Berichten

KIJK NOU EENS: Rosendaal

 

 

Kijk nou eens! Dat is natuurlijk een aansporing om eens goed om je heen te kijken. Soms ben je al heel vaak ergens langs gelopen zonder een bepaald detail op te merken. Met deze rubriek hebben we voor ogen dat we juist een detail laten zien om u uit te dagen te bedenken om welk pand het gaat. In het volgende Nieuwsblad gaan we iets over het pand of de geschiedenis van de locatie schrijven. Met ook een beetje de hoop dat een lezer ons aanvullende informatie over het pand kan geven. Heeft u verhaal, laat het ons weten via: redactie@oudlisse.nl Deze keer zelfs 2 details! U bent weer uitgedaagd!

De raadselachtige tegeltjes op een gevel ergens in Lisse krijgen een plekje. Of wist u het al? Liesbeth Brouwer geeft uitleg over een stuk Lissese geschiedenis. Eerder in dit blad is ook aandacht voor deze plek. Toevallige meerwaarde!!

Door Liesbeth Brouwer

Nieuwsblad 23 nummer 3 2024

Kwamen de details u bekend voor, maar kon u het toch niet thuisbrengen? Dan bent u echt niet de enige. Je gaat vaak achteloos aan iets voorbij, terwijl het toch rg leuk is om iets meer achtergrond te weten.

Tijdgeest

Rosendaal met op de achtergrond het LAB

Dirk Floorijp vertelt op blz.13 t/m 15 over de bewoners van landgoed Rosendaal. Dit verhaal gaat over het appartementengebouw Rosendaal en haar voorgeschiedenis. In het begin van de vorige eeuw kondigden zich voor het ooit zo fraaie landgoed Rosendaal, de eerste veranderingen aan. In februari 1914 bericht het Leidsch Dagblad: ‘De oude steenen muur bij het huis “Roozendaal” zal dan eindelijk moeten verdwijnen, omdat daar ter plaatse een autogarage met werkplaats zal worden gebouwd voor den heer van Werkhoven alhier’. In mei 1913 adverteerde Van Werkhoven nog voor zijn Lisser Auto-Garage op het Vierkant (naast Lissesche Bank). Hij heeft telefoonnr. 82. In september 1914 beslist de gemeenteraad dat ‘de perseelen op den Rijksstraatweg’ die de firma huurt, worden bestraat. Van Werkhoven zal de tijd meegehad hebben, de markt voor automobielen groeit en voor motorliefhebbers is belangrijk dat hij een agentschap voor Harley-Davidson heeft. Hij houdt zich  ook nog bezig met rijwielen. Toch loopt niet alles op rolletjes. In 1917 staat er van hem een ingezonden stuk in de krant. Wat blijkt, er is een schrijnend tekort aan rijwielbanden en de firma Vredestein levert niet aan plaatselijke rijwielhandelaren. Tekorten als gevolg van de Eerste Wereldoorlog zijn duidelijk ook in Lisse voelbaar! Toch gaan de zaken goed. Van Werkhoven verwerft de vertegenwoordiging van General Motors, dus voor Cadillac, Buick, Oakland, Chevrolet, Oldsmobile en G.M.C. vrachtwagens moet je aan de Heereweg zijn.

 

De benzinepomp van Werkhoven

In 1928 breidt de zaak, gelegen op de voormalige tuinen van landgoed Rosendaal, verder uit. Een benzinepompmeter In 1923 bereikt een verzoek van petroleummaatschappij “De Automaat” het gemeentebestuur om voor de garage van Van Werkhoven een benzinepompmeter te plaatsen. B&W stellen voor dit af te wijzen omdat de provinciaal ingenieur negatief oordeelde. Dat ging de raad echt te ver. Dat iets afgewezen zou worden omdat een of andere ambtenaar daartoe adviseert.Een verhitte discussie volgt met termen als: ‘Laat ze “het ding” maar vast plaatsen, de gemeente kan er nooit kwaad bij, en de oliemaatschappij is rijk genoeg. Als er wat van komt zal zij het wel betalen’ en ‘een welkome gelegenheid om te protesteren tegen deze aantasting van de gemeentelijke autonomie’. Logisch gevolg: er wordt toch positief beslist. In 1934 verleent de gemeente “The Texas Cy” verlof om deze pomp te vervangen door een elektrische. Op deze locatie bleef lang een pomp: er zijn vast nog wel Lissers die zich pompbediende Gerrit Lubbers herinneren.
Kwamen de details u bekend voor, maar kon u het toch niet thuisbrengen? Dan bent u echt niet de enige. Je gaat vaak achteloos aan iets voorbij, terwijl het toch
erg leuk is om iets meer achtergrond te weten.

Naamswijziging
De fraaie foto met de mooie advertenties op de blinde muur toont het pand van schilder Bemelman met daarnaast de panden van Van Werkhoven met daarvoor de benzinepomp. Daarachter is nog iets te zien van de tuinen die bij het restant van landgoed Rosendaal horen. Bemelman was naast huisschilder ook rijtuigschilder. Dat de firma zich in later jaren ook bekwaamde in het autospuiten is een logische stap en natuurlijk heel handig vlak bij een garagebedrijf. De incassobank was er nog niet. Dat tuingedeelte van het landgoed Rosendaal lag jaren braak. De bank opende in 1939 op de hoek van de Heereweg/Veldhorststraat de deuren. Begin dertiger jaren komt het garagebedrijf negatief in het nieuws. Er zijn malversaties gepleegd in de jaren 1931, 1932 en 1933. In december 1933 wordt de boekhouder in Heemstede aangehouden en naar Lisse overgebracht. Mogelijk heeft dat te maken met de naamswijziging. In het handelsregister wordt begin 1935 een naamswijziging bekendgemaakt naar Lisser Automobielbedrijf N.V., hoewel de naam Van Werkhoven ook nog gebruikt wordt. Het bedrijf heeft gelukkig een goede naam.

Naoorlogse periode
De crisisjaren en de periode van bezetting zullen voor het bedrijf moeilijk zijn geweest. 24 februari 1945 werd, door het Nederlands Militair Gezag in Nijmegen, een verordening registratie motorrijtuigen van kracht. Lisse was toen nog bezet, maar in oktober 1945 staat er een oproep in de krant voor die registratie.

De muurreclame van J.P. Bemelman

Dat kan bij Lisser Autobedrijf, Heereweg 130. Waren er in oorlogstijd steeds minder auto’s, daarna gaat het hard met het autobezit. In 1946 adverteert Lisser Automobielbedrijfal dat ‘The kings of road: Buick en Chevrolet’ weer geleverd kunnen worden. Het LAB zal geen gebrek hebben gehad aan klandizie. In het Leids Dagblad van 15 oktober 1962 staat dat het oude Rosendaal onder de slopershamer  gaat vallen. Koper het LAB zou er een toonzaal willen neerzetten.  In Nederland was een enorm gebrek aan woningen. In 1962 werd de woningnood tot volksvijand no.1 verklaard. In Lisse leidde dat tot het grootse plan om te bouwen in de Poelpolder. Daar was voor bouw en infrastructuur een gigantische hoeveelheid zand nodig. Dat kwam vanaf de Ruigenhoek, Noordwijkerhout. Dus een eindeloze reeks vrachtauto’s kwam vanaf de Veldhorststraat, maakte de bocht naar rechts over de Heereweg en vandaar naar de 1e Poellaan. Allemaal langs het complex van het LAB op het voormalige landgoed Rosendaal. De Heereweg was toen nog lang geen eenrichtingsweg. Verkeerstechnisch een onhoudbare situatie. In 1972 komen de gemeente en het LAB tot een afspraak. Een deel van het terrein wordt verkocht zodat een reconstructie Veldhorststraat/Westerdreef gerealiseerd kan worden. Een gedeelte van het LAB-gebouw wordt afgebroken, maar er komen een nieuwe showroom en benzineverkoopstation bij. In 1987 wordt het 75-jarig bestaan van het LAB groots gevierd met een inruilwagenfestival in de HOBAHO-hallen.

Woningbouw in gebied Rosendaal

Details bij de juiste plek.

Leek in de jaren zeventig het gebied nog een geschikte locatie voor bedrijfspanden als garages, een tiental jaren later waren de inzichten aanzienlijk veranderd. De gehele infrastructuur, maar ook de wat rommelige aanwezigheid van bedrijven midden in het dorp vroeg om een andere oplossing. Verkeersstromen moesten worden aangepast en voor bedrijven ontstonden specifieke bedrijfsterreinen. Verhuis bedrijven naar een geschikter omgeving en creëer daarmee ruimte voor woningbouw. Het terrein van het voormalige buiten Rosendaal tussen de Westerdreef en de Heereweg was zo’nvgebied dat vroeg om een nieuwe ontwikkeling. De plannen voor de Westerdreef en de Heereweg, het voormalige Rosendaal/LABgebied, werden gelijktijdig ontwikkeld. Het huis van Bemelman en de Incassobank bleven staan.

De Jong Hoogveld

De Kat architecten uit Utrecht ontwierpen de woningen aan de Westerdreef in een strakke, wat stadse stijl. Aan de Heereweg moest sociale woningbouw komen. De grond daarvoor werd aan woningbouwvereniging Het Gezinsbelang verkocht. Zij waren gevestigd aan de Catharijnelaan 14 in buurtschap De Engel. Via diverse fusies is het nu onderdeel van de organisatie Stek. Ook voor de woningen aan de Heereweg maakte het genoemde architectenbureau een ontwerp. Maar het bestuur van Het Gezinsbelang vond het moderne, strakke gevelontwerp niet passen aan de Heereweg. Ook over de indeling van de appartementen kon men geen overeenstemming bereiken. Het kwam tot een breuk en men ging in zee met architect Henri Stol uit Sassenheim. Dit leidde tot een bijzonder gebouw: de gevel aan de Heereweg, met de verschillende frontons die we in het vorige Nieuwsblad toonden, is passend bij de historische panden die nog aan de Heereweg staan. De gevel aan de achterzijde sluit aan bij de stadse woningen aan de Westerdreef. In dit ontwerp konden ook nog drie woningen meer gerealiseerd worden dan in het eerdere plan. Aannemer werd Bouw Partners uit Zwijndrecht. Wethouder Prins van de gemeente Lisse en voorzitter Van der Lans van woningbouwvereniging Het Gezinsbelang sloegen op 2 september 1998 de officiële (eerste) paal. Op 9 juli 1999 kon feestelijk de eerste sleutel worden overhandigd. De 21 appartementen zijn levensloopbestendig gebouwd, wat destijds het beleid was van de woningbouwvereniging. Voor de eerste verhuur zijn zowel woningen aan ouderen als jongeren toegewezen met het idee dat men elkaar kan helpen. De woningen zijn destijds dus niet specifiek als seniorenwoning gelabeld. Bij het ontwerp was er een ruimte op de begane grond gepland als ontmoetingsruimte voor de bewoners. Nu is dat een bedrijfsruimte. Inmiddels is het nieuwe Rosendaal al weer 25 jaar oud. Zou de tijd ook weer rijp worden voor een ontmoetingsplek voor bewoners?

Dag van het Kasteel’ in Lisse

Nieuwsflits

Nieuwsblad 24 nummer 2 2025

2e Pinksterdag: dus van alles te doen rondom en in onze kastelen. Prachtig weer dus veel animo. Dat bleek wel uit de bezoekersaantallen. Ruim 2300 mensen
bezochten het landgoed Keukenhof waar de roofvogelshow erg in trek was. Men mocht gratis het kasteel van binnen bekijken. De figuranten in historische kostuums brachten het kasteel tot leven Bij Dever had men ook een recordaantal geturfd van maar liefst 600 mensen. Het was de hele dag door gezellig druk. Bij Dever waande je je terug in de middeleeuwen. Binnen was er veel te zien en te beluisteren. De geur van versgebakken brood lokte mensen naar de kelderruimte. Buiten klonk de harp die de minstreel begeleidde bij zijn liedjes en verhalen. Op de voorhof was overal wel iets uit de middeleeuwen te beleven. Met een workshop boogschieten kroop je even in de huid van Robin Hood. Bij beide kastelen was de sfeer heel goed, dus was editie 2025 van de ‘Dag van het Kasteel’ weer een zeer geslaagde dag!

CONSTANTIJN HUYGENS OP MEER-EN-BERGH ; De rommeling. (19)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

“Van stomme schepselen en weet ick geen’ als Boomen,

Die onse biddende gedaente naerder komen:

Wij streken even soo ons’ handen Hemelwaerd,

Maer onse wortelen zijn machtigh vast in d’Aerd.”

Huygens hield erg veel van bomen en tui­nen, en hij is die in 1669 komen bezien in Lisse op de machtige buitenplaats Meer-en-bergh van de Heer Gerard van Wassenaer van Alkemade. Dat toont al meteen zijn ruime geest; jonker Gerard was “Rooms-gezind” en stond dus geheel buiten het Haagse Hofleven, waar Huygens als secre­taris van Prins Frederik Hendrik kind aan huis is geweest.

Constantijn Huygens was een der fijnzinnigste dichters van onze Gouden Eeuw, lid van de “Muiderkring”, maar gelijkertijd ook een begaafd politicus. Zijn buiten­plaats te Voorburg, “Hofwijck”, een wijkplaats na de beslommeringen van het hof­leven, is geheel gewijd aan zijn nagedach­tenis en aan die van zijn zoon Christiaan en het bezoeken vol op waard. Ook deze Christiaan, Heer van Seelhem, een beroemd wis- en sterrenkundige en de uitvinder van het slingeruurwerk, was in Lisse niet onbekend. Hij is waarschijnlijk identiek met “Christianus Huygen van Seelhoff”, die in 1655 voor Schout en Schepenen van Lisse verscheen, in verband met de verkoop van Keukenhof. De heren Huygens met voorname gratie rijdende in de koets door het landelijke Lisse. Men ziet ze in den geest nog voor­bijgaan.

VAN DER LAEN EN TER SPECKE; De rommeling. (16)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit “Lisse: De Rommeling” uit 1981. Repro-Holland B.V. Alphen aan de Rijn

Aan de Achterweg, dicht bij de Spekkelaan, staat nog altijd het Huys ter Speck ’t Is wel vaak veranderd en een twintigtal jaren geleden zelfs geheel afgebroken en opnieuw opgebouwd, maar het is waar wat de Engelsen altijd zeggen: “The site genuine”.

Na de Van der Specke’s en de Van Alphens woonde hier sinds 1535 de Haarlemse familie Van der Laen, waarmee men in Lisse heel wat te stellen heeft gehad. Niet met Cornelis van der Laen die het kocht — hij werd “un saint par ses vertues”, een heilig door zijn deugden, genoemd —, maar wel met een aantal van zijn kinderen en klein kinderen. Met name Jonker Adriaen moest men wel heel erg dun schillen …. Wij zien hier Ter Specke, zoals het in 163 door landmeter Steven van Brouchuyse is getekend.

De Van der Laens hebben het vaak nog al hoog in het hoofd gehad. Daarover staat in het boek “Keukenhof” heel wat geschreven. Natuurlijk lieten ze boven het graf van Gerrit van der Laen, overleden in 1635 een fraai “glas” aanbrengen in de Lisse dorpskerk. In 1815, toen de tekening gemaakt is, was het dus nog aanwezig, maar wel tamelijk afgesleten. Bovenaan leest men iets als “Ab ortu solis” en dan denkt men dat zal volgen “usque ad occasum”, tesamen de Bijbelse woorden: “Van de op­gang van de zon tot aan de ondergang”, maar dat staat er niet. Daaronder is de wa­penspreuk van de familie: “Fata viam invenient”, “Het noodlot zal zijn weg vin­den”, ofwel: wat eenmaal bestemd is moet ook gebeuren. Het is een vers uit de Aeneas van Virgilius. Dezelfde spreuk staat ook op zijn grafzerk, die thans buiten tegen de kerkmuur staat. (Wijlen Ir. A.F. de Graaff heeft over deze zerken een interessante studie gepubliceerd in het Leids Jaarboekje 1941.)

In het midden van het glas zien we het wa­pen Van der Laen met de keper en de drie vaten. Daarboven de wrong van de helm met als helmteken weer een vat tussen een “vlucht”. Daarnaast staan de vier kwartier­wapens de wapens van de vier grootouders Cornelis van der Laen, de vader van de overledene, was gehuwd met Beatrix van Montfoort, de dochter van de Leidse burge­meester Jacob van Montfoort en Dirckje Boelesdr. van Lindenburg. Die wapens staan rechts. Nu zou men menen, dat de grootouders van vaderszijde een echtpaar Van der Laen-Van Adrichem zou zijn weest. Links vinden we die wapens. Maar het is niet waar! Grootvader Gerrit van Laen was gehuwd met een dochter van Bouwen Albrechtsz, een drapenier, d.w.z. een lakenbereider, uit de Haarlemse Veerstraat. Maar als je het nu ver hebt geschopt en je je daarbij ook nog heel wat verbeeld dan is zo’n afkomst toch wel erg gewoon. Dan doe je maar net of je van het aanzienlijke geslacht Van Adrichem stamt! De familie had met het geslacht Van Assendelft al eerder hetzelfde grapje uitgehaald. Ach, alle eeuwen door zijn de mensen ijdeltuiten geweest. Wij zijn het ook; ieder heeft, aldus Dr. Terruwe, bij tijd en wile behoefte aan een zekere “bevestiging”.

Ter Specke op een kaart 1616

’t Roemwaard Lisse: Wildlust (61)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

In 1733 bestond Wildlust nog niet. Toen was ter plaatse aan de Zandsloot ten noordwesten van de Lisserbrug op het huidige bollenland van Grullemans een bleekveld met een bouwhuis (boerenhuisje).1 Dit bleekveld behoorde met alle duinen ten noorden van de Zandsloot aan de eigenaar van het Hof van Hillegom, Jhr. (Cornelis) Ascanius van Sijpesteyn.2 Op dit bleekveld, doorsneden door veel slootjes met helder duinwater werd door regelmatig “hozen” in het zonlicht de was gebleekt.3 Iets verder van de weg stond op het gras een fraaie tuinvaas, waarop de bewoonster van Zandvliet, Jkvr. Adriana C. Sohier de Vermandois (“de Mammesel”) uit haar zijraam een fraai uitzicht genoot.1 De rest bestond uit “houtbos”. In 1742 was de “blekerij” al niet meer in gebruik en beplant met “wilgeplanten”.4 Later vindt men aldaar de tuinen van “de buitenplaats genaamd Wildlust”, die op 2 augustus 1814 “bij titel van koop bij gerechtelijke uitwinning” in handen was gekomen van “de Heer Casparus Henricus Wolff, chirurgijn en apothecar” te Lisse. (blz. 56).5 Wolff ging echter niet zelf op Wildlust wonen; het was verhuurd aan “den WelEdelGeboren Heer Coenraad Jacob Temminck, landeigenaar, wonende te Amsterdam op de Herengracht bij de Leidse-gracht”, aan wie Wolff op 30 januari 1819 Wildlust voor ƒ 10.000 verkocht.6 Het geheel bestond uit een herenhuizing, tuinmanswoning, schuur en verder getimmerte en met de landerijen, bossen en duinen groot 14 morgen tot de gemelde buitenplaats behorende en om en bij dezelve gelegen.” De verkoper verklaarde “niet in te staan voor de tegenwoordige staat der gebouwen”, hetgeen erop wijst, dat ze al niet nieuw meer waren.

Het oog der liefde ziet niet ver; Temminck trouwde met Anna Agnetha Smissaert, de dochter van Marinus A.P. Smissaert, de eigenaar van Veenenburg en van de duinen die aan de noord- en westzijde Wildlust omsloten. Coenraad Jacob Temminck, geboren te Amsterdam op 31 maart 1778, was een verdienstelijk dierkundige.7 Op achttienjarige leef­tijd aanvaardde hij een winstgevende betrekking bij de Oostindische Compagnie, legde zich tevens met ijver toe op de beoefening der biologie, werd door koning Lodewijk benoemd tot kamerheer en ridder van de Orde der Unie, nam in 1813 als luitenant bij een vrijkorps te paard met geestdrift deel aan de afschudding van het Franse juk en zag zich in 1820 benoemd tot directeur van het Rijksmuseum van Natuur­lijke Historie te Leiden. Nu werden op zijn aandringen geleerde mannen naar verschillende werelddelen uitgezonden om exemplaren uit het dierenrijk voor het museum te verzamelen. Met onvermoeibare volhar­ding bleef hij daarvoor werken, totdat hij op de 30ste januari 1858 door de dood werd weggerukt. Ook op Wildlust bleef hij de biologie trouw. In 1827 kwamen daar wijngaardslakken voor, waarvan nog steeds een schelp te Leiden bewaard wordt.8 “Professor Temminck” heeft veel voor de uitbreiding en verfraaiing van Wildlust gedaan. In 1828 kocht hij boerderij en landerijen van het voormalige Zandvliet (blz.32) en hij bestelde voor Wildlust duizenden eiken en honderden sierheesters bij de firma, die toen “Cornelis de Graaff en Zn” heette.9 Zo bracht onze Jan hem posthuum nog een laatste groet.

Geachte Heren, die U’s zomers komt vermeien

In dit district, en aan de groene weiden

In’t lommer van Uw lustpaleizen woont

En uwe gunst aan deze plaats betoont,

Verheug u lang nog in het buitenleven,

Totdat hij in een lustplaats wordt verheven

Daar nooit geen damp of gure noordenwind

U aan uw huis of enge kamers bindt,

Maar waar de zon en d’ heldere zomerdagen                                            ;

Steeds zonder eind verschijnen met behagen,

Daar nooit geen druk of scheidgalm zich verspreidt.

Leef zaliglijk tot in de eeuwigheid!

Na de dood van de Weduwe Temminck in 1865 viel Wildlust toe aan haar tweede zoon Marinus, naar wie de boerderij Oud-Zandvliet later “Marinus” werd genoemd.10 Hij liet enige tijd later het oude Wildlust slopen en vervangen door een nieuw huis, dat met de tuinen omstreeks 1930 verdween.11 Van Wildlust is niets meer over, behalve dan een slakkehuis in het Museum van Natuurlijke Historie te Leiden.

1    Gemeentearch. Hillegom, inv.nr. 18 pak 85 (1737).

2   Gemeentearch. Lisse nr. 219 nr. 79.

3   Over blekerijen: Dr. S.C. Regtdoorzee Greup-Roldanus, De Haarlem­mer bleek onder Bennebroek, Bennebroek-Vogelenzang, onder red. van Dr. Tj.W.R. de Haan (1965).

4   Rijksarch. Arnhem, Huisarch. Waardenb. en Neerijnen nr. 188.

5    Zie over hem De Aagtenkerk blz. 123 (portret) en 184. Ansichten blz. 48 en 72.

6   Arch. Van Lynden/Keuk., ongen.

7    J.B. van Loenen, Beschrijving . . . van Hillegom (1916), blz. 7 en 9.

8   H.C. Waardenburg, Commentatio . . . (diss). Vgl. Leids Jaarb. 1970 blz. 157.

9   Ton Lodewijk, De Gouden Graaf (1953) blz. 14.

10 Verzekeringspapieren in Arch. Van Lynden/Keuk. (1866).

11 Ansichten blz. 30-33.

61. Wildlust, Tekening in Oost-Indische inkt door P.G. Lutgers Amsterdam 1808 – Loenen (U) 1874), 19,5x25cm. Gemeentearchief Leiden LPV 77945

’t Roemwaard Lisse: Dubbelhoven (57)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Daar zie ik ’t sierlijk Dubbelhoven, Welks aangename stand verdient een dubbeld loven, Zo om de fraaiheid van ’t gebouw dat het versiert, Als om ’t geboomt, waarin ’t gevogelt’ tiereliert En ’t hart van Groeneveld, wanneer hij neergezeten In zijne schaduw, leert al zijn zorgen vergeten.1

Het “sierlijk Dubbelhoven” lag aan de noordwestzijde van de kruising Speckelaan/Achterweg. In 1666 blijkt het nog een eenvoudige woning te zijn. Ze heeft slechts drie haardsteden, waarvoor ƒ 6 “haardsteegeld” betaald moet worden, veel minder dan voor de andere buitens.2 Als eigenaar wordt genoemd de “Heer Doublet”. Op de boerderij, misschien wel op de plaats van het huidige Dubbelhoven, woont Teeuwis Heyndricx, 2 haardsteden (2 gulden). Dubbelhoven is tot omstreeks 1740 eigendom der familie Doublet, heren van Groeneveld, gebleven. In 1666 was dit Philips Doublet, rekenmeester van Holland, wagenmeester-géne­raal, ontvanger-generaal van de Unie, etc., die in 1672 overleed.3 Het gaarderboek van het morgengeld vermeldt in 1698 “in de Westgeest en aan de Lijtweg” opnieuw Heer Philips Doublet.4 In 1708 verkoopt Jkvr. Cornelia Doublet hout op Dubbelhoven5 en in 1723 Francois Doublet, heer van Groeneveld en Meerkerken. Tuinman is dan Quirin Roodenburg.6 In 1725 “Mevrouwe Doublet, vrouwe van Groeneveld”, en in 1733 weer de “Heer vanGroeneveld”.7

In de komende jaren is Dubbelhoven in het bezit van Mr. Simon Garbijn van Strijen, burgemeester van Haarlem, die in 1749 hier overlijdt en wiens lijk naar Haarlem wordt “uitevoerd”.8 Dubbelhoven vererft op de zuster van de overledene, Maria Garbijn, huisvrouw van Quirijn Dabenis of d’Abenes, “kapitein ter zee ten dienste dezer landen”. Zij kopen op 14 oktober 1749 het land tussen de “Viersteeg en de Lyd- of Achterweg” en de Heereweg.9 Daarna richten ze een schrijven tot het Hoogheemraadschap Rijnland, met het verzoek achter hun buitenplaats een voetpad aan te mogen leggen. Bovendien echter om een “zeker laantje aldaar, genaamd de Vijff- of Viersteeg ende aan haar plaats behorende, met een boom te doen afsluiten, ten einde de passage met rijtuig te beletten”.10 Het is opvallend, dat hier van de “Vijff- of Viersteeg” gesproken wordt. Men meende altijd, dat vuur werd bedoeld en vertelde zelfs, dat tijdens “de troebelen” van deze plek de spits van de kerktoren zou zijn geschoten!

In 1762 wordt op Dubbelhoven een boelhuis gehouden van allerlei boere- en tuinderijgereedschappen. Ook worden grote hoeveelheden bloembollen verkocht, die hele mooie namen dragen: “Lieflijke Morgenstond, Rose Illustere, Agatha, Parel van Amsterdam, Feu Amoureux en vele andere meer. Ook bollenlaadjes en bakken worden geveild en tentzeil en toebehoor voor de “hyacintenpronkbedden”, die toen zo in zwang waren. Alles samen bracht ƒ 3883 en 16 stuiver op. Onder de kopers bevond zich ook de vermaarde Haarlemse kweker George Voorhelm.”11

Maar mijne lust, in uwe welvaart verheugd,

Streeft verder voort, tot d’aangename vreugd

Der kruiden, die in der beminnaars hoven

Hier zijn geplant, terwijl de zon van boven

Zijn stralen zendt en maakt het als bezield

Met geur en kracht, zodat de hof steeds krielt

Met allerlei gedaantens, geur en smaken,

zodat het oog, de neus en mond kan raken

Tot haren wens, hier in deez’hortzenij.

De bloemgodin praalt aan d’andere zij

Met roos, hyacint of violieren, met tulipaan,

Of wat haar tuin toch kan versieren,

Zodat hier is hetgeen dat aangenaam

Vertoond werd, en voor ’t mensdom zeer bekwaam!

Na de dood van zijn vrouw is de kapitein ertoe overgegaan zich van delen van zijn bezit te ontdoen. In 1767 betreft dit de boerderij Welgelegen, in huur bij Gijsbert Schramade, aan de Heereweg naast het huidige politiebureau.12 Koper is Sijmon Verdegaal, geboren te Rijns­burg en bouwman in De Zilk. Deze wordt opgevolgd door zijn zoon Jan, gehuwd met Wilhelmina Vreeburg Jurriaansdr. Hun oudste dochter trouwde met Jan Riggel en tot 1923 is Welgelegen in het bezit der familie Riggel gebleven. De andere dochter huwde met de chirurgijn Gaspar H. Wolff. Zij werd de erfgename van de landerijen, die thans nog steeds De Wolf worden genoemd (blz. 52). 13

1    Rhynl. Fr. Gez.

2   Gemeentearch. nr. 221.

3   De Ned. Leeuw 1915 kol. 59 en 115.

4   Gemeentearch. nr. 365,

5    ARA, Recht.arch. Lissenr. 63.

6   ld. nr. 67 fol. 147.

7   Gemeentearch. nr. 219.

8    ARA, Begraafboek.

9    ARA, Recht.arch. Lisse nr. 21 fol. 105/6

10 Gemeentearch. nr. 503.

11 De kleurige Keukenhof blz. 36/37.

12 ARA, Recht. arch. Lisse, folio 100-106.

13 P.J.H.M. Verdegaal en Drs. G.C.P.M. Verdegaal, Genealogie Ver­degaal (1967). Ansichten blz. 72 en 48.

57. Ets van Abraham Rademaker (1675-1753). Uit Rhynlands fraaiste gezichten, 1732

’t Roemwaard Lisse: Ter Specke (53)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Na alle perikelen die Ter Speeke aan het einde der 16de en tijdens de eerste helft en in het midden van de 17de eeuw moest doormaken, heeft het in het begin van de 18de eeuw een – helaas kortstondige — opbloei gekend. In 1687 was Ter Specke in het bezit van Jkvr. Magdalena van der Laan, geboren te Rijswijk in 1621. Zij was de enige dochter van Jhr. Cornelis en de laatste van deze tak van het geslacht. Van haar oom Jhr. Adriaan had zij 3 morgen geërfd en de rest kocht zij voor ƒ 3000 van de kleinkinderen van haar oom Adriaan Block. Op 13 mei 1687 werd zij met Ter Specke beleend. Enige jaren later is zij op Ter Specke overleden, 28 december 1694. Een neef van moederszijde, de Leidse burgemeester IJsbrand de Bije, blijkt haar universeel erfgenaam te zijn.

Omstreeks 1730 woont op Ter Specke de heer Lodewijk van Dam. Deze heer had in Oost-Indië fortuin gemaakt, “hield zijn woning tot Leiden” en was aldaar getrouwd met de dochter van burgemeester De Bije. Schoemaker noemt Ter Specke omstreeks 1730 “een nieuw verbouwd huis met twee vleugels.” (De linker vleugel was het koetshuis en is — hersteld en verbouwd – nog aanwezig). “Hetzelve ligt in een vermake­lijk oord aan de Achterweg, die van Lis naar Rijnsburg loopt. De oude, kleine kozijnen zijn daar uitgenomen en Engelse schuiframen daar weder ingezet.”2 Op deze tekening ziet men nog de oude kruisramen en hij moet dus voor 1730 zijn gemaakt. “Van voren gaat het met een halfronde trede op en heeft daardoor een zeer vermakelijk uitzicht. Voor de ingang is een ijzer traliehek gemaakt.” En dan besluit Schoe­maker: “Daar is een deftige tuin.” Van die deftigheid is thans niet veel meer over, maar de prachtige oude bomen doen het goed en de bloeiende geelster en de knikkende vogelmelk om het huis zijn de craquelure der echtheid. Van Van Dam is eigenaardige “Quitantie” bewaard gebleven. “Ik onderschr. bekenne, dat de Heere van Lisse mij vergund heeft om 10 a 12 elzebomen tot de stoven toe te laten korten, staande op ene van de kroften van de landen van Zijn HoogEdelheid, recht over mijn plaats, om aldaar het gezicht op de Heereweg te hebben. L.S.V. Dam.”3

Omstreeks 1740 is Herman Blom eigenaar van Ter Specke4 en in 1742 is dit Sara Maria Blom, die op “HaarEd. Buitenplaats” 4 “dienstboden” (personeelsleden) heeft, 2 paarden, 3 overdekte rijtuigen en l open speelwagen. Zij betaalt hiervoor meer dan ƒ 10 belasting, dus het moet nog al wat zijn geweest.5 En toch … een paar jaar later koopt Jan Willemz Korswagen, bouwman (met “l dienstbode, l paard en rijtuig voor de bouwerij”5), die waarschijnlijk in het rechterbouwhuis woonde, het herenhuis en het verdwijnt! Ineens! Het restant wordt tot boerde­rij verbouwd en is dat tot in onze tijd gebleven. Toen Jan de Graaff zingend door het dorp liep, was de glorie van Ter Specke reeds voorbij. De mooie voordeur ging naar de pastorie van de dominee (blz. 44). Zandstenen balkdragers en fragmenten van een 17-eeuwse schouw lagen achter het huis op een hoop en werden later in een Noordwijkse villa ingemetseld.6 Ook op een binnenplaatsje aan het Leidse Levendaal lig­gen “rare koppen”, renaissance balkdragers van Ter Specke. In het begin der 19de eeuw was Ter Specke in het bezit van Ph. W. Wagner (Zie blz. 36). Diens erfgenamen verkochten het tussen 1847 en 1868 in gedeel­ten aan de pachters, Elisabeth Scholten-Kerkvliet,7 weduwe van Dirk van Ruiten, en tientallen jaren is — evenals in de Middeleeuwen – de naam Dirk weer met Ter Specke verbonden gebleven. Sinds 1674 behoorde ook tot Ter Specke de boerderij die later “De Wolf” werd genoemd, gelegen aan de huidige Stationsweg. Op 17 april van dat jaar kocht Jlir. Adriaan van de Laen hem van Jan Adriaensz Corsteman.8 Dan vererft hij via Magdalena van der Laen en Mr. IJsbrand de Bije op Nicolaas de Bije en diens dochter Susanna, echtgenote van Mr. Jan Frederik Roei, secretaris van de politie en financiën der stad Utrecht. In 1779 wordt de boerderij verkocht aan Jan Verdegaal, die op de boerderij Welgelegen woonde, naast het huidige politiebureua. Van hem zijn grote perkamenten bewaard gebleven, waaruit blijkt dat hij voor ƒ 40, “zijnde het tiende part van de waarde van het perceel” het leenrecht heeft afgekocht.9 Uit het stuk blijkt, dat het leengoed van 3 morgen lands zich aan weerszijden van de Speckelaan bevond ter hoogte van “De Wolf’. Dit staaft de mening, dat het allereerste, middeleeuwse Ter Specke zich meer westwaarts bevonden zou hebben.

Ds Craandijk is omstreeks 1875 van het Vierkant naar Ter Specke gelopen. “Uit de vlakte, die wij weldra voor het duin zullen verlaten, verheft zich aan onze linkerhand op een heuvel een hofstede, die den naam draagt van het huis Ter Spekken en in zijn muurwerk nog enige overblijfsels van vrij hoge oudheid en van vroeger aanzien vertoont”! Daarna is Craandijk naar de Vader Jacob gestapt (Ansichten blz. 67). “Een reuzenboom slaat zijn forse takken uit over het zandige pad. Op een kleine hoogte staat hij in volle majesteit, als een koning op zijn troon, j Uit vijf of zes zware stammen, krachtig opschietend uit den wortel, wassen de sterke armen wijd in het rond. Hoog rijst zijn brede kroon boven ’t omringend geboomte”. Een vorstelijke dorpelwachter van den tempel van ongekorven hout”…

1  Dólleman & Schutte, Van der Laen, blz. 24/25 overdr.

2  Ms Schoemaker, Rijkspr.kab.   Amsterdam  deel V.  ld.  Kon  Bibl. ‘s-Gravenhage, nr. 78C53, fol. 43 (48).

3  ARA, Arch. Heereman v. Z., Fach Vila.

4  SJ. Fockema Andreae e.a., Kastelen . . . (1952), blz. 89.

5  Gemeentearch. nr. 225.

6  Foto: Gem.arch. Leiden LPV 77967.

7  Papieren in het bezit van de heer Th. van Ruiten, Ter Specke.

8  ARA, Recht.arch. Lisse, nr. 10, fol. 5 r. en vs.

9  Arch. Van Lynden/Keukenhof.

53. Ter Specke omstreeks 1725. Anonieme tekening, misschien van Cornelis Pronk (1691-1759), (14,5×19 cm). Gemeentearchief Leiden.

’t Roemwaard Lisse: Ter Specke (51)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Ter Specke heeft een zeer lange historie; men kan er een dik boek over volschrijven. Op 13 mei 1329 werd Willem van der Specke door graaf Willem III “verlijd” met twee morgen lands te Lisse. Dit leengoed, “genaamd de Specken”, is steeds groter geworden. In 1348 volgt Dirck van der Specke en Dirck Dircksz in 1372. In 1400 weer een Dirck, maar dan is het leengoed al bijna 10 ha. In 1430 volgt Jacob van der Speck. Intussen heeft reeds in 1416 Dirk van Alphen Danielsz alhier een woning met twee morgen lands. Deze Dirk van Alphen schijnt aan de Van der Specke’s geparenteerd, want wanneer hertog Karel de Stoute zich in 1468 laat huldigen als graaf van Holland, worden onder de 57 edelen die te ‘s-Gravenhage bijeen zijn Jacob van der Specke en Daniel van Alphen samen genoemd.2 Bovendien wordt Daniel in 1469 beleend met alle goederen die eerst door Van der Specke in leen werden gehouden. Bij de “Enqueste” van 1494 worden de grafelijke ambte­naren mede door de “waerschipper” (ambachtsbewaarder) Daniel van Alphen te woord gestaan.3 Florissant is het beeld niet; er zijn in Lisse 50 huizen en van de helft daarvan moeten de bewoners bedelen om hun brood. De oorlogen van hertog Karel en de daarmede samenhangende ontreddering van de maatschappij zijn hard aangekomen. Op 17 september 1535 kwam “die Specken” in het bezit van Cornelis van der Laen, lid van een aanzienlijk Haarlems geslacht, dat reeds honderd jaar eerder in het stadsbestuur zitting had.4 De nieuwe eige­naar was toen nog zeer jong en zijn stiefvader heeft voor hem de leeneed afgelegd. Cornelis, die “un saint par ses vertus” werd genoemd, huwde met Beatrix van Montfoort, de dochter van een Leids burge­meester.5 Uit dit huwelijk zijn vier kinderen geboren. Gerrit of Gerard zou hem opvolgen in zijn Lissese bezit. Maria trouwde in 1596 Symon van Assendelft Jacobsz en misschien ontleent de “Assendelftkroft” op deze kaart zijn naam aan dit echtpaar.6 De tweede zoon heette Dirk en die gaf zijn vader heel wat zorgen. Hij was te Lissabon in zaken gegaan, doch zo zeer in deconfiture geraakt, dat zijn vader de schulden moest regelen. Als straf had deze daarop Dirk “naar Indië getransporteerd” ten einde te trachten “met Gods hulp” de schade terug te verdienen.5 Hoe dat afgelopen is, weten we niet. Vader Cornelis is in 1594 of 1595 te Lisse gestorven.

De oudste zoon, Gerard van der Laen (1552-1635), bezat een reeks zeer belangrijke functies, o.a. burgemeester van Haarlem en gecommitteerde ter Staten van Holland en ter Staten Generaal. Uit een tweetal huwelijken had hij 13 kinderen. Met sommige heeft hij veelte stellen gehad. Vooral met zijn beide schoonzoons, David Luypaert en Claes Cornelisz Cleuting. “dewijl dezelve David (God beter ’t! ) enen desolaten boedel ende naakte huisvrouwe ende desolate kinderen heeft nagelaten”, zo­dat hij hen “uit der hand heeft moeten voeden en onderhouden.”7 Claes Cleuting had Maria van der Laen tegen de wil van haar vader “weggevoerd”, en nadat deze hem ten slotte aan een olieslagerij had geholpen “met malle koopmanschappen en dronken drinken” de hele zaak laten verlopen, enz. enz. Ook de zoons kostten nog al wat. Daarentegen had Beatrix een zeer “goed” huwelijk gesloten met Isaac Massa, koopman en gezant in Rusland (blz. 38). Catharina huwde met de welgestelde Adriaan Maartensze Block. Wegens geldgebrek moest van der Laen Ter Specke in 1597 reeds verkopen aan zijn zwager Paulus van Beresteyn, koopman te Delft.8 Later komt het wel weer in de familie terug, maar na de dood van hun vader moeten de erfgenamen, met name Jonker Cornelis en Jonker Adriaan het weer over doen aan hun zwager Adriaan Block, die zelf op Rosendaal en later op Keukenhof woont (blz. 22 en 38).9 Neen, Ter Specke is geen zorgeloos bezit! In 1604 had Gerard van der Laen te samen met enige andere heren het Keukenduin van Teylingen in eeuwigdurende erfpacht verkregen en is hij met het afzanden begonnen.10 (Er moest geld komen!) Op deze kaart ziet men hoe ver het werk in 1638 was gevorderd. Ter plaatse van het banhek in de Spekkelaan is nu ongeveer de ingang van de begraaf­plaats. Het verloop van de huidige Van Lyndenweg is duidelijk waar­neembaar. In het midden zijn nu de sportvelden en de tennisbanen. Daar groeiden nog niet zo lang geleden hele mooie wilde orchideetjes. De “puist” van het Keukenduin, door oude Lissers “Toesset”, maar op historische kaarten “’t Oostzet” genoemd, heet hier “Wouterskroft”, waarschijnlijk genoemd naar Wouter Gerritsz, die in 1555 land aan Corn. van der Laen heeft verkocht.11 Het is een “kroft” of “krocht”, dus teelland geweest, “groot 10 hond”, 1000 roe, dus meer dan l ha. Het moge ons bevreemden dat op een hoog stuk land als de “Wouters­krocht” gewassen konden worden geteeld. Vóór de onttrekking van water door de waterleidingen waren de vlakke duingedeelten soms lange tijd behoorlijk vochtig. Ook het bekende Langeveld is in vroeger eeu­wen tuingrond geweest en overal in de binnenduinen stonden kleine boerderijtjes met percelen tuingrond er omheen. Zij zijn verdroogd; het zijn kleine vlakten in de duinen geworden.

1    ARA, nr. 229,

2   Matth. van der Houve, Hantvest . . . (1640), blz. 61/62.

3   Prof. Dr. R. Fruin, Enqueste & Informacie (1876). Huis Dever,blz. 63. De Aagtenkerk blz. 24/25.

4   ARA, Arch. Hof van Holl. nr. 83.

5    M. Th. de B. Dólleman en Mr. O Schutte, Het Haarlemse geslacht Van der Laen, DeNed. Leeuw 1969, blz. 18-25 overdr.

6   Het had vele landerijen, zie b.v. ARA, Recht.arch. Lisse nr. 3 fol. 43 vs.

7   ld. nr. 4 fol. 322 e.v.

8   ld. nr. 3 fol. 36 e.v. Ned. Adelsb. 1912 blz. 174.

9   ld. nr. 7, fol. 347 vs. e.v.

10 Zie A. J. van der Aa, Aardrijksk. Woordenb. (1845), dl. VI blz. 427.

11 ARA, Recht.arch. Lisse nr. 3 fol. 43 vs. e.v.

51. “Ter Specke”., copie van Peter Florisz van der Sallem (1646) van een kaart van Steven van Broekhuyzen, ordinaris landmeter december 1638. Alg. Rijksarch, Den Haag, coll. Hingman nr. 74

’t Roemwaard Lisse: Rozendaal (39)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Omstreeks 1600. Het is heel rustig in Lisse; een paar landerijtjes, weiden en duinen met veel konijnen. Hier en daar een huisje van de duinmeiers. Een van hen was Gerrit Jansz de Monnick (1548-1619), die ook wel Gerrit Jansz van Rosendaal wordt genoemd. Is deze duinmeier hier geboren of heeft hij hier later gewoond? Hij was getrouwd met Zyburg Cornelisdr. van Immerzeel. Omstreeks 1620 blijkt Rosendaal in het bezit van Cornelis en Apolonia, kinderen van Cornelis Cornelisz van Immerzeel, schout van Lisse en een broer van Zyburg. Nu verschijnt er een machtig heer ten tonele, Adriaan Block Maartensz, geboortig van Gouda, Commandeur der Ver. Oostind. Compagnie en een der schoonzoons van Gerard van der Laen van Ter Specke (blz. 50). Omstreeks 1620 kocht hij van de Immerzeels Rosendaal, huis en krocht van 750 roe. Het belendde aan een perceel dat Block reeds bezat en in 1622 werd bewoond door zijn zwager Isaac Massa, Antwerpenaar van geboorte en door Frans Hals meermalen geportretteerd. In 1641 liet Commandeur Block na een eervolle en waarschijnlijk winstgevende loopbaan ter zee op het vrijgekomen terrein een buitenhuis bouwen, Rosendaal. Later bouwde hij het huis Keukenhof (blz. 22), terwijl hij Rosendaal op 28 december 1653 overdeed aan Sinjeur Abraham Gillis Jansz, heer van Minquedorne (1612-1689) *. “Sinjeur Jelys” was te Amsterdam geboren, maar stamde uit een Hugenotengeslacht dat van Doornik via Engeland naar ons land was gekomen. Zowel Abraham als zijn enige zoon Jan hebben Rosendaal regelmatig bewoond, terwijl ze ook de beschikking hadden over een huis in Amsterdam. Jan Gillis stierf in 1721, zijn weduwe, C.M. de Surmont, in 1743 en daarna vestigde zich op Rosendaal Jan van der Plas Jansz, die er ook koeien hield. Misschien vond Jan de Graaff Rosendaal in die jaren iets heel gewoons. Hij is er in ieder geval eenvoudigweg aan voorbij gegaan. Hij wijdt liever zijn aandacht aan de hofstede Meerenhout, die iets verder aan de linkerzijde van de straatweg was gelegen.

Ik wil liever zacht naar Meerenhout gaan wandelen

In ’t groen geboomt’, als dat ik steeds zou handelen

Met dezen god.2 Geen groter vreugd voor mij

Alsdat ik hier zie deez’ plaats aan alle zij

Omsingeld van de schone klaverweiden

En welig vee. De uitzicht, waard te melden,

Verstrekt tot op het Haarlemmer Spaar,

Aan d’andre zij tot in het dorp voorwaar.

Het zuiverend oogt tot ’t vermaarde Leiden,

Zodat men kan veranderen op drie zijden.

1795. De Fransen trekken ons land binnen, de Bataafse Republiek wordt uitgeroepen. Op Rosendaal vinden we een nieuwe bewoner, Huybert Breero, “Koopman in Bloembollen.” Op 27 juli 1808 werden allerlei “bomen en heestergewassen” door A.F. Wundel, “Directeur van Flora”, geveild. Breero blijkt overleden.3 De volgende eigenaar van Rosendaal is Aart van der Mey uit Rijnsburg, stalhouder en verhuurder van paarden. De Leidse studenten zullen wel goede klanten zijn geweest want Lisse met zijn Witte Zwaan en zijn “Spookhuis” (blz. 10) was bij hen zeer in trek. Ook “hield men heren.” Zo lezen we in de Opregte Haarlemsche Courant van l april 1824: “Te huur enige behangen kamers, met de kost, voor het zomersaisoen of voor het gehele jaar, met een vrije wandeling in een grote bloemrijke tuin, genaamd Rosendaal, in het aangenaamst van het dorp Lisse. Te bevragen bij de bewoner A. van der Mey.”

In 1832 is burgemeester EJ. van den Bergh de eigenaar van het huis. die hier woont met zijn zuster en haar man, Hermanus Scherpenzeel. In 1844 wordt Rosendaal weer verkocht. “Een welingericht zomer- en winterverblijf met 5 beneden- en 3 bovenkamers, waarvan 6 behangen en 5 van stookplaatsen voorzien, twee dienstbodenkamers, zeer ruime keuken en kelder, zolders, stalling voor vijf paarden en zes koebeesten en ruim koetshuis, wijders een aangename tuin met fijne weldragende vruchtbomen, wandelbosje, goudvissenvijver, grote moestuin en verdere bepoting en beplanting.” Voor ƒ 4700 werd het gekocht door H.J. Huysmans, die het later verhuurde aan de Amsterdamse Cornelis Kruseman, een verdienstelijk schilder uit de romatische school. Hij maakte vaak grote schilderijen met een zeer dramatische inhoud. Ten slotte verwierf in 1862 voor ƒ 8500 de Eerw. Heer J.F. Fick, de legendarische oud-pastoor van Berk el en Rodenrijs het buitengoed. Over hem en zijn “mechanique” raken de oude Lissers niet uitgepraat.5 Later wonen hier nog dokter Metzlar, dokter de Graaf6 en dokter Hol. En dan nadert het einde. In 1962 werd Rosendaal gesloopt. En de beide leeuwen op de hekposten? “Nu past Monumentenzorg er op, dat ze voor Lisse behou­den blijven”7! ! !

Ja, ja … een werd er (’s nachts) aangereden en kort daarop werden ze beide voor goed geld naar elders verkocht . . .! ! ! !

Ir. A.F. de Graaff, Rosendaal en zijn bewoners. Leidse Jaarb. 1963, blz. 153-161.

1    ARA, Recht.arch. Lisse nr. 182.

2   n.l. Neptunus.

3   De kleurige Keukenhof blz. 53.

4   De Aagtenkerk blz. 185. Huis Dever blz. 251.

5    Aagtenkerk blz. 146-151.

6   Ansichten blz. 22 en 23.

7    Leids Jaarb. 1963, blz. 160 en 182.

39. Rosendaal. Ets van Abraham Rademaker (1675-1753) Uit Rhynlands fraaiste Gezichten, 1732

’t Roemwaard Lisse: Meerenburgh (37)

Door Alfons Hulkenberg

Overgenomen uit het boek ” ’t Roemwaard Lisse” uit 1998, 2e druk, Grimbergen boeken – Lisse

Meerenburgh was een zeer grote buitenplaats, waarvan het huis zich bevond achter de huidige villa Merenburgh aan de Lisserbrug. Onder de porriehoop zit nog wat steen van de oude fundamenten. De hofstede is gesticht in 1638 door Jhr. Albrecht van Wassenaar, heer van Alkemade, zoon van Jhr. Jan van Duivenvoorde van Warmond en Odilia Valke­naar.1 De eerste kaart van huis en tuinen vertoont nog een eenvoudig beeld,2 maar geleidelijk aan is het steeds groter en imposanter gewor­den. In 1666 was het in het bezit van Jhr. Gerard van Wassenaar van Alkemade en het had in 1669 de eer de beroemde Constantijn Huygens binnen zijn muren te mogen ontvangen.3 Later woonde hier Jhr. Thomas Walraven van Wassenaar van Alkemade, gehuwd met Margaretha A. baronesse van Lynden. Deze tak van het aloude geslacht Wasse­naar was trouw gebleven aan Rome 4 en zo vinden we hier een priester, die – tegen goede betaling – als huiskapelaan werd toegelaten. Sinds 1719 was dit Peter Gratia, later schuilt er de Jezuiet Ignatius Oliva, die uit zijn statie Leiden verbannen was5 en in 1768 is er als kapelaan Lambertus Eyssen. Andries Schoemaker noemt Meerenburg in 1730 “een zeer vermakelijk oord, als hebbende van voren de jacht door de duinen en van achteren de visserij in het meer, tussen beide liggen grazige weilanden.” Hij vermeldt nog dat een “modern huis” is, 100 roeden van de Heereweg.6

Het echtpaar van Wassenaar-Van Lynden werd in zijn bezit opgevolgd door Gerard Anthony baron van Wassenaar van Alkemade (1707-1752), in 1734 te Amsterdam gehuwd met Elisabeth Marie Cromhout, vrouwe van Werve en Nieuwerkerk, die op 16 augustus op Meerenburgh over­leed.4 Juist in deze jaren komt Jan de Graaff Meerenburgh bezien. De bedijking van Lisserbroek heeft de bouwman bevrijd van lasten en schaden,

En Meerenburgh van het verslindend nat

Bevrijd, die aan haar einde is omvat

Van ’t broekland,7 wijl deez’ plaats vol fraaiigheden

’t Beminnelijk schoon vertoont in volle leden,

Waarop het volk van Lis zo moedig bromt,8

Zelfs aan de vreemd’ling, die hier ter plaatse komt

En roeme steeds, wijl dat haar schoon’gezichten

Tot diep in ’t oost’, ja zelfs tot Amstels stichten

Ver strekt,9 en is aan ’t achterste gesierd

Met vogelkooi, zo dat gestadig zwiert

’t Gevogelte, ’tgeen door de dichte takken

Uit de hoge lucht komt zacht/es nederzakken.

Men ziet het huis van marmer en ivoor

meest opgebouwd, ’t welk Diana ’s koor

in schoonheid lijkt,10 vertoont door beemd en velden

En ’t woeste nat of meer, wiens ijselijk geweiden

Ons vrezen doet, wanneer de oostenwind,

Door Aeool’s muitgespan 11 als gans gestoord, ontzind,

Ons dreigt, zo’t schijnt, ten eenmaal te vernielen,

Totdat Neptuun met zijn blauwe wielen

En schulpkaros der stroomgedrochtens bek

Beteugelt en betoomt het ganse ommetrek

Der vloeden, zee, of grote waterplassen.12

De wolken die op woord des Zeevoogds altijd passen

Verdwijnen fluks,13 dus wordt ’t een stille ree.

Maar, ik zou Neptuun welhaast volgen op de zee . . .

Eigenaar van Meerenburgh is nu Jacob Hendrik baron van Wassenaar van Alkemade, hoofdingeland van Rijnland (1736-1800). Deze onge­huwde baron verbleef regelmatig op het buiten, maar eigenaresse blijkt zijn zuster te zijn, Elisabeth B.M., die evenals vele katholieke freules haar levenspartner vond in de Zuidelijke Nederlanden, het huidige België. Eerst was dit Louis E.G. prince de Montmorency, vicomte de Roulers, baron de Bellem en na diens dood in 1778 Jean F.Ph. comte d’Asson.4 Zij laat Meerenburgh na aan haar dochter, gehuwd met de Prince de Veaudemont. De ongehuwde oom Jacob Hendrik was nog steeds de bewoner en talrijk zijn in deze jaren de moeilijkheden betref­fende de doorvaart door de Zandsloot.14 Baron Du Tour van Zandvliet heeft deze aan de eigenaar van Keukenhof toegestaan,15 maar als Van Wassenaar telkens de uitmonding met een boom afsluit heeft dit weinig zin!

In 1802 kwam voor Meerenburgh het einde. De uitgestrekte buiten­plaats werd voor ƒ 23000 verkocht aan de Haarlemse geweermaker Philipp Wilhelm Wagner.16 Het huis werd gesloopt, de landerijen verka­veld. In zeer korte tijd is het ongelooflijke gebeurd; het machtige Meerenburgh is verdwenen!

1    Van de Aa, Aardr. Woordenb.

2    ARA, Kaarten reg. nr. 2284 (1639)

3    S.J. Fockema Andreae, Kastelen.

4    H.G.A. Obreen, Geschiedenis . . . Wassenaar (1903).

5    De Aagtenkerk, blz. 79 en 90.

6   Ms Schoemaker (A’dam en Den Haag). Gemeentearch. Hillegom, div. kaarten, inv.nr. 122 pak 74 e.a.

7    moerasland.

8    zich beroemt.

9    Bij helder weer kon men over het meer de torens van Amsterdam zien.

10 Diana was de kuise godin van de jacht. Zij was vergezeld door zeven schone nymfen.

11 Aeolus, god der winden.

12 Neptunus, god der zeeën, rijdt in een schelpkaros over de baren en weet de muitende Aeolus te bedwingen.

13 De wolken gehoorzamen Neptunus.

14 Arch. van Lynden/Keukenhof.

15 De kleurige Keukenhof, blz. 42 en 43.

16 Zie 14. Leids Jaarb. 1969, blz. 188.

37. Meerenburgh .Ets van Abraham Rademaker (1675-1753) Uit Rhynlands fraaiste Gezichten, 1732