Berichten

SCHELM, GUYT, BEEST BLOEDSUYGER! Jakob van Dorp (ca 1663-1746)

Tijdens de restauratie van de grote kerk kwamen van onder de vloer veel grafzerken te voorschijn. Onder ander van Schout Jacob van Dorp (ca 1663-1746). Rob Pex gaat in op de stormachtige loopbaan, die begon in 1683. In 1707 werd hij Scout van Lisse. Vele strubbelingen in Lisse en diverse grondaankopen

door: R.J. Pex

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 3, juli 2003

Om hoeveel zerken het precies ging in de Nederlands Hervormde Kerk oftewel de Grote Kerk in Lisse bleef lange tijd onduidelijk. Totdat tijdens de jongste restauratie de houten vloer werd verwijderd en bleek dat zich eigenlijk overal in de kerk wel zerken bevonden! Een zerk die de aandacht trok was gelegen naast de verhoging bij de preekstoel. Een dubbel graf voor de schouten Jakob van Dorp en Jan van der Jagt.

Het opschrift op de steen luidt: grafstede/van den heer/ jakob van dorp/ in zijn leven/ schout en secretaris/ van/ lisse en hillegom / overleden den 3 october 1746/ oud 83 jaren/ en/ van den heer/ jan van der jagt/ in zijn leven/ schout en  secretaris/ van/ lisse en hillegom/ overleeden den 31 december 1762/ oud 57 jaaren.

In dit artikel willen we ingaan op Jakob van Dorp. In een volgend artikel zal ook zijn opvolger als schout en secretaris van Lisse en Hillegom, Jan van der Jagt, aan bod komen.

Stormachtige loopbaan

De loopbaan van Van Dorp neemt een aanvang in 1683. In dat jaar wordt hij benoemd tot notaris. Schiedam was zijn eerste residentie, doch lang is hij hier niet gebleven: reeds in 1685 treffen we hem aan als notaris van het ambacht Nieuwveen. Dit ambt bekleedde hij tot 1693. Vervolgens was hij van 1694 tot 1707 notaris van het naburige Alphen aan den Rijn. Daar het secretaris- en notarisambt dikwijls door één en dezelfde persoon werd bekleed, is het aanne­melijk dat hij in deze jaren tevens als secretaris van genoemde dorpen heeft gefungeerd. Bovendien nam hij ook het schoutambt van Alphen waar voor de jeugdige Adriaan Rosenboom, in welke hoedanigheid hij voor het laatst vermeld wordt in 1711. In de notariëlen van Van Dorp komen vanaf 1688 opvallend veel Lissese inschrijvingen voor. Hieruit mag men concluderen dat hij vanaf dat jaar tevens als secretaris en notaris van Lisse fungeerde.

Schout van Lisse, 1707

In 1704 was schout Pieter van der Codde overleden. Als voorlopig schout werd nu secretaris Jakob van Dorp aangesteld. Uiteraard was het zijn wens dat deze voorlopige benoeming na verloop van tijd in een definitieve zou worden omge­zet. Extra inkomsten waren altijd welkom! Maar daar werd Van Dorp al spoedig in teleurgesteld toen de ambachtsheer, Adriaan de Wael van Vronesteyn, een heel andere kandidaat naar voren schoof: Nicolaas de Graaf. In april 1705 werd hij voorgesteld aan de voorlopige schout en schepenen van Lisse. Al spoedig deden zich allerlei moeilijk-heden voor. Zo had de nieuwe schout de grootste moeite zich in de Lisser dorpszaken in te werken, omdat de secretaris weigerde hem daarover helderheid te verschaffen. De Graaf schrijft later aan de ambachtsheer dat hij het als “een van de grootste quellinge des waerelts” ervaarde door zo iemand verraden te worden. Op 10 augustus had de nieuwe schout de secretaris nog in de rechtkamer (in De Witte Zwaan) “in bijwesen van Burgemeesteren (schepenen) uytgescholden voor een schelm, guyt, beest, bloedsuyger van de gemeente, Judas, Pharizeer, ende diergelijke…!” Ook met het vinden van een woning in Lisse had de schout de grootste moeite gehad. Nee, hij had het niet getroffen met zijn secretaris. Al gauw is schout Nicolaas de Graaf dan ook vertrokken. Hij werd opgevolgd door Reynier Brand. Doch ook deze heeft het in Lisse maar eenjaar volgehouden. Toen kreeg Van Dorp eindelijk zijn zin: hij werd aangesteld tot schout en is dat tot 1746 gebleven. Andere functies die Van Dorp bekleedde waren die van secretaris van het bal­juwschap van Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout en schout en secretaris van Hillegom. Met al die ambten had hij het dus maar druk!

Moeilijkheden met de kerkenraad, 1709

Twee jaar na zijn aanstelling tot schout van Lisse doen zich weer nieuwe strub­belingen voor. Dit keer met de kerkenraad. Ds. Velsen vertrok naar elders en er moest een nieuwe predikant in diens plaats worden beroepen. Van Dorp had kans gezien alle kerkelijke aangelegenheden aangaande deze zaak naar zich toe te trekken. De kerkenraadsleden waren pas later gaan nadenken over de gang van zaken en vonden het wel erg vreemd dat de schout hierin zo’n grote invloed had gehad. Al gauw brak er dan ook een discussie los over deze zaak. Van Dorp eigende zich met name het recht toe om de brief op te stellen waarin de ambachtsheer door de predikant op de hoogte werd gesteld van diens beroeping naar elders. De predikant was dus in dit geval ds. Velsen en hij werd beroepen naar Deventer.

De reden waarom Van Dorp zo dacht was simpelweg gelegen in het feit dat het met de voorganger van ds. Velsen (ds. Vonk) ook zo was gegaan! De ware toe­dracht van zaken was echter dat ds. Vonk op een goede dag toevallig de schout tegen het lijf was gelopen en hem gevraagd had of hij binnenkort nog aan de ambachtsheer moest schrijven en of hij hem dan tevens op de hoogte kon stel­len van diens beroeping. Die opdracht had de sluwe Van Dorp natuurlijk met dank aanvaard en nu beweerde hij dus dat het opstellen van een dergelijke brief tot zijn taken behoorde! Zo beweerde hij ook dat hij aanwezig moest zijn bij het opstellen van de beroepingsbrief, waarbij de opvolger van ds. Velsen naar Lisse werd beroepen. Ook hierin had de kerkenraad bij het vorige beroep verkeerd gehandeld door de schout wél aanwezig te laten zijn bij het opstellen van die brief. En zo waren er meer gelegenheden geweest waarin de kerkenraad door gebrek aan kennis en ervaring verkeerd had gehandeld en waar vervolgens Van Dorp handig op had ingespeeld door zich rechten toe te eigenen die hij niet had. Maar het mooiste moest nog komen. Toen de kerkenraad naar de classis toog om goedkeuring te verkrijgen voor de beroeping van de nieuwe predikant, ging ook de bemoeizuchtige Van Dorp mee. In de notulen van de kerkenraad lezen we: “de schout was bij ‘t inleveren van het beroep tegens de sin van de kerken­raad en aller voorgaande gewoontes ook binnengelopen” en werd nu door de classis “nevens de anderen” als kerkenraadslid aangetekend! Hoe het bij latere beroepingen is gegaan, staat helaas niet vermeld. Wellicht hebben de kerkenraadsleden van de gang van zaken bij het vertrek van ds. Velsen en de beroeping van ds. Ruys geleerd. Ja, men kon maar beter voorzich­tiger zijn met zo’n sluwe schout-secretaris in de buurt…

Grondaankopen, 1698-1740

Jakob van Dorp verdiende aardig wat aan de vele ambten die hij bekleedde. Zijn neef, Jakob Krighout, vermeldt in 1746 of 1747 aangaande de “revenuen” van de ambten die zijn oom jaarlijks genoot, “dat onderstelt word, dat se jaar­lijks wel 1500 guldens zouden beloopen hebben”. Hij belegde deze gelden in vele obligaties en in grond. Overal bezat hij wel huizen en landerijen. In Hillegom had hij “Een Huysmans woning genaamd het Huys in’t Veld (…) in de Oostpolder of Zandlanerpolder”, in Voorhout een huis “aan den Heereweg en de Dingsdaagse Schoubare watering” en “onder Alfen” een huis met steenoven in de Steekterpolder. Voorts verscheidene huizen en landerijen in Waverveen, Alkemade, Roelofarendsveen, Nieuwe Wetering, Moordrecht, etc, etc. Ook in Lisse zien we hem na diens aanstelling tot schout in 1707 overal gronden aan­kopen. In 1716 koopt hij “Een Huys en Erve aan den Heereweg in de Poelpolder tegen over de Parochiale kerk in Lisse”. Het was een vrij ruime woning, want hij betaalt er in de verponding (belasting) van 1725 het bedrag van 6 gulden en 3 stuivers voor, terwijl het meest gebruikelijke bedrag voor een doorsnee woonhuis ongeveer l of 2 gulden was. Het blijkt te gaan om de bui­tenplaats Mossenhof. Zo’n huis midden in het dorp gelegen, was voor de schout natuurlijk bijzonder aantrekkelijk. Mogelijk heeft Van Dorp het buiten dan ook zelf bewoond. Ook Willem Jakobus Sennepart (schout van 1763 tot 1777) bewoonde “het lustig Mossenhof”, zoals Jan de Graaff het in zijn Lisser Arkadia noemt. In 1726 koopt Van Dorp een huis in De Engel, in 1732 een huis in de “Oostpolder” van Lisse, dus in het Oosteinde (richting Hillegom). In het­zelfde jaar koopt hij “Een Huysmanswoning, Zomerhuys” etc. aan, tezamen met een groot aantal percelen in de Lisserpoelpolder en Roversbroek. Tenslotte verwerft hij op l maart 1740 het eigendom van de helft van “een woning met hare Boomgaard, Elssingelen, Teelland” etc. gelegen tussen de Heereweg en Achterweg. Het wordt aan de noordzijde begrensd door de “Viersteeg”. In de 16de eeuw was deze woning een dependance geweest van het Sint Elisabethgasthuis te Haarlem, l Een andere aankoop is van heel andere aard, namelijk die van een “grafstede” in de Grote Kerk van Lisse.

Het graf in de Lisser dorpskerk, 1739

Van Dorp wordt oud en op 3 februari 1739 heeft hij dan ook een graf in de kerk van Lisse gekocht. Het graf was afkomstig uit de failliete boedel die Cornelis Adriaanse Molin had nagelaten, waarover Van Dorp sinds 1738 het bewind voerde. Al gauw ging hij ertoe over de nalatenschap te verkopen, teneinde de schulden die erop rustten te kunnen voldoen. De schout nam zijn kans waar en kocht het graf “aan en ten behoeve van hem eijgen selfs in sijn particulier”. Inmiddels was in het graf reeds het het stoffelijk overschot van Cornelis Molin bijgezet. Vanwege dit laatste wordt de voorwaarde gesteld dat de koper de begrafene “daar in sal moeten laten rusten ten minste den tijd van vier jaren”. Daarna mocht het graf dus geruimd worden en moest de overledene maar op een andere plek begraven worden. Het graf wordt omschreven als “een bemesselde dubbelde grafsteede aan de suydmuur van de kerk, bij den Toorn, beneden het glas daar het wapen van Adriaan van Gorcum schout tot Lisse in geschildert is”. Aanvankelijk lijkt dus het bewuste graf op een heel andere plek (meer rich­ting de toren) gelegen te hebben dan zoals dat recentelijk is vastgesteld (min of meer in het centrum van de kerk, nabij de preekstoel). Nu, laatstgenoemde locatie was ook veel meer overeenkomstig de rang en status van een schout als Van Dorp. Het zal dus ongetwijfeld met zijn instemming gebeurd zijn.

Laatste levensjaren, 1742-1746

In zijn laatste levensjaren woonde Van Dorp op het buiten Mossenhof “tegen­over de Parochiale Kerke” aan de Heereweg. Volgens een kohier van de perso­nele quotisatie (personele belasting) uit 1742 had hij hier een “meijd” in dienst. Daarnaast woonde bij hem een weduwe in genaamd Catarina van Slingeland en Jan van der Jagt, “Schout, ende Secretaris van Voorhout”, die hem als schout en secretaris van Lisse en Hillegom zou opvolgen. De Lissese schout staat aangeslagen in klasse 10, wat betekent dat hij f60 moet betalen, veel meer dan wie ook. Hierbij zijn echter meegeteld de inkomsten die hij vanuit zijn ambt als schout en secretaris van Lisse en Hillegom genoot. Daarnaast schijnt Van Dorp ook gedurende korte tijd het schout- en secretarisambt van Bennebroek bekleed te hebben. In december 1742 werd hij hierin opgevolgd door Matheus Gruepin. Echter, de ambtelijke molens werkten ook toen al zeer traag. Nog tot in 1744 stond Van Dorp aangeslagen in de tiende klasse, terwijl hij toen al bijna twee jaar geen schout en secretaris van Bennebroek meer was! Hij klimt dan ook in de pen en schrijft in het wat wollige taalgebruik van die tijd: “Den getaxeerde allenieert onder Eerbiedigste reverentie nu nog dat hij in de Quotisatie van den 16. Novemb. 1744 uytdrukkelijk is geconsidereert als schout ende secretaris van Bennebroek, welke twee ampten hij bekleede in den Jare 1742 maar dat hij al in decemb. 1742 ende sulks lange voor het arresteren van dese personele quotisatie van het bekleeden van die ampten, ende genot van de revenu is gediscontineert”, etc. Het komt erop neer dat “dese quotisatie van 60 gis. werden gediminieert (verminderd) ende gebragt onder de agste classe”, wat uiteindelijk in 1746 dan ook is gebeurd (al werd hij getaxeerd in de negen­de klasse). De nieuwe aanslag bedroeg nu f 50.

Jakob van Dorp is op 3 october 1746 op de hoge leeftijd van 83 jaar overleden.

De nalatenschap, 1746

Maria van Dorp, een zuster van de overleden schout werd benoemd tot algeheel erfgename. Wat dat voor haar betekende wordt onmiddellijk duidelijk als we de uitgebreide lijst of “memorie” bekijken die Jakob Krighout, een zoon van Maria van Dorp, van de erfenis van zijn overleden oom heeft opgesteld. Krighout heeft er een hele kluit werk aan gehad. Allereerst blijken zich in de nalatenschap talrijke obligaties te bevinden. Gezamenlijke waarde zo’n 115.000 gulden. Een enorm bedrag voor die tijd! Volgt een uitgebreide lijst van de onroerende goederen die de overledene had bezeten. Ook deze categorie vult ettelijke pagina’s. We hebben zijn bezittingen reeds in vogelvlucht besproken. De lijst is ondertekend door Jakob Krighout en gedateerd op 5 januari 1747. Op diezelfde datum zijn genoemde goederen getaxeerd voor de successiebelasting. De Lissese goederen leveren hierin f4.290 op.

Van Dorp vond zijn laatste rustplaats in het graf dat hij in 1739 had gekocht. In de Grote Kerk.

Bronnen:

  • Notariële archieven Nieuwveen en Alphen aan de Rijn in streekarchief Rijnlands Midden te Alphen aan de Rijn
  • A.M. Hulkenberg, Het Huis Dever te Lisse
  • ‘Uit het kerkelijk archief van Lisse’. Eenendertigdelige reeks door W. Marinus in Hervormd Lisse van 21-2-1959 tot 04-02-1961
  • Gemeentearchief Lisse inv.nr.225

1 Bij de aanleg van de Westelijke Omleidingsweg in 1983/84 zijn hier nog interessante archeologische vondsten gedaan.

2 Krighout was professor in de theologie aan het remonstrantse seminarium te Amsterdam.

De grafsteen van Jakob van Dorp, schout en secretaris van Lisse en Hillegom. De steen lag in de Nederlands Hervormde Kerk nabij de preekstoel. Na de renovatie van het kerkgebouw is de steen neergelegd in het middenschip. Op de steen is te lezen dat Jakob van Dorp overleed in 1762, in de ouderdom van 83 jaar.
Foto: Hans Smulders

Katholiek naslagwerk: register van 1687-1812 van de Agathakerk

De archiefgroep van de Agathaparochie heeft een register samengesteld op doop-, huwelijks- en overlijdensboeken van 1687 tot 1812.Het is een naslagboek van 375 pagina’s geworden. Het boek is uitgegeven door de afdeling Rijnland van de van de Nederlandse Genealogische Vereniging.

Nieuwsflitsen

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 3, juli 2003

De Archiefgroep van de Agathaparochie, bestaande uit de heren P. de Ridder, J.L. van Diemen en P.A.M. Wassenaar, heeft een register samengesteld op de doop-, huwelijks- en overlijdensboeken van de parochie over de periode van 1687 tot aan de invoering van de bur­gerlijke stand in 1812. Hiermee is de groep zeven jaar doende geweest! Maar het resultaat is er naar. Het naslagwerk van 375 blad­zijden bevat alle namen van katholieke Lissenaren die in de parochie in bovengenoemde periode zijn gedoopt, gehuwd en/of overleden. Het boek is uitgegeven in samenwerking met de afdeling Rijnland van de Nederlandse Genealogische Vereniging. Het eerste exemplaar is in het Kerkelijk Centrum in de Poelpolder uitgereikt aan pastor J.H. van Leeuwen

BEGRAFENISVERENIGING ST. BARBARA JUBILEERT

In 1902 werd de begrafenisvereniging Sint Barbara opgericht. De geschiedenis van de vereniging wordt besproken.

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 2, april 2003

Arie in ‘t Veld

Foto’s uit het archief van Sint Barbera

Op 18 november 1902 werd op initiatief van kapelaan De Korte in Lisse een vereniging opgericht waarbij van begin af aan bekend was dat het geen vrolijke boel zou worden. Het was de begrafenis­vereniging St. Barbara. Uit nood geboren eigenlijk, want meer en meer bleek dat het welhaast on­doenlijk werd om bij een overlijden alleen maar te kunnen steunen en vertrouwen op de zogenoemde burenhulp.

Alleen wat het begraven op zichzelf betrof hoefde dat niet. Dat kon goed worden geregeld, want meestentijds fungeerde de koster tevens als uitvaartverzorger en was er vaak wel een tuinman in de buurt die een graf kon delven. Maar al met al bleef het behelpen. Tot de Begrafenisvereniging St. Barbara werd opgericht. Een geweldig initiatief en alhoewel niemand graag stil staat bij het gegeven dat de enige zekerheid in dit leven is dat de dood er een einde aan maakt, werd in menig huishouden over het lidmaatschap nagedacht. Goed, het kostte (letterlijk) een paar centen per week, maar dan was je er ook van verzekerd dat als het moment was aange­broken, er een beroep gedaan kon worden op de inzet en kennis van zaken van een vereniging die zonder winstoog­merk de gehele uitvaart kon verzorgen. Voor een kwartje per jaar, in één of twee termijnen te betalen, werd je lid. Dat sloeg aan, want onmiddellijk schreven zich 55 mensen in als lid. Om niet helemaal met lege handen te staan, werd op de eerste bestuursvergadering van maart 1903 besloten om een voorschot uit de afdelingskas van de Rooms Katholieke Volksbond te aanvaarden voor de aanschaf van hand­schoenen en rouwstrikjes voor de dragers.

Heden overleed...

Organisatorisch viel er echter nog heel wat te doen, want men beschikte wel over een flink portie enthousiasme, maar de verenigingskas was leeg. Er moest worden gespaard voor de nodige voorzieningen. In het begin was dat overigens niet veel anders dan een paar capes die iedereen, groot of klein, pasten en een kamerscherm waarachter de overledene, meestal thuis, werd opgbebaard. En dat thuis opbaren was geenszins gemakkelijk. Sommigen beschikten

over een gescheiden voor- en achterkamer, zodat men de overledene in een aparte ruimte kon opbaren. Heel veel huizen hadden echter niet eens een slaapkamer. De bedstede was voor het opbaren van een overledene natuurlijk niet geschikt. Twee stoelen en daartussen een deur boden dan uitkomst. Timmerman van Zon uit De Engel kwam dan langs om de maten van de overledene te nemen en korte tijd later werd die reis herhaald. Maar dan met de handkar en daarop de kist. En: de klok moest stil, de kachel uit en als het even kon de ramen open. En als het allemaal niet uitkwam, dan werd de overledene bij een buur of familie­lid opgebaard. En vervolgens ging de aanzegger de deuren af. In plaats van kaarten… In vol ornaat en met de steek op het hoofd werd in de omgeving aangebeld en op statige wijze de overlijdensboodschap verkondigd. Te beginnen met de woorden: ‘Heden overleed…’

De deur én het boek dicht

Drager wordt je niet uit roeping. Het is ook geen vak en geen liefhebberij. Drager word je in verreweg de meeste gevallen, omdat je dat wordt gevraagd. Een oud-drager van de St. Barbara vereniging weet zich te herinneren: ‘En we hebben het meegemaakt dat we met twee man de kist met een overledene moesten transporteren. Dat was kunst­en vliegwerk. De hele familie stond in de gang toe te kijken en allerhande opmerkingen te maken, maar niemand stak ook maar een enkele vinger uit. Sterker nog: bij de voordeur hield het helemaal op. De deur werd achter ons gesloten en daarmee was voor de familie kennelijk het boek dicht, want niemand getroostte zich de moeite om naar het mor­tuarium te gaan en de werkelijke begrafenis mee te beleven. Natuurlijk hebben we over zoiets wel een mening, maar dat, laten we nooit blijken en we laten ons er ook niet tegenover derden over uit’. Er brak een keer paniek uit in het bejaardentehuis de Pius (waar nu het Uitvaartcentrum Lisse staat). De drager: ‘Op een gegeven moment bleek dat de rouwkamer finaal in elkaar was gezakt en dat de overledene nog maar nauwelijks was terug te vinden. De zaak stond (het was allemaal  armoe en dus behelpen in die tijd) opgestapeld op kisten en werd hier en werd daar een beetje gesteund. Kennelijk heeft iemand bij het weggaan tegen zo’n kist gestoten of per ongeluk geschopt, waardoor de zaak is gaan wiebelen, om uiteindelijk helemaal om te vallen.’ Het gezegde luidt dat rangen en standen met de dood vervallen, maar met name in vroegere jaren was dat bepaald niet het geval. Ook niet bij het begraven. Verschil in de financiële mogelijkheden was natuurlijk al snel zichtbaar aan het gebruikte transportmiddel voor het vervoer van de overledene. Dat was bijvoorbeeld de koets. Verschil in klasse (en dus in geld) was er tevens in het aantal dragers en de kerk kende eveneens de diverse klassen. Aan de bewoners van het bejaardenhuis Huize Pius werd indertijd bijvoorbeeld meegedeeld dat Klasse 1A het hoogst was en dus ook het kostbaarst. Daar waar de Missen in de andere klassen als gezongen H. Mis werden aangekondigd, werd in deze klasse gesproken over de ‘plechtig’ gezongen H. Mis. Dat betekende concreet: Drie heren en een koor en ook zingen tijdens het wegdragen van de kist. En bij Klasse 1A werd ook het altaar geheel in het zwart overtrokken en alles sfeervol aangekleed met gordijnen en lopers, alsmede het plaatsen van 48 kaarsen. Kosten: 350 gulden, inclusief klokluiden, beaarding op het kerkhof, grafrecht en grafmaken. Klasse 1B was nagenoeg hetzelfde, maar het woordje ‘plechtig’ was niet aan de orde. En dat kostte dan vijftig gulden minder. Het goedkoopst was Klasse 3B, met een gezongen H. Mis, het altaar gedeeltelijk zwart bekleed en tien kaarsen. Daar moest men het dan maar mee doen.

Een foto uit de oude doos (1955): zo werd Henri Kuijpers begraven, de grondlegger van de Katholieke Illustratie, een tijdschrift dat in geen enkel katholiek gezin ontbrak. De overledene werd plechtig ten grave gedragen op de  begraafplaats achter de Agathakerk. Voorop een kapelaan met het kruis, daarachter vier misdienaars met wierook en wijwater, daar achter de pastoor en een tweede kapelaan. De
kist is op de schoudersbgenomen door zes dragers. Achter de pastoor lopen enkele zangers.

Hoge zijden

De statige ‘kachelpijpen’ die de hoofden van de dragers sierden, de hoge zijden hoeden, zorgden overigens wel vaker voor (ingehouden) hilariteit. Zoals de hoed van de drager die kennelijk wat te royaal op z’n hoofd zat en pardoes het graf inwaaide net voordat de kist zou zakken. Een pijnlijk moment natuurlijk, maar desalniettemin werd de procedure gestopt, zodat de ongelukkige man in het graf kon klauteren om zijn hoofddeksel terug te halen.

Wijwaterballet

Als drager speel je een rol. Onbekommerd laat je alles wat je hoort en wat je ziet over je heen gaan. Het tonen van emotie is niet aan de orde. En dat is wel eens moeilijk. Zoals die keer dat meneer pastoor pittig met de wijwaterkwast zwaaide en door de een of andere oorzaak het wijwater in niet geringe hoeveelheden alle kanten uit spetterde. De in zijn nabijheid staande rouwenden waren kletsnat. De overvloed werd veroorzaakt door een drager die hulpvaardig het emmertje wijwater vasthield, maar het ding even iets omhooghaalde op het moment dat de pastoor de kwast er in doopte. Het behoeft geen betoog dat deze drager achteraf stevig door het bestuur is onderhouden over zijn kunstje. Maar soms gaan de dingen ook als vanzelf. Zoals die keer dat de St. Barbara vereniging een begrafenis in Haarlem verzorgde. Niks aan de hand natuurlijk, want de vereni­ging had op het moment dat dit verzoek kwam, al heel veel ervaring opgedaan. Maar je kon natuurlijk wel eens van het pad raken. Zoals in Haarlem letterlijk gebeurde. Tot buiten de kerk ging alles goed, maar daarna ging het mis met de drager die voor de stoet uit het kruis torste. Een taak die het nodige aan respect en concentratie vergt. Je ziet en hoort dus niet alles. Zeker niet, zoals deze drager, als je ook nog aan de doverige kant bent. Eenmaal op het kerkhof liep de man in de richting van een hoop zand in de veronderstelling dat zich daar het pas gedolven graf zou bevinden. Het gesis en de op zachte toon aangegeven waarschuwingen hoorde hij niet. Op een gegeven moment ging het rouw­gezelschap dan ook een andere kant uit terwijl de kruis­drager rechtstreeks richting zandhoop bleef koersen. En daar stond hij dan. Geheel alleen.

In de kist

De dood en begrafenissen spreken ons levenden niet zo aan. Het liefst gaan we er in een grote boog omheen, ondanks de wetenschap dat de dood onvermijdelijk is. Maar er zijn ook mensen die er geen enkele moeite mee hebben om tijdens het leven alvast de nodige maatregelen voor hun overlijden te nemen. Zoals die man die alvast op zoek ging

Een vooroorlogse lijkkoets in vol ornaat getrokken door twee omfloerste aarden
op de Heereweg met op de achtergrond het oude stadhuis van Lisse. Daarnaast de kosterswoning van de Hervormde Kerk. Die heeft de slooplust in de jaren zestig wel doorstaan.

naar een kist naar zijn smaak en deze liet opslaan. Een tijdje later kwam hij terug met het beslag en toen was wat hem betreft de zaak voor elkaar. Er is zelfs ooit eens een persoon geweest die ver voor zijn verscheiden een kist aanschafte, deze naar Lisse liet komen en in de kist klauterde om te ervaren of het allemaal wel paste en hij comfortabel kwam te liggen.

Maar niet alles is van tevoren te regelen. Zoals bij de man die oorspronkelijk in Lisse woonde, maar naar Australië was geëmigreerd. Najaren werd Nederland weer bezocht. Maar daar waar vreugde over het weerzien moest heersen, kwam groot verdriet, want de emigrant overleed in zijn geboorte­dorp. De kinderen wilden het stoffelijk overschot persé in Australië hebben. Dat gaat echter niet zo maar. Besloten werd toen om vader te cremeren, waarna de urn met daarin de as op de retourticket van de overledene in de cockpit van het vliegtuig is teruggevlogen.

 

DE AGATHAKERK EN HET KATHOLICISME

Een beschrijving van het katholicisme in de Bollenstreek wordt gegeven.

door M.G. van Zoen, 

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 4, oktober 2002

De 19e eeuw bracht de Bollenstreek een aantal ingrijpende veranderingen. Dankzij de industriële revolutie werd de Haarlemmermeer ingepolderd, de binnenduinen afgegraven en de mogelijkheid geschapen voor grootschalige bollenteelt. De Bollenstreek was als het ware nieuw land geworden.

Voor de katholieke bevolkingsgroep hield dit een veel grotere breuk met het verleden in dan elders in Nederland. De katholieken in de Bollenstreek waren als bevolkingsgroep actief tot zeer actief, tot op het militante af. De in die tijd vanzelfsprekende maatschappelijke verdeling in klassen bleef op alle gebied lang overeind. Daardoor verliep de ontzuiling veel trager dan elders in Nederland. Als direct gevolg hiervan is bij katholieken de historische kennis nogal eens mager. Men hoefde immers nauwelijks te denken, want dat gebeurde wel door het grote aantal ambtsdragers en religieuzen die naast hun eigen vormingswerk een zeer groot aantal ‘leken’ in dienst hadden, zowel in het onderwijs als in de zorgsector en verenigingen. Tot in de zestiger jaren!

De bouw van de Agathakerk, met alle nevenhuisvestingen voor het onderwijs, de bejaardenzorg, de verenigingen en de vakbonden, kwam voort uit dit zich opbouwend en manifesterend katholicisme. Voor vertaling van het geloofsdenken greep men terug op de christelijke middeleeuwen, met name de gotiek. Het ruimtelijk beeld van de Schepping kon – naar het inzicht van die tijd – met deze stijl, de neo-gotiek, kunstzinnig het best tot uitdrukking worden gebracht.

Van belang is nog op te merken dat de neo-gotische traditie voor Nederland, naast Duitsland en Frankrijk, voornamelijk in België ontstond. Cuypers, de geestelijke vader in Nederland van de neogotiek, maakte studie van deze scholen en pendelde regelmatig tussen de Christelijk Nationale Congressen van onze zuiderburen en de ‘bisschopspaleizen’ van toen in Nederland.Kunstzinnig beschouwd betekende de neogotiek het herstel van de ambachtelijke kunstnijverheid, waarvan de opdrachten werden ingekleurd door de wijze waarop de elite, als opdrachtgevers in die tijd, gestalte gaf aan de visies van de Christelijk Katholieke congressen. In tegenstelling tot de middeleeuwse gotiek was de neogotiek veel meer verheven en van volmaaktheid getuigende aard. Voelde de een zich er bij thuis, voor de ander bracht de aanblik – toen – een zich onttrekken aan de dagelijkse werkelijkheid teweeg. Dit werd, zij het onbewust, nagestreefd als een normaal maatschappelijk gegeven. De Agathakerk getuigt van deze (stijl)opvatting op een monumentaal kunstzinnige wijze. Met name het interieur.

Naarmate de sociale verhoudingen zich verbeterden veranderde ook de kerkenbouw in Nederland. Zo werden in Lisse nog 2 kerken en een kapel gebouwd. Als eerste het complex van de Engel. Een in baksteenmetselwerk vertaalde koepelkerk naar Byzantijnse model volgens de liturgische inzichten van een daartoe aangewezen Duitse Benedictijner abdij. Als tweede het complex van de Mariakerk van de zogenaamde Bossche school van Dom Hans van der Laan. Een stijl, die de mens als tempel Gods tot uitgangspunt koos. Als derde is in de Poelpolder een huiskamerkerk gebouwd, vertegenwoordigend de geëmancipeerde katholiek die ‘rond’ de tafel zijn dagelijkse bezigheden in het perspectief van de Bijbel en de Verrijzenis plaatst.

In deze opeenvolgende stijlen is de materiële vertaling van de sociale leer van de kerk, zoals die zich in Nederland manifesteerde, vastgelegd. Deze sociale leer begon met de encicliek Rerum Novarum in 1890 en werd in de jaren negentig van de 20e eeuw door paus Johannes Paulus II voltooid. De Agatha laat als een van de eerste kerken van na 1890 het Nederlands aspect zien. Het Onze Vader als onderwijzend rond het schip en onder het (zang)koor. Voorts de kerkvaders (fundamentele rechten van de mens) als verbeelding in de ramen van het hoogkoor.

DE GRAFSTENEN VAN DE GROTE KERK: SCHELM, GUYT, BLOEDSUYGER


Bij de restauratie van de grote kerk werden een aantal interessante grafzerken gevonden.

door Rob Pex

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 4, oktober 2002

Na jaren van voorbereiding is men op 6 mei 2002 begonnen met de restauratie van de Grote Kerk, aan de Heereweg 250 in Lisse. Bij het verwijderen van de houten vloer werden een aantal interessante grafzerken ontdekt, waarvan hier een korte opsomming volgt:

Grafzerk Langevelt

In het gedeelte voor de preekstoel werd een zerk aangetroffen met dit randschrift.

Het jaar van overlijden moet zijn 1624. Maarten Jacobs was timmerman van beroep. Binnen het randschrift treffen we dan ook boven zijn wapen (een grote ster) onder meer een tweetal molenwieken aan. Naar het wapen moet nog onderzoek worden gedaan.

 

 

 

Grafzerk van der Upwich

In het portaal bevond zich onder het grafmonument van Van der Stel een zerk met het hiernaast afgebeelde opschrift.

Het betreft hier een dochter van J.B. van der Upwich die in 1804 was geboren en in hetzelfde jaar is komen te overlijden. Later zijn nog een tweetal andere kinderen van Van der Upwich in hetzelfde graf bjjgezet. J.B. van der Upwich was zich omstreeks 1793 in Lisse komen vestigen. Vanaf 1812 was hij adjunct-maire van Lisse (een soort plaatsvervanger van de burgemeester).

Grafzerk van Jacob van Dorp

Een derde grafzerk werd aangetroffen naast de verhoging bij de preekstoel en ongeveer vanaf de eerste bank en/of bank van de ambtsdragers onder de verwijderde houten vloer met het hiernaast afgebeelde opschrift.

Jacob van Dorp moet dus uitgaande van het grafopschrift omstreeks 1663 zijn geboren. Hij was vanaf omstreeks 1688 notaris in Lisse en dus waarschijnlijk tevens secretaris. Maar…

Van Dorp wilde meer! Hij ambieerde eveneens het schoutambt. Als in 1704 schout Pieter van der Codde komt te overlijden, wordt in zijn plaats Nicolaas de Graaf aangesteld. Van Dorp maakte hem het werken echter dusdanig onmogelijk dat hij al gauw vertrok. Zijn opvolger, Reynier Brand, deed hetzelfde, waarna de secretaris het schoutambt naar zich toetrok. Eerder had er nog in het rechthuis (De Witte Zwaan) een scheldpartij plaatsgevonden waarbij De Graaf de sluwe secretaris had ‘uytgescholden voor een schelm, guyt, bloedsuyger van de gemeente, Judas, Pharizeer, ende diergeljjke’.

Dit zijn de meest opmerkelijke grafstenen die tot op heden zijn aangetroffen tijdens de restauratie. Andere grafstenen zijn meestal kleiner en alleen genummerd. Voorts werd er nog een andere grote grafsteen gevonden richting de toren, maar die leek geen opschrift te hebben. Ook de onderkant van de steen was niet bewerkt.

 

De Kathedraal van Lisse honderd jaar: PANIEK ROND ZWABBERENDE ‘POTLOODTOREN’

De Agathakerk viert in 2003 het honderdjarig bestaan. De geschiedenis van de eerste jaren wordt beschreven.

Door Arie in ‘t Veld

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 3, juli 2002

De nagenoeg geheel gerestaureerde Agathakerk viert in 2003 het honderdjarige bestaan. Waarschijnlijk zal het eeuwfeest samenvallen met de officiële oplevering van de gigantische restauratieklus, die jaren heeft geduurd en miljoenen euro’s heeft gekost en waarvan het geld gro­tendeels werd opgebracht door de parochianen, mensen die het kerkgebouw een warm hart toedragen, sponsors, overheden en diverse instellingen die subsidies verleenden.

De parochianen van de St. Agathaparochie zijn niet altijd in de ‘kathedraal van de bollenstreek’ ter kerke gegaan. In vroegere jaren (en dan hebben we het over zo ongeveer 1250) vormde men een parochie tezamen met Sassenheim en aldaar werd ook de kerk bezocht. Eerst echter zo’n honderd jaar na de Hoekse en de Kabeljauwse twisten wordt Lisse bij Pauselijke beschikking een zelfstandige kerk; deze verheffing vond plaats op 27 april 1461. De huidige Agatha-parochie bestaat dus meer dan 500 jaar!

Het is overigens niet helemaal duidelijk waarom de kerk aan St. Agatha werd gewijd. Vele vrome legenden zijn van haar bekend. Zij moet op Sicilië uit voorname ouders geboren zijn. Op allerlei manieren trachtte men haar af te brengen van haar geloof in Christus, echter tevergeefs. Scherpe pinnen, gloeiende kolen en andere afgrijselijke martelingen konden haar niet overre­den haar geloof op te geven. Tenslotte bezweek zij aan haar martelingen, zonder toegegeven te hebben.

Kerk

Het moet ongeveer op het tijdstip dat Lisse tot zelfstandige kerk verheven werd geweest zijn, dat op Het Groene Veld midden in het dorp en grenzend aan het Vierkant, een eenvoudige, vierkante kerk werd gebouwd. De Agathakerk, thans het bedehuis van de Nederlands Hervormde Gemeente. De toren (die waarschijnlijk wat later is gebouwd) speelde een dominerende rol in Lisse en wordt inmiddels, evenals het gehele kerkgebouw, gekoesterd door monumentenzorg. Nu dus de Nederlands Hervormde kerk, maar ooit de kerk van de St. Agathaparochie.

Bouwplannen

Na het overlijden van de in Lisse zeer geliefde pastoor van Vlasselaar, kwam pastoor Klekamp naar het dorp en die begon vrijwel onmiddellijk met de ontwikkeling en realisering van grootse bouwplannen. Eerst het Agathaklooster en de meisjesschool en op 8 april 1902 werd onderhands de bouw aanbesteed van de nieuwe Rooms Katholieke Agathakerk. Een opdracht die naar de bouwer ging voor het bedrag van f.136.051,-. Op 6 juni 1902 werd de eerste steen gelegd en op 7 augustus 1903 werd de kerk door Mgr. Van de Wetering uit Utrecht plechtig ingewijd en had Lisse de onder architectuur van Jean H. Groenendael gebouwde “Kathedraal van de Bollenstreek” binnen de dorpsgrenzen, met haar enorme toren van 75 meter. De kerk werd rijkelijk van allerhande versierselen voorzien en tijdens een rondgang door het gebouw kan eenieder zeer veel van dat fraais aantreffen.

Er werd echter nog een verandering aangebracht. De scherp spits toelopende “Potloodtoren” veroorzaakte diverse moeilijkheden. De haan kwam het laag bij de grond zoeken, want die denderde naar beneden, recht in het kippenhok van meneer pastoor, aldus de geschiedschrijvers. Ook bleek de toren niet zo degelijk en betrouwbaar als men mocht veronder­stellen. Tijdens stormen zwiepte het ding vervaarlijk en gevreesd werd dat het gevaarte ooit eens met een geweldige klap in z’n geheel omlaag zou komen. De toren werd vervangen door degene die we thans nog dagelijks kunnen aanschouwen. In hoeverre deze toren past bij de algehele uitstraling van het gebouw laten we ter beoordeling van de geleerden en architecten, maar duidelijk is wel dat deze toren in de loop der jaren zonder meer het sil­houet van de Bollenstreek heeft bepaald.

Kerk te klein

Laten we eens horen wat de plaatselijke perscorrespondent Arie Raaphorst tijdens zijn rondwandelingen door het dorp rond ongeveer 1910 over deze kerk in zijn inmiddels befaamde en gevraagde schriftjes neerpende. Raaphorst: “Reeds lang voordat er eindelijk een nieuwe R.K. kerk werd gebouwd, was het oude kerkgebouw te klein voor de steeds toenemende Roomsch Katholieke kerkgemeente. De uitgebreide en omvangrijke werkza­amheden van den bouw eener nieuwe kerk waren echter veel te zwaar voor de krachten van de oude, zwakke en beminnelijke herder dezer parochie, de Zeer Eerwaarde Heer H. Th. van Vlasselaar. Elkeen wist het dat de kerk veel te klein was maar ook elkeen was er ten volle van overtuigd dat zulk een omvangrijk werk niet op de steeds in kracht afnemende schouders van Pastoor Vlasselaar gelegd mocht worden en daarom ook wachtte men de tijd af……!

Eindelijk was die tijd daar, want op den eesten januari van het jaar 1901 ging de droeve mare door het dorp: Pastoor Vlasselaar is dood. Hij, die jarenlang de beminnelijke, zachtmoedige en goede herder was geweest voor de parochie van de H. Agatha, was niet meer. Zelden is er een mensch geweest die oprechter beweend is geworden dan hij. Beweend, niet alleen door den katholieken, maar evenzeer door den niet-katholieken en van aller­lei rang en stand. Met hem daalde ten grave een stille weldoener der armen, een raadgever voor iedereen en een vriend voor allen. Zonder onderscheid.

Zijn nagedachtenis zal blijven voortleven in de harten van allen die hem hebben gekend. Ja zelfs in de harten van hen die geen geloof beleden. Geen wonder dan ook dat een ontelbare massa zijn lijk hebben bezocht, dat lijk wat daar stil en onbeweeglijk neerlag in zijn laatste rustplaats, maar met dezelfden hemelsche glimlach om de lippen van altijd! Hij werd begraven in het priestergraf, rustend in de schaduw van het kruis. Een eenvoudige blauwe steen siert het graf van deze eenvoudige herder. Dat zijne ziel de hemelsche rust geniet was de innige wens van allen die hem hebben gekend.”

Noodkerk

Zodra pastoor van Vlasselaar was overleden, werden er direct plannen gemaakt voor de bouw van een nieuwe kerk. De overleden pastoor werd opgevolgd door de Zeer Eerwaarde Heer BJ. Klekamp, pastoor te Oude Tonge. Raaphorst: “Doordat de nieuw te bouwen kerk moest gebouwd wor­den op de plaats waar de oude stond, moest er vooraf eene noodkerk worden gebouwd. Daarom dan ook werd er in het voorjaar van 1902 een groot houten gebouw gesticht op de plaats waar het Piusgesticht is verrezen. Zoodra deze noodkerk gereed was, werd zij plechtig ingewijd door de Zeer Eerwaarde Heer Smeulders, pastoor te Warmond. De oude kerk werd voor afbraak verkocht en spoedig gesloopt. Kort daarop werd begonnen met de betonstorting, want paalfundering was op die grondslag onnoodig. Met de bouw ging het voorspoedig, want reeds spoedig had de eerste steenlegging plaats door de Zeer Eerwaarde Heer Smeulders. De gedenksteen waarin zich de oorkonde bevindt, is geplaatst in de hoekpilaar van het Zuidertransept tegen de zijde van de St. Josephschool. Het opschrift luidt als volgt: Hiene primarium lapidium posuit R.dam Ds Nicolaas Johannes Smeulders Dec. Novice a.d. VI. Kla. Jeen MCMII”

Pastorij

Raaphorst vervolgt: “Wij hebben tot op heden steeds gesproken over den bouw van een nieuwe kerk, maar eigenlijk diendt gesproken te worden van kerk en pastorij. Het pastorij, een groot gebouw in de Oud Hollandsche stijl was voor de kerk reeds afgewerkt, omdat de pastoor was gehuisvest in het pas voltooide St. Agatha-gesticht en de beide kapelaans bij de kerkmeester J. Riggel. In verband met de bouw van de Pastorij willen wij nog opmerken dat er een kwestie is ontstaan tusschen de pastoor en de Burgemeester, over het opschrift op de gedenksteen boven de portiek en de hoofdingang. Dit opschrift luide als volgt: ‘Dije dit niet an mogt staen, moet maar voorbije gaen!’ Deze spreuk was genomen uit de gedichten van Paulus Potter. De Burgemeester nu meende in deze spreuk eene uitdaging te zien voor de niet-katholieken en daarom stond hij er op dat deze spreuk zou worden wegge­maakt. Ik voor mij vondt het een kleinzielig idee van de Burgemeester, hoewel ik ook moet zeggen dat de inhoud van dit opschrift enigszins onbe­grijpelijk was en volgens mijne bescheiden meening, ook met totaal geen enkele gebeurtenis of zaak in verband was te brengen. Genoeg, de steen werd weer glad gekapt en de andere dag prijkte deze weer met een ander opschrift en van de volgende inhoud: Anno Domino MCMII. Het jaartal der stichting zooals u ziet, anders niet, en daarmee was de kwestie uit.” (Overigens wordt het weghalen van de spreuk ook toegeschreven aan Mgr. Galliër uit Haarlem, die het allemaal te bont zou hebben gevonden. En ook is er het verhaal dat protestanten hadden gedreigd de ruiten in te zullen gooien…)

Orgel

De Agathakerk beschikt over een heel fijn orgel, dat wijd en zijd wordt geroemd en bewonderd. Het instrument werd ingewijd op 15 augustus 1914, de dag van het veertigjarige priesterjubileum van pastoor Klekamp. Het orgel werd gebouwd door de firma Adema uit Amsterdam en kostte rond de twaalfduizend gulden.

Daarnaast zijn er nog talloze ander zaken in de kerk aanwezig die het bek­ijken zeer waard zijn. De Agathakerk is een zogenaamde kruisbasiliek in vroeg gotische trant. Buiten ziet men de zeshoekige toren en de steunberen met pinakels en schoorbogen. Typisch zijn aan de binnenzijde de kapitelen (op de pilaren bij de aanzet van het gewelf) en de gewelfbeschilderingen in aan de neo gothiek ontgroeide, eigentijdse vormen. Wat deze kapitelen betreft: het lijkt er wel op of in de Middeleeuwen iedere beeldhouwer op de kapitelen zijn eigen gedachten en ideeën, vroomheid of spot helemaal mocht uitleven. Daardoor zijn de voorstellingen op de kapitelen vaak onverklaarbaar. De zoetelijke schilderingen van Kees Dunselman had men tien of twintig jaar geleden wel graag kwijt gewild. Thans echter, nu alles uit grootmoeders tijd weer in trek is, zou men ze toch niet meer willen missen.

Architect (en tevens uitvoerder) van de kerk en pastorie was J.H.H.Groenendael (1868-1942), een leerling van de vermaarde bouwmeester Pierre Cuypers. Hij had door de fraaie Sint Nicolaaskerk te Helvoirt grote bekendheid verkregen en ook het Sint Agathaklooster aan de overzijde van de Heereweg gebouwd.

Opgaan naar God

Het marmermozaiek op de vloer is van de kunstenaar A. J. Hooggreef te Amsterdam. ‘Ite ad Joseph’, “Gaat naar Jozef”, met opnieuw een lelietak en de timmermanswerktuigen. Het neo-gotische altaar staat vrijwel tegen de wand van de absis (het gebogen deel van het priesterkoor). Men gevoelde nog zeer sterk het “opgaan naar het altaar Gods” en zag in het priesterkoor met het verre altaar nog iets van het “Heilige der Heilige” van het Oude Verbond. In 1968 is het priesterkoor vergroot en verhoogd en te midden der gelovigen een eenvoudiger altaartafel geplaatst, omdat in de huidige liturgie het “gezeten zijn rond de tafel des Heren” meer ervaren wordt. Architect was ir. A.H. J. Paardekooper. Op de deur van het tabernakel staan de sym­bolen der vier evangelisten. De mens (Mattheus begint zijn evangelie met de menselijke afstamming van Christus), de adelaar (het evangelie van Johannes neemt al dadelijk een hoge vlucht), de leeuw (het evangelie van Marcus begint met “de stem van een roepende in de woestijn”) en de stier (Lucas begint met het offer in de tempel). Om tabernakel en expositietroon korenaren met korenbloemen en druivenranken. Aan weerszijden van het kruis engelen met de lijdenswerktuigen.

Preekstoel

Hoog in het priesterkoor ziet men nog een viertal schilderingen van Kees Dunselman, betrekking hebbende op het Heilig Sacrament.De preekstoel is in 1924 geschonken door Piet Verdegaal, de eigenaar van de boerderij “Poele-way”. Verder het doopvont, dat als neo gotisch kunstwerk zeker niet onverdi­enstelijk is en waarvan wordt verteld dat dit een geschenk is van Baron Heereman van Zuydtwijck, Heer van Dever en Lisse. Deze woonde in de omgeving van Munster in Westfalen, waar de gotiek een grote bloei beleefde.

En het is inmiddels wijd en zijd bekend: in de voorlaatste pilaar zou een fles jenever ingemetseld zijn. Dat zit zo: Pastoor Klekamp, de bouwpastoor, was een fel drankbestrijder en daarbij vrij ongemakkelijk. Hij had vanuit de pastorie gezien, hoe een der metselaars iets onder zijn jasje de kerk bin­nensmokkelde. De pastoor er achter aan. En de ladder op! De mannen zetten de fles gauw zo diep mogelijk weg. En metselden er vervolgens flink op los. En ze moesten blijven doorgaan, want die pastoor bleef er met z’n neus bovenop staan. Al met al zou die fles er nog altijd moeten zitten. . . !

De eerste toren van de Agathakerk noemde men de ‘potloodtoren.’
Hij zwabberde zo hevig in weer en wind dat hij moest worden vervangen.