Berichten

Oorlogsslachtoffers Tweede Wereldoorlog

Teun Kulk, oorlogsslachtoffer van WOII

Teun Kulk ligt begraven op Duinhof. Hij overleed als militair bij een bombardement.

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)

8 mei 2018

Door: Nico Groen

Ieder jaar is er op 4 mei in Lisse aandacht voor de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Deze openbare dodenherdenking wordt afgesloten met de kranslegging bij het ´Monument voor de Gevallenen´. Dit monument staat midden op de kruising van de Oranjelaan en de Heereweg.  Het is niet de enige herdenking op 4 mei. In de middag is er elk jaar een bezoek aan de oorlogsgraven in Lisse. Deze herdenking is voor nabestaanden en genodigden. Bij elk graf wordt ter nagedachtenis stilgestaan met een herdenkingswoord en een bloemlegging. Lisse telt vier oorlogsgraven met 7 slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog.
Op de begraafplaats van de RK kerk St. Agatha ligt het kerkelijk eregraf met vier oorlogsslachtoffers. Er is ook nog een tweede graf. Op de Algemene Begraafplaats Duinhof liggen nog twee oorlogsgraven.

Begraven op Duinhof

Een van die twee is van Teun Kulk, geboren op 22 juni 1915. Teun overleed als militair bij een bombardement op het vliegveld Valkenburg bij het begin van de oorlog in de nacht van 9 op 10 mei 1940. Hij was toen 24 jaar oud. Hij werd daarna begraven bij de kerk in Valkenburg. Op 11 juni 1940, een maand na zijn overlijden, krijgt zijn familie aan de Achterweg pas bericht dat hij is overleden. Al die tijd hebben zij zich afgevraagd of hij dood was of toch nog in leven. Teun kon worden begraven op de militaire begraafplaats in Katwijk, maar de familie wilde liever dat hij in Lisse zou worden begraven. Er was echter geen geld om dit te realiseren. Vader Kulk besloot om het geld van het spaarbankboekje van zijn zoon hiervoor te besteden. Het rouwtransport vond uiteindelijk plaats op 18 juli 1940. De Hervormde Kerkvoogdij gaf een bijdrage, overwegende: “dat hij het hoogste dat hij bezat, namelijk zijn leven, heeft geofferd voor zijn vaderland, dus ook voor allen, zouden wij het zeer op prijs stellen zijn nagedachtenis te mogen eren, door een bijzonder mooie plaats beschikbaar te stellen op begraafplaats Duinhof. Zodat zijn heldendood ook tot het nageslacht moge spreken”.
In de kerk kwam een inzamelingsactie op gang voor een bijzonder grafmonument. Op 19 april 1941 werd dat monumentale grafmonument op het graf van Teun Kulk onthuld door ds. J.Th. van Veen. Wethouder P. Warmerdam heeft de vader, de moeder en de verloofde Bep Boon en overige familie en vrienden toegesproken. Het toeval wil dat wethouder Warmerdam’s geadopteerde zoon Rinus, die ook in dienst was, op de eerste dag van de oorlog, 10 mei 1940, ernstig gewond raakte en op 12 mei was overleden.
Vermeldingswaardig is nog dat aan Teun Kulk op 1 oktober 1948 het Oorlogsherinneringskruis werd toegekend voor bijzondere krijgsverrichtingen.

‘Wat toch een tijd’

Bovenstaande gegevens komen uit het boek ‘Wat toch een tijd’, geschreven door Ed Olivier. Daarin staat nog veel meer over alle slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog in Lisse en omstandigheden waaronder zij zijn omgekomen.
Het boek is te leen bij de bibliotheek van Lisse.

Oorlogsslachtoffers Tweede Wereldoorlog

Foto: Het monumentale grafmonument van Teun Kulk op begraafplaats Duinhof. Foto: Nico Groen

OORLOGSGRAVEN IN LISSE

Sporen van vroeger (Lisser Nieuws)                             3 mei 2016

door Nico Groen

Ieder jaar is er op 4 mei in Lisse aandacht voor de slachtoffers van de tweede wereldoorlog. Deze openbare dodenherdenking wordt afgesloten met de  kranslegging bij het ´Monument voor de gevallenen´. Dit monument staat midden op de kruising van de Oranjelaan en de Heereweg.  Dit is niet de enige herdenking op 4 mei. In de middag is er elk jaar een bezoek aan de oorlogsgraven in Lisse. Deze herdenking is voor nabestaanden en genodigden. Bij elk graf wordt ter nagedachtenis stilgestaan met een herdenkingswoord en een bloemlegging. Lisse telt vier oorlogsgraven met 7 slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog.

Op de begraafplaats van de RK kerk St. Agatha ligt het kerkelijk eregraf met vijf oorlogsslachtoffers. Deze erebegraafplaats bestaat sinds 1992. Toen werden stoffelijke resten van vier gevallenen  herbegraven. Daarvóór lagen de gesneuvelden her en der verspreid over de begraafplaats en bij de Engelenkerk. Het kerkbestuur reageerde daarmee op een voorstel van de Stichting Oorlogsgraven. Op de Algemene Begraafplaats Duinhof liggen nog twee oorlogsgraven.

Een van hen is Teun Kulk, geboren op 11 mei 1915. Teun Kulk overleed als militair bij een bombardement op het vliegveld Valkenburg bij het begin van de oorlog in de nacht van 9 op 10 mei 1940.

Bert Kroon stierf op 1 februari 1944, nog geen 21 jaar oud, in een barakkenkamp voor militairen in Amersfoort. Hij had een gevaarlijke vorm van difterie. Hij was na verraad van NSB’ers in het Groningse Doezum opgepakt door de Duitsers. Hij is ook op Duinhof begraven.

Rinus Warmerdam, is geboren op 25 januari 1918. Op 10 mei 1940, de eerste oorlogsdag, is hij ernstig gewond geraakt. Als militaire koerier is hij van zijn motor geschoten. Hij overleed op 12 mei 1940 in Wassenaar, waar hij eerst is begraven. Op 22 januari 1944 is hij herbegraven op de begraafplaats van de Agathakerk.

Aart van Dijk is geboren op 2 januari 1914 en overleden op 19 januari 1945 Tijdens een razzia in Hillegom werd hij door de SD doodgeschoten.

Jan de Haan was gemeentesecretaris van Lisse. In de oorlog hielp hij vele mensen. Op 19 februari 1944 werd hij gearresteerd en naar het beruchte kamp Vught gebracht. In september 1944 is hij onverwacht vrijgelaten. Hij was volkomen uitgeput en is daar niet meer overheen gekomen. Hij overleed op 9 oktober 1946.

Willem Heemskerk is in de nacht van 2 op 3 mei 1945, net voor de bevrijding, neergeschoten door dronken, gedeserteerde Duitse soldaten bij zijn huis in de Engel. De Duitsers waren op strooptocht. Hij was 55 jaar.

Als laatste staat op de gedenksteen van het eregraf de naam van Frans Snaar. Zijn naam staat ook op het familiegraf van Snaar. Hij is geboren op 20 april 1924 en overleden op 10 november 1943 in Rudisleben, Landkreis Arnstadt. Hij was tewerkgesteld in Duitsland.

Bovenstaande gegevens komen uit het boek ‘Wat toch een tijd’, geschreven door Ed Olivier. Daarin staat nog veel meer over de omstandigheden waaronder bovenstaande en andere oorlogsslachtoffers zijn omgekomen.

Rechts ligt het eregraf met vijf oorlogsslachtoffers. Foto: Nico Groen

ARM EN NAAMLOOS BEGRAVEN

Een arm en naamloos man werd gevonden in een schuur van Willem Adrianus van der Stel. Hij werd door gemeente begraven. Een paar jaar later werd van der Stel vol pracht en praal begraven.

Dirk Floorijp

Jaargang 16 nummer 2 Lente 2017

Je kunt het je niet voorstellen dat er bij je begrafenis geen familie of vrienden aanwezig zijn, laat staan dat je naamloos begraven wordt.
In 1728 werd op het kerkhof bij de grote kerk aan het Vierkant een arm en naamloos man begraven. Uit het Gemeentearchief blijkt, dat hij gevonden is in de schuur van Willem Adriaan van der Stel. “Een arm en naamloze man”. De onkosten kwamen voor rekening van de gemeente. Aan Michiel Michielse van Munnikkendam voor een hemd tot de wade 1 gulden en 4 stuivers. Door de geburen op het ontwaden geconsumeert van winkelwaren 6 stuivers en 12 penningen voor brood 2 stuivers en drank 17 stuivers. Herman Andriese Tijdeman over het maken van een doodkist 4 gulden. Ende Jacob Franke Kats over leverantie van ½ vat bier geconsumeert door de geburen op de begravenisse, met de pagt 5 gulden 2 stuivers en 10 penningen. Dus te samen 11 gulden 12 stuivers en 6 penningen.Niemand bij de begrafenis, alleen degene die ambtshalve aanwezig moesten zijn. Misschien in een achteraf hoekje op het kerkhof. Wat opviel was de grote tegenstelling met de begrafenis bij degene waar hij gevonden werd, de oud gouverneur van Zuid Afrika. Hij overleed een paar jaar later dan de onbekende. Een kerk vol genodigden, begraven in de kerk in een praalgraf, een graftombe van wit Italiaans marmer, vervaardigd in Amsterdam. De
gemeente heeft zich er niet van afgemaakt, er werd een nieuw hemd gekocht en ook werd er voor eten en drinken gezorgd voor de geburen die tevens de dragers zijn. ■

PRANGENDE VRAGEN

De impost was een belasting bij huwelijk en begrafenis. De hoogte van de impost geeft een indruk van de economische betekenis van de betrokkenen.

Arie de Koning

Jaargang 16 nummer 1 winter 2017

Bijna iedereen die zijn afkomst wil laten onderzoeken hoopt stilletjes dat hij of zij afkomstig is van een rijke en invloedrijke familie. Meestal valt dat een beetje tegen. Er zijn dan ook veel vragen over geld en goederen welke onze voorouders in hun bezit zouden hebben gehad. Welnu, de vaststelling van stand en standing in economische begrippen van een bepaalde familie gebeurde bij het huwelijk en bij overlijden en is gemakkelijk af te lezen aan het bedrag van de Impost welke betaald moest worden bij datzelfde huwelijk of begrafenis.

Impost classificatie

Die Impost was een belasting, een soort leges en bestond uit vijf klassen. Klasse 1, de hoogste, was 30 gulden, klasse 2 was 15 gulden, klasse 3 was 6 gulden, in klasse 4 betaalde men 3 gulden en de laagste klasse 5 was gratis ofwel pro deo. Dit was op 15 november 1695 door de Staten van Holland en WestFriesland bij wet vastgesteld.

Pro Deo

De meeste inwoners van Lisse werden pro deo begraven en als men bedenkt dat een jaarinkomen van een ongeschoolde arbeider 220 gulden was, is dit niet zo vreemd. Het was het bestaansminimum in de jaren 1650-1700.
Daarbij komt dat men het ‘s zomers moest verdienen in de zonne-uren want ’s winters waren de dagen korter dus werd men minder betaald. Dit ging in op Sint Maartensdag de elfde van de elfde en duurde tot Sint Pietersdag, tweeëntwintig februari. Na 1700 stegen de lonen een heel klein beetje en verdiende men ’s zomers ca. 1 gulden per dag en ’s winters een kleine halve gulden. Kleine zelfstandigen zoals schoenmakers, kleermakers of spinnewielmakers leefden bij de gunst en gunning van de overige inwoners en kon men vaak straatarm noemen. Men nam er vaak baantjes bij waarvoor moest worden betaald, verkopers en uitslijters van sterke drank, zeep en zout of men pachtte een stukje land. Vaak was het afwachten of de investering werd terug verdiend en men leest regelmatig dat kleine neringdoenden failliet werden verklaard.

Conclusie

Ga er dus niet voetstoots van uit bij onderzoek, dat uw familie welvarend was, dan kan het nog altijd meevallen. U bent van harte welkom bij de Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse” iedere dinsdag van 10 tot 12 uur op Havendwarsstraat 4, dan kunnen we samen uw familieverleden bekijken.

De oude Rooms-Katholieke begraafplaats aan de Achterweg

In 1828 kwam er een begraafplaats tussen de schuilkerk en de Achterweg, nabij het Mallegat. In het reglement opgesteld door de gemeentebestuur staat dat er 80 graven moeten kunnen komen op een opgehoogd terrein, omgeven door een muur. Er mogen maximaal 4 kisten boven elkaar. Reeds in 1866 wordt de begraafplaats opgeheven, omdat de zoon van boer Wubbe zijn  grond weer terug wilde hebben.

Door R.J. Pex De R.K.

NIEUWSBLAD Jaargang 9 nummer 2, april 2010

Parochie H. Willibrordus, waar onder meer de Lissese Parochie St. Agatha deel van uit maakt, beschikt sedert het begin van de vorige eeuw over een bijzondere kerk: de H. Agathakerk. Een indrukwekkend monument dat ooit de ‘Kathedraal van de Bollenstreek’ genoemd werd. Vóór 1842 was dat echter wel anders. Toen kerkten de Lissese Rooms-Katholieken nog in een schuilkerk. Deze was gelegen bij het zogenaamde Mallegat, bij de huidige buurtschap De Engel (vanouds een gemeenschap met een sterke Rooms-Katholieke achtergrond). Aan de westzijde van de Achterweg bevonden zich enige opstallen, de schuilkerk zelf en de woning van de pastoor. (Zie afb.). Begraven werd in en later bij de oude dorpskerk aan ’t Vierkant. In 1828 hebben de Lissese Katholieken echter een eigen begraafplaats gekregen. Deze kwam tussen de schuilkerk en de Achterweg te liggen.

Reglement voor de nieuwe begraafplaats aan de Achterweg, 1828

In hetzelfde jaar hebben burgemeester en wethouders (‘assessoren’ zoals ze toen nog genoemd werden) van Lisse een ‘reglement’ uitgevaardigd ‘waar na de nieuwe begraafplaats der Roomsch Catholieke Gemeente te Lisse zal behooren ingerigt te worden’. Daar dit reglement nog niet eerder ter sprake kwam in eerdere publicaties over de geschiedenis van de Agathaparochie wil ik hier toch enige woorden aan wijden. Allereerst zal de nieuw aan te leggen begraafplaats gelegen moeten zijn op een min of meer verheven terrein. Hij dient te worden omgeven door een muur, waarin luchtgaten zijn aangebracht. Het terrein moet van zodanige omvang zijn dat het ruimte biedt aan tachtig graven. In elk familiegraf mogen niet meer dan vier kisten onder elkaar begraven worden. De graven worden na tien jaar geruimd. Artikel 7 houdt verband met personen die aan besmettelijke ziekten waren overleden, zoals vaker gebeurde in de negentiende eeuw (cholera bijvoorbeeld). Deze zullen eerst blootgesteld moeten worden aan ‘minerale zuure berookingen’. Het spreekt vanzelf dat van al die begrafenissen een register bijgehouden dient te worden. De administratie zal het tijdstip van begrafenis bepalen en maakt een tarieflijst op ‘waarbij de kosten van begraven van groote en kleine lijken zal worden bepaald’.
‘Aldus gedaan en opgemaakt om te worden gesteld in handen van de Administratie der begraafplaats der R. Catholieke gemeente te Lisse den 30en oktober 1828’.

Hoe het verder ging met de begraafplaats aan de Achterweg

Erg lang heeft het kerkhof uit 1828 niet dienst gedaan. Reeds in 1866 blijkt er al niet meer op begraven te worden. Hermanus Wubbe, boer op de nabijgelegen boerderij Klopjeshoven, wiens vader een stuk grond geschonken had ten behoeve van de begraafplaats, eiste nu de grond weer terug. Pastoor Heuvels stelde voor hem in zijn vermeende rechten te laten, welke mening werd gevolgd door het bisdom, die er echter bij aantekende ‘gezegde erfgenaam’ een aalmoes of liefdesgift aan de kerk te laten doen bij wijze van schadevergoeding.

De huidige begraafpraktijk

Tegenwoordig telt de begraafplaats achter de Agathakerk zo’n 800 graven (in plaats van 80, dus precies 10%, in 1828). Verder is in verband met milieuvoorschriften tegenwoordig het aantal kisten dat onder elkaar mag worden begraven teruggebracht naar twee (in plaats van vier in 1828). Op grond van de Wet op de Lijkbezorging mag tegenwoordig na tien jaar een graf worden geruimd, voor zover het de Algemene Graven betreft. In de praktijk gebeurt dat om de vijftien jaar ongeveer. Familiegraven oftewel zogenaamde Huurgraven worden uitgegeven voor twintig jaar. Deze kunnen met tien jaar worden verlengd. Wanneer dat niet gebeurt worden de graven geruimd. In 1828 was de praktijk duidelijk anders. Toen werd in het geheel geen onderscheid gemaakt tussen Algemene Graven en Familiegraven en werden de graven hoe dan ook na tien jaar geruimd. Wat was het zo toch heerlijk eenvoudig!

Bronnen:

Gemeentearchief Lisse, inv.nr. 756 (Keuren, ordonnantiën en verordeningen van de gemeente, 1814-1936).
Met dank aan de heer J.P.S. Lieverse

De oude schuilkerk aan het Mallegat bij de buurtschap De Engel, tweede helft achttiende eeuw. Geheel rechts de eigenlijke schuil- of schuurkerk. Links daarvan de woning van de pastoor. In 1828 zou achter het hekje geheel links in de bosjes de nieuwe begraafplaats komen. Daar was ook de Achterweg. Uit: A.M. Hulkenberg, ’t Roemwaard Lisse (tweede druk, Lisse 1998), p. 13.

Na de dood van de pastoor startte de bouw van de nieuwe R.K. kerk deel 1

De oude kerk, de noodkerk en de nieuwe kerk wordt beschreven. Op 24 mei 1902 werd de eerste steen van de nieuwe kerk.

door Arie in’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 2 april 2006

Uit de geschriften van chroniquer Arie Raaphorst (3)

Reeds lang vóór dat er eindelijk eene nieuwe kerk werd gebouwd, was het oude kerkgebouw veel te klein voor de steeds toenemende bevolking van de R.K.Kerkgemeente. De uitgebreide en omvangrijke werkzaamheden van den bouw eener nieuwe kerk waren echter véél te zwaar voor de zwakke schouders van de beminnelijke herder der parochie, de Zeer Eerwaarde Heer H.Th. van Vlasselaar.  Eenieder ondervond het dat de kerk veel te klein was, maar ook eenieder was er ten volle van overtuigd dat de werkzaamheden van den bouw eener nieuwe kerk niet gelegd mochten worden op de steeds in krachten afnemende schouders van Pastoor van Vlasselaar, en daarom wachtte men de tijd af ….
De tijd was eindelijk daar, want op 8 januari 1901 ging de droeve mare door het dorp: “Pastoor van Vlasselaar is dood.” Hij die 32 jaren lang de zachtmoedige en beminnelijke herder was geweest van de Parochie van de H.Agatha, was niet meer. Zelden is er een mensch geweest die oprechter beweend is geworden dan hij; beweend niet alleen door de katholieken zelf, maar evenzeer door de niet-Katholieken van allerlei rang en stand. Met hem daalde ten grave een raadgever voor iedereen en een vriend voor allen, zonder onderscheid en bovendien een weldoener der armen zonder weerga.
Zijne nagedachtenis zal dan ook blijven voortleven in de harten van allen die hem hebben gekend.

Hemelsche glimlach
Geen wonder dan ook dat een ontelbare menigte zijn lijk hebben bezocht; dat lijk wat daar stil en onbeweeglijk neerlag in zijn laatste rustplaats maar met dezelfde Hemelsche glimlach om de lippen als altijd. Hij is begraven in het priestergraf, rustend in de schaduw van het kruis. Eene eenvoudige blauwe zerk siert zijn graf. Dat zijne ziel de hemelsche rust geniet is de hoop van mij, maar ik ben er verzekerd van. Ook van allen die hem ooit hebben gekend. Pastoor van Vlasselaar werd opgevolgd door de Zeer Eerwaarde Heer B.J. Klekamp, pastoor te Oude Tonge. Zoodra de opvolger van de oude pastoor benoemd was, werden er plannen ontworpen voor een nieuwe kerk.

Noodkerk
Doordat de nieuw te bouwen kerk gesticht moest worden op dezelfde plaats waar de oude stond, moest er vooraf een noodkerk worden gebouwd.
In het voorjaar van 1902 werd er ter plaatse waar nu de Bondstraat is, een groot houten gebouw opgetrokken. Zoodra deze noodkerk gereed was werd zij plechtig ingewijd door de Pastoor-Deken van Warmond De Zeer Eerwarde Heer Smeulders. De oude kerk werd spoedig daarna voor afbraak verkocht en gesloopt. Niet lang daarna werd begonnen met de storting van het beton, want paalfundering was niet noodig. Het werk vorderde voorspoedig, want op 24 mei 1902 had de plechtige eerste-steenlegging plaats door de Zeer Eerwaarde Heer Smeulders, Pastoor-Deken van Warmond.
De gedenksteen waarin zich de oorkonde bevindt van de eerste-steenlegging is geplaatst in de hoekpilaar van het Zuidertransept tegen de kant van de H.Jozephkapel. Het opschrift luidt als volgt:
Hunc primarium lapidum
Posuit R.adm Ds.Nicolaus
Johannes Smeulders Dec._s
Novic_s.. a.d.VI kal.Jun.
MCMII
Wij hebben tot op heden steeds gesproken van den bouw eener nieuwe kerk, maar eigenlijk dient gesproken te worden van Kerk en Pastorij.
De Pastorij, een groot gebouw in Oud-Hollandche stijl opgetrokken, was vóór de kerk reeds afgewerkt, omdat de Pastoor was gehuisvest in het pas voltooide St.Agathagesticht, en de beide kapelaans bij de kerkmeester J.Riggel.

Uitdagend opschrift
In verband met den bouw van de pastorij willen wij nog opmerken dat er een kwestie ontstond tusschen de Pastoor en de Burgemeester over het opschrift in den steen boven de portiek en de hoofdingang. De Pastoor had hier later in bijtelen het volgende:
Dije dit niet an mogt staen
Moet maer voorbije gaen.
Deze spreuk was genomen uit de dichtwerken van Paulus Potter. De Burgemeester nu meende dat dit opschrift eene uitdaging was voor de andere kerkelijke gezindten en stond er daarom op dat dit opschrift zou worden verwijderd.
Ik voor mij heb het altijd een zeer kleinzielig idee gevonden van de Burgemeester, hoewel ik van de andere kant moet getuigen dat dit opschrift enigszins onbegrijpelijk was en ook absoluut met geen enkele gebeurtenis hieromtrent in verband was te brengen.
Enfin, de steen werd weer glad gehakt en de volgende dag prijkte deze met een ander opschrift en van de volgende inhoud namelijk
Anno Domino MCMII
Eindelijk was de kerk zelve gereed en op Donderdag 6 augustus 1903 werd zij door Z.D.H. Mgr. van de Wetering, aartsbisschop van Utrecht, plechtig ingewijd.

Copyright © 2006 Vereniging Oud Lisse

DE SLUIKBEGRAVING AAN DE GRACHTWEG

In een archeologisch rapport over Grachtweg 1A, het kaaspakhuisje van Langeveld, staat dat een beerpunt en een paar afvalkuilen werd gevonden. Er werd ook een houten kist met een skelet gevonden. Het skelet moet vóór 1818 begraven zijn.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 5 nummer 1, januari 2006

 

Dit artikel is eigenlijk een vervolg op het eerder in dit nieuwsblad verschenen verhaal over de geschiedenis van “het kaaspakhuisje van Langeveld”, ofwel Grachtweg 1a, tegenwoordig bewoond door familie E. Plantenberg. Toen laatstgenoemde een garage naast het huis wilde verbouwen, waarbij wat grondwerk verricht moest worden, stuitte hij op een aantal in archeologisch opzicht interessante zaken, namelijk een beerput en een paar afvalkuilen.

In een beerput werd over het algemeen huishoudelijk afval gedeponeerd. Dit kan archeologen een redelijk inzicht verschaffen in onder meer zaken als de welstand van de bewoners van wie het afval afkomstig is. Thans is een archeologisch rapport van 35 pagina’s opgesteld door Menno Dijkstra (van huis uit archeoloog), Leo den Hollander en Hans van der Meulen. Het behandelt bovengenoemde vondsten, alsook een wat meer lugubere vondst, die reeds in het eerste artikel over Grachtweg 1a ter sprake werd gebracht. Het betreft een menselijke begraving, die tevoorschijn kwam bij het verdiepen van de vloer in het achterste deel van het huis.

De sluikbegraving
De menselijke begraving, door Dijkstra ook wel als sluikbegraving betiteld, bestond uit een houten kist met daarin een skelet. Van het skelet was weinig meer over, daar de begraving zich op de grens met de grondwaterspiegel bevond. Daardoor was het ook niet mogelijk iets meer te zeggen over

Een fraaie vondst betreft een majolica-bord uit omstreeks 1625-1675 met een tulp. Dit is één van de vroegste vondsten. Foto M.F.P. Dijkstra

Een.

zaken als leeftijd en geslacht. Om te verklaren waarom de betreffende persoon niet op een reguliere begraafplaats terecht is gekomen, moeten we ingaan op een tweetal vragen, zo lezen we in het rapport, namelijk: Hoe oud kan dit graf zijn? Welke verklaringen zijn er aan te voeren voor de ongebruikelijke locatie?
Over de ouderdom valt helaas niets met zekerheid te zeggen. De begraving moet echter na de bouw van het huis (dus na 1743) hebben plaatsgevonden en vóór 1818. Met betrekking tot de vreemde ligging lezen we dat een aantal verklaringen met elkaar gemeen heeft dat bepaalde begravingen niet in gewijde grond mocht plaatsvinden. Dit was onder meer het geval met zelfmoordenaars, nog niet gedoopte kinderen, niet-christenen, geëxcommuniceerden en ter dood veroordeelden. Toch is deze verklaring niet afdoende, want dergelijke begravingen vonden uiteindelijk toch wel plaats op een afzonderlijk kerkhof. Men zou in dit verband ook kunnen denken aan een misdaadslachtoffer of aan een slachtoffer van onrust of oorlog. Ook in Antwerpen is ooit onder een keldervloer een soortgelijke vondst gedaan als in Grachtweg 1a en ook bij Dever zijn rond 1890 een drietal menselijke geraamten tevoorschijn gekomen bij graafwerkzaamheden.

De twee spaarpotten die gevonden zijn bij het pand Grachtweg 1a: een varkentje (boven) en een haantje (onder). Onder de vleugels van het haantje bevond zich waarschijnlijk een fluitje, zodat men naar zijn geld kon fluiten.

Vondsten uit de beerput en afvalkuilen
Op grond van datering van het vondstmateriaal komen de schrijvers tot de conclusie dat er grofweg drie perioden te onderscheiden zijn, namelijk de periode tussen circa 1675 en 1725, waarbinnen de meeste vondsten gerangschikt kunnen worden, de periode 1775-1825 en 1860-1900.
Het meeste materiaal dat is aangetroffen in de beerput en in de afvalkuilen valt onder de categorie aardewerk. Hieronder kan bijvoorbeeld een mineraalwaterkruik uit omstreeks 1800 gerangschikt worden. Ook is veel rood- en witbakkend aardewerk aangetroffen. Daaronder een bord dat waarschijnlijk is vervaardigd in de plaats Oosterhout in Noord-Brabant omstreeks 1750. Bovendien zijn veel “grapen”naar boven gekomen. Dit type kookpot wordt bij opgravingen veel gevonden en werd gebruikt voor het verwarmen en bereiden van voedsel.

Spaarvarkentje
De vroegste vondst uit deze categorie dateert uit de periode 1625-1675, dus nog van vóór de aanleg van de beerput. Mogelijk is deze kookpot nog lang in gebruik geweest voordat hij tenslotte in het laatste kwart van de zeventiende eeuw in de beerput terecht kwam. Voorts zijn er enkele olielampen geborgen, een kandelaar, een pispot en een tweetal spaarpotten. Eén van de spaarpotten betrof een varkentje van witbakkend aardewerk.
Toen dit voorwerp tevoorschijn kwam, zat er nog enig kleingeld in. Helaas waren de munten onleesbaar en daardoor ondetermineerbaar geworden. Het tweede exemplaar was een haantje. Onder de vleugels heeft waarschijnlijk een fluitje gezeten, zodat men aldus naar zijn/haar geld kon fluiten! Een andere vondstcategorie betreft het porselein. Echter, het gaat hier niet om Chinees porselein, zoals gebruikelijk, maar om een Europese variant ervan. Porselein was namelijk vanaf het begin van de zeventiende eeuw erg populair in Europa. Men ging dus zoeken naar wegen om dit materiaal zelf te kunnen maken. Zo ontstonden er in Europa in de achttiende eeuw diverse productiecentra, zoals Meissen in Duitsland en Limoges in Frankrijk. Naast aardewerk is er ook glaswerk tevoorschijn gekomen en verder natuurlijk veel tabakspijpen, die door hun vorm en grootte altijd vrij goed te dateren zijn. De meeste pijpen(koppen) die zijn gevonden dateren uit omstreeks 1710 en 1780.

Conclusie
Uit de vondsten kan, volgens Dijkstra, niet geconcludeerd worden dat de bewoners van dit deel van het dorp bijzonder rijk waren, noch laat het een bijzondere beroepsachtergrond zien. Het geeft eerder een beeld van “een gemiddeld huishouden”. Hierbij waren ook kinderen betrokken. Daar lijkt althans de aanwezigheid van een tweetal spaarpotten op te duiden.

Grachtweg 1a met deur naar de tuin (2019). Foto Nico Groen

 

Algemeende begraafplaats

Uit de notulen van de gemeenteraad uit 1873 wordt verslag gedaan over de afspraken ten aanzien van de Algemene begraafplaats bij de Grote Kerk. De kerk stelt 120 m2 ter beschikking aan de gemeente Lisse. Ook wordt vrije toegang verleent tot de gemeenteklok. De kerk houdt het recht voor om bomen op het kerkhof te planten of te verwijderen.

door Arie in ’t Veld

Nieuwsblad Jaargang 4 nummer 3, juli 2005

Wijlen de heer J.P Segers heeft vele markante bijzonderheden uit de geschiedenis van Lisse voor het nageslacht bewaard. Onder meer groef hij in heel oude raadsnotulen, die, voorzover we weten, voor een deel niet meer in de archieven van de gemeente Lisse terug te vinden zijn. We tekenden uit zijn geschriften het volgende op:

22 september 1873.
P. Veen wordt op zijn verzoek ontslagen als hulponderwijzer. De hoofdonderwijzer verzoekt verandering van schooltijden gedurende de vacature en wel van 9-11 uur, van 11.30-1.20 uur en van 2-4 uur, zullen slechts de leerlingen van een lokaal gelijk worden toegelaten; wordt toegestaan.

Klok, orgel en brandspuit
De kerk-kwestie-commissie legt een concept over door haar en het kerkbestuur samengesteld. Het kerkbestuur stelt 120 meter grond ter beschikking van de gemeente als algemeende begraafplaats, ten westen van de toren, onder toezicht van het gemeentebestuur. Het kerkbestuur zal de afscheidingsmuren daar stellen. De gemeente moet hiervoor 20 gulden per jaar betalen en tevens zorgen voor een uitgang met hek naar de Achterweg, voor toegang tot de grond, alsmede voor de klokkenist en de brandspuit.
Het gemeentebestuur stelt beschikbaar voor gemeenschappelijk gebruik het door de gemeente opgerichte lijkenhuis. Het kerkbestuur stelt zijn kerkhof ten alle tijden open als begraafplaats op dezelfde wijze als dat tot heden heeft plaats gehad.

Vrije toegang
Het kerkbestuur verleent vrije toegang tot de gemeenteklok, terwijl wederkerig de gemeente vrije toegang verleent tot het orgel. Het kerkbestuur zal voortaan weer gebruik mogen maken van het luiden der klok voor hun Godsdienstoefeningen. Het kerkbestuur zal de beschikking hebben over ruimte beneden in de toren tot het opbergen van baren, planken enz. Het kerkbestuur verbindt zich voor een en ander f. 20,- per jaar te betalen. Het gemeentebestuur erkent het recht van het kerkbestuur op de bomen, verleent het recht van boomplanten om het kerkhof en wordt na gehouden ,,delibiratie” besloten deze overeenkomst goed te keuren en op te zenden aan Ged.. Staten.

Voordracht
8 october 1873.
Met algemene stemmen wordt benoemd tot hulponderwijzer uit een voordracht van 3 de heer W.Tysma van IJlst.

Copyright © 2005 Vereniging Oud Lisse

Jan van der Jagt (1705-1762). De zoon van de schoenmaker bracht het tot schout en secretaris van Lisse

De geschiedenis van Jan van der Jagt wordt beschreven. Hij ligt in de Grote Kerk in hetzelfde graf als Jacob van Dorp.

door R.J. Pex

Nieuwsblad Jaargang 3 nummer 3, juli 2004

 

In een voorgaand artikel in dit blad hebben we uitgebreid stilgestaan bij Jacob van Dorp, de sluwe schout-secretaris van Lisse. Een en ander naar aanleiding van de vondst van een fraaie grafzerk in de Grote Kerk. Volgens het opschrift op de zerk lag in het graf niet alleen Jacob van Dorp maar ook Jan van der Jagt, diens opvolger als schout en secretaris. Wat kan de reden daarvan geweest zijn? Waren de twee heren familie van elkaar? Of hadden ze op een andere manier een bijzondere band?
De geschiedenis van de familie Van der Jagt begint in 1695. In januari van dat jaar geven Cornelis van der Jagt uit Rijpwetering en Marytje Leenderts van Leeuwen uit Lisse elkaar het jawoord in de Lissese dorpskerk. Het echtpaar krijgt vier zonen, waaronder Jan, geboren in 1705.
Vader Cornelis verdient de kost voor zijn gezin als schoenmaker en leerlooier. Hij woont in 1742 aan de Heereweg nabij de Broekweg (tegenwoordig Kanaalstraat). Zijn zoon Leendert woont dan bij hem in met zijn vrouw en helpt zijn vader in het bedrijf. Hij was ongetwijfeld belangrijk in vaders’ ogen, omdat hij de oudste in het gezin was en dus zijn vader moest opvolgen in het schoenmakersbedrijf. Maarten, zijn andere zoon, was inmiddels het huis uit. Hij was gehuwd en in Warmond gaan wonen. Heel anders ging het met Jan, de op één na oudste.

Klerk
Aanvankelijk, zo blijkt uit de notariële archieven, was Jan klerk in dienst van schout Jacob van Dorp. Al op 14-jarige leeftijd treffen we hem aan op diens kantoor. Onder Van Dorp wordt hij in een aantal lucratieve baantjes geïntroduceerd. Zo blijkt hij in 1740, op de leeftijd van 35 jaar, schout te zijn van Voorhout. Al gauw woonde Jan bovendien in bij Van Dorp op zijn fraaie buiten Mossenhof, tegenover de dorpskerk. Jan had het ver geschopt en meer winstgevende ambten zouden nog volgen.

Schout en secretaris van Lisse en Hillegom, 1747
Op 3 oktober 1746 is Jacob van Dorp op de leeftijd van 83 jaar overleden. Evenwel, de een zijn dood is de ander zijn brood: Van der Jagt werd nu in de plaats van Van Dorp aangesteld tot schout en secretaris van zowel Lisse als Hillegom! Van deze gelegenheid werd door de schepenen van Lisse gebruik gemaakt om met de nieuwe schout-secretaris van Lisse een soort deal te sluiten. Voortaan zou in de dorpsrekening een aparte post worden vrijgemaakt van f.300,-, waarschijnlijk om de onkosten die de nieuwe schout en secretaris zou maken te dekken. Het was dus geen loon. Een vast loon of salaris genoot de schout of secretaris namelijk niet. Hij moest het ambt kopen van de ambachtsheer en door bepaalde voordeeltjes of gunsten die hij tijdens zijn ambtsverrichtingen genoot, voorzag hij in zijn inkomsten.
Zo viel de secretaris een vast bedrag per geschreven regel ten deel. (Vandaar dat Van Dorp had getracht zich met zoveel mogelijk zaken te bemoeien, want dat leverde hem meer schrijfwerk op!). Tegenover zo’n aanbod hoort natuurlijk ook een tegenprestatie. Voor wat, hoort wat! Met de schout werd overeengekomen dat hij een eventueel negatief saldo van de dorpsrekening uit zijn eigen beurs zou aanvullen! Tot aan zijn dood in 1762 heeft hij dit jaarlijks gedaan en zijn opvolger, Sennepart, zou dit gebruik voortzetten.

Het jaar 1747
Tijdens zijn loopbaan wordt schout Van der Jagt geconfronteerd met een aantal gebeurtenissen op zowel nationaal als internationaal niveau.
Sedert 1740 woedde er namelijk weer oorlog in Europa: de Oostenrijkse Successieoorlog. Het lukte de Republiek niet om in dit Europese conflict neutraal te blijven. En zo viel dan de koning van Frankrijk de Nederlanden binnen. In verband met de oorlog laten de Staten van Holland en West-Friesland een schrijven uitgaan waarin bepaald wordt dat er in elk dorp of stad “wekelijkse bedestonden” gehouden dienden te worden: een soort belasting, waarschijnlijk bedoeld om de oorlog te financieren. Jan van der Jagt heeft de brief “voor den volke” afgelezen en daarbij bepaald dat de eerste “bede” in Lisse op 17 mei 1747 zal zijn.
Wat er nog meer gebeurde in 1747: Willem Karel Hendrik Friso werd aangesteld tot stadhouder van Holland en West-Friesland. Reeds begaf hij zich naar Den Haag teneinde zijn nieuwe taken op zich te nemen. Mogelijk zou hij tijdens de reis ook Lisse aandoen! In zo’n geval, zo ordonneert schout Van der Jagt, zal de dorpsklok moeten worden geluid. “Gelasten verder Onse goede ingesetenen ende Burgerije ten voorszegde tijde een behoorlijke en regt gevoeglijke vreugde te bedrijven en zich te onthouden van buitensporigheden.”
Oktober 1747: wegens de “ongunstige loop van de tijden” (oorlog met Frankrijk) wordt bepaald dat er deze maand geen kermis zal worden gehouden.
Na de Vrede van Breda (in 1748) lag de stad Bergen op Zoom, waar door de Fransen was huisgehouden, er verlaten en geruïneerd bij. Schout Jan van der Jagt en de schepenen van Lisse hebben op 16 juni 1749 een collecte gehouden “door de gansche Jurisdictie van Lisse, van Huys tot Huys, tot opbouw van de kerk binnen de stad Bergen op Zoom (…) en tot het doen van uytreijkinge aan de door den Oorlog geruïneerde Ingesetenen”. Er is in totaal opgehaald 143 guldens en 16 stuivers “en drie gouden ducaten”.

Grondaankopen
Net als Van Dorp heeft Jan van der Jagt zijn geld geïnvesteerd in talloze obligaties en natuurlijk in grond. Dit gold als een goede investering, vooral in tijden van oorlog. Zo bezat Van der Jagt al gauw een tiental huizen in Lisse. Daaronder ook het buiten Mossenhof, waar hij samen met schout Jacob van Dorp had gewoond. Hij nam het er goed van: in een belastingkohier uit 1748 waarin de ingezetenen van Lisse worden aangeslagen op het verbruik van zout, zeep, turf, bier, vlees, etc. en het in bezit hebben van paard en rijtuig, wordt bij Jan van der Jagt ook een (relatief hoge) post genoteerd van 22 gulden voor het hebben van één of meerdere rijtuigen. Natuurlijk gebruikt hij ook “koffy en Thee” en bovendien wijn. Wijn was bij uitstek een luxe artikel, dat slechts in gebruik was bij de welgestelde burgerij. De meeste mensen dronken bier. Ook ter plaatse van de latere Woelige Stal aan de Grachtweg bezat Van der Jagt een huis en zo ook aan de Broekweg. Verder diverse percelen in de Lisserpoelpolder, de Lisserbroek, een huis met erf in De Engel, etc… Van der Jagt pakte het dus net zo aan als menig ander tijdgenoot gedaan zou hebben: veel grond en obligaties kopen en daar respectievelijk huur en rente van trekken.

De dichter in Jan van der Jagt, 1757
Iedere dag was Van der Jagt druk in de weer. Als schout en secretaris van Hillegom verveelde hij zich niet. Zo moest hij in laatstgenoemde hoedanigheid ook de belasting op het trouwen ontvangen. Op 14 januari 1757 is Huyg Tijsz Moraal gehuwd met Kaatje Blankert. Ze worden beiden ingeschreven in het gaarderregister. Jan van der Jagt voegt eraan toe: “Een jong paar, Ider maar 70 jaar!”. Een week later gaan Gideon Buytendijk en Jannetje Mes in ondertrouw. Nu komt de dichter in Jan van der Jagt in actie:
“Dit jaar begint met klugtig paaren,
Een oude voogd van sestig jaaren
Trouwt zijn pupil, is dat geen klugt?
Nog minderjarig en bevrugt
Getrouwd en na den eersten nagt
Heeft zij twee kinders groot gebragt
Geen neegen maanden zijn verloopen
Als deze vrouw nog ’t oog had oopen”.
Het wordt 1759. Een onplezierige tijding bereikt Van der Jagt: zijn vader is overleden. Hij werd begraven in de dorpskerk in grafnummer 71. De klok heeft nog twee uur voor hem geluid. Deze twee zaken geven aan dat Van der Jagt, evenals zoon Jan, waarschijnlijk al een behoorlijke welstand had bereikt. En dat terwijl hij toch als een eenvoudige schoenmaker begonnen was!

Overlijden en nalatenschap
Op 31 december 1762 luidde opnieuw de doodsklok in Lisse, deze keer voor Jan van der Jagt zelf. Zo had onze schout zijn vader dus maar zo’n drie jaar overleefd. Hij stierf op de leeftijd van 57 jaar.
Net als Jacob van Dorp liet ook Van der Jagt een indrukwekkende erfenis na. En net als destijds na het overlijden van Van Dorp werd ook de nalatenschap van Van der Jagt geregeld door niemand minder dan Jacob Krighout, professor in de theologie aan het Remonstrantse seminarium te Amsterdam! Zelf was hij een neef geweest van Van Dorp en het lag dus voor de hand dat hij zich vanuit die hoedanigheid bemoeide met de erfenis van zijn oom. Uit geen enkele bron blijkt echter dat schout Van der Jagt familiebanden onderhield met Krighout. Of was Van der Jagt in de loop van de jaren zozeer bevriend geraakt met Jacob van Dorp dat hij langzamerhand als lid van de familie werd beschouwd? Inderdaad werd hij in hetzelfde graf als Van Dorp bijgezet .

Invloedrijk
Jacob van Dorp en Jan van der Jagt: namen die natuurlijk niemand zich meer zal herinneren. In hun tijd echter moeten ze een behoorlijke invloed op het dorpsgebeuren hebben gehad. Dat blijkt wel uit de vele stukken die ze hebben nagelaten. Vanwege dit laatste hebben ze – en dan vooral Jacob van Dorp – een heel eigen en persoonlijk stempel gedrukt op de Lissese archieven.
Bronnen: Nationaal Archief (NA), Rechterlijke Archieven Lisse; NA, Notariële Archieven Lisse en Voorhout; Gemeentearchief Lisse, inv.nr. 4, 225, 233

* Uit het gaarderboek van de begrafenisrechten te Lisse: “Den 7 Januarij 1763 is in de Kerk tot Lisse begraven D.Hr Jan Van der Jagt Schout & Secretaris van Lisse & Hillegom”. En dan volgt een specificatie van de kosten, zoals daar zijn: ‘Voor ’t beste kleed’, ‘Voor ’t inzetten Van de overledene in de graffkelder’, Voor het gebruik van de baar’ tot aan ‘voor ’t schrijven en afleesen van den Afroeptekst’

Jan van der Jagt en Jacob van Dorp liggen in één graf in de Grote Kerk