Berichten

Rondwandeling door de Agathakerk

St. Agathakerk – Lisse

HEEREWEG 273 LISSE

De kerk is 60 m. lang; 30 m. breed, 21 m. hoog.

De “Agatha” betekent voor Lisse méér dan een kerkelijk gebouw; het is ook een vertrouwd baken en markant herkenningspunt: een begrip! Tevens is het een architectonisch neogotische stijl-monument, waarin veel te zien is. Een gebouw dat als typerend stijlvoorbeeld geldt, met een hoeveelheid fraaie details. Bovendien bevat de St. Agathakerk een groot “Adema-orgel” dat alom wordt geprezen door z’n uitzonderlijke klankkleur.

Met deze handleiding kunt u zichzelf rondleiden. De beschrijving vertelt de toestand in 1999

Algemene informatie ten geleide

  • De architect was Jean H. van Groenendael.
  • De grote gebrandschilderde ramen zijn uit het atelier van F. Nicolas en zonen te Roermond.
  • De gebeeldhouwde altaren en preekstoel zijn van J.P. Maes te Haarlem.
  • De wandschilderingen zijn uit het atelier van Cees Dunselman te Amsterdam.
  • De marmeren vloermozaïeken zijn van A.J. Hooggreef te Amsterdam.
  • Het bronswerk en de lichtkronen zijn van Brom uit Utrecht.
  • Het houten doopvont komt waarschijnlijk uit het atelier van Veneman te Den Bosch.
  • Het Adema-orgel werd gebouwd door de Fa. Adema te Amsterdam.
  • De orgelkas werd vervaardigd door de Gebr. Franssen te Roermond, naar ontwerp van de beeldhouwer F.W. Mengelberg te Utrecht.

Voor belangrijke data m.b.t. de “Agatha” kunt u een apart paneel in de kerk raadplegen.

Wij wensen u een aangename rondgang!

Wanneer u puntsgewijs deze handleiding volgt, heeft u een gids voor een rondgang langs de opmerkelijkste zaken.

 

1 . CATECHESEKAMER.

Oorspronkelijk ingericht om cate­chismus les te geven aan de kin­deren van de parochie. In 1960 nieuw ingericht als doopkapel, ter herinnering aan het feit, dat in 1460 door Paus Pius ll de parochie Lisse werd opgericht. Het kunstwerk op de wand stelt de vissen voor als symbool voor de gelovigen, Christus volgend. Op de ramen ziet men Mozes met het water, dat uit de rots komt; de verrezen Christus en de opstanding van Lazarus. Het doopvont is in 1993 ver­plaatst naar het noorder dwarsschip. (zie punt 7).

2. 

Vanaf deze plaats heeft men een prachtig uitzicht de kerk in, door het middenschip naar het hoofdaltaar met de fraaie gebrandschilderde ramen! Achter u, boven de deuren, de naam van de architect Jean H. van Groenendael, oudste leerling van de bouwmeester Pierre Cuypers. Rechts daarvan het zogenaamde missiekruis.

3. KLEINE MARIA-KAPEL

Was tot 1960 doopkapel. De ramen verbeelden: Lelie (zuiverheid);”Sterre der zee”, en roos (liefde). Bronzen reliëf, met Maria en kind.

4.

Boven het middenschip zijn schilderingen te zien van scha­pen, bloemen en bolgewassen. Zij geven de attributen weer, waar­door een deel van het geld voor de bouw van deze kerk bijeenge­bracht werd. Let op de bronzen lichtkronen aan weerszijden.

5.

De zogenaamde “Kruis­wegstaties” langs de twee langschepen van de kerk, geven het lijdensverhaal van Christus weer. Voorafgegaan door een schilde­ring “De oorzaak van het lijden” en afgesloten met de schildering “De gevolgen van het lijden”. De ramen bevatten diverse inte­ressante symbolen.

6. PRIESTERKOOR

Het “hart” van de kerk, met een eenvoudige altaartafel. Daar vindt men de preekstoel met mooie afbeeldingen: Paulus, Petrus, Christus en Willibrordus. De slangenkop aan het eind van de leuning, symboliseert het kwaad, wegvluchtend voor het woord van God. In de hoge nok ontwaart men de letters XP (Christus) met daarom­heen de namen van de vier evan­gelisten.

7a. DWARSSCHIP (Noord)

Hier werd in 1993 de houten doopvont geplaatst, om meer aanwezigen bij de doopvieringen te kunnen toelaten. De vont uit ± 1850 laat de zeven sacramenten zien (onder) en op het deksel Christus’ doop door Johannes in de Jordaan. Op de top van het deksel ziet men de kerk als Moeder, die haar kinde­ren om zich heen verzamelt. In de medaillons van de ramen ziet men van links naar rechts de symbolen van hoop, geloof en liefde. De schildering aan de voorzijde van de Mariakapel toont de kroning van Maria in de hemel. Boven de biechtstoel: “de verloren zoon”.

7b. HEILIG HART ALTAAR

Dit altaar bevat het Heilig Hartbeeld, alsmede een tegel­tableau met aan weerszijden de pelikaan en het Lam Gods. Drie symbolen voor de liefde van Christus aan de mensheid. Tevens treft men hier het processiekruis aan.

8. MARIA-KAPEL

Het altaar toont in het midden St. Dominicus, die van Maria de rozenkrans ontvangt. Links en rechts twee heiligen: Bisschop Albertus Magnus, die het leven van St. Dominicus heeft opgete­kend, en Catharina van Siena met de wondentekenen van Christus in de handen. Op de tabernakeldeur staat de pelikaan, die de jongen zou voeden met eigen bloed; een symbool van Christus. Aan weerszijden tevens oude Mariasymbolen als: “Toren van David”, “Ivoren Toren”, “Ark des Verbonds” en “Deur des Hemels”. Voor het altaar een marmermozaïk met de Latijnse tekst: “Wees gegroet Maria, vol van genade”. De ramen tonen van links naar rechts: de boodschap van de engel; het bezoek aan Elisabeth; de geboorte van Jezus; Jezus wordt in de tempel gebracht; Jezus in de tempel met de Schriftgeleerden.9.

9. HOOFDALTAAR

Neogotisch van stijl, met op de deur van het tabernakel, de symbolen ontleend aan de vier evangeliën: De mens (Mattheus), de ade­laar (Johannes), de leeuw (Marcus) en de stier (Lucas). Aan weerszijden van het taber­nakel is het Laatste Avondmaal en Calvarië afgebeeld, alsmede twee heiligen. Links en rechts afbeeldingen van Malachias, koning David, Jeremia en Zacharias. In het midden in brons het Lam Gods geflankeerd door de offers van Melchisedech en Abraham. Het marmermozaïek voor het altaar, toont twee bevleugelde ringen als ook in een krans de maanstanden en de tekens van de dierenriem, hetgeen het heelal verbeeldt. Er omheen de vier windstreken en de werelddelen, waarbij Australië ontbreekt (was nog niet bekend in de Middeleeuw­en, dus ook niet afgebeeld, naar neogotische opvatting): Europa (Adelaar met Europe­aan), Afrika (Olifant met neger), America (Pelikaan met indiaan) en Azië (Draak met chinees). Dit alles symboliseert de univer­sele omvattendheid van God, zoals men dat in de Middel­eeuwen weergaf. Bovendien zijn er nog twee oudtestamentische offerdieren.

10.

De ramen in de abscis geven de sacramenten weer. Linksonder ziet men de door­tocht van de Israëlieten door de Rode Zee, daarboven de doop van Jezus. Ernaast onderaan: Petrus en Johannes leggen de handen op in Samaria: boven de nederdaling van de Heilige Geest. Het volgend raam toont het eten van het Paaslam, waar­boven het Laatste Avondmaal is afgebeeld. Het vierde raam onder: het zoenoffer van Aaron; waarboven de verschijning van Jezus in de Opperzaal te Jeruzalem is weergegeven. Op het vijfde raam staat onder aan het huwelijk van Adam en Eva in het aardse paradijs; daarboven de bruiloft te Cana. De 2 ramen links en rechts (uit later tijd) geven weer: Druiven en korenaren als sym­bolen voor de gaven tot spijs en drank. En de spreuk: Zoals een dorstig hert naar de waterbronnen hun­kert, zo verlangt mijn ziel naar U, o God.

11. JOZEF-KAPEL

Het altaar van St. Jozef toont hem gezeten met het kind Jezus aan zijn zijde. Links is zijn verloving met Maria uitgebeeld en rechts zijn sterven. De letters S J met de rozen zijn het symbool van de liefde. Het marmermozaïek voor het altaar toont de timmerman werktuigen en een lelietak, het symbool van de zuiverheid. De ramen laten van links naar rechts zien: St. Jozef wordt door Paus Pius IX in 1870 uitgeroepen tot Patroon van de R.K.-Kerk; afbeelding van het gezin Jozef, Maria en Jezus; De farao van Egypte wijst naar Jozef (zoon van Jacob): uit de voorraadschuren kan hij een ieder voorzien van graan. De schilderingen aan de wand spreken voor zich.

12.SACRISTIE

De ruimte waar de priesters en hun assistenten zich voorbereiden op de eredienst, (niet toegankelijk).

13. DWARSSCHIP (Zuid)

Op de ramen ziet men aan weers­zijden de symbolen van de vier evangelisten: mens, leeuw, stier en adelaar. Hoog bovenin het alziend oog van God de Vader, het Lam Gods (de zoon Jezus), en de duif (de Heilige Geest). Boven de biechtstoelen vindt u een schildering van de Verloren Zoon. Links een beeld van St. Agatha (de patrones van deze kerk!) omgeven met geschilderde tafere­len en de reliekschrijn met de een­hoorn als symbool voor de kuis­heid. Tevens vindt men hier de eerste steen (6 juni 1902). Daarboven de schildering voor­stellende: St. Jozef, Patroon van de R.K.-Kerk.

14. PASTORIE

Gebouwd in 1902, nog voor de bouw van de kerk, in zogenaamd Oudhollandse stijl met trapgevel en Tudorbogen boven de grote vensters. De pastorie is woning van de pastoor, en bevat ruimten voor vergaderingen en bijeen­komsten, (niet te bezichtigen).

15. TOREN

De toren herbergt de kerkklok en het uurwerk, bovenin. Het onderste gedeelte doet dienst als mortuarium. Tevens bevat de toren een torenkamer. Via de wenteltrap in de toren komt men op het zang­koor, dat zich bevindt boven de hal, tussen de twee delen van het grote kerkorgel, dat eigenlijk een monument op zichzelf is, dankzij haar bijzondere Frans romanti­sche klankkleur. Geroemd onder de kenners! Als u geluk hebt, is dit gedeelte van de kerk toegankelijk…. Vanaf het zangkoor heeft men een fraai zicht in de kerk.

16. Het Adema-orgel

De neutrale Stichting “Vrienden van het Adema-orgel Lisse” heeft o.a. als doelstelling: het bewaken van het grote kerkorgel, als instrument. De stichting is speciaal voor het in stand houden van het Adema-orgel in het leven geroepen, waartoe zij een fonds beheert.

Einde

Dit is het einde van uw rondgang door de St. Agathakerk

Een monument in de samenleving,..

Zoals al eerder vermeld, is dit kerkgebouw (en vooral de toren) een opvallend baken in de gemeente Lisse. Vanaf het in gebruik nemen is dit kerkgebouw voor de in­gezetenen van Rooms Katho­lieke huize in Lisse, steeds het centrum van hun geloofs­beleving geweest. Later zijn er nieuwe kerken gebouwd, omdat de gemeen­te uitgroeide, maar de St. Agathakerk blijft toch gevoels­matig een zeer grote aan­trekkingskracht behouden. Voor het R.K.-gedeelte van de bevolking in Lisse vervult deze kerk een belangrijke rol. Zeker voor de ouderen. Maar opmerkelijk is dat juist de jongeren b.v. graag hun huwelijk laten inzegenen in deze kerk! Het gebouw heeft allure, mede doordat het in de oude kerktraditie vorm gegeven werd. Niet-kerkelijke en anders­denkenden ervaren veelal ook die bepaalde sacrale sfeer…

Zo blijkt de “Agatha” door de jaren heen een monument in de samenleving te zijn.

Het Kerkbestuur van de St. Agatha-parochie.

 

 

HET ORGEL VAN DE SINT AGATHA-KERK; De rommeling. (154)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

In 1902 werd de nieuwe Sint Agathakerk gebouwd en het volgend jaar door de deken van Noordwijk plechtig geconsacreerd. Zou er ook een nieuw orgel komen? Nee, aan­vankelijk niet; er was geen geld. We lezen in de notulen van het zangkoor van de kerk.

“16 juli 1902. Pastoor BJ. Klekamp open­de de vergadering. De nieuwe kerk werd ter tafel gebracht en hij hoopte, dat de kerk juli 1903 klaar zoude zijn. Besloten werd voor die gelegenheid een mis van Mitterer in te studeren. Er zou een nieuw orgelharmonium komen.”(Geen echt orgel dus.)

“28 juli 1903. De Pastoor stelde voor om bij de inwijding der nieuwe Kerk het koor te versterken, om de luister dezer plechtig­heid door een krachtig koorgezang nog meer te verhogen.

 

Daar de koren der om­liggende gemeenten niet bij machte werden geacht om voor een nieuwe mis van Perosi hunnen steun toe te zeggen, werd na dis­cussie besloten met eigen krachten, wat door allen voldoende werd geacht, de mis van Zangl uit te voeren.” (Eerst zou men nog een repetitie houden in de nieuwe kerk. leder lid kreeg een sleutel van het koor, zodat niet-zangers onmogelijk op het koor zouden kunnen komen.) Ome Arie Raaphorst schrijft: “Op Zondag 8

“December 1911 werd van af de kansel bekend gemaakt, dat zich eene commissie had gevormd met het doel om Pastoor B.J. Klekamp ter gelegenheid van zijn 12 1/2-jarig jubilé als Pastoor alhier een ge­schenk aan te bieden in de vorm van een nieuw kerkorgel. Wel was de tijd van dit jubilé nog ver, want dit viel eerst in de zomer van 1913, maar wegens de hooge kosten hiervan, namelijk circa f 12.000, als­mede de noodige tijd voor den bouw van het orgel was het nodig, dat men hiermede reeds tijdig een begin maakte. Het orgel werd besteld bij de firma Adema te Amster­dam. In plaats echter dat het orgel afge­werkt was met de gelegenheid van het ju­bileum van de Pastoor, werd het pas in gebruik gesteld Zaterdag 15 Augustus 1914, den dag waarop het 40 jaren geleden was dat Pastoor B.J. Klekamp tot priester ge­wijd werd.”

Het orgel, een zogenaamd romantisch or­gel, is met name na de grote restauratie bijzonder fraai en vanwege de orgelcon­certen heeft het thans een naam in de hele streek. Aanvankelijk schijnt het res­pect voor het orgel toch niet groot genoeg te zijn geweest. Of moeten we stellen, dat het orgel zo mooi was, dat iedereen er op of aan wilde zitten? We lezen in de notu­len van 1912/13: “De zangers zullen niet tegen de orgelkast of speeltafel leunen, daar dit op den duur het blanke hout zal besmeuren. Zij zullen niet bij de organist op de bank gaan zitten of naar eigen goed­dunken een of ander register openen of sluiten of op andere wijze de aandacht van de organist van diens spel afleiden.” De eerste organist, van 1880 tot 1904 was J. Schuts. Daarna kwamen P. Akerboom en Jac. Reeuwijk. Ook de heer Bemelman is organist geweest. Later kwam de onver­getelijke Gervais. Er was eerst nog geen electriciteit en aldus was er een orgel­trapper nodig. Het werd Stobbe voor 30 gulden per jaar en daarna W. van Velzen en zoon, f 32 1/2 gulden. Ik wil hopen dat ze het eerlijk deelden en dat niet de vader 30 gulden kreeg en de zoon met een rijks­daalder in het jaar naar huis werd gestuurd.

PASTOOR VAN VLASSELAAR; De rommeling. (142)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Arie Raaphorst had een grote bewondering — misschien moet men wel zeggen verering — voor deze pastoor, en daarin stond hij niet alleen! In het onderstaande stuk spreekt hij eerst over de bouw der kerk in 1902/03. In het tweede deel verzet hij zich er tegen, dat de latere Pastoor Kleikamp de hem toevertrouwde gelovigen moreel dwong Dokter Blok als arts op te zeggen. In “De Aagtenkerk van Lisse” kan men over Pastoor Van Vlasselaar nog veel meer lezen. Hij woonde in zijn pastorie, die aan de kerk was vastgebouwd. Huis­schilder G. Slegkamp heeft daar in 1888 een schilderijtje van gemaakt. Het is wel wat primitief, maar omdat er verder geen afbeeldingen van de achterzijde van de kerk bestaan waarlijk uniek en bovendien nog alleraardigst. “De uitgebreide en omvangrijke werkzaam­heden van den bouw eener nieuwe kerk waren veel te zwaar voor de zwakke schou­ders van den beminden herder dezer pa­rochie, Pastoor H.Th. van Vlasselaar. Een ieder vond, dat de werkzaamheden niet gelegd mochten worden op zijne schouders. Daarom wachtte men geduldig de tijd af die daarin verandering zou brengen. Die tijd was eerder aangebroken als men had verwacht, want op 8 januari 1901 ging de droeve mare door het dorp: Pastoor Van Vlasselaar is dood. Hij was 32 jaren lang de zachtmoedige en beminnelijke herder ge­weest van de Parochie van St. Agatha. Zelden is er een mensch geweest, die op­rechter beweend is geworden als hij; niet alleen door de katholieken, maar ook door niet-katholieken van allerlei rang en stand. Met hem daalde ten grave een raadgever voor iedereen, een vriend voor allen, en bovenal een weldoener der armen zonder weerga. Zijn nagedachtenis zal dan ook in dankbare herinnering blijven voortleven in de harten van allen die hem gekend heb­ben”.

(Nu op een andere plaats in het omvang­rijke manuscript:)

“Voorop stel ik, dat ik een leerling ben van de nooit genoeg te betreuren en steeds in de gedachten van elk weldenkend mensch voortlevende Pastoor van Vlasselaar. De man die hier in Lisse ruim 30 jaren als her­der heeft geleefd en in wiens schaduw nog niemand die na hem is gekomen, heeft kunnen staan.

Die man heeft mij geleerd en ook anderen, door woord en door daad, dat het eerste en grootste gebod in de wet is: “Bemint God bovenal en uw naaste gelijk uw zelven!” Toen Pastoor Van Vlas­selaar dan ook, op hooge ouderdom geko­men, zijn hoofd voor eeuwig te ruste leg­de, is hij betreurd geworden, niet alleen door zijn eigen kinderen, maar ook door de kinderen van anderen; niet alleen door de Katholieken van Lisse, maar ook door de Protestanten van Lisse. En waarom? Omdat hij, Pastoor Van Vlasselaar, zijne plicht deed tegenover God en de menschen, omdat hij allen liefhad, zonder onder­scheid. Ook hij heeft katholieke instel­lingen in het leven geroepen, en toch werd hij bemind door de niet-katholieken. En waarom? Enkel en alleen omdat hij zijne plicht deed tegenover God en de menschen; enkel en alleen omdat hij ver­draagzaam was en ieder in de waarde liet waarin hij was. Als er tijdens het leven van Pastoor Van Vlasselaar hier in Lisse een katholieke ge­neesheer was geweest, zou hij de eerste zijn geweest, die zich door hem zou laten behandelen, maar hij zou nooit of nimmer zoo laag en laf zijn geweest, om een ge­neesheer, die voor de komst van dokter Haase hier ter plaatse bijna alle meerge­goede Katholieken onder zijne patiënten had, op alle mogelijke en onmogelijke ma­nieren te belasteren en te benadeelen; daarvoor was Pastoor Van Vlasselaar té edel, té katholiek, té goed en vooral veel té godvruchtig”. Enz., enz..

DS. HENRICUS VELSE; De rommeling. (139)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Ds. H. Velse werd op 6 september 1683 te Woerden geboren. Als jong kandidaat, 23 jaar oud, werd hij beroepen naar Lisse, waar hij tot november 1709 werkzaam is geweest. Toen vertrok hij naar Deventer en niet zeer lang daarna naar Delft. Van 1715 tot 1744 heeft hij gestaan in ‘s-Gravenhage. Onder zijn portret in de consistoriekamer der Grote of Sint Jacobskerk aldaar staan de woorden:

Te Lis heb ik met vreugd Gods akker milt bezaeit,

Daerna in Deventer een rijken oogst gemaeit;

Dus deed ik ook te Delf, en acht en twintig jaeren

Zag ’s Gravenhaeg’ de vrucht in zijne schuer vergaeren.

Ds. Henricus was een broer van Ds. Wilhel­mus Velse te Delft en de vader van Ds. Gerardus Velse te Geervliet en dr. Cornelis, hoogleraar in de anatomie en chirurgie. Voorwaar een geleerde familie. Dat gold zeker ook voor Ds. Henricus zelf. Er ver­schenen verscheidene boeken van zijn hand, zooals “Grondvesting des christendoms onder de heidenen op de kusten van Choomandel en Malabar”, “Onderscheyd tusschen die God dient en niet dient”, Kleine Concordantie of Register des O. en N. Testaments” en “Leven van den Grave van Rochester”. Aldus vermeldt Dr. E.J.W. Posthumus Meyjes in “Kerkelijk ‘s-Gravenhage in vroeger eeuw”, 1918. Zoals gezegd, heeft Ds. Velse maar ruim twee jaar in Lisse gestaan, maar ook hier moeten dat bijzonder vruchtbare jaren zijn geweest. Bij zijn beroep naar Lisse waren er al dadelijk moeilijkheden geweest, aan­gezien de kerkeraad Gerardus Vonck had laten vertrekken, zonder de vereiste “acte van satisfactie van non praejudicie” van de zijde van Jonker Adriaen de Wael van Vronesteyn. Deze was Heer van Lisse en moest volgens het toen algemeen gel­dend recht in demissie en beroep gekend worden. Jonker Adriaen maakte er echter geen punt van en Ds. Velse kon zonder meer zijn functie aanvaarden. De moeilijk­heden kwamen ook niet zo zeer van zijn kant, maar van die van de schout/secretaris, Jacob van Dorp, overigens zelf lidmaat van de Gereformeerde Kerk. Men moet niet uit het oog verliezen, dat zo’n man vroeger geen salaris kreeg, integendeel, hij moest voor de uitoefening van zijn ambt een pachtsom betalen! Hij miste nu heel wat inkomsten en nog een lekker etentje bo­vendien. Alles kwam goed. De “ouderlin­gen en diakonen in de Gereformeerde Ge­meente” zouden alles wat benoemingen en losmakingen betreft laten schrijven door de Secretaris van Lisse. Bovendien zouden ze alles doen wat mogelijk was om te be­werkstelligen, dat de schout weer mocht deelnemen aan de “maaltijd in de Classe, die gewoonlijk geschiet op de losmakinge van deselve Classe”. Schout Van Dorp kon tevreden lachen; de opzet was ge­lukt! Bij een latere benoeming in 1724 waren er natuurlijk weer moeilijkheden. Ds. H. Velse bericht nog, dat het benoemingsrecht van ouds “aan de Heerlykheyd van Lisse behoord heeft”. Hij raadde de kerkeraad dan ook aan, zich met de Heer van Lisse te verdragen. Zo moeilijk was dat nu ook niet. Deze was wel “Roomsgezind”, maar een demissie werd altijd toegestaan en uit een lijst van te beroepen personen werd al­tijd de bovenste gekozen. Dat dit toch tot hevige conflicten kon leiden, leest men in “Het Huis Dever te Lisse” (1966). Uit zijn “In memoriam” in 1744 blijkt, dat Ds. Velse zich met name toelegde op de verklaring der catechismus tot onder­wijzing der gemeente.

“Het gouden kleinoot, dat, met eedele gesteentens

omzet, aan Heydelberg zijn naam verschuldigt blyft,

en nog de band is der hervormde ChristGemeentens

en blijven zal zo lang als waarheidhovendryft,

was hem een borstcieraat, vol gloedt van Bybelstralen,

waarvan de schitterkragt met aangedrevenstem

door yders oog tot op den grond van ’t hart moest dalen”.

Hoe wist hij voorts in zijn prediking

“van ’t echte Bybelmerch de rechte smaak te proeven,

de gouden schakelen van Oudt en Nieuw Verbondt

als één te smeeden, en op yders hart te schroeven,

niet slechts Belydenis te leggen in den mond.

De kragt der zuivere Genade-leer,

een klaar gezigt van Heil- en Hemelweg te geeven,

was al zijn hartelust.”

Ten slotte merkt de dichter op, dat “het Jufferdom”, dat zijn onderricht volgde hem “tot gedenkzuil” zou zijn “in yder huisgezin”. Die Lisser “juffers” zijn nu echt allemaal wel gestorven. Daarom wordt zijn naam met Roomse hand nog eens met respect neergeschreven “tot gedenkzuil in yder huisgezin”.

1960, 500 JAAR KERK IN LISSE; De rommeling. (123)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Deze foto van Mie loo is nog helemaal niet oud en toch lijkt het al zo verschrikkelijk lang geleden. In 1960 werd herdacht, dat de Lisser kerkgemeenschap 500 jaar eerder door Paus Pius II werd afgescheiden van Sassenheim. Waarschijnlijk was de actie wel ge­bundeld door Dirc van Oosterwyk, een voornaam priester te Leiden en oom en voogd van de nog jeugdige Vrouwe van Dever, Clara van Haeften. Hij werd later ook de eerste pastoor. Aldus kreeg Lisse een eigen kerk en dit werd in november 1960 in de Sint Agatha feestelijk herdacht. Bij die gelegenheid verscheen ook het boek­je “De Aagtenkerk van Lisse”. De bisschop van Rotterdam, de thans hoogbejaarde Mgr. Jansen, wil, omgeven door priesters gekleed in tuniek en dalmatiek, juist de predicatie beginnen. Links staat, met de koorkap om, pastoor Schnei-ders. Pastoor Bottelier van de kerk in De Engel onderzoekt intussen even of de mi­crofoon wel goed werkt. Ik heb deze pries­ter tijdens zijn kapelaantijd goed gekend en bewaar aan hem nog steeds de meest waardevolle herinneringen.

DE ZONNEWIJZER; De rommeling. (21)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Aan de zuidzijde van de dorpstoren zit een oude en interessante zonnewijzer. Als de zon schijnt kan men zo de uren lezen; de “natuurlijke” uren, zonder zomer- of andere afwijkende tijd. Onder de wijzer staat in een cirkel “C. Keynenbreugel Fecit 1728”. Dit is iets bevreemdend. In die tijd hadden de kerktorens meestal reeds uur-

werken; de schildering van zo’n grote zonnewijzer ligt vroeger. En nostalgische ge­voelens naar een oude zonnewijzer zoals we dat nu zouden kennen bestond toen niet. Oorspronkelijk stond hier ook 1629 en de naam “Kleinenbreugel” en die zou de zonnewijzer hebben gemaakt. Nu klopt dat ook niet helemaal, want blijkens de kerkrekeningen was de ijverige koster Klei­nenbreugel gestorven in het jaar 1747 Waarschijnlijk heeft hij de figuren overgeverfd en toen zijn naam in de cirkel gezet. We gaan weer verder kijken. Nu staat er bovenaan “Anno 1823 A. Guldemond. Dat moet natuurlijk zijn. A. Guldermond, toen ter tijd huisschilder te Lisse die de schildering opnieuw heeft hersteld. Dan zag men nog n de rechthoek onder de cijfers “G.S. 1864”, dat waren de initialen van schilder Gijsbert Slegtkamp die niet ver van de toren begraven ligt. Binnen de krul links beneden stond “G.M 1899”, Gerrit Marseille. Op het lint stond weerszijde van de cirkel “A.W. v.d. M. en “1894”. Dat was A.W. van der Meer uit de Kanaalstraat, die ook al met de verfkwast bezig is geweest. Al die initialen zijn bij de laatste restauratie verdwenen. Erg sneu voor de schilders. Ze hebben zo erg hun best gedaan en toch maar zo beschei­den hun initialen geplaatst. Zoals zo vaak wordt bescheidenheid niet beloond.

De geheimzinnige kist (2)

Nog foto’s toevoegen

Nee, het is geen doos van Pandora of de kist van Hugo de Groot. Het afsluitmechaniek is een mooi stukje vakmanschap. Maar de kist van Johan van Stijn geeft niet al zijn geheimen prijs.

Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad 22 nummer 3  2023

Vorige keer werd verteld over de fraaie kist met de indrukwekkende sleutel. Konden er wat raadsels over de kist worden opgelost?

Hoe ziet de kist eruit?
Het is een heel robuuste smeedijzeren kist, met breed bandijzer dat met klinknagels, in een soort bloemmotief, aan de kist is bevestigd. Je kunt nog zien dat de kist zelf donkergroen geverfd is geweest. De afmeting is: lengte 74 cm x diepte 44 cm x hoogte 45 cm. Aan de zijkanten zitten grote hengsels. Met twee personen heb je vast nog een fikse til aan de kist. Aan de voorkant is een fraai slot te zien, althans dat denk je, maar daar word je volkomen misleid want dat is een nep-sleutelgat met een nep-sleutelplaat van fraai gedreven ijzerwerk. Het echte sleutelgat zit op het deksel. Dat gat is verborgen onder het smeedwerk van een klinknagel dat weggedraaid kan worden. Er zitten twee grote overslagbeugels aan de voorkant. Helaas is er daar een van beschadigd. Aan de binnenkant van de deksel vallen meteen de twee fraaie, opengewerkte en gespiegeld geplaatste dekplaten op. Je herkent er een soort fabeldierfiguren in, waaronder
een papagaai en een Jeroen Bosch-achtig staartbeest. In het midden een achtkantige bezettingsbus met een mechaniek dat, door het draaien van die mooie sleutel, zorgt dat de schoten naar buiten komen. Het is een samengesteld slot met elf schoten. Vier voor, vier voor de hoeken en aan achter- en zijkanten een. De sleutel kan in de bus rondgedraaid worden doordat de kepen in de baard van de sleutel exact overeenkomen met de metalen bezettingsplaatjes in de bus. De sleutelbaard van deze kist is buitengewoon complex en telt liefst zes lagen. De schoten vallen onder de uitstekende binnenrand van de kist. Aan de linker binnenkant is nog een opbergvak dat geopend wordt met een tweede, ook fraaie sleutel. Ook hiervan is het slot weer kunstig weggewerkt.

1960
Van Stijn vertelde dat hij de kist ongeveer in 1960 had gekregen. Dat was een aanknopingspunt om verder te zoeken. In 1960 blijkt het feest te zijn geweest in de Agathakerk. De kerk van Lisse bestond toen namelijk 500 jaar als zelfstandige parochie. Daarvoor hoorde de kapel van Lisse bij de parochie van Sassenheim. Om de viering luister bij te zetten was er een historische tentoonstelling in het Patronaatsgebouw aan de Bondstraat. We mochten enkele stukken uit het archief van de Agatha parochie inzien en daar vonden we een bewijs. Bij de bewaarde kaartjes die stonden bij de voorwerpen op de tentoonstelling was een kaartje met de tekst: “ijzeren kist 2e hands gekocht in 1840 zie blz. 124”. Die verwijzing sloeg op het jubileumboek ‘’De Aagtenkerk van Lisse’’, dat de heer Hulkenberg schreef ter gelegenheid van het jubileum.

A.M. Hulkenberg (1915-2003)
Deze befaamde amateurhistoricus van onze regio, waarover wel een heel Nieuwsblad te vullen zou zijn, begon zijn carrière als onderzoeker en schrijver eigenlijk na de vraag van het parochiebestuur om een boek te schrijven over het 500-jarige bestaan van de parochie. Hulkenberg dook in diverse archieven, worstelde stapels documenten door en werd steeds beter in het lezen van oud schrift. Die publicatie over de Aagtenkerk uit 1960 werd een
enorm succes en was de opmaat voor een hele reeks boeken en tijdschriftpublicaties van zijn hand. Daarnaast was hij een zeer aimabel mens. Johan van Stijn vertelt dat hij door de heer Hulkenberg, galant zijn hoed afzettend, altijd begroet werd met een: ‘’meneer van Stijn, u bent een belangrijk persoon’’, waarna de hoed met een elegant gebaar weer opgezet werd.

Kerkrekening 1559
In het herdenkingsboek staat op twee plaatsen iets over een kist. Dat gaat over kerkrekeningen. Hulkenberg noemt enkele van deze rekeningen uit de 16e eeuw van voor de reformatie. De Grote Kerk is dan nog de enige kerk in Lisse. Enkele voorbeelden van die oude kerkrekeningen uit 1559:
-Kosten die sanghers en clercken na ouder gewoonte alle jaers op kerstnacht nae den dienst verteren -Van kerkmeesters haer portie… ende noch een kanne wyns -Kosten en inkomsten voor het verhuyren van land Die oude rekeningen werden gecontroleerd door Niclaes van Mathenesse, Heer van Dever. Een soort kascontrole dus. Hij noteert bij de uitgaven van werklieden die reparaties aan de kerk uitvoerden: Het sal profitelicker ende oirberlicker wesen voor dye kercke, tymmerage, reparasye, hoe tsellefde soude mogen wesen, te besteden op dye werckludens hoor eygen montcosten, also dye kerck geen cost wyl geven. Blijkbaar was de kerk toen een poot uitgetrokken en moesten de verteringen voortaan zelf betaald worden. En dan staat er over de rekeningen: En nu sluiten wij de rekeningen haastiglijk in de goeden stercken nueuwen kiste om de bryeven ende ander secreten van de kercke daer inne te besluyten ende te beaweren. Die kist is dan net aangeschaft voor 6 pont en 10 sc (munteenheid pond en schelling). Het zal een verantwoorde investering zijn geweest om de waardepapieren van de kerk veilig te stellen.

Gevolgen van de reformatie
Maar dan komt de reformatie. In Lisse verloopt de splitsing van de leer vrij rustig. Aanvankelijk kerken de aanhangers van de nieuwe leer zelfs in de Oude Pastorie, niet in de dorpskerk dus. Dat was voor de verwoesting van de kerk in 1574. Na het herstel van de kerk kwam het gebruik aan de volgers van de nieuwe traditie. De volgers van de oude traditie moesten uitwijken naar een schuil(schuur) kerk. Die moet er in 1672 al zijn geweest aan het Mallegat (aan de Achterweg, voorbij de Catharijnelaan). Rond 1700 werd aan de Lisser kant van de Mallegatsloot, een meer dan gewoon fraaije pastoorswoning gebouwd. Rond 1710 komt er een nieuwe schuilkerk en wordt de oude schuilkerk afgebroken. De nieuwe kerk werd aan die meer dan gewoon fraaie pastorie vast gebouwd. De kerkrekening van 1559 werd hiervoor al genoemd. Dan is er een gat in de financiële verantwoording. In 1798 volgt weer een oud archiefstuk over de financiën: Arm en kerkboek wegens Den Uytgaaff en ontvangst In der Gemeente Lisse waarna in de archiefstukken de uitgaven en inkomsten weer keurig te volgen zijn.

Franse tijd
Intussen is het nog steeds zo dat de protestanten kerken in de dorpskerk en de rooms-katholieken weliswaar een kerk hebben, maar die ligt wel heel ver van het dorp af. Maar sinds 1798 is er een staatsregeling om Alle Kerk-Gebouwen en Pastorij-Huijsen der voormaals Heerschende Kerk door het plaatselijk bewind, natuurlijk onder allerlei voorwaarden, te laten toewijzen aan de gezindte met de meeste leden. Dat zou voor Lisse betekenen dat de Grote Kerk aan de roomsen kon worden toegewezen. Daar kwam natuurlijk hevige discussie over en zelfs in 1809 is men het nog niet eens. De Assessor van de Koning, van Lodewijk Napoleon dus, komt met een compromis zodat de katholieken een nieuwe kerk kunnen bouwen in het dorp. Dat heeft nog heel wat voeten in de aarde en die nieuwe kerk komt er pas in 1842. Dat had mogelijk te maken met het zwak functioneren van de pastoor die sinds 1816 verantwoordelijk was voor de Lisser parochie. Al die tijd gaan de roomsen de lange weg vanuit het dorp naar de kerk aan de Achterweg. Pal naast de parochiale gebouwen daar ligt boerderij Bloemhof.

Kerkrekening
In 1840 overleed de oude pastoor en kon zijn opvolger, pastoor Van der Hoven, “puin gaan ruimen”. De administratie is een totale wanorde. In het Arm- en kerkboek vanaf 1799 staat wel van alles, maar de oude pastoor had allerlei zaken door elkaar geboekt. Men vindt nog een zak met 1400 gulden, maar verder lijkt er geen touw aan vast te knopen. Reden om de armenzorg administratief los te koppelen van de overige kerkelijke rekeningen en in 1840 volgt er weer een kerkrekening. Met diverse vermelde reparatiekosten en aankopen. Op blz. 124 uit het boekje van Hulkenberg staat dan inderdaad onze geheimzinnige kist vermeld als een aankoop: voor f.40 is een ijzeren kist gekocht die herinneringen oproept aan de goeden stercken nyeuwen kiste van 1559. Daaruit mag je aannemen dat die kist uit 1559 er dan niet meer is. Verdwenen bij de troebelen rond de vernieling van de kerk in 1574? Of later pas? Had het te maken met het feit dat er in 1840, bij het verscheiden van de pastoor, zo’n administratieve puinhoop werd aangetroffen? We zullen het wel nooit weten. De nieuwe pastoor Van der Hoven is zeer actief. Vele malen staat in de kerkrekening van 1840 na den haag voor de kerk f. 5.32. De pastoor wil de toegezegde kerkenbouw in het dorp vlot trekken. Die nieuwe kist kon goed dienst doen.

Bouw
Dat gaat lukken! Een waterstaatsingenieur adviseert gunstig.
Er volgt nog wat geharrewar, nota bene uit eigen
kring van gelovigen die dicht bij de oude kerk woonden.
Die kerk was toch goed genoeg en wie moest dat allemaal
betalen? Pastoor komt met zijn argumenten, de verantwoordelijke
aartspriester doet nog een duit in het zakje
en spreekt van beuzeltaal. Bovendien, en dan moeten we
bedenken in welke tijd dit speelt, waren de tien ondertekenaars
minvermogenden. Daar hoefde je in die tijd
blijkbaar geen rekening mee te houden. Financiële problemen
zijn er echter te over, het is een slechte tijd. Pastoor
schrijft: een felle ramp……doordat zeer velen van mijne
gemeentenaren een aanmerkelijk verlies aan vee ondergaan
hebben. Maar de pastoor is een echte doorbijter. De
aartspriester zei eerder over hem: de pastoor is rigoreus
katholiek. Zijn ijver wordt beloond, op 30 juni 1842 kan
pastoor Van der Hoven zelf de eerste steen voor de kerk
leggen en op 19 juni 1843 wordt de kerk geconsacreerd. Er
zal een verhuizing zijn geweest van de Achterweg naar de
nieuwe kerk en pastorie. De zeventiende-eeuwse kelken,
die na de reformatie van de Grote Kerk naar de schuilkerk
gingen, kregen nu een plaats in de nieuwe kerk. Maar wat
gebeurde er met de kist waar men in 1840 nog zo blij mee
was. Zou die naar Bloemhof verhuisd zijn omdat ze in de
nieuwe omgeving niet meer nodig was? Kwam er met de
nieuwbouw een veilige opbergplaats voor de waardepapieren
en was de kist overbodig?
Bloemhof
Vanaf 1722 is een reeks eigenaren en bewoners bekend van
boerderij Bloemhof. In 1840 woont er Hendrik Meijer. Het
kan dus zijn dat de kist, die in 1840 gekocht is, een paar
jaar later, toen de kerk in het dorp in gebruik genomen
was, verhuisd is naar Hendrik Meijer. Alle volgende bewoners
van Bloemhof zullen dan die geheimzinnige kist in
de kelder gehad hebben. In 1950 wordt de boerderij verkocht
aan P.C.T. Warmerdam. Deze gaat er ook wonen.
Het lijkt aannemelijk dat Warmerdam de kist beschikbaar
heeft gesteld voor de tentoonstelling in 1960.
Neurenbergse kist
De kist zelf levert nog wel iets op. Het blijkt een Neurenbergse
kist te zijn. Neurenberg was een bloeiend centrum
voor de ijzerindustrie, waar dit type kisten werd gemaakt.
Er zullen zeer veel van dergelijke kisten gemaakt zijn.
Neurenberg werd daarom een typenaam voor deze kisten.
Die dateren uit de 16 /17e eeuw en werden gebruikt om
kostbaarheden in te bewaren. In de 19e eeuw ging men
voor deze kisten ook wel de term ‘Armada kist’ gebruiken,
in de veronderstelling dat dit soort kisten gebruikt
werd om het goud in de Spaanse Armada (de gewapende
vloot) te beschermen. De kisten hebben een ingewikkeld
sluitmechanisme. Dat heeft onze kist zeker met zijn 11
schoten. Ook het verborgen sleutelgat hoort bij dit soort
kisten. Eigenlijk horen aan de overslagbeugels ook sloten
te hangen en was het gebruikelijk dat zo’n kist alleen
geopend kon worden met meerdere personen, die gezamenlijk,
ieder met een slot/sleutelcombinatie, zo’n kist
konden openen. En was het deksel open dan kon je zonder
de goede sleutel nog niet bij de inhoud van het kleine
waardenvakje in de kist. Zo garandeerde je dat er geen
fraude werd gepleegd. Er waren veel van dit soort kisten
in omloop, want dit was in die tijd een veilige manier
om waardepapieren en andere kostbaarheden te bewaren.
Kerken gebruikten vrij algemeen dit soort kisten als geldof
archiefkist. Op internet vind je meerdere oude kerken
waar nog zo’n kist aanwezig is. Soms weet men niet eens
wat erin zit en is de sleutel zoek.
Conclusie
Er blijven helaas veel losse eindjes aan het verhaal van de
kist. We moeten aannemen dat dit de kist is die de parochie
aangeschaft heeft in 1840. Je zou zeggen dat de fabeldieren
van de dekplaten die het ingewikkelde slot sieren
een indicatie geven voor een meer precieze datering,
maar helaas, de contacten met en mailtjes naar diverse
personen hebben niks opgeleverd. Misschien ook wel
passend bij zo’n kist dat veel in nevelen blijft gehuld. Wel
kun je concluderen dat het heel gelukkig is dat de heer
Van Stijn deze kist geruild en daarmee gered heeft. Want
het had dus maar een haar gescheeld of hij was verschrot
tot oud ijzer. Voorbeelden van kerkelijk erfgoed dat in
de loop der eeuwen verdwenen is, zijn er genoeg. In zijn
boekje noemt Hulkenberg daarvan wat voorbeelden als
het Petrusklokje en een zilveren Godslamp. Ook in die
gevallen is het waarom van het wegdoen niet te achterhalen,
maar waarschijnlijk waren het indertijd weloverwogen
beslissingen en werd de grote waarde niet gezien. De
beslissing om de kist van de hand te doen was in de jaren
60 volkomen begrijpelijk. Tijden veranderen. Gelukkig
is de kist nog in Lisse bewaard gebleven en moeten we
accepteren dat veel van de geschiedenis rond de kist duister
blijft. Een uitdaging voor wie verder wil speuren

Kist van Van Stijn

Oud Nieuws: Klopjes en kwezels

Uitgelegd wordt wat het verschil is tussen klopjes, kwezels, begijnen em nonnen. Het zijn allemaal vrome vrouwen.

Deen Boogerd

Jaargang 19 nummer 2, 2020

Op de lagere school leerden we een grappig liedje over een kwezelke. “Zeg kwezelke wilde gij dansen…” Ik dacht er altijd een wezeltje bij. Maar dit grappige liedje is een spotlied op vrome vrouwen, kwezels, kloppen, begijnen en nonnen.

zoek eens met deze link: https://youtu.be/VbUtI1yk6RM

Kloppen ook kwezels genoemd, legden geen kloosterlijke geloften af, maar eigen geloften aan een biechtvader. Zij leefden in soberheid, ook als zij vermogend waren. Zij waren lekenzusters dus zonder professie zoals kloosterzusters. Daarom konden de reformanten geen vat op hen krijgen. Zij leefden over het algemeen verspreid op zichzelf of bij familie. Hun eigen vermogen gaven ze ter beschikking aan de schuilkerken. Priesters vonden vaak een onderduikadres bij de klopjes. Ze gaven godsdienstles aan geïnteresseerden, eigenlijk waren zij met de lekenbroeders de behoeders van het katholicisme in de tijd van de reformatie. Door de katholieke geestelijkheid werden zij ‘de bloem van de kerk’ genoemd en werden zij vergeleken met de maagden uit de begintijd van het christendom. Hun opoffering was groot. Soms leefden klopjes ook in hofjesachtige wijkjes, zoals de bekendere begijnenhofjes met hun werkplaatsen. Tijdens de reformatietijd waren ze daar eenvoudig te vinden. Religieuze voorwerpen werden dan bij een inval van de schout in beslag genomen. Tegen de klopjes kon de schout weinig inbrengen omdat zij leken waren.

Na het Twaalfjarig Bestand werd dat anders. Er kwam een verbod voor klopjes om godsdienstles te geven. Later werd de klopjes verboden om met meer dan twee vrouwen onder een dak te wonen. Halverwege de 17e eeuw konden klopjes en kwezelkens weer wat vrijer leven omdat de regels wat minder strak werden gehanteerd.

Begijnen
De benaming ‘begijn’ zou afgeleid zijn van St. Begga. Zij is dan ook de patroonheilige van de begijnen. Ongeveer eind 11e en begin 12e eeuw ontstaan er onder invloed van economische, sociale, politieke en religieuze factoren vrouwengroepen die een andere levensstijl aan willen hangen, misschien wel de eerste vrouwenbeweging in West-Europa. Ze zijn religieus maar horen en bespreken het evangelie liever in hun eigen taal in plaats van in het latijn (volkstaal-
theologie). Een mannelijke variant van de begijnen waren de begarden (ook begaarden of bogaarden genoemd).

 

Zuster of non
‘Zuster’ is voor alle vrouwelijke religieuzen correct katholiek taalgebruik. De benaming ‘non’ heeft een kleinerende en kwetsende ondertoon. De benaming ‘non’ zouden we moeten vermijden. Een monnik wordt aangesproken als broeder ook niet als ‘hoi monnik’. Zo dient een kloosterlinge ook als zuster aangesproken te worden.

Jan Steen “Boerenbruiloft” 1672.
Foto Rijks museum Amsterdam

Pieter Brueghel de Oude ” Boerenbruiloft” 1567.
Foto Kunsthistorisch museum Wenen

Kunsthistorici zoeken tevergeefs naar de bruidegom in deze werken, blijkt uit beschrijvingen van de beide schilderijen. In meerdere zgn. “Boerenbruiloften” kom je dezelfde symboliek tegen, daar willen we wel wat meer over weten. Dus wie meer weet over symbolen, laat het weten. De bruid zit altijd voor een doek of kleed en er is nog meer symboliek. Alle verleidingen van het wereldse leven zijn afgebeeld en de “bruid” zit er bij als een godsdienstig, vroom mediterend meisje. De bruidegom zie je niet in dit overdadige tafereel, die heeft het klopje in haar hart gesloten. Hij klopte en zij heeft hem binnen gelaten, daarom neemt ze afstand van alles wat haar van Hem kan afleiden. Op het groene kleed boven haar hoofd hangt een treem (zeef) om onzuiverheden te ziften uit bijvoorbeeld melk. Boven haar hoofd om onzuivere gedachten tegen te houden naar haar geest. De tarweschoven met de hark zijn symbool van de oogst. Het klopje is die nieuwe oogst. Nu geeft Pieter Brueghel de Oude nog een ingetogen beeld van al deze zaken.

Jan Steen doet er wel wat schunnige schepjes bovenop. De wereldse verleidingen worden bedenkelijk gadegeslagen door het jonge stel links, terwijl het gekroonde devote kwezelke rechts bespot wordt. Ook hier symbolenv an de oogst in de vorm van gevlochten guirlandes en een hangende krans. Zoek de beelden maar op en vergroot ze uit. Help VOL om oude symbolen en hun betekenis te achterhalen. Symbolen zijn belangrijke cultuurhistorische gegevens

 

 

 

 

’t Roemwaard Lisse: De grote kerk (49)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

De tempel Gods, dat heilige gesticht,

(Daar tot Gods eer het goede wordt verricht,

Daar Sions koor1 met toon’ en maatgezangen

Vervuld wordt met een innig zielsverlangen

Der vromen en op d’allerhoogste wijs,

Den God der Goón toebrengen lof en prijs),

Die moet ik nog wat nader gaan beschouwen.

O schone plaats, ja, schoonste der gebouwen,

(Die) Uw hoge tin vertoont tot strand en duin!

’t Vierkant gebouw van uwe toornkruin

Verheven is schier tot de dikke wolken

en toont haar trans van ver aan vele volken.

O hoog gebouw alwaar men steeds vergaard,

Daar Godes woord zeer zuiver wordt verklaard,

Ofschoon de draak uit d’afgrond komt begispen,2

Ofschoon de nijd de waarheid komt berispen,

Het eeuwig woord blijft zekerlijk en vast,

Ofschoon d’afgrondvuurvlamme braakt en bast.3

Zeer ijselijk. Gewisselijk, de altaren

Zal ’s hemels heer voor onheil wel bewaren.

Doch ik ga heen en wil bezien het end . . .

De dorpskerk is waarschijnlijk pas gebouwd na 1461, toen Lisse een ^Ifstandige parochie werd.4 De bakstenen toren is bekleed met turf­den, misschien afkomstig van de oude kapel uit de dertiende eeuw. Het schip van de kerk werd hersteld in 1592. Tussen kerk en koorruimte werd een boven het dak uitstekende topgevel gebouwd, die wat het ondergedeelte betreft ,uitgevoerd werd als vulling van een grote, over de breedte der kerk geslagen boog. Deze boog overspant ook nu nog het ruim van de kerk. In deze topgevel is met groen verglaasde steen over een hoogte van ongeveer 20 lagen het jaartal 1592 aangebracht.5 Bij het herstel van het dak in 1959 is dit jaartal weer zichtbaar geworden. Ook viel het toen op, dat de openingen tussen pannen volgens oud gebruik met koemest waren opgevuld.6 Toen kerk en koor gereed waren werden aan alle zijden zoals te doen gebruikelijk “glazen” (glas-in-lood-ramen) aangeboden. Het fraaiste was waarschijnlijk dat van Jonker Johan van Matenesse, heer van Dever en Lisse. Ook Leiden, Haarlem, Amsterdam, Alkmaar, Rotterdam en ‘s-Gravenhage schonken een glas, alsmede schout Adriaen van Gorcum en Adriaen Van der Laen.8 In 1869 volgde Rijnland. Toen de laatste restanten der glazen omstreeks 1875 werden geruimd, ging dit glas door bemiddeling van Mr. A. J. Enschede naar Haarlem, waar het thans het fraaiste glas is der St. Bavokerk.9 Lisse had iet niet “gezien”. Bovendien bezat de kerk een aantal fraaie en interessante grafzerken. In het schip lag de monumentale wapensteen van Wilhelm Adriaen van der Stel, op Uitermeer op 70-jarige leeftijd )verleden op 6 november 1733, en zijn echtgenote Maria de Hase, verleden l juni 1723, 55 jaar oud. Thans ligt deze zerk op het koor.10 [n het midden van deze in sterk reliëf uitgehakte witmarmeren steen in een tombevormige cartouche geplaatst tegen een achtergrond van door twee engelen opgehouden draperieën. Bovenuit vliegt de Faam, onderaan zijn gezeten de Historie en de Wijsheid. Een arend draagt de ie wapenschilden. Opzij ziet men de Mercuriusstaf als symbool van handelsstand, waartoe Van der Stel behoorde. Beide wapens voeren als hartschildje het wapen van Oud- en Nieuw-Vossemeer, de “heerlijkheid”. (Waarom Van der Stel zich soms ook Heer van Lisse liet noemen, is een raadsel.) Verschillende andere grafstenen staan sinds 1938 opgested tegen de buitenmuur, zoals die van “Gerrardt van der Laen” van Specke, die 16 februari 1635 was overleden, 82 jaar oud. De zerk toont zijn wapen, een keper met een drietal vaten en zijn wapenspreuk: “Fata viam Invenient” (Het noodlot vindt zijn weg). Weer andere grafstenen zijn die van de gerechtsbode Wouter Lenerse van Calckar ( overleden 1598), van schoolmeester Wiard Takesz van der Blom (overleden 1611, van Bouwe van Leeuwen, die woonde in het huis waar later de tte Zwaan werd gevestigd” 11, enz. enz. Een grote zerk met “Heren en Meesters” ligt thans op het r.k. kerkhof. Daaronder waren de pastoors van de Lisser schuurkerk begraven.12 De dorpskerk is tot na de tijd van  Napoleon algemene begraafplaats geweest.

Hnderd jaar geleden wist ook Dominee Craandijk te vertellen, dat de “kerk ” in den Spaansen tijd” werd verwoest. “Geruimen tijd lag zij in puin, terwijl het koor eerst vrij laat werd opgebouwd. Met grote npartijdigheid bedekt het Portland (cement) alle oude en nieuwe bouwstoffen. Het inwendige van de kerk is in 1858 vernieuwd. Naar de behoeften der Protestantse godsdienstoefening is het zeer doelmatig ingericht en alles is uitstekend onderhouden. Van het hoge kerkhof hebben wij een ruim gezicht, aan de ene zijde op de ringvaart van den Haarlemmermeerpolder, waar de schepen zeilen, aan den anderen kant groene weiden en op de donkere bossen van Keukenhof.”

  1. Sion is Jeruzalem, berg, burcht en tempel, (ps. 137-
  2. Fel hekelen
  3. Nijd en afgunst bassen, vgl. bassende honden.
  4. De Aagtenkerk, blz. 18-22.
  5. Ir. De Graaff, Leids Jaarb. 1941, blz. 168 e.v.
  6. Ons Weekblad 14 aug. 1959.
  7. Huis Dever blz. 89 en afb. 27.
  8. Ms. Schoemaker, Rijkspr.kab., A’dam.
  9. Huis Dever blz. 90. )
  10. Leids Jaarb. 1951 blz. 114.
  11. Huis Dever blz. 6. Gemeentearch. nr. 289.
  12. De Aagtenkerk blz. 171/172.

49. “Lisi Rijnlant””, gezicht de kerk uit het zuiden. Pentekening van H. de Leth (Amsterdam 1703 – aldaar 1766) 1730 .10×13,5 cm. Gemeentearchief Leiden,LPV 77686

 

’t Roemwaard Lisse: de grote kerk (47)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Hier naderen we Lisse van het zuiden uit. Naast de dorpskerk staat aan de straatweg de kosterswoning met het aangebouwde schoolhuis.1 De schoolmeester, Jacob van der Jagt, was tevens koster en voorzanger in de kerk. Daarnaast had hij nog verschillende andere taken.2 In de verte de korenmolen van Willem Ingenollandt.3 Geheel rechts stond vroeger de hofstede “Mossenhof”, het buitentje van Jacobus Krighout, van 1747 tot 1767 hoogleraar aan het Remonstrants Seminarium te Amster­dam. Krighout was in 1703 in Rotterdam geboren en stierf op 22 januari 1770 te Lisse. De Remonstrantse religie werd tijdens de Repu­bliek nauwelijks geduld. Dat Jan de Graaff deze professor dan ook “de zuivere waarheid” toeschrijft is wel zeer opmerkelijk. In ieder geval blijkt hij een hoogst verdraagzaam jongmens te zijn. Jan gaat ons ook de tuin beschrijven met zijn beekje, zijn rozen en zijn regelmatige bloem­perken, omgeven door keurig geschoren palm- of buxushegjes.

Ik ga ditmaal een weinig deinsen of,

Ik wou gaarn zien het lustig Mossenhof,

Dat lustprieël, daar ’tgeen men schoon mag noemen

In werd bevat, wel waardig om te roemen,

Daar Flora* als gedurig is gesierd

Met bloemgewas en werd geëerd, gevierd

En opgetooid met duizenden aanlokselen

En doet het oog in haar geroosde vlokselen

Verwarren. En waar het bebloemde land

Omheind is met palm ’twelk als een vaste band

Het insluit, en met wondernette perken

Is afgedekt, wel waardig op te merken.

De wandelpadn in ’t midden van ’t geboomt’

Zijn wonderfraai, terwijl een beekje stroomt,

Dat als kristal vertoont in zuivere klaarheid.

En ’t huis dat van de deugd en zuivere waarheid

Bewoond werd, is een siersel van ons dal

En is gevuld met boeken zonder tal,

Daar Pallas5, als gezeten op haar zetel

Der wijsheid, nooit hoogmoedig noch vermetel,

Maar rein en kuis, en doet d’ontaarde Hen

Den rechten aard van ’t deugdelijk leven zien.

De “duizenden aanlokselen” waarover Jan de Graaff spreekt, hadden op de echtgenote van schout Sennepart hun uitwerking niet gemist. Zo trok hij van het oude Dever naar het “lustig Mossenhof”, maar raakte daardoor algeheel in deconfiture. Hoe hij uiteindelijk, geheel alleen, zijn laatste levensdagen in Winterswijk moest slijten, kan men elders lezen.6 Uiteindelijk werd Mossenhof gesloopt en de tuinen veranderden in wei­ en teelland. Op 29 april 1800 werd hier door Jan van Soelen, “Direc­teur van Flora”, een “groene veiling” gehouden, waarbij “de Heren A.C. en H. van Eden te Haarlem een aanzienlijke partij bloembollen” ver­kochten, “welke alle zeer sterk in gewas staan.”7 Tenslotte kwam hier in 1842 de nieuwe rooms-katholieke kerk, de trots (en de zorg!) van pastoor van der Hoven.8

Vroeger zaten alle kinderen bijeen in één schoollokaal, en dat is dan ook “de grote zaal, die … de wijsheid voedt.” Dikwijls was de koster/ schoolmeester behalve voorzanger tevens gaarder der belastingen. Mogelijk is het ook een ander persoon. Deze betalingen vonden plaats “in ’s lands komptoir (kantoor)”, bij de kerk, vaak de consistoriekamer, waar ook de boeken en papieren van de “heerlijkheid” bewaard plach­ten te worden.9

Grote zaal, die binnen uwen drempel

De wijsheid voedt en die bebuurd is aan Gods Tempel

En ’s lands comptoir, alwaar ons burgerstand

Haar schatting brengt, ten nut van het land

Op hoog bevel van onze overheden.

De gaarder, die met zorg en vroomheid mede

Zijn plicht waarneemt en dient het Vaderland

Met grote vlijt, wiens vlugge en snelle hand

Den veder drijft alsof hij van de winden

Gedreven wierd, die gaat zich nauw verbinden

Aan Godes huis, om God met psalmgezang

Te dienen staag. De Heer geev’, dat wij lang

In Zijnen naam in ’t heiligdom vergaren

In reinigheid, zo zal Hij ons bewaren.

Onder het prentje ziet men het wapen van Dever: in goud een halve klimmende leeuw van keel (rood), getongd en genageld van azuur (blauw), het wapen waarmede de schout altijd zegelde, omdat de Heer van Dever tevens Heer van Lisse was. Bij het vaststellen van het wapen van Lisse op 24 juli 1816 werden de verwen (kleuren) echter – zoals vaak gebeurde – veranderd in die van het rijkswapen: “van goud beladen met een halve klimmende leeuw van lazuur”.

1    De Aagtenkerk blz. 116. Ansichten blz. 60 en 61.

2    Huis Dever blz. 221.

3   Ansichten blz. 53, 54 en 56.

4   Godin der bloemen.

5    Pallas Athena, godin van de wetenschap en de kunst.

6   Huis Dever blz. 232.

7    ARA, Recht.arch. Lisse nr. 108, 1ste ged. De naam Van Zoelen is lange tijd aan deze plaats verbonden gebleven. (Ansichten blz. 9 en 35).

8    De Aagtenkerk blz. 125. Ansichten blz. 58.

9    Huis Dever blz. 202. Ansichten blz. 8.

47. “’t Dorp Lisse”, kopergravure (7,5×10 cm) van Anna Brouwer, waarschijnlijk een dochter van Cornelis Brouwer, graveur te Amsterdam. Onder het wapen van Dever. Uit R. Bakker, De Nederlandsche stap- en dorpabeschrijver, VII, 1799.