Berichten

De oude R.K. kerk (1)

Arie Raaphorst probeert een schets te geven van de oude kerk, die in 1842 was gebouwd. Er staat een mooie foto van de oude kerk in plus een uitgebreide beschrijving van de kerk en de bijgebouwen.

door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 1, januari 2006

 

Dit is de enige foto van de oude rooms katholieke Agathakerk die in 1842 werd gebouwd. Het gebouw was ontworpen door C.Dobbe, timmerman te Sassenheim. (Foto uit: St.Agatha 1903-2003)

Voordat Arie Raaphorst de nieuwe kerk van de katholieken in Lisse gaat beschrijven, probeert hij eerst een beeld te schetsen van de oude kerk.

Want die mag natuurlijk niet uit de herinnering verdwijnen.
Na de hervorming hadden de Roomsch Katholieken alhier slechts eene statie, welke was vereenigd met die te Warmond, Voorhout en Sassenheim, op welke laatste plaats de pastoor zijn verblijf hield.
Zoals men hoogstwaarschijnlijk wel zal begrepen hebben had Lisse met de drie bovengenoemde dorpen slechts ééne pastoor. Zoals ons uit de geschiedenis bekend is, verkreeg deze plaats in het jaar 1667 eene eigen pastoor, namelijk : Johan van der Werve. Deze overleed op 1 juli 1697, en werd opgevolgd door Lambert Schaap die op 10 april 1709 reeds kwam te sterven.
Na hem is gekomen Arnoud de Leeuw, door wiens inspanningen het kerkgebouw is gesticht, hetgeen tot het jaar 1842 heeft gestaan aan de Noord-westzijde van de Achterweg tusschen de Cathreinelaan en de brug over de Mallegatsloot, ook genoemd de Klopjesbrug, op de plaats waar thans nog is gelegen de oude boierenhofstedem thans bloemisterij en genaamd Bloemenhof.
Deze bloemisterij behoorde vroeger aan de Gravelijke familie Van Lijnden en werd in 1901 bij publieke verkooping gekocht door de heer C. Prins Dz.
In het jaar 1842 echter hebben de Roomsch Katholieken een ander en groter kerkgebouw gekregen.
Het heeft gestaan op de plaats waar thans het nieuwe kerkgebouw is gesticht geworden. Dit kerkgebouw behoorde in die dagen tot de grootste dorpskerken van Nederland, maar was niettemin een eenvoudig gebouw.
Het was een vierkant gebouw, zonder pilaren, met een haaksche kap afgedekt, en pannendak. De pastorij was gelegen aan de achterzijde van het kerkgebouw, met als uitzicht de Haarlemmermeer met de voorgelegen weilanden. Een sierlijk houten torentje prijkte ter hoogte van de voorgevel. Het gebouw was een 25 meter van de straatweg af gelegen.
Het gebouw stond lijnrecht van de straatweg en stond dus niet, zooals men dat noemt, in de H. Linie.
Ter rechterzijde was de toegang naar de pastorij, en de ruimte tusschen de kerk en de stinksloot was beplant met allerlei houtgewas en vormde alzoo een prachtig bosch.
Ter linkerzijde was de toegang naar en het kerkhof zelve, gelegen hetgeen met den bouw van den nieuwe kerk op dezelfde plaats is gebleven.
Ter linkerzijde van het voorplein had men voorts het z.g. paardenhok, waar de boeren die per rijtuig ter kerke kwamen, hun gerei met de paarden er voor stationeerden, terwijl dit paardenhok met 2 gelegenheden genaamd W.C. aan de zijde van de straatweg werden geflankeerd door een boschje van hoog opgaande boomen.
De toegang tot het voorplein en de kerk benevens alle hier boven beschreven dingen, werd verleend door een ijzeren hek, hetzelfde wat ook thans nog aan de dorpszijde toegang verleent tot de kerk.
Het ijzeren hek is met den bouw van de nieuwe kerk ook niet verplaatst geworden, zoodat men aan het kerkhof en dit hek zeer gemakkelijk kan uitmaken waar ter plaatse de oude kerk heeft gestaan, te meer als ik zeg dat het hek vlak voor de ingang der kerk stond, en de ruimte tusschen het kerkhof en de kerk slechts 2 meters bedroeg.
Over het inwendige der kerk kunnen wij het volgende zeggen namelijk: dat het vierkant was zonder pilaren, helder witte muren en een cirkelrond plafond, eveneens wit.
Het priesterkoor was betrekkelijk groot want het nam de geheele breedte van de kerk in beslag.
De kerk had slechts één altaar.
Een mooie gebeeldhouwde preekstoel was geplaatst ter linkerzijde van de kerk en binnen het priesterkoor. Ter rechterzijde en eveneens binnen het priesterkoor bevond zich een fraai gotisch doopvont, zoo men zegt was dit een geschenk van de toenmalige ambachtsheer van Lisse, Baron van Heereman van Zuidwijk te Munster.
Dit doopvont heeft ook weer eene nieuwe plaats gevonden in de nieuwe kerk.
Ter linkerzijde in het priesterkoor bevond zich de toegang naar de biechtkamer van de pastoor en ter rechterzijde de toegang naar de sacristie.
De vrouwen waren gezeten in het midden der kerk in banken voor 12 personen en de mannen aan beide zijden in banken voor 4 personen. De kerk had dus drie regels banken en twee paden. De communiebank was van eikenhout en prachtig gebeeldhouwd. Na ingekort te zijn is deze geplaatst in de kapel van het St.Agatha Gesticht.
In het midden der kerk hingen vanaf het plafond een viertal prachtige kaarsen kronen, die natuurlijk de laatste tijd geen dienst meer deden, omdat men petroleumlampen had aangebracht.
Behalve de beelden van Maria een Joseph prijkten in nissen boven het altaar de beelden van Mozes en Aaron.
Een schilderstuk voorstellende de H.Agatha, patrones der kerk, prijkte boven het altaar.
In de loop der tijden had men wegens uitbreiding der kerkgemeente eene galerij aangebracht over de geheele breedte van het gebouw, welke 100 zitplaatsen bevatte. Daarboven bevonden zicht het zangkoor, waarop ook nog 20 zitplaatsen.
De kerk had maar ééne ingang welke zich bevonden midden van de voorgevel.
Ter linkerzijde van het groote portaal had men de toegang tot de galerij en het zangkoor. In de toren bevond zich een uurwerk met wijzer voor vollen uren. Ook bevond zich in de toren een klok die blijkens het opschrift bij den bouw dezer kerk door W.Verdegaal is gegeven maar vroeger bij anderen dienst heeft gedaan tenminste te oordeelen naar het opsdchrift hetgeen luidt als volgt:

Me fecit Ciprianus
Crans Janszoon
Amsteledami anno 1748
Int jubeljaar der vrijheid 1748
De vredemaeker G.Hasselaer
Heer wierdt en D.Slot
Schout v.
Cudelstaart en F.Prince v.d.
Bezworen – kerf – waren
Ben ik door J.V.Dr.Pauwert
Admin. Burgem: bezorgd te maken.

Dit is zooals men zal begrijpen het oorspronkelijke opschrift terwijl aan de andere kant der klok het volgende is gegraveerd:
Gegeven door W.Verdegaal 1842

Het kerkhof bevond zich evenals nu aan de noord-oost-zijde van de kerk en was omringd door een regel Italiaanse populieren.
Doordat de kerk ongeveer een 25 meters van de straatweg verwijderd stond was er voor de kerk eene groote open plaats, wat men het Kerkeplein noemde. Aan de noord-oost-zijde van de ingang tot het plein ter plaatse waar nu het Piusgesticht staat, bevond zich een boschje en tusschen dit en het kerkhof was het z.g. paardenhok, waar de boeren die rijdend ter kerke kwamen, hunne voertuigen stalden.
Een gelegenheid voor vrouwen een dito voor mannen waren mede aanwezig aan dezelfde kant.
Tusschen de zuid-west-zijde van de kerk en de stinksloot bevond zich de z.g. tuin. Het was echter een bosch met boomen van velerlei slag.
Aan de doopvondzijde was de eerste bank van de mannen gereserveerd voor de familie Heereman van Zuidwijk, voor het geval dat zij zich te Lisse bevonden.

Klik hier voor het volgende deel: de nieuwe kerk.

Copyright © 2006 Vereniging Oud Lisse

Van vermacklijk Hillegom tot lang uitgebouwd Lis

In de beschrijving over Lisse door “Kabinet van Nederlandse en Kleefse Oudheden” staat een uitgebreide beschrijving van een wandeling van Hillegom naar Lisse in de 16e eeuw.

door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 1, januari 2006

Onder de gemeenten in de bloembollenstreek, waar de bloembollencultuur zich in een zeer snel tempo ontwikkelde, heeft Lisse altijd een voorname plaats ingenomen. Vond men hier in vroegere tijden een welvarende landbouwbevolking, die behalve de landbouw ook de tuinbouw uitoefende, zoetjesaan rukte de bollenteelt op.

We gaan in een paar afleveringen mee met Mattheus Brouerius van Nidik en Isaac le Long in hun beschrijving van Lisse in het “Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche Oudheden”. En zet u maar schrap, want er is getracht de oorspronkelijke tekst te behouden. 

“Uit het vermacklijk dorp Hillegom voortwandelend langs den ruimen Heerenweg, eene lange reeks van binnen- of lage duinen aan de rechter, en het Leidsche meer aan de linkerzijde houdende, voorbij de Gerrit Avenweg, de Keizersloot en Verbogenvaart, nadert men het lang uitgebouwde dorp Lis, door eene lange straat, met eenige zijstraten en gangen doorsneden; voortgaande ontmoet men De Kerk, waarop een hoog gebouwde en vierkante toren, met een lage kap gedekt, en geheel van tras- of duinsteen opgebouwd. De teekenaar heeft beiden in die gedaante afgeteekend, gelijk dezelven in het jaar 1630 vertoonden; liggende het choor of agterste gedeelte der kerk, sedert den inlandschen oorlog met den Spanjaarden, elke, voornamelijk van het jaar 1572 tot 1580, in deze streken gewoed heeft, voor het grootste gedeelte ingestort. De heerlijkheid van Lisse, weleer, in den jare 1591, een eigendom van den heer Johan van Mathenesse, en tegenwoordig toebehoorende aan Frerik Heerman, Heer van Dever, Rumpt en Vromestein, ligt tussechen de ambagtsheerlijkheden van Sassenheim en Hillegom, tusschen het Leidsche en Kagermeer, en tusschen de heerlijkheden van Voorhout en Noordwijkerhout.”

Copyright © 2006 Vereniging Oud Lisse

ANDRIES SCHOEMAKER (1660-1735) TEKENT LISS


Huijs Dever, getekend door Andries Schoemaker

Andries Schoemaker maakte niet alleen tekeningen, maar schreef ook veel. Hij schrijft lyrisch over Lisse. Vanaf de eerste kapel tot zijn eigen tijd rond 1730.

door de redactie van het Nieuwsblad

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 1, januari 2006

Lis: Is een dorp met een parochie kerk tussen Sassenheijm en Hillegom al waar men van outs Ageta als patronesse pleeg te

vieren. De kapel van Lis, dewelke te voren onder de parochiekerk van Sassem hadde gestaan, is tot een parochiekerk aan gestelt en van Sassem afgesondert inden jaare 1460 gelijk dees volgende brief noch in wegen sijnde is luydende,

WOUTER van TER GOUDE proost en arsdiaken van st. Pieterskerke te Utrecht door den H. apostolischen stoel tot Romen tot Rechter, kommissaris en Gemagtígde in de onderstaande Zake aangestelt, wenst allen en een Ider de eeuwige Zaligheijt in den Heere ende een vaste gehoorzaamheíjt aan onse bevelen.
De brief van den alder hijligsten vader in Christus, onsen heer PIUS derde, door GODS voorsienigheijt paus van Romen, met zijn eijgen en ware lode (bellen?) en uythangende kennip koordeken naar de wijse van ’t Roomse Hof bezegelt, en daar bij gaaf, volkomen heel, en onbedorve, ongeschrapt, niet verdagt van de minste vervalsinge, de welke ons van wegen de eersame mannen, de schout, mitsgaders de Inwoonders en ingesetenen van Lis, onder het bisdom van Utrecht, die in den gemelden brief ook vermeld worden, ten overstaan van een openbaren notaris en van Getuygen behandigt is, hebben wij met alle eerbiedigheijt soo als het betaamde, ontvangen. Zijnde van den volgende Inhoud:

PIUS bisscop, de dienaar van GODS dienaren, wenst aan sijn eerwaardige broeder den bischop van Utrecht, en aan sijne lieve soonen, de proosten van den dom, en van St Pieterskerke te Utrecht, de Zaligheijt en de apostolisen Zegen, de heilige genegentheijt de welke onse beminde soonen de schout, mitsgaders de /nwoonders en Ingesetenen van het dorp LIS onder het bisdom van Utrecht, ons en de Roomse kerke toegedragen, (..?..) dat wij hunne begeerte soo verre als het ons mogelijk is in willigen, voor al de sodanige dewelke dienen om de (gevaren?) van hunne ziel en lichaam af te weeren, om hunne Zalighijt ende vermeerdering van den Goddelijken dienst te besorgen, en, om het gene verders tot hunne welstant verstrecken kan, uyttewerken. Verders hebben de schout, Inwoonders en ingesetenen voornoempt ons een bede voorgeslagen hier in bestaande dat het voornamelijk de oude en swacke luyden zeer lastig viel dat sij om de misse en andere Goddelijken diensten te hooren, mitsgaders om de kerkelijke sacramenten te onifangen, en de klijne kinderen dewelke daar geboren worden te laten dopen, gehouden sijn te gaan na de parochiekerke van Sassem onder het voornoemde bisdom, welke parochiekerk onder dewelke de schout ende Inwoonders ende ingesetenen voornoempt, als parochianen behoren en gerekent worden een halve mijl soo als de mijlen in die gewesten gerekent worden dat is 3 Italiaanse mijlen vant gemelde dorp gelegen is, soo dat het somwijlen gebeurt dat de Ingesetenen en Inwoonders voornoempt omdatte den priester die soo verre van dien of woond, niet tijdig genoeg (.?..) bekomen sonder het onfifangen van de sacramenten, ende klijne kinderen sonder het doopzet te ontfangen, komen te sterven, tot geen klijn gevaar van hunne Zielen. Daarom sijn wij wegens de schout ende Inwoonders en ingesetenen voornoempt ootmoedig gebeden: wij souden ons dog gewaardigen de koninglijke kapel, dewelke door WILLEM Rooms koning, toen graaf van Holland, roemrugtiger gedagtenisse, gebout is in het gemelde dorp Lis, en dewelke, soo als de schout en Inwoonders en ingesetenen voornoempt versekerden, door den gemelden koning, toen hartog, daar toe geschikt is geweest, tot een parochie kerk op te rechten en tegen de voorsegde ongemacken van de schout, Inwoonders en ingesetenen voornoempt te voorsien. Soo is het dan dat wij als geen regte kennis van het bovenstaande hebbende, en voort gemelde toch wel genegen sijnde, uwe bescheijdenheijt door dit pauselijk geschrift bevelen, dat gijlieden ofte tenminsten twee of een van Ue den Regent der voornoemde parochiekerke van Sassenhijm ende andere die’t behoort bij Ue te ontbieden hebt, en indien ghij dan na een naarstig onderzoek de Baak aldus gelegen vind, de gemelde kapel tot een parochiekerk, die hare doopvonten en kerkhof, ende verder eertekenen van een parochie kerk hebbe, hebt op te rechten. Den schout, de Inwoonders en ingesetenen van’t voornoemde dorp, dewelke tot nu toe gewoon sijn het wijfeest der gemelde kapelle jaarlijks te vieren, en hunne nakomelingen, omtrent de Zielbestieringe en andere parochie ampten uyt kragte van het Apostolís gesag van de gemelde parochie kerk van Sassenheijm af te zonderen, deselve, mitsgaders het voornoemde dorp, na dat soo Benen oprichting en afsondering door Ue gedaan sal veesen, als rechte parochianen en parochiepriesters aan de voornoemde kapelle vast te hechten en toe te eijgenen, het bestier over de Zielen van de gemelde menschen aan den regent van de gemelde kapelle, voor altfijt op te dragen, en aan den Schout, Inwoonders en ingesetenen voornoempt verlof te geven om in dese/ve kapelle, als sijnde dan haar eijgen parochie kerk, de Goddelijke diensten te horen. En dat gij sult maken en te weeg brengen dat aan de regent der voornoemde kerke van Sassenhijm alle jaar en ten eeuwigen tijden twee of drie oncen loueter zilver, of soo een andere vergoeding als gij lieden volgens de redelijkheijt billik sult oordelen, door de parochianen die aldus afgesondert sullen worden, voor het bovenstaande inderdaad betaalt werden, sodanig dat gijlide de tegen (.. ?..) door kerkelijke straf vonnissen sonder plaas aan Benig beroep te geven, zult mogen bedwingen, niet tegen staande alles wat hier tegen mag( …?…)
Gegeven te Romen bij St Pieter in’t Jaar van ‘sHeeren mensch wordinge 1460 of 8ste der maand november in’t darde jaar van ons pausdom.
Waarop wij de voornoemde kapel van Lis tot een parochiekerk die doopvonten, een kerkhof ende verdere eertekenen van een parochiekerk hebbe, oprechten, den schout, de Inwoonders en ingesetenen van’t voornoemde dorp, dewelke tot nu toe gewoon sijn het wijfeest der gemelde kapelle jaarlijks te vieren, en hunne nakomelinge ontrent de Zie/bestierínge en de verdre parochierechten van de gemelde parochie kerk van Sassenheijm uyt krapte van het apostolis gesag af sonderen de voornoemde schout en Inwoonders mitsgaders het gemelde dorp Zelfs. Sijnde nu op de gerijde wijse van de parochie kerk van Sassenheijm door ons afgesondert, als parochianen aan de gemelde kapelle als hare parochie kerke vast hechten en toe wijsen, het bestier over de Zielen der parochianen van’t gemelde dorp Lis aan den regent der selver kapelle, dewelke nu tot een parochiekerk opperecht is, door ’t zelve apostolis gesag aanbevelen aan den schout, de Inwoonders en ingesetenen voornoempt verlof geven om in de selve kapelle als in haar eijgen parochie kerk de Goddelijke diensten te horen en volgens de gemelde Redelijkhijt ordeheren dat aan den regent der voornoemde parochie kerke van Sassenheijm, die het op soo een tijt wesen magh, tot Benen vergoedinge van het bovenstaande door de parochianen die dus van de parochi kerke van Sassenheijm afgesondert sijn, jaarlijks ten eeuwigen tijde betaalt zullen worden 5 onsen louter Zilver en dat aan den heer Bartholomeus Simons van Schidam, priester en pastoor der parochie kerke van Sassenheijm.
Gegeven te Utrecht in ons woonhuys in’t jaar 1461 in de 9de indictie ’s maandags of 27 der maand April ten overstaan van de eersame getuygen, Theobaldus Niklaasz en Reijnier van Cij.

Dus wierd dese kapelle van Lis tot een parochiekerk hervormpt door pauselijke magt op het eersoek van den schout en inwoonders aldaer. Het pastoorschap plagt door de graven van Holland en de instellinge door den ars diaken van Utrecht gegeven te worden. De inkomste van dese pastory bedroegen 40 Rijnse Guldens. De koster wierd mede door den Hollandse Graaf benoempt.

Na het afdoen van het Roomse bijgeloof (Schoenaker was dus zelf protestant!) soo verminderde ook de inkomsten van de kerk voor de noch over gebleve priesteres, waardoor dat de ook overgebleve van de Roomse kerken vereenigt wierden met de dorpen Warmond, Voorhout, Sassen, werdende dese vier plaatzen dooreen en deselve priester bedient, welke priester zijn woonstede tot Sassen hield, doch nader hand is Lis wederom van de andere afgesondert en verkreeg een Bijgen pastoor.

Lisse, een van de dorpen int balliuschap van Rijnland, daar Leijden de hoofdstad van is, aan’t poortwesten van het haarlemmermeer, heeft kerk en predicant, staande onder ’t Classis van Leijden en Neder Rijnland.

Het dorp Lisse is een heerlijk dorp gelegen aan de Heerewegh tussen de stede Haarlem en sGravenhage, alwaar de postwagen van Amsterdam na Den Haag rijdende, heen en weer dagelijks twee maal door rijt. Het is een bequame brede straat, beset met zeer sware linde boonren, en leijt rondom in een seer vermakelijke landsdouwe niet verre van t Haarlemmermeer en de Leijdse Trekvaart.

Lissepolder is het bedijkte Geestwater aan het noordwestende van het haarlemmermeer, tussen de dorpen Sassenheijm en Lisse en het Kapermeer, daar de heer Alting dese oude latijnse naam op vind: Annisou.

Andries Schoemaker, getekend naar Norbertus van Bloemen

LISSE VOLGENS ANDRIES SCHOEMAKER

Andries Schoemaker maakte niet alleen tekeningen, maar schreef ook veel.  Hij schrijft lyrisch over Lisse. Vanaf de eerste kapel tot zijn eigen tijd rond 1730.

Jaargang 4 nummer 4, oktober 2005

Redactie

Toen de Amsterdamse koopman Andries Schoemaker (1660-1735) het geld verdienen welletjes vond en met pensioen ging, wijdde hij zich geheel aan zijn hobby. Tien jaar lang- in de zomers van 1724-1734 – reisde hij rond in de gewesten van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en zijn pen tekende karakteristieke dorps- en stadsgezichten en hij voorzag die tekeningen van uiterst interessante informatie. Hij bezocht ook verschillende malen Liss, ons dorp.

Hierbij de tekeningen en de getranscribeerde tekst.

Schoemaker

Lis: Is een dorp met een parochie kerk tussen Sassenheijm en Hillegom al waar men van outs Ageta als patronesse pleeg te vieren. De kapel van Lis, dewelke te voren onder de parochiekerk van Sassem hadde gestaan, is tot een parochiekerk aan gestelt en van Sassem afgesondert inden jaare 1460 gelijk dees volgende brief noch in wegen sijnde is luydende,

WOUTER van TER GOUDE:

WOUTER van TER GOUDE proost en arsdiaken van st. Pieterskerke te Utrecht door den H. apostolischen stoel tot Romen tot Rechter, Kommissaris en Gemagtigde in de onderstaande Zake aangestelt, wenst allen en een Ider de eeuwige Zaligheijt in den Heere ende een vaste gehoorzaamheijt aan onse bevelen.

De brief van den alder hijligsten vader in Christus, onsen heer PIUS derde, door GODS voorsienigheijt paus van Romen, met zijn eijgen en ware lode en uythangende kennip koordeken naar de wij se van ’t Roomse Hof bezegelt, en daar bij gaaf, volkomen heel, en onbedorve, ongeschrapt, niet verdagt van de minste vervalsinge, de welke ons van wegen de eersame mannen, de schout, mitsgaders de Inwoonders en ingesetenen van Lis, onder het bisdom van Utrecht, die in den gemelden brief ook vermeld worden, ten overstaan van een openbaren notaris en van Getuygen behandigt is, hebben wij met alle eerbiedigheijt soo als het betaamde, ontvangen. Zijnde van den volgende Inhoud:

Pauselijke brief

PIUS bisscop, de dienaar van GODS dienaren, wenst aan sijn eerwaardige broeder den bischop van Utrecht, en aan sijne lieve soonen, de proosten van den dom, en van St Pieterskerke te Utrecht, de Zaligheijt en de apostolisen Zegen, de heilige genegentheijt de welke onse beminde soonen de schout, mitsgaders de inwoonders en Ingesetenen van het dorp LIS onder het bisdom van Utrecht, ons en de Roomse kerke toegedragen, dat wij hunne begeerte soo verre als het ons mogelijk is in willigen, voor al de sodanige dewelke dienen om de (gevaren?) van hunne ziel en lichaam af te weeren, om hunne Zalighijt ende vermeerdering van den Goddelijken dienst te besorgen, en, om het gene verders tot hunne welstant verstrecken kan, uyttewerken. Verders hebben de schout, Inwoonders en ingesetenen voornoempt ons een bede voorgeslagen hier in bestaande dat het voorna­melijk de oude en swacke luyden zeer lastig viel dat sij om de misse enandere Goddelijken diensten te hooren, mitsgaders om de kerkelijke sacra­menten te onifangen, en de klijne kinderen dewelke daar geboren worden te laten dopen, gehouden sijn te gaan na de parochiekerke van Sassem onder het voornoemde bisdom, welke parochiekerk onder dewelke de schout ende Inwoonders ende ingesetenen voornoempt, als parochianen behoren en gerekent worden een halve mijl soo als de mijlen in die gewesten gerekent worden dat is 3 Italiaanse mijlen vant gemelde dorp gelegen is, soo dat het somwijlen gebeurt dat de Ingesetenen en Inwoonders voornoempt omdatte den priester die soo verre van dien of woond, niet tijdig genoeg (.?..) bekomen sonder het onfifangen van de sacramenten, ende klijne kinderen sonder het doopzet te ontfangen, komen te sterven, tot geen klijn gevaar van hunne Zielen. Daarom sijn wij wegens de schout ende Inwoonders en ingesetenen voornoempt ootmoedig gebeden: wij souden ons dog gewaardigen de koninglijke kapel, dewelke door WILLEM Rooms koning, toen graaf van Holland, roemrugtiger gedagtenisse, gebout is in het gemelde dorp Lis, en dewelke, soo als de schout en Inwoonders en ingesetenen voornoempt versekerden, door den gemelden koning, toen hartog, daar toe geschikt is geweest, tot een paro­chie kerk op te rechten en tegen de voorsegde ongemacken van de schout, Inwoonders en ingesetenen voornoempt te voorsien. Soo is het dan dat wij als geen regte kennis van het bovenstaande hebbende, en voort gemelde toch wel genegen sijnde, uwe bescheijdenheijt door dit pauselijk geschrift bevelen, dat gij lieden ofte tenminsten twee of een van Ue den Regent der voornoemde parochiekerke van Sassenhijm ende andere die’t behoort bij Ue te ontbieden hebt, en indien ghij dan na een naarstig onderzoek de Baak aldus gelegen vind, de gemelde kapel tot een parochiekerk, die hare doopvonten en kerkhof, ende verder eertekenen van een parochie kerk hebbe, hebt op te rechten. Den schout, de Inwoonders en ingesetenen van’t voornoemde dorp, dewelke tot nu toe gewoon sijn het wijfeest der gemel­de kapelle jaarlijks te vieren, en hunne nakomelingen, omtrent de Zielbestieringe en andere parochie ampten uyt kragte van het Apostolis gesag van de gemelde parochie kerk van Sassenheijm af te zonderen, deselve, mitsgaders het voornoemde dorp, na dat soo Benen oprichting en afsondering door Ue gedaan sal veesen, als rechte parochianen en paro­chiepriesters aan de voornoemde kapelle vast te hechten en toe te eijge­nen, het bestier over de Zielen van de gemelde menschen aan den regent van de gemelde kapelle, voor altfijt op te dragen, en aan den Schout, Inwoonders en ingesetenen voornoempt verlof te geven om in deselve kapelle, als sijnde dan haar eijgen parochie kerk, de Goddelijke diensten te horen. En dat gij sult maken en te weeg brengen dat aan de regent der voornoemde kerke van Sassenhijm alle jaar en ten eeuwigen tijden twee of drie oncen loueter zilver, of soo een andere vergoeding als gij lieden vol­gens de redelijkheijt billik sult oordelen, door de parochianen die aldus afgesondert sullen worden, voor het bovenstaande inderdaad betaalt wer­den, sodanig dat gijlide de tegen (.. ?..) door kerkelijke strafvonnissen sonder plaas aan Benig beroep te geven, zult mogen bedwingen, niet tegen staande alles wat hier tegen mag ( …?…)

Gegeven te Romen bij St Pieter in’t Jaar van ‘sHeeren mensch wordinge 1460 of 8ste der maand november in’t darde jaar van ons pausdom.

WOUTER van TER GOUDE: 

Waarop wij de voornoemde kapel van Lis tot een parochiekerk die doop­vonten, een kerkhof ende verdere eertekenen van een parochiekerk hebbe, oprechten, den schout, de Inwoonders en ingesetenen van’t voornoemde dorp, dewelke tot nu toe gewoon sijn het wijfeest der gemelde kapelle jaarlijks te vieren, en hunne nakomelinge ontrent de Zielbestieringe en de verdre parochierechten van de gemelde parochie kerk van Sassenheijm uyt krapte van het apostolis gesag af sonderen de voornoemde schout en Inwoonders mitsgaders het gemelde dorp Zelfs. Sijnde nu op de gerijde wijse van de parochie kerk van Sassenheijm door ons afgesondert, als parochianen aan de gemelde kapelle als hare parochie kerke vast hechten en toe wijsen, het bestier over de Zielen der parochianen van’t gemelde dorp Lis aan den regent der selver kapelle, dewelke nu tot een parochie­kerk opperecht is, door ’t zelve apostolis gesag aanbevelen aan den schout, de Inwoonders en ingesetenen voornoempt verlof geven om in de selve kapelle als in haar eijgen parochie kerk de Goddelijke diensten te horen en volgens de gemelde Redelijkhijt ordeheren dat aan den regent der voornoemde parochie kerke van Sassenheijm, die het op soo een tijt wesen magh, tot Benen vergoedinge van het bovenstaande door de paro­chianen die dus van de parochi kerke van Sassenheijm afgesondert sijn, jaarlijks ten eeuwigen tijde betaalt zullen worden 5 onsen louter Zilver en dat aan den heer Bartholomeus Simons van Schidam, priester en pastoor der parochie kerke van Sassenheijm

Gegeven te Utrecht in ons woonhuys in ’t jaar 1461 in de 9de indictie ’s maandags of 27 der maand April ten overstaan van de eersame getuygen, Theobaldus Niklaasz en Reijnier van Cij.

Schoemaker:

Dus wierd dese kapelle van Lis tot een parochiekerk hervormpt door pauselijke magt op het eersoek van den schout en inwoonders aldaer. Het pastoorschap plagt door de graven van Holland en de instellinge door den ars diaken van Utrecht gegeven te worden. De inkomste van dese pastory bedroegen 40 Rijnse Guldens. De koster wierd mede door den Hollandse Graaf benoempt.

Na het afdoen van het Roomse bijgeloof (Schoenaker was dus zelf pro­testant!) soo verminderde ook de inkomsten van de kerk voor de noch over gebleve priesteres, waardoor dat de ook overgebleve van de Roomse kerken vereenigt wierden met de dorpen Warmond, Voorhout, Sassen, werdende dese vier plaatzen dooreen en deselve priester bedient, welke priester zijn woonstede tot Sassen hield, doch nader hand is Lis wederom van de andere afgesondert en verkreeg een ijgen pastoor.

Lisse, een van de dorpen int balliuschap van Rijnland, daar Leijden de hoofdstad van is, aan’t noortwesten van het haarlemmermeer, heeft kerk en predicant, staande onder ’t Classis van Leijden en Neder Rijnland.

Het dorp Lisse is een heerlijk dorp gelegen aan de Heerewegh tussen de stede Haarlem en sGravenhage, alwaar de postwagen van Amsterdam na Den Haag rijdende, heen en weer dagelijks twee maal door rijt. Het is een bequame brede straat, beset met zeer sware linde boomen, en leijt rondom in een seer vermakelijke landsdouwe niet verre van t Haarlemmermeer en de Leijdse Trekvaart.

Lissepolder is het bedijkte Geestwater aan het noordwestende van het haarlemmermeer, tussen de dorpen Sassenheijm en Lisse en het Kagermeer, daar de heer Alting dese oude latijnse naam op vind: Annisou.

Een tekening van Schoemaker van de grote kerk in 1723

Een tekening van Schoemaker van de grote kerk in 1690 met verwoest schip

Algemeende begraafplaats

Uit de notulen van de gemeenteraad uit 1873 wordt verslag gedaan over de afspraken ten aanzien van de Algemene begraafplaats bij de Grote Kerk. De kerk stelt 120 m2 ter beschikking aan de gemeente Lisse. Ook wordt vrije toegang verleent tot de gemeenteklok. De kerk houdt het recht voor om bomen op het kerkhof te planten of te verwijderen.

door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 4 nummer 3, juli 2005

Wijlen de heer J.P Segers heeft vele markante bijzonderheden uit de geschiedenis van Lisse voor het nageslacht bewaard. Onder meer groef hij in heel oude raadsnotulen, die, voorzover we weten, voor een deel niet meer in de archieven van de gemeente Lisse terug te vinden zijn. We tekenden uit zijn geschriften het volgende op:

22 september 1873.
P. Veen wordt op zijn verzoek ontslagen als hulponderwijzer. De hoofdonderwijzer verzoekt verandering van schooltijden gedurende de vacature en wel van 9-11 uur, van 11.30-1.20 uur en van 2-4 uur, zullen slechts de leerlingen van een lokaal gelijk worden toegelaten; wordt toegestaan.

Klok, orgel en brandspuit
De kerk-kwestie-commissie legt een concept over door haar en het kerkbestuur samengesteld. Het kerkbestuur stelt 120 meter grond ter beschikking van de gemeente als algemeende begraafplaats, ten westen van de toren, onder toezicht van het gemeentebestuur. Het kerkbestuur zal de afscheidingsmuren daar stellen. De gemeente moet hiervoor 20 gulden per jaar betalen en tevens zorgen voor een uitgang met hek naar de Achterweg, voor toegang tot de grond, alsmede voor de klokkenist en de brandspuit.
Het gemeentebestuur stelt beschikbaar voor gemeenschappelijk gebruik het door de gemeente opgerichte lijkenhuis. Het kerkbestuur stelt zijn kerkhof ten alle tijden open als begraafplaats op dezelfde wijze als dat tot heden heeft plaats gehad.

‘Algemeende begraafplaats’

Vrije toegang
Het kerkbestuur verleent vrije toegang tot de gemeenteklok, terwijl wederkerig de gemeente vrije toegang verleent tot het orgel. Het kerkbestuur zal voortaan weer gebruik mogen maken van het luiden der klok voor hun Godsdienstoefeningen. Het kerkbestuur zal de beschikking hebben over ruimte beneden in de toren tot het opbergen van baren, planken enz. Het kerkbestuur verbindt zich voor een en ander f. 20,- per jaar te betalen. Het gemeentebestuur erkent het recht van het kerkbestuur op de bomen, verleent het recht van boomplanten om het kerkhof en wordt na gehouden ,,delibiratie” besloten deze overeenkomst goed te keuren en op te zenden aan Ged.. Staten.

Voordracht
8 october 1873.
Met algemene stemmen wordt benoemd tot hulponderwijzer uit een voordracht van 3 de heer W.Tysma van IJlst.

Copyright © 2005 Vereniging Oud Lisse

Het Witte Kerkje aan de Irenestraat weer helemaal nieuw

Het witte kerkje van de Gereformeerde Gemeente Vrijgemaakt aan de Irenestraat ziet er weer piekfijn uit. Het kerkje dateert uit 1952.

Redactie

NIEUWSBLAD Jaargang 4 nummer 1, januari 2005

Uniek mag het beslist worden genoemd dat een relatief kleine kerkgenoot­schap erin geslaagd is een grootscheepse verbouwing volledig zelf uit te voeren en te financieren. De kerk telt immers nog geen tweehonderd leden en toch hebben ze het hem gelapt. Maar als je iemand als Ton Horsman in je midden hebt, die als voormalig aannemer en ontwikkelaar de kar wel wilde trekken, is dat een groot voordeel.

Halve eeuw

Het Witte Kerkje dateert uit 1952 en staat aan de Irenestraat. Doordat het ledental de afgelopen jaren sterk is gegroeid, was het vergroten van de kerkzaal en de garderobe noodzaak geworden. Besloten werd de kerk met één beuk te verlengen. Horsman vertelt: ‘De opbouw is toch zo’n twaalf meter hoog en bovendien konden we maar met een beperkt aantal mensen aan de slag. Gelukkig bevinden zich onder onze kerkleden een tweetal geroutineerde bouwvakkers.   Regelmatig namen zij op vrijdag vrij en na het sloopwerk zijn zij aan de slag gegaan met het metselwerk en het aan­brengen van een nieuwe daklaag.’

Gigaklus

Ook de stalen kozijnen zijn vervangen door fraaie aluminium exemplaren met dubbel glas. Het stukadoorswerk, het loodgieterswerk en de werk­zaamheden aan de centrale verwarming werden uitbesteed, maar het tegel-werk en timmerwerk kon weer met eigen mensen worden uitgevoerd. Ton Horsman: “Natuurlijk was het een gigaklus om de verbouwing voor een minimum aan kosten samen met een handvol vrijwilligers in de vrije uur­tjes uit te moeten voeren. Persoonlijk heeft het mij ook heel wat uurtjes gekost, want een jaar lang was ik wekelijks van woensdag tot zaterdag in de kerk te vinden. Maar zoiets doe je met plezier en het mooiste is dat we zelfs nog zo’n 10.000 euro onder onze begroting zijn gebleven. Voor de totale verbouwing was namelijk 80.000 euro begroot, een bedrag dat we samen met onze kerkleden helemaal zelf zonder enige vorm van subsidie bijeen hadden gespaard.’

(Bron. Witte Weekblad)

Het Witte Kerkje van de Gereformeerde Gemeente Vrijgemaakt ziet
er weer piekfijn uit. Een jaar lang heeft het in de steigers gestaan voor
een grootscheepse verbouwing die volledig uit eigen middelen en met
vereende krachten is gerealiseerd.

WAAROM KREEG DE HERVORMDE KERK GEEN SUBSIDIE VAN DE PROVINCIE?

De Hervormde Kerk krijgt van de provincie Zuid-Holland geen subsi­die voor de tweede fase van de restauratie van de Grote Kerk aan het Vierkant. De Kerkvoogdij geeft de schuld aan de gemeente. En de gemeente geeft de schuld aan de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Wat is er nu precies gebeurd? Een reconstructie.

Hans Smulders

NIEUWSBLAD Jaargang 4 nummer 1, januari 2005

In het jaar 2000 wordt besloten de noodzake­lijke restauratie van de Grote Kerk ter hand te nemen. Het werk wordt (op verzoek van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg) in twee fasen verdeeld om zo snel mogelijk voor subsidie in aanmerking te komen. Fase l betreft voornamelijk de restauratie van de kap en het casco van de kerk. Er wordt bij de Provincie Zuid-Holland subsidie aange­vraagd en die wordt vlot verstrekt

(€ 782.412,-). De restauratie start dan ook op tijd in het jaar 2001. Al spoedig blijkt dat er voor fase 2 veel meer geld nodig is dan begroot, omdat er veel extra en onvoorzien werk moet worden verricht. Een nieuwe aanvraag voor weer veel geld (€ 557.046,-) gaat de deur uit. En dan gaat het mis.

In september 2002 verzoekt de gemeente Lisse aan de Provincie Zuid-Holland om fase 2 van de restauratie voor het verkrijgen van subsidie te plaatsen op het Provinciaal Restauratie Uitvoerings Plan (PRUP). Tegelijkertijd dient zij een verzoek in bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg om het zogenaamde subsidiabele bedrag voor fase 2 vast te stellen; aan de hand van begrotingen stelt deze Dienst vast welke deel van de werkelijke kosten in aanmerking komt voor subsidie en hoe­veel. De Provincie laat de gemeente weten dat de hoogte van de gevraagde subsidie uiterlijk op 15 november bekend moet zijn.

Halfjaar

Maar de Rijksdienst voor de Monumentenzorg laat de Kerkvoogdij van de Hervormde Gemeente en ook de gemeente Lisse pas in april 2003 weten wat het subsidiabele bedrag is. Een halfjaar na de indiening van het ver­zoek!

Dit heeft tot gevolg dat de subsidie-aanvrage door de provincie niet in behandeling wordt genomen en derhalve ook niet op het concept Provinciaal Restauratie Uitvoerings Plan (PRUP) komt te staan. Dat con­cept wordt in april 2003 vastgesteld. Enkele maanden later wordt dit con­cept definitief.

Dit is natuurlijk een forse tegenvaller voor de kerkvoogdij van de Hervormde Kerk en de gemeente.

Begin september 2003 tekent de gemeente dan ook bij de Provincie   , bezwaar aan tegen het feit dat de Grote Kerk niet op de PRUP-lijst staat. Bijna eenjaar later, want ambtelijke molens malen o zo langzaam, bericht de Provincie aan de gemeente dat het bezwaar weliswaar ontvankelijk is verklaard, maar ook ongegrond. De aanvraag was immers niet volledig, want een opgave van de subsidiabele kosten ontbrak, en daarom is de aan­vraag niet in behandeling genomen.

Aan de bel getrokken?

Vraag aan Marjan Kamp, chef van de afdeling Onderwijs, Sport en Cultuur van de gemeente Lisse, waaronder subsidie-aanvragen voor Rijks-en Gemeentelijke Monumenten vallen: ‘Hebben jullie wel voldoende bij de Rijksdienst aan de bel getrokken om de papieren op tijd bij de Provincie te krijgen?’

Ze zegt: ‘Ja, er is zeer geregeld telefonisch contact geweest! Het is toch te belachelijk voor woorden dat ze voor zo’n aanvraag een halfjaar de tijd nemen! Naar mijn mening zijn we door de Dienst politiek gebruikt, want ze kampen met personeelstekorten.’

Waarom een half jaar?

Vraag aan Michiel Enderman van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, de bouwkundig consulent die indertijd de subsidiabele kosten van fase 2 moest vaststellen en die één dag per week voor de Rijksdienst werkt: ‘Waarom heeft het bijna een halfjaar geduurd voor u deze aanvraag had afgehandeld?’ Hij zegt: ‘Normaliter doen we zo’n 12 tot 16 weken over een aanvraag.

De afhandeling van deze aanvraag is vertraagd doordat het heel druk was en doordat we onderbezet zijn. Wij werken hier met drie mensen, waarvan er één tijdelijk uitgeschakeld is, en we hebben 4,5 formatieplaats open staan, dus u kunt wel nagaan.’

Vraag: ‘Doordat u veel en veel te laat met het subsidiabele bedrag afkwam, is de aanvraag voor de subsidie niet door de Provincie in behan­deling genomen. Uw schuld, toch?’

Hij zegt: ‘U moet bedenken dat het werk van de Rijksdienst in het geheel niet is gekoppeld aan het werk van de Provincie. Als de Provincie een gemeente slechts 6 tot 8 weken de tijd gunt, dan staan wij daar buiten.’

Procedureel en inhoudelijk

Vraag aan Vincent Collette van de afdeling Cultuur van de Provincie die de subsidie-aanvraag behandelde: ‘De aanvraag werd niet in behandeling genomen omdat het subsidiabele bedrag niet bekend was. Daar kon de gemeente Lisse toch niets aan doen?’

Hij zegt: ‘Dat is juist. Maar de Provincie staat natuurlijk buiten de oorzaak daarvan. Procedureel klopte de aanvraag niet wegens het ontbreken van het noodzakelijke cijfermateriaal en dus werd de aanvraag niet in behan­deling genomen.’

‘Dat is toch wel een heel ambtelijke benadering!’

Hij zegt: ‘Wij hebben ook nog inhoudelijke criteria aan te leggen. Ik kan natuurlijk niet beweren, dat de gemeente Lisse voor dit project so wie so geen subsidie zou hebben gekregen, want het is uiteindelijk Gedeputeerde Staten die zo’n besluit neemt. Maar aan de andere kant: wij hebben per jaar een bedrag van 2,2 miljoen euro te verdelen in heel Zuid-Holland. Er liggen eind 2004 in de hele provincie projecten voor een totaal bedrag van ongeveer 150 miljoen. Als je dan bedenkt datje ruim een half miljoen euro vraagt – een kwart dus van het beschikbare geld – terwijl de gemeen­te Lisse de laatste jaren al heel behoorlijk was bediend met een miljoen voor de Agathakerk, driekwart miljoen voor de Grote Kerk en nog wat kleinere bedragen voor kleinere projecten, dan ligt het voor de hand dat Gedeputeerde Staten dit alles had meegewogen als de aanvraag wél in behandeling was genomen. Helaas is het, buiten de schuld van de gemeen­te, niet zover gekomen.’

 

 

De Grote Kerk op het Vierkant in 1800: DE KERK VOOR DE GELOVIGEN, DE TOREN VOOR DE GEMEENTE

Allerlei perikelen tussen de Hervormde Gemeente en de burgerlijke gemeente van Lisse worden besproken, evenals de problemen tussen de katholieken en de protestanten rond 1800. Zo gaat het er over wie eigenlijk het eigendom heeft van de grote kerk. De gemeente wil bijvoorbeeld de armoedebeleid van buitenkerkelijken overdragen aan de Hervormde Gemeente. Ook over het gebruik van de toren ontstaan problemen met de gemeente Lisse

Jan Beenakker

NIEUWSBLAD Jaargang 4 nummer 1, januari 2005

Na de Reformatie, de grote her­vorming in de christelijke kerk, en de furieuze Beeldenstorm in het begin van de 16e eeuw, waar­bij vele katholieke kerkgebouwen in protestantse handen overgin­gen, waaronder ook de in 1461 gebouwde Sint Aagtenkerk aan het Vierkant in Lisse, konden de rooms-katholieken in ons land hun geloof slechts uitoefenen in schuilkerken. Dat veranderde mondjesmaat nadat de Nationale Volksvergadering in 1796 zich had uitgesproken voor de scheiding van kerk en staat.

Hoe verging het in die tijd de protestanten en katholieken in Lisse?*

In Lisse hebben de predikanten de aantijgingen tegen de ‘Religie der Papisten Stouticheyt’ zo’n beetje gestaakt. Dat de burgerlijke autoriteiten de rooms­katholieken — tegen betaling — laten begaan in hun schuilkerk aan ’t Mallegat, is de gereformeerde (later hervormde) predikanten al die jaren een doorn in het oog geweest. Rond 1680 is er in de hele streek een soort gedoogbeleid ingetreden  ten aanzien van het houden van bijeenkom sten door rooms-katholieken. Vanaf die periode durven rooms-katholieke priesters ook weer doop- en trouwboeken te gaan bijhouden.

Ironisch genoeg staan de Lissese ambachtsheren, die altijd rooms-katholiek zijn gebleven, aan het hoofd van de protestantse kerk. De heren van Dever controleren de kerkrekening en beslissen formeel over de benoeming van een nieuwe predikant. In zijn tijd heeft ambachts­heer Johan van Schagen een privé-kapel laten inrichten in ’t Huys Dever. De ambachtsheer wil de kerkenraad kennelijk niet voor het hoofd stoten door de mis bij te wonen in de kerk aan ’t Mallegat. Lisse heeft een dichter en troubadour, Jan de Graaf, die geen ‘papen-hater ‘ heet te zijn. Na een bezoek aan de rooms-katholieke schuilkerk schrijft hij verzoenend:

‘k Zie de Roomsche kerk haar deuren opgedaan

Nu vlijt men plicht om binnen in te gaan

Mijn ziel verrukt, mijn oor gestreeld, mits deezen

Vermits Gods naam zo  hooglijk wordt geprezen’.

Het loopt niet goed af met Jan de Graaf. Hij is in 1795 betrokken bij een aanslag tegen de Franse troepen, wordt gevangen genomen en sterft in een Leidse kerker. Tegen betaling van 600 gulden krijgt zijn weduwe uiteindelijk toestemming om hem bij de Lissese dorpskerk te laten begraven. Dat de rooms-katholieke kerk weer wat meer armslag krijgt, blijkt ook uit het feit dat pastoor Cornelius van der Valck in 1798 in het oorspronkelijke priestergraf in de oude dorpskerk mag worden begraven.

Nu de ‘heerschende kerk’ heeft afgedaan maken de Lissese rooms­-katholieken aanspraak op het oorspronkelijke kerkgebouw aan het Vierkant. Koning Lodewijk Napoleon wijst de dorpskerk echter toe aan de gereformeerden; en de toren aan de burgerlijke gemeente. De toren wordt door de koning als strategisch uitkijkpunt liever niet in handen van de goed met ‘Oranjeklanten’ bemande kerkenraad gegeven. Er moet in Lisse worden onderhandeld over een afkoopsom. Na een hoog opgelopen ruzie die kennelijk doorklinkt in Den Haag, reist assessor (assistent-rechter) Van Hoogstraten naar Lisse en roept ‘enige wynige der Notabelste Ledematen’ in het Reghthuys —de Witte Zwaan— bijeen. Daar doet de gereformeerde kerkenraad een bod van 1000 gulden, wat door de rooms-katholieken wordt afgewezen. De rechter is echter van mening dat de gereformeerden niet meer ‘konden lijden’ en stelt de Koning voor de Lissese rooms-katholieken een geld­bedrag te schenken voor een nieuw kerkgebouw. Dit zal overigens in 1842 pas daadwerkelijk zijn beslag krijgen. De parochie laat een eigen kerk bouwen op ‘De Mossenhof’ schuin tegenover de oorspronkelijke Agathakerk.

Buyten-armen

De eerste schermutselingen tussen kerk en gemeentebestuur van Lisse betreffen de armenzorg. De kerk maakt van oudsher onderscheid tussen ‘diaconie-armen’ en ‘buytenarmen ‘. De zorg voor de ‘buyten-armen \ die geen lid zijn van de kerk, wordt overgelaten aan de burgerlijke gemeente. Maar de municipaliteyt besluit op 30 maart 1795 de ‘buytenarmen’ met ‘overgaav van de effecten en goederen’ aan de Diaconie van Lisse over te dragen, inclusief de ambtenaren (de (buyten-armmeesteren’) die met de zorg voor deze armen zijn belast. Dit is nog niet zo slecht bekeken van het gemeentebestuur, want de bezittingen zijn al lang niet meer toereikend om daarvan de ‘buyten-armen’ te onderhouden. Als het gemeentebestuur deze verliespost kan afschuiven naar de kerk, raakt de burgerlijke gemeente op eenvoudige wijze een hardnekkig begrotingstekort kwijt. De kerk ziet er echter weinig heil in om de failliete boedel over te nemen en meldt dit ook fijntjes aan de burgerlijke gemeente. In de brief aan de ‘Provisioneele Municipaliteyt’ schrijft de kerkenraad dat zij wel bereid is de zorg van de ‘buyten-armen’ op zich te nemen, als ook de middelen waaruit die armen bedeeld moeten worden, op het vereiste peil worden gebracht en meldt: ‘Indien de lusten aan de Diaconie zouden worden ont­nomen, zy zig ook van de lasten zal ontdoen’ en de ‘Buyten-armen in dat geval weer aan de municipaliteyt zal overlaten.

De municipaliteyt dreigt uiteindelijk met strenge maatregelen: ‘De Municipaliteyt refereert zig daarom by haare genoomene en aan den Kerkeraad toegezondene Order, zullende by hun, in geval van non-voldoe­ning aan dezelve zoodanige maatregelen worden genoomen, als zy ver-meenen zullen te behoeven’.

De in de hoek gedreven kerkenraad slaat keibard terug. Is het jarenlang gebruikelijk geweest dat de ambachtsheer de boeken van de kerk contro­leert, nu mag de kerk (ook de rooms-katholieke kerk) ‘op Dorpsrekening’: uit naam van het volk de gemeentefïnanciën controleren. Deze zitting is vooral bedoeld als een notabel borreluurtje, maar de kerkenraad bestaat het niettemin om de gemeenterekening met een protestnota—van acht bladzijden—af te wijzen. In de aanhef staat: ‘De Kerkeraad zal dan met die cordaatheyd die een waar vaderlander eygen is, onder het oog van de Provisioneele Municipaliteyt de navolgende remarqués brengen’.

Remarqués

En de ‘remarqués’ liegen er niet om. Zo vraagt de kerkenraad onder ande­re opheldering over de schuld aan de gemeente van de juist overleden gemeente-ontvanger Sennepart, wegens het aanwenden van gemeentegel-den ten eigen bate. Over de declaraties van de schout en de secretaris schrijft de kerkenraad: ‘welke in die Reekeninge zoo menigvuldig zyn, dat dezelve een goed gedeelte van die reekeningen uytmaaken, merkelijk ten voordeele van bet dorp en ambagt zouden kunnen vermindert worden’. Van de municipaliteyt wordt voorlopig niets vernomen. Kerk en gemeente zijn door de splitsing van het bezit van kerk en toren echter tot elkaar veroordeeld. Dit leidt pas na enige tijd tot noemens­waardige problemen. De kerk eist zeggenschap over de bomen rond de — toen enige — begraafplaats bij de kerk. Het kerkbestuur wenst verder alleen mee te werken aan de begrafenis van niet-hervormden, als men bergruimte krijgt in de gemeentelijke toren en het recht op onbeperkt klok-luiden.

Als het kerkbestuur alvast een begin laat maken met het snoeien van de bomen, besluit de burgemeester het snoeigereedschap in beslag te nemen en vaardigt bij een verbod uit op het klokluiden. De gemeente wil name­lijk niet dat de toren wordt gebruikt voor kerkelijke doeleinden. De berg­ruimte in de toren is gereserveerd voor de gemeentelijke brandspuit. Het blusvoertuig moet daar bij epidemieën kunnen worden geparkeerd, als de vaste ruimte voor de brandspuit wordt gebruikt om de doden te bergen.

De gemeenteraad vindt het allemaal een beetje triviaal en onder aanvoe­ring van het raadslid Van Stockum (tevens notaris) wordt met de kerken

raad het volgende compromis gesloten: het kerkbestuur stelt 120 meter grond ten westen van de toren beschikbaar als algemene begraafplaats. De gemeente zorgt voor een achteruitgang naar de Achterweg, toegang voor de klokkenist en brandspuit. Kerk en gemeente verlenen elkaar vrije toe­gang tot de kerkklok en het orgel. De hervormden krijgen hun bergruimte in de toren en mogen naar eigen inzicht de (gemeentelijke) bomen rond de begraafplaats snoeien. Aan te nemen valt dat ook het in beslag genomen snoeigereedschap weer is teruggegeven.

De toren is op 2 juli 1997 voor het symbolische bedrag van een gulden door de gemeente Lisse verkocht aan de Hervormde Gemeente. Daarbij heeft de burgerlijke gemeente ook subsidie toegezegd voor noodzakelijk onderhoud in de toekomst.

* De tekst is afkomstig uit hoofdstuk 6, ‘Kerk en kerkelijk leven’, uit het kortgeleden ver­schenen boek De Duin- en Bollenstreek in vogelvlucht, landschap, leven en werken omstreeks 1800 onder redactie van Jan Beenakker en Reinout Rutte, uitgave 2003 Cultuurhistorisch Genootschap Duin- en Bollenstreek, Lisse,  in samenwerking met Primaver a, Leiden.

Jan van der Jagt (1705-1762). De zoon van de schoenmaker bracht het tot schout en secretaris van Lisse

De geschiedenis van Jan van der Jagt wordt beschreven. Hij ligt in de Grote Kerk in hetzelfde graf als Jacob van Dorp.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 3 nummer 3, juli 2004

 

In een voorgaand artikel in dit blad hebben we uitgebreid stilgestaan bij Jacob van Dorp, de sluwe schout-secretaris van Lisse. Een en ander naar aanleiding van de vondst van een fraaie grafzerk in de Grote Kerk. Volgens het opschrift op de zerk lag in het graf niet alleen Jacob van Dorp maar ook Jan van der Jagt, diens opvolger als schout en secretaris. Wat kan de reden daarvan geweest zijn? Waren de twee heren familie van elkaar? Of hadden ze op een andere manier een bijzondere band?
De geschiedenis van de familie Van der Jagt begint in 1695. In januari van dat jaar geven Cornelis van der Jagt uit Rijpwetering en Marytje Leenderts van Leeuwen uit Lisse elkaar het jawoord in de Lissese dorpskerk. Het echtpaar krijgt vier zonen, waaronder Jan, geboren in 1705.
Vader Cornelis verdient de kost voor zijn gezin als schoenmaker en leerlooier. Hij woont in 1742 aan de Heereweg nabij de Broekweg (tegenwoordig Kanaalstraat). Zijn zoon Leendert woont dan bij hem in met zijn vrouw en helpt zijn vader in het bedrijf. Hij was ongetwijfeld belangrijk in vaders’ ogen, omdat hij de oudste in het gezin was en dus zijn vader moest opvolgen in het schoenmakersbedrijf. Maarten, zijn andere zoon, was inmiddels het huis uit. Hij was gehuwd en in Warmond gaan wonen. Heel anders ging het met Jan, de op één na oudste.

Klerk
Aanvankelijk, zo blijkt uit de notariële archieven, was Jan klerk in dienst van schout Jacob van Dorp. Al op 14-jarige leeftijd treffen we hem aan op diens kantoor. Onder Van Dorp wordt hij in een aantal lucratieve baantjes geïntroduceerd. Zo blijkt hij in 1740, op de leeftijd van 35 jaar, schout te zijn van Voorhout. Al gauw woonde Jan bovendien in bij Van Dorp op zijn fraaie buiten Mossenhof, tegenover de dorpskerk. Jan had het ver geschopt en meer winstgevende ambten zouden nog volgen.

Schout en secretaris van Lisse en Hillegom, 1747
Op 3 oktober 1746 is Jacob van Dorp op de leeftijd van 83 jaar overleden. Evenwel, de een zijn dood is de ander zijn brood: Van der Jagt werd nu in de plaats van Van Dorp aangesteld tot schout en secretaris van zowel Lisse als Hillegom! Van deze gelegenheid werd door de schepenen van Lisse gebruik gemaakt om met de nieuwe schout-secretaris van Lisse een soort deal te sluiten. Voortaan zou in de dorpsrekening een aparte post worden vrijgemaakt van f.300,-, waarschijnlijk om de onkosten die de nieuwe schout en secretaris zou maken te dekken. Het was dus geen loon. Een vast loon of salaris genoot de schout of secretaris namelijk niet. Hij moest het ambt kopen van de ambachtsheer en door bepaalde voordeeltjes of gunsten die hij tijdens zijn ambtsverrichtingen genoot, voorzag hij in zijn inkomsten.
Zo viel de secretaris een vast bedrag per geschreven regel ten deel. (Vandaar dat Van Dorp had getracht zich met zoveel mogelijk zaken te bemoeien, want dat leverde hem meer schrijfwerk op!). Tegenover zo’n aanbod hoort natuurlijk ook een tegenprestatie. Voor wat, hoort wat! Met de schout werd overeengekomen dat hij een eventueel negatief saldo van de dorpsrekening uit zijn eigen beurs zou aanvullen! Tot aan zijn dood in 1762 heeft hij dit jaarlijks gedaan en zijn opvolger, Sennepart, zou dit gebruik voortzetten.

Het jaar 1747
Tijdens zijn loopbaan wordt schout Van der Jagt geconfronteerd met een aantal gebeurtenissen op zowel nationaal als internationaal niveau.
Sedert 1740 woedde er namelijk weer oorlog in Europa: de Oostenrijkse Successieoorlog. Het lukte de Republiek niet om in dit Europese conflict neutraal te blijven. En zo viel dan de koning van Frankrijk de Nederlanden binnen. In verband met de oorlog laten de Staten van Holland en West-Friesland een schrijven uitgaan waarin bepaald wordt dat er in elk dorp of stad “wekelijkse bedestonden” gehouden dienden te worden: een soort belasting, waarschijnlijk bedoeld om de oorlog te financieren. Jan van der Jagt heeft de brief “voor den volke” afgelezen en daarbij bepaald dat de eerste “bede” in Lisse op 17 mei 1747 zal zijn.
Wat er nog meer gebeurde in 1747: Willem Karel Hendrik Friso werd aangesteld tot stadhouder van Holland en West-Friesland. Reeds begaf hij zich naar Den Haag teneinde zijn nieuwe taken op zich te nemen. Mogelijk zou hij tijdens de reis ook Lisse aandoen! In zo’n geval, zo ordonneert schout Van der Jagt, zal de dorpsklok moeten worden geluid. “Gelasten verder Onse goede ingesetenen ende Burgerije ten voorszegde tijde een behoorlijke en regt gevoeglijke vreugde te bedrijven en zich te onthouden van buitensporigheden.”
Oktober 1747: wegens de “ongunstige loop van de tijden” (oorlog met Frankrijk) wordt bepaald dat er deze maand geen kermis zal worden gehouden.
Na de Vrede van Breda (in 1748) lag de stad Bergen op Zoom, waar door de Fransen was huisgehouden, er verlaten en geruïneerd bij. Schout Jan van der Jagt en de schepenen van Lisse hebben op 16 juni 1749 een collecte gehouden “door de gansche Jurisdictie van Lisse, van Huys tot Huys, tot opbouw van de kerk binnen de stad Bergen op Zoom (…) en tot het doen van uytreijkinge aan de door den Oorlog geruïneerde Ingesetenen”. Er is in totaal opgehaald 143 guldens en 16 stuivers “en drie gouden ducaten”.

Grondaankopen
Net als Van Dorp heeft Jan van der Jagt zijn geld geïnvesteerd in talloze obligaties en natuurlijk in grond. Dit gold als een goede investering, vooral in tijden van oorlog. Zo bezat Van der Jagt al gauw een tiental huizen in Lisse. Daaronder ook het buiten Mossenhof, waar hij samen met schout Jacob van Dorp had gewoond. Hij nam het er goed van: in een belastingkohier uit 1748 waarin de ingezetenen van Lisse worden aangeslagen op het verbruik van zout, zeep, turf, bier, vlees, etc. en het in bezit hebben van paard en rijtuig, wordt bij Jan van der Jagt ook een (relatief hoge) post genoteerd van 22 gulden voor het hebben van één of meerdere rijtuigen. Natuurlijk gebruikt hij ook “koffy en Thee” en bovendien wijn. Wijn was bij uitstek een luxe artikel, dat slechts in gebruik was bij de welgestelde burgerij. De meeste mensen dronken bier. Ook ter plaatse van de latere Woelige Stal aan de Grachtweg bezat Van der Jagt een huis en zo ook aan de Broekweg. Verder diverse percelen in de Lisserpoelpolder, de Lisserbroek, een huis met erf in De Engel, etc… Van der Jagt pakte het dus net zo aan als menig ander tijdgenoot gedaan zou hebben: veel grond en obligaties kopen en daar respectievelijk huur en rente van trekken.

De dichter in Jan van der Jagt, 1757
Iedere dag was Van der Jagt druk in de weer. Als schout en secretaris van Hillegom verveelde hij zich niet. Zo moest hij in laatstgenoemde hoedanigheid ook de belasting op het trouwen ontvangen. Op 14 januari 1757 is Huyg Tijsz Moraal gehuwd met Kaatje Blankert. Ze worden beiden ingeschreven in het gaarderregister. Jan van der Jagt voegt eraan toe: “Een jong paar, Ider maar 70 jaar!”. Een week later gaan Gideon Buytendijk en Jannetje Mes in ondertrouw. Nu komt de dichter in Jan van der Jagt in actie:
“Dit jaar begint met klugtig paaren,
Een oude voogd van sestig jaaren
Trouwt zijn pupil, is dat geen klugt?
Nog minderjarig en bevrugt
Getrouwd en na den eersten nagt
Heeft zij twee kinders groot gebragt
Geen neegen maanden zijn verloopen
Als deze vrouw nog ’t oog had oopen”.

Het wordt 1759. Een onplezierige tijding bereikt Van der Jagt: zijn vader is overleden. Hij werd begraven in de dorpskerk in grafnummer 71. De klok heeft nog twee uur voor hem geluid. Deze twee zaken geven aan dat Van der Jagt, evenals zoon Jan, waarschijnlijk al een behoorlijke welstand had bereikt. En dat terwijl hij toch als een eenvoudige schoenmaker begonnen was!

Uit het gaarderboek van de begrafenisrechten te Lisse: “Den 7 Januarij 1763 is in de Kerk tot Lisse begraven D.Hr Jan Van der Jagt Schout & Secretaris van Lisse & Hillegom”. En dan volgt een specificatie van de kosten, zoals daar zijn: ‘Voor ’t beste kleed’, ‘Voor ’t inzetten Van de overledene in de graffkelder’, Voor het gebruik van de baar’.tot aan ‘voor ’t schrijven en afleesen van den Afroeptekst’

Overlijden en nalatenschap
Op 31 december 1762 luidde opnieuw de doodsklok in Lisse, deze keer voor Jan van der Jagt zelf. Zo had onze schout zijn vader dus maar zo’n drie jaar overleefd. Hij stierf op de leeftijd van 57 jaar.
Net als Jacob van Dorp liet ook Van der Jagt een indrukwekkende erfenis na. En net als destijds na het overlijden van Van Dorp werd ook de nalatenschap van Van der Jagt geregeld door niemand minder dan Jacob Krighout, professor in de theologie aan het Remonstrantse seminarium te Amsterdam! Zelf was hij een neef geweest van Van Dorp en het lag dus voor de hand dat hij zich vanuit die hoedanigheid bemoeide met de erfenis van zijn oom. Uit geen enkele bron blijkt echter dat schout Van der Jagt familiebanden onderhield met Krighout. Of was Van der Jagt in de loop van de jaren zozeer bevriend geraakt met Jacob van Dorp dat hij langzamerhand als lid van de familie werd beschouwd? Inderdaad werd hij in hetzelfde graf als Van Dorp bijgezet .

Invloedrijk
Jacob van Dorp en Jan van der Jagt: namen die natuurlijk niemand zich meer zal herinneren. In hun tijd echter moeten ze een behoorlijke invloed op het dorpsgebeuren hebben gehad. Dat blijkt wel uit de vele stukken die ze hebben nagelaten. Vanwege dit laatste hebben ze – en dan vooral Jacob van Dorp – een heel eigen en persoonlijk stempel gedrukt op de Lissese archieven.
Bronnen: Nationaal Archief (NA), Rechterlijke Archieven Lisse; NA, Notariële Archieven Lisse en Voorhout; Gemeentearchief Lisse, inv.nr. 4, 225, 233

Dit is het onderste gedeelte van de zerk in de vloer van de Hervormde Kerk aan het Vierkant, waaronder twee schouten van Lisse begraven zijn geweest

 

 

 

Jan van der Jagt en Jacob van Dorp liggen in één graf in de Grote Kerk

Fraaie restauratie van de Grote Kerk: VLOER VAN OUDE GRAFZERKEN IN VOLLE GLORIE HERSTELD

Een lezing over de restauratie van de Grote kerk werd gegeven door Thomas van ’t Woud. De staat van bijna alles viel erg tegen. Het tufsteen vertoonde ernstig aangetaste plekken. Een hele beschrijving van alles wat gerestaureerd is, wordt gegeven. De kosten waren uiteindelijk 2,5 miljoen euro, in plaats van de begrootte 1,5 miljoen.

door Hans Smulders Fotografie: Ernst Jan de Kooker

NIEUWSBLAD Jaargang 3 nummer 1, januari 2004

Een kleine honderd leden van de Vereniging Oud Lisse togen op dins­dagavond 4 november van het afgelopen jaar naar de Hervormde Kerk op het Vierkant. Daar was door het bestuur van de Vereniging een bij­zondere thema-avond georganiseerd: in de kerk zou alles worden ver­teld over de grote restauratie van dit kerkgebouw, een uniek en cultuur­historisch gezien het meest waardevolle monument van ons dorp. Een lezing dus, geïllustreerd met heel veel fraai fotomateriaal.

De kerkvoogdij van de Hervormde Gemeente had alles in het werk gesteld om er een succesvolle en interessante avond van te maken. Niet alleen wer­den de bezoekers ontvangen met koffie met koekjes, men had er zelfs voor gezorgd dat de koperen kroonluchters prachtig opgepoetst waren en brand­den, wat de kerk een heel feeëriek aanzien gaf. De lezing werd verzorgd door Thomas van ’t Wout, die als bouwkundig adviseur de restauratie van nabij heeft meegemaakt. Het fotografisch illustratiemateraal was tijdens de restauratiewerkzaamheden vervaardigd door Ernst Jan de Kooker en werd op deze avond door hem geprojecteerd op een groot scherm.

Restauratiewerkzaamheden

Restauratie grote Kerk

De belangrijkste punten: Op bijna elk gebied viel de toestand van het uit het midden van de 15e eeuw daterende gebouw tegen. Het tufsteen waarvan de toren is opgetrokken, vertoonde veel ernstig aangetaste plekken; 120 m2 op een totaal van 600 m2 moest worden uitgehakt en van nieuwe, exact op maat gezaagde stenen worden voorzien. Het uurwerk in de toren liep op zijn laatste benen, de wijzerplaten waren verweerd en de luiklok hing scheef en had een nieuwe motor nodig. De ontluchtingskap op het dak zag er goed uit, maar bleek onder het lood geheel verrot. De kapconstructie leek nog in orde. Echter, vele spanten waren aangetast. Bovendien, was er veel vuil in de dakvoet achtergelaten bij een vorige restauratie. In overleg met Monumentenzorg, die o.m. de subsidiabele bouwkosten vaststelt, zijn alle dakpannen die nog heel waren, opnieuw gebruikt en alleen kapotte pannen vervangen door nieuwe. Bij de aanleg van de centrale verwarming in 1938 was er veel puin van de uitgehakte ruimte onder de ramen achter de houten lambriseringen gestort. Het glas in lood en het stalen raamwerk van de grote ramen was sterk aangetast door vochtophoping achter de voorzetramen. De roze wandtegels in de kerk waren natuurlijk niet meer verkrijgbaar, maar werden door de Porceleyne Fles in Delft zo goed mogelijk (en voor veel geld) nagemaakt. De banken (totaal aantal zitplaatsen nu 450!) werden ruimer gemaakt, van een diepte van 73 cm naar minimaal 79 cm en voor­zien van comfortabele kussens. Men prees zich gelukkig dat schildersbedrijf Marseille nog de vakkennis in huis had, zodat al het houtwerk (deuren, lambriseringen, banken, bankdeurtjes enzovoorts) deskundig ‘gehout’ kon wor­den; houten betekent dat vurenhout (waaibomenhout) zodanig geschilderd wordt dat het op eikenhout lijkt.

Oude grafkelders

Maar de vloer van oude grafzerken vormt nu het pièce de résistance van de kerk. De onder de houten vloer ontdekte zerken, sommige op oude grafkel­ders, met daarin hier en daar nog resten van kisten, zijn op één hoogte gebracht. De ontbrekende delen zijn met een aantal grafstenen (sommige enkele tonnen zwaar) die al tientallen jaren naast de kerk in de buitenlucht stonden, opgevuld. Ook zijn een aantal nieuwe natuurstenen platen toege­voegd om er één geheel van te maken. Zoals het betaamt zijn de zerken zodanig neergelegd dat de overledene met zijn voeten in de richting het altaar ligt (toen de kerk nog een katholieke kerk was, stond het altaar op de plaats van de huidige hoofdingang en was de hoofdingang gelegen aan de Achterweg), de graven van de priesters evenwel in omgekeerde richting; bij de wederopstanding moesten de gelovigen immers opstaan en in de richting van het altaar blikken, terwijl de geestelijkheid in de richting van het gelovi­ge volk moest wederopstaan!

Voorts werd de elektrische installatie gemoderniseerd (hierbij werd meer dan een kilometer kunststof pijp gebruikt!). De centrale verwarming is gro­tendeels vervangen. En uit oogpunt van veiligheid is noodverlichting aange­bracht. Ten behoeve van trouwpartijen en begrafenissen zijn de looppaden verbreed. Nu kunnen bruid en bruidegom naast elkaar de kerk binnenschrijden en hoeven kisten met overledenen bij wijze van spreken niet meer op hun kant het kerkgebouw in en uit te worden gedragen.

Twee en een half miljoen euro

De restauratie was aanvankelijk begroot op ongeveer 1,5 miljoen euro, maar overschrijdt nu al de 2,5 miljoen euro! De kerkvoogdij prijst zich gelukkig met de financiële hulp die uit alle lagen van de Lissese bevolking geboden wordt.

De toren van tufsteen was veel sterker aangetast dan men vreesde. De foto toont een gerestaureerd gedeelte en een stuk tijdens de restauratie.