Berichten

Oorkonde voor nageslacht in priesterkoor Agathakerk gemetseld

Een kistje met documenten is ingemetseld tijdens de restauratie in het priesterkoor.

Nieuwsflits

NIEUWSBLAD Jaargang 10 nummer 2, april 2011

Als het ooit mocht voorkomen dat over een groot aantal jaren wordt gewerkt aan het Priesterkoor van de dan hopelijk nog altijd bestaande St. Agathakerk, is de kans groot dat een kistje wordt ontdekt waarin zich documenten bevinden die herinneren aan de restauratie van de kerk en een tijdsbeeld geven van de periode waarin de kerk werd gerestaureerd. Door pastoor Rochus Franken en Pierrre Delnoij van de Stichting Restauratie Agathakerk werd het kistje onlangs onder het toeziend oog van belangstellenden in het koor ingemetseld.

Met het inmetselen van het kistje is tevens de laatste daad van de Stichting een feit en kan deze worden opgeheven. Een van de papieren die in het kistje zijn gestopt is een oorkonde waarop vermeld is dat de kerk in 1901/1902 werd gebouwd en gerestaureerd in de jaren 1998 tot en met 2002. “De kerk werd gebouwd tijdens het pontificaat van Paus Leo XIII onder regering van Koningin Beatrix en het pastoraat van C.J. van der Voort en dr. J.H. van Leeuwen.

Van deze restauratie is door Siem Broersen verslag gedaan in het hierbij gevoegde boek,” aldus een deel van de inhoud van de oorkonde. Ook wordt gewag gedaan van het feit dat het Priesterkoor in 1968 werd gebouwd en in 2011 rondom van trappen werd voorzien. “De laatste activiteit van de Stichting Restauratie Agathakerk die na de restauratie nog enkele veranderingen aanbracht en haar activiteiten voltooide en vervolgens heeft opgehouden te bestaan.” Tevens is geschreven dat de Stichting ook nog een nieuw tafelaltaar en een nieuwe lezenaar heeft geschonken, die vervaardigd zijn door houtsnijder Maarten Robert in Haarlem en dat ter herinnering aan de activiteiten van de stichting, het kistje in het Priesterkoor werd achtergelaten. Naast de oorkonde werd ook een boek van Siem Broersen over de restauratie (dec. 2006) in het kistje opgenomen, alsmede het boekje “De Aagtenkerk van Lisse” dat werd geschreven door A.M. Hulkenberg en drie parochiebladen waarin over de veranderingen van het Priesterkoor en de opheffing van de stichting werd geschreven. Tevens werden ingesloten exemplaren van De Lisser en van Trouw en een recent exemplaar van het bisdomblad om een tijdsbeeld aan te geven. Enkele Agatha munten die indertijd in het kader van de restauratie werden geslagen, werden toegevoegd. Na het inmetselen van het kistje kan de verandering aan het Priesterkoor worden voltooid.

Pastoor Franken en de heer Delnoij bij het inmetselen.
foto Arie in ‘t Veld

Schenking historisch olieverfschilderij van Lisse

Mevr. Bep de Vos-Elfering heeft een olieverfschilderij uit ongeveer 1910  geschonken. De Agathakerk met de oude toren staat er op afgebeeld.

Nieuwsflits

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 4, oktober 2009

De Vereniging Oud Lisse is bijzonder verguld door de schenking van een uniek schilderij van het dorp Lisse door Mevr.Bep de Vos-Elfering en haar man uit Schiedam. Op dit kleurrijke historische olieverfschilderij uit ca.1910 is de St.Agathakerk afgebeeld (gebouwd in 1903) met de oude ranke toren die in 1930 is vervangen, de Gracht met zijvertakking achter de Schoolstraat en de Kapelleweide op de voorgrond.

Het schilderij is geschilderd door Jan Bakker in opdracht van Arie Raaphorst aan de hand van oude ansichten. De
Lisser Arie Raaphorst (1880-1948), grootvader van Bep de Vos-Elfering, was een inspirerende journalist, die
een aantal interessante geschriften naliet waarin hij het reilen en zeilen van de Lissese samenleving weergaf. Een werkgroep van de Vereniging Oud Lisse is bezig om delen hieruit te vergaren en publiceert wetenswaardige delen hieruit in het Nieuwsblad van de Vereniging. Zie b.v. het artikel over Raaphorst in het Nieuwsblad van juli 2007 (jaargang 4 nummer 3). Het schilderij werd tijdens een feestelijke bijeenkomst op dinsdag 28 juli 2009 aan de Vereniging Oud Lisse aangeboden door mevr. Bep de Vos-Elfering en haar man.
Bep vertelde dat ze de website van de Vereniging Oud Lisse zat te bekijken, waarin over de bijzondere geschriften van Raaphorst wordt verhaald. Deze geschriften zijn nu in het bezit van de erfgenamen van haar overleden neef Aad Maarschalk in Lisse. Bep’s moeder was de dochter van Arie Raaphorst en zelf is ze dus zijn kleindochter. Vandaar dat ze in het bezit kwam van dit bijzondere schilderij van de St. Agathakerk, dat haar grootvader destijds heeft laten schilderen. Het oude schilderij hing altijd in de kamer van Bep’s moeder. Na haar overlijden is het bij haar terecht gekomen. Het stond altijd maar in haar kast. Gezien de getoonde grote interesse voor Arie Raaphorst op de website van de Vereniging Oud Lisse, heeft ze ons benaderd met de vraag of wij belangstelling voor het schilderij hadden en dat ze het ons wilde schenken, mits het een goede plaats kon krijgen in ons Cultuur Historisch Centrum.
Aan dit verzoek hebben wij volmondig voldaan en het een prominente plaats gegeven in de grote vergaderzaal in ons centrum, “De Vergulde Zwaan”, 1e Havendwarsstraat 4 in Lisse. Als dank heeft het bestuur Bep en haar man een bos bloemen aangeboden en een jaar gratis lidmaatschap van onze Vereniging Oud Lisse.

De heer en mevr. de Vos met het schilderij van de Agathakerk.
foto CP Balkenende

Een Lisses doopvont in Nederhorst den Berg?

In Nederhorst den Berg staat in de Willibrorduskerk een doopvont, dat uit de schuilkerk uit Lisse afkomstig zou zijn. Het onderzoek hiernaar wordt beschreven. Het is niet bewezen dat dit doopvont daar vandaan komt.

door Aukjen Nauta

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 2, april 2009

 

Wilibrorduskerk in Nederhorst den Berg

Lisse en Nederhorst den Berg, een dorp aan de Vecht tussen Weesp en Breukelen, hebben op het eerste gezicht weinig met elkaar te maken. Toch is er een paar maanden intensief contact geweest. Lissese archieven zijn doorgespit om de geschiedenis te achterhalen van het negentiende eeuwse doopvont dat daar sinds kort in de pas gerestaureerde protestante Willibrordkerk staat. Zeker is het niet, maar mogelijk heeft het doopvont in de katholieke schuilkerk aan ‘onze’ Achterweg gestaan.
De Willibrordkerk is oud. Hij stamt uit de 12de eeuw en is het oudste gebouw in de Gooi- en Vechtstreek. De kerk staat hoog boven het dorp op een stuwwal en is vanuit de wijde omtrek te zien. Vorig jaar is het interieur gerestaureerd. De oorspronkelijke indeling – met het koor naar het oosten – is in ere hersteld, de oude toegangsdeur in de kerktoren is weer in gebruik genomen en de natuurstenen vloer is opgeknapt. De kerk kreeg van de Stichting Kerkelijk Kunstbezit (SKK) een nieuw doopvont.

Santpoort

Een van de leden van de restauratiecommissie, Anne Fortuin, was nieuwsgierig naar de herkomst van het doopvont. De stichting die het in bruikleen gaf, wist alleen dat het jarenlang ongebruikt op de zolder van de protestante dorpskerk van Santpoort gestaan had en dat het misschien oorspronkelijk uit Lisse kwam. Anne vroeg de hulp in van vrienden in Santpoort. Die vonden in het boekje van Henk Reefhuis ‘Dorpskerk in Santpoort, 150 jaar in vogelvlucht’ dat de Santpoortse kerk in 1844 gebouwd is met materialen die afkomstig waren uit een katholieke kerk uit Lisse. Deze kerk zou op nominatie staan om gesloopt te worden, want Lisse kreeg een nieuwe kerk. De Santpoorters mochten voor de som van 1523-en-een-halve gulden alles meenemen uit die kerk wat zij bruikbaar vonden. Dat ‘alles’ wordt niet nader gespecificeerd. Het doopvont kan erbij gezeten hebben, maar zeker is het niet. Wel is de Santpoortse kerk in 1916 volledig door brand verwoest. Het doopvont dat nu in Nederhorst den Berg staat laat geen sporen van brand zien; het is dus onwaarschijnlijk dat het vont ten tijde van die brand in die kerk gestaan heeft.

Lisse

Anne kwam toen bij mij. Ik woon in Lisse, ben net als hij geoloog (ik heb nog les van hem gehad) en had net een artikeltje geschreven voor het vakblad van aardwetenschappers over het gebruik van natuursteen in ‘zijn’ kerk (een kalkzandsteen uit de omgeving van Münster, midden-Duitsland). Ik zette zijn zoektocht voort en begon met het doorspitten van boeken over de Agathakerk en andere kerken in Lisse (met dank aan mijn buurman Jan Hageman). Daarin las ik dat er in 1842/43 een nieuwe katholieke kerk gebouwd zou worden op het Mossenhof, een plek dicht bij het Vierkant waar een woonhuis met schuur stond. De schuilkerk, die ver buiten het dorp lag aan de Achterweg bij De Engel, zou gesloopt worden. De nieuwe kerk werd in 1843 ingewijd. Veel informatie over het doopvont kon ik niet vinden. Alleen Hulkenberg schrijft iets in ‘De Aagtenkerk van Lisse’: “1853. Het is wel een zeer zinvol samentreffen, dat eveneens dit jaar de kerk is verrijkt met een nieuw doopvont, dat zonder enig commentaar in de inventaris van 1854 voor het eerst wordt vermeld.Op het voetstuk zijn de sacramenten uitgebeeld. Op het deksel ziet men tussen een achttal pinakels, hoe Joannes Christus doopt in de Jordaan. Geheel op de top van het deksel staat een vrouw – de Moederkerk – die haar pas herboren kinderen om zich verzameld. Als neogotisch werkstuk is dit doopvont zeer zeker niet onverdienstelijk.” Dit doopvont staat nog altijd in de huidige Agathakerk. Over de sloop van de schuilkerk en wat er precies verkocht is aan de Santpoorters, heb ik verder niets kunnen vinden. Via de Vereniging Oud Lisse, Maarten van Bourgondiën en Rob Pex, kwam ik terecht bij het kerkbestuur van de Agathakerk. Daar was de bereidwilligheid groot, maar ook het kerkarchief bracht geen uitkomst. De enige informatie die de werkgroep kon vinden, kwam uit hetzelfde boekje van Henk Reefkerk over de Santpoortse kerk: de cirkel was rond, de zoektocht was vastgelopen.

Wijwatervat

Doopvond Nederhorst den Berg

Als laatste heeft een deskundige op het gebied van kerkinrichting het doopvont bestudeerd. Hij kwam tot de conclusie dat het neogotisch moet zijn, gemaakt rond 1850: een mooi stuk, maar niet kostbaar of eeuwenoud. De maat van het vont deed hem vermoeden dat het oorspronkelijk een wijwatervat van een rooms-katholieke kerk geweest is, maar daarmee in tegenspraak zijn de vier evangelisten die afgebeeld staan op de voet. Wel zou een klein doopvont goed gepast hebben in de schuilkerk aan de Achterweg, maar de geschatte ouderdom is daarmee weer in tegenspraak. Het blijft dus een raadsel of het Nederhorst den Bergse doopvont ooit in de schuilkerk in Lisse gestaan heeft.

Bronnen

Doopvont Nederhorst den Berg

“St. Agatha, 1903-2003, Glorie en roem van katholiek Lisse”, door L. van der Lans “

De Sint Agathakerk, de grote restauratie in de jaren 1993-2002”, door S. Broersen

“De Aagtenkerk van Lisse”, door A.M. Hulkenberg

“Aan een onbekende God, Kerken in 800 jaar Lisse”, E. Olivier

“Dorpskerk in Santpoort, 150 jaar in vogelvlucht”, door Henk Reefhuis “Waar komt het nieuwe doopvont vandaan?

Verslag van een zoektocht”, in Het Kerkeblad van de Willibrordkerk, Nederhorst den Berg, door Anne Fortuin

Het ontslag van een rooms-katholieke ambachtsbewaarder in Lisse in de achttiende eeuw.

Vanaf de tachtigjarige oorlog kregen de katholieken in openbare functies vaak ontslag. De katholieke Jacob Floriszn. Van Bourgondiën is geboren in 1680. Hij werd in 1725 ambachtsbewaarder. Uitgelegd wordt wat een ambachtsbeheerder is. In 1726 start een procedure om hem af te zetten omdat hij katholiek was.

door drs. Maarten van Bourgondiën

NIEUWSBLAD Jaargang 8 nummer 2, april 2009

Inleiding

Als gevolg van de veranderde machtsverhoudingen, werden roomskatholieken vanaf het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog stelselmatig geweerd uit publieke bestuursfuncties. Zo mochten zij op lokaal niveau geen deel meer uitmaken van het dorpsbestuur. Op 29 juli 1654 bepaalden de Staten van Holland dat alle rooms-katholieke bestuurders “geheel buyten geslooten en affgeset” moesten worden. [1] Om bestuursfuncties uit te kunnen oefenen, was lidmaatschap van de Nederduits Gereformeerde Kerk verplicht. Dat was namelijk de offi ciële staatskerk van de Republiek der Verenigde Nederlanden. In de praktijk werd deze bepaling echter niet altijd strikt opgevolgd. In dorpen met een kleine gereformeerde gemeenschap was het bijvoorbeeld moeilijk om steeds voldoende geschikte bestuurders te vinden. Dan kon het gebeuren dat er ook rooms-katholieken in het dorpsbestuur werden opgenomen. Hoewel de rooms-katholieken in Lisse door de eeuwen heen altijd in de meerderheid zijn geweest, was de gereformeerde gemeenschap in dit dorp over het algemeen net groot genoeg om voldoende bestuurders te leveren. De vier burgemeesters waren in de achttiende eeuw bijvoorbeeld steevast van gereformeerde huize. Het is dan ook enigszins opvallend om te zien dat er in het eerste kwart van de achttiende eeuw toch roomsgezinde dorpsbewoners als ambachtsbewaarder in het dorpsbestuur werden opgenomen. Lange tijd leverde dat geen noemenswaardige problemen op, maar in 1726 was de rooms-katholieke achtergrond van de ambachtsbewaarder Jacob Floriszn. van Bourgondiën reden om een ontslagprocedure tegen hem in gang te zetten. [2] Ik zal daar in dit artikel wat dieper op ingaan. Het geeft namelijk een aardig beeld van de invloed van religie en politiek op het dagelijkse leven in een dorp in de Duin- en Bollenstreek.

De kerk van Lisse in 1725. De religieuze spanningen in het dorp hadden in deze tijd vooral een politiek-economische achtergrond (afbeelding uit de Atlas van Schoemaker).

Jacob Floriszn. van Bourgondiën

De hoofdpersoon van dit artikel werd geboren omstreeks 1680. Hij was een kleinzoon van de uit de ambachtsheerlijkheid Heemstede afkomstigeCornelis Janszn. van Bourgondiën. Cornelis trouwde omstreeks 1645 met de Lissese Anna Florisdr. van Wassenaar. Vermoedelijk is hij ook rond datzelfde jaar naar Lisse verhuisd. In ieder geval hebben zijn nakomelingen tot aan het eind van de achttiende eeuw in dit dorp gewoond. In de door mij bestudeerde bronnen worden nergens concrete uitspraken gedaan over het beroep van Jacob Floriszn. van Bourgondiën, maar waarschijnlijk verdiende hij net als zijn vader Floris Corneliszn. van Bourgondiën zijn brood als veehouder. Jacob was eigenaar van een boerderij met zes morgen land in de Westgeest te Lisse (een gebied ten zuiden van de huidige Vuursteeglaan, aan de westkant van de Heereweg). Daarnaast pachtte hij ook nog diverse andere percelen. In 1725 had hij op die manier in totaal vijftien morgen en 200 roeden land tot zijn beschikking. Omgerekend naar huidige oppervlaktematen is dat ongeveer dertien hectare. Jacob Floriszn. van Bourgondiën trad tweemaal in het huwelijk. Eerst in 1707 met Katharina Jacobsdr. Naardenburg (weduwe van Jacob Dirkszn. Uitermeer), en daarna in 1731 met Anna Anthonisdr. van der Libbe (weduwe van Dirk Jacobszn. Ruigrok). De families Van Bourgondiën en Van der Libbe konden blijkbaar goed met elkaar overweg, want Jacobs halfzus Dirkje Florisdr. van Bourgondiën was getrouwd met Jan Anthoniszn. van der Libbe, een broer van Anna. Voor zover bekend zijn beide huwelijken van Jacob Floriszn. van Bourgondiën kinderloos gebleven. Hij overleed op 23 december 1738, waarna Anna Anthonisdr. van der Libbe op de boerderij in de Westgeest bleef wonen. Zij hertrouwde in 1743 met Adriaan Simonszn. Langeveld.

Fragmentgenealogie van Cornelis Janszn. van Bourgondiën

Aanstelling tot ambachtsbewaarder

In 1725 werden Jacob Floriszn. van Bourgondiën en Otto Jacobszn. Kranenburg aangesteld tot ambachtsbewaarders van Lisse. Samen met de schout hielden zowel kroosheemraden als ambachtsbewaarders zich bezig met waterschapszaken binnen het ambacht, waaronder het onderhoud van wegen, bruggen en dijken (taken die tegenwoordig onder de noemer Openbare Werken vallen). De schout en kroosheemraden oefenden de rechterlijke taken uit, terwijl de bestuurlijke taken op de schouders rustten van de schout en de ambachtsbewaarders. [3] In de zeventiende en het eerste kwart van de achttiende eeuw werden de functies van kroosheemraad en ambachtsbewaarder eerlijk verdeeld onder de rooms katholieke en gereformeerde inwoners van Lisse. Zo waren onder andere de vader en oom van Jacob Floriszn. van Bourgondiën in de zeventiende eeuw actief als kroosheemraad. [4] Dat Jacob zich later eveneens met waterschap zaken bezig ging houden, is dus niet zo vreemd.
In Lisse week men op waterschap gebied lange tijd af van de wettelijke bepaling dat bestuursfuncties alleen door lidmaten van de officiële staatskerk mochten worden uitgeoefend. Misschien woonden er in dit dorp toch niet voldoende gereformeerden om alle bestuursfuncties te vervullen. Daarnaast kan de verdeling van de waterschap functies ook in goed onderling overleg zijn gebeurd. De bevolking nam in veel gevallen namelijk een wat gematigder standpunt in ten aanzien van de strenge verbodsbepalingen die van hogerhand werden opgelegd. [5] Dan zou je echter verwachten dat rooms-katholieken in Lisse ook tot andere bestuursfuncties werden toegelaten, en daar zijn vooralsnog geen aanwijzingen voor. De burgemeesters hadden, zoals gezegd, in de achttiende eeuw steevast een gereformeerde achtergrond. Er is dan ook meer onderzoek nodig om duidelijkheid te krijgen over deze bestuurskwestie.

Overzicht van de ambachtsbewaarders van Lisse in de jaren 1700-1725 (NB: over de jaren 1714-1716 en 1723-1724 zijn op dit moment geen gegevens bekend)

Procedure tot afzetting

Gedurende het eerste kwart van de achttiende eeuw had niemand zich echt gestoord aan het feit dat rooms-katholieke inwoners van Lisse tot ambachtsbewaarder werden aangesteld. In 1726 werd er door vertegenwoordigers van de gereformeerde kerk van Lisse echter geklaagd bij de Classis van Leiden. De gereformeerde ambachtsbewaarder Otto Jacobszn. Kranenburg diende in mei van dat jaar af te treden omdat zijn termijn afl iep. Dat betekende dat de roomsgezinde ambachtsbewaarder Jacob Floriszn. van Bourgondiën in dat jaar de oudste in functie en daarmee invloedrijkste ambachtsbewaarder van Lisse zou worden. Het was namelijk de oudste ambachtsbewaarder die de belangrijkste bestuurstaken uitoefende (al overlegde hij daarbij wel met de jongste ambachtsbewaarder). Men vreesde nu “dat bij het bewind van de paepsche [ambachtsbewaarder], de gereformeerde ambaghtslieden als timmerluyden, metselaeren, etc., aen welke thans het werk van het ambagt aldaer aenbesteet was, zoude werden affgedanckt, en het zelve aen paepsche gegeven.” Het draaide bij deze kwestie uiteindelijk dus niet om zuiver religieuze motieven, maar om de vraag wie alle werkzaamheden binnen het ambacht mocht verrichten. In dat licht bezien is het vreemd dat er niet eerder aan de bel werd getrokken. Het kwam namelijk wel vaker voor dat de oudste ambachtsbewaarder van Lisse rooms-katholiek was (zie bovenstaande tabel). Vermoedelijk speelden de problemen die in 1723 waren gerezen tussen de ambachtsheer en de kerkeraad van Lisse een rol bij de afzettingsprocedure. [6] De toenmalige ambachtsheer Frederik Jacob Heereman van Zuydtwijck was namelijk roomsgezind, en het was de kerkeraad een doorn in het oog dat hij als rooms-katholiek ambachtsheer het recht had om de predikant te benoemen. Er volgde een slepend juridisch confl ict, waarbij de ambachtsheer in 1725 uiteindelijk aan het kortste eind trok. De gedesillusioneerde Frederik Jacob Heereman van Zuydtwijck verliet kort daarop de Republiek der Verenigde Nederlanden. Met Lisse heeft hij zich daarna nooit meer bemoeid. Mogelijk heeft de kerkeraad van Lisse deze benoemingskwestie aangegrepen om meteen ook maar korte metten te maken met de laatste rooms-katholieke invloed in het dorpsbestuur. De bovenstaande gegevens wekken in ieder geval sterk de indruk dat er in Lisse gedurende de jaren ’20 van de achttiende eeuw een politiek-economische machtsstrijd gaande was. Hoe het ook zij, uiteindelijk kwamen de klachten over de rooms-katholieke ambachtsbewaarder van Lisse via de “Christelijke Synodus van Zuyd Holland” bij de Staten van Holland terecht. Zij bepaalden op 26 april 1726 dat Jacob Floriszn. van Bourgondiën diende te worden afgezet, en dat in zijn plaats een gereformeerde ambachtsbewaarder moest worden aangesteld. Daarnaast lieten de Staten van Holland weten dat er in het vervolg alleen nog maar gereformeerden tot ambachtsbewaarder mochten worden benoemd. Voor zover ik na kon gaan heeft men zich daar in Lisse vanaf 1726 steeds keurig aan gehouden. De rol van de rooms-katholieken in het dorpsbestuur was daardoor dus helemaal uitgespeeld. Zij moesten wachten tot de Bataafse Revolutie van 1795 voordat zij weer bestuurlijke activiteiten konden ontplooien.

Noten

[1] Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 25 (ongefolieerd).

[2] Zie ook A.M. Hulkenberg, De Aagtenkerk van Lisse (Lisse 1960) 78.

[3] Mr. S.J. Fockema Andreae, Het hoogheemraadschap van Rijnland. Zijn recht en zijn bestuur van den vroegsten tijd tot 1857 (herdruk Alphen a/d Rijn 1982) 95 en 100.

[4] Nationaal Archief, DTB Lisse, boek L12A (1687-1699), fol. xii; enkele Lissese rooms-katholieke families die in de achttiende eeuw kroosheemraden leverden, zijn: Van Graven, Kroon, Schrama, Van der Voort en Vreeburg, zie: Gemeentearchief Lisse, inv. nr. 302.

[5] Mr. H.J.J. Scholtens, Uit het verleden van Midden-Kennemerland (Arnhem 1968) 69. [6] A.M. Hulkenberg, Het Huis Dever te Lisse (Zaltbommel 1966) 200-208

De Vicarie van Sint Servaas te Lisse omstreeks het midden van de 14e eeuw. Deel 2

 

De vroegste geschiedenis van de vicari van Sint Servaas in Lisse is in nevelen verhuld. Als gevolg van de Hoekse en Kabeljauwse twisten kwam de vicari in handen van Willem van Beieren, die in 1351 betrokken was bij de benoeming van een nieuwe vicaris. Later kwam het collatierecht weer terug bij de oorspronkelijke Hoekse eigenaar.

door Maarten van Bourgondiën

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 4, oktober 2008

De stichter van de vicarie van Sint Servaas in Lisse
De vroegste geschiedenis van de vicarie van Sint Servaas is in nevelen gehuld. De oudste bewaard gebleven verwijzing naar deze vicarie dateert uit 1351. Lisse had in deze tijd nog geen eigen parochiekerk. Het altaar van de vicarie van Sint Servaas was dus gevestigd in de kapel van Lisse. Op basis van de in het eerste deel van dit artikel behandelde akten uit 1351 en 1354 zou de conclusie getrokken kunnen worden dat (een voorouder van) de graaf van Holland de stichter was, aangezien hij in beide jaren het collatierecht bezat. In dat geval is het vreemd dat er niet meer grafelijke benoemingen bewaard zijn gebleven. De betrokkenheid van de graaf vloeide vermoedelijk eerder voort uit de Hoekse en Kabeljauwse twisten die in 1351 een hoogtepunt bereikten. Willem van Beieren was de aanvoerder van het Kabeljauwse kamp. Hij was in een machtsstrijd verwikkeld met de Hoekse medestanders van zijn moeder Margaretha van Henegouwen, gravin van Holland. In de eerste helft van de jaren vijftig van de veertiende eeuw had Willem van Beieren in het graafschap Holland de macht in handen. Veel Hoekse edelen werden verbannen. De goederen en rechten van deze bannelingen vielen toe aan Willem van Beieren. Ze zouden pas weer in 1355 worden teruggegeven aan de vroegere Hoekse eigenaren. Willem van Beieren verzoende zich in dat jaar namelijk met de aanhangers van Margaretha van Henegouwen. Het proces van toe-eigening van de rechten en bezittingen van de Hoekse edelen ging overigens heel snel. Begin februari 1351 werd Willem van Beieren tot graaf van Holland uitgeroepen (graaf Willem V). Op 20 februari begon hij een huldigingstocht langs de steden Haarlem, Alkmaar en Amsterdam, en op 24 februari bemoeide hij zich al met het collatierecht van de vicarie van Sint Servaas in Lisse (hij verbleef toen overigens in Haarlem, de eerste stad van zijn huldigingstocht) [1].

Er waren verscheidene Hoeksgezinde adellijke families met bezittingen en rechten in (de omgeving van) Lisse: Van Heemstede, Van Bentheim en Dever. In navolging van A.M. Hulkenberg ben ik van mening dat het collatierecht van de vicarie van Sint Servaas oorspronkelijk toebehoorde aan een lid van één van deze tot het Hoekse kamp behorende adellijke geslachten [2]. Het adellijke geslacht Van Sassenheim wordt door Hulkenberg niet genoemd. Dat is op zich niet zo vreemd. Deze adellijke familie stond halverwege de veertiende eeuw namelijk op de rand van uitsterven, en van enige partijkeuze in het Hoekse en Kabeljauwse conflict is verder niets met zekerheid bekend (de Haarlemse schout Jan van Sassenheim schijnt echter trouw geweest te zijn aan Willem van Beieren) [3]. Nadat Dirk van Sassenheim in 1345 was gesneuveld in de slag bij Staveren, ging een belangrijk deel van zijn bezittingen en rechten (waaronder het Huis te Sassenheim) over in handen van zijn nicht Elisabeth van der Made. Elisabeth was getrouwd met Filips van Polanen, een voorvechter van de Hoekse zaak. Filips behoorde dan ook tot de groep edelen die werd verbannen en waarvan de rechten en bezittingen toevielen aan Willem van Beieren. Hoewel bewijzen ontbreken, is het mogelijk dat de vicarie van Sint Servaas was gesticht door een lid van de familie Van Sassenheim, waarna het collatierecht omstreeks het midden van de veertiende eeuw via Elisabeth van der Made in bezit kwam van Filips van Polanen. Aan het bovengenoemde rijtje met potentiële stichters, kan volgens mij dus ook de familie Van Sassenheim worden toegevoegd (misschien dat daarom net als bij de kerk van Sassenheim voor een IJsheilige werd gekozen).
Als gevolg van de Hoekse en Kabeljauwse twisten kwam het collatierecht van de vicarie van Sint Servaas korte tijd in handen van de graaf van Holland. Vandaar dat Willem van Beieren in 1351 en 1354 betrokken was bij de benoeming van een nieuwe vicaris. In 1355 moet de oorspronkelijke Hoekse eigenaar het collatierecht weer terug hebben gekregen. De eerstvolgende vicaris zal dan door een lokale edelman zijn benoemd. Dat gebeurde zeer waarschijnlijk na 1372, want op 29 juni 1372 trad de eerder genoemde priester Willem Pyl, vicaris van de kapel in Lisse, samen met priester Gerrit Visser nog op als getuige voor priester Pieter Ludolfszn. [4]. In tegenstelling tot de grafelijke akten zijn de collatieakten van lokale edelen vaak niet bewaard gebleven. Daarom is het op dit moment helaas niet mogelijk de precieze identiteit te achterhalen van de stichter van de vicarie van Sint Servaas in Lisse. Misschien dat toekomstig onderzoek dat nog aan het licht kan brengen.

Noten
[1] J.G. Smit, Vorst en onderdaan. Studies over Holland en Zeeland in de late middeleeuwen (Leuven 1995) 123-124.
[2] Hulkenberg, De Aagtenkerk, 15.
[3] Antheun Janse, Ridderschap in Holland. Portret van een adellijke elite in de late Middeleeuwen (Hilversum 2001) 439.
[4] C. Hoek, “Bronnen tot de geschiedenis van het Sint Ursulaconvent te Schiedam”, in: Ons Voorgeslacht 23e jaargang no. 172 (december 1968) 249-304, aldaar 250-251; hier wordt hij echter priester Willem Pyn genoemd.

 

DE STATENVERTALER Ds. WILLEM BAUDARTIUS STOND IN LISSE, DEEL 2

Ds. Willem Baudartius heeft diverse boeken over de geschiedenis van Nederland geschreven. De Morgenwecker is een boek uit 1610 over de strijd tussen de Spanjaarden en de Nederlanders. Hij is niet onpartijdig. Een tweede boek is heet Memoryen uit 1620. Het beschrijft de geschiedenis tussen 1612 en 1620. Zijn belangrijkste werk is medeauteur van de Statenbijbel.

Door Prof.dr. A.Th. van Deursen

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 4, oktober 2008

In deel 1 werd de persoon Willem Baudartius beschreven en werd zijn relatie met Lisse uitgelegd. Zijn belangrijke werken komen in dit deel aan de orde.

Geschiedschrijver en Statenvertaler
Daarmee zijn we toe aan de buitengewone dingen, die de naam Baudartius hebben doen voortleven. Dat zijn er twee. Ten eerste heeft hij enkele boeken geschreven, vooral over de Nederlandse geschiedenis. Ten tweede is hij in 1618 door de synode van Dordrecht aangewezen als één van de zes theologen, aan wie de nieuwe vertaling van de bijbel werd toevertrouwd. De boeken die hij schreef worden tegenwoordig alleen nog gelezen door beroepshistorici. Zijn werk als vertaler is aan iedereen bekend die gewoon is de bijbel te lezen in wat wij de statenvertaling noemen. Die vertaalarbeid begon hij in de laatste fase van zijn leven, toen hij de zestig reeds gepasseerd was. Zijn boeken had hij toen al geschreven, en het ligt dus voor de hand dat we daar onze aandacht het eerst op richten.
Het heeft niet veel zin, de hele catalogus van Baudartius’ werken in alle details door te lopen. We zullen er twee uitlichten die ook verreweg de belangrijkste zijn: de Morgenwecker, en de Memoryen. Beide zijn elk op hun eigen manier heel bijzondere boeken.

Morgenwecker
De Morgenwecker is voor het eerst verschenen in 1610. De Morgenwecker is een korte geschiedenis van de strijd tussen de Nederlanders en de Spanjaarden. Baudartius vertelt hierin uitgebreid over de wreedheden, de bedriegerijen, de verbroken beloften en de verdragen die nooit waren nagekomen door de Spanjaarden; zodat ieder die dit leest een afkeer van de Spanjaarden zal krijgen, en zal wensen dat deze landen nooit weer in hun handen vallen. Dat is dus geschreven in 1610, tijdens het twaalfjarig bestand.
In 1609 was de oorlog tegen de Spanjaarden tijdelijk tot stilstand gekomen. Er waren in ons land toen twee partijen. De ene wilde vrede, en de andere oorlog. Willem Baudartius was omdat hij een Vlaming was een overtuigd aanhanger van de oorlogspartij. Voor hem was de oorlog niet afgelopen, zolang zijn vaderland niet bevrijd was. De Morgenwecker is dan ook een opwekking aan het Nederlandse volk, vooral niet te vergeten waarom het zo bitter noodzakelijk was de strijd tegen Spanje straks weer voort te zetten.
Baudartius heeft met dat boek groot succes gehad. In het eerste jaar kwamen er meteen vijf drukken uit. Korte tijd later verscheen er, in 1614, ook nog een aparte bewerking voor kinderen, onder de titel: “De Spiegel der Jeugd”. In die vorm heeft het enorme opgang gemaakt. We mogen dus zeggen dat Baudartius eer van zijn werk heeft gehad.

Memoryen
In de Morgenwecker kiest Baudartius partij. Dat doet hij ook in zijn grote geschiedwerk, dat bekend staat als de Memoryen. Het is verschenen in 1620, als een overzicht van de meest recente geschiedenis, van 1612 tot 1620. Daar bleek wel vraag naar te bestaan, want in 1624 verscheen een tweede druk, waarin het verhaal tot dat jaar werd voortgezet. De Nederlandse geschiedenis van 1612 tot 1620 gaat over de kerkelijke twisten tussen remonstranten en contra-remonstranten, en over het conflict tussen Maurits en Oldenbarnevelt. Die hele strijd is in 1618 en 1619 beslist. Toen Baudartius zijn boek schreef kende hij dus de afloop al, en dat maakte de constructie van het verhaal gemakkelijker. Hij voelde zich bij de strijd nauw betrokken, en hij beschouwde de uitkomst als een zegen voor de kerk. Daar wilde hij in zijn boek getuigenis van afleggen.

Statenvertaler
De belangrijkste verdienste die Baudartius zich voor het nageslacht heeft verworven is echter niet zijn werkzaamheid als geschiedschrijver. Als zijn naam thans nog met ere genoemd mag worden, is het omdat hij tot de bijbelvertalers heeft behoord. Dat de synode van Dordrecht hem daarvoor zou kiezen lag wel voor de hand. Ten eerste was hij één van de beste kenners van het Hebreeuws, ten tweede had hij voor het vertaalwerk altijd al grote belangstelling aan de dag gelegd. De bestaande Nederlandse bijbelvertaling, gebaseerd op een vertaling van Luther was van zeer matige kwaliteit. Daarom deed de behoefte aan een betere uitgave zich steeds sterker voelen, en ook de overheid erkende dat, door in 1594 Marnix van Sint Aldegonde aan te wijzen als bijbelvertaler. Die heeft echter zijn taak maar zeer ten dele volbracht. Toen hij stierf in 1598 waren slechts enkele fragmenten gereed gekomen. Een paar Hollandse predikanten kregen toen opdracht om verder te gaan, maar veel schot zat er niet in. Het begon de kenners te verdrieten, en de schrijflustige Baudartius heeft zich toen al met de zaak bemoeid, door in 1606 een boekje uit te geven dat geheel aan het probleem gewijd was: de ‘Wechbereyder op de verbeteringh van den Nederlantschen Bijbel’. De synode van Dordrecht heeft de vertalers pas aangewezen in 1618, twaalf jaar na de verschijning van Baudartius’ Wegbereider, en toen zou het nog tot 1637 duren eer hun werk gedrukt was. De noodzaak van een goede bijbelvertaling zag ook de overheid in, en dus begreep zij dat de kosten voor haar rekening moesten komen. Daarom spreken we nog altijd van de statenvertaling. Maar het heeft nog tot 1626 geduurd, eer de vertalers naar Leiden konden reizen om daar samen het vertaalwerk ten uitvoer te leggen. Zes mannen had de synode daartoe aangewezen, en veiligheidshalve waren er enkele plaatsvervangers aan het lijstje toegevoegd. Het bleek wijze voorzorg, want één van de zes was al overleden toen het eigenlijke werk begon.

De drie oorspronkelijk aangewezen vertalers voor het Oude Testament waren wel nog alle drie in leven. Naast Baudartius waren dat Johannes Bogerman, de praeses van de Dordtse synode, en Gideon Bucerus, die predikant was in Veere, en net als Baudartius een Vlaming van geboorte. Twee Vlamingen dus en een Fries voor het Oude Testament. Voor het Nieuwe Testament nog een Vlaming, Antonius Walaeus, en nog een Fries, Festus Hommius. Die vijf hebben de statenvertaling gemaakt. Een Vlaams-Friese coóperatie dus, en niemand uit de provincie Holland. De vertaling van het Oude Testament werd in januari 1633 voltooid. De vertalers zijn vanaf 1626 ruim zes jaar in Leiden bezig geweest met het vertalen. Wat ieder van hen precies gedaan heeft is niet bekend. Bucerus heeft het einde niet gezien. Toen hij stierf in 1631 was hij bezig met Ezechiël 21. Bogerman en Baudartius hebben getweeën het vertalen van de laatste profetenboeken in het Oude Testament voltooid.
Op de vertaling volgde een tweede ronde, waarin het hele werk vers voor vers besproken werd met de zogenaamde revisoren. Pas na die uitvoerige en gedetailleerde controle kon de vertaling naar de drukker. Toen eindelijk op 17 september 1637 de complete gedrukte bijbel aan de Staten-Generaal kon worden aangeboden, waren er negentien jaar verlopen sinds de synode de opdracht had verstrekt. Van het oorspronkelijke zestal vertalers was nog slechts één in leven. Dat was Willem Baudartius. In 1628 had hij al een korte autobiografie geschreven, opdat zijn zoon het verhaal van zijn leven kennen zou. Hij leek toen te denken dat het de hoogste tijd was, want hij schreef dat verhaal, naar hij zelf zegt, in zijn ‘grooten ouderdom’. Hij was toen naar we weten drieënzestig jaar. Hij had in 1640 het voornemen uitgesproken om een verslag te schrijven van het hele vertaalwerk, maar er is niets meer van gekomen, want in datzelfde jaar 1640 is hij overleden.
En dat is dan zijn leven: een dominee met gewone en buitengewone eigenschappen; geen genie, geen begenadigd schrijver, wel een man die met zijn gaven de kerk naar beste vermogen gediend heeft. Eén van de weinigen vooral, wiens werk na zoveel eeuwen nog dagelijks gelezen wordt door de velen die de bijbel het liefste lezen in de vertaling van 1637, de Statenvertaling. Alleen kan niemand ook maar één vers in dat hele Oude Testament aanwijzen, waarvan met zekerheid te zeggen valt: dit is nu Baudartius. Vertalen is nu eenmaal een dienende arbeid, waarbij de persoon van de vertaler geheel op de achtergrond blijft, zeker wanneer het de bijbel geldt. Dat is de geest, waarin de statenvertalers gewerkt hebben, en daarom is ook Willem Baudartius in de anonimiteit gebleven.

Baudartius is geboren op 13 februari 1565 te Deinze in Vlaanderen

e Statenvertaling verscheen in 1637. Het is de eerste Nederlandse bijbelvertaling direct vertaald uit de grondteksten. De Synode van Dordrecht (1618-1619) had de beslissing genomen deze vertaling te laten maken en bijna twintig jaar later is zij daadwerkelijk verschenen bij Paulus Aertsz van Ravensteyn te Leiden

Tachtigjarige oorlog richtte veel schade aan in Lisse

door Arie in ’t Veld

Uit De Lisser van 27 augustus 2008

Toen en nu: Nederlands hervormde kerk

LISSE – Het kerkgebouw van de Nederlands Hervormde kerk aan het Vierkant is eeuwenoud. Met name de toren heeft al heel wat jaren doorstaan en dateert vermoedelijk uit de periode van rond 1500. Het kerkgebouw zelf is minder oud, maar toch ook niet meer zo piep. De geschiedenis van de kerk is overigens enigszins anders dan protestants, als wordt bedacht dat de kerk oorspronkelijk een rooms katholieke kerk was. Het hoe en het wat waardoor de kerk op een gegeven moment in protestantse handen overging is nog altijd niet echt duidelijk, doch het vermoeden bestaat dat de roerige periode van de Beeldenstorm daar wellicht het nodige mee had te maken.

Het kerkgebouw had in de Spaanse tijd veel te lijden gekregen, waardoor het bedenkelijk veel op een ruïne begon te gelijken. Zo lag het koor geruime tijd er verwoest bij, maar later heeft men alles weer hersteld en ongeveer in de staat gebracht van voor de tachtigjarige oorlog. Het zal de ware Lisser niet zo leuk in de oren klinken, maar toch is het waarschijnlijk zo dat Sassenheim in de vijftiende eeuw kerkelijk blijkbaar meer te betekenen had dan Lisse. In ieder geval had Lisse tot 1460 niet eens een kerk, maar een kapel, die door Willem, Graaf van Holland, was gebouwd, maar onder de parochiekerk van Sassenheim behoorde. Door een “bulle” van Paus Pius de Tweede is Rome op de achtste November 1462 gegeven, werd deze kapel van Sassenheim afgescheiden en tot een parochiekerk verhoogd, die aan St. Agatha was gewijd.
Overigens moet dit alles los worden gezien van de huidige Agathakerk, want die is weliswaar monumentaal, maar dateert toch altijd nog van de vorige eeuw. Na de hervorming was de rk-gemeente verenigd met die van Warmond, Voorhout en Sassenheim. In de laatste plaats hield de pastoor verblijf. In 1667 “verlangde” Lisse echter een eigen pastoor en kwam de eerste in de persoon van Johan van de Werve. Op 1 juli 1697 overleed deze, en werd opgevolgd door Lambert Schaap. Op 10 April 1709 verwisselde ook deze het tijdelijke met het eeuwige en toen kwam hier als pastoor Arnoud de Leeuw.

Veranderingen
Dat er in de loop der jaren aan de Ned. Herv. kerk het een en ander veranderd is blijkt uit de beschrijving, die in het laatst der achttiende eeuw uit een ganzenveer vloeide: “Van binnen is dezelve in alle opzichten zeer wel ingericht en van een goede preekstoel, doophek, de benodigden gestoeltens en verdere zitplaatsen vrijwel voorzien. Sieraden vindt men echter niet anders dan tegen de binnenzijde der toren. Daar is een oud bord geplaatst waarop de Wet des Heeren en het volmaaktst gebed met een goede letter staat geschreven. In het koor, hetwelk van een latere bouwing als de kerk is, vindt men een aanzienlijke begraafplaats van de familie van de heer Van der Stel, voorheen Gouverneur zijnde geweest van de Kaap de Goede Hoop. De toren is zwaar vierkant en trots gebouwd, met een lage kap gedekt op welke men een windwijzer vindt; van binnen in dezelve een uurwerk en klok en van buiten met de nodige uurwijzers voorzien. Het kerkhof is rondom met een muur omvangen en aan de ene zijde met bomen beplant”. Tot zover een deel van het geschrift van de 18e-eeuwse geschiedschrijver.
En dan de toren in. Een stenen trapje van enkele treden brengt de klauteraar naar een smal en laag poortje. En als men zich daar doorheen wurmt blijkt dat de muur ruim negentig centimeter dik is! De zolders kraken griezelig als er overheen wordt gelopen. Het nog aanwezige, maarniet meer gebruikte oorspronkelijke uurwerk is destijds gemaakt bij A.H. van Bergen in Heiligerlee. Op de volgende etage bevindt zich de luidklok. De antieke klok is in 1943 door de Duitsers weggehaald en vermoedelijk tot een of ander oorlogstuig omgesmolten. In ieder geval is de klok, die nu in de stoel hangt nog niet zo oud.
Het volgende gedicht staat er op te lezen: “De oude klok, in ‘d oorlog meegenomen vervulde eeuwenlang haar grootste taak. De nieuwe, voor haar in de plaats gekomen. Roept nu weer luid: gij die nog slaapt: ontwaakt!” 1949. Hier vindt men ook de grote ijzeren hamer, die door het uurwerk van de klok in actie wordt gebracht, wanneer de klok moet slaan. Tegen het Westelijk gedeelte der toren zit nog een zonnewijzer, die het uiteraard nog “doet”. Vermoed wordt, dat deze er in 1600 of

Copyright © 2008 Vereniging Oud Lisse

‘DE STATENVERTALER Ds.WILLEM BAUDARTIUS STOND IN LISSE, DEEL 1

Baudartius is geboren in Vlaanderen in februari 1565. Hij heeft heel kort in Lisse als predikant gestaan (1596-1598). De gemeente was zeer tevreden. Het beviel zijn vrouw echter niet in Lisse. Zij wilde naar een stad. Dit werd Zutphen.

Door Prof.dr. A.Th. van Deursen

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 3, juli 2008 Lees meer

Gemeenteraadsnotulen van Lisse. (I): de armencollecte (1845)

In de gemeenteraadsnotulen van 1845 wordt een collecte behandeld onder de Lissese ingezetenen en voor de allerarmsten in Lisse. Er waren nogal wat mensen, die er tegen waren. De protestanten waren tegen en hielpen niet mee. De armen van de kerk kregen dan ook niets.

Door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 2, april 2008

Inleiding

Wellicht dat menigeen bij het lezen van “gemeenteraadsnotulen” in de ondertitel van dit artikel het beeld van een nogal saai verslag van het besprokene in de gemeenteraad van toen voor ogen krijgt. Dat is echter maar zeer ten dele het geval. Er werden inderdaad in de raad (zoals nog steeds) ook wat meer routinematige zaken besproken (het vaststellen van de personele belasting over een bepaald jaar, begroting, gemeenterekening etc.), maar ook kwamen met de regelmaat van de klok zaken aan bod die een heel aardig tijdsbeeld geven (zoals allerlei debatten over de klapwaker), of gewoon te aardig zijn om verzwegen te worden. Dit eerste deel uit de gemeenteraadsnotulen behandelt een collecte die in 1845 onder de Lissese ingezetenen werd gehouden, teneinde de nood onder de allerarmsten te lenigen.

Het voorstel van de voorzitter
Op 5 maart 1845 werd de gemeenteraad door de voorzitter bijeen geroepen. Iedereen was present: de burgemeester J.C. van Rosse, H. de Graaff, G. van Bourgonje, Dirk Kroon, J.G. Geertsema en W. van der Mey. De voorzitter opende de vergadering en gaf te kennen dat hij deze vergadering speciaal had bijeengeroepen “om daarin het voorstel te doen of niet door eene algemeene buitengewone collecte behoorde voorzien te worden in de behoefte van zoo veele dezer gemeente die door den (killen?) en aanhoudende Winter (…) niet meer bij magte zijn om in het noodige voor hun levensonderhoud te voorzien”. De voedselvoorraden die men had aangelegd waren reeds verbruikt, de “spaarpenningen” waren op en er was een “voortdurend gebrek aan werk en verdiensten”. Het voorstel werd dan ook met algemene stemmen aangenomen.

Omdat het hier om de arme ingezetenen van Lisse ging, had de voorzitter de leden van de plaatselijke armbesturen uitgenodigd de vergadering bij te wonen, “ten einde hun het gevoelen van de raad te dezen mee te deelen en met dezelve de middelen te willen beramen en hunne adsistentie te willen verleenen tot het welgelukken van het voorgestelde plan”. De armbestuurders, bestaande uit de heren A. van der Zaal, G. Hulsbosch, H. Meyer, P.H. Koppeschaar en P. Verdegaal, traden binnen en verklaarden zich akkoord met de voorgestelde plannen.

Het bedelaarsduo Josie en Dulcinea op een ansicht uit de beginjaren van de twintigste eeuw. Ongetwijfeld liepen er in 1845 ook bedelaars in de streek rond die door hun gedrag een bepaalde reputatie hadden gekregen. Helaas zijn ze ons, in tegenstelling tot de hier afgebeelde personen, niet bekend. (Coll. A. in’t Veld).

Er werd besloten de collecte op 11 maart te houden “vanaf des morgens ten half tien uren”. De raadsleden en de heren armstuurders zouden zich splitsen in vijf afdelingen die ieder een deel van het dorp voor hun rekening zouden nemen.

‘s Avonds zouden de gecollecteerde gelden verzameld worden en de verdeling daarvan onder de armen geregeld worden. Ook diegenen die liever een bijdrage in natura deden, zoals in de vorm van brandstoffen of levensmiddelen, konden terecht en wel bij de heren Van der Mey en Hulsbosch. Door middel van affiches zou de collecte aangekondigd worden. Er zou een exemplaar daarvan worden opgestuurd naar de “Eerw. Heeren geestelijken dezer gemeente, met vriendelijke uitnoodiging daarvan zoodanig gebruik te maken als zij het best geschikt zullen oordelen en in allen geval hun invloed zoo ’t kon door toespraak van den kansel te bezigen tot het welslagen van het daarbij voorgestelde doel”. Veel hoop was gericht op de “Heeren Eigenaars der Buitenplaatsen in deze gemeente gelegen”, zoals de heer Temminck (Wildlust) en C.A.A. baron van Pallandt (Keukenhof). Het plan kon niet meer stuk gaan!

 

Kerk gesigt tot Lisse”. Dit was ongeveer het beeld dat men had wanneer men omstreeks 1735 vanuit het Vierkant door het dorp Lisse reed. Het zal in 1845 niet heel veel anders geweest zijn. Men ziet de oude dorpskerk, waar van 1844 tot 1868 ds. Kooy stond. Zoals men ziet hield, nadat men de kerk rechts passeerde via de Achterweg, de bebouwing van het dorp al op om over te gaan in weiland. Kopergravure No 6 van Abrah. Rademaker, in 1731 gepubliceerd in Rhynlands Fraaiste Gezichten.

Tegenwerking van de predikant
Eén persoon was minder tevreden met de plannen en dat was de “Eerwaarde Heer Predikant”. Zijn naam wordt in de notulen niet vermeld, maar het is wel duidelijk dat het hier om ds. Kooy ging. Die stond namelijk van 1844 tot 1868 in Lisse. Even na ontvangst van de bovengenoemde publicatie had hij zich begeven naar de burgemeester, J.C. van Rosse, om hem te kennen te geven dat de collecte geen doorgang kon vinden. De redenen hiervoor waren allereerst dat zijn diakens in de vergadering waarin een en ander was besloten, geen zitting hadden gehad. De heren armbestuurders, die in de notulen van 5 maart genoemd worden, maakten dus waarschijnlijk deel uit van de Heilige Geestarmen, de katholieke variant van de protestantse diakonie, en/of van het Burgerlijk Armbestuur. Dit laatste was een college dat door de plaatselijke overheid in het leven was geroepen. Verder zou de collecte worden gehouden voor de armen “in het algemeen”, dus ook voor de leden van de Nederlands-hervormde kerk. Dat vormde voor de dominee een bezwaar, daar “zijne diakonie geene behoefte had, in tegendeel een batig saldo in kas had”. “In allen geval dat hij zich bezwaard achtte om in de gegeven omstandigheden de publicatie af te kondigen of de collecte door eenigen toespraak van den kansel aan te beveelen. Verklaarende hij voorts dat indien in de publicatie voor het woord in het algemeen in de plaats wierd gesteld voor de Roomsche Catholieken of Buiten armen, (…) dat hij alsdan in zoude kunnen overgaan”. De burgervader had daar niet op gerekend en stelde dan ook alles in het werk om de dominee te bewegen om te voldoen aan het verlangen van de raad. Bij het afscheid had hij aanvankelijk goede moed, maar de volgende morgen ontving hij een brief van ds. Kooy “in den zelfden onveranderden geest”. Burgemeester Van Rosse vond de zaak “gewichtig” genoeg om deze te bespreken in het college van Burgemeester en Assessoren, het tegenwoordige college van B&W. Het besluit daarvan was dat ds. Kooy nogmaals, maar dan namens het hele college, zou worden uitgenodigd aan het verzoek van de raad te voldoen “en dat er geene bevoegdheid was om het geen in den raad was besloten, daar buiten te veranderen”. In antwoord daarop ontving Van Rosse “op zondag 9 maart na middagkerktijd” een brief van de dominee. Er werd daarin mededeling gedaan van het besluit genomen door de kerkeraadsvergadering “dat door de diaconen geen adsistentie mogt en zou verleend worden tot het doen van een collecte voor de Algemeene armen, dat de diaconie der Hervormden vriendelijk bedankte voor het aandeel dat haar zou competeeren en dat om reeds opgegeven redenen geene annonceering noch aanbeveeling van den kansel heeft plaats gehad”. De dominee hield al met al stug vol! Het begon er dus op te lijken dat de collecte wel doorgang zou kunnen vinden, maar dan zonder medewerking van de protestanten.

“Geest van ontevredenheid”
Op de daaropvolgende gemeenteraadsvergadering van 11 maart waren dan ook de diakens afwezig. De voorzitter licht toe: “Hebbende de H H diakenen der Hervormde gemeente zich geexcuseerd om hunne adsistentie in deeze te verleenen, uit hoofde hun zulks door den kerkenraad was ontzegd geworden”. Vrijwel onmiddelijk ontstond er rumoer onder de ingezetenen die de raadsvergadering bijwoonden, want we lezen: “De voorzitter stelt het lezen der notulen van de vorige vergadering uit om het vergevorderde avonduur, evenzeer het hiernavolgende verslag, om den geest van ontevredenheid die wegens de zichtbaar geworden tegenkanting van den Ed Heer Predikant en kerkenraad onder de ingezetenen is ontstaan, niet verder op te trekken”. Op diezelfde elfde maart werd ook mededeling gedaan van de ingezamelde gelden. Per brief had de burgemeester f 50,- ontvangen van de heer Temminck, eigenaar van de buitenplaats Wildlust. Een gelijk bedrag was ontvangen van de baron Van Pallandt (van Keukenhof).

De baron had bovendien toegezegd nog eens f 50,- te zullen bijdragen. Samen met de gecollecteerde gelden die door de verschillende afdelingen bijeengebracht waren kwam het college uit op een totaalbedrag van f 358,47. Verder waren er takkenbossen beloofd door de heer Leembruggen, aardappelen door Selis van Graven en de armmeester Hendrik Meyer en Piet Verdegaal had nog toegezegd 300 lange turven te zullen leveren. Men besluit met de woorden: “Zoo dat de collecte mag gerekend worden allergelukkigst en zonder voorbeeld in deze gemeente te zijn geslaagd”

Carel A.A. baron van Pallandt (1810-1883). Hij was één van de donateurs bij de actie voor de allerarmsten in de winter van 1845. In 1837 huwde Van Pallandt met jkvr. Cecilia M. Steengracht, dochter van de eigenaar van Keukenhof, Johan Steengracht. Zij werd volledig eigenares van zowel huis als landgoed na de dood van haar vader in 1846. In 1858 liet het echtpaar Van Pallandt-Steengracht de tuinen rondom Keukenhof verfraaien door de heren Zocher. In 1861/62 werd bovendien het huis opgesierd met torens, waardoor we vanaf dat moment van het kasteel Keukenhof praten. Uit: A.M. Hulkenberg, Keukenhof (Dordrecht 1975), afb. 22.

Besluit
De uitdeling van de gecollecteerde gelden en brandstoffen vond plaats op 18 en 19 maart 1845. Heel wat minder bedeelde lieden zullen blij en opgetogen naar huis zijn gegaan. Waarschijnlijk gold dat echter alleen voor het rooms-katholieke deel van de bevolking, daar immers ds. Kooy klip en klaar te kennen had gegeven, namens het protestantse deel van de gemeenschap, niet aan de actie mee te zullen doen en er ook geen ruchtbaarheid aan te geven. De armenkas van de hervormden was zodanig dat een collecte niet nodig werd geacht, aldus Kooy. Hield dat in dat de noodlijdenden zich dus vooral bevonden onder de rooms-katholieken, ofwel de “Buiten-armen”? Of trof die strenge winter van 1845 eigenlijk alle arme ingezetenen van Lisse, ongeacht de religieuze gezindheid? Dit laatste lijkt het meest aannemelijk, daar men immers voornemens was een “algemeene collecte” te organiseren. Helaas lijken de behoeftige ledematen van de hervormde kerk hierbij dus buiten de boot te zijn gevallen, hetgeen ook niet voor niets zo’n verontwaardiging teweeg bracht bij degenen die de gemeenteraadsvergadering van 11 maart bijwoonden.

Bronvermelding: Gemeentearchief Lisse, inv.nr. 513.

DE VICARIE VAN SINT SERVAAS TE LISSE OMSTREEKS HET MIDDEN VAN DE 14e EEUW DEEL 1

Omstreeks 1250 stichtte Willem II, graaf van Holland een kapel in Lisse. Dit was een kapel ter ere van Sint Servaas. Het bleek echter geen kapel te zijn, maar een kapelanie of vicari. Uitgelegd wordt wat een vicari is. Diverse vicarissen paserende revue. Willem Ternic was een van de vicarissen. Zijn uitgebreide familiegeschiedenis wordt besproken.

Door Maarten van Bourgondiën

Nieuwsblad Jaargang 7 nummer 3 juli  2008

Inleiding
Omstreeks 1250 stichtte Willem II, graaf van Holland en Rooms-koning van het Heilige Roomse Rijk, een kapel in Lisse. Aangezien de latere parochiekerk van Lisse was gewijd aan Sint Agatha, ligt het in de lijn der verwachting dat de kapel eveneens aan deze heilige was opgedragen.
Het is daarom opmerkelijk dat er in 1351 wordt gesproken over een kapel ter ere van Sint Servaas. Bij nader inzien blijkt het echter om een kapelanie (of vicarie) te gaan. In dit tweedelige artikel zal ik wat dieper ingaan op deze vicarie.

De dorpskerk van Lisse in de zeventiende eeuw. Hier stond in de middeleeuwen de aan Sint Agatha gewijde kapel.

 

Wat is een vicarie?
Tijdens de Middeleeuwen kwam het regelmatig voor dat edellieden of gegoede burgers een vicarie stichtten in een parochiekerk of kapel [1]. Er werd dan een priester aangesteld die met een zekere regelmaat memoriediensten moest houden. Dat wil zeggen dat hij missen moest lezen voor de ziel van de stichter van de betreffende vicarie en voor de zielen van zijn familieleden, om zo de tijd in het vagevuur te bekorten. De priester die aan een dergelijke stichting verbonden was, werd vicaris genoemd. In veel gevallen was hij een familielid van de stichter, want die had namelijk het recht om de vicaris voor te dragen: het zogenoemde collatierecht.
Na het overlijden van de stichter kwam dit collatierecht in handen van zijn erfgenamen.
Om er voor te zorgen dat de vicaris in zijn levensonderhoud kon voorzien, ging de stichting van een vicarie gepaard met de schenking van landerijen of andere goederen (waarvan de opbrengst ten goede kwam aan de vicaris). Bij een vicarie moesten deze goederen geestelijk worden gemaakt (d.w.z. onder geestelijk recht worden gebracht). Daarnaast diende de stichting door de bisschop van Utrecht te worden bekrachtigd. Bleven de geschonken goederen daarentegen wereldlijk, dan werd er niet gesproken van een vicarie, maar van een officie. Bij een vicarie kon de priester die de missen opdroeg niet worden afgezet, terwijl de priester van een officie wel afgezet kon worden.

 

Middeleeuws voorbeeld van Sint Servaas. In zijn rechterhand de sleutel der Hemelpoort die hij van Petrus had gekregen (website Iconen Atelier ‘Sint Servaas’ in Maastricht).

Sint Servaas

Het is niet bekend waarom de vicarie in Lisse aan Sint Servaas werd gewijd, maar blijkbaar had deze heilige een speciale betekenis voor de stichter.
Sint Servaas wordt ook wel Servatius van Maastricht genoemd. Hij was omstreeks 340 na Christus bisschop van Tongeren. Later verhuisde Sint Servaas zijn bisschopszetel naar Maastricht, alwaar hij de eerste kerk op Nederlands grondgebied bouwde. Hij was één van de belangrijkste tegenstanders van het Arianisme, een stroming binnen het vroege christendom die het dogma van de drie-eenheid niet accepteerde (de Arianen ontkenden de goddelijkheid van Jezus). De naamdag van Sint Servaas is 13 mei (volgens de overlevering zou hij namelijk op 13 mei 384 zijn overleden). Samen met Sint Mamertus (11 mei), Sint Pancratius (12 mei) en Sint Bonifatius van Tarsus (14 mei) behoort Sint Servaas tot de zogenoemde IJsheiligen. Dat zou kunnen verklaren waarom de vicarie in de kapel van Lisse aan Sint Servaas werd opgedragen. Lisse maakte in de dertiende en veertiende eeuw op kerkelijk gebied namelijk deel uit van de parochie van Sassenheim. De beschermheilige van deze parochie was Sint Pancratius. Misschien koos men bij de stichting van de vicarie in de kapel van Lisse daarom eveneens voor een IJsheilige.

Vicaris Willem Terninc
Op 24 februari 1351 richtte hertog Willem van Beieren, graaf van Holland, een verzoek aan de aartsdiaken van de Dom van Utrecht om de priester Willem Terninc aan te stellen als vicaris van de vicarie van Sint Servaas in Lisse [2]. De naam van zijn voorganger is niet bekend. Willem van Beieren verklaarde slechts dat de vicarie in 1351 onbezet was. Willem Terninc is niet zo lang vicaris geweest. Hij overleed in 1354, waarna Willem van Beieren op 8 december 1354 Willem Pyl tot zijn opvolger benoemde.
Er is maar weinig bekend over de carriére of de familie van Willem Terninc. Hij wordt voor het eerst genoemd op 13 juni 1332. Op verzoek van Elisabeth Simonsdr. Nagel zegelde priester Willem Terninc toen samen met enkele andere personen een oorkonde [3]. In deze oorkonde vroeg Elisabeth toestemming aan de abt van de abdij van Egmond om een vicarie te stichten in de kerk van Voorhout. Elisabeth wilde haar neef Willem Janszn. Nagel benoemen tot vicaris. Daarnaast was zij van plan om al haar landerijen (uitgezonderd de ‘Poorterscamp’) aan deze vicarie te schenken. Na de dood van Elisabeth Simonsdr. Nagel diende het collatierecht over te gaan op haar broer Jan Simonszn. Nagel. Was hij op dat moment ook al overleden, dan moest het collatierecht overgaan in handen van twee andere leden van de familie Nagel en ten slotte in handen van de abt van Egmond. Ik ben hier wat dieper op ingegaan omdat het een aardig beeld geeft hoe het er bij de stichting van de vicarie van Sint Servaas in Lisse aan toe kan zijn gegaan.

Voorhout in de zeventiende eeuw, met het kerkje waar Albert Terninc in de veertiende eeuw als pastoor aan verbonden was.

Priester Willem Terninc was vermoedelijk een kleinzoon van de Willem Terninc die in het laatste kwart van de dertiende eeuw een berkenbos rooide in de ambachtsheerlijkheid Heemstede. Het vrijgekomen stuk land werd op 5 december 1284 door graaf Floris V verkocht aan Jan ver Aleydensone (= Jan, zoon van vrouwe Alijd) uit Haarlem, wiens nageslacht de naam ‘Van Berkenrode’ aannam en belangrijke stedelijke functies vervulde in Haarlem. Het woord “terninc” betekende volgens het Middelnederlandsch Woordenboek ‘dobbelsteen’ [4]. Het is een oude spellingsvariant van “teerling” (zie bijvoorbeeld de uitspraak ‘de teerling is geworpen’). In de bronnen wordt ook wel gesproken over “tarninc” of “tairninck”.

De familienaam Terninc vinden we in de eerste helft van de veertiende eeuw ook terug in Voorhout. Op 29 juni 1339 gaf Albert (of Albrecht) Terninc, pastoor van Voorhout, samen met Stase Loefszn. uit naam van de abt van de abdij van Egmond een huis in eigendom aan Gerrit Hugezn. [5]. Pastoor Albert Terninc was de opvolger van Hugo Pollaart, die in 1332 als pastoor van Voorhout wordt vermeld. De vroegste vermelding van Albert Terninc dateert van 24 september 1318 toen hij werkzaam was als kapelaan in Noordwijk [6]. Vermoedelijk was hij een broer van priester Willem Terninc. Er is onder andere een testament van Albert Terninc bewaard gebleven d.d. 18 augustus 1349. Volgens dit testament dienden zijn in Noordwijk gelegen goederen gebruikt te worden voor de stichting van een vicarie in het cisterciënzerinnenklooster Ter Lee in Noordwijkerhout. Dit klooster was in 1261 door de broers Arnoud en Walewijn van Sassenheim gesticht en werd ook wel ‘Leeuwenhorst’ genoemd. Daarnaast gaf Albert Terninc zijn goederen in Monster aan de armen die door het klooster Ter Lee werden verzorgd. Zijn huis in Voorhout vermaakte hij aan de plaatselijke kerk. De inkomsten die hieruit voortvloeiden, moesten door de kerk van Voorhout worden geïnvesteerd in renten om wijn, hosties en kaarsen te kopen. Albert Terninc schonk de rest van zijn bezittingen (waaronder zestien morgen land in Maasland) aan het door hem gestichte gasthuis in Noordwijk. Dit gasthuis stond in de huidige Kerkstraat tegenover de Sint Jeroenskerk [7].
Klik hier voor het volgende deel

Noten
[1] Hanno Brand, Over macht en overwicht. Stedelijke elites in Leiden (1420-1510) (Leuven/Apeldoorn 1996) 341.
[2] A.M. Hulkenberg, De Aagtenkerk van Lisse (Lisse 1960) 13; het graafschap Holland maakte deel uit van het aartsdiaconaat van de Dom van Utrecht.
[3] Noord-Hollands Archief (NHA), Inventaris van het archief van de Abdij van Egmond, Regestenlijst van de Abdij van Egmond, regest nr. 220.
[4] E. Verwijs en J. Verdam, Middelnederlandsch Woordenboek dl. V (‘s-Gravenhage 18..), kolom 140.
[5] NHA,Regestenlijst van de Abdij van Egmond, regest nr. 257.
[6] Geertruida de Moor, Verborgen en geborgen. Het cisterciënzerinnenklooster Leeuwenhorst in de Noordwijkse regio (1261-1574) (Hilversum 1994) 594.
[7] C. Hoek, “Acten betreffende De Lier, Maasland en Schipluiden”, in: Ons Voorgeslacht 46e jaargang no. 416 (mei 1991) 204-235, aldaar 222 en De Moor, Verborgen en geborgen, 448.