Berichten

Gedicht voor 25 jaar VOL

De dorpsdichter Willem Ruigrok heeft een gedicht over de VOL gemaakt naar aanleiding van het 25-jarig bestaan. Het hele gedicht wordt weergegeven.

Nieuwsflits

Jaargang 15 nummer 2, april 2016

Gedicht van Willem Ruigrok voor 25 jarige VOL

 

 

Tulpen eten in de Tweede Wereldoorlog

Heeft u een verhaal over de Tweede Wererlog, meldt het aan aan de VOL.

Frans van der Veld

Nieuwsblad Jaargang 15 nummer 1, januari 2016

Wereldoorlog uit noodzaak tulpenbollen gegeten. De kleur maakte daarbij niet veel verschil als ze de honger maar stilden. Frans en Truus van der Veld maken een herinneringsreliëf in brons, voor aan een nog te bepalen muur ergens in de Bollenstreek. Daarbij willen ze een boekje samenstellen, met verhalen van mensen die bloembollen gegeten hebben om te overleven: was er echt niets anders meer, hoe smaakte het, hoe werden ze klaargemaakt? Veel mensen hebben in feite veel ‘rood, wit of oranje’ gegeten, en die verhalen vormen een document voor het nageslacht. Die moeten niet verloren gaan, maar de ooggetuigen worden ouder, dus het is nu de hoogste tijd die belevenissen vast te leggen. Heeft u een verhaal en wilt u dit delen, neem dan contact op met fransvdveld@gmail.com of 06-20964222 of 06-22275275.
Maar u kunt het ook in de brievenbus van de Vergulde Zwaan in de Havendwarsstraat doen of contact opnemen met de Vereniging Oud
Lisse. En heeft u een verhaal maar weet u niet hoe u het moet opschrijven, dan willen wij u daar graag bij helpen.

Het ontwerp, hier nog in was, wordt nog uitgewerkt in brons

Café spoorzicht Halfweg, Lisse

Cafe Soorzicht lag aan de noordkant van de Stationsweg. De schrijfster heeft hier gewoond en beschrijft haar belevenissen. Het cafe werd in 1972 gesloopt.

Elisabeth Kaptein 

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 4, oktober 2015

Inleiding
In 2007 bestond de Haarlemmer Trekvaart 350 jaar. Dat werd gevierd met allerlei evenementen en publicaties. Ook in ons Nieuwsblad verschenen enkele artikelen, die op onze website (www.oudlisse.nl) terug te vinden zijn. Over de geschiedenis van de trekvaart en de plaatsen die hierbij betrokken waren is veel terug te vinden op www.historieleidsevaart.nl Al veel eerder, nl. al in 1973, legde mevr. Lengers-Kaptein haar herinneringen vast. Zij maakte een borduurwerk van haar ouderlijk huis, café Spoorzicht, in Halfweg. Via de contacten uit de tijd van de Trekvaart kregen we haar verhaal. Een postuum dank voor haar gedachtenissen.

Het volgende overzicht is opgetekend in De Zilk, 28 februari 1973 – 30 april 1973

Dit huis wat ik in kruissteken heb uitgebeeld is de oude uitspanning van de trekschuiten, die van Haarlem naar Leiden voeren en andersom. Halfweg deze vaart werden de paarden verwisseld en met uitgeruste paarden voer men dan weer verder. Het is in 1972 gesloopt. Het is mijn
geboortehuis. Als 7e kind van Jan Kaptein en Betje Rusman ben ik hier geboren. Ons gezin bestond uit acht dochters en vijf zoons, ik wil ze vanaf de oudste noemen:Rika, Henk, Dora, Marie, Dirk, Frans, dan kom ik. Mijn doopnaam was,  Elizabeth Maria, maar ze noemden mij Mien, daar moeder niet de hele dag haar eigen naam wilde horen noemen (dit in geval ze in de archieven gaan zoeken, want daar vindt je geen Mien), dan komt Corrie, Ans, Lies, Nel, Leen, Piet. Toen mijn ouders hier kwamen wonen hadden ze reeds vier kinderen. Op het moment dat ik dit neerschrijf is het maart 1973. Mijn vader zal in april a.s. 95 jaar worden. Ik wilde graag van hem weten van wie hij dit huis gekocht had, dat moet in het jaar 1909 geweest zijn. Maar zijn geest is al verward daarom kon hij zich niet veel meer herinneren. Hij vertelde dat hij fl.100,00 gekregen had van opa Rusman om het over te nemen, met de boodschap erbij, Jan, als je het niet betalen kan ‘laat het lopen’ want het is een oude rommel. Maar pa jong en geestdriftig als hij was wou vrij zijn en voor zichzelf beginnen. Maar dat op een gegeven moment de hele dakgoot naar beneden kwam (er moet een monumentale goot aangezeten hebben) kon hem niet ontmoedigen.

Tuindersvereniging ‘De Eendracht’
Gebouw links café Spoorzicht

Er lagen in die tijd een paar arken voor de wal, een scharensliep en een negotieman met garen en band. Die wisten in Haarlem wel iemand die het lood wilde kopen dat uit de goot kwam. Pa heeft een schuit gehuurd, het lood erin geladen en naar Haarlem gesleept. Daar aangekomen begonnen die kerels gelijk de schuit te lossen. Maar pa die zijn hele handel naar de knoppen zag gaan, gaf een schreeuw en riep ‘als er een met zijn knuisten aan het lood komt sla ik hem de hersens in’. De kerels die wel degelijk respect voor pa hadden lieten het toen maar aan hem over. En van het geld voor dat lood, kon een hele nieuwe goot om het huis aangebracht worden. Vader die hier de ruimte had wilde van alles proberen, hij kocht een paar koeien en paarden en werd vrachtrijder. Ook wilde hij bollen gaan telen, en bouwde een bollenschuur. Toen kwam de 1e Wereld Oorlog. De bollenschuur werd veilinggebouw. De tuinders vereniging ‘De Eendracht’ werd opgericht. Gerrit Schilder was een jongen die Mulo had, dus die moest maar voorzitter worden. De klok, het afmijn toestel, werd bij Louwie van Hoorn in Utrecht gekocht en de zaak begon te draaien. Pa had druk werk met het vervoer van de bonen naar het station en elders. Er gingen toen veel bonen naar Duitsland en België. Het was tijdens het laden van de bonen dat het paard op hol sloeg, vader onder de wagen en werd gekneusd binnen gedragen, ik zal toen ± vier jaar geweest zijn. Maar vader herstelde weer spoedig en het leven ging verder. Ik herinner me ook nog goed dat toen de eerste tomaten aan de veiling kwamen (niemand had ze ooit gezien). Iedereen dacht dat het lekkere appels waren, maar na de eerste hap werd het ding zover ze konden weggesmeten. De veiling lag bezaaid met tomaten met een hap eraf, of ze nog verkocht zijn weet ik niet. Dat in zo’n gezin als het onze kattenkwaad voorkwam kan niet uitblijven. Dirk en Frans deden tijdens de veiling of ze vreselijke ruzie hadden, ze vochten dat de stukken eraf vlogen tot op het randje van de vaart, het kon niet uitblijven ze plonsden beiden in het water. Iedereen schoot toe om de belhamels uit elkaar en op het droge te halen, maar de jongens zwommen naar de overkant en stonden daar het hele zaakje uit te lachen. Ik heb ook in de vaart gelegen, ik was aan het luiers spoelen op de stoep, maar zat meer  te spelen als te werken en viel erin. Ant. v.d. Aard uit Lisse heeft mij eruit gehaald. ‘s Middags kwam hij kijken hoe ik het maakte en bracht grote peren voor mij mee. Ik had er niets van, hoewel ik er toch een heel poosje in gelegen moet hebben. Het was bij ons een spreekwoordelijk gezegde: je was geen goede Halfwegger als je niet in de vaart gelegen had. De vaart heeft in ons leven een grote rol gespeeld. Als het gevroren had was onze eerste blik ‘s morgens naar buiten en als dan de vaart dicht lag ging er een oorverdovend gehuil op en zingend kwamen we naar beneden ‘de vaart ligt dicht, de vaart ligt dicht’. En na een paar nachten flink vriezen, dan kwamen de koek en zopie’s van tante Marij van Tol en Doris de Klerk. Er werd een noodbrug gemaakt onder de brug als dat nodig was en al spoedig kwamen de doortrekkers voorbij van Haarlem naar Leiden. De meeste doortrekkers gingen terug met de trein, want tegen de noordenwind optornen viel niet mee, hoewel het wel gedaan werd. Mijn broer Henk is nog eens op de schaatsen naar Leiden geweest toen we hoorden dat het stadhuis in brand stond. Hij kwam terug met de ijspieken aan zijn haar en ogen. Hij zal de rit nooit vergeten. Over dat ijs zou ik wel een heel boek kunnen schrijven, want wij waren allen goede schaatsers. Als er in die tijd wedstrijden zouden zijn geweest, hadden onze jongens en ook de meisjes wel prijzen in de wacht gesleept. Maar die waren er toen nog niet, mijn jongste broer Piet was de eerste die met een prijs naar huis kwam, die mocht in De Zilk meedoen. Hij zat nog op de bewaarschool en moest tegen de 1e, 2e en 3e klas, dat was voor hem geen bezwaar, hij won glorieus. Als er later in De Zilk wedstrijden gehouden werden voor groten, vroegen ze eerst of Piet Kaptein meedeed, dan tekende niemand in. Zo werd hem verboden mee te doen, hoewel wij toch ook tot die parochie hoorden. Ook zijn er wel ongelukken gebeurd. Zo zijn er bij de molen van de Zilkerpolder eens twee broeders die uit Haarlem kwamen door het ijs gegaan. En alles kwam naar de herberg van Kaptein, daar werden ze voorzien van droge kleren enz. enz. Ook zijn er eens twee meisje verdronken van Bruinen en Vermeulen die mijn vader met paard en wagen naar Lisse moest rijden. Indie tijd had men nog geen lijkwagen of ze konden het niet betalen. Zo moest pa als er op Halfweg gestorven was het lijk met de brik naar Lisse rijden. Later toen de kerk in De Zilk gebouwd is, was er wel een lijkwagen. Als er op Halfweg een baby moest komen kwamen ze moe altijd halen. Als het in de nacht gebeurde moest pa ook vaak de dokter uit Lisse halen. Overdag belde men, en de eerste vraag van de dokter was altijd ‘is vrouw Kaptein erbij, dan is het goed dan kom ik niet te vroeg’. Toen moe in het ziekenhuis lag 72 jaar oud, en haar een borst is afgezet, was de jonge dokter Haase al lang in functie. Maar de oude dokter kwam haar bezoeken, hij zei ‘ik kan mijn hulp van zoveel jaren toch niet in de steek laten’. Moe is niet meer beter geworden. Maar toen woonden we allang in een nieuw huis dat pa naast het oude aan de Delfweg had laten bouwen. Het café werd verkocht aan Rinus Eigenbrood. Die zag echter niet veel heil in het café, dat ook niet veel opbracht, daar het spoorwegstation opgeheven was. Hij verkocht de vergunning en verhuurde een gedeelte van het huis aan de gepensioneerde boswachter Wesseling. Eigenbrood emigreerde naar Canada en liet het café achter aan zijn knecht Zijlstra. Deze had er geen brood, dus begon hij gaande weg meer stukken van het huis te verhuren, zelfs op de zolder van de herberg woonde een nozem, die van planken een deur in het dak gemaakt had en zo van buiten af over het vroegere kantoortje van het veilinggebouw in zijn woonruimte kon komen. De veiling heeft nog tot enkele jaren na de oorlog gedraaid, maar toen kwam de klad erin. Piet Gijs in Noordwijkerhout waar te zelfder tijd een veiling was opgericht maakte dezelfde crisis door. Er werd overeengekomen dat men samen zou gaan doen. ‘De Eendracht’ was sterker maar ‘Piet Gijs’ lag gunstiger, zo vertrok de veiling ‘De Eendracht’ met zijn bestuur naar Noordwijkerhout. Toen dat station ook opgeheven werd was het met de groenteveiling gedaan.

Maar nu weer terug naar het oude huis, dat inmiddels wel door zes gezinnen bewoond werd. De bank was allang eigenaar van de hele boel, die het aan de gemeente heeft overgedaan. Het werd gesloopt en de wegen en de brug werden verbeterd. Wij kunnen nu zelfs de plaats niet meer terugvinden waar ons zo dierbaar ouderhuis heeft gestaan. Ik kreeg de foto in mijn handen en besloot er een tekening van te maken. Ik heb het in kruissteekmotief omgezet en hier is ons huis weer zoals ik het nog gekend heb. Mijn vader heeft er door de tijd wel een en ander aan veranderd, zo zijn de deuren vande paardenstal vergroot om er een vrachtwagen in te zetten en de voorgevel werd vernieuwd, maar dit is het originele huis zo ik het gekend heb. Mijn broers en zusters verklaarden eenstemmig dat het niet beter gekund had.

Cafe Spoorzicht

Stations koffiehuis aan de Leidsche Vaart

Schilderijen van Piet Horsman

De zoon van Piet Horsman, die in 1976 overleed wil graag meer gegevens over de schilderijen van zijn vader. Koprs en schilderijen worden genoemd.

Nieuwflits

Nieuwsblad Jaargang 14 nummer 2, april 2015

Poelmolen door Horsman in 1976

Schilderij van de grote Poelmolen van Piet Horsman. Het is in 1976 geschilderd, waarschijnlijk gemaakt van veel eerder gemaakte schetsen. Het was zijn laatste schilderij. Piet was toen al ziek. Hij werd maar 59 jaar. Hoe vaak zou deze molen al vereeuwigd zijn?
In de serie rond Poelpolder 50 jaar hier een fraai geschilderd voorbeeld.

De zoon van Piet Horsman, Mouring, is bezig een inventarisatie te maken van de schilderijen van zijn vader. Er is wel wat bekend, maar mogelijk weten de lezers van het Nieuwsblad aanvullende gegevens te verschaffen. We geven hieronder een overzichtje van wat er uit de 50-er en 60-er jaren bekend is. Lang geleden dus, maar laat ons weten of u hier iets bij kunt aanvullen.

 

Raadselen rond ABRAHAM RADEMAKER

Een overzicht van de familie van Abraham Rademaker wordt weergegeven

door Deen Boogerd

NIEUWSBLAD Jaargang 13 nummer 4, oktober 2014

voetnoot: Prof. dr. W. T.M. Frijhojfsch over dit feil in “de paniek van 1734”

De vorige keer sloot ik af met, ‘wordt vervolgd’ want er zijn nog wel wat raadselen op te lossen rond Rademaker. Hier een deel uit de memoires waarin Jan van Gooi over Rademakers laat­ste jaren schrijft. De S int-Jansnacht is de Midzomernacht van 23 op 24 juni, in 1734 was dat de nacht van woensdag op donderdag. Het jaar erna op 22 januari sterft Abraham als gevolg van de beschreven toetakeling. Hij was toen 57 jaar en 5 maanden oud, geen 60 zoals J. van Gooi hier schrijft. Hij schreef ook dat zijn vrouw zeer bedroefd en kinderloos achter bleef. Hier blijkt datje nooit iets klakkeloos moet overnemen, natuurlijk was zijn vrouw wel bedroefd maar het kon wel eens behoorlijk druk zijn geweest bij de begrafenis van Abra­ham. Zijn broer Josias had al zeven kinderen, waarvan de jongste Alletta Josia al bijna 9 jaar was. Zus Sara had in 1706 een zoon, Steijntje. Nog een zus van Abraham was Anna, zij was te Amsterdam geboren in 1686. Hieruit weten we dus ook dat het gezin tussen de doop van Josias en Anna naar Amsterdam is vertrokken. Abraham was bijna 10 jaar toen zus Anna ge­boren werd. Opa Theodorus is niet meer, zijn weduwe Sara Goosens en haar nieuwe man Johan van Geelkercken zijn de doopgetuigen.

Oma Sara en Johan krijgen nog 6 kinderen, Abraham had dus ooms en tan­tes die jonger waren dan hijzelf. Maria zijn vrouw, was het zevende kind uit een gezin van wel twaalf kinderen. Dit alles om aan te geven dat Abraham een flinke familie had. Niet dat ze allemaal bij zijn begrafenis aanwezig wa­ren, maar zijn Maria bleef alleen al daarom niet eenzaam en alleen achter. Van een kind dat te vroeg gestorven zou zijn, zijn we niets tegen gekomen. Wel!! (met de hulp van Jan van der Linden) twee dochters van Abraham en zijn Maria, die beiden tijdens Abrahams sterven toch echt springlevend waren.

Maria Anna is gedoopt op 13-05-1707, Ned, Herv. in de Oudekerk te Am­sterdam, doop getuigen waren opa Frederick Rademaker en oma Anna Lüijters. DTB 16, p.6S(folio 32), nr.3

Margaretha is gedoopt op 09-10-1709, Ned. Herv. in de Amstelkerk te Amsterdam,ook hier was opa Frederick weer doopgetuige samen met de moeder van Maria, Margaretha van Brugge. DTB 122, p.26S(folio 133), nr.3 beide uit het archief van de burgelijkestand van A’dam.

Uit alle kerkelijke huwelijken, begrafenissen en doopgegevens uit de familie van Abraham kunnen we de uitspraak van Jan van Gooi over de eigenzinnigheid van Abrahams geloofsbeleving met een korreltje zout nemen. Logisch zou zijn dat Abraham wel belijdenis van zijn geloof heeft gedaan, dat hoort immers zo als je zelf je kinderen laat dopen. Vader Frederick was heel wat keren getuige van de doop van zijn kleinkinderen. Dat was niet het geval bij Abraham. Zijn dochters trouwden op nogal late leeftijd, zeer ruim over de veertig. Maria Anna huwt op 01-03-1754 met Egedius Laurens Tollens, zij houden twee dochters ten doop, te weten Goline Maria en Sara Margaretha. Van dochter Margaretha weten we dat ze is getrouwd met Jan Bongers. Of zij kinderen hebben gehad is niet duidelijk. ‘Anna de Leuter’ zo stond de naam van Abrahams moeder vermeld in het Lissese doopregister. In alle andere gegevens komen we haar tegen als Anna of Annetie Lüijters, wat toch wel wat deftiger aan doet. Vorige onderzoekers liepen waarschijnlijk vast op de grote verschillen in naamgeving, bv. van Rademaker kom ik wel vijf schrijfwijzes tegen.

Er is nog een raadsel om op te lossen en wel waarom is Abraham voor bijna geen geld begraven in de weeskerk te Haarlem. Hij was niet onbemiddeld en normaal gesproken zou het Lucasgilde voor de kosten moeten opdraaien.

Voor een legerstee in de zuidertrans van de Nieuwekerk betaalde men voor ene Anna Schrijver ƒ[4,- en voor een opening (graf) in de Weeskerk staat achter Abrahams naam No40 een 0. Helemaal voor niets was het trouwens ook niet want er moestƒ3,- betaald worden aan zgn. “gaarderskosten”, een belasting op lijkbezorging.

Ook hier grote verschillen! Zo lees ik dat wanneer je niet armlastig was moest je die ƒ3,- betalen. Dus met het vorige gegeven vergeleken is dit ook best vreemd te noemen. Inmiddels weten we dat Abraham best wel goede zaken deed en een graf goed betaald kon worden uit zijn nalatenschap. Een logische verklaring is misschien dat Abraham in zijn laatste dagen werd verpleegd in dit Heilige Geest Huis en daarom uiteindelijk ook begraven werd in de daarbij behorende Weeskerk. Overigens heel vreemd is ook dat de plek in de Weeskerk niet de laatste rustplaats was van Abraham Rademaker. In 1768 moest het Heilige Geest Huis en de daaraan verbonden Weeskerk plaats maken voor de bouw van wat nu het “Hofje van Oorschot” wordt genoemd. De stoffelijke resten en grafstenen zijn toen overgebracht naar de Janskerk iets verderop. Er zouden daar nu nog grafstenen uit die tijd te zien zijn.

Rademakers werk bevat ook nog raadsels, zo kom je een geweldig kasteel tegen met de titel Dever bij Lisse. Andere catalogussen geven aan dat dit grote slot bij Gouda te vinden is geweest. Dat laatste is wel iets geloofwaardiger. Ook van zijn hand, zijn de volgende, Ruin van ’t Oude Huis Devere met er onder ’t Nieuwe Huis Devere. Hier wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen een ouder en een jonger Dever. Zou de bovenste ets weer zo een voorstelling van een tekening zijn die ook voor Rademaker al lang vervlogen tijden weergeeft? Heeft dat half ingestorte gebouw deel uitgemaakt van een Dever als op de volgende pagina? Hetachthoekige fundament wat lang geleden bij dijkwerken zichtbaar werd was dat ook oud Dever? In 1182 moet hier al een “Hüys” zijn geweest want de bruiloft van Diederick van Kleef met Margaretha van Holland hebben ze echt niet in een afgelegen boerenhoeve gevierd maar natuurlijk in en om een behoorlijk edel onderkomen, een slot, burcht of kasteel. Melis Stoke bericht ons hier over in zijn historische rijmkroniek.

Melis Stoke in zijn historische rijmkroniek.

 

 

 

 

 

 

 

Regel 5 vertaald “met groter feesten met hoghen daden”, dat hoghen daden zou je als tournooien moeten uitleggen. Ook in de Schatkamer Der Nederlandse Oudheden wordt melding gemaakt van vroege edelen van Lis, in 1285 Jonkheer Gerard van Lis en in 1321 Jan van Lisse. Met deze gegevens in samenhang met het verhaal van het achthoekig fundament kijken we naar de volgende prent van Rademaker vooral naar de toren.

Het onderschrift luidt, ’t Oude huis in Rijnland niet ver van Lis en de titel ’t Huis Dever. In zo’n Hüijs kun je best een aardig feestje bouwen. Dit ta­fereel is niet uniek, het werd ook door Jacobus Stellingwerf getekend. Hij noemt het ’t huis Dever bij Lisse en bij een tweede ’t oude hüijs te Dever

(zie pag. 2). We kunnen dus stellen dat dit niet zomaar een vrije vormge­ving is van de heren kustenaars. Er was blijkbaar wel degelijk kennis aan­gaande een nog ouder Dever. Zal dat achthoekige fundament nog eens per ongeluk opgedoken worden bij een dijkvernieuwing? Ach….en misschien blijft het wel één van Rademakers raadsels.

bronnen: De nieuwe Schouburg der Nederlantsche Kunstschilders en Schilderessen, door J. van Gooi. Trouw Doop Begraafboeken van Haarlem en Amsterdam. Melis Stoke “Rijmkroniek van Holland” Jan Huygens instituut. Wetenswaardigheden uit “Kasteeltekeningen van Abraham Rademaker” van W. Beelaerts van Blokland en C.Dumas. Afbeeldingen/publicaties uit Archief Historische Vereniging Oud Lisse.

 

Dankzij schilderes Anneloes Groot: ORANJEBUURT BEWAARD IN AQUAREL

In het kantoor van woningbouwvereniging Trias hangen 5 aquarellen van Anneloes Groot, gemaakt tijdens de sloopt van de huizen in de Julianastraat en de Irenestraat.

 door Smakman, S.

NIEUWSBLAD Jaargang 3 nummer 1, januari 2004

Hoewel de Oranjebuurt in een adembenemend tempo aan een volledige gedaanteverandering bezig is, zal de berinnering aan de karakteristieke arbeidersbuurt niet verloren gaan. In het kantoor van woningbouwver­eniging Trias aan de Nassaustraat hangen vijf aquarellen waarop de Haagse kunstenares Anneloes Groot de Julianastraat en de Irenestraat tijdens de sloop heeft vereeuwigd.

De klus was aan de kunstenares wel besteed: voor het gemeente-archiefvan Den Haag heeft ze al veel aquarellen en schetsen gemaakt van huizen die verdwijnen, van nieuwe tramtunnels en overheidsgebouwen. Ze heeft een passie voor dingen die verdwijnen en dingen die daarvoor in de plaats komen. Zo is ze nu bezig met de Visafslag in Scheveningen, die overbodig is geworden omdat het visserschip van tegenwoordig vaak een complete fabriek herbergt.

De Haagse is een schilderes van de oude stempel, zegt ze: „Ik ben een van de weinige kunstenaars buitenschilders in Nederland. Ik kan niet van een fotootje schilderen. Ik moet in mijn omgeving zitten, mezelf betrokken voe­len. Een worden met watje maakt. Ik schilder het liefst vanuit de dakgoot.”

Prachtige huisjes

Van de Oranjebuurt was ze erg gecharmeerd. „Het is een echte wijk voor bollenarbeiders: eengezinswoning, klein tuintje. Ik ben altijd heel erg betrokken bij dit soort sociale woonwijken. Prachtige oude huisjes uit de jaren twintig van de vorige eeuw.” Bovendien spreekt het idee haar aan: sociale woningbouw maakt mensen minder afhankelijk van huisbazen en subsidies omdat de huren betaalbaar zijn. Maar nu de oude huizen verdwij­nen is ze bang dat de bewoners afhankelijk worden gemaakt van huursubsi­dies. „Mensen werken hard om vrij te blijven, maar nieuwe woningen wor­den altijd groter en duurder. Dat maakt ze afhankelijk van subsidies. Heel het land drijft erop.”

 

Irenestraat in een aquarel van Anneloes Groot bewaard.

 

Koningstraat door Anneloes Groot

Gele Naatje

NIEUWSBLAD Jaargang 2 nummer 4, oktober 2003

Post

En dan nog wat. Gele Naatje was geen vrouw van lichte zeden. Foei! Ze was netjes getrouwd met Piet van der Meer. Een heel apart stel samen. Ze was heel klein en heel breed en had hele grote voeten en haar huidskleur was heel erg geel. En ze droeg altijd geelgrauwe kleren. Ze kon ook niet lezen. Vanmorgen ben ik in de buurt nog even op onderzoek geweest. Haar man werd ziek en ze brachten hem naar de Pius. Toen ze hem waste was hij ’s avonds dood. Gingen ze met haar naar hem kijken in de opbaarruimte. Vroeg ze: Wat staat daar? Er stond: Heden ik morgen gij. O bah, zei ze, hier moet ik niet wezen. En ze liep weg!
Lisse, mevr. J. Slottje-Kooijman

De Kegelaars van Jan Steen

NIEUWSBLAD Jaargang 1 nummer 1, januari 2002

Nieuwsflits

Met een drukbezochte receptie en tentoonstelling vierden we op 6 september 2001 het tienjarig bestaan van de Vereniging. Burgemeester Corrie van Zon aanvaardde dankbaar de door ons aan­geboden fotoreproductie van het schilderij “De Kegelaars” van Jan Steen. Nadat de reproductie een tijdje in de hal van het gemeentehuis op een ezel tentoon was gesteld, is het teruggekeerd naar de kamer van de burgemeester.

De Kegelaars van Jan Steen