”. [6] Volgens A.M. Hulkenberg stond deze gevangenis op de plek waar in later tijd de Algemene Bank Nederland was gevestigd, oftewel op de plek waar straks het appartementencomplex ‘Oud Raadwijk’ zal verrijzen. [7]

De jaarlijkse betalingen van Lisse voor het onderhoud van de gevangenis zijn terug te vinden in de rekeningen van de omslag van de bede, bijvoorbeeld die uit 1771: “Betaald aan den heer bailliuw van Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout voor een jaar onderhout van het gevangenhuys, voor de portie van die van Lisse, volgens quitantie 5:5:0 [=vijf gulden, vijf stuivers en 0 penningen]”. Hierna volgt ook de betaling voor de cipier: “Aan den cipier van het gemelden bailliuwschap, Sijbrand Schaap, voor een jaar tractement [=salaris] voor de portie van denselven dorpe 5:5:0”.
De hierboven genoemde Sijbrand Schaap werd op 31 oktober 1765 beëdigd tot cipier. Mogelijk vervulde hij deze functie als een soort bijbaantje, want hij was eigenlijk meester-metselaar van beroep. Sijbrand woonde oorspronkelijk in Purmerend, maar verhuisde naar Lisse toen zijn vrouw Alida van Une daar op 14 augustus 1764 werd aangesteld als dorpsvroedvrouw. [8] Als cipier was hij verplicht om in de gevangenis te wonen. Tot zijn taken behoorde onder andere het schoonmaken van de gevangenis. Over het schoonhouden van de straat vóór de gevangenis werd niet gesproken. Dat had men beter wel kunnen doen, want in 1768 werd Sijbrand Schaap door de schout en burgemeesters van Lisse op de vingers getikt over het storten van as en vuilnis “op des dorpsgrond en houttuyn voor de huyzen bij hem bewoond [=de gevangenis in het Vierkant]”. Een eerdere mondelinge vermaning van de Lissese gerechtsbode had niet het gewenste effect. Daarom verklaarden de schout en burgemeesters op 11 februari 1768 dat Sijbrand zijn troep binnen 24 uur moest opruimen. Deed hij dat niet, dan diende de gerechtsbode samen met twee of drie andere mannen de as en het vuilnis naar een geschikte plaats aan de gracht te transporteren. De daarmee gemoeide kosten zouden vervolgens worden ingehouden op het salaris dat de vrouw van Sijbrand Schaap als vroedvrouw van het dorpsbestuur van Lisse ontving. Verdere aantekeningen over deze zaak ontbreken. Blijkbaar heeft Sijbrand Schaap uiteindelijk eieren voor zijn geld gekozen en zelf de as en het vuilnis weggehaald.

Schavot
Zoals gezegd kreeg het baljuwschap van Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout in 1763 toestemming om een nieuwe gevangenis te bouwen. Er werd toen tevens bepaald dat alle terechtstellingen voortaan in Lisse plaats moesten vinden (voorheen gebeurde dat in Noordwijkerhout). Daartoe was een schavot nodig, dat door Lisse bewaard en onderhouden diende te worden. Het dorpsbestuur weigerde daar echter aan mee te werken. Zo kon het gebeuren dat er geen schavot aanwezig was, toen Jan den Otter na zijn arrestatie op 30 oktober 1765 wegens stroperij werd veroordeeld tot geseling en brandmerken. De zaak werd voorgelegd aan de Staten van Holland en West-Friesland, maar die stelden Lisse in het gelijk. Uiteindelijk kwam men tot een compromis: net als bij de gevangenis en de cipier werden de kosten voor het schavot in het vervolg door alle vier de dorpen van het baljuwschap gezamenlijk opgebracht.

Het Kuijkehuis en de ABN-bank in het Vierkant. Op de plek van het bankgebouw stond vroeger de gevangenis van het baljuwschap van Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout.

Op donderdag 12 december 1765 kwamen vertegenwoordigers van de dorpsbesturen van Noordwijkerhout, Hillegom en Lisse in het rechthuis van Lisse (herberg De Witte Zwaan) bijeen om verder te praten over het schavot. Lisse was niet van plan om het oude schavot zomaar over te nemen. Het dorp wilde eerst de burgemeesters Reinier van Leeuwen en Maarten van der Jagt naar Noordwijkerhout sturen om het schavot aldaar te inspecteren. Pas nadat het door beide heren in orde was bevonden, zou het naar Lisse mogen worden overgebracht. De afgevaardigden van Noordwijkerhout en Hillegom gingen daarmee akkoord. Het dorpsbestuur van Voorhout was niet aanwezig bij deze vergadering, maar zou (op nadrukkelijk verzoek van de secretaris van Voorhout) door de schout van Lisse op de hoogte worden gesteld van de gemaakte afspraken.
Precies een week later (op donderdag 19 december 1765) werd er in Lisse alweer een vonnis van de baljuw ten uitvoer gebracht. Op last van de plaatsvervanger van de baljuw had Jacob van der Jagt, schoolmeester en koster te Lisse, toen de klok van de dorpskerk in het Vierkant geluid. Hij werd hierover op 30 december 1765 door het dorpsbestuur op de vingers getikt. Er werd toen namelijk verklaard dat alleen de schout en burgemeesters van Lisse opdracht mochten geven om de kerkklok op buitengewone tijden te luiden. De baljuw had daarover helemaal geen zeggenschap. In het vervolg diende Jacob van der Jagt voor het luiden van de dorpsklok dus toestemming te vragen aan het dorpsbestuur van Lisse, “uytgezondert het luyden op gewoone kerktijden, cathegisatien, bij het sterven en begraven der dooden”.
Het schavot stond overigens niet continu in het Vierkant. Het werd daar alleen neergezet als er executies uitgevoerd moesten worden. Daarna werd het schavot weer uit elkaar gehaald en opgeborgen in de toren van de dorpskerk aan het Vierkant. In 1781 werden de kerkmeesters van Lisse namelijk door het dorpsbestuur betaald “voor ’t plaatsen van ’t schavot inden toorn”. [9]

wordt vervolgd

Noten
[1] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 40, rekening uit 1771, fol. 11v en fol. 12.
[2] Lisse had als ambachtsheerlijkheid wel een schandpaal, zie artikel van dr. A.J. Kölker in het Nieuwsblad van de Ver.Oud Lisse, jaargang 2, nr 4 (oktober 2003).
[3] Theo van der Poel, “Uyt den Vierschaer geknipt. Het nieuwe ‘Gevangenhuys’ in 1765”, in: Hangkouserieën Jaargang 16 (februari 2008) 40-43, aldaar 40.
[4] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 4, fol. 148v.
[5] Van der Poel, “Het nieuwe ‘Gevangenhuys’ in 1765”, 40-43, aldaar 40.
[6] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 4, fol. 189v.
[7] A.M. Hulkenberg, ’t Roemwaard Lisse (2e druk Lisse 1998) 44.
[8] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 4, fol. 156v en fol. 212v.
[9] Ibidem, inv. nr. 40, rekening van de omslag van de bede uit 1781, fol. 14v.

ORDEHANDHAVING EN BRANDBESTRIJDING IN DE ACHTTIENDE EEUW. DEEL 1.

Om in de nachtelijke eeuwen toezicht te houden had Lisse een klapwaker in dienst. Zijn belevenissen worden beschreven. Er was ook een stille nachtwacht.

door drs. Maarten van Bourgondiën

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 2, april 2008

Inleiding
Het gemeentearchief van Lisse herbergt een schat aan gegevens met betrekking tot het dagelijks leven in vroeger tijden. Ik heb daar voor deze artikelenreeks over ordehandhaving en brandbestrijding dan ook dankbaar gebruik van gemaakt. Tijdens de achttiende eeuw behoorden de handhaving van de openbare orde en brandbestrijding tot de belangrijkste taken van het dorpsbestuur van Lisse. De bestuurlijke taken werden in die tijd waargenomen door een schout, vier burgemeesters, zeven schepenen en twee ambachtsbewaarders. De schout en burgemeesters waren onder andere betrokken bij het opstellen van de zogenoemde ‘rekeningen van de omslag van de bede’. Daarin zijn diverse betalingen terug te vinden die betrekking hebben op ordehandhaving en brandbestrijding. De navolgende artikelen zijn voor een belangrijk deel gebaseerd op informatie die afkomstig is uit deze dorpsrekeningen. Daarnaast werd ook veelvuldig gebruik gemaakt van enkele verordeningen en instructies van het Lissese dorpsbestuur.

Ordehandhaving door de klapwaker
Om in de nachtelijk uren toezicht te houden had Lisse een klapwaker of “klapperman” in loondienst. Deze klapwaker liep rond met een houten klepper die ook wel “klap” werd genoemd. [1] De klap bestond uit een houten bord dat aan een handvat kon worden vastgehouden. Op dit houten bord was een scharnierende hamer bevestigd, die een klepperend geluid maakte als de klapwaker de klap heen en weer bewoog.

Ieder uur moest de klapwaker de klap driemaal slaan en luid en duidelijk aangeven hoe laat het was. Bij onraad of brand diende hij de klap ‘verkeerd te slaan’ en direct het dorpsbestuur en de opzichters van de brandspuiten op de hoogte te stellen. De klapwaker moest er ook op toezien dat alle huizen goed waren afgesloten, de bewoners geen spullen buiten hadden laten staan, er door niemand meubels of soortgelijke zaken werden vervoerd, en er geen mensen met ladders of stokken over straat liepen. [2] De klapwaker had een baan met veel verantwoordelijkheid. Daarom werd van hem verwacht dat hij van “goeder naam en faam” was. Daarnaast moest hij ten overstaan van het dorpsbestuur een eed afleggen waarin hij verklaarde dat hij zijn functie op een correcte manier zou uitoefenen. In 1785 werd tijdens de aanstelling van de nieuwe klapwaker benadrukt dat hij altijd nuchter en bekwaam moest zijn. [3] A.M. Hulkenberg associeerde dit meteen met alcoholmisbruik, maar het zou net zo goed ook betrekking kunnen hebben op de persoonlijkheid van de klapwaker (verstandig, kalm, niet makkelijk van de wijs te brengen). Er zijn in ieder geval nog geen verhalen opgedoken over Lissese klapwakers die in beschonken toestand hun ronde deden. De werktijden verschilden per seizoen: tussen 1 mei en 1 oktober werkte de klapwaker van elf uur ’s avonds tot vier uur ’s morgens, en tussen 1 oktober en 1 mei van tien uur ’s avonds tot vijf uur ’s morgens. Was hij ziek, of kon hij om een andere reden zijn functie niet uitoefenen, dan diende de klapwaker in overleg met de schout van Lisse (en op eigen kosten!) te zorgen voor een vervanger.
Iedere nacht liep de klapwaker een vaste route door het dorp: van de huizen van Cornelis Tromp en Hendrik Mens in het zuiden (aan de Heereweg, nabij de huidige Zwanendreef) tot aan de woning genaamd ‘Vianen’ in het noorden, vervolgens de Grachtweg op tot aan de korenmolen, en ten slotte het Hop of de Kapelsteeg (=Kapelstraat) door tot aan het laatste huis aan de Halfwegse weg (de huidige Berkhoutlaan). Jaarlijks legde hij op die manier heel wat kilometers af. Het is niet bekend hoeveel schoenen hij daardoor versleet, maar in ieder geval kreeg de klapwaker elk jaar op kosten van het dorpsbestuur één paar nieuwe schoenen. [4] Daarnaast betaalde het dorpsbestuur ook het uniform van de klapwaker: zo kreeg de Lissese kleermaker Willem Filipszn. Kouwenhoven in 1705 een vergoeding voor het verstellen van de “klappermansrok”. [5]
De klapwaker moest zich volledig concentreren op zijn ronde door het dorp. In de praktijk kwam het echter wel eens voor dat hij werd gevraagd om iemand te begeleiden naar of af te halen van de trekschuit bij Halfweg. Het dorpsbestuur van Lisse achtte dat niet wenselijk. Daarom werd hier in de functieomschrijving van de klapwaker expliciet een verbod tegen uitgevaardigd.
Zodra hij tijdens zijn ronde iets onrechtmatigs ontdekte, diende de klapwaker de schout of (afhankelijk van de ernst van het misdrijf) de baljuw te waarschuwen. Kleine overtredingen mochten ook de volgende dag worden gemeld, maar spoedeisende zaken behoorden natuurlijk direct te worden afgehandeld. Lagen de schout en baljuw op dat moment al te slapen, dan moest de klapwaker hen “met de meeste voorzigtigheid doen ontwaaken”.

Stille nachtwacht
In Lisse waren ook onbezoldigde nachtwakers actief. Zij liepen rond zonder ratel en werden daarom de ‘stille nachtwacht’ genoemd. De stille nachtwacht werd gerekruteerd uit de mannelijke Lissese bevolking. Dat gebeurde op basis van lijsten die in het wachthuis werden opgehangen. Deelname aan de stille nachtwacht was verplicht: personen die zich hieraan onttrokken, werden daarvoor door het dorpsbestuur bestraft. [6] Tijdens de vernieuwing van de keur van de stille nachtwacht op 31 december 1764 werd deze verplichting als volgt omschreven: “Dat tot het doen van de stille nagtwagt in Lisse verpligt zullen zijn alle zodaanige burgers en ingezeetenen van Lisse onder de 60 jaaren oud zijnde, welke jaarlijks door schout en burgermeesteren zullen werden genoemdt, te beginnen en te eyndigen met zodanige tijd als bij gemelde lijste zal werden uytgedrukt, die ook jaarlijks in ’t dorpswagthuys zal werden opgehangen”. Van een complete vernieuwing was overigens geen sprake. De keur uit 1764 is qua inhoud namelijk voor een groot deel gelijk aan de keur van de stille nachtwacht die op 19 juli 1699 door het dorpsbestuur van Lisse werd uitgevaardigd. [7] Wel is hier en daar de tekst enigszins aangepast en gemoderniseerd.
Uit de periode 1714-1749 zijn enkele lijsten bewaard gebleven met daarop de namen van de leden van de stille nachtwacht en de nachten waarop zij dienst hadden. In de eerste jaren worden er per nacht steeds vier namen genoemd, maar vanaf 1720 staan er nog maar twee namen vermeld (zie afbeelding ).

Om kwaadwillende lieden af te schrikken of te overmeesteren waren de leden van de stille nachtwacht bewapend: in 1727 werd de timmerman Harmen Andrieszn. Tijdeman betaald voor het maken van twee stokken ten behoeve van de nachtwacht, terwijl de smid Tieleman Stroom een vergoeding kreeg voor het vervaardigen van ijzeren punten op deze stokken. Blijkbaar werden deze pieken soms wat al te onbesuisd gebruikt, want in 1764 bepaalden de schout en burgemeesters van Lisse dat iedereen die één of meerdere pieken brak, of daarmee schade toebracht aan het wachthuis, de reparatiekosten zelf zou moeten betalen. De stille nachtwacht was tevens bewapend met geweren, die na afloop van de dienst moesten worden overgedragen aan de volgende nachtwakers (of als die niet thuis waren, aan één van hun gezinsleden).
De leden van de stille nachtwacht dienden, “na dat hem de wagt des smorgen sal werden aangesegt ende bekend gemaakt”, om tien uur ’s avonds te verschijnen bij het wachthuis, om vervolgens tot drie uur’s ochtends te patrouilleren door het dorp (net als bij de klapwaker gebeurde dat over het algemeen volgens een vaste route). Daarbij moesten ze goed letten op brand en diefstal. Soms ontstond er tijdens hun ronde een handgemeen. In dat geval waren alle inwoners van Lisse (maar vooral diegenen voor wiens huis het handgemeen plaatsvond) verplicht om de nachtwakers te hulp te schieten. Na afloop van hun dienst moesten de leden van de stille nachtwacht hun opvolgers in de loop van de ochtend persoonlijk ‘de wacht aanzeggen’. Op die manier kon niemand zich verschuilen achter het excuus dat hij niet wist dat hij die avond nachtwachtdienst had.
Uit het bovenstaande verhaal kan worden opgemaakt dat de klapwaker en de stille nachtwacht niet alleen verantwoordelijk waren voor het handhaven van de orde, maar ook een belangrijke rol speelden bij de brandbestrijding. Beide taken waren in deze tijd nog nauw met elkaar verbonden. Dat wordt bevestigd door de rekeningen van de omslag van de bede, waarin alle uitgaven voor de klapwaker en de stille nachtwacht zijn genoteerd onder het kopje “Uytgeef wegens de brandgereedschappen”.

Buitengewone stille nachtwacht
Naast de gewone stille nachtwacht, kon er door het dorpsbestuur van Lisse ook een buitengewone, of extraordinaire, stille nachtwacht in het leven worden geroepen. Dat gebeurde bijvoorbeeld op 1 februari 1765, toen de schout, burgermeesters en schepenen verklaarden “dat de gewoone stille nagtwagt voor deesen saayzoene een eynde zal neemen, ende dat in plaatse van dien is aangesteld een extraordinaire stille nagtwagt”. Alle mannelijke inwoners van Lisse die ouder waren dan achttien jaar, waren verplicht om hier aan deel te nemen (wederom op basis van lijsten die in het wachthuis werden opgehangen).
Er werden in totaal vier groepjes gevormd van vier tot zes personen, die ieder “met behoorlijk geweer voorsien” een deel van Lisse onder hun hoede hadden. Het ging daarbij om de grens met Hillegom (vier man), de weg tussen Berkhout en Halfweg (zes man), de Achterweg vanaf de woning van Cornelis Huibertszn. Zandvliet tot aan de grens met Sassenheim en Voorhout (vier man), en de Heereweg vanaf de woning van Cornelis Tromp tot aan de grens met Sassenheim (zes man). De leden van de eerste twee groepjes bepaalden via loting of zij wacht moesten lopen aan de grens met Hillegom, of op de weg tussen Berkhout en Halfweg. Uit hun midden werd één korporaal gekozen die de leiding had. Uit de andere twee groepjes werd eveneens één korporaal gekozen. De twee groepjes die wacht liepen in het noordelijke deel van Lisse dienden zich iedere avond om tien uur te verzamelen bij het wachthuis, om vervolgens tot drie uur ’s ochtends te patrouilleren. Dat gold ook voor de andere twee groepjes, met dien verstande dat zij zich elke avond om tien uur moesten melden bij de woning van de schout. Daarmee werd het huis Dever bedoeld, dat tussen 1763 en 1771 werd bewoond door de Lissese schout Willem Jacobus Sennepart.

Het is niet bekend waarom het dorpsbestuur van Lisse besloot tot het instellen van deze buitengewone stille nachtwacht. Het lijkt te gaan om een verhoogde staat van paraatheid, maar van reële oorlogsdreiging was op dit moment geen sprake. Misschien was de criminaliteit sterk toegenomen, en probeerde het dorpsbestuur dat op deze manier weer in te dammen. In ieder geval lijkt er in deze tijd in de directe omgeving van Lisse wel wat aan de hand te zijn geweest. Al op 18 januari 1765 had de baljuw namelijk een brief geschreven aan Pieter van Ommen en Johannes Oldenzeel, welgeboren mannen van Lisse, met het verzoek om zes man uit Lisse 24 uur lang paraat te houden. Zij moesten de baljuw helpen door ’s nachts te patrouilleren “door het afgeleegentste van Lisse” en overdag de wegen in Lisse te bezetten. Daarbij dienden zij alle personen te arresteren “die haar suspect zullen voorkomen”.
wordt vervolgd

Noten
[1] J.B. Glasbergen, 1000 Jaar Rijnsburg (Leiden z.j.) 72.
[2] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 31 (ongefolieerd).
[3] A.M. Hulkenberg, Het Huis Dever te Lisse (Zaltbommel 1966) 239.
[4] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 38, rekening uit 1727, fol. 13.
[5] Ibidem, inv. nr. 36, rekening uit 1705, fol. 14.
[6] Ibidem, inv. nr. 4, fol. 159v en 160.
[7] Ibidem, inv. nr. 252.

Voorbeeld van een houten klep

 

Eerste blad van de lijst met namen van de leden van de stille nachtwacht in het jaar 1746 (waarvan destijds een kopie werd opgehangen in het wachthuis).

 

ANDRIES SCHOEMAKER (1660-1735) TEKENT LISS


Huijs Dever, getekend door Andries Schoemaker

Andries Schoemaker maakte niet alleen tekeningen, maar schreef ook veel. Hij schrijft lyrisch over Lisse. Vanaf de eerste kapel tot zijn eigen tijd rond 1730.

door de redactie van het Nieuwsblad

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 1, januari 2006

Lis: Is een dorp met een parochie kerk tussen Sassenheijm en Hillegom al waar men van outs Ageta als patronesse pleeg te

vieren. De kapel van Lis, dewelke te voren onder de parochiekerk van Sassem hadde gestaan, is tot een parochiekerk aan gestelt en van Sassem afgesondert inden jaare 1460 gelijk dees volgende brief noch in wegen sijnde is luydende,

WOUTER van TER GOUDE proost en arsdiaken van st. Pieterskerke te Utrecht door den H. apostolischen stoel tot Romen tot Rechter, kommissaris en Gemagtígde in de onderstaande Zake aangestelt, wenst allen en een Ider de eeuwige Zaligheijt in den Heere ende een vaste gehoorzaamheíjt aan onse bevelen.
De brief van den alder hijligsten vader in Christus, onsen heer PIUS derde, door GODS voorsienigheijt paus van Romen, met zijn eijgen en ware lode (bellen?) en uythangende kennip koordeken naar de wijse van ’t Roomse Hof bezegelt, en daar bij gaaf, volkomen heel, en onbedorve, ongeschrapt, niet verdagt van de minste vervalsinge, de welke ons van wegen de eersame mannen, de schout, mitsgaders de Inwoonders en ingesetenen van Lis, onder het bisdom van Utrecht, die in den gemelden brief ook vermeld worden, ten overstaan van een openbaren notaris en van Getuygen behandigt is, hebben wij met alle eerbiedigheijt soo als het betaamde, ontvangen. Zijnde van den volgende Inhoud:

PIUS bisscop, de dienaar van GODS dienaren, wenst aan sijn eerwaardige broeder den bischop van Utrecht, en aan sijne lieve soonen, de proosten van den dom, en van St Pieterskerke te Utrecht, de Zaligheijt en de apostolisen Zegen, de heilige genegentheijt de welke onse beminde soonen de schout, mitsgaders de /nwoonders en Ingesetenen van het dorp LIS onder het bisdom van Utrecht, ons en de Roomse kerke toegedragen, (..?..) dat wij hunne begeerte soo verre als het ons mogelijk is in willigen, voor al de sodanige dewelke dienen om de (gevaren?) van hunne ziel en lichaam af te weeren, om hunne Zalighijt ende vermeerdering van den Goddelijken dienst te besorgen, en, om het gene verders tot hunne welstant verstrecken kan, uyttewerken. Verders hebben de schout, Inwoonders en ingesetenen voornoempt ons een bede voorgeslagen hier in bestaande dat het voornamelijk de oude en swacke luyden zeer lastig viel dat sij om de misse en andere Goddelijken diensten te hooren, mitsgaders om de kerkelijke sacramenten te onifangen, en de klijne kinderen dewelke daar geboren worden te laten dopen, gehouden sijn te gaan na de parochiekerke van Sassem onder het voornoemde bisdom, welke parochiekerk onder dewelke de schout ende Inwoonders ende ingesetenen voornoempt, als parochianen behoren en gerekent worden een halve mijl soo als de mijlen in die gewesten gerekent worden dat is 3 Italiaanse mijlen vant gemelde dorp gelegen is, soo dat het somwijlen gebeurt dat de Ingesetenen en Inwoonders voornoempt omdatte den priester die soo verre van dien of woond, niet tijdig genoeg (.?..) bekomen sonder het onfifangen van de sacramenten, ende klijne kinderen sonder het doopzet te ontfangen, komen te sterven, tot geen klijn gevaar van hunne Zielen. Daarom sijn wij wegens de schout ende Inwoonders en ingesetenen voornoempt ootmoedig gebeden: wij souden ons dog gewaardigen de koninglijke kapel, dewelke door WILLEM Rooms koning, toen graaf van Holland, roemrugtiger gedagtenisse, gebout is in het gemelde dorp Lis, en dewelke, soo als de schout en Inwoonders en ingesetenen voornoempt versekerden, door den gemelden koning, toen hartog, daar toe geschikt is geweest, tot een parochie kerk op te rechten en tegen de voorsegde ongemacken van de schout, Inwoonders en ingesetenen voornoempt te voorsien. Soo is het dan dat wij als geen regte kennis van het bovenstaande hebbende, en voort gemelde toch wel genegen sijnde, uwe bescheijdenheijt door dit pauselijk geschrift bevelen, dat gijlieden ofte tenminsten twee of een van Ue den Regent der voornoemde parochiekerke van Sassenhijm ende andere die’t behoort bij Ue te ontbieden hebt, en indien ghij dan na een naarstig onderzoek de Baak aldus gelegen vind, de gemelde kapel tot een parochiekerk, die hare doopvonten en kerkhof, ende verder eertekenen van een parochie kerk hebbe, hebt op te rechten. Den schout, de Inwoonders en ingesetenen van’t voornoemde dorp, dewelke tot nu toe gewoon sijn het wijfeest der gemelde kapelle jaarlijks te vieren, en hunne nakomelingen, omtrent de Zielbestieringe en andere parochie ampten uyt kragte van het Apostolís gesag van de gemelde parochie kerk van Sassenheijm af te zonderen, deselve, mitsgaders het voornoemde dorp, na dat soo Benen oprichting en afsondering door Ue gedaan sal veesen, als rechte parochianen en parochiepriesters aan de voornoemde kapelle vast te hechten en toe te eijgenen, het bestier over de Zielen van de gemelde menschen aan den regent van de gemelde kapelle, voor altfijt op te dragen, en aan den Schout, Inwoonders en ingesetenen voornoempt verlof te geven om in dese/ve kapelle, als sijnde dan haar eijgen parochie kerk, de Goddelijke diensten te horen. En dat gij sult maken en te weeg brengen dat aan de regent der voornoemde kerke van Sassenhijm alle jaar en ten eeuwigen tijden twee of drie oncen loueter zilver, of soo een andere vergoeding als gij lieden volgens de redelijkheijt billik sult oordelen, door de parochianen die aldus afgesondert sullen worden, voor het bovenstaande inderdaad betaalt werden, sodanig dat gijlide de tegen (.. ?..) door kerkelijke straf vonnissen sonder plaas aan Benig beroep te geven, zult mogen bedwingen, niet tegen staande alles wat hier tegen mag( …?…)
Gegeven te Romen bij St Pieter in’t Jaar van ‘sHeeren mensch wordinge 1460 of 8ste der maand november in’t darde jaar van ons pausdom.
Waarop wij de voornoemde kapel van Lis tot een parochiekerk die doopvonten, een kerkhof ende verdere eertekenen van een parochiekerk hebbe, oprechten, den schout, de Inwoonders en ingesetenen van’t voornoemde dorp, dewelke tot nu toe gewoon sijn het wijfeest der gemelde kapelle jaarlijks te vieren, en hunne nakomelinge ontrent de Zie/bestierínge en de verdre parochierechten van de gemelde parochie kerk van Sassenheijm uyt krapte van het apostolis gesag af sonderen de voornoemde schout en Inwoonders mitsgaders het gemelde dorp Zelfs. Sijnde nu op de gerijde wijse van de parochie kerk van Sassenheijm door ons afgesondert, als parochianen aan de gemelde kapelle als hare parochie kerke vast hechten en toe wijsen, het bestier over de Zielen der parochianen van’t gemelde dorp Lis aan den regent der selver kapelle, dewelke nu tot een parochiekerk opperecht is, door ’t zelve apostolis gesag aanbevelen aan den schout, de Inwoonders en ingesetenen voornoempt verlof geven om in de selve kapelle als in haar eijgen parochie kerk de Goddelijke diensten te horen en volgens de gemelde Redelijkhijt ordeheren dat aan den regent der voornoemde parochie kerke van Sassenheijm, die het op soo een tijt wesen magh, tot Benen vergoedinge van het bovenstaande door de parochianen die dus van de parochi kerke van Sassenheijm afgesondert sijn, jaarlijks ten eeuwigen tijde betaalt zullen worden 5 onsen louter Zilver en dat aan den heer Bartholomeus Simons van Schidam, priester en pastoor der parochie kerke van Sassenheijm.
Gegeven te Utrecht in ons woonhuys in’t jaar 1461 in de 9de indictie ’s maandags of 27 der maand April ten overstaan van de eersame getuygen, Theobaldus Niklaasz en Reijnier van Cij.

Dus wierd dese kapelle van Lis tot een parochiekerk hervormpt door pauselijke magt op het eersoek van den schout en inwoonders aldaer. Het pastoorschap plagt door de graven van Holland en de instellinge door den ars diaken van Utrecht gegeven te worden. De inkomste van dese pastory bedroegen 40 Rijnse Guldens. De koster wierd mede door den Hollandse Graaf benoempt.

Na het afdoen van het Roomse bijgeloof (Schoenaker was dus zelf protestant!) soo verminderde ook de inkomsten van de kerk voor de noch over gebleve priesteres, waardoor dat de ook overgebleve van de Roomse kerken vereenigt wierden met de dorpen Warmond, Voorhout, Sassen, werdende dese vier plaatzen dooreen en deselve priester bedient, welke priester zijn woonstede tot Sassen hield, doch nader hand is Lis wederom van de andere afgesondert en verkreeg een Bijgen pastoor.

Lisse, een van de dorpen int balliuschap van Rijnland, daar Leijden de hoofdstad van is, aan’t poortwesten van het haarlemmermeer, heeft kerk en predicant, staande onder ’t Classis van Leijden en Neder Rijnland.

Het dorp Lisse is een heerlijk dorp gelegen aan de Heerewegh tussen de stede Haarlem en sGravenhage, alwaar de postwagen van Amsterdam na Den Haag rijdende, heen en weer dagelijks twee maal door rijt. Het is een bequame brede straat, beset met zeer sware linde boonren, en leijt rondom in een seer vermakelijke landsdouwe niet verre van t Haarlemmermeer en de Leijdse Trekvaart.

Lissepolder is het bedijkte Geestwater aan het noordwestende van het haarlemmermeer, tussen de dorpen Sassenheijm en Lisse en het Kapermeer, daar de heer Alting dese oude latijnse naam op vind: Annisou.

Andries Schoemaker, getekend naar Norbertus van Bloemen