Berichten

Vondsten in de Ned. Hervormde kerk te Lis’: Het graf der eerste vijf pastoors van Lisse na de Hervorming.

In 1938 zijn bij een restauratie van de Grote kerk een grafzerk en een een vierkant stuk zandsteen waarop een kelk met erboven een hostie staat afgebeeld gevonden. Deze zijn geschonken aan de Agathakerk. Bovenstaande staat in een artikel uit 1938 in de Maasbode.

Nu ligt deze grafsteen nog steeds op de begraafplaats van de Agathakerk op het linker gedeelte helemaal vooraan tegen het Franciscushuis aan. Het stuk zandsteen in gemetseld in een pilaar van de Agathakerk. Van achten in de tweede pilaar rechts.( Zie tekening onderaan). Ook in het boekje “De Aagtenkerk van Lisse”  uit 1960,  geschreven door de heer Hulkenberg staat hierover op pagina 171,  172 en 173 informatie.

Het graf der eerste vijf pastoors van Lisse na de Hervorming.

De Maasbode van 8 december 1938.

B IJ de werkzaamheden, welke in de laatste weken in de Ned. Hervormde Kerk, vermoedelijk de oude H. Agathakapel, aan het Vierkant te Lisse werden verricht, zijn eenige vondsen gedaan, welke vooral voor de katholieken van Lisse van waarde en beteekenis zijn. Gevonden zijn een grafsteen met de namen van de eerste vijf pastoors, die na de Hervorming te Lisse Lisse hebben gestaan en een steenfragment van zeer ouden datum, waarop een kelk met erboven een hostie, staan afgebeeld. De ongezochte aanleiding tot deze vondsten was het feit, dat de gasverwarming in de oude kerk niet langer voldeed. Kerkvoogden besloten derhalve tot den aanleg van een heet-water-verwarming over te gaan en tevens het kerkje van binnen een goede beurt te geven. Daar men voor het leggen der waterbuizen onder den houten vloer moest zijn, zou men tevens van de gelegenheid gebruik maken om de banken, welke scheef gezakt waren, weer in het gelid te krijgen. Men begon hiermee in het achtergedeelte van de kerk, voor den toren. In dit achtergedeelte, dat waarschijnlijk wel meer dan een eeuw ongemoeid is gelaten, sinds er de laatste dooden begraven zijn, waren meerdere graven ingestort en bleken de halfsteensmuurtjes der grafkelders erg zwak. Er zat uiteraard niets anders op, dan de oude begraafplaats te schudden; de houtresten der kisten en de overblijfselen van gebeente werden uit de graven verzameld om ze buiten de kerk weer te begraven en de ontstane ruimte werd met zand opgevuld. Ook de grafkelders werden onder handen genomen; de zerken werden gelicht, de resten der kisten verwijderd en zand gestort in de oude graven. Gebeente werden niet meer in de oude kelders aangetroffen. De zerken, welke na verloop van tijd in den doorgang van den ouden toren waarschijnlijk een plaats zullen vinden, hebben eertijds de graven gedekt van notabelen uit het Lisse van eind 16de, begin 17de eeuw. Zoo lag onder een fraaie zerk Wouter Lenaarts van Calckar, gerechtsbode van het ambacht Lisse, die in 1598 stierf en van diens vrouw, gestorven in 1602. Voorts van den schoolmeester Wiard Takesz. van der Blom en zijn vrouw, gestorven beiden in 1611. Dan van Adryaen Cornelisz. Corsteman en zijn vrouw, gestorven resp. in 1588 en 1614 en van diens broer, Claes Cornelisz. Corsteman, gestorven in 1616. Deze familie behoorde tot de welgeborenen van Rijnland. De zerk van den laatste is zeer mooi. In Gotische letters staat op den rand: „Hier legt begraven claes cornelis Corsteman starf anno 1616″. De rest van den rand is onbehandelt. In het midden is een mooi gehakt en heraldisch ook juist uitgevoerd wapen te zien, dat een burchtoren vertoont in het schild en als helmteeken een uitkomenden leeuw heeft. Mogelijk staat dit wapen in verband met het feit, dat de huizing van zijn vrouw’s familie een hofstede was, genaamd „De Burg”, gelegen ten Oosten van het Vierkant, het oude dorpsplein, of een plaats welke nog zeker is vast te stellen. Vondst, die groote belangstelling wekte.

Pastores van de schuilkerk

De zerk, welke echter meer belangstelling opwekte vooral bij de katholieken, was een zware steen met het volgende opschrift: Grafstede van de volgende Heeren en Meesters. Joannes van de Werste Obiit XIII July MDCXCVII (1697) Lambertus Schaap Obiit X April MDCCVIII (1708) Arnoldus de Leeuw Obiit 17 July MDCCXLVII (1747) Franciscus van den Heuvel Obiit 23 Octobris MDCCLX (1760) Cornelius van der Valk Obiit 1 Octobris MDCCXCVIII (1798). Naar het opschrift te oordeelen meende men te doen te hebben met een gezamenlijk graf van Lisser schoolmeesters. Groot was dan ook de verbazing van de omstanders, toen men bij het verzamelen van de overblijfselen van de kistenresten stukken gewaden aantrof welke kennelijk kerkelijke paramenten waren geweest. Een nader onderzoek maakte duidelijk, dat de namen op de zerk eens gedragen waren door de pastoors, welke vanaf 1687, toen de Lisr St. Agatha-parochie weer zelfstandig werd, de katholieken van Lisse als herder hebben geleid. Dat deze pastoors in een kerk der hervormden begraven werden, behoeft geen verwondering te wekken, daar er toentertijd wel geen ander kerkhof geweest zal zijn dan het eeuwenoude in en bij de kerk. Ook het sierlijke in groote krulletters gebeitelde opschrift, dat zooveel verwarring stichtte, is te verklaren; het is een vertaling van het oude Domini et Magistri, heeren en meesters. Heer was de middeleeuwsche titel voor elken geestelijke en Meester was gebruikelijk voor hen, die aan een universiteit dien graad had behaald. Met Heeren en meesters werd dan de geestelijkheid bedoeld. Van gebeente werd niets meer aangetroffen; van de paramenten werden resten gevonden, welke moeilijk waren thuis te brengen. Het oorspronkelijke paars was in een donker bruinzwart overgegaan en de garneering, randen, kruisjes, franje, was groen geworden. Deze resten waren waarschijnlijk afkomstig uit de twee laatste kisten. Men mag veronderstellen, dat zij tot twee stellen gewaden behoord hebben, daar twee uiteinden van stool of manipel niet op elkaar pasten. Daarenboven vond men twee bonnetten, welke beide bovenop vier kammen hadden. Een was nog nagenoeg geheel gaaf, met de pluim er nog op. Deze laatste was echter roodbruin geworden evenals de voering. De dikke stof, waarvan de bonnetten gemaakt waren — men meent geslagen vilt — had nu een donker-bruine kleur. De tweede bonnet was gelijk aan de eerste, alleen zaten er veel gaatjes in en lag de pluim er naast. Na de vijf genoemde pastoors hebben, aldus de Bijdragen voor de geschiedenis van het Bisdom Haarlem (I 1873) er nog drie de parochie van St. Agatha bestuurd, voor men te Lisse onder pastoor van der Hoven een kerk en kerkhof, respectievelijk in 1842 en 1843, kreeg in de onmiddellijke nabijheid van het dorp aan den straatweg. Deze herders zijn: Petrus Snarenburg, t 1 Jan. 1805, Joannes Christophorus Freede t 14 Juni 1816 en Petrus van Halen, t 13 Juni 1840. Geen dezer ligt in de oude kerk begraven. Het gerucht, dat elders nog resten van paramenten gevonden waren, bleek onjuist, en bovendien bleek de aangeduide zerk, na te zijn vrijgemaakt, het familiegraf te bedekken van de Haarlemsche regentenfamilie Van der Laen, die op huize Ter Spekke te Lisse heeft gewoond, Gerrardt van der Laen stierf 82 jaar oud in 1635. De buitenplaats werd reeds in de eerste helft der 18e eeuw gesloopt, maar de naam is overgegaan op een oude boerderij in de onmiddellijke nabijheid van de oude plaats Volgens bidprentjes, welke men op de pastorie te Lisse had, is pastoor Snarenberg begraven in de Pieterskerk te Leiden; en pastoor van Halen op het R.K. kerkhof „aldaar”, dus op het kerkhof aan den Achterweg, buiten het dorp, waar tot 1842 ook het schuulkerkje stond. Omtrent de plaats, waar pastoor Freede zijn laatste rustplaats vond, vermeldt het prentje niet. mogelijk echter is ook hij op het kerkhof aan den Achterweg begraven. De zerk der eerste vijf Lisr pastoors na de hervorming is door de kerkvoogden aan den huidigen pastoor afgestaan. Een waardige plaats voor dit steenen document der kerkgeschiedenis van het dorp zal worden uitgekozen.

Steenfragment uit vroeger, eeuwen.

Behalve genoemde zerk hebben kerkvoogeden aan den pastoor nog een ander steenen document uit vroeger eeuwen afgestaan: een vierkant stuk zandsteen waarop een kelk met erboven een hostie staat afgebeeld. Dit stuk steen werd gevonden bij het uitscheppen van zand in het voormalige koor, wat noodig was voor het leggen van den nieuwen vloer. Het stuk steen is plm. 28 1 £ c.m. breed en lang, en ongeveer een decimeter dik. De omtrekken van kelk en hostie, alsmede het kruisje op de laatste zijn zeer duidelijk in het niet harde materiaal gebeiteld opgesneden. Kennelijk is dit stuk steen uit den tijd van de Hervorming, en daar de kelk Gotische vormen vertoont, is het fragment van zeer ouden datum. Hoe oud het echter wezen kan, is een moeilijke vraag. Wel werd in 1461 de kapel, welke reeds te Lisse stond, tot parochiekerk verheven, maar volgens een document uit Rome was die kapel reeds gesticht door Roomsch koning Willem, dus in de 13de eeuw. Hoe oud het steenfragment nu wel is, weet men voorloopig niet. Bovendien is nog geenszins duidelijk, waar de steen voor gediend heeft. Was het een stuk van een steenen doodkist, waarin een priester begraven werd; was het een merkteeken, dat in de nabijheid een priestergraf verborgen was; was het een misschien wel wat primitieve versiering van een wandtabernakel? Vragen, die nog niet te beantwoorden zijn. Dat dit voor de katholieken van Lisse belangwekkend getuigenis van het geloof hunner voorvaderen, in de tegenwoordige grootsche kerk een eereplaats zal krijgen, mag verwacht worden.

 

Bij het metselen van den schoorsteen, welke onder de kap in ijzeren binten naar boven loopt en als een torentje zonder spits boven het dak der kerk uitkomt, is tevens de aandacht gevallen op een oud vergeten muurtje, dat in groen-geglazuurde steentjes een jaartal draagt. Bij nadere inspectie bleek dit te zijn 1592. Toen dus werd deze kerk, welke met de meeste andere godshuizen in de omgeving in de woelige dagen van den strijd om Haarlem en Leiden verwoest is —. alleen die van Voorhout en Noordwijk bleven gespaard — weer gedeeltelijk opgebouwd. Later heeft men een uiterst leelijk portaaltje aan de Noordzijde van het koor weggebroken en den eveneens in dit Gotische koor geheel niet passende ingang gemaakt, welke tot op heden in gebruik is. In dit portaal vindt men den f raaien met beelden versierden grafzerk van Willem Adriaen van der Stel, gouverneur van de Kaapkolonie, gestorven in 1725. Te Lisse woonde hij op „Uytermeer”. een later gesloopt buiten aan den rand van den Lisrpoel. Onder deze zerk ligt geen graf; dit bevindt zich in de kerk en hierop heeft ook eertijds de steen gelegen. Toen men echter ook het koor voor banken ging benutten is de mooie zerk in het portaal te pronk gelegd. De grafkelder echter is bij de werkzaamheden der laatst weken opgevuld met zand, nadat het wrakke gewelf was ingeslagen.

Plattegrond Agathakerk. Bij het kruisje is de zandsteen gemetseld in een pilaar. info Co

 

Delpher, een goudmijn

Sporen van vroeger   (LisserNieuws)                                              

7 september 2021

 door Nico Groen

De Koninklijke Bibliotheek (KB) is de nationale bibliotheek van Nederland, gevestigd in Den Haag. Zij verzamelt alles wat in en over Nederland verschijnt, van middeleeuwse literatuur tot aan publicaties van vandaag. Zo’n zeven miljoen publicaties, boeken, kranten en tijdschriften zijn in de magazijnen opgeslagen. Daarnaast biedt de KB ook veel digitale diensten, zoals de landelijke online Bibliotheek onder de naam Delpher.

De naam Delpher is ontleend aan het woord ‘delven’ dat spitten, (op) graven, winnen betekent en is een knipoog naar Delphi, het beroemde orakel. Delpher biedt de originele teksten aan uit de meer dan ruim 1,7 miljoen kranten verschenen tussen 1618 en 1995. Niet alleen legale bladen, maar ook gesten­cilde illegale blaadjes uit de oorlog, zoals de Oranjekoerier uit Lisse, Het Parool, Trouw, De Waarheid en De Vrije Pers. Ook zijn niet vergeten de kranten door de NSB uitgegeven, zoals Het Nationale Dagblad en Zwart Front. Verder elf miljoen tijdschriftpagina’s en meer dan 900.000 boeken van de 15de tot de 21ste eeuw. In totaal vindt u in Delpher meer dan 120 mil­joen pagina’s. Dit aanbod zal de komende jaren alleen maar groeien. Deze immense klus is nog steeds gaande. Het zal nog jaren duren voordat alles online staat. Delpher is sinds 20 no­vember 2013 beschikbaar via de link Delpher.nl. Daar kunt u de gedigitaliseerde pagina’s woord voor woord doorzoeken.

Vondsten in de  grote kerk in 1938

Als alleen het woord ‘lisse’ wordt ingevoerd staan er ruim 100.000 Nederlandse artikelen en bijna 50.000 advertenties vermeld, bijvoorbeeld ook de rivier De Lisse in Frankrijk. Men zal dus op meer trefwoorden moeten zoeken. Zoals bijvoorbeeld ‘Lisse AND Agathaparochie’.

Dan vind je o.a. een zeer uitgebreid artikel uit de Maasbode van 8 december 1938 over het herstel van de vloeren in de grote Kerk Lisse met de titel ‘Vondsten in de Ned. Hervormde kerk te Lisse’. Waarin onder andere staat: “Bij de werkzaamheden, welke in de laatste weken in de Ned. Hervormde Kerk, vermoedelijk de oude H. Agathakapel, aan het Vierkant te Lisse, werden verricht, zijn eenige vondsten gedaan, welke vooral voor de katholieken van Lisse van waarde en beteekenis zijn. Gevonden is een grafsteen met de namen van de eerste vijf pastoors, die na de Hervorming te Lisse hebben gestaan …. De zerk der eerste vijf Lisser pastoors na de hervorming is door de kerkvoogden aan den huidigen pastoor afgestaan. Een waardige plaats voor dit steenen document der kerkgeschiedenis van het dorp zal worden uitgekozen”. Nu ligt deze steen nog steeds op de begraafplaats van de Agathakerk op het linker gedeelte helemaal vooraan tegen het Franciscushuis aan.

Open monumentendag 11 september

Op 11 september zijn een  aantal gebouwen geopend voor bezoek. Kijk voor de aardigheid voor of na uw bezoek eens op Delpher om wat meer te lezen in krantenartikelen, die mogelijk zijn verschenen  over het betreffende gebouw. De folder over de Open Monumentendag is verkrijgbaar bij de VVV of op de dag zelf bij een van de 17 deelnemers. Het thema dit jaar is ‘Mijn monument is jouw monument’.

Foto: De folder van de Open Monumentendag op 11 september is verkrijgbaar bij de VVV.

Foto: De folder van de Open Monumentendag op 11 september is verkrijgbaar bij de VVV.

 

Klopjes van Lisse

Sporen van vroeger   (LisserNieuws)                                              

24 juni 2021

door Nico Groen

Klopjes waren katholieke vrouwelijke geestelijken, die de gelofte van kuisheid hadden afgelegd. Zij leefden niet binnen een klooster, maar thuis of met enkele vrouwen samen in één huis. Zij werkten veel in de zorg of gaven les op school. De oudere generatie kan de lesgevende klopjes nog hebben gekend of ervan hebben gehoord.

In het Nieuwsblad van de VOL in de 2e uitgave van  2020 staat een verhaal van Dirk Floorijp over deze klopjes. Een groot deel van deze Sporen van vroeger is ontleend aan dit artikel. Het kloppenleven ontstond na 1581 toen de gereformeerden een algeheel verbod op kloosterorden invoerden. De katholieke religie mocht wel beleden worden, als het maar niet gezien werd.

Schuilkerken

Daarom kwamen er schuilkerken, die verstopt werden achter muren of bosschages en binnen gebouwen. Het was typisch iets Nederlands. Ook in Lisse waren er schuilkerken. Zoals ten noorden van het Mallegat, ten westen van de Achterweg bij de Engel. Aan de overkant van het Mallegat heeft een boerderij gestaan met de naam Kloppenhoeve. Van de schuilkerk  is niets meer te zien dan alleen de grafsteen van de pastoors die er hebben gediend. Deze steen is geschonken in 1938 aan de Agathakerk. Sinds die tijd ligt hij op de begraafplaats van de Agathakerk op het linker gedeelte helemaal vooraan tegen het Franciscushuis aan. De steen is in slechte staat en zou eigenlijk gerestaureerd moeten worden.

Klopjes hoog in aanzien

Ook in Lisse heeft Floorijp een viertal klopjes ontdekt. In 1765 woonde Antje Cornelisdochter Ruijgrok van der Werve met Antje Maartensdochter van de Velde samen op de buitenplaats Wassergeest. In een testament laten ze aan elkaar hun bezit na. Ook Lena van Oerle, dochter van de wagenmaker Pieter van Oerle, in 1767 thuiswonend, was een klopje. In een oude akte lezen we dat in 1813 pastoor Johannes Christophorus Freede van de schuilkerk op zijn ziekbed zijn testament opmaakt. Op één legaat na laat hij alles achter aan zijn geestelijk dochter (klopje) Lijbje Hendrikse Karstens wonende te Lisse.

Na het uitkomen van het Nieuwsblad met het verhaal van Florijp reageerde iemand van de Agathakerk. Deze meldde dat  er ook een klopje, genaamd Anna Clemensdr Swanenburg heeft bestaan.

Tot nu toe zijn er dus al vijf klopjes achterhaald, maar wie weet komen er nog meer over de brug. De Kloppenbrug op de Achterweg over het Mallegat herinnert ons nog aan deze klopjes. De VOL wilde daarom graag dat de brug Klopjesbrug zou gaan heten, maar de gemeente Lisse heeft anders beslist.

 

‘t Huys Dever had ook een kerk, de kapelzaal herinnert daar nog aan. Achter de grote kastdeuren heeft ooit een albasten altaar gestaan. Ook in het oude Meerenburgh was zo’n kapelzaal. Dit zouden ook schuilkerken zijn geweest.

Foto: De schuilkerk bij het Mallegat, herbouwd in 1710
Foto: Oud Lisse

Stichting van de parochie van Lys in 1460

Sporen van vroeger  (LisserNieuws)                                                  

 14 juli 2020

door Nico Groen

Rond het jaar 1460 besloten de schout, inwoners en ingezetenen van het plaatsje Lys een door een notaris opgestelde brief te zenden naar Rome. Daarin werd het verzoek aan de Paus gedaan om toestemming te geven voor het stichten van een eigen parochie in het schoutambt Lys.

 

Daarmee verzochten zij zich los te mogen maken van de parochie van Sassem. De inwoners van Lys hoorden namelijk bij die parochie. De Paus stond daar welwillend tegenover en gaf zijn toestemming. Op 8 november 1460 verliet een brief met deze toestemming Rome. Deze .werd een aantal maanden later, op 9 april 1461, bezorgd bij het aartsdiaconaat van de Sint Pieterskerk in Utrecht. Het verzoek om losmaking en de vertaling van de brief van de Paus zijn bewaard gebleven. De transcriptie van deze vertaling staat op de website van Oud Lisse. In het boek ‘550 jaar Sint Agatha in Lisse’ (pag. 14) staat een beter leesbare vertaling.

De oprichting van de parochie ging niet zonder moeilijkheden. Lys behoorde tot de parochie Sassem. Die verzette zich tegen afsplitsing uit vrees voor inkomstenderving. Uiteindelijk bepaalde paus Pius II dat Lys jaarlijks “vyf oncen louter silver” aan Sassem zou betalen. Op 27 april 1461 wordt de kapel in Lys tot een zelfstandige kerkparochie verheven. Na het bekend worden van het aartsdiaconale schrijven bouwde men een kerk aan het Vierkant. Uit deze tijd dateren vermoedelijk de eerste vormen van de huidige kerk. Deze kerk had een ribloos gewelf, rondbogige galmgaten en was gemaakt van baksteen. Dit wijst op bouw in de vijftiende eeuw. Maar de toren was bekleed met de veel zeldzamere tufsteen. Dit doet vermoeden dat de toren eerder is gebouwd dan het kerkgebouw. Toch houdt men het er op dat de kerk en toren na 1461 zijn gebouwd. De verklaring voor de tufsteen is dat dat afkomstig is van de afbraak van de Koninklijke” kapel, die opgericht is in een tijd (13e eeuw) waarin tufsteen veel algemener in gebruik was. De geschiedenis van de kapel van Lys begint in de dertiende eeuw. Omstreeks 1250 richtte graaf Willem II van Holland een “Koninklijke” kapel op in het gehuchtje Lys, waarschijnlijk op dezelfde plaats als de latere kerk. De inwoners van Lys leefden van turfsteken op veenderijen die tussen de duinen lagen.

 Sint Aechten

De parochiekerk werd aan de Heilige Sinte Aechten gewijd. Zowel de pastoor als de koster werden door de graven van Holland benoemd.  De jaarlijkse opbrengst van de nieuwe pastorij berekende men op 40 Rijnse Guldens. Hieruit kan men dan weer afleiden dat de parochianen in het gehucht Lys niet al te arm, maar bovenal vrijgevig waren.

Sint Agatha werd toen dus geschreven als Sint Aechten. De vraag dringt zich als vanzelf op of er toen een Aechtenweg achter de kerk om liep. Daarvoor zijn tot nu geen aanwijzingen gevonden.

Een tekening van de grote kerk. foto Oud Lisse

F

Leven en laten leven in Lisse:  Een onderzoek naar de zorg voor armen (1587 – 1729)

Op 17 november 1587 vergaderen in de Jonker Johan van Mathenesse, heer van Lisse Nijclaessone,  Zij vergaderen om te komen tot de oprichting van de Heilige Geest Armen. Om iedere schijn van fraude te voorkomen moest ieder jaar een degelijke jaarrekening gepresenteerd worden waarin precies werd vermeld waar de inkomsten vandaan kwamen  en waar de uitgaven aan  uitgegeven waren. Deze moest ieder jaar door de heer van Lisse of zijn gevolmachtigde goedgekeurd worden. De pastoor had enkel een adviserende taak. De armoede in Lisse wordt beschreven.

door Arie de Koning

2020

Hoe kwetsbaar was de bevolking van het Hollandse platteland aan het einde van de late Middeleeuwen tot het begin van de vroegmoderne tijd bij voedselcrises en hoe was de situatie in Lisse in het bijzonder?

Met deze vraag aan mijzelf zadelde ik me op met een megapuzzel. Terugvallen op eerder onderzoek was niet mogelijk omdat er altijd onderzoek is gedaan in de grote steden, wat ook wel logisch is, want men kan gerust veronderstellen dat de grootste problemen bij voedseltekorten zich afspeelden in die zelfde grote steden.

Waar in perioden van sterk gestegen voedselprijzen de mensen, die zich normaliter het hoofd maar net boven water konden houden, in ernstige problemen kwamen. Meestal reageerden de steden hierop met een regulatie van de broodprijzen en werden er export- verboden ingesteld voor granen. Dit alles om de rust te bewaren binnen de stad. Dit kostte de stad veel geld, maar werd nodig geacht om volksoproeren te vermijden. Maar hoe ging dat dan in de dorpen en gehuchten op het Hollandse platteland?

De 16e en 17e eeuwse Republiek der Vereenigde Nederlanden kende in tegenstelling tot bijvoorbeeld Frankrijk of het Duitse Rijk geen ernstige hongersnood met grote sterfte onder mens en dier. Hier is althans in de archieven niets van te vinden, maar extreme prijsstijgingen en voedseltekorten deden zich wel degelijk voor.

Hoe Lisse zich in de eeuwen achter ons heeft staande weten te houden gaan we proberen duidelijk te maken

We moeten ons realiseren dat het verbouwen van tarwe en rogge, de hoofdbestanddelen van brood, maar op een paar plaatsen in Holland mogelijk was en die opbrengst was zeker niet voldoende om de groeiende bevolking te voeden. Ook in het Ambacht Lisse groeide graan zeer slecht, er werd beweerd dat er meer zaad de grond inging dan er geoogst werd. Dat is bewijsbaar in de archieven. Daar ontbreken namelijk de handel in de tienden van de graanopbrengst. Gras en koeien daar en tegen, groeiden opperbest in Lisse, maar daar kon je geen brood van bakken. Juist in Holland was de plattelandsbevolking al sinds de Middeleeuwen aangewezen op de stadsmarkten als het ging om voedselvoorziening en dan met name voor brood. Marktschippers brachten rurale producten naar de stadsmarkten en kwamen terug met koopwaar welke niet in de dorpen voorhanden was. Zo ook in Lisse waar  vier marktschippers diensten onderhielden op respectievelijk Amsterdam, Rotterdam, Haarlem en Leiden, waar men uit Lisse zuivel, aardbeien en ander fruit, groenten en peulvruchten bracht en uit Amsterdam tarwe en Rogge meenam naar Lisse voor de plaatselijke bakkers die ook bleken te bakken voor enige buurdorpen. Dit had alles te maken met de aanwezigheid van een molen in Lisse welke de “windrechten” bezat van het district. Maar dat is weer een ander verhaal.

De keuze voor Amsterdam als graanleverancier voor Lisse was een juiste keuze gebleken. Gedurende de 16e eeuw groeide Amsterdam uit tot het centrum van de graanhandel in Europa die met speciaal ontworpen en gebouwde Fluitschepen op zeer efficiënte manier graan kocht in de Baltische landen en met minimale kosten het graan vervoerde naar Amsterdam. Lisse was al sinds mensenheugenis opgenomen in het handelsnetwerk van Amsterdam en zo’n netwerk was in schaarsteperioden moeilijk af te sluiten door de autoriteiten. Daarbij kwam dat Amsterdam zijn rurale partners niet in de kou liet staan. Zo gebeurde dat Lisse meestal voldoende graan had om haar inwoners te kunnen voeden, ook al om te voorkomen dat Amsterdam overspoelt zou worden door massa’s hongerige plattelanders. Dat vergde enige organisatie waarbij twee mechanismen een rol speelden.

Ten eerste was dat de regulering van de handel in graan en vooral brood, onder andere door exportverboden, broodprijszetting en, misschien wel de belangrijkste, de aanleg van publieke graanvoorraden. In het gewest Holland was hiermee in de donkere 15e eeuw een begin gemaakt. In de moeilijke 16e eeuw werd dit soort beleid alom toegepast en ook in de 17e eeuw greep men er regelmatig op terug. Het tweede relevante mechanisme was de armenzorg, welke vrijwel geheel een lokale aangelegenheid was  en daar gaat het ons in eerste instantie om in dit onderzoek.

De Hollandse stedelijke en gewestelijke autoriteiten hadden al in de 15e eeuw, tijdens de ernstige voedselcrises van 1437-39, 1481-82 en 1490-91 tot ingrijpen besloten, maar de maatregelen behelsden maar twee dingen:  het standaard repertoire, exportverbod op graan. Dit ging zeer  ver en zelfs een stad als Amsterdam, welke toch alle belang had bij een vrije graanhandel, verbood de uitvoer van graan uit de stad in de duurtejaren 1623-24 en 1629-30. Een tweede pakket aan maatregelen  betrof de beheersing van de broodprijzen. Het belangrijkste instrument hiertoe was de broodprijszetting, een systeem waarbij de prijs van brood door de lokale autoriteiten werd vastgesteld op basis van de marktprijs van graan met een zekere demping van de graanprijsfluctuaties. Dit zou je subsidiëring kunnen noemen. Op het platteland was hier niet veel van te merken geweest, maar altijd bleef er een groep mensen die tussen de wal en het schip dreigden te geraken, de armen.

Armenzorg op het platteland

Het groeiend aantal armen noodzaakte tot een gecoördineerd stelsel onder regie van de autoriteiten en beperking tot bedeling van de zogeheten ‘eerlijke’ of ‘regte’ armen, zij die door oorzaken buiten hun schuld, zoals ziekte, handicap of ouderdom, niet in staat waren om te werken en een streng optreden tegen bedelaars en klaplopers die Europa overspoelden uit gebieden waar oorlog heerste. Deze rondtrekkende armen werden in vergelijking met de “eigen” armen gezien als oneerlijke armen. Ze waren gezond van lijf en leden en konden dus wel werken. Deze bedelfraude bereikte zijn hoogtepunt bij de uitgave van het boek “Liber Vagatorum” (het boek van de zwervers). Hierin werden alle trucs en allerlei soorten bedelmanieren, van stomme spelen tot het verstoppen van ledematen, uitgebreid uit de doeken gedaan. Het resultaat was een verbod op de bedelarij.

Op het platteland, dus ook in Lisse, had men ook te maken met rondtrekkende groepen armen, eerlijke en oneerlijke, groepen soldaten en groepen deserteurs. Het was de autoriteiten van Lisse er alles aan gelegen dat dit soort bezoekers zo snel mogelijk weer op weg te helpen om problemen te voorkomen, een brooduitdeling was meestal toereikend.

Op de smalle corridor in de duinen, begrensd door het Leidse meer in het oosten en de Wildernis in het westen, op de weg tussen  Haarlem en ’s Gravenhage, lag het Ambacht Lisse zeer strategisch en allerlei gelukzoekers, bedelaars, allerhande troepen en deserteurs, kwam door Lisse op weg naar de grote steden. Dit is waarschijnlijk ook de reden dat de versterking Dever op deze plaats is gebouwd; militaire controle over de doorgaande route.

We weten uit de oude archieven van Lisse wanneer de armenzorg is opgericht.

Personificatie van een 16e eeuwse arme bedelaar uit de Liber Vagatorum

Op 17 november 1587 vergaderen in de ” costerije huijsinge  staende aent Kerchof”, Jonker Johan van Mathenesse, heer van Lisse Nijclaessone, tegenwoordig residerende op Sijne Hoffstadt genaamd Dever alhier te Lisse ten eenre, en een groot aantal lieden ten sijde. Zij vergaderen om te komen tot de oprichting van de Heilige Geest Armen. Deze lieden, van wie er een aantal worden genoemd, zijn de zogenaamde “opsyenders ende ondervinders” van het Onse Lieven Vrouwe Gilde. Genoemde personen zijn onder andere: Dirc Barthoutssoen van Betanyen, van beroep snyder (kleermaker), Jan Jacobssoen Wassenaar alias Doncker, Pauwels Reynoutszoen van Broeckhuijsen, Jan Hendricxsoon van Egmondt alias Mol, Willem Adryaenssoon Schenaert, Pieter Aelbertssoen backer, Pieter Willemsen van Moerkercken alias vouger (metselaar) en Jan Dirk Jacobssoen van der Son, “mit meer andere gebuijren”.

De voornoemde Gilde-broeders hebben beloofd en gegeven de jaarlijkse inkomsten van pacht en rente die toebehoren aan de Gilde, te samen de somma van 17 gulden en 10 stuivers. Het geschatte kapitaal aan land en obligaties wordt geschat op 300 guldens. Hieruit blijkt dat er in Lisse niet een absolute noodzaak was te veranderen van armenzorg wat voorheen door het bovengenoemde gilde werd verzorgd.

De Heilige Geest Armen

De oprichting van de Heijligen Geest Armen  zal een gevolg zijn geweest van een andere koers die gevaren werd door de leiding van de Roomse Kerk op het gebied van armenzorg onder druk van het gemor van de burgerij op het voorgaande beleid van dezelfde Kerk. Anders dan de naam zou vermoeden is de Heiligen Geest Armen geen parochiale instelling geweest, maar stond onder toezicht van het dorps bestuur  die de Armmeesteren aanwees die volgens een rouleersysteem twee jaar in functie bleven.

Om iedere schijn van fraude te voorkomen moest ieder jaar een degelijke jaarrekening gepresenteerd worden waarin precies werd vermeld waar de inkomsten vandaan kwamen  en waar de uitgaven aan  uitgegeven waren. Deze moest ieder jaar door de heer van Lisse of zijn gevolmachtigde goedgekeurd worden. De pastoor had enkel een adviserende taak.

De Kerk had natuurlijk het allerbeste overzicht over het wel en wee van haar parochianen waardoor de Armmeesteren maatwerk konden leveren. Met het groeien van het dorp zal er meer maatwerk geleverd zijn maar dit was van korte duur. Vijf jaar na de oprichting van de Heiligen Geest Armen raasde de Reformatie ook over Holland. Zelfs Lisse onderging het ten volle en toen het weer tot rust kwam was het Roomsche geloof verboden en was de Kerk overgegaan in handen van de Gereformeerden. Het was voor veel mensen zeer verwarrend. Wat bleef waren de Heiligen Geest Armmeesters. Deze organisatie welke in haar korte bestaan zo slagvaardig had gehandeld was te kostbaar om op te heffen.

Zoveel ervaring hadden de protestanten niet opgedaan in hun verbanningsoorden dat zij het zich konden permitteren deze organisatie op te heffen. De Protestante Diaconie werd naadloos overgenomen en men ging op de oude manier en met gebruik van de oude kapitalen en beleggingen verder. Alleen om Armmeester te worden moest men Protestant zijn. Armoede was in de vroeg moderne tijd overigens een vrij relatief begrip. Wie onvoldoende kon beschikken over de noodzakelijkheden voor het dagelijks bestaan, zoals men aan zijn stand verplicht was, kon men arm noemen. Hieronder viel de armoede van een jonge weduwe met kleine kinderen die onvoldoende inkomen had om haar gezin onderdak, gevoed, gekleed en ’s winters warm te houden. Maar ook de koopman of ambachtsman, die door ziekte of economische tegenslag verarmde zodat hij beneden zijn stand moest leven kon men arm noemen. Het blijkt uit de Rekeningen van den Heiligen Geest Armen dat de grootste groep armen te bestaan uit gewone gezinnen waarin én de ouders én de kinderen werken, maar er niet in slagen voldoende inkomen te genereren. Opvallend is dat de hele groep bestaat uit mensen welke geen toegang hadden tot land, pachtland dan wel te verstaan. De investering was blijkbaar niet op te brengen voor deze mensen. Mensen die in normale tijden er net in slaagden rond te komen maar bij tegenslag direct afhankelijk werden van de armenzorg. Bijvoorbeeld door ziekte. Wie voor langere tijd op één plek woonde had doorgaans de beschikking over een netwerk van buren, familie, geloofsgenoten, vrienden of werkgever waarbinnen met elkaar over en weer hielp. Was de tegenslag echter voor langere tijd, dan was een meer structurele ondersteuning nodig. Overigens was arm zijn absoluut geen schande. De arme mens was immers het evenbeeld van Jezus die ook niets bezat. Door de arme te helpen kwam dat weer ten goede van je eigen zielenheil en dat was in die tijd heel belangrijk. Dat verkortte namelijk de tijd welke de overleden goede gever in het vagevuur door moest brengen alvorens opgenomen te worden in de hemel. Het was dan ook vanzelfsprekend dat de ontvanger van de gulle gaven, de arme, zou bidden voor de gever, ook dat was goed voor zijn zielenheil.

Vaak wordt verondersteld dat de armoede op het platteland wel meeviel en onder het percentage van de grote steden moet hebben gelegen, maar is dat altijd waar?

Lezend in de Kohieren van het Zout en Zeep van de jaren 1680 en 1685 berekende ik dat in Lisse 3% van de huishoudens bedeling ontving. Ter vergelijking in Noordwijk lag dit percentage op 8%, in Berkel op 11%, ’s Gravendeel 4% en het Noord-Hollandse Graft zelfs op 14%. Hier steekt Lisse zeer gunstig af maar voor een verklaring voor deze verschillen is meer onderzoek nodig. Bedenk dat in deze tijd het percentage in de stad Delft op 15% lag.

Om te zien of deze 3% de normale standaard was in Lisse hebben we de Rekeningen van de Heilige Geestarmen nodig. In het Gemeente Archief van Lisse zijn deze aanwezig voor de periode 1587 tot en met 1729, een goede 140 jaar. Hierin moeten we meer kunnen vinden. Probleem was de kwaliteit waarin deze Kohieren zich bevonden. Veel van de boeken waren uitgehold door de muizen en het gebruikte handschrift toonde veelal overeenkomsten met het Assyrische spijkerschrift. Zo ben ik begonnen de kohieren te transcriberen om meer duidelijkheid te verkrijgen samen met leden van de Genealogiegroep van de Cultuur Historische Vereniging Oud Lisse, Dirk Floorijp en Leo van der Geer. De eerste resultaten kwamen binnen en na een vluchtige analyse viel op dat het aantal mensen wat bijstand ontving of “gealimenteerd werd” ongeveer gelijk bleef maar ook viel me op dat de namen van de gealimenteerden nauwelijks veranderden. Blijkbaar waren er een aantal vaste klanten van de Armenzorg niet uit hun armoede te halen met de geboden bijstand. Helaas werd in de Kohieren niet vermeld de reden van hun armoede, wel dat zij meestal een groot aantal kinderen bezaten. Zo bezaten de Heilige Geest Armen een huijsje aan het Kerkhof die aan daklozen ter beschikking kon worden gesteld. Een enorme luxe voor een plattelands dorp. In dit huijsje konden twee gezinnen gehuisvest worden en de bedoeling was dat er enige bijdrage in huur zou worden betaald. Ik vond dat sedert mei 1695 ene Pieter Pieterse Berendregt met zijn grote kinderschare daar woonde en dat hij daar nog steeds woonde in mei 1729 en dat hij geen huur kon betalen wegens onvermogendheid. In 35 jaar had hij geen kans gezien zijn positie te verbeteren! Waarschijnlijk was deze Pieter zwaar gehandicapt anders was dit nooit toegelaten.

Uit de kohieren blijkt dat er een systeem bestond van bijstand in natura, zoals schoeisel en kleding, voeding als brood, en geld. Helaas wordt niet per persoon gespecificeerd wat de behoeftigen kregen alleen een totaal bedrag. Alleen in 1695 wordt vermeld dat er aan de armen was geleverd 102 Roggebroden en 51 Tarwebollen a 30 gulden 5 stuivers en 10 penningen. Ook boter ter waarde van 10 gulden 16 stuivers en 12 penningen stond op de lijst evenals loon voor de Chirurgijn voor zijn heelkunsten. Aan geld werd in 1695 gemiddeld 20 gulden uitgekeerd voor 8 personen per maand.

In de leesbare gedeelten van de Kohieren is de Rekening zeer transparant, uitgebreid wordt verklaard hoe de kas werd gevuld en ook hoe de kas werd benut. De Heilige Geest kas werd gevuld voor een groot deel door renteopbrengsten uit Losrente brieven en Obligaties uitstaande bij de overheid. Solide beleggingen. Verder uit inkomsten van landbezit in de vorm van Erfpachten, collectes bij de uitgang van de Kerk (niet in de Kerk) of langs de deuren verkregen. Uniek waren de extra leges welke werden geheven bij handelstransacties aangegaan voor het Gerecht van Lisse ten behoeve van de armen, boetes opgelegd door de Schout kwamen geheel ten goede aan de Armen en een percentage van de openbare veilingen of Boelhuizen die werden bedongen voor de armen. Er was zelfs in de loop der jaren een heus Armenbos ontstaan waarvan de houtopbrengst voor de armenkas was bestemd. Als in oktober de kramen voor de Lisser Kermis arriveerden kregen zij allemaal een bezoek van de Schout welke om ” Recognitie” kwam. Met andere woorden betalen of wegwezen van de Kermis. Het was verrassend wat de Schout  zoal bij elkaar bedelde.

Zoals iedere armeninstelling was de Heiligen Geest Armen afhankelijk van de goedgeefsheid van de burgers, Collectebussen, zoals dit 17e eeuws  exemplaar, moesten daarom een wervend karakter hebben en werden daartoe opgesierd met tot de verbeelding sprekende afbeeldingen.

Er zitten wel behoorlijke verschillen van jaar tot jaar in de boekhouding. Dit zou te maken gehad kunnen hebben met de strengheid van de winters want de Armmeesteren verstrekten ook brandhout of turf aan de behoeftigen. We zoeken verder. Lisse is een van de weinige dorpen in Zuidholland waarvan de Rekeningen van de Heilige Geest, belastingregisters en doop, trouw en begraafboeken van de Hervormde Kerk voor deze vroege periode beschikbaar zijn. Data van de Hervormde Diaconie ontbreken helaas maar de Hervormde Kerk groeide in Lisse maar heel langzaam dus aangenomen mag worden dat de Heiligen Geest in Lisse het grootste deel van de armenzorg voor het dorp bediende, maar nogmaals, de Heilige Geest en de Diaconie waren feitelijk één “bedrijf”.

Vooral in het begin van zijn bestaan kreeg de Heiligen Geest Armen een vuurdoop. Eind jaren  1590 was er sprake van een langdurige periode  van zeer hoge voedselprijzen. Er waren hiervoor meerdere omstandigheden verantwoordelijk. Zowel in 1595 als in 1597 was er sprake van misoogsten in grote delen van Noordwest Europa.  Holland zelf kreeg in die jaren te maken met omvangrijke overstromingen, terwijl het gebied in het tussenliggende jaar 1596 ook nog een muizenplaag te verwerken kreeg. De gevolgen waren dat jarenlang de prijs van rogge, het belangrijkste broodgraan, ver boven zijn normale niveau uitstak zoals in grafiek 1 duidelijk wordt aangegeven. Ook weten we uit andere studies dat in de jaren 1597 en 1598 bij de armenzorg in de steden in Holland het water aan de lippen stond.

 

Grafiek 1. Roggeprijzen  in  Amsterdam  en  Utrecht in gram  zilver  per  hectoliter Rogge. Bron: N.W. Posthumus, Nederlandse prijsgeschiedenis 2 (Utrecht 1964)

Er werden grote hervormingen in de steden doorgevoerd om de problemen het hoofd te kunnen bieden. In de dorpen was hervorming niet nodig maar de Rekeningen laten ons zien dat er ook in Lisse problemen waren ontstaan. Dit waren bekende jaren van tekorten aan het einde van de 16e eeuw. Hoe was dat in andere jaren? Laten we het einde van de 17e eeuw eens nemen, de eeuw die volgens onze schoolboekjes een “Gouden Eeuw” moet zijn geweest. We zullen een tijdsbestek van 10 jaar nemen voor een ruim gemiddelde. We beginnen met het jaar 1696 en gaan tot 1705. Wat blijkt: in de 10 jaar tussen 1697 en 1705 werden in totaal zeventien huishoudens regelmatig bedeeld door de Heilige Geest. Opvallend was het relatief grote aantal weduwen en alleenstaande vrouwen welke bedeeld werden. Ook waren er twee gezinnen welke de gehele periode bedeling ontvingen inclusief woonruimte. Ook zien we in het duurtejaar 1699 het totaal aantal bedeelde huishoudens bijna verdubbelen van 9 naar 15 gezinnen. Dit bewijst dat de hoogte van de graanprijs wel degelijk invloed had op het aantal behoeftige huishoudens in Lisse. Nemen we de gehele tijdsduur van 1587 tot 1729 is het gemiddelde aantal bedeelde huishoudens in Lisse 12.

Bij voorbeeld in 1680 waren er negen huishoudens die bedeling ontvingen. Verdeeld  over zes weduwen met kleine kinderen, één weduwe zonder kinderen, één vrouw alleen en één compleet gezin met vader, moeder en drie kinderen boven de tien jaren waar van er één in de oorlog was. Lisse had toen in 1680 een bevolking van 290 inwoners. Er waren 48 zg Capitalisten, 233 arbeiders of ambachtslieden en 9 armlastigen.  Hierbij komen we uit op een percentage van ruim 3% en dat ligt ongeveer gelijk met de gemiddelden welke we vinden in de andere jaren en komt overeen met het  reeds gevonden percentage in 1680. Hierbij steekt Lisse goed af bij andere dorpen. Door hoge graan- en voedselprijzen en de strengheid van de winter waren er tekorten op de balans in 1679, 1698, 1699, 1700 en 1701. En vanaf 1702 waren de uitgaven torenhoog maar werd de balans sluitend afgesloten en later werden zelf bescheiden overschotten in de Rekeningen gemeld zoals in het jaar 1729 toen het boekjaar werd afgesloten met een overschot op de balans  van twee honderd twee guldens en elf stuivers. Het jaar ervoor had men nog een tekort van 149 gulden. Het systeem had gewerkt in Lisse.

Anders was de situatie in de steden.

Door de enorme toeloop van mensen die niets  meer bezaten , werd de situatie dikwijls onbeheersbaar. Zo ook in de stad Leiden waar de Armmeesteren constateerden dat de  geschonken goederen of gelden niet altijd goed werden  besteed. Vaak vond men een bedeelde  laveloos in de kroeg waar hij zijn geschonken  geld voor nieuwe schoenen  belegde in alcoholische versnaperingen. Er zou een enorm controle systeem moeten worden opgezet. Men ging daarom over op het verstrekken van een muntje, gemaakt van lood. Een “loodje” genaamd in de volksmond waarmee men bijvoorbeeld bij de bakker brood kon kopen. Als de bakker voldoende muntjes had kon hij deze bij de Armmeesteren in leveren voor geld. Kroegbazen konden dat niet. Men zegt dat hier het gezegde “zijn laatste loodje leggen” van af zou stammen, ofwel hij is overleden. Het zou zo maar kunnen.

Conclusie

In perioden van voedselschaarste en hoge prijzen heeft het dorp Lisse ook alle zeilen moeten bijzetten maar de schade bleef desondanks te overzien. Er was geen sprake  van massale trek naar de steden van hongerende inwoners van Lisse. Dat is mijns inziens te danken aan het feit dat Lisse in normale tijden via de stedelijke markten hun graan inkochten. Daarmee was in duurdere tijden een kant en klaar netwerk voorhanden maar had Lisse ook een zekere morele aanspraak op een deel van de in de steden aanwezige graanvoorraad. De Heilige Geest Armmeesteren van Lisse reageerden daadwerkelijk op prijsstijgingen door én hogere uitkeringen te verstrekken én meerdere bedeelden toe te laten. Let wel dat de uitkeringen uiterst sober gebeurden, men werd er niet beter van maar men bleef wel in leven en ook niet onbelangrijk, werd men bedeeld, hoorde daar bij wel  een begrafenis van de Armen in een graf van de Armen.

Bronvermelding:

J.A. Faber,                           Dure tijden en hongersnoden in pré-industrieel Nederland

Remi van Schaik,               Prijs- en levensmiddelen politiek in de Noordelijke Nederlanden van de 14e tot de 17e eeuw: bronnen en problemen

Gemeente Archief Lisse   Inv.nr.229,289,290,291,293,294,295 (Transcripties)

www.oud.noordwijk.nl    H. Schelvis: Zout zeep heere en redemptiegeld 1680

Peter van der Krogt;         Berkel: familiegeld 1680

Ingrid van der Vlis:           Leven in armoede. Delftse bedeelden in de 17e eeuw.

Dekker:                                Holland in beroering

Cult.Hist. Ver. Oud Lisse Arie de Koning: Resolutieboek van Schout en burgemeesteren van Lisse 1681-1795

Jessica Dijkman:               Het dagelijks brood

Dirk Floorijp:                     Fotografie en controle transcripties

Leo van der Geer :              Transcripties

Vaak werd men van de armen begraven

De Oude en de nieuwe Agathakerk door  A. Raaphorst Hz

De geschiedenis van de katholieke kerk vanaf de Schuilkerk aan de Mallegatsloot en de oude en de nieuwe kerk aan de Heereweg tot 1912 wordt beschreven.

Opgetekend door Arie Koning

1 juni 2020

Aanteekeningen op het Dorp  en  de  Gemeente  Lisse door  A. Raaphorst Hz., dagbladcorrespondent

 1912

de  R.K.  Kerk

Na de Hervorming hadden de Roomsch Katholieken alhier slechts eene Statie welke was vereenigd met die te Warmond, Voorhout en Sassenheim, op welke laatste plaats de Pastoor zijn verblijf hield. Zoals met hoogstwaarschijnlijk wel zal begrepen hebben had Lisse met de drie bovengenoemde dorpen slechts eene Pastoor. Zoals ons uit de geschiedenis bekend is verkreeg deze plaats in het jaar 1667 eene eigen Pastoor namelijk  Johan van der Werve, deze overleed op 1 Juli 1697 en werd opgevolgd door Lambert Schaap, die op 10 April reeds kwam te sterven. Na hem is gekomen Arnoud de Leeuw, door wien het Kerkgebouw is gesticht, hetgeen tot het jaar 1842 heeft gestaan aan de noodwestzijde van de Achterweg tusschen de Cathreinenlaan en de brug over de Mallegatsloot ook genoemd de Klopjesbrug, op de plaats waar  thans nog is gelegen de oude boerenhofstede , thans bloemisterij en genaamd “Bloemenhof”. Deze bloemisterij behoorde vroeger aan de Grafelijke familie van Lijnden en werd in 1904 bij publieke verkoping gekocht door de heer C. Prins Dz. In het jaar 1842 echter hebben de Roomsch Katholieken een ander en grooter kerkgebouw  gekregen. Het heeft gestaan op de plaats waar thans het nieuwe kerkgebouw is gesticht geworden. Dit kerkgebouw  behoorde in die dagen tot de grootste  dorpskerken van Nederland, maar was niettemin een eenvoudig gebouw. Het was een vierkant gebouw zonder pilaren met een haaksche kap afgedekt en pannendak. De Pastorij was gelegen aan de achterzijde van het kerkgebouw met als uitzicht het Haarlemmermeer met de voorgelegen weilanden. Een sierlijk houten torentje prijkte ter hoogte van de voorgevel. Het gebouw was 25 meter van de straatweg  af gelegen. Het gebouw stond lijnrecht van de straatweg  en stond dus niet zoals men dat noemt in de H. Linie. Ter rechterzijde was de toegang tot de Pastorij  en de ruimte tusschen  de kerk en de stinksloot was beplant met allerlei houtgewas en vormde alzoo een prachtig Bosch. Ter linkerzijde was de toegang naar het kerkhof zelve gelegen, hetgeen met de bouw van de nieuwe kerk op dezelfde plaats is gebleven. Ten linkerzijde van het voorplein  had men voorts het zogenaamde paardenhok, waar de boeren die per rijtuig ter kerke kwamen hun gezet met de paarden ervoor stationeerden terwijl dit paardenhok met twee gelegenheden genaamd “W. C.”, aan de zijde van de straatweg werden geflankeerd door een boschje van hoog opgaande boomen. De toegang tot het voorplein en de kerk, benevens alle hier beschreven dingen, werd verleend door een ijzeren hek, hetzelfde wat ook thans nog aan de dorpszijde toegang verleend  tot de kerk. Het ijzeren hek is met den bouw van de nieuwe kerk ook niet verplaatst geworden, zodat men aan het kerkhof en dit hek zeer gemakkelijk kan uitmaken waar ter plaatse de oude kerk heeft gestaan, te meer als ik zeg dat het hek vlak voor de ingang der kerk stond en de ruimte tusschen het kerkhof en de kerk slechts twee meter bedroeg. Over het inwendige der kerk kunnen wij het volgende zeggen, Namenlijk: dat het vierkant was. Zonder pilaren, helder witte muren en een cirkelrond plafond, eveneens wit. Het priesterkoor was betrekkelijk groot want het nam de gehele breedte van de kerk in beslag. De kerk had slechts een altaar. Eene mooie gebeeldhouwde preekstoel was geplaatst ter linkerzijde van de kerk en binnen het priesterkoor. Ter rechterzijde en eveneens binnen het priesterkoor, bevond zich een fraai gotisch doopvont, zoo men zegt was dit een geschenk van de toenmalige Ambachtsheer van Lisse, Baron van Heereman van Zuidwijk te Munster. Dit doopvont heeft ook weer een plaats gevonden in de nieuwe kerk. Ter linkerzijde in het priesterkoor bevond zich de toegang naar de biechtkamer van de Pastoor en ter rechterzijde de toegang naar de sacristie. De vrouwen waren gezeten in het midden der kerk in banken voor 12 personen en de mannen aan beide zijden in banken van 4 personen. De kerk had dus drie regels banken  en 2 paden. De Communiebank was van eikenhout en prachtig gebeeldhouwd. Na ingekort te zijn is deze geplaatst in de Kapel van het Agatha Gesticht

In het midden der kerk hingen vanaf het plafond een viertal prachtige Kaarsenkonen, die natuurlijk de laatste tijd geen dienst meer deden omdat men petroleumlampen had aangebracht. Behalve de beelden van Maria en Joseph prijken in nissen boven het altaar de beelden van Mozes en Aaron. Een schilderstuk voorstellende de H. Agatha, patrones der kerk prijkte boven het altaar. In de loop der tijden had men wegens uitbreiding der kerkgemeente eene galerij aangebracht over de gehele breedte van het gebouw, welke 100 zitplaatsen bevatte. Daarenboven bevond zich het zangkoor, waarop ook nog 20 zitplaatsen. De kerk had maar eene ingang welke zich bevond midden van de voorgevel. Ter linkerzijde van het grote portaal had men de toegang tot de galerij in het zangkoor. In de toren bevond zich een uurwerk met wijzer om volle uren. Ook bevond zich in de toren een klok die blijkens het opschrift bij de bouw dezer kerk door W. Verdegaal is gegeven maar vroeger bij anderen dienst heeft gedaan, tenminste te oordelen naar het opschrift hetgeen luidt als volgt:

 

                                                          Me  fecit  Ciprianus  Crans  Janszoon

                                                                    Amsteledami   anno  1748

                                                                Int  jubeljaar der  Vrijheid  1748

 

                                     De vredemaker    G. Hasselaer  Heer wierdt en A. Slob Schout van

                                          Cudelstaart en T. van Prince  v.d  Bezworen – kerf  – waren

                                                                 Ben ik door J.V. van Pauaart

 

                                                           Admin:  Burgem: bezorgd te maken

 

 Dit is zooals men zal begrijpen het oorspronkelijke opschift,  terwijl  aan de andere kant van de klok

het volgende is gegraveerd:

                                                             Gegeven  door  W. Verdegaal 

                                                                              1842

Wij kunnen de beschrijving van de oude kerk besluiten met te zeggen met te zeggen dat de eerste bank (mannen aan de rechterzijde, of zuidzijde), was gereserveerd voor de familie Heereman  van Zuidwijk voor het geval  dat zij zich te Lisse bevonden.

de Nieuwe Kerk

Reeds lang voor dat de nieuwe kerk was gebouwd  was het oude kerkgebouw veel te klein voor de steeds toenemende bevolking der Katholieke Gemeente. De uitgebreide en omvangrijke werkzaamheden van de bouw eener nieuwe kerk waren echter veel te zwaar om de zwakke schouders  van de beminde  herder dezer Parochie, Pastoor H.Th van Vlasselaar. Een ieder ondervond het dat de kerk veel te klein was, maar ook eenieder was er ten volle van overtuigd dat de werkzaamheden van den bouw eener nieuwe kerk niet gelegd mochten worden op de steeds in krachten afnemende schouders van Pastoor van Vlasselaar, en daarom wachtte men de tijd af ….
De tijd was eindelijk daar, want op 8 januari 1901 ging de droeve mare door het dorp: “Pastoor van Vlasselaar is dood.” Hij die 32 jaren lang de zachtmoedige en beminnelijke herder was geweest van de Parochie van de H. Agatha, was niet meer. Zelden is er een mensch geweest die oprechter beweend is geworden dan hij; beweend niet alleen door de katholieken zelf, maar evenzeer door de niet-Katholieken van allerlei rang en stand. Met hem daalde ten grave een raadgever voor iedereen en een vriend voor allen, zonder onderscheid en bovendien een weldoener der armen zonder weerga. Zijne nagedachtenis zal dan ook voortleven in de harten van allen die hem  gekend hebben.

Hij is begraven in het priestergraf op het kerkhof alhier en een eenvoudige zerk siert zijn graf. Pastoor van Vlasselaar werd opgevolgd door B.J. Klekamp, pastoor te Oude Tonge. Zodra de opvolger van pastoor van Vlasselaar  zijn intrede had gedaan, werden er plannen  ontworpen om eene nieuwe kerk. Doordat de nieuwe te stichten kerk moest komen op de plaats waar de oude stond, moest er vooraf eene noodkerk worden gebouwd. In het voorjaar van 1902 werd ter plaatse waar thans de Bondsstraat is en het aan die straat gelegen gebouw  van het Pius Gesticht gelegen is, een groot houten gebouw opgetrokken zodra deze noodkerk  gereed was werd zij plechtig  ingewijd door de Deken van Warmond, de  Zeer Eerwaarde Heer Smeulders. De oude kerk werd spoedig daarna voor afbraak verkocht en gesloopt. Niet lang daarna werd begonnen met het storten van beton want paalfundering bleek niet nodig te zijn. Het werk vorderde voorspoedig want op 6 juni 1902 had de  plechtige eerste steenlegging door de Deken van Warmond, de Zeer eerwaarde Heer Smeulders. De gedenksteen, waarin zich de Oorkonde bevindt van de eerste steenlegging, is geplaatst in de hoekpilaar van het Zuider tranche tegen de kant van het H. Joseph Kapel. Het opschrift luidt als volgt: Hune primarium Lapidum Postuut  R. adm  Ds.  Nicolaus  Johannes Smeulders. MCMII.

We hebben tot op heden steeds gesproken van de bouw ener nieuwe kerk, maar eigenlijk dient er gesproken te worden van Kerk en Pastorij. De Pastorij, een groot gebouw in oud Hollandsche stijl op getrokken , was voor de kerk al gereed gemaakt, omdat de pastoor gehuisvest  was in het pas voltooide St, Agatha Gesticht en de beide Kapelaans bij de Kerkmeester J. Riggel. In verband met de bouw van de Pastorij willen we nog opmerken dat er in verband met een opschrift, eene kwestie ontstond  tusschen de Pastoor en de Burgemeester. Dit opschrift stond in eene zandsteen  uitgehouwen boven de portiek van de hoofdingang. Dit opschrift luidde als volgt:

                                                 Dye dit niet an mogh staen

                                                    Moet maar voorbije gaen

Deze spreuk was genomen uit de dichtwerken van Paulus Potter. De Burgemeester nu meende  dat dit opschrift eene uitdaging was voor de andere kerkelijke gezindten  en stond er daarom op dat dit opschrift zou verdwijnen. Wij voor ons hebben altijd gemeend dat het een zeer kleinzielig idee was van de Burgemeester, die  Katholiek zijnde, steeds van mening was dat hij zijne onpartijdigheid  niet beter in toepassing wist te brengen dan de Katholieken kleinzielig te behandelen. Van de andere kant moeten wij ook getuigen dat dit opschrift enigszins verwonderlijk was en in elk geval met geen enkele gebeurtenis in verband was te brengen. Enfin, de steen werd weer glad gehakt en de volgende dag prijkte deze met een ander opschrift, namelijk:

Anno Domino  MCMII

Na een ruim jaar daaraan te hebben gewerkt  was de Kerk zelve gereed en werd deze op Donderdag  6 Augustus 1903 door  Z.D.H. de Aartsbisschop van Utrecht plechtig geconsacreerd, door de Aartsbisschop van Utrecht?  zult u vragen, hoe kwam dat? Dat kwam namelijk zoo, eenige dagen voor de kerk zou worden geconsacreerd, overlijdt de Bisschop van Haarlem, Mgr., Bottemanne. Hoewel deze Bisschop reeds hoog in jaren was, had hij echter nog geen wij of hulpbisschop. Juist toen de bemoeiingen hiervan gaande waren kwam Haarlems Bisschop te overlijden. Deze bemoeiingen waren bij de dood van Mgr. Bottemanne reeds zo ver gevorderd dat de benoeming van

Mgr. Carlier en de doodtijding van Mgr. Bottemanne, elkaar hebben gekruist, zoodat de benoeming van Mrg. Carlier eerst arriveerde ná het overlijden van Mrg. Bottemanne, en dus ongeldig was. Zoodoende wilde het toeval dat de Bisschopszetel van Haarlem, dus onbezet was, en wel, juist toen de nieuwe kerk geconsacreerd moest worden. Ziedaar de oorzaak dat deze door Mgr. van de Wetering werd ingewijd. Nu keeren we weer terug naar de Kerk zelven. De kerk is ontworpen en gebouwd  door de Architect Jean H. van Groenendaal te Amsterdam, zoals men kan zien op eene zandsteen boven de hoofdingang aan de binnenzijde der kerk. De kerk is zonder inschrijving gegund

Het gebouw heeft eene lengte van 60 meters en eene breedte van 19 meters, terwijl  het Transept 29 meters breed is. Behalve de 75 meters hoge klokkentoren heeft de kerk ook nog eene Angelustoren , welke geplaatst is op het midden der Kruisbeuk. Zij heeft ongeveer 1200 zitplaatsen en is een der grootste Parochiekerken  uit de omtrek. Ook de toren is een der hoogste uit de omtrek en is uren ver in de omtrek te zien. Deze toren heeft eene zeskantige vorm en twee open gaanderijen en wel eene op 40 meters en eene op 65 meters Hoogte. Zij heeft eenen stenen onderbouw van 40 meters hoogte, verdeelt in 4  verdiepingen. De spits is van hout en heeft met inbegrip van de peer van het kruijs een hoogte van 35 Meters. Het beneden gedeelte wordt gebruikt voor portaal.

Oud Nieuws: POSTKOETS OVER DE KOP

De componist George Friedrich Händel reed in 1750 door Lisse op weg van Den Haag naar Haarlem. Tussen Lisse en Hillegom moet de koets gekanteld zijn. Hij had behoorlijk gekneusde vingers en kon in Haarlem niet op het orgel spelen.

Nieuwsblad Jaargang 18 nummer 3, oktober 2019

door Dirk Floorijp

In het dagblad Trouw was er in augustus een heel artikel aan gewijd, aan het bezoek van de vermaarde componist George Friedrich Händel. In augustus 1750 was hij van Den Haag via Leiden op weg naar Haarlem, de plaats waar hij een orgel zou bekijken. Hij zal Leiden niet zomaar voorbij zijn gereden en zal het beroemde Van Hagerbeer-orgel in de Pieterskerk beslist niet links hebben laten liggen. Händel wilde in Nederland graag enkele wereldvermaarde orgels bewonderen en bespelen. Zo kwam hij over de zandwegen ook door Lisse. De Heereweg was gedeeltelijk bestraat vanaf de grote kerk tot net voorbij Rosendaal. Tussen Lisse en Hillegom moet de koets gekanteld zijn, historici zijn nog steeds op zoek waar precies. Wat zou het mooi zijn als in de archieven van Lisse of Hillegom daarover een vermelding te vinden zou zijn. Jammer dat er in de Witte Zwaan geen gegevens zijn bijgehouden van beroemde
personen die deze herberg aandeden of er van paarden verwisselden. Er zijn daar genoeg beroemdheden binnengestapt, van koningen tot prinsen. Veel van die gegevens zijn verloren gegaan. De bij zijn leven
al wereldberoemde componist was welgesteld en historici vermoeden dat Händel niet met de postkoets
reisde, maar met een particuliere diligence. Händel was behoorlijk gewond, gekneusde vingers en een beurse heup. Hij was tenslotte toen al 65 jaar. Nadat hij gedeeltelijk was hersteld, waarschijnlijk op een buitenplaats in de omgeving, ging hij op weg naar het beroemde Christian Müller-orgel in Haarlem. Hij heeft er slechts kunnen luisteren naar de kunsten van de vaste organist Henricus Radeker. Normaal zou het ondenkbaar zijn dat orgelvirtuoos Händel zich deze kans om op dit grote en unieke orgel te gloriëren zou laten ontnemen. Tien jaar eerder was hij hier ook en speelde een half uur met groot genoegen op het toen twee jaar oude orgel. Waarom mij dit verhaal zo boeit? Ik heb de eer gehad om een avond met organist Leen Schippers op het grote orgel in de Pieterskerk te mogen spelen, daarnaast ook een middag op het orgel in de Sint-Bavokerk in Haarlem. Alleen mocht de begeleider daarop niet spelen omdat het orgel niet van de hervormde gemeente, maar van de stad Haarlem is. Wel stiekem een toets ingedrukt. Het maakt een enorme indruk om daar te mogen zijn. En nu maar in oude akten speuren of we een
vermelding tegenkomen, daar zit iedereen op te wachten. Händel was een tot Engelsman genaturaliseerde Duitser, woonde in Londen en werd in 1759 bijgezet in de Westminster Abbey.

In de archieven van de fabeltjeskrant kwamen we dit document tegen in een oude doos waarop stond HÄNDEL WITH CARE. Eén en ander suggereert dat de koets alhier zou zijn gekanteld.
Ook dat G. F. Händel hier uit dankbaarheid die geweldige klassieker heeft gecomponeerd!
S.V.P. niet doorvertellen aan onze buren stttttt!

Oud Nieuws: BOELHUIS IN DE PASTORIE 1612

Dominee Gilbertus Ophenium stond in Lisse van 1604 tot 1610. De inventarislijst van zijn bezittingen wordt weergegeven.

Door Dirk Flo0rijp

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 3 Zomer 2018

De plek van “de Oude Pastorie” nu Grachtweg 2 werd in 1612 nog tot de Heereweg gerekend.Dominee Egbertus Aemelius die in Lisse predikant was van 1599 tot 1604 was net vertrokken naar zijn nieuwe standplaats in Leiden. De pastorie moest een grondig onderhoud ondergaan om de nieuw beroepen predikant dominee Gilbertus Ophenius, die als kandidaat naar Lisse kwam, te ontvangen. De werkzaamheden kostten een lieve duit waar je toentertijd een woning voor bouwde, voor 225 gulden. Dit alles vond plaats in 1604. We laten de akte even voor zich spreken.

De acte

“Wij ondergetekenden schout ende schepenen des ambachtsheerlicheijts van Lisse doen condt eenen iegelicken ende attesteren bij desen, ter instantie van den eerw: Gilbertus Ophenius onsen kerck dienaer des heijligen evangeliums soo dat wij naer gedaen inspectie vercklaer van t pastorijen huijs tot Lisse voorseijt bevonden hebben seeckere nootwendige reparatie die daer aen van bedertse te doen overmits d zelve een zeer ende groote huijsinge is wesende voor desen tijt nijet wel bequaem voor een dienaar te bewonen, dat daeromme mitten eersten costen een dack opgaende welck dack gansch ende all vergaen is, als van een nijewe wenteltrappe aende camer ende solder over een te maecken, mit een kelderdeur ende eenige reparatie aent achterhuijs mitte bornputh, ende heijninge, mitsgaders ramen op te camer ende beneden oock eenijge deuren op ten solder ofte andersints ende diergelijcke daer aen clevende t welck bij raminge soo den timmerman ende decker gissen estineren ende vercklaeren, al ‘ t samen te zullen costen ter somme van tweehondertvijfenteintig karoli guldens”

Dominee Gilbertus Ophenius

Dominee Gilbertus Ophenius stond in Lisse van 1604 tot 1610. Hij trouwde met Annetghen Pietersdr. en overleed voor 1612. Na zijn overlijden werd er door zijn weduwe met haar borg, tevens haar stiefvader Reijn Wiggertsz. boelhuis gehouden en zien we een honderd gegadigden met hun namen en wat ze kochten uit de boedel van de pastorie en voor welk bedrag. Zodanige meubelen en goederen als worden ingebracht.

Hieronder wat namen en wat zij kochten.

Claer Jacobsz van Oosten, een manshoed voor 3 gulden Pietertje Pouwels, twee oorcussens gemijnd op 6 gulden en 4 stuivers Lisein van der Bles, een comfoir voor 3 gulden Pietertje Pouwels, twee aarden kruiken voor 16 stuivers Oude Jan van Geel, drie kommetjes voor drie stuivers en act penn. Magdalena van Beresteijn, een trechter voor 6 stuivers Grietje Jans, een schuimspaan met een schier snijter voor 12 stuivers Claes Schenaert, een ijzeren hecel Magdalena van Beresteijn, een pannetje en een zandloper voor 13 stuivers Cornelis van Larum, een coperen blacer voor 15 stuivers Jonge Jan Jansz van Geel, een beddepan voor 4 gulden 10 stuivers Magdalena van Beresteijn, een tafel voor 2 gulden en 4 stuivers *Jan Michielsz onzen predikant een pultrien voor 6 stuivers Claes Cornelis velserman, een vleiscuijp voor 18 stuivers Cornelis Henricx tot Catwijck, koperwerk voor 2gulden 4 stuivers.

Bron

NA transportakten nr. 127

Familie Den Heyer die nu haar intrek heeft gedaan in dit pand vraagt naar de vroegste geschiedenis van dit adres. Weet u raad?

De Oude pastorie, Grachtweg 2

 

Hofje van Six gerenoveerd en kreeg de erepenning

De jaarlijkse erepenning voor renovatie of onderhoud van een historisch pand werd in 2018 uitgereikt aan het gerenoveerde Hofje van Six. Over de restauratie is een boek gemaakt.

Nieuwsflitsen

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 2 Lente 2018

2018 Feestelijke drukte bij de heropening

‘Een Huijs ende Erve op den Broekweg’, dat is wat Pieter Six in 1740 in Lisse koopt en daar start het verhaal van het Hofje van Six. Onlangs, op 26 mei, heropende burgemeester Spruit het totaal gerenoveerde hofje, dat nu bestaat uit de adressen Kanaalstraat 34-42. Eigenlijk is het een klein wonder dat het hofje er nog is. In 2010 gaf gemeente Lisse zelfs een sloopvergunning af voor de huisjes die er dan al sinds 1883 staan.
Die eind 19e-eeuwse nieuwbouw en de daaraan voorafgaande afbraak zal ook toen wel ingegeven zijn door de staat van de woningen. De huizen uit 1883 zijn in de loop van de tijd steeds aangepast en verbeterd. Maar voor de 21e eeuw voldoen de huizen totaal niet aan de eisen van de tijd, er is leegstand en opknappen lijkt te duur. Vandaar de oplossing van sloop. Mien Dol, dan nog de enige bewoonster van het hofje, organiseert een protestactie en ook Oud Lisse laat zich in de bezwaren horen. Heel veel Lissers protesteren tegen de sloop. Gelukkig kwam er “hulp” uit een heel andere hoek. De economische crisis was er de oorzaak van dat de beoogde verkoop van grond en huizen stokte. Het behoud van het hofje, zoals veel mensen wensten, kwam toch weer in zicht. Maar was dat haalbaar? De eigenaar van het hofje, de Diaconie van de Hervormde Gemeente Lisse, moest zich beraden over de toekomst. De taak van een Diaconie is om geld dat zij in kas heeft te besteden aan diaconale doeleinden. Een hypotheek aangaan kan niet en een kostbaar renovatietraject is daardoor moeilijk aan te gaan. Gelukkig bracht Aad Dol uitkomst door Kanaalstraat 34 te kopen. Zo ontstonden financiele mogelijkheden om toch te kiezen voor renovatie. In april 2016 wordt dit besluit genomen. Er wordt een gedegen bouwplan gemaakt waarin energiebesparende maatregelen hoog in het vaandel staan. De inzet van vele vrijwilligers is ook een middel om kosten te besparen. Eerst moet er gesloopt en dat “rommel opruimen is echt wel buffelen”. In het voorjaar van 2017 wordt gestart met de opbouw. De monumentale uitstraling van het hofje moet aan de buitenzijde behouden blijven. Binnen is hedendaags wooncomfort gewenst. Vorig jaar september, tijdens Open Monumentendag, kon het publiek al zien dat het een fraai project was. Sinds december 2017 zijn de 4 gerenoveerde hofjeswoningen weer bewoond. Pieter Six’ doel was indertijd ‘vrije bewooning’ voor “oude en behoeftige Ledemaeten van de Gereformeerde Christelijke Religie” . Die doelstelling is natuurlijk achterhaald. De huisjes zijn ongeschikt voor bewoning door ouderen. Er wonen nu jongere huurders. De toewijzing aan huurders verloopt op basis van criteria vanuit de diaconale opdracht en met huren als in de sociale huursector. Maar op een andere manier kan toch gewerkt worden aan de opdracht van Pieter Six omdat de Diaconie met de opbrengst van de huur van de huidige huurders, de ‘bedeelden en behoeftigen’ van onze tijd kan helpen.

Erepenning

Uitreiking penning aan het Diaconie bestuur

Vereniging Oud Lisse reikt jaarlijks een erepenning uit als blijk van waar dering voor renovatie of behoud van een pand. De inspanningen en het fraaie resultaat bij de renovatie van het Hofje van Six sprong er dit jaar natuurlijk uit. Na de jaarvergadering werd de penning door de heer Cor Dol namens “Oud Lisse” overhandigd aan het bestuur van de Diaconie. Cor Dol verzamelt al jaren verhalen en beelden van het hofje en is natuurlijk een warm pleitbezorger voor behoud van het hofje. Dat de Diaconie toch kans heeft gezien om de renovatie alsnog te realiseren was voor “Oud Lisse” ook een enorme opsteker. De Vereniging heeft zich steeds sterk gemaakt voor dit behoud.

Boekwerk Groot Onderhoud 2017

Laura Bemelman even in het zonnetje gezet

Aan de renovatie van het hofje hebben heel veel vrijwilligers meegewerkt. Er is door velen, vaak belangeloos, aan dit project meegewerkt. Het idee ontstond om al die activiteiten in boekvorm vast te leggen. Conny van der Eijk maakte gedurende het hele renovatietraject foto’s. Laura Bemelman nam op zich het verhaal te maken. Ze interviewde diverse mensen die op één of andere manier betrokken waren bij de renovatie. Het resultaat is een leuk informatief en prettig leesbaar boekwerk. De geschiedenis van het hofje komt natuurlijk aan de orde, maar de nadruk ligt vooral op het hele proces van de renovatie en de keuzes die gemaakt werden. De ervaringen en betrokkenheid van de vele harde werkers bij de renovatie kleuren dit boek. Het eerste exemplaar werd op 26 mei bij de heropening van het hofje overhandigd. Alle werkers krijgen een exemplaar als aandenken. Burgemeester Spruit sprak bij de heropening haar waardering uit voor alle werk dat is verzet met een resultaat dat klinkt als een klok. Lisse is een prachtig gerenoveerd hofje rijk en het boek van Laura Bemelman laat zien waartoe enthousiaste vrijwilligers in staat zijn.

 

HOFJE VAN SIX WEER BEWOOND

U leest over geschiedenis vanaf 1741 en 4 van de 5 woningen zijn gerenoveerd en ondertussen al weer bewoond.

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

2 januari 2018

door Nico Groen 

Op 8 december j.l. kregen de 4 nieuwe bewoners de sleutel van hun nieuwe woning in het Hofje van Six. De renovatie van 4 van de 5 woningen is in 2017 voortvarend en grondig aangepakt, om deze weer verhuurbaar te maken. Alleen de buitenmuren en het dak bleven staan. Maar het voorste huis (Kanaalstraat 34) is niet gerenoveerd. Dat is in 2017 door de Diaconie van de Hervormde Gemeente verkocht om de renovatie van de 4 andere woningen voor een deel te bekostigen. Het complex van het Hofje van Six is 134 jaar oud.
De renovatie is een mooie gelegenheid om de geschiedenis eens te bekijken.
 
De Diaconie krijgt in 1741 een legaat van Pieter Six jr.
Pieter Six jr (1686/1755) was een telg uit de rijke koopmansfamilie Six uit Amsterdam. Zij verdienden hun geld onder andere met de lakenververij. Zij belegden hun geld in landerijen en huizen. Zo waren zij bijvoorbeeld in het bezit van Grotenhof aan de Achterweg in Lisse. Pieter was Schepen van Amsterdam en daar later zelfs burgemeester. Hij was in 1720 ook medebewindvoerder van de VOC.
Pieter Six jr koopt in 1740 2 huisjes aan de Kanaalstraat op de locatie rond de poort naar de nu gerestaureerde panden. Daar woonden toen al 4 personen. Hij is niet lang in het volledige bezit gebleven. In 1741 legateerde Pieter Six jr de helft  aan de Diaconie van de Gereformeerde Kerk (later Hervormde Gemeente geheten). Er mochten 4 oudere personen wonen, “mits zij behoeftige ledematen van Gereformeerde Christelijke Religie waren”. Per huis woonden er dus 2 personen. Zij mochten daar voor niets wonen en kregen nog ieder 100 gulden per jaar als leefgeld. Ook de  Diaconie kreeg voor onderhoud en toezicht 100 gulden per jaar. Na het overlijden van Pieter Six in 1755 wordt op basis van een bijzondere bepaling in het testament de Diaconie pas in 1797 volledig eigenaar van het Hofje. Zij ontvangt dan bovendien 10.000 gulden, mogelijk voor nieuwbouw, want in 1809 zijn er 6 hoofdbewoners.
Nog eens zo’n bedrag bleef beschikbaar bij de Amsterdamse Weeskamer.
 
Nieuwbouw in 1883
In 1883 werd het westelijk huisje gesloopt. Daar werd toen een nieuw pand met aparte wooneenheden voor 7 gezinnen van een of meer personen onder één dak gebouwd. Bij een renovatie in 1968 werd een nieuwe, ruimere indeling gemaakt, waardoor er 5 hoofdbewoners overbleven. Deze situatie is na het groot onderhoud in 2017 zo gebleven. De buitenkant, zoals die er nu uit ziet, is nog vrijwel hetzelfde als bij de nieuwbouw uit 1883.
Het oostelijk huisje, daar waar later het sigarenwinkeltje van Ligtenberg was, (Kanaalstraat 44), is in 1912 gesloopt en weer herbouwd. Aan de zuidkant waren daar ook 2 eenkamer woningen aangebouwd. Er konden toen 3 gezinnen met een of meer personen wonen. Totaal in het Hofje dus 10 hoofdbewoners.
In 1926 werd Kanaalstraat 44 gekocht door de hoofdbewoner Dirk Schrier en hoorde het eigenlijk niet meer bij het Hofje. De Diaconie had geld nodig en daarom werd het verkocht.
Helaas is na de verkoop van Kanaalstraat 44 door de fam. Ligtenberg aan een projectontwikkelaar dit pand in 2006 gesloopt en vervangen door een modern hoog pand. Hierdoor is de monumentwaardigheid van het Hofje van Six volgens de uitspraak van de rechter ernstig aangetast en is het Hofje van Six niet meer monumentwaardig.
Een werkgroep van Vereniging Oud Lisse is momenteel aan het inventariseren wat de familie Six in Lisse van doen had en wat zij voor Lisse hebben betekend. Na deze inventarisatie zal hierover een artikelenreeks of een boek worden gemaakt.

 

Het Hofje van Six in vroegere tijden Foto uit ‘Het Hofje van Six te Lisse’ van Rob Pex.