Berichten

Heereweg 250 – Grote kerk op ‘t Vierkant

Hervormde Kerk binnen Protestantse Kerk Nederland. De huidige kerk staat op de restanten van een oude katholieke kerk. De kerk staat op een hoog binnenduin.

Kadaster: C-3548. Mmonumentnummer: 25894.

OUD NIEUWS: Het Heijlig Sacrament

Op de tweede dondedag na Pinksteren was het Sacramentsdag. In 1532 werd in de kerk van Leeuwenhorst een nieuw Sacramentshuis, het Allerheilige genaamd, gerealiseerd. Het oude werd verkocht aan de kerk in Hillegom. Lisse kocht er ook een.

door Arie de Koning

Nieuwsblad Jaargang 17 nummer 1 Winter 2018

Sacramentsdag, “Sanctissimi corporis et sanguinis Christi solemnitas” in het Latijn, was vanaf de late Middeleeuwen een populaire feestdag onder gelovigen.
Dit Hoogfeest wordt in ons land gevierd op de tweede donderdag na Pinksteren. Op deze Sacramentsdag werd op veel plaatsen in Holland een processie gehouden waarbij het Allerheiligste werd mee gedragen. Ook in de Abdij van Leeuwenhorst was dit het geval. De Abdij ontving vele giften voor de verlichting van het Heilig Sacrament, zo schonk zuster Elizabeth Gunter 10 schellingen per jaar aan rente voor de verlichting en in 1512 nog maakte Margrietha, dochter van Otto van Egmond, priester, haar testament. Dat kon toen nog in die jaren dat een priester gewoon een gezin had. In haar testament kunnen we lezen dat zij ondermeer een lijfrente van 1 pond per jaar aan het klooster schonk die diende om gedurende het oktaaf van Sacramentsdag op het altaar kaarsen te kunnen laten branden.

Sacraments-huis

In de 14e en 15e eeuw werd het Sacrament in zogenaamde Wandtabernakels ofwel Sacramentshuijzen bewaard die een ereplek kregen in het koor van de kerk. Dit waren prachtige gebeeldhouwde kunstwerken die voor die tijd een echt fortuin kostten. Zo werd in 1532 voor de herbouwde Kerk van Leeuwenhorst een Sacramentshuis gebouwd door ene Cornelis, steenhouwer uit Gouda, van wie verder niets bekend is. In Oudewater werden er drie tralies die zo’n 18 voet lang waren voor vervaardigd. Het oude Sacramentshuis werd verkocht aan de Kerk te Hillegom, waar het na de Reformatie in handen kwam van de Protestanten die het uiteraard niet gebruikten. In 1929 werd er een stuk van opgegraven wat spoorloos is verdwenen in 1944. In Hillegom dacht men lang dat het opgegraven kunstwerk even oud zou zijn als het koor van de Hillegomse Kerk welke in 1500 is gebouwd. Dat hadden ze echter mis. Uit de rekeningen van Leeuwenhorst uit 1473 blijkt dat de Abdis van Leeuwenhorst bij de bouw van het Sacramentshuis een gulden onder het fundament had laten leggen. Het Hillegomse Sacramentshuis dateert dus van 1473. In de archieven, en wel RZH/ lwh-141 “accidenteel ontfang”, kunnen we lezen dat de betaling plaats zou vinden in zes jarige termijnen van 16 pond te beginnen met 1 november 1533, “ter cause van onse oude Sacramentshuys was ontfange van Hillegommerkerck XII Karolus Guldens als dat eerste termyn van sessen”. Opmerkelijk is dat in dezelfde tijd, de kerk van Lisse ook een Sacramentshuis kocht. Dat was wel erg toevallig. Men wilde klaarblijkelijk niet onder doen aan die van Hillegom. Deze aankoop weten we omdat op 5 maart 1533 Dirc van Brouckhoven, de toenmalige Schout van Lisse, vastlegde dat de Kerkmeesteren van Lisse, voor het maken van 2 nieuwe altaar kelken en een nieuw Sacramentshuis, aan mr. Dirc Pietersz Spangert, priester, 5 gouden Karolus Guldens losrente per jaar, aflosbaar met 80 Karolus Guldens schuldig waren. De Kerkmeesteren van Lisse stelden tot onderpand voor deze lening zeven hont geestgrond en drie morgens broekland. (RAZH,Lwh charter d.d. 05-03-1533)
Ook dit Sacramentshuis is nimmer teruggevonden nadat de Reformatie zijn intrede had gedaan in Lisse en de protestanten de oude kerk overnamen. Ook in Leeuwenhorst verliepen de dingen niet wenselijk. In 1546 brak er brand uit in het klooster en ook in de kerk waardoor het nieuwe Sacramentshuis beschadigd raakte. Het werd in 1549 gerepareerd door ene Cornelis Claesz en ene Gerrit Cornelisz Vink, een Leidse schilder, verzorgde het schilderwerk. In 1570 vermaakte subpriorin Elizabeth van Bemmel aan Leeuwenhorst zoveel geld, dat de zusters ieder jaar op Sacramentsdag een pint wijn konden krijgen. Zij zouden dan ter ere van het Heilig Sacrament het “Tantum ergo “ zingen. Niet vermeld is of zij voor of na het zingen hun wijn kregen. Dit “Tantum ergo“ zou niet veel meer gezongen worden op Leeuwenhorst. Het was een Zwanenzang. Want toen in 1571 een aanval van de Geuzen op Noordwijk dreigde, weken de zusters naar Leiden uit. Dit deden zij nogmaals in 1573 toen het beleg van Leiden dreigde. Hierna zijn de zusters niet meer teruggekeerd naar Leeuwenhorst. ■

Vogelvlucht van de Abdij van Leeuwenhorst uit ca. 1700. Nog veel eerder was het nog Klooster Ter Lee. Dit werk is niet gesigneerd.

BIJ DE VOORPLAAT: de oude Agathakerk

Gijsbert (geen Gerbrand, red.)  Slegtkamp schilderde de Agathakerk  van de voorkant in 1895. De kerkgangers komen net uit de kerk. Het is gemaakt ter gelegenheid van het 50-jarig priesterschap van H. van Vlasselaar.

door de redactie

Nieuwsblad Jaargang 16 nummer 4 Herfst 2017

De mis is net voorbij de kerkgangers lopen naar buiten. Sommigen blijven nog wat napraten op het pleintje anderen gaan direct naar huis, trek in een lekkere bak koffie. Dit leuke tafereel toont het front van de oude St. Agathakerk. De kerk die in 1843 in gebruik werd genomen en in 1902 moest plaatsmaken voor de huidige St. Agathakerk. Gijsbert (geen Gerbrand, red) Slegtkamp is de schilder van dit kunstwerkje. Gerbrand was geboren op 4-8-1833 te Velsen en overleed op 24-1-1903 te Leiden. Op 5-8-1858 trouwde hij te Velsen met Neeltje Kooij. Zij was geboren op 10-4-1831 ook te Velsen en overleed op 6-2-1882 te Lisse. Gerbrand Slegtkamp vestigde zich in 1858 als huisschilder te Lisse. Hij heeft diverse aardige schilderijen gemaakt van Lisse en omgeving. Het inzetje bij voorpagina laat het interieur van hetzelfde kerkgebouw zien. Op de pilaren zijn de jaartallen 1845 en 1895 te zien. Het “Gloria et Honore” (Glorie en Ere) was ter ere van het feit dat H. van Vlasselaar zijn vijftigjarig priesterschap vierde. De zeer eerwaarde priester staat zelf ook op het fotootje afgebeeld achter de kerkbanken. Er hangt een prachtige koningsmantel en een kroon, wie kan vertellen wat deze symbolen bij deze gelegenheid kunnen betekenen?

bron:

Jasper van ‘t Wout gemeentearchief
en uit archief van Vereniging “Oud Lisse”

Reactie in het volgende Nieuwsblad

Dhr. J.F. de Boer reageerde op inzetje in de voorplaat en wel het interieur van de Oude Agatha. “De prachtige koningsmantel en de kroon zijn opgehangen en aangebracht t.g.v. het 50-jarig jubileum van pastoor Van Vlasselaar. Als u zo vriendelijk zou willen zijn om in het boekje van Hulkenberg ‘De Aagtenkerk van Lisse’ op de bldz. 152-154 te lezen hoe geliefd de pastoor was en daaraan de van nature zo uitbundige katholieke traditie van feestvieren te verbinden, verklaart dat veel. Als u andere reacties op uw vraag binnen krijgt wil ik die heel graag van u persoonlijk, of in de eerstvolgende uitgave, vernemen! Tenslotte mijn complimenten voor het tot stand brengen van zo’n prachtig blad!

EEN UNIEKE VONDST

Het verloren gewaande Diaconie boek van de Ned. Herv. Kerk uit Lisse uit de periode 1638 tot 1651 is gevonden bij het Hoogheemraadschap van Rijnland.

Dirk Floorijp

Jaargang 16 nummer 2 Lente 2017

Bij de werkgroep genealogie komt Jan van der Linden met een verrassing tevoorschijn dat gevonden is bij het Hoogheemraadschap van Rijnland, een unieke vondst kwam boven water uit de periode van 1638 tot 1651. Het verloren gewaande diaconie boek van de Ned. Herv.Kerk waarin honderden begrafenissen werden opgetekend met de grafrechten die ervoor betaald werden. Jammer is dat in de meeste gevallen niet de namen van de overledene erbij werden vermeld maar alleen de datum en jaar. We krijgen zo over een aantal jaren een mooi beeld van de armenzorg in de gemeente en schrijnende beelden van mensen die geheel afhankelijk waren van die armenzorg. De notities b.v. over Trijntje Jacobsdr. Molenaers, vanaf 1641 onderhouden door de armen, zij kreeg 12 stuivers per week uitgekeerd. Zij woonde waarschijnlijk in bij Dirckjen Florisdr, want die kreeg van de diaconie 26 gulden kostgeld uitbetaald voor Trijntje. De administrateur van de diaconie Achias Dammisz. betaalde 4 gld en 15 stuivers ten behoeve van Trijntgen Molenaers voor 2 linnen hemden plus maakloon in 1646. Dat gaat zo een aantal jaren door totdat ze op 14 maart 1648 in hare siekte is overleden. Jacob Martensz. Langevelt maakte haar doodkist voor 5 gulden. Het gebruik van het doodkleed verschilde nog al wat, van 9 stuivers tot 1gld en 5 stuivers. Het was er maar na in welke klasse iemand werd begraven.
Doodkleden waren vroeger standaard over de kist gelegd zodat je de kist niet kon zien, ze waren zwart met franje. Tot in de jaren zestig van de vorige eeuw werden ze gebruikt, later kwamen er ook grijze kleden. Nadien is het in onbruik geraakt. Een wereld van leed in het gezin van Huijbert Jansz. Hollander en Lijsbetjen Arijens Doghlis. Hij overleed 22 oktober 1649. Jacob Martensz. Langevelt maakte de doodkist en tevens twee kleine kistjes voor twee van zijn kinderen voor 6 gulden. Wat zou er gebeurd zijn? Was het misschien de pest die heerste? Er waren 2 dochters van 8 en 9 jaar. Lijsbet werd voor 49 weken onderhouden door de armen, de eerste 4 weken met 1 gld en 5 st. en de 45 volgende weken met 18 st. per week. Veel rekeningen worden aan Claes Thomasz. de bakker uitbetaald voor het uitdelen van brood voor de armen. Een tonnetje butter voor Pietertjen Claes die ook regelmatig terug komt. Ook aan passanten wordt vaak een aalmoes gegeven meestal 12 tot 15 stuivers. In 1642 werd ontvangen het oortjesgeld van Leijden 65 gulden 2 st. en 4 penningen. Het oortjesgeld was ten behoeve van de armen en werd geheven over diverse transacties. Een oortje was 2 duiten, er zaten 4 oortjes in een stuiver. In Lisse werd per jaar tussen de 60 en 70 gulden opgehaald. De uitdrukking: “een duit in het zakje doen” is in onze tijd dus niet zo’n groot offer. Op 1 dec. 1651 is er maar liefst 216 gulden 10 stuivers en 8 penningen ontvangen als aalmoesen voor de armen der gemeijnte, het geld ‘twelck Barent Albertse van Hillegom mr. Smit, soon van Pietertje Claes bij de kamer tot Hoorn per saldo van rekening tot sijn verlijden in de thuijs reijse uijt Indiën, als gage verdiend had. Voor genealogen een mooie zoektocht om te achterhalen op welk schip bij de V.O.C. Barent voer.

Pietertje komen we dan regelmatig tegen als zij van de armen wordt onderhouden, een paar kousen ontvangt van 18 stuivers. Barent laat niet zijn moeder het geld na maar via de kerk laat hij haar onderhouden. Een paar keer staat er, dat er losgeld betaald is voor een man die bij de Turken gevangen is. Dan gaat het om bedragen van enkele guldens. Vaak werd er door de streek of het hele land gecollecteerd om gevangenen vrij te kopen die vaak op zee waren gekaapt. Wat te denken over een uitkering van 3 gld en 4 st. aan Engel Jacobsz. schipper, een half vat bier voor een kraamvrouw. In de periode waar dit zich afspeelt stond als predikant in Lisse dominee Johannes Romswinckel dienaer der emeijnte Jesu Cristi tot Lisse 1638 – 1661. ■

Het verloren gewaande diaconie boek van de Ned. Herv.Kerk uit 1638 tot 1651.

Pastoor Hugo van der Vlugt: verzet in Noorwegen in oorlogstijd

Pastoor Hugo van der Vlugt was tijdens de oorlog in het verzet in Noorwegen. Hij was in de Engel geboren als zoon van bollenkweker Anthonius van der Vlugt. In 1942 is hij door de Duitsers gearresteerd. Hij is overleden in Sachenhausen.

door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 2, april 2016

In Hamar in Noorwegen staat de kerk waar pastoor Hugo van der Vlugt tijdens de Tweede Wereldoorlog werkzaam was. Pia Isakaetre woont nu in Oslo maar is geboren in Hamar en gaat tijdens familiebezoek nog altijd naar deze katholieke kerk in het centrum van de stad, vlak bij het huis van haar grootouders. In die kerk heeft ze over de vroegere pastoor, Hugo van der Vlugt, gehoord en ze raakte geboeid door het verhaal over hem. Pia is verbonden aan het Holocaust Centre, even buiten Oslo.
Hugo van der Vlugt is in 1904 geboren in De Engel in Lisse, als zoon van bollenkweker Anthonius van der Vlugt. Hugo heeft tijdens zijn priesterstudie gekozen voor uitzending naar de ‘missie’ in Noorwegen. In 1929 is hij tot priester gewijd en in datzelfde jaar is hij naar Noorwegen vertrokken. Dat was geen gemakkelijke taak. Het was een dunbevolkt, groot en in de winter onherbergzaam land. Bovendien waren de mensen daar indertijd nogal terughoudend tegenover het katholieke geloof, haar missie en haar priesters. Na enkele jaren als kapelaan in Bergen, via Stabbek en Haugesund kwam pastoor Hugo aan in Hamar. Hij was daar ‘bouwpastoor’ van een nieuwe kerk. Hij heeft later gezegd dat hij zijn leven ‘in Gods handen’ heeft willen leggen, want hij wist aanvankelijk in de nieuwe parochie niet goed waar of hoe te beginnen.
Toen tijdens de Tweede Wereldoorlog een groep katholieke jongeren gevangen gehouden werd in een kamp bij Oslo, lukte het de Noorse priesters niet meer om contact met hen te leggen. Hugo heeft zich vrijwillig opgeofferd door een arrestatie uit te lokken, zodat hij als medegevangene van deze jongeren de mogelijkheid kreeg ze bij te staan in hun lot.
In 1942 is Hugo door de Duitsers gearresteerd en naar het gevangenkamp in Oslo gebracht waar hij in contact wist te komen met de jongeren. Later is hij via Hamburg en Berlijn in Sachsenhausen-Oranienburg terechtgekomen.

Pastoor Hugo van der Vlugt (1904-1943)

Ook de jongeren uit Oslo zijn uiteindelijk op transport gezet naar dit kamp. Als gevolg van honger, kou, slechte kleding en zware arbeid, was de weerstand van Hugo sterk verminderd waardoor hij ziek geworden is en uiteindelijk overleden. Een pater die met hem in dit kamp heeft gezeten en het wel heeft overleefd, beschrijft na de oorlog hoe Hugo toen ziek werd en kwam te overlijden, maar ook hoe hij in het kamp gewaardeerd werd door de medebewoners. Daaronder waren vele ruwe bolsters die de ‘stille, goede en bleke Hollandse pastoor’ zeer hoog hadden zitten. Op 5 maart 1943 is Hugo van der Vlugt in Duitsland gestorven.
Nadat bovengenoemde Pia Isakaetre besloten had het verhaal van Hugo van der Vlugt te willen vertellen en zijn opoffering voor zijn geloof en Noorse katholieken te gedenken, is ze alle informatie gaan verzamelen die er in Noorwegen voorhanden was. Daarop ontstond ook het plan om een herdenkingssteen bij de kerk in Hamar te plaatsen voor pastoor Hugo van der Vlugt. Eerder is een vergelijkbaar monument buiten de Sankt Olavs Domkirke in Oslo geplaatst, voor verschillende Noorse omgekomen geestelijken, en waarop ook de naam van Hugo van der Vlugt voorkomt.
Via de Nederlandse Ambassade zijn verschillende mensen benaderd en is een artikel in het Lisser Nieuws geplaatst, met een oproep voor informatie en om familieleden te vinden die belangstelling hebben voor de plaatsing van de herdenkingssteen. Dit zal naar verwachting volgend voorjaar in Hamar plaatsvinden. Voor die tijd hoopt Pia Isakaetre naar Nederland te komen om een lezing te houden over haar initiatief voor Hugo van der Vlugt en als informatie aan familie en geïnteresseerden.
Hebt u na het lezen van dit artikel nog vragen, of interessant materiaal of aanvullende gegevens voor dit initiatief? Dan kunt u contact opnemen met de Genealogische Werkgroep van Vereniging Oud Lisse. We zullen u op de hoogte houden van de voortgang van dit bijzondere project.

Het predikantenbord

In het portaal van de grote kerk hangt een bord met de namen van alle predikanten. De geschiedenis van de eerste predikant wordt beschreven.

door Dirk Floorijp

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 1, januari 2016

Wie in het portaal van de grote kerk aan het Vierkant het predikantenbord wel eens heeft bestudeerd, zit gelijk met een vraag. Was het de eerste predikant die op het bord vermeld staat? Of waren er daarvoor al predikanten geweest? De reformatie was al even geleden. Het gebeurde in die tijd dat de pastoor met een gedeelte van zijn parochie overging naar de nieuwe leer en daar dominee werd. Bij onderzoek in de Betuwe werd de pastoor van Valburg afgezet, daer hij niet regt in de leer was, hij vertrok naar Dordrecht waar hij zich aansloot bij de Jansenisten, de Oudkatholieke kerk. Uit rancune nam hij de doop-, trouw- en begrafenisboeken mee die tot groot verdriet van stamboomonderzoekers nergens meer te vinden zijn. Was de eerste dominee soms ook pastoor geweest? De eerste predikanten namen wel Latijnse namen aan. Uit gewoonte of toch voor meer status? Zo ook de eerste predikant in Lisse die vermeld staat als Johannes Cornelii. Hij stond in Lisse van 1594 tot 1597. Waarschijnlijk heeft niemand hem bij zijn echte naam gekend. Zijn volledige naam was Johannes Cornelisz. van der Schelling, en ja, hij was getrouwd met Meinsje Ockersdochter. Was dus geen priester geweest. Veel meer weten we niet van hem. In 1590 was hij al dienaer des H.Evangelyums en solliciteerde hij naar Lisse. De ambachtsheer moest daarvoor zijn toestemming geven en zijn handtekening zetten. Als hij je niet zag zitten kon je het vergeten, zijn wil was wet. Waarom hij jaren later pas kwam kunnen we met wat onderzoek achterhalen. De kerk was in 1572/74 uitgebrand en de restauratie duurde lang nadat het in de streek weer rustig was en er geen muitende soldaten rondtrokken en plunderden. In 1592/94 was het dak weer op de kerk en kwam de eerste dominee die hiervoor in Noordwijkerhout had gestaan van 1581 tot 1594. Op het predikantenbord staat een kruisje achter zijn naam. Hij zal in het jaar 1597 in Lisse zijn overleden en begraven. Volgens onderzoek van Hulkenberg is er van de pastoors niets meer vernomen en werden de eerste kerkdiensten in het pastoorshuis gehouden aan de gracht, later bekend als “het grachtenhuisje”. Bij de tweede predikant, die al woonde op de plek van ” de oude pastorie”, het pand waar tandarts Hoek woonde op Grachtweg 2, kwam het tot een proces met de toenmalige bewoners over teveel inkijk in zijn tuin. De boomgaard van de dominee grensde aan het pastoorshuis. Zijn eis om de ramen dicht te metselen om het gluren tegen te gaan werd verloren. Wat een simpele vermelding op een predikantenbord al niet teweeg kan brengen, dat er vijf eeuwen later nog onderzoek naar gedaan wordt.

Het predikantenbord vanaf 1594 in de grote kerk

GERRIT SEGERS: van tuinbaas tot bloembollenkweker

Gerrit Segers wordt in 1847 tuinbaas op Keukenhof. Later wordt hij bollenkweker. Zijn geschiedenis en zijn geloof worden besproken.

door Laura Bemelman

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 3, juli 2015

Gerrit Segers is in mei 1805 in Beverwijk gedoopt. Hij trouwde met de negentienjarige Maria Sophia Buurman uit Amsterdam. Uit dit huwelijk wordt in april 1838 een zoon geboren, genoemd naar zijn vader Gerrit, maar hij wordt vooral ‘Junior’ genoemd. Zijn moeder overlijdt helaas al in de zomer van 1839, ze is slechts 21 jaar oud geworden. Ongeveer een jaar later hertrouwt Gerrit Segers met Alida Bierman. Uit dit tweede huwelijk zijn acht kinderen geboren, de eerste vijf in Heemskerk, de laatste drie in Lisse. Hun zoontje Cornelis is in april 1846 op tweejarige leeftijd overleden. In september van dat jaar wordt opnieuw een jongetje geboren en zoals dat dikwijls gebeurde, krijgt ook hij de naam Cornelis. Als het gezin in Lisse komt wonen is deze jongste Cornelis volgens het Bevolkingsregister van Lisse al een jaar oud en als geboorteplaats staat Heemskerk genoteerd, maar de geboorteakte is daar (nog) niet gevonden. Gerrit Segers krijgt op de Keukenhof in Lisse van baron en barones van Pallandt in 1847 werk als tuinbaas. Het gezin Segers mag in het oude tuinmanshuis op het landgoed wonen. De vorige tuinman, Pieter Donker, is een half jaar eerder vertrokken en ook de inwonende jager Johannes Kouwenhoven is al naar het jagershuis wat verderop verhuisd. Het gezin Segers is op de verhuisdag per schip op de losplaats bij Keukenhof aangekomen. De baron heeft Hendrik van Voorst, bouwman op de Keukenhofboerderij, opdracht gegeven met paard en wagen het gezin en hun huisraad op te halen. De goede vriendschap tussen de beide mannen is toen waarschijnlijk al begonnen. De 42-jarige Gerrit trekt met zijn vrouw Alida en de vier kinderen Gerrit, Jan, Henriëtta en de peuter Cornelis in de leegstaande tuinmanswoning. Ze hebben hun dienstbode Gerritje Mulder meegenomen en vader Gerrit krijgt ondersteuning bij het werk van de jonge tuinknecht Cornelis Berkel uit Lisse. Buurman Hendrik van Voorst, geboren in De Bilt en pas sinds 1840 in Lisse, woont op de boerderij, vlak naast hen op het landgoed Keukenhof.

Koetshuis vervangt de oude tuinmanswoning ca. 1850

 

Zowel Hendrik van Voorst als Gerrit Segers zijn in Lisse lid geworden van de Hervormde Kerk, maar beiden misten in die kerk veel in de prediking van Ds. Kooy. Zij vonden dat wel in de kerk (Gereformeerde Kerk onder het Kruis) in Noordwijk. Van Voorst was al langer in Lisse en maakte ook de overstap naar die kerk eerder. Door hun vriendschap gaat Gerrit Segers al snel regelmatig mee naar Noordwijk.

Terug naar de dorpskerk of ontslagen worden!

Ds. Kooy is er niet bepaald tevreden mee dat de tuinbaas van Keukenhof niet meer in de dorpskerk van Lisse komt. Enkele bronnen vermelden dat de dominee contact heeft opgenomen met baron van Pallandt om zijn tuinbaas voor de keuze te stellen: ontslagen worden of toch weer naar de kerk in Lisse gaan. Het valt te begrijpen dat dit voor Gerrit Segers een heel moeilijke keuze moet zijn geweest. Het is dan bijna winter en hij heeft een groot gezin. Wat precies de reden geweest is voor het vertrek van Gerrit Segers zullen we nooit helemaal te weten komen. Er blijven vraagtekens over het geheel, maar Gerrit zou zich door God gesteund geweten hebben en heeft de Keukenhof verlaten. Na zoontje Rengert was ook de kleine Wouter in de zomer van 1850 nog in de tuinmanswoning op Keukenhof geboren. Daarna noteert de ambtenaar van de Gemeente Lisse dat tuinbaas G. Segers met zijn gezin verhuisd is naar  huis nr. 198(a). Voor hem in de plaats op Keukenhof komt op de eerste november 1850 tuinman Dirk Mengelder. Die woont echter niet meer in het oude tuinmanshuis want dat is nu vervangen door het nieuw gebouwde koetshuis.

Woning van Gerrit Segers, Heereweg, ca. 1865

Het gezin van Gerrit Segers woont nu in het huisje aan het Oosteinde van Lisse, ongeveer het latere adres Heereweg 119. De baron geeft hen nog aardappelen mee voor de winter en hij heeft een vracht hout laten bezorgen. Hij zou zelfs tuingereedschap meegegeven hebben en een bedrag aan geld dat voor die tijd heel bijzonder moet zijn geweest. Als Elisabeth als jongste in 1856 in het nieuwe huis geboren wordt, telt het gezin acht kinderen. Gerrit heeft de Hervormde kerk van Lisse verlaten en gaat met Van Voorst en hun beider gezinnen elke zondag naar de kerk in Noordwijk. De oude mensen kunnen in de kapwagen rijden, de jongelui moeten het hele eind lopen.

Het kerkbezoek is een hele opgave en daarom beginnen ze met het houden van leesdiensten bij Gerrit Segers thuis, omdat hij een ‘grote’ kamer heeft. Maar de toeloop van belangstellenden is in korte tijd al veel te groot voor die huiskamer, waarop besloten wordt een eigen kerkje te bouwen. Dat komt op de Broekweg – nu Kanaalstraat – en is in mei 1865 in gebruik genomen. Dat waren de eerste stappen in een bijzondere kerkgeschiedenis van heel gelovige inwoners van ons dorp. Hendrik van Voorst en zijn vriend Gerrit Segers hebben hierin als pioniers en ‘immigranten’ een grote rol gespeeld.

Kerk Gereformeerde Gemeente Broekweg (nu Kanaalstraat)

Van tuinbaas tot bollenkweker

In de periode 1860-1870 vinden we het gezin Segers nog op hetzelfde adres aan de Heereweg. Vader Gerrit staat nu als akkerbouwer te boek. Volgens overleveringen uit de familie zou Gerrit voor zichzelf zijn gaan werken en is wel met de handkar door het dorp gegaan om groente te verkopen. Uiteindelijk is hij bloemenkweker geworden, zoals zovelen in die tijd in Lisse. Hij start een bollenbedrijf op grond waarvan hij eerder een deel verkocht heeft voor de bouw van de kerk. Waar de kerk heeft gestaan, is tegenwoordig een vestiging van C&A, op de plaats van de bollenschuur is nu het parkeerterrein van supermarkt Hoogvliet. Dochter Aagje wordt dienstbode aan de overkant van de Heereweg, bij de familie van wijninkoper Jullens, tot ze in september 1872 trouwt met bloemkweker en zaakwaarnemer Govert Cornelis Tromp. Ze gaan in huis nummer 4 vlak bij de Vuursteeglaan wonen. Zoon Gerrit Jr. is aanvankelijk winkelier in een pandje aan de Heereweg dicht bij de woning van zijn ouders aan de Heereweg. Kort daarna gaat hij als winkelier naar de Broekweg, vlak bij de kerk van de Gereformeerde Gemeente, waar zijn vader en diens vriend zich zo hard voor gemaakt hebben. In 1863 is Gerrit Jr. in Haarlem getrouwd met Martijntje van Heijningen. Hij gaat meewerken in de bollenbedrijf van zijn vader.

In 1876 overlijdt Alida Bierman, de vrouw van Gerrit Segers Sr., in 1882 overlijdt hij vervolgens zelf ook. Beiden woonden tot hun dood op het latere adres Heereweg 119. Nu is het aan de volgende generatie.
Gerrit Jr. volgt zijn overleden vader op in het bollenbedrijf aan de Broekweg, zijn halfzus Aagje is getrouwd, maar de andere broers en zussen wonen aanvankelijk allemaal nog thuis. Wouter wordt bloemkweker en trouwt in 1879 met de dochter van Abraham Moolenaar, de timmerman. Rengert trouwt in 1881 en wordt ook bloemkweker. In 1882 trouwt Cornelis, eveneens bloemkweker, met een dochter van bloemkweker en koopman Hendrik Nieuwenhuis. Iets ten zuiden van de Agathakerk verrijst in 1897 het bloembollenbedrijf van de gebroeders Segers, opgericht door Cornelis en Rengert Segers. Rond de eeuwwisseling van 1900 woont er een heel groepje broers en zussen Segers tussen ongeveer de Vuursteeglaan en de Agathakerk, op ‘steenworpafstand’ van het familiebollenbedrijf. Het bloembollenbedrijf is gevestigd in een imposant symmetrisch gebouw met puntdaken. De tekst op het gebouw laat niets aan onduidelijkheid over: ‘Wholesale Bulb Growers’. De zaken gaan zó goed dat het gebouw in 1909 met een verdieping verhoogd is. Dhr. Hulkenberg meldt in zijn boekje vol oude ansichten van Lisse, dat de klus voor f. 10.000,- door de Gebroeders Moolenaar is geklaard. Zij hebben de pannen stuk voor stuk van de schuren gehaald en de planken genummerd voor ze werden weggenomen. Na het verhogen van het bouwwerk is het dak weer op de eerdere wijze teruggeplaatst. De zaken gaan goed voor de Gebroeders Segers.

Bollenkwekerij Segers Heereweg

Een familiegeschiedenis in bloembollen

Aan de overkant van de Heereweg woont zus Aagje Tromp-Segers, daar vlakbij woont broer Cornelis en iets verderop Wouter. Rengert woont naast het bollenbedrijf, met zijn tweede vrouw. Broer Jan is nooit getrouwd, heeft enige tijd buiten Lisse gewoond en trekt daarna in bij zijn broer en diens gezin bij de kwekerij. Ook de zussen Henriëtta en Elisabeth trouwen niet. Ze wonen enige tijd op zichzelf aan de Heereweg en trekken dan bij hun broer Cornelis in. In tegenstelling tot zijn halfbroers en zussen woont Gerrit Jr. niet op de Heereweg rond Agathakerk en Vuursteeglaan. Hoewel hij start als winkelier en arbeider in het bollenbedrijf van zijn vader, ontwikkelt ook hij zich tot bloemist. Hij woont met zijn vrouw op verschillende adressen op de Kanaalstraat, maar steeds rondom de daar gekoesterde kerk en het bollenbedrijf. Hij en zijn vrouw krijgen vier kinderen, maar twee ervan overlijden op jonge leeftijd. Zoon Gerrit is nauwelijks twee jaar oud geworden en zijn jongere broertje Arie overlijdt al binnen het eerste levensjaar. Dan blijven over Gerrit van 1866 en zijn twee jaar jongere zus Cornelia Maria. In hun directe omgeving woont jarenlang ook Gerrit Mijnders, metselaar en leeftijdgenoot van Gerrit Segers Jr. Beiden zijn heel actief voor de kerk waar ze zo dicht bij wonen. Over Gerrit Mijnders en zijn geschiedenis heb ik eerder uitgebreid geschreven, in ons Nieuwsblad van januari 2014. Hierin schreef ik ook dat Gerrit Mijnders de kerk bouwde op grond die Gerrit Segers daarvoor verkocht heeft.1 Dat de dochter van Gerrit Mijnders en Josina Beijer uiteindelijk in 1893 met de zoon van Gerrit Segers en Martijntje van Heijningen trouwt, kan nauwelijks toeval geweest zijn. Hoe is dat al vaker gezegd? Het oog van de liefde ziet dikwijls niet ver? Josina Mijnders en Gerrit Segers wonen na hun huwelijk tussen de beide ouderparen in. Er worden tussen 1894 en 1902 in Lisse zes kinderen geboren. Twee ervan zijn als heel jonge kinderen overleden, de rest groeit op rond de kerk in de Kanaalstraat. Zij zijn uiteindelijk allemaal op hogere leeftijd overleden en begraven in Lisse.

Ook de volgende generatie in de bloembollen

Gerrit Segers Jr. (geb. 1838), is uiteindelijk in de Kanaalstraat (tot kort daarvoor nog Broekweg) overleden in 1910 en zijn vrouw overlijdt daar drie jaar later. Gerrit Mijnders overlijdt in 1919 twee huizen verderop, waarna zijn weduwe Josina Beijer naar de Haarlemmermeer vertrekt. De jongste Gerrit Segers (geb. 1866) zet het bollenbedrijf van zijn vader voort. Pieter Johannes Segers is de kwartierdrager van dit Lisses Kwartiertje. Hij is in oktober 1898 geboren als zoon van Gerrit Segers en Josina Mijnders. Hij trouwt in 1926 in Gouda met Alida Clazina Valk. Ook dit gezin woont in Lisse in de Kanaalstraat vlak bij de ouders van Pieter Johannes. Het spreekt wel bijna vanzelf dat ook deze Segers bloemist wordt: hij zet op zijn beurt het bedrijf van zijn vader voort, het bollenbedrijf blijft de naam Gerrit Segers dragen. De bollenschuur staat op het binnenterrein achter de Kanaalstraat en direct achter de kerk. Die kerk in de Kanaalstraat wordt na talloze verbouwingen om met de toename van het aantal gelovigen mee te kunnen groeien, verlaten voor een nieuwe kerk aan de Tulpenstraat. Die wordt in 1936 in gebruik genomen en de oude kerk is verkocht aan Dirk Schouten en nu zit het kledingfiliaal van C&A al tientallen jaren op deze plek. Pieter Johannes Segers werd 84 jaar oud en zijn vrouw 73 jaar.
Beiden zijn begraven op begraafplaats ‘Duinhof’.

1. Volgens ‘Uw trouw is groot’ van C.J. Segers, zou dit echter de bouw van de tweede kerk betreffen: ‘Door de uitbreiding van het ledental (…) besloot de kerkeraad tot de bouw van een tweede kerk. Deze kerk werd gebouwd direct grenzend aan het eerste kerkje aan de Kanaalstraat (…) Op 25 mei 1866 werd dit kerkgebouw in gebruik genomen (…)’

Bronnen:

Genealogie en gegevens uit ProGen VOL; Bevolkingsregisters Lisse; Keukenhof – A.M. Hulkenberg; Uw trouw is groot – C.J. Segers; informatie van familieleden Segers.

Uit het archief gelicht: Verdronken in het Haarlemmermeer 1688

Ermpje Munnik verdronk in 1688 in het Haarlemermeer. De zoekacties worden beschreven.

door Dirk Floorijp

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 2, april 2015

Uit de archieven komen niet alleen mooie maar ook trieste verhalen te voorschijn. In de 17e eeuw was de Haarlemmermeer nog een gevaarlijk water. In de verpondingsboeken lezen we vaak dat de inwoners geen belasting hoeven te betalen voor hun land omdat het wegens afkalving door het water, in de golven van het meer was verdwenen. Zo’n triest verhaal komt voor in de heijligengeest boeken van Lisse. In het jaar 1688 had het echtpaar Cornelis Willemsz.van der Codde gehuwd met Maertje Pietersdr. van Oosten een dienstmaagd. Maertje was biersteker en had twee opgroeiende dochters. De dienstmaagd Mensje, haar achternaam is nog niet achterhaald, was verdwenen. Dan staat er ineens, ontvangen van Vrank Janse van Kats armmeester 15 stuijvers dat gegeven was voor het opvissen van Mensje, dienstmaagd van Maertje Pieters van Oosten. Maar ze was echter niet alleen. Waarschijnlijk met haar vriendin Ermpje Munnik, die was nog niet gevonden. Wat de oorzaak was van het ongeluk lezen we nergens. Er werd een zoekactie op touw gezet en de broer van Ermpje, Cornelis Pieterse Munnik loofde 10 gulden uit voor degene die zijn zuster vond. De helft ervan zou naar de armen gaan. Voor die tijd een aardig bedrag. In een kleine gemeenschap die Lisse toen was, zal het zeker het gesprek van de dag zijn geweest. Met stokken langs de rietkragen van het meer lopen zoeken, dan is het meer ineens heel groot. Jan Philipse van Vossen, Cornelis Cornelisse Geervliet, Gerrit Willemse en Maerten Willemse, knecht van Jacob Engelse Broekhuijsen die woonde op een hofstede aan de graft. Zij allen namen aan de zoekactie deel. Maerten Willemse vond haar na lang zoeken. Wat nu zo onbaatzuchtig was, dat er was afgesproken om het vindersloon af te staan aan de heijligen geest armen en de andere helft gegeven werd aan Gerrit Willemse aan de brugge in het oostijnde die mede gesogt hadde, ende in groote armoede was. Maertje Pieters van Oosten waar Mensje dienstmaagd was,overleed in datzelfde jaar 1688

Bron.G.a.Lisse inv.nr.292

KORT HISTORISCH OVERZICHT VAN LISSE EN DE GROTE KERK AAN HET VIERKANT

Een historisch overzicht vanaf de goederenlijst tot de graven van Holand met de kapel worden weergegeven.

door Aad van der Geest

Nieuwsblad Jaargang 13 nummer 4, oktober 2014

Inleiding

We nemen u mee terug in de tijd toen alles nog onzekerder was dan tegenwoordig. Toen Lisse maar een vlek was op een nog te ontwerpen landkaart. We nemen u mee langs een tijdlijn die ons via de Goederenlijst van St. Maarten voert naar de Graven van Holland, die in Lisse zo nu en dan een aardige verblijfplaats zagen. Aangezien Kerk en Heerschappij in die eeuwen hand in hand gingen, gaat de rest van de tijdlijn door de Grote Kerk aan het Vierkant van Lisse. Vanaf de geboorte als een nederige kapel tot aan het beeldbepalend pand van vandaag, in het oude centrum van Lisse.
Wat er aan vooraf ging De alleroudste geschiedenis van het dorp Lisse is nog steeds in de nevelen van de donkere middeleeuwen gehuld en laat maar spaarzaam haar licht over hedendaagse inzichten schijnen. In 1998 bestond Lisse onder die naam in ieder geval op papier 800 jaar, terwijl er op het grondgebied van de huidige gemeente al veel eerder sprake was van menselijk aanwezigheid. Hiervan getuigen de nodige archeologische vondsten die her en der uit de grond tevoorschijn zijn gekomen. Het wereldlijk erfgoed dat Willibrord en zijn opvolgers nalieten aan de Kerk van St. Maarten te Utrecht is samengevat in de zogenaamde “Goederenlijst”. In de 8e en 9e eeuw had deze kerk met name ook in het westen vele bezittingen verworven, zoals landerijen, wateren, visrechten, bossen en inkomsten uit bepaalde nederzettingen, geschonken door vorsten, edelen en grootgrondbezitters. Deze schenkingen waren destijds vastgelegd op oorkonden, schenkingsakten en giftbrieven. Later, na de terugkeer van de Utrechtse Bisschop uit zijn vrijwillige ballingschap vanwege het destijds dreigende Noormannen / Vikingen gevaar, werden deze in de eerste helft van de 10e eeuw allemaal in één keer aan het perkament toevertrouwd en gebundeld, “De Goederenlijst”. Deze lijst had tot doel hernieuwde aanspraken op voormalige bezittingen en inkomsten van de Utrechtse St. Maartenskerk van vóór die Noormannen / Vikingenperiode te doen gelden. Gebruik werd gemaakt van bestaande gegevens, maar ook van nieuwe aanvullingen, interpolaties en reeds veranderde omstandigheden van de 9e en 10e eeuw. Grote gebieden in het westen van het land waren na 885/889 inmiddels stilzwijgend overgenomen door Graaf Gerulf en zijn nakomelingen, die bekend zouden worden onder de naam “Graven van Holland”. Dit betekende een enorme inkomstenderving voor de Bisschop van Utrecht, vandaar die lijst. Op deze Goederenlijst staan twee namen die met Lisse in verband zouden kunnen worden gebracht n.l. “Lux” en “Liusna”. Van beiden kan echter nog steeds niet met absolute zekerheid worden vastgesteld wat de voorloper van de huidige naam Lisse zou kunnen zijn geweest. Wel dat ze in die periode reeds met het Christendom kennis hadden gemaakt, anders waren die vermeldingen niet op de Goederenlijst terecht gekomen.. Eerst aan het eind van de 12e eeuw krijgen we meer vaste grond onder de voeten.
De Graven van Holland in Lisse In 1182 wordt er (waarschijnlijk) in Lisse bruiloft gevierd. De bruid, Margaretha, is de dochter van Graaf Floris III van Holland en zijn vrouw Ada van Schotland. De bruidegom is Diederik van Cleef. De Egmondse annalen maken er melding van: “Theodericus comes de Cleve fi liam comitis Florentii et comitisse Ade Margaretam nomine uxorum duxit nuptiis magnifi ce Lis celebratis”. De bruiloft is hier dus niet gesloten, maar het feest is hier gevierd met een tournooi, “Magnifi ce Lis celebratis” = “het grote tournooise feest”. Melis Stoke zegt het in zijn Rijnkroniek als volgt: Groter feesten was destijds een aanduiding voor maaltijden en hoghen daden slaat op steekspelen. Misschien werd het tournooi wel gehouden op “de Groene Weyde” ongeveer het latere vierkant. In ieder geval is het woord Lis hier geen plaatsnaam maar een bijvoeglijk naamwoord. Zestien jaar later is de hele Grafelijke familie inclusief gevolg (weer ?) in Lisse. Graaf Dirk VII, zoon van Floris III, vaardigt te “Lis” een oorkonde uit. Onder de getuigen bevinden zich o.a. moeder Ada, zuster Margaretha, broer Willem (de latere graaf Willem I), broer Floris, Hugo van Voorne, Willem van Teylingen, Hugo van Noordwijk, Dirk van Haarlem en anderen, niet de minsten dus. De oorkonde wordt afgesloten met: “Acta sunt hec apud Lis, A.D. incarnationis MCLXXXXVIII”. Hier komt de naam Lisse voor het eerst in een begrijpelijk vorm tevoorschijn, reden destijds voor de viering van “Lisse 800”. Gezien de voorliefde van de Hollandse Graven (zoals ook later nog zal blijken) voor Lisse, lijkt het aannemelijk dat de bruiloft hier wel gevierd zou kunnen zijn geweest. Een groot deel van de entourage van 1182 is in 1198 namelijk gewoon weer van de partij. De plaatsnaam Lis van 1198 kan geënt zijn op de vermelding van 1182 die weer op een oudere grondslag kan zijn gebaseerd. (Lux of Liusna). Misschien stond er op de plek van de grote kerk aan het Vierkant al iets van een behuizing. Bewoning, iets noordelijker aan de Heereweg is archeologisch aangetoond vanaf ca. 1175. Er was in die tijd dus al wel iets van een dorp. De Graven van Holland zullen zeker wel een onderdak voor zichzelf hebben gehad. In feite kennen we natuurlijk ook alleen de officiële data van de aanwezigheid van deze Graven, terwijl zij hier meerdere keren tussendoor gewoon verbleven kunnen hebben.
De Kapel te Lisse, St. Agatha of St. Servaes ? Intussen zijn we aanbeland in het jaar 1248, wat een bewogen jaar zal blijken te zijn. Graaf Willem II van Holland is op 3 oktober 1247 gekozen tot Koning Duitsland. Dit feit wordt echter pas ruim een jaar later geconsacreerd als hij op 1 november 1248 daadwerkelijk tot “Romanorum Rex” wordt gekroond in de Dom van Aken. Willem II van Holland is koning van het Heilige Roomse Rijk. Vóór die tijd heeft hij in Lisse een Kapel gesticht, of zoals zal blijken een Kapellanie. Dit is een zogenaamde Vicarie of Altaar binnen de eigenlijke Kapel, gewijd aan een andere heilige dan die van de kapel zelf. Hoogst waarschijnlijk was het Altaar van Willem II opgedragen ter memorie aan zijn overleden vader Floris IV. Willem II en zijn opvolgers behielden het collatierecht van deze Kapellanie. Dit is het recht om een Priester voor deze speciale altaardiensten te mogen benoemen. In 1351 en 1354 maakt Hertog Willem van Beieren, dan Graaf Willem V van Holland gebruik van dit recht. Uit de akte van 1351 blijkt dat Willem V verzoekt om ene Willem Tairninc aan te stellen tot beheerder van de Kapel in Lisse, “Ad Capellum de Lisse, fundatum sive dotatam in honore sancti Servatii” die gesticht en geschonken is ter ere van St. Servatius. Na de dood van deze Willem Tairninc in 1354 beveelt Willem V ene Willen Pijs of Pijl aan tot diens opvolger voor de Capel(lanium) te Lisse. Het “Ad Capellum” van 1351 is het best te vertalen als “ter Capelle”. In de akte van 1354 wordt er expliciet over de “Capellanium van Lisse” gesproken. Dit Capellanium duidt op een situering bij een reeds bestaand object, in dit geval dus de Kapel van Lisse zelf. En deze kapel werd zoals bekend immers rechtstreeks bediend vanuit de toentertijd reeds zelfstandige Parochiekerk van Sassenheim. De inkomsten uit de Kapel te Lisse gingen dan ook naar de kerk van Sassenheim. Later, na de afscheiding van Lisse, zou men daar zelfs voor gecompenseerd worden, zoals we nog zullen zien. De inkomsten uit het bijaltaar of vicarie waren bestemd voor het in stand houden hiervan en dienden tevens voor het levensonderhoud van de vicaris of kapelaan. Uit bovenstaande mag blijken dat de Kapel van St.Servaes niet het hoofdaltaar van de Kapel van Lisse was, maar een bij-altaar of Vicarie. De eigenlijke Kapel van Lisse, van oudsher dus bediend vanuit de Parochiekerk van Sassenheim, moet dan al gewijd zijn geweest aan St. Agatha. Die Kapel moet dus ouder zijn dan het altaar van Willem II. De vraag of de Graven van Holland daar in een eerder stadium mogelijk ook de hand in hebben gehad is op dit moment niet te beantwoorden. Hoewel die mogelijkheid zeer plausibel lijkt. Ca. 950 was er in Sassenheim reeds een Kapel en had de Graaf van Holland inkomsten uit dit dorp. Rond 1162 had Sassenheim in ieder geval een zelfstandige Parochiekerk, als ene Ambrosius aldaar Pastoor is. In november 1248 schenkt Graaf Willem II de kapel van Hillegom met alles wat daarbij hoort aan de Abdij van Egmond. Het gaat hier dus om een al bestaand kerkelijk gebeuren dat al jaren gefl oreerd moet hebben. Gezien de vroege betrekkingen van de Hollandse Graven met Lisse en het reeds voorkomen van kerken en kapellen in de buurdorpen, zal de oorspronkelijke Kapel van Lisse mogelijk ook ouder blijken te zijn dan tot nu toe steeds wordt gedacht. Er is alleen geen stichtingsdatum voorhanden, maar die hebben we van Sassenheim en Hillegom ook niet. Bij de overgang van Kapel naar zelfstandige Parochiekerk op 27 april 1461 is er verder ook weer geen spoor van twijfel wie de Patroonheilige van deze Lissese kerk gaat worden, St Agatha. De laatste kapelaan die vanuit Sassenheim de Kapel van Lisse bediende, t.w. Dirck van Oosterwyck, wordt de eerste Pastoor van Lisse. Die overgang werd destijds reeds bevestigd in een Pauselijke Bul van 28 november 1460. Uit deze bul blijkt tevens dat de Capel(lanie) te Lisse is gesticht door “Willem Roomschen Koning” toen nog Graaf van Holland. Dit moet dus in ieder geval plaats gevonden hebben vóór 1 november 1248 en niet onmogelijk zelfs vóór 3 oktober 1247. De kerk van Sassenheim werd gecompenseerd voor het verlies van de opbrengsten uit de erediensten van Lisse met “5 oncen louter zilver jaarlijcks ten eeuwige tyden”. Deze eeuwige tijden hielden in 1628 reeds op te bestaan. Bij het verzoek van Lisse destijds aan de Paus om de Kapel te mogen omdopen tot zelfstandige Parochiekerk, zal de Capellanie van Willem II gezien de inhoud van de tekst wel vereenzelvigd zijn geworden met de gehele Kapel. Het gegeven dat het hier ging om de Kapel van een voormalig Rooms Koning, moet zelfs bij Paus Pius II indruk gemaakt hebben, hoewel er ook nog andere sentimenten meespeelden. Dom waren die Lissers toentertijd in ieder geval niet.

De Grote kerk aan het Vierkant

Godfried de Noorman was een Deens Vikinghoofdman die in 885 de dood vond o.a. door toedoen van ene Gerulf die we daarna terug vinden als Graaf in Friesland. Dit besloeg de kustgebieden van de huidige provincies Noord en Zuid-Holland, van Kennemerland tot aan de toenmalige Maasmond. De offi ciële oorkonde is verloren gegaan, maar de Frankische Keizer Karel de Dikke moet hem hiermee begiftigd hebben. Toeval of niet, maar nog in dat zelfde jaar wordt de Kapel van wat nu Beverwijk is, gesticht met als patroonheilige St. Agatha. Zo oud is de Kapel in Lisse niet, terwijl het dorp zelf ook niet op de Bottinglijst (heel oude vorm van belasting) van de vroege Dirken voorkomt, Sassenheim bijvoorbeeld wel. Chronologisch door de tijd heen neemt de Kapel aan het latere Vierkant een voorzichtige aanvang ergens in de eerste helft van de 13e eeuw, of mogelijk toch iets eerder. Hoe het er destijds allemaal uit heeft gezien is niet te achterhalen, maar de aanwezigheid van tufsteen in de toren, al dan niet later hergebruikt, wijst op een oorspronkelijke datering in de 2e helft van de 12e eeuw. Dit n.a.v. de aanwezigheid van de Hollandse Graven of in een vroeger stadium een eventuele interventie vanuit Utrecht, analoog aan de oude dorpskerk van Sassenheim. Tufsteen is een importproduct en komt uit de Eifel in Duitsland. De gewone man kon zich zoiets niet permitteren en de verdere aanwezige huizen in Lisse zullen in hout zijn opgetrokken, gedekt met riet. Is de Leidse Burcht halverwege de 12e eeuw nog voornamelijk in tufsteen opgetrokken, de ringmuur van slot Teylingen die dateert van rond 1204 is reeds in baksteen gebouwd. De aanwezige tufsteen in Lisse verraadt derhalve een vroegere aanvang en wel vanaf de 2e helft van de 12e eeuw. Het lijkt erop dat er al heel vroeg een behuizing in tufsteen zal hebben gestaan ergens in de buurt of op de plek van de huidige grote kerk. Of dit reeds van meet af aan een kapel is geweest is niet te zeggen. Deze behuizing of kapel is in een zeker stadium afgebroken en het afbraakmateriaal diende later mogelijk als bekleding en/of bouwmateriaal voor de onderkant van de verder voornamelijk in baksteen opgetrokken toren. Kapel en toren (dan nog los van elkaar) bedienen de gemeenschap tot aan 27 april 1461 als Lisse een zelfstandige parochie wordt met de kapel als kerk. Mogelijk is de kapel toen vergroot, waarbij de oude ingang tevens hoofdingang werd van de nieuwe kerk. De R.K. gemeenschap houdt in de nieuwe St. Agatha stand tot na de beeldenstorm van 1566, als de Staten van Holland in 1573 alle openbare R.K. godsdienst uitoefeningen verbieden. De Nederduits Gereformeerde kerk wordt in 1579 de publieke kerk van de Republiek der zeven Verenigde Nederlanden. De R.K. gemeenschap zoekt haar heil in de schuilkerken en de aanhangers van de nieuwe leer betrekken de oude St. Agatha. Deze is na het beleg van Haarlem in 1572/73 en het beleg van Leiden in 1573/74 deerlijk gehavend uit strijd tevoorschijn gekomen. De toren is redelijk intact gebleven en de kerk lijkt in 1592 weer min of meer in bruikbare staat. Het koor is reeds in 1645 een feit en hierin komt de nieuwe hoofdingang. De zonnewijzer aan de toren komt er in 1729 bij, gemaakt door Vreyzen Breugel. Rond deze tijd noemen de (Nederduits) Gereformeerden zichzelf Hervormd. In 1796 beëindigen de Fransen de staatskerk en komt er meer godsdienstvrijheid. In 1816 krijgt de (Nederduits) Gereformeerde / Hervormde kerk, van Koning Willem I een nieuw reglement en een nieuwe naam “De Nederlandse Hervormde Kerk”. Ingrijpende restauraties van het gebouw zelf vonden in 1858 en 1861 plaats. Het op oudere prenten reeds aanwezige uitbouwtje van de consistorie is in 1910 en 1922 vergroot. In 1924 wordt de kerk vergroot met een z.g. transept, dit is de dwarsbeuk of noordvleugel. Tijdens de aanleg van de verwarming in 1938 en de verbouwingen van 2002/2003 zijn vele oude grafzerken tevoorschijn gekomen. De oude luidklok die in 1943 door de Duitse bezetter is weggehaald en voorgoed verdween, is in 1949 vervangen door een nieuwe. De toren zelf, 26 meter hoog, die tijdens Napoleon door de burgerlijke gemeente geannexeerd was, is in 1997 van de Gemeente Lisse overgenomen en maakt weer deel uit van het totale geheel. De Grote Kerk aan het Vierkant is thans het Godshuis van de ”Hervormde Gemeente te Lisse”. Bronnen: De Aagtenkerk van Lisse, A.M. Hulkenberg, 1960 Fontes Egmundenses, O.Oppermann, Utrecht 1933 Kerken in 800 jaar Lisse, “Aan een onbekende God”, Ed Olivier, 1998 Lisse, Lux of Liusna?, Dever Bulletin 1991, jaargang 2, Aad van der Geest De restauratie en renovatie van de Grote Kerk te Lisse 2002-2003, werkgr.publiciteit, Ph.van Hoven Het Pancratius-Patrocinium (te Sassenheim) De Aschpotter nr. 29 nov. 2011, Aad van der Geest De Rijmkroniek van Holland en zijn auteurs. J.W.J.Burgers Historische Vereniging Holland 1999

Bron van het navolgende artikel is het “Kort historisch overzicht” uit “Lisse Gereformeerd”, dopen 1620 – 1811, ondertrouw en trouwen 1620 – 1809, begraven 1747 – 1833, van de grote kerk aan het Vierkant. De uitgave hoort bij de reeks “Genealogische Bronnen” van de dorpen rondom Leiden, uitgegeven door de NGV afd. Rijnland. Het betreft nr. 16, 2013, door Elly Keus.

Acte van afzondering en stichting van Parochie van Lisse

Brief van Paus Pius II aan de inwoonders van Lys anno 1460 met de toestemming om een eigen parochie te stichten.

Arie de Koning

2013

Rond het jaar 1460 besluiten de Schout, inwoners en Ingezetenen van het plaatsje Lisse, een door een openbaar Notaris opgestelde brief te zenden naar het Vaticaan en daarin de Paus te verzoeken, toestemming te geven voor het stichten van een eigen Parochie in het schoutambt Lisse en daarvoor zich los te mogen maken van de Parochie van Sassenheim. De Paus stond daar niet onwillig tegenover en gaf zijn toestemming. Op 8 november 1460 verliet een brief met deze toestemming het Vaticaan en werd een aantal maanden later, op 9 april 1461, bezorgd bij het Aartsdiaconaat van de Sint Pieterskerk in Utrecht, De aartsdiaken leest de brief voor. Klik voor de transcriptie  op stichting van de Parochie van Lisse  In het boek 550 jaar Sint Agatha in Lisse (pag. 14) staat een beter leesbare vertaling.

De oprichting van de parochie ging niet zonder moeilijkheden. Lisse behoorde tot de parochie Sassenheim en die verzette zich uit vrees voor inkomstenderving. Uiteindelijk bepaalde paus Plus II, waar Lisse zich toen op beriep, dat Lisse jaarlijks “vyf oncen louter silver” aan Sassenheim zou betalen. Op 27 april 1461 wordt Lisse tot een zelfstandige kerk verheven. Uit deze tijd dateren vermoedelijk de eerste vormen van de huidige hervormde kerk. Na het bekend worden van het aartsdiaconale schrijven bouwde men een kerk aan het Vierkant, Daarachter heette het toen “het groene veld” of “de groene weyde van Lys”. Deze kerk, had een ribloos gewelf, rondbogige galmgaten en was gemaakt van baksteen. Dit wijst op bouw in de vijftiende eeuw, Maar de toren was bekleed met de veel zeldzamere tufsteen of duyfsteen, wat het vermoeden doet rijzen dat de kerk eerder is gebouwd dan wordt aangenomen. Toch houdt men het erop dat de kerk na 1461 is gebouwd, met de verklaring dat de tufsteen dan afkomstig is van de afbraak van de Koninklijke” kapel die opgericht is In een tijd (13e eeuw) waarin tufsteen vee! algemener was.

De parochiekerk werd van ouds af aan aan de Heijlige Sinte Aechten gewijd en zowel het pastoorschap en het kosters ambt werden door de graven gegeven. De geschiedenis van deze kerk begint in de dertiende eeuw. Omstreeks 1250 richtte graaf Willem II van Holland een “Koninklijke” kapel op, ergens in het gehuchtje “Lysse” waar de inwoners leefden van turfsteken op veenderijen die in de duinen lagen. Bijna twee eeuwen later (1420) wordt de naam genoemd van ene eerwaarde heer Petrus Mengelen, pastoor “ad capellam de Lis”. Dat blijft bij één naam, althans, ik heb er geen meer kunnen vinden.

Ook de naam van een pastoor van de nieuw gebouwde Aegtenkerk duikt maar twee maal op, De eerste is Mr. Ewout Floriszn welke in 1514 wordt vermeldt en een tweede, Dlederick van Oosterwijk, wordt wat later gevonden. Dan duurt het lang voor de verschillende Pastores regelmatig genoemd werden. De jaarlijkse opbrengst van de nieuwe Pastorij, berekende men op 40 Rijnse Guldens, Hieruit kan men dan weer afleiden dat de parochianen in het gehucht Lys, niet al te arm, maar bovenal vrijgevig waren.

Arie de Koning 2013

Een mooie tekening van de grote kerk