Berichten

Pareltje: over ‘Spranken uit het leven van Cornelis Kruseman’

Cornelis Kruseman, de Rafaël van het Noorden, was een zeer befaamd schilder. Hij woonde en werkte in Lisse op het mooie Rosendaal aan de Heereweg. Koningen en andere hooggeplaatsten behoorden tot zijn klantenkring.

Ria Grimbergen

Nieuwsblad 24 nummer 2 2025

De rouwadvertentie van Krusemans weduwe in de Opregte Haarlemsche Courant laat goed zien dat Krusemans voorliefde uitging naar historische onderwerpen. Henriette, haar zus Anna Maria en schoonzus Geertruida vertrekken na Krusemans overlijden naar Den Haag.

In de ochtend van 14 november 1857 staan de 29-jarige Johannes Diederick Kruseman, zonder beroep, en de 46-jarige arts Thomas Nieuwenhuisen bij de secretarie van de burgerlijke stand in Lisse, waar burgemeester J.C. van Rosse ook als ambtenaar fungeert. Zij geven bij hem het overlijden aan van kunstschilder Cornelis Kruseman, die om drie uur die nacht is overleden. De aangifte heeft een Haags tintje. Cornelis Kruseman woonde en werkte jarenlang in Den Haag, zijn neef Johannes Diederick woont er nog en Thomas Nieuwenhuisen is geboren in de Hofstad.

Een kunstenaarsfamilie
De overledene komt uit een zeer kunstzinnige familie, die in de negentiende eeuw alleen al zes kunstschilders telde. Cornelis en zijn achterneef Jan Adam Kruseman zijn daarvan de belangrijksten en beiden gevierde kunstenaars.

Zijn oomzegger Johannes Diederick, de man die de aangifte doet, is een zeer verdienstelijk amateurschilder en steenrijk.  Zijn vader heeft een suikerfabriek in de Oost, het huidige Indonesië. Hij hoeft niet te werken voor de kost en hanteert de verfkwast voor zijn genoegen. Hij is vooral bekend geworden door zijn stadsgezichten. In 1846-1847 voegt hij zich bij Cornelis Kruseman en diens vrouw Henriette tijdens hun laatste Italiaanse kunstreis en hij zal zich later bezighouden met het inventariseren van het omvangrijke schildersoeuvre van zijn oom.

Rafaël van het Noorden
Cornelis, Kees in het dagelijks leven, wordt geboren in het gezin van een Amsterdamse apotheker op 25 september 1797. Het schoolleven kan hem niet bekoren. Hij is pas 14 jaar oud als hij lessen volgt aan de Amsterdamse Stadstekenacademie en al snel bekroont men zijn werk met prijzen en medailles. Koning Willem I koopt in 1819 van de tweeëntwintigjarige een ‘kaarslichtschilderij’ van een oude blinde man en een jong meisje, een cadeau voor zijn vrouw Wilhelmina. Een populair genre in de negentiende eeuw, maar Kruseman wijst opdrachten voor meer ‘kaarslichten’ af. Hij is ambitieus en wil zich bekwamen in historiestukken. Hij verlaat Amsterdam en reist in1821 naar Italië, waar hij in Rome de Italiaanse kunst bestudeert. Zijn afbeeldingen van het Italiaanse landleven bezorgen hem later de bijnamen de Italiaanse Kruseman en Rafaël van het Noorden. Hij heeft een neus voor zelfpromotie. Hij organiseert een solotentoonstelling van zijn Italiaanse schilderijen en stuurt ze daarnaast op naar openbare kunsttentoonstellingen. Het dagboek dat hij tijdens zijn Italiaanse reis bijhield, publiceert hij in 1826.(1

Gevierd portretschilder
Weer terug in Nederland vestigt hij zich in 1825 als portretschilder in Amsterdam, maar hij krijgt weinig opdrachten.

Overwinning in de slag bij Bautersem in 1831, lithografie van Adolf Carel Nunnink naar het schilderij van Cornelis Kruseman. Rijksmuseum Amsterdam.

Nog in hetzelfde jaar besluit hij zich in Den Haag te vestigen. Een gouden greep: ambtenaren, officieren en diplomaten laten zich graag portretteren. In zestien jaar tijd schildert hij honderdtien portretten en portretgroepen en hij kan daar ruim van leven. Voor extra inkomsten zorgen de vele leerlingen die hij opleidt. Toch ligt zijn hart bij grote historiestukken, die financieel ook nog eens heel lonend kunnen zijn. Maar daarvoor heeft hij wel een opdrachtgever nodig. De materiaalkosten van de enorme doeken zijn hoog en het vergt veel tijd ze te schilderen. Koning Willem I verleent hem toestemming een ‘Graflegging van Christus’ te schilderen voor een bedrag van 3500 gulden, inclusief de lijst. Het kost Kruseman drie jaar het doek te voltooien. Hij wordt hiervoor in 1831 koninklijk onderscheiden als Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Het Haagse stadsbestuur geeft hem vervolgens de opdracht de monarch ten voeten uit te portretteren.

De slag bij Bautersem
In 1831 vechten Nederlandse troepen tijdens de Tiendaagse Veldtocht tegen de opstandige Belgen bij de slag bij Bautersem. Tijdens de slag treft een kanonskogel het paard van de prins van Oranje, maar de dappere kroonprins zet de strijd voort op een ander strijdros.

Overwinning in de slag bij Bautersem in 1831. Kroonprins Willem, in het midden, wisselt van paard. Dit is een snel geschilderde schets in olieverf van het schilderij dat in 1950 vernietigd werd. Deze voorstudie is nu in de verzameling van het Koninklijk Paleis in Amsterdam.

Zijn populariteit stijgt na deze heldendaad en meerdere schilders beelden de veldslag uit. De gebeurtenis inspireert Kruseman tot het gigantische schilderwerk ‘De slag bij Bautersem’, een doek van vijf bij zeven meter, waar hij vijf jaar aan werkt. Kroonprins Willem, de latere koning Willem II, heeft een centrale rol op het schilderij. Dankzij zijn inkomsten uit de portretten kan Kruseman zich de investering in tijd en materiaal veroorloven. Maar Willem I staat lauw tegenover het in 1838 voltooide werk, tot teleurstelling van Kruseman. De koning wil liever niet geconfronteerd worden met het verlies van België en weigert in te gaan op de uitnodiging van Kruseman het werk te bekijken. De held op het doek, de kroonprins, is al na een kwartier op het schilderij uitgekeken. Een tentoonstellingsreis door het land, de opbrengst van de toegangskaartjes is voor de armen, wordt goed bezocht. Daarna komt het werk in de koninklijke collectie.

Een monumentale Johannes de Doper
In 1832 trouwt de schilder met de drie jaar jongere Henriette Angelique Meijer (1800-1868), een vrouw die vaardig is in het aquarelleren van bloem- en vruchtstillevens. Een goed huwelijk, volgens tijdgenoten. Zij is voorzien van de ‘edelste zielshoedanigheden’, begrijpt hem en steunt hem in lief en leed. De kersverse koning Willem II, een gepassioneerd kunstverzamelaar, bezoekt Krusemans atelier in 1841 en Kruseman toont hem tekeningen van een predikende Johannes de Doper, waarna hij de opdracht krijgt een historiestuk over dit onderwerp te maken.

Overwinning in de slag bij Bautersem in 1831. Kroonprins Willem, in het midden, wisselt van paard. Dit is een snel geschilderde schets in olieverf van het schilderij dat in 1950 vernietigd werd. Deze voorstudie is nu in de verzameling van het Koninklijk Paleis in Amsterdam.

Dat is voor Kruseman de aanleiding met zijn vrouw naar zijn geliefde Italië te reizen om de fenomenale religieuze kunst aldaar diepgaand te bestuderen. Als zij na een verblijf van zeven jaar terugkomen in Den Haag kan de kunstenaar een monumentaal olieverfschilderij presenteren: ‘Johannes de Doper predikende in de woestijn’. Na onderhandelingen komt het voor het enorme bedrag van 30.000 gulden in de Koninklijke Verzamelingen. Maar eerst krijgt het publiek de kans het werk te zien en reist het een jaar lang door het land, waarna het een plaats krijgt in het Paleis Noordeinde. Koning Willem II benoemt Kruseman tot Commandeur der Orde der Eikenkroon. Eén grote opdracht voor historiestukken volgt nog. Jan Elias Huydecoper bestelt in 1848 voor zijn slot Zeist vier monumentale schilderijen met onderwerpen uit het Nieuwe Testament. Kruseman voltooit de werken in januari 1854. De schilderijen zijn tegen betaling te bezichtigen tijdens een tour door het land voor ze in Zeist bij hun eigenaar komen te hangen.

Rosendaal in het vriendelijke Lisse
Cornelis Kruseman verlangt naar een leven ver buiten de grote stad. Het is een wens die hij al lang koestert en hij is blij als hij een woning vindt in het vriendelijke Lisse, waar hij wil schilderen aan zijn geliefde onderwerpen, historische en bijbelse gebeurtenissen.(2 Hij en zijn vrouw Henriette vertrekken eind augustus 1854
van Den Haag naar Lisse en betrekken daar huis nr. 87, aan de Rijks- of Heereweg, het buitenplaatsje dat vele Lissers nog kennen als Rosendaal. Zijn schoonzus Anna Maria en zijn zus Geertruida, die evenals Anna Maria ongetrouwd is, wonen bij het echtpaar in. Dat de keuze op Lisse is gevallen, zal te maken hebben met de relatief gunstige verbindingswegen met Amsterdam en Den Haag. Meegewogen kan ook hebben dat er familieleden in de buurt wonen. Raimond Christiaan Affourtit (1776-1858) en zijn dochters Elisabeth Maria (1819-1893) en Dorothea (1821-1876) wonen in Lisse op Grotenhof. Affourtit, een van de eerste bollenhandelaren, is de weduwnaar van Cornelis’ oudtante Maria Margaretha Kruseman (1785-1837). Suzanna Kruseman (1830-1906), getrouwd met Stephanus de Clercq (1826-1886), woont in 1855 in Hillegom en later in Lisse.

In zijn atelier op Rosendaal stelt Kruseman zijn laatste werk ‘De maagd Maria met het Kind’ tegen betaling tentoon.

Suzanna is de dochter van de bekende kunstschilder Jan Adam Kruseman, achterneef van Cornelis. Jan Adam was een van zijn leerlingen. Stephanus is de zoon van een van Cornelis’ beste vrienden, de dan al overleden dichter, koopman en bankier Willem de Clercq.(3

Overgelukkig op Rosendaal
Kruseman heeft het naar zijn zin in zijn nieuwe woonplaats  Aan Johannes Willem Holtrop, de vermaarde directeur van de Koninklijke Bibliotheek, schrijft hij:
‘Roozendaal te Lisse 27 sept 1854 Weled: Heer en vriend! Bij mijn vertrek uit s’ Hage stapelde zich zoodanig de droktens op welk bij een volledige verplaatzing onvermijdelijk zijn. Reeds een maand verstreek in de meeste voldoening over de gedaane keuze en met elken dag vermeerderde de genoegens welke die plaatsverwisseling kon opleveren en gevoel mij overgelukkig. Uwed. dw.dr.C: Kruseman’.

In een van de bijgebouwen van Rosendaal is de verversknecht Hendrik Lambert de Bauterlé met zijn gezin gaan wonen. De Bauterlé zal zijn ingehuurd om olieverf te maken. Het wrijven van de verfpigmenten is een zwaar werk en het vermengen met lijnolie en vulmiddel een precies karweitje.(4 Voor Kruseman is het zeer belangrijk een vakman hiervoor in huis te hebben. De verf van zijn grote schilderij ‘Johannes de Doper predikende in de woestijn’ is gaan druipen, waarschijnlijk door de gebruikte pigmenten en herhaaldelijk overschilderen. Hij trachtte zelf het werk te herstellen en was daar eind januari 1854 mee klaar. Geen wonder dat hij bitter teleurgesteld naar Lisse verhuist en daar naar rust zoekt.

Liefdegift voor Lissese armen
Kruseman schildert in zijn Lissese atelier zijn laatste grote werk: ‘De maagd Maria met het Kind’, dat hij in 1855 voltooit. Het doek heeft met een afmeting van 124.0 x 111.0 cm, bij lange na niet de grootte van zijn schilderij ‘Johannes de Doper’ dat 382.0 x 479.0 cm mat.

Rosendaal waar Cornelis Kruseman en zijn vrouw Henriette vanaf eind augustus 1854 met veel genoegen hebben gewoond

In een brief van 5 maart 1855 schrijft hij aan zijn achterneef Arie Cornelis Kruseman dat hij zijn schilderij over de maagd Maria en het kind Jezus in zijn atelier op Rosendaal tentoonstelt om een ‘liefdegift in te zamelen om aan armen en kranken in de gemeente uit te reiken’. Predikant en priester kondigden dit aan ‘aan den kanzel en aan het altaar. En rijk en arm stroomden in menigte toe, en zilveren stukken en koperen penningen klonken welwillend in den blikken bus welke bij de schilderij geplaatst was. Origineele, ernstige en boertige situaties leverden die dáár verzamelde menigte op’. Hij nodigt zijn achterneef uit naar Lisse te komen om het schilderij te bezichtigen. Kruseman schrijft in de komende drie jaar vanuit Rosendaal veel brieven aan Arie Cornelis Kruseman. Deze Kruseman is een jonge Haarlemse uitgever, die de belangrijkste van zijn generatie zal worden. ‘Uncle Tom’s cabin’ van Harriet Beecher Stowe geeft hij in 1853 uit als ‘De negerhut, een verhaal uit het slavenleven in Noord-Amerika’. Een volgend spraakmakend boek is Darwins ‘Het ontstaan der soorten’, dat verschijnt in 1860. Een man om te vriend te houden, dit ambitieuze familielid. De uitgever plaatst op verzoek van Kruseman een prent naar ‘De maagd Maria met het kind Jezus’ in het ‘Christelijk album’ van 1857, waarmee het werk landelijk bekend wordt.

Cornelis Krusemans schilderij ‘Johannes de Doper predikende in de woestijn’ uit 1847 in deplorabele staat gefotografeerd rond 1971. Vlak daarna werd het vernietigd.

Zeewater naar Rosendaal
Krusemans gezondheid neemt af. Op 15 februari 1856 klaagt hij over koorts. Hij kan niet werken en heeft moeite met schrijven. Juli 1856 vertrekt hij naar Den Haag om in Scheveningen een badkuur te ondergaan, voorgeschreven door de artsen. Op Rosendaal wordt als onderdeel van de kuur al eerder zeewater aangevoerd. Inspanning is verboden en volkomen rust en kalmte worden voorgeschreven. Eind september is hij weer in Lisse en de kuur heeft effect gehad. ‘Thans de goede god zij er voor gedankt loop ik weder met fiksche stappen door het huis, bezoek de tuin en ben zelfs heden weder op de straat geweest. Hoe opgeruimd zoudt gij mij thans zien’, schrijft hij op 8 oktober 1856 aan zijn achterneef.(5 Hij heeft weer zin om te tekenen en is opgeruimd. Lichamelijk en geestelijk nemen de krachten toe en hij wandelt door het dorp.

Lissese dorpsjeugd
Zijn vriend de schrijver Arnold Ising schrijft over Krusemans liefde voor de natuur, die hem troost en inspireert: ‘Dat kunt ook gij getuigen, lieflijke omstreken van het nederige Lisse waar de kunstenaar zijn laatste dagen sleet. Hoe menigen voetstap zette hij in uw bosschen, op uw heuvelklingen; wat was hem spoedig de weg naar de schoonste plekjes bekend; met wat ingenomenheid toonde hij die aan vrienden, die hem kwamen bezoeken, terwijl hij er zelf nog altijd nieuwe schoonheid ontdekte! En gij ook zoudt het kunnen getuigen, knapen en meisjes, die in de dorpstraat te spelen pleegt.

 

Tekening uit 1892 door A. Brouwer Grote Kerk in Lisse. Zie ook: Beeldverhaal LisseTijdReis Grote Kerk.

Hoe menigwerf bleef de vriendelijke grijze schilder staan en wenkte u met een glimlach om uw kinderlijk spel niet te staken, daar hij dan juist de natuur het best in u betrappen kon. Wat sprak hij u menigmaal aan om uw oogjes te zien schitteren, of uw mond zich tot lagchen te zien plooijen; wat verzette hij soms grappig uw mutsje, om meer leven en uitdrukking aan het kopje te geven! En uw kinderlijke vreugde, uw juichen en joelen deed niet alleen de kunstenaar, maar ook den mensch goed den mensch die het tot in zijn laatste dagen betreurde, dat God hem nooit vadervreugde geschonken had; maar wiens hart veel te mild was, dan dat het zich daarom ooit bij het zien van kinderen pijnlijk had kunnen sluiten’.(6

Krusemans herstel blijkt tijdelijk. Zijn gezondheid verslechtert. Portretopdrachten zegt hij af en er komt minder geld binnen. 18 oktober 1857 schrijft hij: ‘Behalve ontstaane financieele ongelegenheid door mijn u bekende langdurige ongesteldheid zoo is weder eene stremming gekomen in mijn nauwelijks weder op gevatte schilder arbeid daar dien de koortsen mij hevig hebben aangetast’.(7 In het grote atelier op Rosendaal mag hij van de artsen niet langer werken.

Portret van Cornelis Kruseman in zijn laatste levensjaren aar een tekening van Johann  Kachel.

De tuinkamer wordt ingericht als atelier en hij hoopt weer te kunnen werken.(8 Kruseman overlijdt op 14 november 1857. Vijf dagen daarna schrijft de Middelburgsche Courant: ‘De naam van Kruseman zal zeker eene eervolle plaats blijven innemen in de geschiedenis van onze kunst, gedurende de laatste dertig jaren, en het dorpje, waar hij zijn veel bewogen leven eindigde, mag er gewis fier op wezen, als de asch van den eenmaal zoo gevierden schilder in zijn nederig kerkhof rusten zal!’

Een goede rustplaats
Arnold Ising bezoekt 26 december 1857 in Lisse het graf van zijn vriend (9 en geeft daarvan de volgende beschrijving: ’t Was een Decemberdag zoo als er zelden zijn, de hemel was blaauw en toch vroor het niet. De blaaderlooze boomen zwiepten niet heen en weder, kraakten niet onder den magtigen adem van den storm. Hier en daar zat nog een vogel in de haag te fluiten, en, ware de zon niet zoo spoedig weêr aan ’t dalen gegaan, men zou zich in October hebben gewaand. Ik naderde het dorpje, en reeds van verre zag ik den dikken toren van de kleine kerk, in wier schaduw de dooden slapen. Het hek van ’t kleine kerkhof stond open. Ik ging er binnen en keek naar de namen, op de weinige zerken gegrift. Plotseling, toen ik regts van de kerk was gekomen, trad de zon, die achter den toren met een enkele groote wolk scheen te spelen, tevoorschijn; een helder schuin licht viel over een nieuwe grafzerk, een der zwarte paaltjes, ter zijde in de zode gestoken, wierp een breede slagschaduw over den zonnigen steen en deed den daarin gebeitelden naam nog meer in ’t oog springen, doordien als ’t ware te onderstrepen…Ik las: CORNELIS KRUSEMAN. Op dat oogenblik voelde ik, nog levendiger dan vroeger, dat de vriend gestorven was. Ik stond bij zijn graf… Langs den muur van ’t kerkhof loopt een landweg heen en daarnevens breidt zich een grasveld uit, op den achtergrond begrensd door de rijk met hout bewassen duinen van Keukenhof. ’t Is een fraai Hollandsch landschap, waarvan het ruime, het helder verlichte, het zonnige groen der weide afstekend tegen het blinkend wit der zandige duinplekken in ’t verschiet, zelfs op dien laten, tweede Kerstdag het oog trof en boeide. De zon scheen op het landschap, even als op de zerk en ’t was of ik den kunstenaar, die daar aan mijne voeten sluimerde, tot mij zeggen hoorde, zoo als hij mij zoo dikwijls op onze wandelingen had toegevoegd: “Kijk, hoe schoon!” En ik dacht: “Vriend en kunstenaar, wat hebt ge daar een goede rustplaats. Sluimer zacht te midden dier omstreken, wier eenvoudig schoon gij zoo zeer op prijs steldet”.(10

Wenende schilderijen
Krusemans’ grootste werken, ‘Johannes de Doper predikende in de woestijn’ en ‘De slag bij Bautersem’, waarin hij zijn ziel en zaligheid had gelegd, vernietigen zichzelf in de loop van de jaren. Van zijn ‘Johannes de Doper’ begint de verf al tijdens zijn leven te druipen. ‘De slag bij Bautersem’ treft eenzelfde tragisch lot.

Portret van ‘artiste’ Cornelis Kruseman, gemaakt tijdens zijn tweede verblijf in Rome door Louis Joseph Brüls.

De afdruipende verf werkt door het vernis heen en dreigt de figuur van Willem II aan te tasten. Het publiek mag het schilderij niet meer zien en het wordt weggehaald uit het museum voor moderne kunst in Paviljoen Welgelegen in Haarlem en krijgt een plek in een zaal in Paleis Noordeinde. De beide werken hangen daar dan bij elkaar. ‘Het is een treurige aanblik’, schrijft Ising in 1870 vol deernis, ‘ t is alsof die beide groote stukken daar in die verlaten Gothische zaal te weenen staan over den verstoorden roem van hun maker’.(11 ‘De slag bij Bautersem’ wordt rond 1950 vernietigd. In 1971 volgt ‘Johannes de Doper’.

Voetnoten:
1 Aanteekeningen van C. Kruseman, betrekkelijk deszelfs kunstreis en verblijf in Italië. (1826)
2 T. van Westhreene: ‘C. Kruseman, zijn leven en werken’. In: Kunstkronijk 20 (1859), p. 16
3 Stephanus de Clercq was landeconoom en kocht in 1854 grond in de Haarlemmermeerpolder bij de Lisserweg. Hij maakte een mooie bestuurlijke carrière. Hij was o.a  hoofdingeland en heemraad van de Haarlemmermeerpolder en dijkgraaf van Rijnland. Nazaten van De Clercq beheren onder de welbekende naam de Olmenhorst het land dat hij ooit kocht. Stephanus de Clercq vestigde zich in 1857 in Lisse en vertrok in 1866 naar Haarlem. Bevolkingsregisters Lisse 1850-1860 en 1860-1870. Zijn vader Willem de Clercq (1795-1844) was een van de voormannen van de Réveilbeweging, een richting binnen het protestantisme. Hij hield tussen 1810 en 1844 een dagboek bij, een belangrijk egodocument dat in 2022 gedigitaliseerd en getranscribeerd is.
4 A. F. de Graaff: ‘Rosendaal en zijn bewoners (1641-1962)’. In: Leids jaarboekje 1963, p.153-161. Bauterlé vertrekt na het overlijden van Kruseman naar Den Haag.
5 Brief aan Arie Cornelis Kruseman
6 Arnold Ising: ‘Spranken uit het leven van een kunstenaar’.  In: De Tijdstroom 1 (1858), pp. 91-107.
7 Brief aan Arie Cornelis Kruseman.
8 Arnold Ising: ‘Spranken uit het leven van een kunstenaar’.
9 De grafzerk van Kruseman kreeg nummer 75 (informatie Dirk Floorijp). In 2003 zijn grafzerken die buiten de kerk stonden hergebruikt voor de vloer van de kerk. Stenen die minder mooi waren werden op een andere manier verwerkt (informatie Jan Wesseling). Wat er gebeurd is met de steen van Kruseman is niet bekend.
10 Ising: Spranken, Tijdstroom pp. 91-107.
11 A. Ising, ‘1831. Uit de nagelaten papieren van een kunstenaar’. In: Kunstkronijk 11 (nieuwe serie), 1870, p.60

Bronnen:

  • Eva Geudeker: Cornelis Kruseman (1797-1857): Aardse roem en hemelse ambitie.
  • https://cornelis- kruseman-1797-1857.rkdstudies.nl. Proefschrift, ( 2024). Uitsluitend gedigitaliseerd verschenen.
  • Brieven van Cornelis Kruseman aan Arie Cornelis Kruseman bevinden zich in de UB Leiden.
  • Transcripties zijn online geplaats door RKD https://rkd.nl/excerpts/.
  • De Cornelis Kruseman Stichting in Den Haag spant zich in het werk van Cornelis Kruseman en zijn schilderende familieleden grotere bekendheid te geven. Op afspraak is de collectie van de stichting te bezichtigen.

 

 

 

Vaandel van Trouw moet blijken 100 jaar

Sporen van vroeger (LisserNieuws)                                                           

16 juni 2026

 door Nico Groen

Op 15 februari 2021 kreeg de VOL een vaandel, waarop ‘Trouw moet blijken’ staat. Sinds die tijd stond het vaandel pontificaal te pronken in de grote zaal van de Vergulde Zwaan aan de Eerste Havendwarsstaat 4, waar de VOL-vrijwilligers ieder dinsdag bijeen kwamen. Ook kon iedereen daar op die dag binnenlopen met een vraag of om wat af te geven. Maandelijks werden er lezingen gehouden. Onlangs is de VOL echter verhuisd naar de bibliotheek.

Op 31 juli 1897 kwamen enkele heren in Hotel Café De Witte Zwaan bijeen om te onderzoeken of een muziekvereniging in Lisse enige grond onder de voeten kon krijgen. Bij die beraadslagingen werd men terzijde gestaan door meester Berfaas, die later de dirigeerstok zou hanteren. Op 16 augustus volgde de oprichtingsvergadering.

Eensgezind
De naam van de nieuwe vereniging werd ‘Eensgezind’ en dat was niet voor niets, want juist in die beginjaren zat men op eenzelfde golflengte en was zo ongeveer het hele dorp enthousiast over de nieuwe vereniging. Onder leiding van Berfaas werden al spoedig de eerste melodieën aan de instrumenten ontlokt en konden de Lissers op korte termijn genieten van de eerste optredens. In de muziektent die in de zomermaanden op het Vierkant stond opgesteld bijvoorbeeld.

De naam bleef echter niet. In de twintiger jaren werd een scherpe streep getrokken tussen het rooms-katholieke en het protestantse Lissese leven. Toen de katholieke harmonie Adolf Kolping (later Canite Tuba) werd opgericht, stonden veel rooms-katholieke Lissese muziekmakers voor de niet te negeren keuze om zich bij die vereniging aan te sluiten. Slechts vijftien leden bleven bij Eensgezind. Omdat het niet meer zo eensgezind was werd in 1926 de naam ingeruild voor ‘Trouw moet blijken’. Toen heeft de vereniging ook een nieuw vaandel laten maken. Op het vaandel staat daarom het jaartal 1926. Het vaandel is dus nu 100 jaar oud.

Fusie

Uiteraard kwam de sfeer in de vereniging zoals die vanouds was ten einde toen in de negentiger jaren een fusie werd aangegaan met Canite Tuba. Min of meer afgedwongen door toenmalig burgemeester G. van der Kroft die het zat was dat zo’n beetje elke vereniging een eigen verenigingsgebouw wilde. Hij beloofde dat als de beide muziekverenigingen zouden fuseren, de gemeente hen tegemoet zou komen. Da Capo en Het Speelkwartier werden toen een feit. Na de fusie in 1995 werd de naam Da Capo en zij oefenen nog steeds in het Speelkwartier in de Poelpolder. Na de fusie werd het vaandel uit 1926 overbodig. Het vaandel kwam in 2021 richting de VOL, vooral dankzij de inzet van Chris Balkenende, die daar twee jaar mee bezig was geweest. Nu de VOL overgegaan is naar de bibliotheek, is het vaandel niet meer wekelijks te zien. Het gaat naar de opslag en zal alleen te zien zijn bij bepaalde exposities en tentoonstellingen.

Foto: Het vaandel ‘Trouw moet blijken’ uit 1926.
Foto: Oud Lisse

Verrassing voor Dirk Floorijp

Nieuwflits

Nieuwsblad december 2025 1

Ook in dit Nieuwsblad verrast Dirk Floorijp ons weer met een artkel in de serie Oud Nieuws. Al jaren duikt hij nieuwtjes uit de archieven op en maakt daar een verhaal van. Maar Dirk heeft naast zijn passie voor de lokale geschiedenis nog een andere passie: orgels en orgelmuziek. Onlangs werd Dirk 91 jaar en zijn kleindochter Samira zorgde voor een perfect cadeau voor hem. Ze had een privérondleiding geregeld,  te geven door stadsorganist Anton Pauw, in de Grote of St.-Bavokerk in Haarlem. Sinds 1991 is Pauw daar organist van het beroemde Müller-  orgel (gebouwd tussen 1735 en 1738). Dirk Floorijp is niet alleen een  enorme liefhebber van orgelmuziek, hij speelde zelf ook op orgels hier in de regio, bijvoorbeeld op het Adema-orgel in de Agathakerk en op het orgel van de Pieterskerk in Leiden. Het orgel van de St.-Bavo kwam ook al eens in een van zijn verhalen voor. In 2019 schreef hij een verhaal getiteld “Postkoets over de kop”, over het ongeluk dat componist Händel in 1750 nabij Lisse overkwam. De moeite waard om het nog eens te lezen. Het is te vinden op de site van Oud Lisse. Händel was toen op weg om een concert te geven op het befaamde Müller-orgel. Het orgel bespelen kon vanwege zijn verwondingen niet doorgaan, maar eerder had hij er wel op gespeeld. Beroemdheden als Mozart en Mendelssohn gaven hier ook concerten. Nu kreeg Dirk de kans om achter het klavier plaats te nemen. In zijn stuk uit 2019 schrijft hij al “Het maakt een enorme indruk om daar te mogen zijn”. Hij maakte zich nogal zorgen over hoe de houten wenteltrap te nemen, want met zijn respectabele leeftijd is de soepelheid wel verdwenen. In de praktijk bleek dat reuze mee te vallen. Bach is een van de favoriete componisten van Dirk, maar zijn grote voorbeeld is waarschijnlijk wel Feike Asma, de bekendste Nederlandse componist en organist van de 20e eeuw. Een stuk spelen op het orgel was wat teveel voor Dirk, wel liet hij enkele akkoorden horen. Toch een overweldigende ervaring.

Door Anton Pauw werd hij getrakteerd op zijn lievelingsnummer, de “Toccata and Fugue in D minor” van Bach. Ze konden nog een tijdje met elkaar spreken over orgels in diverse kerken, over organisten en de techniek. Een mooier cadeau zal Dirk zich niet hebben kunnen voorstellen.

ANNA VAN GOGH-KAULBACH; De rommeling. (146)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Tegen het einde der vorige eeuw werden aan de Heereweg een paar mooie huizen gebouwd, thans de nummers 296/98. In het eerstgenoemde pand vestigde zich het echtpaar Van Gogh. Het huis staat op de oude ansicht halverwege rechts achter de bomen; op de kaart uit de dertiger jaren halverwege links, eveneens achter een boom. De heer Willem J. van Gogh was waarschijnlijk even medelevend en gevoelig als zijn thans beroemde neef Vincent. Hij “ging in de bollen”. Maar het bloembollenvak kan soms zeer onbarmhartig zijn. Het werd dan ook geen succes. In 1903 vertrok het gezin voor korte tijd naar Sassenheim, om zich in 1906 in Haarlem te vestigen. Van Gogh vond werk bij de kunsthandel Meurs te Amsterdam. Lisse was hem vergeten. Meer bekend dan haar echtgenoot was diens vrouw, Anna van Gogh-Kaulbach, een vermaard schrijfster. In haar Lissese tijd verscheen o.a. “Rika”, de roman waar­in ze haar eigen stijl gevonden heeft. In dat jaar werd ook haar dochtertje Maria Cornelia geboren, het zusje van Eduard en Willem Daniel, beiden ook in Lisse geboren “Schrijven was mijn werk”, zegt ze, “mijn gezin mijn liefste liefhebberij”. En een andere keer: “Mijn werk opgeven zou onvoldaanheid betekenen en een onvol­daan mens kan geen opgewekte moeder zijn”. Ze was een vrouw van het type, dat we nu een feministe zouden noemen. Lisse had daar weinig oog voor, maar als ze in “reformkleding” door het dorp liep, gaapten de Lissers. (Voor wie niet mocht weten wat dat Lisses “gapen” eigenlijk was: ze gluurden met open mond tussen de kieren van de gordijnen.)

Juist als wan­neer Agnes Snethlage, de dochter van de dominee, met kort geknipt haar en een pijp in de mond over de straat stapte. Toch was Anna Kaulbach een vrouw van formaat, vooral ook een vrouw met durf! Er is dit jaar in het Haagse Gemeente­museum een interessante tentoonstelling aan haar gewijd. Schrijver dezes zou voor een foto zorgen van werkers in het bloembollenbedrijf omstreeks 1900, die dan ver­groot de blikvanger van de expositie zou worden. Maar het moest wel “een beetje zielig” zijn. Het werd de foto afgedrukt als nr. 15 in “Kent U ze nog, de Sassenheimers”. Maar of die tulpenpelsters zich nu zo zielig voelden? Welnee, dat is gewoon “hineininterpretiert”. In ieder geval is het wel een succes geworden. Van Anna van Gogh-Kaulbach verschenen onder meer “Moeder”, een roman die 25 herdrukken beleefde, het toneelstuk “Eigen Haard”, “De Hooge Toren” en “Het brandend hart”. Dat laatste was haar 25ste roman, alle met een sterk sociale bood­schap. In 1960 is de schrijfster hoogbe­jaard te Haarlem overleden. Het hierna volgende relaas is goeddeels genomen uit de tentoonstellingcatalogus “Vrouwen op de bres”, die op zijn beurt weer putte uit Mevrouw ^van Gogh’s “Eni­ge herinneringen”. Anna Kaulbach wordt in 1869 geboren te Velsen. Zij blijft het enig kind van een dorpsdokter. De ouders voeden haar mo­dern op. Haar speelkameraadjes mag zij kiezen uit alle standen, ook gewone dorps­kinderen. Na de lagere school in Beverwijk gaat Anna naar de meisjes-H.B.S. in Haar­lem. “Het werd een ander leven: elke dag met een troep meisjes en jongens een spoorreisje heen en weer”. Bij dit troepje hoorde ook Willem Royaards, de latere acteur. Hij draagt in de trein verzen voor, maar de meisjes kunnen die niet horen. In die da­gen is het immers gebruikelijk dat de jon­gens derde klas reizen en de meisjes tweede. Op school in Haarlem wordt zij zich lang­zamerhand bewust zich te willen uiten op papier. Maar na school komt ze thuis om voor haar moeder te zorgen die inmiddels blind is geworden. Ze leest alles wat voor­handen is; Frederik van Eeden is haar ge­liefde schrijver. Zelf besteedt ze ieder vrij ogenblik aan schrijven. Ze begint haar car­rière groots en droevig, op haar achttiende jaar voltooit ze een treurspel in vijf be­drijven, “Thusnelda” geheten. Als Anna tweeëntwintig jaar is ontmoet ze haar latere “toegewijde levenskameraad” Willem J. van Gogh.

Het verloofde stel onderneemt een reisje door het land om familie en vrienden op te zoeken. “Wij de­den die tocht op een voor die tijd origi­nele manier, namelijk per driewielertan­dem. Dat mijn ouders met ons plan instem­den was voor mij het verrukkelijkste be­wijs van hun vrijheid van denken en opvat­tingen.” Bovendien wordt fietsen voor een vrouw als onfatsoenlijk beschouwd, “het onzedelijke velocipederen”, en vinden art­sen het ongezond. Meisjes, vrouwen en mannen-van-boven-de-veertig wordt het fietsen afgeraden als te inspannend. Anna en Willem trouwen in 1899 en gaan in Lisse wonen vanwege zijn werk bij een bloembollenkwekerij. Het zijn bewogen ja­ren. Anna publiceert vlak voor de eeuwwis­seling haar roman “Levensdoel”. Het boek is een pleidooi voor het socialisme, zij wil daarin getuigen van de “schone verwach­ting, die ons, jongeren, vervulde”. De vrouwen leggen letterlijk hun knellende kleding af, de “reform”-kleding wordt ge­dragen in de kringen van vooruitstrevende mensen waartoe Anna en Wiillem behoren. Ze doet aan deze mode mee en wekt zo in Lisse de nodige opschudding. Haar naaste buren, de families Segers en Tromp, zullen deze nieuwlichterij ook wel maar zeer matig gewaardeerd hebben. Meer contact had zij met de familie De Graaff, die aan de overzijde van de straatweg woon­de. De omgeving van de bollenstreek, de kwekerijen en het harde leven van de arbeiders brengen Anna van Gogh tot een indringen­de beschrijving van het bestaan van de ar­beidersklasse. Toen schreef ze “Rika”, de geschiedenis van een arm volksmeisje, doch­ter van een ongehuwde moeder, een “schandekind”, zoals dat in de 19de eeuw heet. Het is een lang en triest verhaal. Ten­slotte loopt Rika in wanhoop het water in en verdrinkt zich ……

Anna had grote bewondering voor het werk van haar neef Vincent, leder kent wel diens “Aardappeleters”. Ook die schilderijen had­den een “boodschap”. Helaas is Anna’s schrijfstijl overleefd en het succes van de actuele problemen tijdgebonden. In tegen­stelling tot neef Vincent van Gogh kan zij de mensen van vandaag niet meer berei­ken ……

GEER VAN VELDE; De rommeling. (121)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

In december 1897 vestigde zich in Lisse een heel arm gezin, dat een half jaar later, in juli 1898, alweer naar Leiden is vertrok­ken. Het bestond uit Willem van Velde, ar­beider, gereformeerd, zijn echtgenote Hendika Catharina van Voorst en hun kinde­ren Neeltje en Abraham Gerardus, in 1892 en ’95 geboren te Zoeterwoude. Dat zou allemaal niets bijzonders zijn, als niet op 5 april 1898 in “huis 48” een derde kind was geboren, Gerardus, de later zo be­roemde Geer. Waar is “huis 48″? Omdat de nummering telkens weer veranderd en er van Lisse geen omnummeringsboeken” bestaan, was het huis aanvankelijk moeilijk te traceren. Dat was pas mogelijk, toen bleek dat na het ver­trek van het gezin Van Velde de woning werd vetrokken door de pas getrouwde Franciscus Hogervorst, van wie nog kin­deren en kleinkinderen in Lisse en omge­ving wonen. Het bewuste huisje is reeds lang afgebro­ken. Het was een van een rijtje, de “negen huisjes van Scholten”, op de hoek van de Heereweg en de Tweede Poellaan. Ze be­hoorden aan boer Scholten, die er achter woonde. De huisjes werden wel “Kleinzucht” genoemd. Ze stonden onmiddel­lijk aan de weg en de tram reed vlak langs de voorgevel. (De oude huizen die er nu nog staan hadden toen een voor­tuin.) Het was het tweede huisje van af de Poellaan. Op 5 maart 1977 is Geer van Velde in zijn woonplaats Cachan in Frankrijk overle­den, waarna op 15 maart op het bekende Parijse kerkhof Père Lachaise de crematie heeft plaats gehad. Hans Redeker schreef in het Handelsblad van 7 maart 1977 het volgende. “Zaterdag is in Parijs, 79 jaar oud, de schilder Geer van Velde overleden, een van de kleine groep Hollandse kunstenaars die zich in deze eeuw al jong in Parijs vestig­den en vandaaruit een internationale er­kenning verwierven. Bram, Geer en Jacoba van Velde waren de drie kinderen uit een arm gezin die zich op latere leeftijd een eigen plaats binnen de kunst van deze eeuw zouden verove­ren, de beide broers als schilder Jacoba van Velde als schrijfster. Voor de twee broers was het beslissende dat ze, al jong bij een Haagse huisschilder in dienst, in hem een mecenas vonden die het hen mo­gelijk maakte hun toen al opvallende artis­tieke talenten dankzij een overigens heel bescheiden toelage verder te ontwikke­len in het Duitse kunstenaarsdorp Worpswede. Worpswede was ook toen nog een centrum van expressionisme, zoals dat daar vooral ontwikkeld was door Paula Modersohn-Becker. Ook Bram en Geer van Velde be­gonnen in een expressionistische stijl, die ze nog gebruikten toen ze in 1925 naar Parijs vertrokken, een besluit dat, op on­derbrekingen na, definitief zou blijken te zijn. Geer van Velde, wiens evolutie als schilder zich overigens voortaan zelfstandig van die van zijn oudere broer zou voltrekken, schilderde aanvankelijk vooral een kleurig expressionisme, met veel figuratie van mens en dier, waarin men iets van Kruyder ook van Chagall zou kunnen herken­nen.

Pas later, tijdens een zevenjarig verblijf in Cagnes, in de Provence, ging hij over tot een verontstoffelijkte, abstracte schil­derkunst van licht en ruimte, helder en sub­tiel gecomponeerd als het werk van Jacques Villon, en in transparante kleurvlakjes van uiterst dicht bij elkaar liggende, van elke zware klank ontdane tonen, een zeer zui­vere en verijld muzikale kunst. Hoewel hij al sinds 1926 regelmatig expo­seerde komt zijn eigenlijke doorbraak, zowel in zijn werk als wat het succes be­treft, na de Tweede Wereldoorlog, wan­neer in Parijs een nieuwe richting van lyrisch-abstracte schilderkunst de leiding neemt. Het is vooral Galerie Maeght ge­weest die hem veelvuldig naar voren heeft gebracht. Hier in Holland vond hij galeries waar zijn betekenis werd onderkend, vooral in Ga­lerie d’Eendt, later ook bij M.L. de Boer en Collection d’Art. Zelf leefde hij tot zijn dood uiterst geïsoleerd en ver van alle publiciteit, al heeft zich daaruit nooit een zo legendarische persoonlijkheid ont­wikkeld als uit de barre, veel beschreven existentie van zijn uiteindelijk beroem­dere broer Bram”. Van december tot februari a.s. zal in het Haagse Gemeentemuseum een overzichtstentoonstelling van het werk van Geer van Velde worden gehouden. Hier ziet men reeds — helaas slechts in zwart-wit — een van zijn beroemdste werken, “Composi­tie 1948”.

Muziek en historie in Harmonie bij Dever

Nieuwsflits

Nieuwsblad 23 nummer 3 2024

De hele dag voor het concert bleef het maar regenen, maar het was alsof de dirigent met een toverstokje stond te dirigeren. De donkere wolken begonnen te dansen om een gouden ondergaande zon. Goud was het concert wat ten gehore werd gebracht door Harmonie Katwijk en Da Capo Lisse. Mogelijk gemaakt door intensieve samenwerking met Rotaryclub Hillegom-Lisse. Zij trakteerden de mensen op een bijzondere avond bij het historische decor van ’t Huys Dever. De voorhof van de donjon werd een openluchtzaal en de aloude stenen vormden de achtergrond van het podium en fungeerden als een klankbord dat de tonen van het podium over de mensen liet weerklinken. Het werd een avond vol plezier met een zeer gevarieerd programma van Nederlandse meezingers, walsen en andere licht klassieke werken. Het was niet warm, maar de muziek zorgde voor een warm gevoel. De heren musici waren in jacquet gekleed en de dames droegen kleding uit de tijd van de grote componisten. De bedoeling was om een André Rieu-sfeer te creëren en dat was best goed gelukt. Nog geen tien minuten nadat de dirigent het concert had afgetikt met zijn baton, begonnen de wolken weer lekkage te vertonen. Allen die dit feest hebben meegemaakt mogen niet klagen over de goedgezindheid van de weergoden.
Voor herhaling vatbaar? JA!!!!!!

Het ruiterbeeld van de 75 jarige Keukenhof.

Sporen van vroeger (LisserNieuws)                                                           

 2 juli 2024

door Nico Groen

Een van de opvallendste blikvangers op het tentoonstellingsterrein is het beeld ‘Paard en ruiter’ van Paul Koning (1916-1998). Het beeld raakte zo verbonden met de Keukenhof dat het bijna een beeldmerk is geworden. Koning maakte het paard in zijn atelier aan het Rapenburg te Amsterdam in 1952.

In samenwerking met de ijverige vereniging Kunst en Gezin, die de kunst tot het Nederlandse volk probeerde te brengen en de kring der Nederlandse beeldhouwers zijn er in het park in 1952 een vijf en twintigtal beelden opgesteld, waaronder dus het ruiterbeeld. Het beeld is direct opgebouwd uit beton op een metalen frameDit was toen een geheel nieuwe techniek.

Toen hij het beeld na negen maanden noeste arbeid af had, gaf Koning een groot afscheidsfeest, want de volgende dag zou het transport naar Lisse plaatsvinden. Maar op het laatste moment ontdekte hij pas dat het paard te groot was geworden voor de deuropening, zodat een hele muur gesloopt moest worden. Vele kranten uit 1952 berichtten er over. Hieronder volgt een samenvatting van deze krantenartikelen.

Het beeld heeft zo’n volksoploop  veroorzaakt, dat de bereden politie er aan te pas moest komen. Ook waren er veel persfotografen. Men heeft van acht tot twaalf gekeken hoe het uit zijn atelier werd gehaald. Het muurtje was gauw gesloopt. Dat werd gedaan door een Haarlemse steenhouwer-sloper, die specialist was in transporten van beeldhouwwerk. Met een dommekracht en een paar ijzeren staven kreeg men het gevaarte in de richting van de gevel. Er was alleen nog een balk, die het hoofd van de ruiter belette de straat op te gaan. Daar zaagde men een stuk uit, terwijl de overgebleven balk gestut werd om zo het wat gammele atelier overeind gehouden. Langzaam en statig rolde het witte beeld in de richting van de smalle straat. Hangend in takels is het standbeeld de straat uitgebracht om aan het einde op een platte wagen te worden gezet. En samen met twee beelden van Pauline Eecen, die haar atelier naast dat van Koning had, is het wonderlijke transport, voorafgegaan door de verkeerspolitie, richting Lisse gereden. Er moest tevoren toestemming van de verkeersinspectie worden aangevraagd. Een en ander is in maart 1952 uitgevoerd. Er ging een licht gejuich op, toen het witte hoofd van het paard de straat in kwam steken. De kijkers waren aangegroeid tot een kleine menigte, waarbij vele collega-beeldhouwers.

In de Rapenburgerstraat bleef het atelier enigszins ontwricht zonder gevel achter.

Er was ook kritiek op het beeld. “Omdat het wit gemaakt is, komt dat de uitstraling niet ten goede. Over het geheel genomen is, wat hier tot stand kwam, evenwel zeer de moeite waard en we geloven, dat er een heilzame invloed op de bezoekers zal uitgaan. Als ze zelf tuinen hebben, zullen ze aan beelden gaan denken en dat is ook de bedoeling” aldus de vereniging Kunst en Gezin.

In 1995 verscheen het boek Paul Koning sculptuur en grafiek Eemnes met reproducties van zijn beelden en grafisch werk.

Foto: Het paard in volle glorie te zien door bezoekers met narsissenhoofdtooi.
Foto: Keukenhof. De foto is uit 1954.

Het paard wordt uit het atelier gereden

Monument voor de gevallenen

Monument voor de gevallenen

 

Sporen van vroeger (LisserNieuw)                                                 

30 april 2024

 Nico Groen

Elk jaar is er op 4 mei ook in Lisse aandacht voor de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Deze dodenherdenking wordt afgesloten met de kranslegging bij het ´Monument voor de gevallenen´.

Dit monument staat midden op de kruising van de Oranjelaan en de Heereweg. De jaarlijkse aandacht voor de oorlog en zijn slachtoffers is heel belangrijk om de gruwelen van een oorlog niet te vergeten. Daardoor komt er hopelijk nooit meer oorlog in West-Europa en proberen we met zijn allen wereldwijd zoveel mogelijk oorlogen te voorkomen. Het standbeeld werd onthuld op 4 mei 1951 door jhr. F.J.C.M. van Rijckevorsel, burgemeester van Lisse tijdens de oorlogsjaren.

Op de website 4en5mei.nl staat waarom dit standbeeld is opgericht: ´Het Monument voor de gevallenen in Lisse is opgericht ter nagedachtenis aan alle medeburgers die tijdens de bezettingsjaren door oorlogshandelingen zijn omgekomen. Tevens herinnert het aan twee Nederlandse militairen uit Lisse die tijdens de politionele acties in het voormalige Nederlands-Indië zijn gesneuveld. De twee omgekomen militairen zijn J.J. Kortekaas en N.P. Obdam’. Volgens het boek `Wat toch een tijd` uit 2005 van Ed Olivier waren er in Lisse tijdens de bezetting 60 oorlogsslachtoffers. De omstandigheden waaronder deze Lissers omkwamen worden in het boek beschreven met vele interviews van nabestaanden en andere bekenden van de slachtoffers. Dit boek kan in de bibliotheek van de VOL op dinsdagmorgen worden gelezen of geleend.
Op bovengenoemde website staat ook een beschrijving van het beeld: ´Het Monument voor de gevallenen in Lisse is een bronzen beeld van een zich oprichtende, naakte mannenfiguur die zijn armen in een afwerende houding boven zijn hoofd houdt. Het beeld is geplaatst op een natuurstenen voetstuk. Het beeld is 1,90 meter hoog, 77 centimeter breed en 73 centimeter diep. Vóór de sculptuur is in 2002 een natuurstenen gedenksteen geplaatst op een schuin oplopend voetstuk. Het monument staat symbool voor de wederopstanding en voor de overgang van droefheid naar vreugde. Na jaren van onderdrukking en ellende hervindt Nederland zijn vrijheid en soevereiniteit. Het beeld symboliseert tevens het levende besef van een voortdurende worsteling. Om de democratie in stand te houden is waakzaamheid geboden.´
De tekst op het voetstuk van het beeld luidt: ‘MET STEUN VAN DE ALMACHTIGE 1940-1945’. De tekst op de gedenksteen luidt:  ‘TER HERDENKING GEVALLENEN IN NEDERLANDS-INDIË 1945-1950’.

Ontwerper Cephas S. Stauthammer

De ontwerper van dit standbeeld is Cephas S. Stauthammer (1899-1983).
Hij was leraar beeldhouwen aan de academie voor beeldende kunst ‘Kunstoefening’ in Arnhem. Rond 1954 kreeg hij meer bekendheid. Hij was ook enige tijd voorzitter van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers en in 1964 was hij een van de beeldende kunstenaars die een reisbeurs kreeg van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Hij had het standbeeld in Lisse al gemaakt voordat hij een bekende beeldhouwer werd.

 

Foto: Monument voor de gevallenen in 1951 onthuld door oud-burgemeester van Rijckevorsel.
Foto: Nico Groen

Cultuur-Historische Vereniging “Oud Lisse”

Info@oudlisse.nl

 

DE GROTE VERKOOP VAN TUINBEELDEN ETC. OP KEUKENHOF: AANVULLING

DE GROTE VERKOOP VAN TUINBEELDEN ETC. OP KEUKENHOF,

 (Aanvulling op Leids Jaarboekje 1969, blz. 181 e.v.)

door A. M. Hulkenberg

De welbekende heer mr. A. Staring te Vorden was zo vriendelijk mij het volgende mede te delen. ,,Sinds ongeveer 1931 bezit ik twee zandstenen sphinxen, te voren staande naast de voordeur van het huis Rijnvreugd bij Leiderdorp. Sindsdien is dat huis afgebroken. Die sphinxen nam ik over uit de boedel van wijlen Graaf van Byland. Ze heetten afkomstig te zijn van het huis te Swieten. Vanwege die herkomst hoopte ik de beeldbouwer te ontdekken. Ik vond verschillende beeldhouwers die werkten voor de heer Bicker, maar de maker van de sphinxen werd niet genoemd, Ik hoef nu niet langer te zoeken, want de beide sphinxen zijn blijkbaar no. 41 van de veiling op Keukenhof, die verkocht werden aan de heer Van Swieten. Weliswaar worden ze beschreven als van hardsteen en zijn mijn sphinxen van zandsteen maar misschien noemde men toen hardsteen wat men nu harde zandsteen zou noemen. Tegenwoordig is hardsteen de harde blauwe steen, wel gebruikt voor stoeppalen en grafzerken, maar deze werd zover ik weet nimmer gebruikt voor een tuinbeeld. De sphinxen waren al op Keukenhof anoniem en ze zullen dat nu wel moeten blijven. Er zal nog wel meer beeldhouwwerk van Swieten bewaard zijn gebleven in de buurt van Leiden, staande tussen bloemstruiken in plaats van in een geometrische tuin, maar alleen het toeval kan de herkomst van oude tuinbeelden of vazen verklappen.” Voor deze mededeling ben ik de heer Staring zeer erkentelijk en ik hoop dat zulk een ,,toeval” ons nog meer gegevens over de verkochte beelden zal verstrekken. Ten slotte nog iets betreffende de nrs. 35 en 36, ,,Laurens Koster” en ,,Desiderius Erasmus”. Op 18 april 1754 werden beide beelden voor 21 gulden per stuk door de Leidse timmerman Jacobus Snarenberg C.S. verkocht aan de heer Bontekoning, die ook nog voor f 200 een ,,Cupido en pedestal” verwierf. (ARA, Recht. ar& Lisse nr. 74 fol. 224). Nadere gegevens betreffende deze koper ontbreken, maar waarschijnlijk is het de voorname makelaar Fioris Dirksz Bontekoning, die ,,op de Binnenkant” te Amsterdam woonde en ook een buitenplaats bezat. (Gemeente-archief Amsterdam, Kohier van 1742). Alweer nieuwe vragen: Welke buitenplaats was dit en waar zijn ,,Laurens Koster” en ,,Desiderius Erasmus”?

Tekst en Foto uit het Leids jaarboekje 1970 pag 159

 

Afb. 24. Een van de twee zandstenen sphinxen (nr. 41 uit de veiling van 1746).

DE GROTE VERKOOP VAN TUINBEELDEN, GROEPEN EN VAZEN OP KEUKENHOF IN 1746

door A. M. Hulkenberg

DE GROTE VERKOOP VAN TUINBEELDEN, GROEPEN EN VAZEN OP KEUKENHOF IN 1746

Beelden op Keukenhof.

Kaartje van Keukenhof. Tekening E. J. M. van Dijk naar een schetsje van de schrijver.

Wanneer men dit hoort denkt men onwillekeurig aan de tentoonstelling van sculpturen op de Nationale Bloembollententoonstelling. Met zoveel enthousiasme begonnen door de toenmalige voorzitter, de zeer kunstzinnige heer Tom van Waveren, is deze expositie ontaard in een uiterst doctrinair en rechthaberisch opgezette verzameling van ,,schroot” en hard en vals gekleurde ,,objecten en composities, die als een rauwe vloek opboeren temidden van de tere schoonheid der bloemen”, zoals Stylitus dit in ,,Kwekerij en Handel” van 10 mei 1968 typeert. Hij spreekt van ,,een partijtje benzinepompachtige dingen in de felste kleuren, een stel geverfde balken, een aardgasinstallatie en een hardrode zuurtjesautomaat”. Verder van ,,een geruïneerd brandalarmapparaat en twee foeilelijke groen en geel geverfde getimmerten”, die het rustige zicht op dit bloemrijke park in hevige mate verstoren. Bij dit vernietigende oordeel sloot zich de vice-voorzitter der Koninklijke Algemene Vereniging voor de Bloembollencultuur, de heer Th. Hoog te Haarlem, in een ingezonden stuk van harte aan. Over deze ,,beelden” zal het echter thans niet gaan. Ze staan trouwens in de overtuin van Keukenhof, het voormalige Zandvliet.

Afb. 26 Jan Henry van Heemskerck (1689-1730) heer van Achttienhoven, Heischoten en Den Bosch. Schilderij door J. M. Quintchard. Foto: Rijksmuseum Amsterdam.

Onze beelden stonden aan de andere kant van de Stationsweg bij de hofstede Keukenhof, het huidige ,,kasteel”. Op 3 oktober 1720 had de Amsterdamse mr. Jan Henry van Heemskerk, Graaf des Heiligen Roomsen Rijks, Heer van Achttienhoven, Den Bosch en Eyndschoten, Kapitein der Burgerij van Amsterdam, Heemraad en Hoofdingeland van De Beemster, etc. etc., executeur testamentair en geïnstitueerd erfgenaam van Henry van Hoven jr, Keukenhof op een publieke veiling ,,ten behoeve van hem zelven in zijn WelEdelheijds Particulier” gekocht. Tot deze koop behoorden ongeveer 50 morgen Keukenduin, de boerderij met de bijbehorende landerijen en natuurlijk op de eerste plaats het huis Keukenhof zelf. Dit was ruim zestig jaar eerder tegen het Keukenduin aan gebouwd en door een plantage van ongeveer vier morgen, nog geen 31/2 ha, omgeven. De Lyt- of Loosterweg was een eenvoudige zandweg aan de voet van het Keukenduin. Van Voorhout komende passeerde men de boerderij en de hofstede Keukenhof rechts en kwam op de Veenderweg (de huidige Stationsweg) niet ver van de plaats, waar de Loosterweg zich thans in de richting Hillegom voortzet. Voor de rijke Van Heemskerk was deze plantage van vier morgen echter veel te klein. Hij laat deze aanzienlijk vergroten, zodat ze nu wel 20 morgen bedraagt. Om het gerij van boerenkarren door de plantage te voorkomen wordt er een weg om de ,,Nieuwe plantage” aangelegd en de oude weg in deze plantage opgenomen. Zocher heeft in 1857 het park van Keukenhof wel geheel verlandschappelijkt, maar nog is duidelijk te zien, hoe in het Keukenduin enige brede, diepliggende sleuven zijn uitgegraven. Men noemt ze thans schietbanen en voor dit doel moeten ze ook wel eens zijn gebruikt. Het zijn echter ongetwijfeld fraaie ,,Franse” tuinen geweest, die in de ,,nieuwe plantage” zijn aangelegd, en waarop men van de toenmalige zijkant van het huis een prachtig uitzicht moet hebben genoten. Hier hebben ook ongetwijfeld de meeste van de fraaie beelden gestaan, die door mr. Van Heemskerck met veel zorg zijn bijeengebracht. Op 26 februari 1730 is de eigenaar van Keukenhof te ‘s-Gravenhage overleden, en wanneer Brouërius van Nidek en Le Long kort daarop Keukenhof bezoeken, hebben zij 58 lange versregels nodig om uiting te geven aan hun bedroefd gemoed, de weduwe te troosten en haar te bidden toch niet algeheel in tranen weg te smelen, want ,,door tranen zag men nooit een dooden ‘t licht genieten”.

  • ,,Hier” (op Keukenhof) ,,heeft ‘s Mans groote Geest, door staatzorg afgeronnen
  • De lieve rust hersteld, zijn krachten weer gewonnen,
  • En nu geniet zijn braave en wakkre Gemalin,
  • En ted’re kinderen, aan haar in kuische min
  • Verwekt (een vrouw, een kroost, waard zulk een Man en Vader)
  • Daar af de zoetigheên. . .”

Van deze ,,zoetigheden” hebben zij nog lange tijd genoten. Pas in 1746 gaan Willem van Heemskerk en mr. Franco Pauw namens hun moeder en schoonmoeder tot verkoop over. Koper is Willem Röell, de bekende ,,Professor Anatomiae” te Amsterdam. Te voren vindt echter een uitgebreid boelhuis plaats, waarbij de gehele inboedel, alle beelden en tuinsieraden en zeer veel hout, waaronder zelfs ,,bomen, seer bequaam om verplant te werden”, zijn verkocht. De verkoop van de verzameling tuinbeelden geschiedt op de vijfde oktober 1746. Onder deze beelden vallen met name op de werken van Jan Claudius de Cock en van Alexander van Papenhoven, van wie respectievelijk acht en zeven beelden en groepen verkocht werden. Beiden zijn Antwerpenaars. De Rock (1668/70-1736) was behalve beeldhouwer ook nog etser en dichter. In Antwerpen maakte hij veel ,,heiligenbeelden” en werkte ook voor Prins Willem III aan het kasteel te Breda (de huidige militaire academie). Papenhoven ( 1668-1759) was een leerling van A. Quellinus  jr. en heeft ook in Kopenhagen gewerkt. Het is zeer jammer dat van deze beelden thans zo weinig is terug te vinden. Een overzicht van thans in ons land aanwezige tuinbeelden blijkt helaas niet te bestaan.  Vooral van marmeren beelden zijn de jaren barmhartig geweest. Bovendien raakten ze uit de mode en vele belandden in de kalkoven. Misschien blijkt het echter door dit artikel toch mogelijk, een aantal beelden alsnog op het spoor te komen. Wij willen ons nu door het herfstbos naar de ,,Hoffsteede het Keukenhoff” begeven, benieuwd wie wij er zullen ontmoeten. Schout Van der Jagt zal de verkoop leiden. Een aanzienlijke groep gegadigden, meest van buiten het dorp, is er samengestroomd. De verkoop der beelden gaat beginnen.

BEELDEN EN GROEPEN

Afb. 27 De schaking van Proserpina, door J. C. de Cock Foto: A. M. Hulkenberg.

NO 1 Een groep, verbeeldende de ontschaking van Proserpina, zijnde een extra konstig werkstuk, door Cladus de Kok, zeer delicaat uitgewerkt, hoog circa 6 voet 9 a 10 duim. Dit beroemde konststuk is altoos bij de kenders gepreesen geweest, door de fraaijheijd van tekenen, en kennis van musculen: Hetselve rust op een pedestal van blaauwe steen, hoog 5 voet, en 6 duim, en in de nissen van deselve pedestal zijn vier zinnebeelden basrelief, aplicabel tot het bovenstaande stuk, zeer uitvoerig in marmor uijtgehouwen. 

In de marge: Gerrit van. Emmerik: 1600 f 1980 : 0 : 0

Dit beeld is wel het glansstuk der gehele verzameling geweest. Als men nagaat, dat de verkoop van de gehele imboedel en van alle beelden te samen 9719 gulden en 11 stuivers opbrengt, dan is de waarde van dit éne stuk (ƒ 1980! ) wel zeer aanzienlijk. Waarschijnlijk stond het op de ereplaats, misschien wel recht voor de ingang van het huis, zoals een prent van Rademaker in ,,Rhijnlands Fraaiste Gezichten” dit vertoont.

Proserpina (in het Grieks Persephone) was de dochter van Ceres (Demeter), de godin van de landbouw. De oppergod Jupiter (Zeus) wees haar als gemalin toe aan zijn broer Pluto (Hades), de god van de onderwereld, want geen enkele godin wilde Pluto in dit gruwelijk verblijf gezelschap houden. Maar hoe zou men de dochter aan de moeder ontrukken? Eens speelde Proserpina op de weiden van Sicilië met haar vriendinnen, de nimfen. Toen verzocht Pluto aan de aarde om snel de schoonste bloemen voort te brengen.

Afb. 28 Ceres en de bronnimf Cyane. (Voorzijde van het voetstuk) Foto: K. J. Oberman

En zie, viooltjes, hyacinten,(1) narcissen, crocussen en rozen schoten uit de weide op, wel honderd bloemen uit één wortel. Proserpina vergat haar dansen om bloemen te plukken, want zoveel schoons hadden goden noch mensen ooit gezien. Zij vlocht ruikers en kransen, en hoe verder zij ging, des te fraaier bloemen vond zij. Toen zij een heel eind van haar speelgenoten verwijderd was, beefde opeens de aarde en spleet van een; Pluto’s gouden wagen met pekzwarte paarden dook eruit op. De sterke god greep de arme Proserpina en daalde met haar in de duistere afgronden. In een tuin vol verlokkelijke bloemen was het beeld van Proserpina dus wel bijzonder op zijn plaats en men trof het dan ook veelvuldig aan. Proserpina’s laatste smeekgeroep werd door haar moeder gehoord. Zij snelde te hulp. Maar ieder spoor was verdwenen; de aarde had zich weer gesloten. Goden noch mensen noch waarzeggende vogels konden Ceres inlichtingen verstrekken. Zo stak zij bij de Etna haar fakkel aan en waarde negen dagen en negen nachten rond, om haar dochter te zoeken. De reliëfs op het beeld hebben betrekking op Ceres, bij het zoeken naar haar geschaakte dochter. Ovidius’ Metamorphosen (boek V) moeten hier door De Cock als bron gevolgd zijn. Aan de voorzijde van het voetstuk ziet men de bronnimf Cyane. Vlak bij haar verdween Proserpina in de aarde en uit smart hierover veranderde Cyane in water. Wanneer Ceres bij Cyane komt, kan deze haar niets meer omtrent het lot van haar dochter vertellen. Kort tevoren had zij een jongen, die haar bespotte, in een soort hagedis veranderd, door hem met de rest van de drank, die haar was aangeboden, te begieten. Deze episode moet de voorstelling links op het voetstuk weergeven. Op de derde zijde verandert Ceres Ascalaphus, die de terugkeer van Proserpina naar de aarde verhinderd had, in een onheil brengende uil, door water naar hem te werpen. De drie taferelen hebben dus alle op Proserpina’s moeder Ceres betrekking. Het vierde reliëf is helaas verloren gegaan. Het beeld is door De Cock gesigneerd met zijn naam en verder: ,,Invenit e Fecit, Antverpia 1711”. De koper, Gerrit van Emmerik, komt te Amsterdam voor in het kohier van 1742 (wijk 33, 5975) als metselaar op de Heeregracht met een getaxeerd inkomen van f 6000.

Afb. 29 Ceres verandert een jongen in een hagedis. (Linkerzijde van het voetstuk) Foto: K. J. Oberman

Ook bezat hij een buitenplaats. Toch heeft hij het beeld waarschijnlijk niet voor zich zelve gekocht. Het bevond zich sinds mensenheugenis op de buitenplaats Meer en Bergh te Heemstede, en de Amsterdamse metselaars waren op de buitenplaatsen langs het Haarlemmer Meer geen onbekenden. Meer en Bergh was in 1746 in het bezit van de schatrijke Petronella de Neufville (1688-1749), weduwe van Jacob van Lennep en van Matheus de Neufville, haar volle neef. Het is mogelijk dat haar oudste zoon, Aernout van Lennep, het beeld heeft gekocht, maar zeer waarschijnlijk is dit toch niet. Weliswaar was hij kort te voren gehuwd en bewoonde hij het huis, maar mama hield toen nog de koorden van de beurs! Tot 1931 heeft het beeld Meer en Bergh gesierd. Toen jhr. Hendrik Jan Deutz van Lennep in financiële moeilijkheden geraakte, verkocht hij verscheidene zaken aan de heer Goudstikker te Amsterdam, ten einde zich liquide middelen te verschaffen. Zo kwam het beeld naar de buitenplaats van genoemde kunsthandelaar, het huis Oostermeer te Ouderkerk aan de Amstel. Daar staat het nog steeds. Slechts is, zoals gezegd, een der vier ,,zinnebeelden” van het voetstuk verloren gegaan. De huidige eigenaar van Oostermeer, de heer K. J. Oberman, heeft in de open ruimte een marmeren plaat doen aanbrengen. Op Oostermeer is het bijzonder fraaie beeld voorlopig in veilige handen.

NO 2 Een groep met kindertjes, verbeeldende de vrede, die den overvloet kroont, door deselfde meester, boog circa 3 voet, mede rustende op een pedestal van 3 voet, zijnde mede zeer delicaat uit gewerkt

In de marge: Heer van Zwieten sol 210 f 240

Deze heer van Zwieten moet wel zijn mr. Gerard Bicker van Swieten (1687- 1753), Heer van Swieten, Vrijbaanderheer van de Baronnie en de Hoge Heerlijkheid van Kessel, Heer van Hei- en Boecop, Baljuw van Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout.

Afb. 30 Ceres verandert Ascalaphus in een uil. (Rechterzijde van het voetstuk) Foto: K. J. Oberman

Hij woonde meestal te Amsterdam, waar in 1742 zijn inkomen werd geschat op f 30 à 32.000! Tevens was hij eigenaar van het prachtige Huis te Zwieten onder Zoeterwoude, door hem geheel vernieuwd en – volgens de opvattingen van die tijd – belangrijk verfraaid. Hoe vergankelijk is echter de aardse glorie! Tussen 1794 en 1805 is het kasteel van Zwieten helaas als zo vele andere geheel gesloopt, De algehele malaise was wel de belangrijkste oorzaak en de gewijzigde smaak deed de rest. En voor de wegen die in de Franse tijd zijn aangelegd was veel puin nodig. En aldus. . . Naar de beelden van Swieten zoekt men te vergeefs.

NO 3 Een groep, zijnde een weerga met jonge satertjes spelende met een bok, als bachanten, omtrent even hoog als het voorgaande, rustende op een pedestal van 3 voet

In de marge: Van Emmerik 260 f 260

NO 2 en NO 3 zijn wel gescheiden verkocht, maar ze hoorden eigenlijk bij elkaar, want de laatste wordt een weergade van de eerste genoemd. De Bacchanten waren de begeleiders van de god Bacchus op diens wereldreis. Met loshangende haren maakten zij zwierige pret en zwaaiden met de met wijnranken en klimop omwonden staf. In wilde tonen weerschalde hun geschreeuw. Achter hen volgden dan dronken mannen en saters. Helemaal achteraan kwam Sìlenus op een wijnvat. Hij moest steeds in evenwicht worden gehouden, want hij verkeerde in een gestadige roes. Deze Silenus zullen we straks bij nummer 42 nog ontmoeten. Ook beeld NO 3 is waarschijnlijk, evenals NO 1 door Van Emmerik voor Meer en Bergh gekocht. Mevrouw H. C. Nering Bögel geb. baronesse Van Zuylen van Nijevelt herinnert zich deze beeldengroep nog zeer goed uit haar jeugd, toen zij bij haar grootvader jhr. mr. D. J. C. Deutz van Lennep op Meer en Bergh logeerde. Ze stond met nog andere beelden in de ,,beeldenkamer”, de monumentale orangerie, die helaas een vijftiental jaren geleden is gesloopt. Het beeld is thans spoorloos; ook op Oostermeer is het niet.

NO 4 Een uitmuntende groep met kindertjes, verciert met bloemen, verbeeldende het voorjaar, mede van deselve C. de Kok, hoog 3 voet, en 3 duijm, op een pedesstal van 3 voet

In de marge: d’Heer van der Hulst.  200 f 230, Daarna is d’Heer doorgehaald en vervangen door De Heer Pieter Tylard.

Afb. 31 De Lente, door J. C. de Cock. Foto: Teylers Stichting Haarlem

NO 5 Een dito groep met kindertjes, verbeeldende het najaar, niet minder als de voorgaande, hoog 3 voet, op een petestal van 3 voet

In de marge: Deselve 225 f 255 sol

Pieter Teyler van der Hulst (1702-1778) was een vermogend Haarlems textielindustriëel. Hij woonde in het huis Damstraat 21, thans nog in het bezit van de naar hem genoemde Stichting. En inderdaad vinden wij op een kleine binnenplaats van dit huis de beide beeldengroepen, die wel wat zijn vervuild, maar overigens aan charme nog maar weinig hebben ingeboet: ,,Het Voorjaar” is ongesigneerd; op ,,Het Najaar” leest men: ,,De Cock, 1710”. Omstreeks 1780 is de binnenplaats door architect Viervant gewijzigd, toen de Museumzaal achter het woonhuis werd gebouwd. De huidige opstelling is dus niet die van Teyler zelf. Achter het huis was een tuin, maar Teyler bezat nog een tweede tuin met koepel aan het Spaarne. Ook hier kunnen de beelden gestaan hebben. Wybrandt Hendriks (1744-1831), conservator, ,,kasteleyn” van Teyler’s Museum, heeft een schoorsteenstuk naar een van de beeldegroepen geschilderd in de stijl van Jacob de Wit, dat nog in een der regentenkamers van het Frans Hals Museum aanwezig is.

NO 6 Een uitmuntend fraij kindje, verbeeldende een jonge Bachus, door Alexander van Papenhoven, hoog circa 3 voet, op een pedestal van 3 voet.

In de marge: Hendrik Gleuving. 102 f 112

Deze Hendrik Gleuving koopt nog meer beelden, de nummers 12, 21, 26, 30, 45 en 46. Bij 30 en 46 wordt ,,Amsterdam” aan zijn naam toegevoegd. Dit kan geen ander zijn dan de vrij eenvoudige, eerzame koekenbakker Hendrik Gleuvink, die blijkens het kohier van 1742 in de Vijzelstraat woonde (wijk 58, 4390), gequalificeerd was in het zoutpakhuis en getaxeerd werd op een inkomen van fl 1000. Een buitenplaats had hij niet. Waarschijnlijk heeft hij slechts voor een derde als stroman gediend.

NO 7 De liefde met een brandend hert in de handen, door deselve beroemde meester, hoog circa 3 voet op een pedestal van 3 voet

In de marge: d Heer Tylard 102 sol f 107

Dit beeld is bij de Teylers Stichting niet meer aanwezig. (Verg. de nummers 4 en 5). Ook in de archieven aldaar is er niets van bekend.

NO 8 Een jonge Hercules, door de voornaame meester C. de Kok, hoog 3 voet, op een pedestal van 3 voet.

In de marge: d Heer Baron van Wassenaar 142 f 147

Wanneer in Lisse in 1746 over Baron van Wassenaar wordt gesproken, kan dat geen ander zijn dan Gerard Anthony baron van Wassenaar van Alkemade, die met zijn echtgenote, Elisabeth Maria Cromhout, vrouwe van Werve en Nieuwerkerk, het huis Meerenburgh aldaar bewoonde. (Dit Meerenburgh, Meer en Burgh of Meerenberg te Lisse moet niet verward worden met: het eerder genoemde huis Meer en Bergh of Meerenberg te Heemstede of met Meerenberg te Santpoort). Na de dood van zijn zoon, de ongehuwde baron Jacob Hendrik op 15 december 1800, was het met de glorie dezer zeer grote buitenplaats gedaan. Eind oktober 1801 wordt een groot boelhuis gehouden, maar behalve een beeld waar ,,Vrouw Groen” ruim een gulden voor betaalt en nog een tweetal houten vazen en twee stenen beelden met een gezamenlijke waarde van twee gulden en tien stuivers, hoort men van tuinbeelden niets. Wel kan Arie Balkenende voor drie gulden alle ,,beeldekasten” mee naar huis nemen, de houten kasten die ‘s winters de beelden beschermen. Ze stonden kennelijk nog in de schuur. Op 1 juli 1802 worden de ,,heerenhuisinge, tuinmanswooning”, etc., ,,mitsgaders alle de beelden” verkocht aan Philip Wilhelm Wagner, geweermaker in de Warmoesstraat te Haarlem, die het huis al zeer spoedig deed slopen. Van de beelden, de nummers 8, 9, 11, 13, en 14 verneemt men verder niets.

NO 9 Een jonge Mercurius, sijnde een weerga, van deselfde meester, hoog 3 voet, op een pedestal van 3 voet.

In de marge: Deselve. 140 f 150

NO 10 Een kindje, verbeeldende, de kragt der liefde, mede van  C. de Kok, hoog circa 3 voet, op een pedestal van 3 voet.

In de marge: Advt Dierquens 150 160

Bij de verkoop van de inboedel van het huis wordt reeds van ,,de Heer Dierquens van Haerlem” gesproken. Zeer bekend is in Haarlem mr. Willem Dierquens, maar die was reeds in 1743 overleden en zijn zoontje was nog maar elf jaar, De koper van de beelden nr. 10, 16, 17, 20 en 22 moet zijn broer zijn geweest, mr. Johan Dierquens (1718-1766), die tussen de Dordtse regenten een eervolle plaats zal gaan bezetten. In 1746 woont hij echter nog te Haarlem, want wanneer hij op 1 september 1750 huwt met Elisabeth Catharina van Slingelandt, een dochter uit een Dordts regeringsgeslacht, moet de aantekening ook te Haarlem plaats hebben, aangezien hij tot voor kort aldaar gevestigd was geweest. Dit is dus de advocaat, die ,,gewoond hebbende tot Haarlem” naar Dordrecht trok. Of zijn beelden naar Dordrecht zijn meegegaan weten wij niet.

NO 11 Een Cupido met duiven, die malkander zoenen, verbeeldende, de eenvoudige zuijvere liefde, door A. van Papenboven, hoog 3 voet, op een pedestal van 3 voet.

In de marge: Baron van Wassenaar. 160 f 175

NO 12 Een jonge Apollo, van deselve, hoog circa 3 voet, op een pedestal van 3 voet

In de marge: Hendrik Gleuving. 91  f 106

NO 13 Een kindje, zijnde een weerga, extra konstig, door denselven meester, van gelijke hoogte.

In de marge: Baron van Wassenaar. 110 f 135

NO 14 Een uitmuntend staand beeld, zijnde Apollo, van A: Papenhove, hoog 4 voet, staande op een pedestal van 3 voet en 4 duijm .

In de marge: Deselve. 265 f 300

NO 15 Venus en Cupido, zeer konstig uijtgehouwen, van deselfde meester, hoog als de bovenstaande, en op een pedestal van gelijke hoogte.

In de marge: Gysb van Vullepen voor Jan Ant Toneijn. 230 f 270

In de eerste helft van de 18de eeuw komen Van  Vullepens verscheidene malen in de Haarlemse boeken voor, maar de naam Gysbert. Ook in Amsterdam en in de omgeving van Lisse komt de naam niet voor. Gysbert kocht het beeld voor Jan Anthony Tonyn, en over hem is wel meer bekend. Hij woonde op de Amsterdamse Prinsegracht (wijk 60, 5849) en genoot een getaxeerd inkomen van f 2000. Een buitenplaats had hij niet, maar wel blijkt, dat hij zakelijk in beelden was geïnteresseerd. In 1751 voerde hij uit Livorno 57 borstbeelden en nog twee kleinere beeldjes in en in 1752 nog ,,een marmoren kindje”. Tonyn, misschien een verbastering van de Italiaanse naam Tonino, kocht ook de nummers 18 en 37. Gysbert van Vulpen speelde hierbij niet meer een rol. Een Venus en Cupido van de genoemde grootte stond jarenlang op de buitenplaats Bosbeek te Heemstede. Toen de Eerwaarde Zusters dit huis betrokken en hier hun liefdewerk begonnen, werd het beeld door hen wel wat ongekleed bevonden. Het siert thans de tuin van het raadhuis van Heemstede. Venussen en Cupido’s waren echter zo talrijk, dat het zeer onzeker is, of wij hier met het gezochte beeld te maken hebben.

NO 16 Een staand beeld, sijnde Diana, verbeeldende de nagt, ruijm 6 voet hoog staande op een blaauwe steene pedestal.

In de marge: Advt Dierquens 150 f 150

NO 17 Aurora, of morgenstond sijnde een weerga, omtrent deselfde hoogte, staande op een pedestal van 3,5 voet hoog, door een italiaansche meester.

In de marge: Deselve 100 f 130

NO 18 Een staande Batch van een dito meester, hoog 5 voet en 8 duijm, staande op een marmore pedestal, hoog circa 4 voet.

In de marge: Jan Antony Toaneyn 230 f 265

Alle deese bovenstaande beelden sijn alle van fijn marmer, en extra uitvoerig uijtgewerkt.

MARMORE BORSTBEELDEN

NO 19 Twee fraaije fijne marmore borstbeelden, staande op pedestallen, samen met haar pedestallen hoog 4 voet, en 10 duijm.

In de marge: de Heer Cliffort  60 f  84

Mr. George Clifford Georgeszoon (1685-1760) was een voornaam en zeer vermogend koopman en bankier. Hij woonde op de Keizersgracht te Amsterdam, waar in 1742 zijn inkomsten werden geschat op f 28 à 30.000. Hij was eigenaar van De Hartekamp, juist op de grens van Bennebroek en Heemstede, waar enige jaren eerder de beroemde Carolus Linnaeus hortulanus was geweest. Clifford kocht ook de nummers 24, 27, 38, 39 en 40. Geen van deze sculptures wordt op De Hartekamp meer aangetroffen. Men herinnert zich ook niet, dat ze er ooit aanwezig zijn geweest.

NO 20 Twee dito borstbeelden, mede van gelijke hoogte

In de marge: Adv. Dierpens 90 f 95

NO 21 Twee dito als boven

In de marge: Hendrik Gleuving  81 f 103

NO 22 Twee dito

In de marge: Adv. Dierquens  100 f 103

NO 23 Twee dito

In de marge stond aanvankelijk: dhr. v. d. Streng. Dit is doorgehaald en vervangen door: Weduw David  Noville. 125 f 135

De weduwe van David Mattheus de Neufville was Jacoba van Gelder (1686-1755). Tot 1734 woonde zij op de buitenplaats Oosterhout buiten Haarlem, aan het einde van de Kleine Hout, ,,onder den gerechte van Heemstede”. Waar zij in 1746 woonde is mij niet bekend. Mogelijk bij haar dochter, die met de schatrijke Abraham Verhamme was gehuwd (1708-1755). Over deze Verhammes zie nummer 34.

NO 24 Twee dito

In de marge: Cliffort 82 f 102

NO 25 Twee dito

In de marge: d Heer Kops 85 f 95

Willem Kops Nzn ( 1687-1754) bewoonde met zijn echtgenote, Sophia Kops, de buitenplaats Bos en Vaert te Heemstede, die hij op 25 juni 1735 voor f 20.000 van David Leeuw van Lennep Dzn had gekocht. Van 1740 tot 1754 heeft hij regelmatig zijn buitengoed vergroot. Het lag ten westen van de weg naar Leiden, ter hoogte van de huidige Haarlemse Bos en Vaartstraat. Ook de nummers 28 en 29 werden door de heer Kops gekocht.

NO 26 Twee dito

In de marge: Hendrik Gleuving 81 f85

NO 27 Twee dito

In de marge: d Heer Cliffort 60 f 76

NO 28 Twee dito

In de marge: d Heer Kops 80  f 90

NO 29 Twee dito

In de marge: d Heer Kops Nicolaes 100 f 105

NO 30 Twee dito

In de marge: Hendrik Greuving (sic) Amsterd 52 f 56

NO 31 Twee dito

In de marge: Heer v Zwieten 80 f 80

NO 32 Twee dito

In de marge: d Heer Buys 105 f 1 05

Mr Willem Buys, commies generaal van het edelmogende collegie ter admiraliteit te Amsterdam, woonde op de Keizersgracht (wijk 58, 4497) en genoot aldaar in 1742 een inkomen van f 10.000. Op 2 oktober 1739 had hij voor f 12.300 ,,‘t Huys te Byweg” te Bennebroek gekocht. Het buitengoed grensde aan de eerder genoemde Hartekamp. Thans bevindt zich daar de Krakeling en de Bijweglaan. Ook het volgende nummer komt op naam van de Heer Buys.

NO 33 Twee dito

In de marge: d Heer Buys 92 f 92

NO 34 Twee fraaije mormore borstbeeldjes van een beroemd meester, sonder pedestallen

In de marge: d’Heer van der Streng (doorgehaald). Daaronder: Abraham Verhamme 43 f 45

De identiteit van deze Abraham Verhamme vast te stellen is zeker geen gemakkelijke zaak. Wij bevinden ons hier in een uitgebreide kring van zeer welgestelde doopsgezinde kooplieden, Verhamme, Van Lennep, De Neufville, Kops, etc., die onderling telkens weer aan elkander verwant blijken te zijn, maar die uit der aard geen doopregister bijhielden, hetgeen een naspeuren aanzienlijk bemoeilijkt. Men behoeft echter maar eventjes te schudden, of de Brammetjes Verhamme vallen als rijpe appeltjes uit de genealogische boom. Of misschien juister gezegd: zij hangen als zovele rijke hammen in de welvoorziene schouwen der herenhuizen en buitenplaatsen! Misschien was deze Abraham de Haarlemse zijdefabrikant, die aan het Spaarne woonde, thans vermoedelijk nr. 9. Misschien ook de Amsterdamse koopman Abraham Verhamme, die aan de Herengracht woonde en getaxeerd werd op een inkomen van f 26.000. Hij was weduwnaar van Wijna van Lennep en thans gehuwd met Elisabeth Looten. Misschien ook Abraham (1708-1775), gehuwd met Maria de Neufville, de dochter van de eerder genoemde weduwe David Mattheusz de Neufville (zie nr. 23). Of was het diens vader, Abraham, gehuwd met Johanna Maria Slagregen, wiens dochter gehuwd was met de eerder genoemde Aernout van Lennep (zie nr. 1 )? Mogelijk kocht Mama Petronella de Neufville haar beeld nr. 1 voor zoon Aernout en heeft Papa Verhamme er nog een cadeautje voor het jonge paar bij gedaan. Wel wat minder kostbaar.. . In dit geval zijn de twee fraaie borstbeeldjes naar Meer en Bergh gegaan.

NO 35 Twaalff marmore medaljons, zijnde borstbeelden, fraij uijtgehouden

In de marge: d Heer van der Streng voor d Proffessor Rouel 120 f 130

Het is niet duidelijk, hoe men zich deze medaillons moet voorstellen. Waarschijnlijk waren ze in de tuinmuur ingemetseld. In ieder geval zijn ze op Keukenhof gebleven, al worden ze daar thans niet meer aangetroffen. Professor Dr. Willem Röell (1700-1775) woonde op de Keizersgracht te Amsterdam, tussen de Huidenstraat en de Leidsegracht. Hij was professor in de anatomie, prolector in de chirurgie, etc. etc., en bezat bovendien nog koffie-, cacao- en katoenplantages. Hij was nog al eens ziek en vertoefde later vaak (àl te vaak) op zijn geliefde Keukenhof.

HARTSTEENE BORSTBEELDEN

Wonderlijk genoeg opnieuw:

NO 35 Laurens Koster

In de marge: d Heer Tjark 20 f 23

NO 36 Desiderus Erasmus

In de marge: d Hr Nicol Tjark 15 f 20

De Leidse rooms-katholieke Mr. Pieter en zijn broer, de advocaat Mr. Nicolaas Tjark (of Tiarck) waren eigenaars van de ,,buitenplaats Middelburg” te Lisse. Deze lag aan de Loosterweg, niet ver van Keukenhof en grensde aan de noordzijde aan Veenenburg. De ,,Heerehuizinge van de geweese Hoffsteede Middelburg” is begin 1758 gesloopt. Deze stond niet ver van de huidige boerderij Middelburg, sinds 1894 bewoond door de familie Van Graven. Bij de koop in 1753 wordt door enige Leidse opkopers, onder wie Jacobus Snarenberg, voor alle banken, beelden en vazen, losse en vaste pedestallen en de zonnewijzer in de moestuin 600 gulden betaald.

NO 37 Een Rooms keijser.

In de marge: Jan Antonijn. 2 1 f 21

NO 38 Een philosooph

In de marge: d h. v. d. Streng voor de Heer George Cliffort 13 f 15

NO 39 Een dito

In de marge: de Heer van der Streng voor deselve 11 f 13

NO 40 Cleopatra

In de marge: De Heer van der Streng voor deselve 14 f 14

NO 41 Twee heerlijke hartsteene sphinxenbeelden, extra konstig uijtgewerkt, zonder pedestal, circa 5 voet lang 2 voet breed en hoog circa 3,5 voet

120 145 In de marge: d Heer van Zwieten 120 sol f 145

NO 42 Een vaas op een pedestal, op deselve, uitgehouwen een bachinaal Silenus, rijdende op een ezel, hoog 3 voet, de pedestal 3 voet, en 8 duijm hoog

In de marge: Gerret v d Hart 43 f 43 sol

Hier is Silenus, waarover wij bij nr. 3 gesproken hebben. Gerret v. d. Hart is tot nog toe onvindbaar gebleven.

NO 43 Een dito vaas, verbeeldende heijdensche offerhande, circa 5 voet, op een pedestal van 3,5 voet

In de marge: de Heer Bollard 90 f 111

Deze heer Bollard, die ook de nummers 43A en B en 49 kocht, is ongetwijfeld de makelaar-timmerman Sibout Bollart. Hij woonde op het Singel te Amsterdam (wijk 30, 5118) en werd in 1742 getaxeerd op een inkomen van f 80000. Ook bezat hij een buitenplaats, maar in de omgeving van Lisse is deze niet te vinden.

NO  43* Drie fraije marmore vaezen versiert met bloemenfestonnen in maskes, aangehegt op een  antique wijs seer fraaij uijtgehouwen

In de marge: C) Hr v Heemstede sol 99 gl ,B) d H Bollard 109 gl , A) dH Bollard 93 gl D) Heer Roel ongenommert 2 lode vasen f 31.

In 1746 was Mr. Benjamin Pauw geboren Hoeufft, raad en schepen van Haarlem, Heer van Heemstede. Hij bewoonde het Huis te Heemstede, waarvan de overblijfselen met de fraaie Pons Pacis onder de naam ,,‘t Oude Slot” bekend zijn. Van de vaas thans geen spoor. . .

De loden vazen zijn dus weer op Keukenhof gebleven. Als Professor Röell in 1768 de buitenplaats verkoopt worden in de aanhef de ,twee loode Vaasen opnieuw vermeld. Waarschijnlijk zijn ze identiek aan de ,,twee loode potten” waarvoor ,,de Heer van Beek” f 29 betaalt. Deze Heer van Beek is Lucas van Bee(c)k uit Amsterdam, de eigenaar van de buitenplaats Overduin. Deze lag in de Lage Veensepolder en is omstreeks 1800 gesloopt. Het wei- en houtland ter plaatse behoort nu tot Keukenhof. De loden vazen zijn zoek.

NO 44 Twee marmore borstbeelden sonder pedestal

In de marge: Gysbert de Lyn v. Dordregt 10 f 13

In Dordrecht is geen De Lyn te vinden. Wel woonde niet ver van Keukenhof de familie Van der Lyn, maar deze kwam niet uit Dordrecht en hiervindt men de naam Gysbert te vergeefs.

NO 45 Twee dito

In de marge: Hendrik Gleuving 12 f 14

NO 46 Twee dito

In de marge: d Heer Hendrik Gleuving Amsterdam 13 f 14

NO 47 Twee dito

In de marge: Gysbert de Lijn van Dordregt. 11 f 13

NO 48 een Venusbeeld

In de marge: Jan v. d. Vinne v Haarlem 6 f 6

Jan van der Vinne (1699-1753) was een bekend schilder van bloemen, vooral ook van bolgewassen. Hij woonde in de Kleine Houtstraat, thans nr. 77. De nalatenschap van Van der Vinne werd 13 mei 1754 publiek verkocht, maar de catalogus is onvindbaar. Evenals de Venus.

NO 49 Een vergulde Triton met de houte kap

In de marge: d Hr Bollard 70 f 70

Tritons waren wezens, waarvan het bovenlijf menselijke vormen had, terwijl het overige op een vis geleek. Zij waren de trouwe begeleiders van de zeegod Neptunus. Ze vergezelden hem overal en luid bliezen ze op hun kleurige kinkhorens, dat het strand er van weerschalde. Men vindt ze vaak als fonteinversiering. Deze Triton is evenals de voorgaande Venus met een ander handschrift aan de lijst toegevoegd. Waarschijnlijk stonden deze beelden dus niet bij de andere. Ook valt het op, dat hier de houten kap mede wordt verkocht. Verder worden deze kappen in het geheel niet vermeld.

Een stene bak

In de marge: d Heer professor Doviele 21 f 21

Nu de veiling ten einde loopt komt nog de bescheiden Professor Jacobus Philip d’Urville of d’Orville (1690-1751) naar voren. Al eerder had ,,Professor D’orviele, Heemstede” uit de inboedel een ,,schrijfcomtoir” gekocht.

Reeds in 1742 was deze Amsterdamse professor emeritus en woonde toen zomer en winter op zijn hofstede Groenendaal te Heemstede. Deze buitenplaats was zeer uitgestrekt, maar het huis zelf niet groot. De machtige John Hope kocht Groenendaal in 1767. Later kocht hij eveneens het aangrenzende Bosbeek, met klein terrein, maar met een zeer fraai huis. Omtrent 1790 werden de buitens tot één machtige buitenplaats verenigd en het huis Groenendaal gesloopt. In de tuin achter het huis Bosbeek staat thans nog een grote, oude stenen bak. In de korte zijden zijn saterkoppen uitgewerkt, die een handvat in de bek geklemd houden. Het is zeer wel mogelijk, dat dit de vrij prijzige bak is, die Professor d’orville in 1746 op Keukenhof heeft aangekocht.

Een Venusbeeld, gegoten, harde specie (Doorgehaald)

Eenige stukken blaauwe steenen, bekwaam om pedestallen te maken

Evenals het vorige doorgehaald. Met ander handschrift toegevoegd:

De professor Rouèl eenige stukken blaauwe stenen 11-0-0.

Waarschijnlijk zijn deze niet allemaal tot ,,pedestallen” verwerkt, want in 1768 verkoopt Professor Röell nog ,,eenige blauwe steenen”, waarvoor de Lissese Jacobus Obdam één gulden en tien stuivers betaalt.

Nu is de verkoping ten einde. De beelden blijken te samen te hebben opgebracht de somma van 7399 gulden. De gehele verkoop, inboedel, beelden, etc. te samen 9719 gulden en 11 stuivers.

Aldus gedaan ende verkogt op de hoffsteede t Keukenhoff in Lisse ten overstaa van Jan van der Jagt Schout, Leendert van der Jagt, ende Jacob van t Hoogt, Schepenen van Lisse, op den 4e en 5e October 1746. Jan van der Jagt Leendert van der Jagt Jacob van ’t Hoogt.

Het is gebeurd! De beelden moeten nu ,,binne de veertien dagen” worden afgevoerd en daarbij dient men ,,alle behoorlijke voorsigtigheijt te gebruyken om de Hoffsteede niet te beschadigen”. Zo vertrekken de beelden en vazen van Keukenhof. Op 24 oktober 1746 hebben W. van Heemskerck en Franco Pauw het bedrag uit handen van de secretaris van Lisse ontvangen. Het geld is thans verspreid en de heren zijn dood. Maar de beelden, waar zijn die gebleven?

AANTEKENINGEN

Veel dank is de schrijver verschuldigd aan mejuffrouw dr. I. H. van Eeghen te Amsterdam en de heren J. H. van Borssum Buisman en drs. N. M. Japikse te Haarlem, E. J. M. van Dijk te Lisse die het kaartje tekende, dr. H. C. M. van der Krabben te ‘s-Gravenhage, prof. Th. H. Lunsingh Scheurleer te Leiden, M. Thierry de Bije Dólleman en C. Peper te Heemstede en mr. A. Sraring te Vorden.

 

Voornaamste bronnen

Algemeen Rijksarchief: Rechterlijk archief van Lisse, inv. nr. 73 folio 163 verso tot 179. Betreffende het oorspronkelijk Leidse geslacht Van Heemskerck

De Nederlandsche Leeuw 1961 kolom 286-321, en Johan E. Elias,

De Vroedschap van Amsterdam. Uit dit laatste werk is vaker geput.

Ulr. Thieme en F. Becker, Allgemeines Lexikon der Bildenden Künstler VII

J. Kleijntjes en dr. H. H. Knippenberg, Van Goden en Helden

1). Met deze hyacinten werd waarschijnlijk niet onze huidige hyacint, maar een soort gladiool, de Gladiolus byzantinus Mill., bedoeld.

 

Afb. 31 De Lente, door J. C. de Cock Foto: Teylers Stichting Haarlem.

De Keukenhof. Uit: Rijnlands fraaiste Gezigten. Cliché: fa. Hamburg en Velthuis, Hillegom.

Tekst en foto’s overgenomen uit Leids Jaarboekje 1969 pag 181