Posts

OUD NIEUWS: Kwaadaardige honden op Dever

Heer van Dever Jhr. Willem de Wael van Vronesteijn (1648-1699) had veel problemen met zijn windhonden. Zij vielen schapen en zelfs een bezoeker aan, die ernstig aan zijn been verwond werd.

Dirk Floorijp

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 1 januari 2019

De heer van Dever Jhr. Willem de Wael van Vronesteijn (1648-1699), gehuwd met Agatha Adriaansdr. Bijl (1634-1694), heeft heel wat te stellen met zijn liefhebberij, het houden van windhonden. Er lopen er zeker al vier los op zijn erf, van aanlijnen wetenv ze nog niet. Hij gebruikt zijn honden waarschijnlijk voor de jacht en bewaking.
Of er daarvoor ook al problemen zijn geweest weten we niet, maar in 1682 verschijnen er een aantal dorpsgenoten voor schout en schepenen met ernstige klachten. ‘Voor schout mr. Adriaan van Gorcum en de schepenen Jacobus Dirkse van ’t Hoog en Jacob Ottense Cranenburg verschijnen Jacob Dirkse Uijtermeer, oud omtrent 36 jaren (geb. ca 1646 en gehuwd met Marijtje Cors Langevelt), en Cornelis Pieterse desselfs bouwknecht, oud omtrent 20 jaren, beide onze inwoners, en Sijmon Cornelisse Oostdam, (ca 1632-) gehuwd met Jannetje Pietersdr Van der Plas, wonende in Noordwijkerhout, oud omtrent 50 jaren’. Cornelis Pieterse verklaart, op verzoek van de hoogedele heere Willem Benting, houtvester van Holland, dat hij, komend op maandag 8 juni 1682 van de Delftse paardenmarkt, heeft gezien dat twee windhonden waarvan hij later vernam dat zij toebehoorden aan jhr. Willem de Wael van Vronesteijn, heer van Dever, door de wei van zijn baas Jacob Uijtermeer de beesten achterna zaten. Hij heeft gezien dat een schaap in de sloot lag en een lammetje zeer verwond was. Cornelis vertelt dit aan zijn baas Jacob Uijtermeer, die zich naar Dever spoedt en jhr. Willem verzoekt de heer de geleden schade door zijn honden aangedaan te vergoeden. De zaak wordt in der minne geschikt voor vijf gulden en twee stuivers.
De derde getuige Simon Oostdam doet zijn verhaal voor schout en schepenen. Afgelopen september ging hij naar de wei van Willem Ariense in Noordwijkerhout, waar zijn ram liep, die hij naar zijn eigen weide wilde overbrengen. Het dier was echter zo ernstig gebeten dat het moest worden afgemaakt. Ene Cornelis Jacobse uit Noordwijkerhout wist hem te vertellen, dat de windhonden van de heer van Dever de ram zo hadden toegetakeld. Ook hij vervoegt zich bij jhr. Willem, heer van Dever, die prompt de schade voldoet van vier gulden en tien stuivers. Het wordt nog erger. Claas Joosten van Diest, 64 jaar, tuinman van beroep (getrouwd met Grietje Hermans Cuijper), legt een verklaring af. Schout en schepenen moeten ervoor naar het huis van Claas, omdat hij zwaar gewond op bed ligt. Onder ede verklaart Claas het volgende (en mocht hij niet de waarheid spreken, dat God hem dan van deze wereld wegneemt): zijn neef, Mathijs van Bambergen, wijnkoper te Amsterdam, was op 9 augustus j.l. naar jhr. Willem gekomen om een rekening te innen voor geleverde wijn en azijn. Hij trof echter de heer van Dever niet thuis. Daarom was hij naar Claas gegaan en had hem gevraagd voor hem nog een keer naar Dever te gaan met de rekening, omdat Mathijs weer terug naar Amsterdam moest. Claas was zijn neef

Huys Dever door Roeland Roghman (1627-1692.
De windhonden zijn ingezet.

graag ter wille en begaf zich op vrijdag 16 oktober met de rekening naar Huis Dever. Wij laten het opgetekende verslag letterlijk volgen: ‘Ende komende op desselfs werf de vier winthonden van den voornoemde heere van Deveren die los over de werf liepen aanstonts seer furieus op hem sijn aangevallen, ende dat een van de swarte honden hem op drie bijsondere plaatsen in sijn slinkerbeen seer ellendig heeft gebeten, ende de laatste reys een groot stuk vleesch daar uytgerukt, soo dat de kuyt uit sijn been liep ende hij onder de voet viel.’ Waarop hij, om hulp schreeuwende, door Jochem de knecht en twee dienstmaagden van de heer van Dever werd ontzet. Ondanks zijn zware verwondingen heeft Claas het nog een poosje op aarde uitgezongen. In 1688 wordt hij nog in het hoofdgeld aangeslagen.

Bron

ORA nr. 30 scan 55.

EEN OUDER D’EVER?

Op een luchtfoto in een van de vorige Nieuwsbladen waren  op zo’n 400 m. ten zuidoosten van Dever plekken in het gras te zien, die mogelijk duiden op bebouwing in vroegere tijden. Archeologische amtenaren  van de HLT-samen  zijn enthousiast om nader onderzoek te faciliteren. Het terrein is van STEK en de dijk van het Hoogheemraadschap Rijnland. Overleg volgt.

Deen Boogerd

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 1 januari 2019

Gebeurt er nog wat met die vondst van dat verdorde lijnenspel in die nog groene weide? Of raakt het in de vergetelheid? Na die vraag werd ik uitgenodigd om eens kennis te maken met de mensen die voor HLT-samen de dingen op archeologisch gebied in goede banen proberen te leiden.
Folckert van de Veen hoofdbeheerder van D’Ever en tevens afgestudeerd archeoloog had ik gevraagd om mee te gaan. Dat deed hij natuurlijk. Zo waren de twee beheerders van het “Nieuwe D’Ever” bezig om dat “Oudere D’Ever” onder de aandacht en boven het maaiveld te krijgen. Men vertelde ons dat er wel degelijk veel enthousiasme was om te komen tot een verkennend onderzoek bij de archeologische vindplaats. Met zo een vooronderzoek wordt geen schade aangebracht in de vindplek. Wij hopen dat de gesprekken die men wil voeren met het STEK-bestuur positief zullen verlopen. Het gebied D’Ever-Zuid en Geestwater waar bouwplannen voor zijn is
in eigendom van STEK. Het dijklichaam van de Poelpolder valt onder Hoogheemraadschap. Voordat we daar ook maar iets kunnen doen willen we op een goede manier met beide partijen samenwerken. Één van de planologische voorstellen laat op de archeologische vindplek een parkachtige situatie zien. Wat zou het mooi zijn als we in dat park kunnen zien wat er heel vroeger kan hebben gestaan. Wij hopen dan ook dat we bij de volgende meeting in juni een positief geluid mogen horen.

Wordt vervolgd.

WAT LIGT ER ONDER HET GRASTAPIJT?

Luchtfoto’s van de Poelpolder na de zeer droge zomer van 2018 geven merkwaardige droge plekken in de weilanden bij het Geriefbosje van Langeveld. De schrijver suggereert dat hiet mogelijke bebouwing of iets dergelijks gestaan heeft. Het is in de buurt van donjon Dever.

door Deen Boogerd

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 3 Zomer 2018

Actueel deze zomer op archeologisch gebied was dat door de extreme droogte verborgen verleden zichtbaar werd. Oude funderingen die onder het maaiveld verstopt liggen, werden zichtbaar doordat het grastapijt erboven eerder verdorde dan de rest van het weiland. Ook in Lisse?

Vijf jaar geleden maakte ik deze foto vanaf de Poeldijk. Het viel mij toen op dat er door droogte een onnatuurlijk lijnenspel te zien was.

Met gevaar voor eigen leven, klom ik bovenop het wiebelende hek, met het fototoestel hoog boven mijn hoofd geheven. Resultaat, zes zeer bewogen foto’s en één geslaagde. Die ziet u hierboven. In het verlengde van het hek een diepe greppel die dwars door de polder snijdt. Deze greppels zie je in de hele polder, ze staan in verbinding met de lange vaart die door het midden van de polder loopt. Van daaruit werd de polder leeg gemalen door diverse molens. De greppel die we op de foto zien is op de bodem ongeveer 4,2 meter onder NAP. Dat is kunnen we zeggen best diep, de kruin van de dijk staat op een nul waarde. Die diepte is van belang en daar kom ik op terug. Nadat ik deze foto had gemaakt, hoopte ik erop ooit een goede luchtfoto van het gebied te kunnen maken.

Die mogelijkheid had ik al een tijdje geleden besproken met Marc Slootweg, die in het bezit is van een drone uitgerust met een camera. Tijdens de afgelopen droogte was er de mogelijkheid om wat shots te maken, zie het resultaat.

Dronefoto begin juli 2018, dezelfde structuur werd nu ook weer zichtbaar, hier heeft duidelijk wat gestaan, maar wat?

Detail uit de kaart van Floris Balthasarsz. 1610. De rode stip geeft aan waar de foto’s zijn gemaakt. Strategisch gezien een slimme plek achter de hoge rietkragen van de Roversbroock, met uitzicht op de toegangen de Grevelyng en het Hellegat. Met een toren als op het plaatje van Cornelis van Alkemade zou het mogelijk zijn om veel meer dan alleen de naaste omgeving in de gaten te houden.

Wat heeft hier gestaan?

Geruchten uit het verleden melden ons dat tijdens het graven van de Ringsloot (1623) om het Poelwater droog te leggen er een achtkantig fundament is opgegraven op grote diepte. Dit schrijft Mr. Simon van Leeuwen in 1667 in zijn Costumen, keuren ende ordonnantiën van het baljuwschap ende lande van Rijnland en Leyden. “in den Ringsloot gevonden ende uytgegraven is, de ruyne van een agtkanten Toorn” Hij schrijft dit toe aan de resten van het oude Ridderlijke Stamhuys. Veel later wordt er door andere schrijvers de afstand van 400 meter ten ZO van het huidige Dever als gegeven bijgevoegd. Waarop zij dit baseerden is niet duidelijk. Op een kaart van Steven van Broeckhuyzen uit 1645 is op die plek wel een boerenhoeve te zien. Het land behoorde voor de drooglegging nog bij Dever. De boerderij van Langeveld en boerderij “de Poeleway”, alsook het huis “de Uytermeer” zijn vrijwel direct na de drooglegging gebouwd. Van de boerderij op de kaart van Broeckhuyzen is weinig bekend. Het lijkt erop dat de tekenaar hier een zuivere voorstelling geeft van de hoeve en geen standaard boerderij heeft getekend omdat andere objecten op de kaart ook verschillend van vorm zijn.

Actuele Hoogte Verschillen Nederland is een site die opmerkelijke dingen kan laten zien doordat ze een reliëfbeeld maakt van de kleinste hoogteverschillen in het landschap in kleur en zwart/wit. Waar je de cursor plaatst laat ze direct een meting zien. Hier een groot deel van Lisse en omstreken in zo een reliëfbeeld. Hoe roder hoe hoger, geel is rond het nulpunt NAP, wat naar groen neigt is er onder. De hoogste delen van Lisse vind je bij de Dorpskerk en uiteraard in het bos. Je ziet ook de glooiing van diverse bruggen. Kijk ook naar de oude stroomgeulen in de Haarlemmeerpolder, die zijn zelfs nu nog zichtbaar na zoveel ploegen, eggen en andere grondbewerkingen. Hieronder

Als we naar de dronefoto kijken ligt daar een schaallat van 5 meter op een stuk waaronder iets te vinden zou zijn. Wat kan een basis van die breedte hebben? Een boerderij zou zo een groot fundament niet nodig hebben. Als we naast de greppel kijken, zien we een hoekige structuur die voor een deel lijkt te zijn onderbroken door het graafwerk. Zouden we de lijnen van die structuur doortrekken dan kun je er een achthoek mee vormen.

Oude Prenten

Er zijn prenten van een ouder Dever. De aller oudste van deze prentjes was van Cornelis van Alkemade, Noordwijk 11-05-1654 – R’dam 12-05-1737. Was de prent met de hoekige toren een verzinsel door de beschrijving van de eerder genoemde vondst tijdens de aanleg? De tekening lijkt totaal niet op het huidige Dever. We weten dat Van Alkemade een Nederlandse geschiedschrijver was en een gepassioneerd verzamelaar van oudheden, zowel van munten als van oude manuscripten.

Op een afstand van 400 meter van het huidige Dever zijn er meer plekken waar de Ringsloot een denkbeeldige cirkel zou doorsnijden. Dat laat ik zien met de bovenstaande illustratie. Door zijn  vele publicaties verwierf Van Alkemade in zijn tijd een groot gezag als kenner van oudheden. Dus niet zomaar iemand die flauwe fratsen uithaalde, zou je zeggen. Men kopieerde wel prenten die toen al antiek waren en niet lang meer zouden bestaan. Doel was oudheden voor de toekomst veilig te stellen. Eigenlijk doen wij nu niet anders met het digitaliseren van onze oude bronnen.

Heer van Lys

Lisse was een heerlijkheid en werd door de heren van Lisse bestuurd. De vroegste “d’Ever” komen we tegen als Graaf Willem I van Holland trouwt met Maria de dochter van de Hertog van Brabant. Bij deze “uitruil” krijgt Willem I een groot gedeelte van het goed
“Schakerloo” bij de stad Tholen in Zeeland in bezit. De in het Latijn opgestelde akte (1221) aangaande deze schenking geeft ook aan wie er als getuigen bij waren. Opvallend is dat ze allemaal afkomstig zijn uit onze streek, Egmont, Teylingen, Raaphorst, Van Oegstgeest en Van Duivenvoorde. Ook Conradus Aper, wat Latijn is voor Conrad d’ Ever was van de partij. Deze Conrad werd ook wel betiteld als één der eersten met, “Heer van Lys”. Zo’n heer moest wel ergens wonen. Reinier d’Ever liet het huidige Dever in 1375 bouwen. Hij was toen 29 jaar. Waar verbleven hij en zijn familie voor die tijd? Eerder rijmt Melis Stoke in zijn kroniek dat hier in Lisse het huwelijk plaats vond van Margaretha, de dochter van Graaf Floris, en Diederick van Cleef in 1182 met uitgebreide banketten, feestelijke toernooien en jachtpartijen. Dit soort feesten van een paar dagen flinke lol, organiseerde je niet in een achteraf boerderijtje. Dat hoorde in stijl bij een hof of burcht met genoeg ruimte voor de kampementen om de hoge adel en hun gevolg onder te brengen. Dan komt zo een kasteel als op het prentje goed van pas, zo centraal gelegen. Goed bereikbaar over land en over water, centraal gelegen tussen twee belangrijke steden. Des Gravenwater gaf de verse vis, des Gravenwildernisse het wild. Tussen meer en duin liepen op de sappige weidegronden zoveel malse stukjes vlees, ganzelevertjes en andersoortige middeleeuwse snacks wat je zelfs met het grootste feest niet op kon maken. Daarbij waren er genoeg boomgaarden met veelsoortig fruit en groenten in overvloed. Lys was niet zomaar een heerlijkheid, Lys was om op te vreten, een paradijsje! Nog steeds trouwens! Zo een klein dorp met zoveel horeca, waar vind je dat?

Oproep

De grond waar de lijnen telkens door de droogte zichtbaar worden, is van STEK zo heb ik mij laten vertellen. Of de polderdijk en de Ringsloot daar ook toe behoren, dat weet ik niet. Je zou haast zeggen dat Hoogheemraadschap daar de zeggenschap over heeft. Maar het is natuurlijk wel zo dat “STEK gronden” veranderen in woonwijken. Daar is niets mis mee, dat is hun taak en mensen moeten nu eenmaal kunnen wonen. Maar aan de hand van wat er te zien is, mogen we concluderen dat daar iets aan ons zicht is onttrokken en dat daar iets is van behoorlijke afmetingen. Wat voor de geschiedenis van Lisse in het bijzonder belangrijk kan zijn. DUS!!! Voordat er ooit definitieve bouwplannen op tafel komen, wil ik hierbij de nodige instanties oproepen om deze “STEK” veilig te stellen voor nader onderzoek. Gezien ook het feit dat het paardenbosje deel uitmaakt van dat stukje grond, is het goed om instanties hierop te wijzen. Het paardenbosje mogen we scharen onder de noemer monumentaal en beeldbepalend groen. Dus iets waar we zuinig op moeten zijn! In eerste instantie zal ik de gemeente op de hoogte brengen van mijn bevindingen, wellicht opent dat deuren voor een archeologisch veldonderzoek. De ons bekende archeoloog Jeroen van Zoolingen reageerde als volgt op hetgeen ik hem stuurde; “Maar, wat een prachtige vondst! Ik werd direct enthousiast bij het lezen van je verhaal “. Hij stelt het volgende: “Ik zou willen voorstellen om eerst een non-destructief prospectie onderzoek te doen, middels het zetten van een aantal karterende boringen en vervolgens de bevindingen in kaart brengen. Maar wel toestemming vragen bij al je voorgenomen activiteiten en blijven rapporteren”. Fijn ook te weten dat hij graag wil meedenken om één en ander in goede banen te leiden. ■

Bronvermeldingen

‘t Roemwaard Lisse A.M. Hulkenberg 1998 Het huis Dever te Lisse,

A.M. Hulkenberg 1965 Dichterbij Dever, uitgave van stichting Vrienden van ‘t Huys Dever 10 jaar Dever bulletin 2009 Rondom Dever, uitgave van stichting Vrienden van ‘t Huys Dever 1988

25 jarig bestaan Gemeente Archief Lisse

Archief Vereniging Oud Lisse

Actuele Hoogteverschillen Nederland

AHN Wikipedia

Met dank aan: Marc Slootweg de drone piloot Jeroen van Zoolingen Archeologisch advies

Keukenhof 1 – Washuis

Bakstenen washuisje met een buitenpomp.

Kadaster: A 1302. Monumentnummer: 511412. Bouwjaar: tweede helft 18e eeuw.

Keukenhof 1 – Kasteel Keukenhof

Kasteel Keukenhof is onderdeel van landgoed Keukenhof.

Kadaster: 1302. Monumentnummer: 511406. Bouwjaar: 1862. Architect: Elie Saraber.

Het 17de-eeuwse, onderkelderd woonhuis is in 1861/62 naar ontwerp van de architect Elie Saraber tot een neogotisch kasteel verbouwd. Kasteel Keukenhof kreeg in 2006 de erepenning van de VOL voor de restauraties van het gebouw.

Keukenhof in vroegere tijden

HET VERHAAL VAN D’EVER

Een samenvatting van de geschiedenis van de familie D’Ever van 1220 tot 1370 wordt weergegeven. De gegevens komen uit het boek Het huis Dever van A. Hulkenberg.

Redactie

Jaargang 16 nummer 3 zomer 2017

Hij is al een hele poos niet meer onder ons. Zijn werken blijven we lezen en raadplegen.
Een korte bewerking uit “HET HUIS DEVER TE LISSE” van A. M. Hulkenberg.

Aper alias d’Ever 1221-1345
Graaf Willem I van Holland is te beschouwen als de stichter van het Hoogheemraadschap “Rijnland”. Zijn Graafschap strekte zich ongeveer uit van Texel tot Dordrecht en van de kust tot en met het Gooi. Veel moerasgebieden werden in zijn tijd ontgonnen, waardoor er bewoonbaar en vruchtbaar land ontstond. Hij vocht mee in de Vijfde Kruistocht waar hij zich samen met de Haarlemmers, in de slag bij Damiate, onderscheidde. In 1220 huwde hij voor de tweede keer, nu met Maria de dochter van de Hertog van Brabant. Een huwelijksgeschenk van de Hertog was de helft van het landgoed Schakerloo bij Tholen. De leenbrief behorende bij dit geschenk is in het latijn geschreven, alsook de namen van de daarbij aanwezige getuigen die de overdracht bijwoonden. Dat waren Wilhelmus de Teiling, Walterus de Egmunda, Philippus de Duvenburg, Gerardus Nordeka, Theodericus de Ostgest, Theodericus de Raphorst en ook Conrardus Aper. Aper betekent everzwijn of gewoon ever en hier is dus sprake van Conrart d’ Ever.

Heren van Lisse

Het geslacht d’Ever wordt in deze akte uit 1221 voor het eerst vermeld. Zwijn was bepaald geen scheldnaam, deze naam moest je verdienen. De ever was het zinnebeeld van dapperheid en onverzettelijke standvastigheid in de strijd. Eerder nog de dood tegemoet treden dan ontrouw zijn aan de zaak. Het moet een dapper man geweest zijn die de titel van Ever met zich mocht voeren. Gezien het feit dat alle getuigen namen uit de streek hadden, mogen we aannemen dat ook d’Ever uit de streek afkomstig was. Woonde Conrart op de plek waar tijdens het graven van de Ringsloot de resten van een “agtkanten torn’ werden gevonden? Het huidige Dever staat er vanaf ±1370. De plek rondom Dever was al heel vroeg bewoond gezien de vondsten van een beiteltje uit het stenen tijdperk, bataafse scherven, kogelpotscherven uit de tijd van Karel de Grote en fragmenten van laat Pingsdorfer aardewerk. In 1269 is er weer melding van een d’Ever namelijk Ysbrandus d’Ever. Ysbrandus koopt van Symon van Teylingen een stuk land bij Boskoop ter ontginning. In 1278 wordt hij “Ysbrandes de Lysse” genoemd. Net als de eerder genoemde Conrart, die in het oude register (1281) van Floris de Vijfde “Conrart die Ever van Lysse” wordt genoemd. Zij waren zo mogen we aannemen de eerst genoemde Heren van Lisse. Ook Reynier d’Ever was Heer van Lisse. Hij liet in 1370 het huidige slot Dever bouwen. ■

Bron: “Het Huis Dever te Lisse” deel uit hfdst. I

EEN FOTO VAN ’T HUYS DEVER UIT 1847 Stand van het lopende onderzoek

Er is een melding van een genomen foto van Dever met voorhuis in 1847. De foto zelf is nog niet te vinden. Wie weet daar iets van?

Door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 4, oktober 2015

Inleiding

In de periode uit de geschiedenis van Dever dat het Huys in verval stond (ca. 1780-1857) is er een keur aan schetsen, prenten en schilderijen vervaardigd. Dever dat temidden van een bloeiende natuur zijn einde tegemoet ging, raakte de romantische ziel van die tijd. Schetsen, prenten en zelfs schilderijen dus, maar…geen enkele foto? Vreemd zou dat niet zijn, omdat de fotografie nog maar van 1839 dateert. Toch kreeg het vervallen Dever in 1847 bezoek van een fotograaf. Dat weten we omdat er melding van wordt gemaakt in een brief die de bekende restauratiearchitect Corneille F. Janssen in 1953 richtte aan J.W.A. Lefeber (1890-1973), bloemist en wethouder, woonachtig op villa Riesenbeck. De brief kwam te voorschijn tijdens mijn inventarisatiewerkzaamheden aan het archief van de stichting Vrienden van ’t Huys Dever.1 In dit artikel wil ik u op de hoogte brengen van de voorlopige stand van het onderzoek naar deze toch wel heel bijzondere foto.

Portret van Reinier Pieter van den Bosch (1835-1900), RKD (Coll. Iconografisch Bureau), Den Haag.

De brief

In 1953 was er nog niet zoveel bekend over de historie van ’t Huys Dever. Hulkenberg begon pas met het onderzoek daarnaar in de jaren zestig. De bovengenoemde heer Lefeber wilde er wat meer over te weten komen. Met name over de verschillende beleningen en over de stamboom van het geslacht Dever. Hij richtte zich tot de destijds bekende restauratiearchitect Corneille F. Janssen. Janssen ging voor hem op zoek. De resultaten deelde hij mede in een uitvoerige brief. Veel van wat hij daarin mededeelt, is ons nu wel bekend. Maar aan het einde van de brief schrijft hij: ‘Foto van ’t Huys Dever van R.P. van den Bosch te ’s-Gravenhage, 1847’. Deze foto had Janssen kennelijk tijdens zijn onderzoek aangetroffen. Het bevond zich echter niet bij de brieven die Janssen heeft geschreven en die later in het archief van de Vriendenstichting terecht zijn gekomen. Op dit moment is de foto nog niet te voorschijn gekomen. Wél is er een en ander te zeggen over de maker ervan: R.P. van den Bosch.

R.P. van den Bosch (1835-1900)

Reinier Pieter van den Bosch was in 1835 te Rotterdam geboren als zoon van Jacobus Herman (1792-1863) en Aletta Suzanna Elisabeth van de Kasteele (1797-1850).2 Vader Jacobus was Rijksontvanger te Overschie. Zoon Reinier bekleedde het ambt van hoofdcommies van het Departement van Koloniën. Vanuit die functie moet hij geïnteresseerd zijn geraakt in het koloniale verleden van Nederland. Hij liet althans in 1894 een publicatie het licht zien over de Kaap de Goede Hoop tijdens het Nederlandse bewind (1652-1806). Ook zijn genealogische belangstelling was opvallend. Zo komen we hem tegen als bestuurslid van het genealogisch heraldiek genootschap De Nederlandsche Leeuw. Met name in het maandblad van dit genootschap publiceerde hij een aantal artikelen. Na zijn overlijden in 1900 verscheen postuum het boek ‘Neêrlands verleden uit steen en beeld. Gedenkteekenen en grafgestichten uit den vroegeren en lateren tijd’ (Schiedam, 1901). Het boek bevat onder meer een beschrijving van het graf van Willem Adriaen van der Stel en zijn echtgenote Maria de Haase in de Grote Kerk te Lisse.

Huys Dever omstreeks 1845 door P.J. Lutgers. Uit: Hofdijk en Lutgers, ‘Gezigten in de omstreken van ’s-Gravenhagen en Leijden’ (1855). Tijdens het bouwhistorisch onderzoek dat naar aanleiding van de opgravingen van de resten van het voorhuis in de jaren 1985-1987 verricht werd, werd al snel duidelijk dat de hier getoonde steendruk één van de meest betrouwbare weergaven is van het grote voorhuis. Zou Lutgers bij het vervaardigen van deze afbeelding een zogenaamde Camera Obscura gebruikt hebben? Veel kunstenaars werkten in deze tijd daar al mee. Het principe was eenvoudig. Er werd gebruik gemaakt van een donkere ruimte. De enige verbinding met de buitenwereld was een kijker (een lens zouden wij tegenwoordig zeggen) die het beeld omgekeerd projecteerde op de tegenoverliggende wand. Vervolgens behoefte men de afbeelding slechts over te trekken. Later werden de donkere kamers vele malen kleiner en werd er geprojecteerd op een gevoelige plaat: het begin van de fotografie.

Bekendheid met de streek

Reinier moet goed bekend zijn geweest met de omgeving van Lisse. Zo trad hij in 1873 te Sassenheim (eerste link met Lisse e.o.) in het huwelijk met Elisabeth Johanna Kuys (geb. Voorschoten 1842). Zij was weduwe van Gerrit Blokhuis (1841-1870) die in Sassenheim burgemeester was geweest. Hij behoorde tot de Lissese tak van de gelijknamige familie en dat is alweer onze tweede link met Lisse! Verder had Reinier een oom, Willem Bernardus van den Bosch (1802-1868), die net als zijn vader van 1840 tot 1860 Rijksontvanger was in…Lisse! De connecties met Lisse lijken overduidelijk.

Een kink in de kabel

Het schijnt dus allemaal prachtig te kloppen: Reinier Pieter had belangstelling voor het verleden, was bekend met de streek en had waarschijnlijk ook de middelen om zich aan een destijds kostbare hobby als fotografie te wijden.3 Er is echter een probleem: zijn plaats in de tijd! Het zal de lezer misschien al opgevallen zijn dat Reinier Pieter pas in 1835 het levenslicht zag, zodat hij dus in 1847 als jongetje van een jaar of twaalf één van de eerste foto’s nam die van deze streek bekend zijn, namelijk van het leegstaande huis Dever. Toch noemt Corneille Janssen hem duidelijk als maker van de foto. Of zou de kleine Reinier hulp hebben gekregen?

Willem Bernardus van den Bosch (1802-1868)

Degene die wél goed in het ‘plaatje’ past van de mogelijke maker van de foto is Willem Bernardus van den Bosch. We noemden hem zoëven al als oom van Reinier en als Rijksontvanger. Zijn standplaats was van 1840 tot 1860 Lisse. Het jaar van opname van de foto (1847) past daar keurig in. Tot 1846 woonde hij met zijn echtgenote en vijf kinderen aan ’t Vierkant, waarschijnlijk ter plaatse van het restaurant Den Ouden Heere. Vervolgens kocht hij een huis dat er schuin tegenover was gelegen, namelijk in het rijtje huizen dat zich aan de westzijde van ’t Vierkant bevond. Hij verkoopt het weer door in 1857 aan Elisabeth (de) Kruyff, maar blijft nog tot in 1860 in het huis wonen. Op 27 april van dat jaar is hij met zijn gezin naar Culemborg vertrokken, alwaar hij acht jaar later zijn laatste adem uitblies.
Willem Bernardus kan, zeker gezien zijn maatschappelijke positie en dus de middelen waar hij over beschikte, heel goed ‘onze’ fotograaf zijn geweest, die zijn neefje Reinier behulpzaam is geweest bij het maken van zoiets ingewikkelds als een foto. De vraag is echter of zijn oom inderdaad iets van fotografie af wist. Daarover meer in een volgend deel…

Aanslagbiljet van de personele belasting uit 1852. In het midden rechts zien we de naam vermeld staan van ‘De Ontvanger der Directe Belastingen, VAN DEN BOSCH’, ofwel Willem Bernardus van den Bosch, die zijn kantoor/ woning aan ’t Vierkant had. De aangeslagene is D.P.J. van der Staal van Piershil, eigenaar van het landgoed Wassergeest (waarover u meer verneemt in het boek ‘Wassergeest te Lisse’ (Lisse, 2004) van de schrijver van dit artikel). Nationaal Archief, familiearchief Van der Staal van Piershil inv.nr. 115.

Besluit

Het lijkt haast te mooi om waar te zijn: een foto van het vervallen Dever, genomen in een periode dat het voorhuis nog niet gesloopt was. Zou zich dan toch nog ergens een foto bevinden die één van de eersten van de streek is, maar misschien lange tijd op één of andere zolder heeft doorgebracht? Het is met recht zoeken naar de bekende speld in de hooiberg. Maar met geduldig zoeken en wellicht wat suggesties van uw kant, komen we er uit!

Bronvermelding

1. Plaatsingslijst van het archief van de stichting Vrienden van ‘t Huys Dever, voorl. nr. 61.

2. Gegevens betreffende de familie Van den Bosch ontleend aan Nederland’s Patriciaat 1915.

3. Er was zelfs een familielid, Hendrik Johan Christoffel van den Bosch, geboren te Amsterdam, 1845, die enige bekendheid genoot als fotograaf. Helaas is over hem weinig bekend.

 

Geestwater niet van deze tijd

De naam Geestwater zoals die aan een nieuw te ontwikkelen woonwijk in Lisse is gegeven, is niet van deze tijd. En dat dan in de meest letterlijke zin. Een en ander blijkt uit hetgeen Mattheus Brouerius van Nidik, R.G. en Isaac le Long in het “Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche Oudheden” (tweede druk 1792) optekenden.

Eene agtkantige toren diep in den grond

Men is van gevoelen, dat in de Poelpolder een oud ridderlijk stamhuis gelegen heeft, doordien men bij de bedijking van deze poel, onder het uitgraven van de ringsloot diep in de grond, de fundamenten van een agtkantige (achtkantige) toren, van zeer zware moppen aangelegd gevonden heeft.

door Arie in ‘t Veld

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 3, juli 2006

De naam Geestwater zoals die aan een nieuw te ontwikkelen woonwijk in Lisse is gegeven, is niet van deze tijd. En dat dan in de meest letterlijke zin. We vervolgen het verhaal dat Mattheus Brouerius van Nidik, R.G. en Isaac le Long in het “Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche Oudheden” (tweede druk 1792) optekenden.
Daarin wordt onder andere vastgesteld dat Lis in 1725 geheel werd bestraat. Voor wat het waard was dan natuurlijk, want Lis was niet groot en het aantal straten derhalve magertjes. De scribenten schreven: “Onder deszelfs straten loopt er één met een kromme bogt naar eene haven, welke de Gragt genoemd wordt, en zijne uitwatering heeft door de Ringsloot van de Lisserpoel, tot in het Haarlemmermeer, alwaar dit water de naam van de Greveling aanneemt. Ten Zuid-Oosten van het dorp vindt men het Lisserbroek, benevens den bedijkten Lisserpolder, weleer het Geestwater”.
Dus wat is er nieuw onder de zon!
De schrijvers vervolgen: “Men is van gevoelen, dat in dezen polder, ook veeltijds de Lisserpolder genaamd, het huis te Dever een oud Ridderlijk stamhuis der edelen van dien naam, gelegen heeft, doordien men bij de bedijking van dezen poel, onder het uitgraven van de ringsloot, diep in den grond, de fundamenten van eene agtkanten toren, van zeer grote en zware moppen aangelegd gevonden heeft.”
Hoe het precies in elkaar stak en waar de scribenten op doelden is nog niet achterhaald, doch het lijkt onwaarschijnlijk dat bij het inpolderen zo maar ineens de enorme omvang van Dever (ook qua hoogte en meer dus dan alleen de fundamenten) tevoorschijn kwam.

Copyright © 2006 Vereniging Oud Lisse

Zo zag ‘t Huys Dever er uit aan het begin van de vorige eeuw. Een holle klomp steen in het bollenland. Twee honderd jaar eerder rept een reisverhaal van de vondst van een achtkantige toren in het Geestwater.

Lisse had al in 1566 een bomenverordening

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 3 nummer 4, oktober 2004

 

‘SCHOUT EN KROOSHEEMRADEN VERKLAREN DE WILLIGE BOOMEN VAN HUYSE DEVER EEN CIERAAD LANGS DEN HEEREWEG’.

Sinds kort heeft Lisse haar bomenverordening. In het verleden waren het de keuren van Rijnland die alles regelden. Wat komen we in het Register op de keuren en ordonnantien van het Hoog-Heemraadschap van Rijnland (Leiden 1823) zoal tegen?

Allereerst worden in de keuren regels gesteld omtrent het planten van bomen op slootkaden. Aan de Zon- of Zuid-Zijde van schouwbare kaden mochten bijvoorbeeld geen bomen geplant worden. Vermoedelijk was deze regel gesteld, aangezien deze bomen anders hun schaduwen zouden werpen op de kaden en dat kon een belemmering vormen bij het schouwen hiervan door Rijnland. Bij zo’n schouw werd onder meer gekeken of de slootkanten wel goed onderhouden werden door de eigenaren. Voor de bomen aan de noordzijde gold slechts dat deze tot zekere hoogte gesnoeid moesten worden.
Ook nabij enige Wind-Watermolens mochten geen bomen geplant worden, waarschijnlijk om een vrije vlucht te garanderen van de wieken.
Wat gold voor de sloten ging ook op voor de wegen binnen het beheersgebied van Rijnland. Langs de wegen – vooral openbare wegen – mochten natuurlijk niet zomaar bomen geplant worden zonder toestemming van het Hoogheemraadschap. Voor de Straatweg tusschen den Haag en Haarlem , tegenwoordig de Rijksstraatweg, Heereweg of ook wel de Hoofdstraat (in Sassenheim) genoemd, gold zelfs een aparte keur, die in 1807 in het leven was geroepen. Het verbood het kappen of planten van bomen waarbij de grond nader geroert werd dan op 20 duim (ongeveer 50 cm) afstand van de kantlage der Straet, dus vanaf de randen van de straat. Trok men zich hier niets van aan, dan was een boete van 25 pond het gevolg. Moest de weg toch worden opgebroken, dan diende men zich te adresseren bij het Departementaal Bestuur van Holland, die (in 1807) als eigenaar en beheerder van de weg optrad. Langs de Heereweg liepen voetpaden, waarlangs in de bermen nogal wat Ruigte, dus onkruid, voorkwam. We lezen: De Ruigte langs de voetpaden zal, vanwege het Departementaal Bestuur, mogen worden geblood (verwijderd), voor zoo verre zulks aan het Plantsoen aldaar, niet schadelijk zij, teneinde op den weg tot dekking te kunnen worden gebruikt. Kennelijk werd dus deze ruigte als wegbedekking gebruikt. Deze nieuwe keur die alleen voor de Heereweg gold, is waarschijnlijk in het leven geroepen, daar in 1807 deze weg werd bestraat.

Minder strukelen
In één van de dingboeken van Lisse die de periode 1681-1699 beslaat en die zich bevindt in het Algemeen Rijksarchief, Rechterlijk Archief Lisse lezen we op fol. 54 de volgende tekst:
Wij Mr. Adriaan van Gorcum, Schout, Claas Maartense van der Poel, Adriaan Aalbertse van den Bos, Willem Adriaanse Steenvoorden, ende Pancras Dammisse Sandvliet, kroosheemraden in Lisse, verklaren ter requisitie van den hoogedelen welgeboren heere Wilhelm de Waal van Vronesteijn, heere van Dever etc. dat de willige boomen bij sijn hoogEd. doen stellen aan’t Voetpad van den heereweg voor den huyse ende Landerijen van dever in den voorsz. ambagte van Lisse in plaatse ende op de Royinge van de palen die de aangelandens aan de Zuydoostzijde van den heereweg tot bewaringe van’t voetpad genootsaakt sijn te houden, na ons oordeel, tot niemands verhinderinge, maar in tegendeel tot Cieraad, ende meerder gemak als palen verstrekken, insonderheijt voor de gene die de weg bij avond moeten passeren, alsoo deselve ‘t pad des te beter kunnen royen (begrenzen) ende minder strukelen ende dat de weg ende passage door deselve geensints belemmert of beslijkt word, sijnde aldaar soo ruym ende droog als doorgaans elders tusschen Lisse ende Sassenheim. Aldus gedaen in’t Regthuys van Lisse op den negenden octob. xvi c ‘t Negentig….
Ondertekend door bovengenoemden met hun namen.

Voetgangers beschermen
De wilgen werden dus geplaatst langs de oostkant van de Heereweg, aan de Dever-zijde. Ze kwamen in de plaats van palen die daar waren geplaatst om voetgangers te beschermen voor het verkeer. Reeds in 1566 lezen we over de afpaling van een voetpad langs de Heereweg voor eventuele passanten, in het bijzonder de schoolkinderen. Kennelijk gebeurde het echter regelmatig dat sommige nachtelijke passanten de palen niet opmerkten en er dus struikelpartijen plaatsvonden. (Waarschijnlijk waren de palen dus niet zeer hoog). Geen wonder dan ook dat, als de Heer van Dever, Willem de Waal van Vronesteyn, de palen vervangt door wilgen, zowel schout als kroosheemraden er geen enkel bezwaar tegen uiten. In bovengenoemde verklaring kan men dat lezen. Volgens hen strekken de wilgen zelfs tot Cieraad van de weg!
Natuurlijk waren er weer mensen die dachten dat de Heereweg bevuild zou worden door de bladeren van de bomen, maar bovengenoemde personen verklaren dat de Heereweg hier even schoon is als doorgaans elders tusschen Lisse ende Sassenheim. Bovendien belemmeren de bomen de passage ook niet, want de Heereweg is ruym genoeg.
De bomen hebben er uiteindelijk zo’n 74 jaar gestaan. Toen zijn ze tenslotte door de toenmalige Heer van Dever verwijderd en werden er nieuwe geplant: Dirk Jan Ignatius Heereman is op zijn verzoek toegestaan en geconsenteerd dat hij Suppliant alle de Boomen staande langs de Heereweg aant voetpad van de Eerste Poellaan aff tot aen de Brugge van Wassergeest toe (de Staalbrug) mag uytroyen (kappen), de grond omdelven en andere Boomen planten (…). Actum 22 december 1764″.

Bronnen: Bibliotheek Oud Archief Rijnland (keuren), K.J.B. Keuning, Geschiedenis van de wegen tussen Rijn en IJ (Haarlem 2000)

Tekening van Schoemaker